18. Terug op de Atwell-farm


Twintig minuten later stond ik op het busstation. Ik kocht een kaartje naar Sandhurst en moest een halfuur wachten. Telkens als er iemand binnenkwam, keek ik angstig op. of niet Ami of Wade of zelfs Basil zou komen binnenstormen om mijn vertrek te verhinderen. Eindelijk kwam de bus en ik stapte in. Ik moest onderweg overstappen op een andere bus en dat betekende weer een wachttijd. Deze keer duurde het bijna een uur. De meeste tijd sliep ik in de bus, maar in het tweede busstation begon ik me af te vragen of het wel goed was wat ik deed. Had ik niet moeten teruggaan naar het weeshuis en Moeder Higgins?
Nee, dacht ik. goed of slecht, mevrouw Cukor had gelijk. Ik moest terug naar huis. Ik moest de band met mijn verleden weer aanknopen en met wat er hopelijk nog op me wachtte in de schaduwen en donkere hoeken van die wereld. Dan zou ik weten wat ik moest doen.
Het was al laat in de middag toen ik in Sandhurst arriveerde. Ik herinnerde me bijna niets meer van het dorp - niet dat er veel te herinneren viel. Het had twee hoofdstraten, een die dwars door het dorp liep, en een die er na driekwart van de weg mee samenkwam en dan naar het noorden afboog. Er waren een postkantoor, een brandweergarage, een tiental winkels, waaronder een supermarkt, en twee café-restaurants. Het busstation was een klein snoepwinkeltje, dat al bijna vijfentwintig jaar beheerd werd door een oud echtpaar. Het heette George's, en de naam van de vrouw was Annie. Ik was de enige die uit de bus stapte. Er hadden maar vijf mensen in gezeten, en de anderen waren uitgestapt in Centerville. het dorp vóór Sandburg.
De straten waren vrijwel verlaten, slechts een enkel voertuig kwam voorbij. Ik zag een paar jongens voetballen op het schoolterrein toen we langs het veld reden. Het was koud, maar de lucht was helder en de ramen glinsterden in het late zonlicht. Toen we naar het busstation reden, zag ik een man een winkelruit schoonmaken, en een hond lag uitgestrekt, ontspannen op het trottoir, alsof hij wist dat niemand hem zou storen. Zijn ogen gingen nieuwsgierig open toen ik uitstapte. De chauffeur pakte mijn koffer, keek naar mij en de omgeving, alsof hij me achterliet aan het eind van de wereld. Hij stapte weer in de bus en reed weg. terwijl ik het snoepwinkeltje binnenging om te informeren of ik een taxi kon krijgen.
'Hallo,' zei George. Hij droeg een lang, gesteven wit schort en maakte de toonbank schoon met een grote spons. Zijn vrouw had een kort schort voor op een vrolijk gekleurde katoenen jurk, en zat op een kruk de krant te lezen. Ze draaide zich om en keek even naar mij voor ze haar aandacht weer richtte op het artikel in de krant dat haar interesse wekte.
'Kan ik hier een taxi krijgen?' vroeg ik.
'Natuurlijk. Ik zal Al voor u bellen. Hij is de enige taxi op het ogenblik. Waar wilt u naartoe?'
ik moet naar de AtwelI-farm.'
'De Atwell-farm!' zei Annic, die haar oren spitste. Ze kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen. 'Waarom gaat u daarnaartoe?'
ik ben de eigenaresse,' zei ik.
George verstarde met de telefoon in zijn hand.
'De eigenaresse? Bent u... bent u de baby?' vroeg Annie verbijsterd.
'Ja,' zei ik glimlachend. 'De baby.'
Ze staarden me allebei aan, zonder iets te doen.
Annie was de eerste die het zich realiseerde.
'Bel Al voor haar,' beval ze.
Snel toetste hij het nummer in.
'Ik heb een vrachtje voor je,' zei hij door de telefoon. 'Naar de Atwell-farm. Oké.' Hij hing op. 'Hij is er over vijf minuten. Moet alleen zijn jasje even aantrekken. Hij woont hier verderop in de straat.'
'Weten de Farleys datje komt?' vroeg Annie.
Ik wilde niet laten merken hoe weinig ik wist over de huurders van de farm.
ik bedoel maar,' ging ze verder, 'Pru Farley was hier eerder in de middag en ze heeft er niks over gezegd.'
'Niet iedereen vertelt alles over zichzelf, Annie,' merkte George op.
Haar oog viel op mijn koffer.
'Van plan om een tijdje te blijven?'
'Ja.' antwoordde ik glimlachend, ik blijf een ti jdje.'
'Eh. ik... hoe is het je vergaan?' vroeg ze, hoogst nieuwsgierig om alles te weten te komen. 'Waar ben je al die jaren geweest?'
ik was... weg,' zei ik.
ik herinner me nog als de dag van gisteren datje moeder hier met je binnenkwam. Voor een baby kon je zo serieus naar mensen kijken, met ogen als twee kleine zoeklichten. Ik mocht je geen lol- lie geven van je moeder, maar wel een wortel. Die at je op als een klein konijn. Weetje nog. George?'
Hij bromde iets en lachte.
'Pru en Brice Farley zijn heel aardige jonge mensen,' zei George. 'Hij is schooldecaan van de high school.'
ik weet zeker dat ze alles van de Farleys weet. George,' zei Annie en keek toen naar mij om te zien of het waar was.
Ik knikte zonder commentaar te geven.
Ze kneep haar ogen argwanend samen.
'Het gerucht gaat dat Marvin Becker. een advocaat, je land probeert te kopen om er vakantiehuizen neer te zetten. Is dat de reden waarom je bent gekomen?' vroeg ze.
'Lel maar niet op haar. Ze denkt dat ze het plaatselijke nieuws voor de krant moet schrijven.'
'Dat is niet waar. Iedereen weet het,' protesteerde ze.
Er stopte een auto voor de winkel.
'Daar is Al,' zei George. 'Hij is er eerder dan ik dachl. Hij krijgt niet veel ritjes in deze ti jd van het jaar. dus is hij  er erg happig op.'
'Wees maar niet bang, hij kan goed rijden,' zei Annie.
'Dank je.'
'Je was een mooi kind.' zei ze. 'Het verbaast me niks dat je een mooie jongedame bent geworden.'
Ik onderdrukte een glimlach.
'Ik ben niet gekomen om het stuk grond te verkopen,' antwoordde ik. Ze straalde bij het horen van dat exclusieve nieuws.
Tijdens de korte rit naar de farm vertelde de taxichauffeur. Al Shineman, me wat er met de farm gebeurd was sinds mijn vertrek.'Het heeft heel wat tijd gekost voor je advocaat de farm verhuurd had, weet je,' zei hij. Hij liet zijn kin zakken en keek naar me boven de dikke glazen van zijn bril. 'Met de gedachte aan wat daar allemaal was gebeurd, waren de meeste mensen bang voor de farm. Met Halloween gingen de tieners erheen en hielden feesten bij kampvuren, totdat de politie er ten slotte een eind aan maakte. Ze hadden een bosbrand kunnen veroorzaken en er was alti jd wei iemand die inbrak in het huis.
ik heb gehoord dat de Farlcys het van binnen mooi hebben opgeknapt. Brice is coach van het universitaire juniorenbasketbalteam, en Pru werkt voor je advocaat. Ze is juridisch assistent.'
Ik zei geen woord dat erop zou kunnen wijzen dat ik praktisch niets wist. Hoe zwijgzamer ik werd, hoe meer hij praatte. Al die tijd bonsde mijn hart als een drum in een optocht. Naarmate we dichter bij de farm kwamen, werd de omgeving vertrouwder. Ik viel terug in de tijd met elke minuut die voorbijging, elke kilometer, elke boom, elk veld en elke rots waar we langsreden.
'Gaat het goed met je, jongedame?' vroeg Al loen we bij het toegangshek waren van de lange oprijlaan en ik een duidelijk hoorbare kreet liet horen.
'Stop!' riep ik, toen hij door wilde rijden.
'Stop?' Hij remde. 'Wat is er? Dit is de Atwell-farm.'
Ik haalde diep adem. Links van me kon ik het kleine oude stenen kerkhof zien: de bovenkanten van de drie grafstenen staken net boven de veldstenen muren uit. Ik had Nobles of mama's hand zo vaak vastgehouden als we een bidwake hielden en naar het anonieme graf keken dat ons diepste geheim bevatte.
Ik keek oni me heen naar het stuk grond. Het bos dat het omringde was dichter en groter geworden, alsof het langzaam optrok naar het huis. Het drie verdiepingen hoge Queen Anne-huis met de o-zo-vertrouwde toren waarin ik zo vaak verborgen was geweest, leek onveranderd. Het grasveld aan de voorkant van het huis was goed onderhouden, maar de velden waren overwoekerd, het onkruid kroop zelfs omhoog langs de muren van de oude schuur. Ik zag dat het terrein waar vroeger de kruidentuin was, volkomen overgroeid was door wild gras en bloeiend onkruid. Een nieuw model rode sedan stond geparkeerd voor het huis, en een zwarte pick- up rechts ervan. Links van het huis hadden de bewoners kennelijk een kleine groentetuin aangelegd. Ik zag de restanten van pom- poenplanten en herinnerde me hoe Nohle en ik de gezichten uitsneden voor Halloween. We gaven ze allemaal een naam.
'Hoeveel krijgt u van me?' vroeg ik aan Al.
'Moet ik je niet naar het huis rijden?'
'Nee.' zei ik. Ik kon het hem niet uitleggen, hij zou het niet begrijpen.
'O, goed, dan is het twaalf dollar.'
Ik maakte de envelop open die mevrouw Cukor me had gegeven en haalde het geld eruit. Hij pakte het aan en stapte uit om mijn koffer van de achterbank te halen.
'Weet u zeker dat ik u niet naar het huis moet rijden?' vroeg hij, toen hij me de koffer overhandigde. 'Het wordt al donker.'
'Nee, dank u,' zei ik.
Straks is hij terug in het snoepwinkeltje en zal hij natuurlijk in geuren en kleuren hierover praten, dacht ik, maar het kon me niet schelen.
Ik ging op weg over de oprijlaan.
Hoe vaak had ik hier niet gelopen met mama of met Noble en ze horen praten over de geesten van onze familie die glimlachend aan de kant naar ons stonden te kijken! Waren ze nu ook hier? Ik kon ze niet kwalijk nemen dat ze zich niet lieten zien, me niet vertrouwden. Kijk maar eens naar alle omwegen die ik had gemaakt, hoe ik ze had ontkend en vermeden, ze had behandeld alsof ze hersenspinsels waren, spookbeelden van een verwarde jeugdige verbeelding.
In de wind die met mijn haar speelde en langs mijn gezicht woei, kon ik me het zingen van mama herinneren. Misschien blijven geluiden, stemmen, woorden en muziek net zo lang hangen als alle andere dingen, en op het juiste moment, als alle natuurkrachten op de juiste manier tezamen komen, keren die herinneringen terug als echo's, laten zich opnieuw horen. Onder het lopen dacht ik aan dat alles. Ik merkte zelfs niet hoe zwaar mijn koffer was, en ook keek ik niet om naar meneer Shineman, die nog achteruit over de oprijlaan reed. Ik wist dat hij me gadesloeg, in de verwachting iets vreemds en verbijsterends te zien. een mooie roddel om in het winkeltje over te pralen.
Wat hij zag was dat ik stopte en zo stil bleef staan, dat hij zich ongetwijfeld afvroeg of ik ine bedacht had en op het punt stond om te keren en te vluchten. Ik stopte omdat ik piano hoorde spelen. Ik herkende de melodie. Mijn hart sprong op. Zou ik. als ik op die deur klopte, Noble voor me zien staan? Zou mama achter de piano zitten? Zou alles wat er daarna gebeurd was als een droom verdwijnen zodra de zon me wekte? Zou het bos achteruitwijken, het onkruid verdwijnen en de kruidentuin bloeien?
'Alsjeblieft, alsjeblieft,' fluisterde ik. 'Laat mijn droom uitkomen.'
Ik klopte op de deur met de oude koperen klopper die er nog was. Ik hoorde de piano stoppen. Een paar ogenblikken later ging de deur open, en een jongeman met kortgeknipt lichtbruin haar en lichtbruine ogen. keek me aan. Verrast vormde hij zijn lippen tot een innemende glimlach. hij  droeg een flanellen hemd en jeans en hardloopschoenen. Hij was minstens een meter tachtig lang en slank, maar stevig gebouwd.
'Hallo,' zei hij opgewekt. Hij keek naar buiten en zag geen auto. Al Shineman was inmiddels verdwenen. 'Wie bent u?'
ik ben Celeste Atwell.'
Zijn mond viel open en zijn ogen werden groot. Hij keek weer langs me heen en ik besefte onmiddellijk dat hij dacht dat ik me op een of ander manier uit het niets had gematerialiseerd. Ik glimlachte nu zelf ook.
ik ben met een taxi gekomen.' zei ik.
'O. dat had ik niet gehoord,' zei hij. 'Mijn vrouw speelde piano.'
'Wie is daar, Brice?' hoorde ik een vrouw in de zitkamer roepen.
'Het is Celeste Atwell.' riep hij terug en deed een stap achteruit. 'Kom binnen, kom binnen,' drong hij  aan.
'Wie?' hoorde ik. Ik keek naar de deur van de zitkamer en zag Pru Farley. Ze was een heel knappe vrouw, ongeveer net zo lang als ik. Ze had groene ogen. dezelfde kleur die mijn eigen ogen soms aannamen, en donkerbruin haar. Ze had smalle gelaatstrekken, maar volle lippen, en een scherpe kin, die haar jukbeenderen nog prominenter maakte. Ze was slanker dan ik en had langere benen. Haar haar was zacht en glanzend, en krulde aan de uiteinden.
'Het is onze huisbaas.' zei Brice geamuseerd. 'Celeste Atwell.'
'Is het heus?' zei Pru, terwijl ze een stap in mijn richting deed. 'Hoe ben je hier gekomen?'
'Met een taxi.' legde Brice uit. 'Kom binnen, kom binnen,' herhaalde hij. terwijl hij mijn koffer van me overnam.
'Ja,' zei Pru, en deed een stap achteruit. 'Kom mee naar de /it- kamer.'
Ik zag dat ze elkaar verbaasd en verward aankeken.
Ik bleef even staan toen ik in de zitkamer kwam. Er stonden andere meubels, maar de piano was nog dezelfde en stond precies waar hij altijd had gestaan. Er lag een crèmekleurig kleed onder.
'Ga zitten waar je wilt,' zei Pru.
Ik knikte, maar liep eerst naar de piano en legde mijn hand erop.
'Die bladmuziek was een deel van de verzameling die we vonden toen we hierheen verhuisden,' zei Pru.
Ik bleef staan met mijn hand op de piano. Een paar seconden lang hield ik mijn ogen gesloten en een melodie vond via mijn arm zijn weg naar mijn hart. De tranen sprongen in mijn ogen bij de herinnering aan mama die speelde, terwijl Noble en ik op de bank zaten te luisteren. Een ogenblik later haalde ik diep adem en ging op de zachte, lichtbruine leren sofa zitten, die tegenover eenzelfde sofa stond.
'Kan ik iets fris voor je te drinken halen?' bood Brice aan.
'Sap. mineraalwater?' opperde Pru.
'Nee, dank u.'
Ze stonden me aan te staren, tot Pru besefte wat voor indruk ze moesten maken.
'O, sorry,' zei ze en ging haastig op de sofa tegenover me zitten. Ze keek naar Brice, die naast haar kwam zitten. 'Het is alleen zo onverwacht.'
'Wat brengt je hier?' vroeg Brice. 'We weten in het algemeen natuurlijk net als iedereen wat hier gebeurd is en hoe lang je bent weggeweest.'
Hoe moet ik beginnen? dacht ik.
En toen, alsof de woorden altijd al in het huis aanwezig waren en slechts erop wachtten tot ik ze als rijpe vruchten uit de lucht zou plukken, begon ik mijn verhaal te vertellen.
Bijna drie kwartier later, toen we wat koels hadden gedronken, had ik al mijn belevenissen verteld, en keken ze me beiden ontdaan en verbijsterd aan.'Wat afschuwelijk.' zei Pru. Ze draaide zich om naar Brice. 'Ik kan begrijpen waarom dat arme kind hiernaartoe kwam. Het is het enige echte thuis dat ze ooit heeft gekend. We moeten iets doen.'
'Ja.' zei Brice en richtte zich vastberaden op. 'Om te beginnen.' zei hij, 'neem je onmiddellijk je intrek bij ons. Ik zal ervoor zorgen datje wordt overgeschreven naar mijn school. Ik zal contact zoeken met de betreffende autoriteiten en zorgen dat wi j de touwtjes in handen krijgen. We kunnen je advocaat, mr. Deward Lee Nokleby-Cook. vragen ons daarbij te helpen. Pru werkt voor hem.'
ik weet het. Dat heeft de taxichauffeur me verteld.' zei ik, en ze moesten allebei lachen.
'Het is een klein dorp. In ieder geval zullen we hiermee beginnen.'
'Maar ik ben hier niet gekomen om u, of wie dan ook, moeite te bezorgen.'
'Dat begrijp ik,' zei Brice. 'Maar ik geloof dat ik voor ons beiden spreek als ik zeg dat wij er anders overdenken. Geleste. Je bent nog geen achttien, en we willen niet datje in handen valt van het rne bureau na het andere.'
'Precies.' zei Pru. terwijl ze opstond, ik ga voor het eten zor- i'en. Je zult wel uitgehongerd zijn.'
'Ik zeker," zei Brice.
'Dat is niks nieuws," zei Pru tegen mij.
Ik vond ze allebei onmiddellijk erg aardig. Het versterkte mijn ntrouwen dat ik me hier veilig en op mijn gemak zou voelen, al- ili.ins voorlopig.
' Kan ik helpen met het eten?' vroeg ik.
Nee, gaan jullie je gang maar. Brice zal je naar je kamer bren- J»il.'
' Natuurlijk,' zei hij. 'Ik breng je naar boven. Welke kamer. Pru?'
Die kamer rechts als je boven komt is het mooist.'
Oké.' zei hij.
 Ze stond onder aan de trap en keek omhoog toen hij de eerste ||ii|>pcn had gedaan. Een stroom van herinneringen kwam bij me boven, waarvan de meest schokkende en traumatische was dat ik Fletcher aan de voet van de trap zag liggen, met een gebroken nek door de val. Die aanblik lag verankerd in mijn geheugen.
Gaat het goed nietje?' vroeg Brice.
In Alleen een beetje moe.'
'Logisch,' zei hij. 'Ga even rusten. Maak je geen zorgen over het klaarmaken van het eten. Daar hebben we een ware wetenschap van gemaakt. Zij kookt, en ik doe alle andere dingen. Kom,' drong hij aan, en ik volgde hem de trap op, naar de kamer rechts, die in mijn gevoel eerder honderd dan elf jaar geleden mijn kamer was geweest.
Ze hadden de muren geschilderd en de vloer gerenoveerd. Er stond een mooi queensize bed met roze en witte kussens en dekbed, een bijpassende ladekast, en aan de linkerkant een kleine toilettafel met een draaibare ovale spiegel.
'Een paar oude meubels van ons,' zei Brice, 'maar de matras is nieuw.'
'Het ziet er heel mooi uit,' zei ik.
Hij zette mijn koffer bij de kastdeur.
'Ga even rusten. Ik roep je als we gaan eten.'
'Dank u,' zei ik.
Ik was moe, zo moe dat ik de rest van de avond zou blijven slapen als ik ging liggen en mijn ogen dichtdeed. Een kleine trap die naar de torenkamer leidde, oefende een magische aantrekkingskracht op me uit. Weer aarzelde ik. De herinneringen flitsten voor mijn ogen als miniatuurbliksemstralen. Hoe vaak had Noble me die trap op en af gedragen?
Ik haalde diep adem en klom de trap op. De deur was niet op slot. Even bleef ik staan met mijn hand op de knop, overleggend of ik de deur open zou doen of niet. Misschien ging het allemaal te snel in zijn werk. Maar zelfs al was dat waar, ik kon het niet laten.
De kamer leek nu zoveel kleiner. Er stonden meer oude meubels en meer opgestapelde dozen dan vroeger, zelfs tegen de twee ramen. Er was nauwelijks ruimte om verder in de kamer door te dringen, maar ik wist me langs een paar lampen, spiegels en twee ladekasten te persen tot ik in het midden was, waar ik eindeloze uren had doorgebracht met mijn prentenboeken en kleurboeken, of slapend op Nobles schoot, wachtend tot degene die naar het huis was gekomen om  geneeskundige kruiden te kopen, weer vertrokken was. Dat was voordat iemand van mijn bestaan op de hoogte was.
Met gesloten ogen ging ik op de grond zitten in de kleine lege ruimte en gaf me over aan mijn herinneringen, zocht naar beelden uit het verleden alsof ik gouderts waste in een beek. Ik hoorde een sonate van Mo/art en herinnerde me dat ik een muziekdoos had gevonden die zowel Nohles als mijn nieuwsgierigheid wekte, maar ik herinnerde me ook mama's angst en woede omdat we ermee speelden. Daarna was de muziekdoos verdwenen, en niemand wilde erover praten.
Zoveel van mijn verleden leek te veel op een in de knoop geraakte, moeilijk te ontwarren kluwen touw. om er wijs uit te kunnen worden.
Ik leunde tegen een oude ladekast, sloeg mijn armen over elkaar en hield mijn ogen gesloten terwijl ik fluisterend om Noble riep, verlangend naar die vredige, gelukkige tijd toen ik me geliefd en veilig voelde, zelfs al zat ik opgesloten en verstopt in deze kleine kamer. Ik had het niet erg gevonden om te fluisteren, om me te omhullen met schaduwen. Het was alsof ik wist dat het allemaal ten kwade zou keren als ik naar buiten in het daglicht werd gebracht.
'Celeste,' hoorde ik. en ik deed mijn ogen open. Ik besefte dat ik was ingedut. 'Celeste?'
Haastig stond ik op en kwam uit de torenkamer. Brice stond aan de voet van de korte trap.
'O, ik... ik wilde net...'
ik weet het,' zei hij. 'Dit is een groot huis om te verkennen, vooral voor jou. In ieder geval, het eten is klaar.'
Glimlachend stond hij op me te wachten.
'Het komt allemaal in orde,' zei hij. 'Wees maar niet bang.'
'Waarom doet u dit?' vroeg ik. Het leek of mijn terugkeer naaide torenkamer me sterker en behoedzamer had gemaakt.
'Om te beginnen, ik ben Brice, en mijn vrouw is Pru. In antwoord op je vraag: het is zoals Pru zei. We vinden gewoon dat... dit huis goed voor ons is geweest. We zijn hier zo gelukkig geweest dat we ons verplicht voelen het huis en alles wat erbij hoort in stand te houden.'
Tijdens het eten vertelden ze meer over zichzelf, hoe ze elkaar hadden ontmoet, van elkaar waren gaan houden, waar ze getrouwd waren en waarom ze besloten hadden zich in deze kleine gemeenschap te vestigen. Brice beschreef de school en hoe prettig hij het vond voor een school le werken die nog klein genoeg was om counselor te kunnen zijn van elke individuele leerling, van groep tien tot twaalf. Ik hielp met afwassen, al drongen ze er allebei op aan dat ik rust zou nemen.
Daarna gingen we naar de zitkamer en ik beantwoordde zoveel mogelijk vragen over mijn leven in de weeshuizen. Terwijl we zaten te praten ging de telefoon, en Pru nam op. Glimlachend kwam ze terug.
'Dat was mr. Nokleby-Cook.' zei ze. 'Ik had hem al gebeld en ingesproken op zijn antwoordapparaat. Hij is net thuis en belde meteen terug. Ik heb hem over jou verteld en hij wil je morgenochtend vroeg op zijn kantoor spreken. Je kunt met mij meerijden. Hij zei dat hij een leuke verrassing voor je heeft. Hij zei dat hij ook al het nodige zal doen om ervoor te zorgen datje hier kunt blijven zolang je wilt,' ging ze verder, met een knikje naar Brice.
'Geweldig. Ik zal morgen ook de overschrijving naar de school regelen.'
'Dank je. Ik dank jullie allebei.'
Pru zag dat ik moeite had mijn ogen open te houden.
'Ga slapen, Geleste. Ik ga met je mee naar boven om te zien wat je nog nodig hebt. Ik heb extra tandenborstels en waar je verder nog behoefte aan mocht hebben.'
'Dank je,' zei ik, en stond op.
'Welterusten.' zei Brice.
Ik keek om ine heen in de zitkamer. Ze hadden de inrichting veranderd. maar de muren spraken nog tegen me.
'Het is lang geleden sinds ik in dit huis heb geslapen.' zei ik, meer tegen mezelf dan tegen hen.
Brice knikte, en ik liep de kamer uit, gevolgd door Pru. Ze ging toiletartikelen voor me halen en vroeg of ze verder nog iets voor me kon doen.
'Je hebt al genoeg gedaan.' zei ik. 'Het verbaast me niet dat jullie je hier zo op je gemak voelen, dat het huis zo'n goede energie voor je uitstraalt.'
Ze glimlachte, omhelsde me, wenste me welterusten en ging weg.
Ik bleef even in mijn oude kamer staan, luisterend naar het huis dat kraakte in de wind.
'Ik ben thuisgekomen, mama,' fluisterde ik. 'Ik ben bij jullie allemaal teruggekomen.'
Eenmaal in bed, bleef ik vol verwachting liggen, maar ik hoorde geen stemmen en zag geen geesten. Mijn oogleden werden steeds zwaarder, tot ik ze niet meer open kon houden. Ik viel zo snel en zo diep in slaap, dat ik bijna  bewusteloos leek. Het zonlicht verraste me; voor mijn gevoel was er bijna geen tijd verstreken. Ik hoorde geluid beneden in de keuken, en dus stond ik op, waste me en kleedde me snel aan. Pru en Brice waren net bezig het ontbijt op tafel te zetten.
ik heb roereieren gemaakt met wat kaas erdoor,' zei Pru. 'Brice houdt van een goed ontbijt. Ik hoop datje honger hebt. Je hebt gisteravond heel weinig gegeten, maar ik wist dat je uitgeput moest zijn van de reis en alles wat je hebt doorgemaakt.'
'Eerlijk gezegd, rammel ik van de honger,' bekende ik. De geur van eieren, koffie en toast deed mijn maag knorren.
Alles was even verrukkelijk. Ik at zo snel, dat ik het zelf niet merkte, tot ik opkeek en zag dat beiden zaten te lachen.
'Meestal ben ik niet zo'n schrokop,' zei ik.
'Ga rustig je gang en schrok zoveel je wilt.' zei Brice. 'Misschien houdt Pru nu op met me voor de gek te houden omdat ik zoveel eet.'
'Reken daar maar niet op.' zei Pru. 'Zij heeft een excuus. Jij niet.'
Ik vond het leuk zoals ze elkaar plaagden en dan innig kusten of alleen elkaars hand aanraakten om blijk te geven van hun intense genegenheid. In dit huis heerst liefde, dacht ik. Waarom zou het niet rustig en tevreden zijn? De duisternis was weggeveegd met het stof.
Na het ontbijt vertrok Brice in zijn pick-up, met de verzekering dat hij al het papierwerk zou afhandelen om me op de openbare school geplaatst te krijgen, zodat ik mijn high-schooldiploma kon halen. Pru ging zich kleden voor haar werk, en daarna reden we samen naar het kantoor van mr. Deward Lee Nokleby-Cook. Ik wist dat hij al heel lang de advocaat van onze familie was en alle details van ons leven kende, vooral van mijn zus Celeste. Ik wilde haar natuurlijk zo gauw mogelijk zien. maar de gedachte daaraan maakte me zenuwachtig. Ze had natuurlijk geen idee wie ik was, en ik wist niet in welke conditie ze zou zijn na al die jaren. En misschien wist hij ook hoe het met Panther ging. Ik was toch nieuwsgierig naar hem.
Het kantoor van onze advocaat was een groot ivoorwit huis met Wedgwood-blauwe luiken en tien kamers. Het huis was verbouwd.
de entree vergroot tot ontvangstruimte, en de slaapkamers waren omgebouwd tot kantoren voorde assistenten en juniorpartners. I'ru voerde me mee langs de receptioniste, met de mededeling dat mi Nokleby-Cook ons verwachtte. We liepen regelrecht naar zijn kan toor, dat vroeger de zitkamer was geweest.
Nu stonden er boekenkasten tegen de muren, een groot bureau van donker eikenhout, een zithoek en leren meubels. Ik kon me mr. Nokleby-Cook niet herinneren, en het was trouwens zo lang geleden dat ik hem voor het laatst had gezien, dat ik hem toch niet herkend zou hebben. Hij had een dikke bos grijs haar dat vroeger lichtbruin was geweest, een kleur die nog herkenbaar was door een enkele lok. Zijn borstelige wenkbrauwen waren voornamelijk lichtbruin. Hij had een krachtig gezicht, met diepliggende ogen en dikke, meer oranje dan rode lippen.
Toen hij ons zag binnenkomen, sprong hij overeind en heette ons bulderend welkom in een vlaag van energie, die me het gevoel gaf dat er een windvlaag door de kamer woei. Hij had een brede borstkas, was ongeveer een meter vijfenzestig lang, en had een stierennek.
'Verbluffend, verbluffend,' zei hij, terwijl hij om zijn bureau heenliep om me te begroeten. 'Ik zou haar overal herkend hebben,' zei hij tegen Pru. 'Ze lijkt op hen allebei. Kom binnen.' Hij gebaarde naar de leren bank rechts van hem.
'Zo,' zei hij, schoof een stoel bij en ging tegenover ons zitten. 'Je hebt de weg naar huis gevonden. Maar dat hoort me eigenlijk niet te verbazen. Ik heb op deze dag gewacht. Je grootmoeder heeft me eens verteld dat het land. de farm, alles ervan, net zo'n deel van je was als...'
'Mijn grootmoeder?'
Ik keek naar Pru, die haar blik strak op Nokleby-Cook gericht hield.
'O, mijn god," zei hij, achteroverleunend. 'Natuurlijk. Hoe zou je dat moeten weten ?'
'Wat weten? Ik begrijp het niet. Wat bedoelt u?' vroeg ik op fermere toon.
'Tja. hoe moet ik dat uitleggen?' vroeg hij, hardop denkend.
'Vertel het haar maar zonder eromheen te draaien,' zei Pru. Ze keek naar mij. 'Ze is heel wat sterkeren volwassener dan je denkt.' 
'Dat geloof ik, ja. Goed.' ging hij verder. Hij leunde naar voren en drukte zijn handen tegen elkaar. 'Je zus, of moet ik zeggen, degene van wie je dacht dat het je broer Noble was, had een relatie met een buurjongen, Elliot Fletcher. Toen ze zwanger werd van jou, hield je grootmoeder haar afgezonderd, en toen je werd geboren hield ze jou een tijdlang geïsoleerd en verborgen, zoals je weet. Je grootmoeder trouwde uiteindelijk met Dave Fletcher, en de wereld... de wereld,' zei hij spottend, 'ik bedoel de plaatselijke gemeenschap raakte ervan overtuigd datje Dave Fletchers kind was, een kind van hem en je grootmoeder. Zo wilde zij het. Ze wilde dat je moeder je oom Noble zou blijven, zie je.'
Ergens diep binnenin me kon ik een zacht lachje horen, als de lach van een baby. Moest ik zeggen dat ik het altijd al geweten had? Want dat had ik. We waren te close, Noble en ik, Celeste en ik. Ik was altijd meer dan een zusje. Ik zag het aan de manier waarop ze naar me keek als ze niet wist dat ik haar gadesloeg. Ik hoorde het in haar stem en voelde het in haar zachte aanraking.
'Ik vind het jammer datje het op deze manier moet horen,' zei mr. Nokleby-Cook.
'Wie anders zou het me kunnen uitleggen?' vroeg ik nadrukkelijk. 'Ik had geen familie, en mijn voogden, mijn pleegouders, hadden beslist niets met me te maken willen hebben als ze dat geweten hadden.'
Hij haalde zijn schouders op.
'Dat zou kunnen.'
'En Panther?'
'Van hem weet ik niet zoveel meer. Hij werd al snel door pleegouders in huis genomen en werd later door hen geadopteerd. Ik had wat geld van een trustfonds dat ik hem kon sturen, of naar hen om voor hem te bewaren, maar dat is al acht of negen jaar geleden.
'En dat brengt me op een ander nieuwtje... goed nieuws voor je. Er was een man met wie je moeder een langdurige zakelijke relatie had. Hij heette Bogart, en had een newagewinkel. Hij verkocht de kruidenmengsels van je moeder, op meer commerciële wijze. Op een gegeven moment was haar productie zelfs behoorlijk groot.
'Hij had zelf geen kinderen, en is onlangs overleden. Zijn advocaat nam contact met me op om me te vertellen dat hij het grootste deel van zijn nalatenschap aan jou had vermaakt.' 
'Aan mij?'
'Ja, en ik moet /.eggen dat het een aanzienlijk bedrag is Ik /ou haast gaan investeren in die newagewinkels, met hun kristallen cn stenen en magische kruiden," zei hij legen Pru. 'Waar het op neer komt, Celeste. is datje, als je achttien wordt, een rijke jonge vrouw zult zijn.'
'Fantastisch!' riep Pru uit.
Ik schuddc verbaasd mijn hoofd. Dat dit allemaal nu moest gebeuren, nu ik was teruggekomen. Mevrouw Cukor zou nooit welen hoezeer ze het bij het rechte eind had gehad toen ze zei dat ik naar huis moest.
in ieder geval zou ik graag willen dat je er eens goed over nadacht watje wilt gaan doen. Het gaat om meer dan alleen een oude farm. Op het ogenblik is het geld veilig belegd. Over een dag of zo krijg je een volledig overzicht van me.'
Hij sloeg op zijn knieën en stond op.
'Zorgt Brice ervoor dat ze op school wordt ingeschreven ?' vroeg hij aan Pru.
'Ja. Ze kan morgen beginnen als ze wil.'
Hij keek me even peinzend aan.
'Misschien is het beter als ze het een dag of twee rustig aan doet. Opnieuw met alles en iedereen vertrouwd raakt.'
Ik keek hem onderzoekend aan. Ik wist over wie hij sprak, en het deed mijn hart sneller kloppen.
'Het gaat haar redelijk goed. Ik kan regelen datje bij haar op bezoek kan als je daaraan toe bent.'
'Als ik daaraan toe ben,' zei ik.
'Ja.' Hij keek even naar Pru. 'Goed dan, laat het me maar weten.'
ik breng haar thuis en kom meteen terug,' zei Pru.
'Doe het rustig aan,' zei hij. Hij richtte zijn blik weer op mij. 'Opmerkelijk. Als ik jou zie, zie ik een jonge Sarah Atwell. Ze was een mooie vrouw. Nel als jij en je moeder.'
Ik stond op en gaf hem een hand.
'Dank u.' zei ik.
'Graag gedaan. Ik weet dat het je goed zal gaan, kindlief.'
'Ja,' zei ik, hem zó strak aankijkend dat hij zijn wenkbrauwen optrok. 'Mij zal het goed gaan.'
We liepen naar buiten, naar Pru's auto.
'Ik vind het erg voor je datje het zo te horen hebt gekregen. Er had een andere mogelijkheid moeten zijn, beetje bij beetje of zoiets.'
Ik glimlachte naar haar.
ik heb het altijd geweten, Pru. Diep in mijn hart heb ik het altijd geweten.'
Ze glimlachte.
'Wanneer wil je haar bezoeken?' vroeg ze.
Ik gaf geen antwoord.
Ze vroeg het niet nog eens.
Het was iets wat ik zelf niet wist.