17. Het geschenk

 

Voor ze Elliot hadden gevonden, hadden ze zijn deken zien liggen onder de pijnboom. We wisten niet alles meteen, maar ze hadden ook de restanten gevonden van zijn marihuanasigaretten. Maar wat ze in zijn broekzak hadden gevonden bracht de politie weer terug naar ons huis. Ze kwamen pas vroeg in de avond. Ik was boven in mijn kamer toen ik de deurbel hoorde. Mijn hart begon te bonzen. Al die sirenes en de herrie van veel meer verkeer en mensen op onze weg en rond onze boerderij dan normaal, maakten me angstig.

Toen we hadden gehoord dat Elliot blijkbaar was verdronken en verder stroomafwaarts aan land was gespoeld, was ik zo snel mogelijk weggegaan om alleen te zijn. Ik wist zeker dat mama aan één blik op mijn gezicht voldoende zou hebben om te weten dat ik tegen haar had gelogen en dingen voor haar verborgen had gehouden. Ik was banger voor haar teleurstelling in mij dan voor haar woede.

Terwijl ik zat na te denken over het afschuwelijke van alles wat er gebeurd was, hield ik me voor dat ook al had ik gezien dat Elliot meegevoerd werd door het water van de beek en om de bocht verdween, ik alle reden had om aan te nemen dat er niets aan de hand was. Uit de jaren waarin we weinig sneeuw en voorjaarsregen hadden, wist ik dat er zoveel keien en heuveltjes op de bodem lagen, dat de beek op veel plaatsen heel ondiep was. Ik had alle reden gehad om te concluderen dat hij uiteindelijk houvast zou vinden en veilig naar de kant zou kunnen komen. Hij schreeuwde niet echt om hulp. Ik had geen idee dat hij niet goed kon zwemmen, en in het begin, toen hij een natte voet kreeg, en zelfs nadat hij erin was gevallen, lachte hij erom en hing hij de pias uit.

Maar wat me de hele dag nadat ik het nieuws had gehoord fascineerde en zelfs een beetje beangstigde was de mogelijkheid dat papa’s geest dit had bedoeld toen ik gemeend had hem in de wind te horen fluisteren dat ik geduld moest hebben. Ik herinnerde me hoe Elliot in het water was gevallen. Hij had geroepen: ‘Wie heeft me geduwd?’ Had hij werkelijk gevoeld dat een of andere kracht hem van de kei duwde of waren die gil en die verbazing slechts grappenmakerij?

Kon het echt waar zijn dat onze spirituele beschermers dit hadden gedaan? Was het in dat geval dan uiteindelijk niet mijn schuld? Als ik die dag niet had gedaan wat ik had gedaan en me naakt aan de wereld en aan Elliot had getoond, zou dit allemaal niet gebeurd zijn. En om het nog gecompliceerder te maken, had ik niets aan mama verteld. Ik had het allemaal geheimgehouden en het zijn gang laten gaan. Wat zou er nu met ons gebeuren?

Ik hoorde dat mama me riep vanuit de hal. Langzaam stond ik op van mijn bed, waar ik had zitten peinzen, ging mijn kamer uit en liep de trap af. Ik voelde me als een veroordeelde die naar de galg loopt. Mama stond naar me te kijken met haar armen zo stevig over haar borsten geslagen dat ze voorgoed daar vastgeklonken leken. De agent en een man in een donkergrijs sportjasje en das stonden achter haar op mij te wachten. De man had een scherp gesneden gezicht met wenkbrauwen die als de rand van een klif over zijn ogen hingen. Zijn onderlip zakte zover omlaag dat de meeste van zijn ondertanden te zien waren.

Toen ik dichterbij kwam zag ik de felle gloed als kaarsvlammetjes in mama’s ogen. Haar getuite lippen drukten haar wangen en jukbeenderen omhoog. Een paar losse lokken vielen over haar slaap naar haar rechtermondhoek.

‘Agent Harold en rechercheur Young willen je een paar vragen stellen, Noble. Ik wil dat je ze eerlijk beantwoordt,’ zei mama. Ze sprak elk woord uit met glasheldere en scherpe klinkers en medeklinkers; de manier waarop ze sprak, dat wist ik, als ze haar uiterste best deed om haar laaiende woede te bedwingen.

Ik knikte en draaide me naar hen om. Rechercheur Young kwam naar voren.

‘Herken je dit?’ vroeg hij en opende zijn vuist om de roodkoralen amulet te laten zien.

Onwillekeurig keek ik snel van de amulet naar mama. Ze staarde me aan, haar gezicht een gesloten boek voor ieder ander, maar voor mij sprak het boekdelen. Ik zag haar woede en teleurstelling. Ze wist natuurlijk dat het de amulet was die ze mij had gegeven. Haar ogen flikkerden. Woede gaf voedsel aan het vuur.

‘Ja,’ zei ik, zo benepen dat ik zelf niet zeker wist of ik iets gezegd had.

‘Elliots vader en zijn zuster vertelden ons dat hij dit niet had toen ze hem het laatst hadden gezien; ze hadden het zelfs nooit gezien. Ze hebben geen idee waar hij het vandaan had of zelfs wat het is. Maar zijn zuster dacht dat jij het misschien zou weten.’

‘Waarom dacht ze dat?’ vroeg mama die zich met een ruk omdraaide naar de rechercheur.

Rechercheur Young keek haar even aan, blijkbaar overwegend hoe hij moest antwoorden.

‘Haar broer had haar dingen verteld over uw zoon en over u, en dat bracht haar op het idee. Ik geloof dat hij had beschreven wat uw zoon nu draagt,’ zei hij, duidend op mijn amulet. Hij keek weer naar mij. ‘Wat is het, en hoe komt het dat Elliot Fletcher dat voorwerp in zijn bezit had op het moment van zijn dood?’

‘Het is een amulet,’ zei ik. ‘Rood koraal.’

‘Een amulet?’ mompelde agent Harold. ‘Wat is dat precies?’

Ik keek naar mama.

‘Een amulet is een talisman, een gelukshanger,’ legde mama in mijn plaats uit. ‘Rood koraal wordt geacht bepaalde gunstige eigenschappen te hebben voor de drager.’

‘Dus deze was van jou?’ vroeg rechercheur Young, die hem nog steeds vasthield alsof hij hem wilde tonen aan een jury in een rechtszaal.

‘Ja,’ antwoordde ik.

‘En jij hebt hem aan Elliot Fletcher gegeven?’

Ik knikte.

‘Wanneer precies?’ vroeg hij.

Weer keek ik eerst naar mama.

‘Wanneer?’ herhaalde ze de vraag van rechercheur Young.

‘Een paar dagen geleden,’ zei ik.

Mama liet haar ingehouden adem ontsnappen als iemand die net verschrikkelijk nieuws heeft gekregen.

‘Toen ik hier eerder was, zei je tegen mij en Elliots vader dat je hem een tijd niet gezien had,’ zei agent Harold, die bijna op me afvloog. ‘En nu zegje dat je hem dit ding een paar dagen geleden hebt gegeven. Waarom heb je tegen ons gelogen?’

Ik voelde paniek door mijn benen trekken, ze leken bijna bevroren, ik kon ze niet bewegen. Waarom gebeurde dit met me? Als de geesten me beschermden, waarom lieten ze dit dan toe? Wat werd ik verondersteld te zeggen, te doen?

Ik keek niet naar mama. Ik richtte mijn ogen schuldbewust op de grond en haalde mijn schouders op.

‘Elliot liet me beloven het niet te zeggen,’ antwoordde ik en herinnerde me dat mama me eens verteld had dat leugens soms als puisten uit iemands geest voortsproten.

Ik weet niet wat iemand tot een goede leugenaar maakt, als er al zoiets bestaat, maar ik denk dat het iets te maken heeft met zijn of haar vermogen om te creëren, te acteren, misschien zelfs in zijn of haar eigen leugen te geloven, dacht ik.

‘Waarom?’ ging rechercheur Young door.

‘Hij rookte iets slechts, en hij zei dat zijn vader zijn auto zou afnemen als hij erachter kwam,’ zei ik op heel overtuigende toon. Ik nam bovendien aan dat het geen echte leugen was.

‘O? Waarom wilde je zijn vader niet vertellen dat je hem had gezien?’ vroeg agent Harold verontwaardigd. ‘Je zag hoe bezorgd hij was.’

Ik beet op mijn lip en staarde strak naar de vloer. Ik kon geen enkel excuus bedenken dat me in een goed daglicht zou plaatsen of zelfs maar zinvol zou zijn.

‘Was het omdat jij ook iets slechts gerookt had?’ vroeg rechercheur Young.

Ik keek snel op. Mama’s ogen waren niet veranderd, hadden niet bewogen. Ze waren strak op mij gericht; ik had het gevoel dat ze een gat boorden door mijn voorhoofd.

‘Noble?’ zei ze. ‘Geef antwoord.’

Ik knikte. De theorie van de rechercheur bood een onverwachte ontsnapping, een manier om me eruit te redden.

‘Ja.’

Agent Harold en rechercheur Young gingen er prat op dat ze gelijk hadden gehad wat mij betrof. Ik kon het duidelijk zien aan de blik die ze uitwisselden. Ze hadden het er waarschijnlijk over gehad voordat ze bij ons voor de deur stonden.

‘Maar ik dacht niet dat er iets ergs met hem was gebeurd,’ voegde ik er snel aan toe.

‘Vertel ons wat er is gebeurd toen je hem het laatst gezien hebt,’ zei rechercheur Young.

‘We rookten dat goedje in het bos, en toen ging hij naar huis en ik ging naar huis.’

Ze staarden me aan, vier ogen die mijn gezicht onderzochten als schijnwerpers een gevangenismuur, zoekend of ze iets afwijkends konden vinden. Ik hield mijn adem in. Uit mijn ooghoek kon ik een zwakke beweging zien van mama’s lippen. Het was onmogelijk tegen haar te liegen, al kon ik het nog zo goed tegen anderen.

‘Jullie hadden geen ruzie of zo?’ vroeg rechercheur Young.

‘Wat wilt u suggereren? Dat Noble hem verdronken heeft?’ snauwde mama.

‘Nee.’

‘Waarom vraagt u dat dan?’

‘Dat is ons werk. We proberen zoveel mogelijk informatie te krijgen om te weten wat er gebeurd is, mevrouw Atwell. Dit is een verschrikkelijk familiedrama.’

‘Ik geloof dat wij wel iets weten over verschrikkelijke familiedrama’s,’ zei mama op zo’n scherpe toon, dat hij reageerde alsof ze hem een klap in zijn gezicht had gegeven.

‘Het spijt me. We doen slechts ons werk.’

‘Nou, doe het dan gauw en laat ons met rust,’ zei ze.

Hij draaide zich weer naar mij om.

‘Dus je wist niet dat Elliot problemen had toen je hem die dag verliet.’

‘Nee,’ zei ik, en knikte naar de amulet die hij in zijn hand hield, ik dacht dat hij beschermd was.’

Misschien was dat de verkeerde opmerking, misschien de juiste. Ik wist het niet, maar beide politiemensen sperden hun ogen open.

‘Hoe bedoel je, beschermd?’ vroeg agent Harold.

‘Rode koraal is een krachtige halfedelsteen. Hij kan de drager moedig maken en heeft een heel sterke kalmerende uitwerking, vermindert spanningen. Hij heeft geneeskracht,’ legde mama uit. ‘Noble bedoelde het goed toen hij de jongen die amulet gaf, maar de jongen had er niet op moeten vertrouwen dat hij hem in alle mogelijke opzichten zou beschermen.

‘In feite,’ ging mama verder, ‘is het probleem van rode koraal dat het de drager te zelfverzekerd, te overmoedig maakt. U kent het gezegde: Bezint eer gij begint,’ voegde ze er op haar schooljuffentoontje aan toe.

De twee politiemannen staarden haar sprakeloos aan. Ten slotte richtte agent Harold zich tot mij.

‘Het was heel verkeerd van je om ons laatst niet te vertellen dat je Elliot Fletcher kortgeleden nog had gezien. We zouden ons veel eerder op het bos hebben geconcentreerd, en zelfs al hadden we niets kunnen doen om hem te helpen, dan zouden zijn vader en zijn zuster tenminste niet zo lang in onzekerheid hebben verkeerd.’

‘Het verzwijgen van informatie voor de politie is strafbaar, weet je,’ zei rechercheur Young.

Ik zei niets en mama ook niet.

Ze leken niet op hun gemak.

‘Hier,’ zei rechercheur Young, en overhandigde me de amulet. ‘Meneer Fletcher wil hem niet hebben.’

‘Wij willen hem ook niet hebben,’ zei mama, die tussen mij en de rechercheur in kwam staan. ‘Zeg tegen meneer Fletcher dat hij hem samen met zijn zoon moet begraven. Er zijn manieren om ons ook in het hiernamaals te beschermen, en dat kan nog belangrijker zijn.’

Agent Harold meesmuilde. Toen draaide hij zich hoofdschuddend om.

‘Oké,’ zei rechercheur Young. Hij stak de amulet weer in zijn zak. ‘Als uw zoon zich nog iets mocht herinneren dat ons kan helpen om te begrijpen wat er gebeurd is -’

‘Waarom is het zo moeilijk te begrijpen?’ schreeuwde mama bijna. ‘We hebben gehoord dat de jongen verdronken is in de beek. U zei dat hij iets verkeerds gerookt had, en u hebt gehoord dat Noble dat heeft bevestigd. Ik ben ervan overtuigd dat het marihuana was, en dat kan je waarneming beïnvloeden, nietwaar? Ik ben vroeger docente geweest aan een openbare school. We hebben de kinderen altijd bijgebracht waarom het gebruik van drugs zo slecht voor ze was.’

‘Ja,’ gaf rechercheur Young toe. ‘De marihuana kan iets te maken hebben gehad met het gebeurde.’

‘Het is een tragedie. Het is vreselijk, maar ouders moeten hun kinderen tegenwoordig nog beter onder controle houden dan vroeger,’ preekte mama. ‘Ik heb het al eerder gezegd, en ik zeg het nu weer. Ik heb medelijden met meneer Fletcher. Ik weet wat hij doormaakt. Niemand weet dat beter dan ik, maar per slot zal hij moeten leven met zijn eigen tekortkomingen. Dat moeten we allemaal,’ besloot ze. ‘En als u hier klaar bent -’

Ze hield de deur voor hen open.

‘Dank u,’ mompelde rechercheur Young.

Agent Harold keek slechts met een kwaad gezicht naar mij en volgde hem naar buiten.

Toen mama de deur dichtdeed, had ik het gevoel dat ze het deksel dichtklapte van mijn doodkist. Langzaam, tergend langzaam, draaide ze zich naar me om. Ik zocht naar woorden, probeerde de juiste manier te vinden om te zeggen dat het me speet.

‘Probeer maar niets uit te leggen,’ zei ze. ‘Ik weet precies wat er gebeurd is.’

Wist ze dat? Precies?

‘Kwade geesten hebben ons bestookt sinds je vader is overleden. Ze hebben op alle mogelijke manieren geprobeerd ons schild te doorboren. Ze hebben mij een keer ziek gemaakt en me hoofdpijn bezorgd. Ze zijn zelfs het lijf van een hond binnengedrongen. Het verbaast me niets dat ze zich op jou hebben geconcentreerd, Noble, en hebben getracht je in het verderf te storten met gebruikmaking van die jongeman. Ik had beter op moeten letten toen ik hoorde van je eerste contact met die mensen en je me vertelde over de slechte dingen die ze deden. Het is niet allemaal jouw schuld. Ik had te veel vertrouwen en was te afhankelijk van degenen die over ons waken.

‘Maar gelukkig blijven ze dat doen. Ik sta niet verbaasd over wat er gebeurd is. Natuurlijk ben ik teleurgesteld in je, en we moeten nu aan het werk om je te zuiveren, maar ik ben dankbaar dat we nog veilig zijn, dat er nog over ons gewaakt wordt en we gezegend zijn.’

Ze zweeg, kneep in haar slapen met haar rechterduim en -wijsvinger en haalde diep adem. Ik hield de mijne verwachtingsvol in. Eindelijk keek ze naar me op en knikte alsof haar zojuist precies verteld was wat ze moest doen.

‘Ga naar boven en kleed je uit,’ zei ze.

‘Uitkleden?’

‘Ja. Ik kom zo.’ Ze liep naar de keuken en de bijkeuken.

Even was ik te bang om me te verroeren. Wat ging ze doen? Ik liep langzaam de trap op en toen snel naar mijn kamer, waar ik me begon uit te kleden. Ik voelde me zo verdoofd dat ik mama niet de trap op hoorde komen en naar mijn kamer gaan. Plotseling holde ze langs me heen naar de badkamer, waar ik haar de kraan van het bad hoorde opendraaien.

‘Waar blijf je zo lang?’ riep ze in de deuropening van de badkamer. ‘Schiet op en kom in je blootje hierheen. We hebben geen tijd te verliezen.’

Ze liep de badkamer weer in. Ik kleedde me verder uit. Toen ik naakt was, liep ik langzaam naar haar toe. Het was al een tijd geleden sinds mama naar me had gekeken en mijn lichaam had zien ontluiken, maar toen ze nu naar me keek, was het met een vluchtige blik, alsof ze geen enkel verschil zag met die eerste dag toen ze me de kleren van mijn broertje had aangetrokken.

Ze stond naast het bad en keek naar het water dat erin stroomde. Ik zag dat ze een pot met zwart poeder in haar hand had.

‘Wat is dat?’ vroeg ik.

‘Dat komt uit de geheime kast van mijn grootmoeder,’ zei ze. ‘Haar eigen recept. Stap in het bad.’ Afwachtend deed ze een stap achteruit.

Ik liep naar het bad, legde langzaam mijn been erover en zette mijn voet neer. Zodra ik het water aanraakte, sprong ik terug. Het was gloeiend heet.

‘Het is te heet!’ riep ik.

‘Het móét heel heet zijn. Stap erin,’ zei ze zonder enige emotie. Haar stem klonk alsof ze zelf onder betovering stond.

‘Dat kan ik niet. Het is veel te heet.’

‘Stap erin,’ zei ze weer.

Ik schudde mijn hoofd en ging achteruit.

‘Stap erin, Noble. Stap erin.’

‘Maak het wat koeler.’

‘Oké,’ zei ze plotseling, en ze draaide de koude kraan aan. ‘Probeer het nu nog eens,’ zei ze. Voorzichtig testte ik het water met mijn voet. Het was nog heel heet, maar draaglijk.

‘Ga er helemaal in,’ zei ze, en ik ging langzaam zitten en verdroeg het hete water.

Toen strooide ze het zwarte poeder in het water, dat snel donkerblauw kleurde.

‘Het stinkt vreselijk,’ zei ik.

‘Het is geen badzout, nee. Blijf er nou maar in,’ zei ze en liet me alleen.

‘Hoe lang?’ riep ik.

‘Tot ik terugkom.

‘Wat is de uitwerking?’ schreeuwde ik haar na, maar ze hoorde me niet, of als ze het deed, dan wilde ze geen antwoord geven.

Ik moest mijn hoofd omdraaien omdat de stank walgelijk was. Ik dacht dat ik zou moeten overgeven. Ik leunde over de rand van het bad en bleef wachten en wachten. Ik dacht al dat ze me vergeten was toen ze eindelijk verscheen. Ik keek op en zag dat ze een grote ketel droeg. Voor ik kon protesteren liep ze haastig naar het bad en schonk de inhoud eruit: kokendheet water. Ik schreeuwde en probeerde eruit te komen, maar ze duwde me bij mijn schouders omlaag en hield me in het water. Ik huilde en gilde en smeekte. Eindelijk liet ze me eruit. Mijn huid zag zo rood alsof ik een dag lang naakt in de hete zon had gelegen. Het deed ook pijn, vooral waar het kokende water mijn lichaam had geraakt.

Ik pakte een handdoek en begon me af te drogen, maar dat was te pijnlijk.

‘Ga liggen,’ zei ze. ‘Ik zal je een verzachtende zalf geven.’

Ik vertrouwde haar niet. Toen ze deze keer terugkwam, had ze een pot met een van haar kruidensmeersels bij zich. Ik kromp ineen toen ze begon het op mijn huid te smeren, in de verwachting van nog meer pijn. Maar het deed geen pijn, het bracht verlichting.

‘Hopelijk hebben we wat er nog over was van het kwaad uit je aardse lichaam verdreven. Ga nu slapen, Noble,’ zei ze. ‘En bid. We moeten bidden dat je volledig gezuiverd bent, dat alles wat je verontreinigd heeft is uitgedreven.’

Ze ging weg en deed mijn deur dicht. Ik hoorde het vertrouwde geluid van de sleutel in het slot.

Ik zou weer moeten vasten, dacht ik, en als een veroordeelde deed ik mijn ogen dicht en luisterde naar de onheilsklokken. Maar ze verbaasde me door me thee, toast en jam te brengen. Ze bracht me de volgende ochtend geen ontbijt, maar wel warme pap voor het avondeten en wat fruit. Ze smeerde me weer in met de zalf en zei dat ik moest rusten. Later op de avond brandde ze wierook en waakte bij me. Telkens als ik probeerde iets te zeggen of rechtop te gaan zitten, schudde ze haar hoofd en zei: ‘Nog niet. Het is nog geen tijd.’

Ik mocht alleen maar naar de badkamer. Na twee dagen deed ze mijn deur open en zei dat ik me moest aankleden en op het kerkhof op haar wachten. Dankbaar dat ik eindelijk mijn kamer uit mocht, haastte ik me om te doen wat ze zei. Het duurde een hele tijd voor ze op het kerkhof verscheen, en toen ze kwam, zag ik dat ze haar rouwkleren droeg en volledig in het zwart was, van haar schoenen tot haar sluier.

Daar, bij de oude grafstenen, hield ze mijn hand vast en zong haar hymnen. Daarna zei ze een gebed en smeekte de geesten me niet bij haar weg te nemen. Ze liet ook mij smeken en pleiten, de woorden herhalen die ze me voorzei. Toen het voorbij was, gingen we terug naar huis. Mama trok haar daagse kleren weer aan en gedroeg zich toen of er niets uitzonderlijks was gebeurd. Ze deed het huishouden en de lijst van dingen die ze wilde dat ik in en rond het huis zou doen. Er werd geen woord meer gezegd over Elliot Fletcher of de politiemannen die ons hadden bezocht.

In de komende dagen betrapte ik haar er nu en dan op dat ze naar me keek, of beter gezegd, om me heen keek, en knikte. Ze zag iemand, een of andere geest, dacht ik, en ik hield mijn adem in en wachtte op een soort vonnis of uitspraak, maar ze zei niets. Ik was blij dat ze tenminste tevreden keek.

Eindelijk, op een avond een week later, nadat we hadden gegeten, vouwde ze haar handen op de tafel en boog zich naar voren om tegen me te praten. Aan de uitdrukking op haar gezicht en de toon van haar stem merkte ik dat ze weer als de lerares optrad.

‘Er zullen andere momenten, andere uitdagingen komen zoals die we nu hebben gehad,’ begon ze. ‘Het is heel belangrijk dat je het me onmiddellijk vertelt als er iets in die richting gebeurt. Nooit, nooit meer moet je iets voor me geheimhouden, Noble. Wij zijn alles wat we hebben en wat we ooit zullen hebben.’

Ze glimlachte.

‘Eens was je binnen in me, fysiek een deel van me. Toen werd je geboren en was je buiten me, maar wat ons verbond werd nooit ontbonden. Begrijp je? Begrijp je nu hoe belangrijk het is me te vertrouwen en eerlijk tegen me te zijn, hoe dat ons bij elkaar houdt? Begrijp je het?’

‘Ja,’ zei ik.

‘Goed. Want ik heb een heel mooie verrassing voor je vanavond. Eerst zal ik afwassen en opruimen. Ga jij maar geduldig wachten in de zitkamer,’ zei ze en liep de eetkamer uit.

Ik ging zitten in de schommelstoel van mama’s overgrootvader. Ik dacht er niet bij na. Ik deed het gewoon, maar toen ze bij me kwam, kon ik aan haar glimlach zien dat ze het veelbetekenend leek te vinden.

‘Het verbaast me niet je daar te zien zitten,’ zei ze. ‘We worden vaak naar onze voorouders toegetrokken door meubelstukken in ons huis. Denk daaraan. Denk eraan hoe belangrijk het is alles te koesteren wat ons met hen verbindt.’

Ze hield een kandelaar en een onaangestoken kaars in haar hand.

‘Ik weet dat het je altijd van streek bracht dat Celeste op zo jonge leeftijd zo snel de oversteek kon maken, terwijl jij nog bij de muur stond te wachten zonder enig teken van toegang. Zoals we nu weten, was dat omdat ze andere plannen voor haar hadden, plannen die we toen niet begrepen. Nu hebben ze eindelijk plannen voor jou.’

Ik verroerde geen spier terwijl ik luisterde. Wat bedoelde ze? Wat voor soort plannen? Wat ging ze doen?

‘Kom mee,’ zei ze glimlachend. ‘Kom.’ Ze stak de kaars aan, draaide zich om en liep naar de deur, waar ze bleef wachten.

Ik deed heel erg mijn best om niet bang te zijn, maar de herinnering aan mijn kokende bad was nog levendig. Ik kreeg kippenvel. Ze zag het aan mijn gezicht en lachte.

‘Er wacht je niets ergs, lieve Noble, alleen maar goede dingen. Kijk niet zo bang. Kom mee.’

Ik realiseerde me dat alle lampen in huis uit waren. In het donker, slechts bijgelicht door de gloed van de kaars, volgde ik haar naar de trap. De schaduwen op de wanden gleden met ons mee. Langzaam liepen we naar boven. Ze hield haar hand om het vlammetje van de kaars om te zorgen dat het bleef branden. We liepen verder naar de torenkamer. Ze opende de deur en ging als eerste naar binnen, draaide zich om en wenkte me haar te volgen.

Toen ik binnenkwam, zag ik dat er een matras op de grond was gelegd. Eromheen stonden alle foto’s die we hadden van de familieleden, en daarvoor stonden andere kaarsen, die nog niet brandden. Naast de matras stonden een zwarte bokaal, een erfstuk dat we nooit gebruikten. Eerder had hij op een plank in de kast in de eetkamer gestaan.

‘Weet je waar je vanavond naartoe gaat?’ vroeg ze.

Ik schudde hoofd.

‘Vanavond ga je door de deur waarover we hebben gesproken, en al zal het van nog zo korte duur zijn, je zult samen met hen rondwandelen en je zult hen eindelijk horen spreken. Het is een geschenk dat ze besloten hebben je te geven.’

Ze keek om zich heen in de donkere kamer, hield de kaars omhoog zodat de gloed ervan op de muren viel, op de ramen en op de grond. Ze liep langzaam in een kringetje rond, zodat de kaars elk deel van de kamer belichtte, alsof ze het hele vertrek steriliseerde met de gele gloed. Toen bleef ze staan en draaide zich weer naar me om.

‘Ik was jonger dan jij toen mijn moeder me het geschenk gaf, maar alles was precies zoals het bedoeld was. Later, net zoals het voor jou zal zijn, had ik niemands hulp meer nodig om de oversteek te maken. Soms moeten we dit doen, vertelde mijn moeder me. Het is niet iets om je voor te schamen. Denk eraan zoals je zou denken aan een helpende hand die naar je reikt, je leidt, je aan boord trekt van een prachtig schip om je mee te nemen op een wonderbaarlijke reis. Je bent er klaar voor. Ik weet dat je er al zo lang naar verlangd hebt, en ik weet dat je vaak jaloers was op Celeste die geen hulp nodig had.

‘Maar dat is nu allemaal voorbij. Vanavond komt er een eind aan.’

Ze zette voorzichtig de kandelaar neer en pakte toen de bokaal op. Ik zag dat ze er iets inschonk. Toen draaide ze zich naar me om en overhandigde me de bokaal.

‘Eerst moet je dit opdrinken, en dan wil ik dat je zachtjes op het magische tapijt gaat liggen, want dat zal het worden.’

Aarzelend stak ik mijn hand uit en nam de bokaal aan. Ze spoorde me aan met haar ogen en haar glimlach. Ik kon mijn aarzeling niet voorkomen en evenmin het trillen van mijn hand.

‘Vertrouwen, weet je nog? Er moet vertrouwen tussen ons zijn. Drink, schat. Drink het in één teug leeg. Geen kleine slokjes. Toe dan.’

Een somber deel van me vroeg zich af of dit het einde zou zijn. Zou ze me voor de ochtend gloorde naast Noble in de grond leggen? Zou ik ook een geest worden, en was dat de manier waarop ze ons eeuwig bijeen zou houden? De manier waarop ik de oversteek zou maken?

Maar zelfs al was dat waar, zou ik dan niet gelukkig zijn? Per slot zou ik straks een volmaakte wereld betreden, een wereld waarin ik me niet langer voor mezelf hoefde te verbergen, me niet hoefde te vermommen, iemand te zijn die ik niet was. Zou dat niet het ultieme geschenk zijn, en had ik dat niet eindelijk verdiend?

Misschien had wat er tussen Elliot en mij gebeurd was haar ervan overtuigd dat ik gevaar liep die andere wereld nooit te bereiken. Misschien was het haar verteld en was dat de reden waarom ik vannacht hierheen was gebracht, om net als mijn Julia in het stuk waar ik zo van hield, een drank te slikken die de belofte inhield van oneindig geluk. Er waren zoveel krachten die sterker waren dan ik, dan mijn bekrompen geest, mijn kleine angsten, mijn nietige wezen. Wie was ik om me tegen een van hen te verzetten?

Ik pakte de bokaal en bracht hem aan mijn lippen.

Als dit werkelijk het einde was van één leven en het begin van een ander, waar moest ik dan afscheid van nemen? Wat zou ik missen? Mijn klussen, mijn Spartaanse kamer, mijn hengel en nieuwe kettingzaag? Was er iets wat ik achterliet dat tranen in mijn ogen zou brengen?

Of was het echt het begin, en waren er juist heel veel dingen die ik weer zou begroeten? Mijn poppen, mijn mooie kleren, mijn sieraden, mijn theeservies, Alles wat op me lag te wachten?

Ik heb niets om afscheid van te nemen, dacht ik, alleen maar veel om welkom te heten.

Ik hield de bokaal schuin en liet de koele, vreemd smakende vloeistof over mijn tong en door mijn keel glijden, slikte snel tot alles verdwenen was.

Mama knikte en pakte de bokaal voorzichtig van me aan.

‘Ga liggen,’ zei ze.

Ik gehoorzaamde, en behoedzaam stak ze alle kaarsen aan die voor de foto’s stonden. Toen stond ze op met haar eigen kaars en kandelaar in de hand en glimlachte naar me.

‘Je hebt geluk, Noble,’ zei ze. ‘Tot ziens,’ beloofde ze en verliet de torenkamer, deed de deur zachtjes achter zich dicht. Ik hoorde de sleutel in het slot omdraaien, en toen hoorde ik haar voetstappen wegsterven.

De kaarsen flakkerden om me heen en wierpen dansende schaduwen op de muren. Het duurde niet lang voor alles in mijn hoofd ronddraaide, en toen was het niet langer alleen mijn hoofd. Mijn hele lichaam draaide rond. Ik sloot mijn ogen en legde mijn handen op de grond om mezelf in bedwang te houden. Allerlei kleuren en lichtflitsen streken over mijn gesloten oogleden. Ik dacht dat ik schreeuwde, maar ik wist het niet zeker. Wat ik wel zeker wist was dat ik mama beneden op de piano hoorde spelen.

Plotseling stopte het draaien, en toen zag ik iets uit mijn ooghoek. Er kringelde een spiraaltje rook omhoog. Kwam het van de kaars voor de foto van tante Helen Roe of van de foto zelf? Ik keek naar rechts omdat een ander straaltje rook omhoogsteeg voor de foto van grootvader Jordan, en toen een van oudtante Louise, en een van neef Simon, en nog een voor de foto van grootmoeder Gussie.

Alle rookwolkjes bleven voor mijn ogen omhooggaan en zich vermengen, en toen veranderden de schaduwen die dansten op de muren in de geesten die mama beloofd had. Ze cirkelden om me heen. Ik kon ze horen lachen. Ze bewogen zich steeds sneller, hun gelach klonk luider, en toen zwegen ze en keerden terug naar hun foto’s.

Het was doodstil. Toen hoorde ik mama’s pianomuziek weer, en overgrootvader Jordan zat in zijn schommelstoel naar me te kijken. Hij knikte.

‘Je bent een goed kind,’ zei hij. ‘Ik ben erg trots op je. Erg trots.’

Ik hoorde gegiechel en zag drie kleine meisjes naast me knielen. Toen ik mijn hand uitstak om ze aan te raken, verdwenen ze als uiteengespatte zeepbellen, maar zodra ze verdwenen waren, hoorde ik iemand zijn keel schrapen en toen ik me omdraaide zag ik oom Peter, de broer van overgrootmoeder Jordan, naar me staan kijken, het gouden zakhorloge dat hij op zijn foto droeg in zijn hand. Hij tuurde er met samengeknepen ogen naar en knipte het open.

‘Het is bijna tijd,’ zei hij.

Toen was hij verdwenen.

De schaduwen bleven op de muren dansen.

‘Papa!’ riep ik. ‘Papa.’

De muziek leek luider te worden.

Ik voelde vingers in mijn rechterhand en ik keek op. Papa stond voor me, even jong als toen ik vijf was.

‘Je bent een lieve meid,’ zei hij. ‘We houden allemaal van je en we zullen ervoor zorgen dat jou nooit meer iets slechts overkomt. Ik beloof het je.’

‘Waar is Noble? vroeg ik. Hij knikte naar links.

Daar stond Noble naar me te grijnzen.

‘Je hebt het recht niet om mij te zijn,’ zei hij. ‘Je kan niet vissen, en wat moet je met die nieuwe kettingzaag? Die kun je nauwelijks vasthouden. Zonde, hoor. Je hebt ook geen mierenhoop om voor te zorgen.

‘En wanneer heb je voor het laatst in mijn fort gespeeld? Je laat het wegrotten in het bos.’

‘Wat heb ik je gevraagd, Noble?’ vroeg papa. ‘Wat heb ik je gevraagd om te doen?’

‘Om aardig te zijn,’ antwoordde Noble.

‘En ben je aardig?’

‘Nee.’ Hij schudde zijn hoofd naar me. ‘Je kunt hier maar beter niet komen,’ zei hij. ‘Je moet hier dag en nacht aardig zijn.’

Ik hoorde papa lachen, en toen begonnen ze allemaal te lachen, mijn ooms, mijn grootouders, mijn nichten en neven. Het gelach werd luider dan de pianomuziek.

‘Ik wil mijn elektrische trein!’ gilde Noble.

Ik hoorde een plofje en toen was hij verdwenen.

Papa bleef staan en hield mijn hand vast.

‘Ga niet weg, papa,’ smeekte ik. ‘Alsjeblieft.’

‘Dat zal ik nooit doen,’ zei hij. Hij ging naast me zitten.

Samen keken we naar de muur en zagen de foto’s als een film aan ons voorbijgaan, alle foto’s van mij en Noble en onze gelukkige tijd samen, onze wandelingen, het zwemmen, vissen. En ook de foto’s van onze uitstapjes, onze ritjes, de keren dat we naar pretparken gingen, onze verjaardagen, de ene foto na de andere, sneller en sneller tot ze in elkaar begonnen over te vloeien.

‘Papa,’ zei ik zenuwachtig en angstig.

‘Ik ben hier,’ fluisterde hij.

De foto’s waren algauw niet meer te onderscheiden lichtballen, die zo fel werden dat ik er niet recht naar kon kijken. Ik moest mijn ogen sluiten.

‘Papa…’

‘Ik ben hier,’ klonk zijn stem in de verte, en toen werd alles zwart om me heen.

Ik werd wakker door het omdraaien van een sleutel in het slot en ik hoorde de deur opengaan. Het zonlicht stroomde zo helder door het raam naar binnen, dat ik wist dat het laat in de ochtend moest zijn, of misschien zelfs vroeg in de middag.

Alle kaarsen waren opgebrand.

Mama kwam binnen en keek naar me.

‘Goedemorgen,’ zei ze. ‘Je kunt me alles vertellen als je je hebt gewassen en gekleed voor het ontbijt, oké?’

Ik ging kreunend rechtop zitten. Mijn hele lichaam was stijf en het bloed klopte in mijn slapen.

‘Straks voel je je beter,’ zei mama, die me overeind hielp. ‘Als je wat in je maag hebt, gaat het weer goed. En raad eens? Het is een prachtige dag. Je moet eens zien hoe onze kruiden groeien.’

Ik volgde haar naar buiten. Het felle licht was moeilijk te verdragen. Ik moest mijn hand voor mijn ogen houden om ze te beschermen tegen al dat licht.

‘Je hebt een ouderwetse kater,’ zei mama lachend. ‘Maak je maar niet ongerust. Ik heb alle middeltjes ervoor, en middeltjes die echt helpen. Je bent in een mum van tijd weer op de been.’

We bleven voor de deur van mijn kamer staan.

‘Ga gauw douchen. Ik wacht beneden op je.’ Ze lachte naar me. ‘Je ziet er net zo uit als ik toen. Het voornaamste wat je je nu moet herinneren, Noble, is dat je nu echt de oversteek hebt gemaakt. Je zult ze nu altijd kunnen zien en horen. Het is het geschenk dat je voor eeuwig aan me bindt.’

Ze gaf me een zoen op mijn voorhoofd. Toen liet ze me alleen en liep de trap af.

In mijn kamer kleedde ik me uit om te gaan douchen. Maar eerst liep ik naar mijn raam en keek omlaag. Iets had me ernaartoe getrokken.

Langzaam lopend en met elkaar pratend liepen beneden mijn drie nichtjes die vele jaren geleden gestorven waren, voordat ik geboren was: de zusjes Mildred, Louise en Darla. Ze leken precies op de foto’s die aan de muur van de gang beneden hingen; ze droegen dezelfde katoenen jurken, hadden dezelfde haarstijl. Ze bleven even staan alsof ze iets gehoord hadden, en toen keken ze alledrie naar me op.

En glimlachten.

Ik keek ze na tot ze in het bos waren en oplosten in de schaduwen.

Ik deed echt niet heel erg mijn best ze te zien om mama een plezier te doen, en het was beslist geen droom.

Waren ze er per slot niet allemaal ook voor mij?

En zouden ze dat niet altijd en eeuwig zijn?