12. Conjugatie

 

Het waren niet alleen mama’s raadselachtige waarschuwingen die ’s nachts de rillingen over mijn rug deden lopen en elk geluid dat ik hoorde, elk gekraak, deden knetteren als voetzoekers. Het waren de dingen die ze in en rond ons huis deed, dingen die ze nog nooit zo intens en zo overdadig had gedaan, die me echt bang maakten.

Om te beginnen zette ze brandende kaarsen voor elk raam, en niet alleen voor het raam van de zitkamer. Blijkbaar had Bogart haar ook nog een paar andere dingen gegeven. Ze had een lang siermes mee naar huis genomen. Ze zei er niets over, maar na het eten haalde ze het plotseling tevoorschijn en ging er, zonder me te vertellen waarom, mee naar buiten. Ik volgde haar en stond op de veranda naar haar te kijken toen ze het mes gebruikte om een lange lijn te trekken tussen de weide en het bos tegenover het huis van de buren. Toen liep ze terug naar huis en haalde iets anders uit het pak. Het was een vijfpuntige ster in een cirkel, alles van koper. Ze maakte hem stevig vast op onze voordeur. Daarboven prikte ze twee takjes venkel die volop in het blad zaten.

‘Wat betekent dat, mama?’ vroeg ik, turend in het donker. Het deed me denken aan Halloween.

‘Zo beschermen we onszelf, weren we het kwaad,’ vertelde ze. Verder zei ze niets.

Later ging ze terug naar de zitkamer, waar ze ging zitten zonder dat er enig ander licht brandde dan de kaars. De gloed van het kaarslicht scheen op haar gezicht en gaf haar huid een amberkleurige teint. Ik kon zien dat haar ogen strak op het duister waren gericht. Ze verroerde zich niet. Haar intens starende blik beangstigde me. Ze wilde niets zeggen; ze keek zelfs mijn richting niet uit. Hoe lang kon ze zo blijven zitten? Wat verwachtte ze te zullen zien? De stilte en het flakkerende kaarslicht werkten op mijn zenuwen. Ik kon niet in die kamer blijven en naar haar kijken. Zelfs Cleo trok zich terug en volgde me onmiddellijk naar boven, waar ik probeerde mijn gedachten af te leiden met studeren en lezen.

Ik bleef indommelen, en eindelijk ging ik slapen. Maar op een gegeven moment werd ik ’s nachts wakker en luisterde gespannen, omdat ik zeker wist dat ik iemand hoorde zingen. Ik stond op en liep naar het raam. Het was mama, die buiten een hymne stond te zingen. Cleo was ook wakker, maar ik moedigde hem niet aan om op te staan. Toen ik de kamer uitliep, deed ik de deur achter me dicht, zodat hij me niet kon volgen. Toen liep ik naar beneden en opende zachtjes de voordeur. Langzaam liep ik naar de rand van de veranda en keek naar het oude kerkhof, waar ik haar met een lantaarn bij de oude grafstenen zag staan. Toen ze ophield met zingen en het licht uitblies, draaide ik me om en liep haastig weer naar binnen en naar boven. Cleo was wakker en zat op me te wachten.

‘Ga slapen,’ zei ik tegen hem en stapte weer in bed. Hij rolde zich op, kreunde zachtjes en legde zijn kop op zijn poten. Ik luisterde naar mama’s voetstappen en hoorde dat ze even voor mijn deur bleef staan. Een ogenblik later ging ze naar haar eigen kamer en werd alles stil in huis.

Ondanks de warme, klamme nacht lag ik te rillen en wikkelde de deken stevig om me heen. Ik rolde me op in een foetushouding, sloeg mijn armen om me heen. Wat was het gevaar dat mama vreesde? Wat was zo machtig dat zelfs onze wonderbaarlijke geesten ons niet voldoende konden beschermen? Had ik iets gedaan om dit alles te veroorzaken?

Bij elk gekraak in het huis sperde ik mijn ogen open en hield ik mijn adem in om beter te kunnen luisteren. Ik zag dat Cleo sliep en dat stelde me gerust. Eindelijk viel ik zelf ook uitgeput in een rusteloze slaap. Ik werd één keer wakker en zag mezelf op de bodem van dat graf, en mijn ogen gingen plotseling open. Mijn armen werden naar me uitgestoken en ik sprong letterlijk op uit mijn slaap. Het duurde even voor mijn hartslag weer normaal werd en ik aarzelend, nog steeds angstig, mijn hoofd weer op het kussen legde en mijn ogen durfde te sluiten.

Maar de ochtend was zo helder en licht, dat al mijn duistere dromen en gedachten werden weggevaagd alsof ze spinnenwebben waren. Cleo stond al te hijgen bij de deur, verlangend om te worden uitgelaten. Toen ik opstond, me waste en aankleedde, zag ik dat mama al op was en bedrijvig rondliep. Ze zag er fris en uitgerust uit. Ze keek naar me met een lieve, blijde glimlach. Het leek of alles wat ik haar de afgelopen nacht had zien doen niet meer dan een droom was geweest.

‘Je haar moet geknipt worden,’ zei ze. ‘Ik zal het na het ontbijt meteen doen. Daarna moet ik naar mr. Lyman, de notaris. We moeten een paar zakelijke kwesties bespreken. Hij belde laatst en maakte me erop attent dat ik, nu Celeste er niet meer is, een paar veranderingen moet aanbrengen in mijn testament. Hij heeft me er vaak genoeg over gebeld, en ik heb eindelijk besloten het te doen.’

‘Mag ik mee?’ vroeg ik snel. Mijn gesprek met Elliot, het bespioneren van zijn familie, het horen van de muziek en het gebabbel aan tafel, alles deed me ernaar verlangen vaker in het openbaar te verschijnen, dingen te zien, vooral meer mensen van mijn leeftijd.

‘Het zal heel saai zijn voor je. Je zult alleen maar in een hal zitten om op mij te wachten. Ik ben niet van plan nog iets anders te doen. Geniet van je dag, Noble. Ga weer vissen. Misschien heb je vandaag meer geluk. Vroeg bracht je vaak ons avondeten thuis, weet je nog? Ik kan je nog horen gillen dat ik naar buiten moest komen om de vis te zien waar je zo trots op was.’ Ze glimlachte bij de herinnering. ‘Celeste liep meestal met gebogen hoofd achter je aan. Zij was er niet zo goed in.’

Ik was teleurgesteld dat ze weigerde me mee te nemen, maar haar ontspannen houding en zelfvertrouwen maakten dat ik me beier voelde. Haar maatregelen hadden blijkbaar succes, dacht ik. Wal ons bedreigde, werd teruggedreven. We waren veilig, maar toen ze mijn haar knipte, waarschuwde ze me weer dat ik uit de huurt moest blijven van de nieuwe buren.

‘Mijn moeder vertelde me altijd dat het kwaad op een besmettelijke ziekte lijkt. Als je te dicht bij iemand komt die ermee geïnfecteerd is, kan hij of zij je besmetten, hoe goed je ook beschermd bent. Maar dat weet je allemaal al, lieverd. Je weet het omdat je mijn hart bezit,’ zei ze en gaf me een zoen op mijn voorhoofd.

Later stonden Cleo en ik op de veranda en zagen haar wegrijden naar het kantoor van de notaris. Ik was niet echt in de stemming om te gaan vissen, maar de warme, gedeeltelijk bewolkte dag was te uitnodigend om me binnen op te sluiten en te gaan lezen. Cleo leek ook naar wat lichaamsbeweging te verlangen, dus pakte ik eindelijk mijn hengel en de doos visgerei, zocht mijn pot met wormen, en liep over de weide naar het bos.

Mussen en roodborstjes vlogen opgewekt van tak tot tak, begroetten me als een oude terugkerende vriend. De geur van dennen en verse aarde drong in mijn neus en ik voelde me verkwikt. Ik moest er vaker op uit trekken, dacht ik. Ons huis, al was het nog zo comfortabel, was te donker en te gesloten tegenwoordig, te verstikkend. Ik voelde me als een pasgeboren vogel die gretig zijn vleugels wil uitslaan. Alles buiten onze boerderij kan niet slecht zijn en alles erop kan niet goed zijn, dacht ik, en vroeg me af of dat een ketterse gedachte was.

Toen ik mijn plek aan de beek bereikt had, wierp ik de lijn uit en zette mijn hengel vast. Cleo zwierf zoals gewoonlijk rond, verkende op eigen houtje de omgeving. Ik zat naar het water te staren, naar de manier waarop het schuimde rond de keien en takken en bladeren met de stroom meevoerde. De beek was bedrijvig vandaag, dacht ik. Ik herinnerde me dat Noble vond dat hij klonk als iemand die staat te gorgelen. Dat constante geluid, het gezoem van de bijen vlakbij, het gekwetter van de vogels en de warme middag maakten me slaperig. Ik werd met een schok wakker toen ik een plons hoorde.

Eerst vroeg ik me af of het een vis was. Ik ging snel rechtop zitten en keek aandachtig naar het water. En toen zag ik weer een plons rechts van mijn vislijn. Die werd gevolgd door een derde aan de linkerkant, en ik besefte dat iemand met steentjes stond te gooien. Ik sprong overeind en draaide me om.

Elliot kwam rechts van me met een vrolijke, ondeugende lach uit het bos. Hij droeg een shirt met korte mouwen en een verschoten spijkerbroek. Mijn eerste opwelling was aan mama’s vermaning gehoor te geven en mijn spullen op te pakken en weg te lopen, maar ik zette me schrap. Cleo rende kwispelstaartend naar hem toe.

‘Begin niet over borden met “Verboden Toegang”,’ vermaande hij toen hij dichterbij kwam. ‘Ik heb gezien dat je ons bespioneerde. Jij was degene die op verboden terrein kwam.’

‘Ik heb jullie niet bespioneerd,’ zei ik. Hij grijnsde.

‘Je kan slecht liegen. Kun je niet eens een excuus bedenken?’

‘Ik hoef niks te bedenken. Laat me met rust.’

‘Hoe kun je dat prettig vinden om zoveel alleen te zijn?’ vroeg hij oprecht nieuwsgierig. Hij keek vol afkeer om zich heen naar het bos en de heek. ‘Ik vond het vreselijk om hierheen te verhuizen omdat ik wist hoe geïsoleerd we hier zouden wonen. Thuis hoefde ik maar een bus te pakken of een lift te krijgen om naar het winkelcentrum te gaan als ik me verveelde. Dat was simpel. Tot ik mijn rijbewijs en mijn auto heb, zal ik moeten lopen of fietsen of zoiets, en wat valt er hier trouwens te zien en te doen?

‘Ik weet het. Ik weet het. Dat kun jij me niet vertellen,’ ging hij verder voor ik kon reageren. ‘Nature Boy,’ voegde hij er verachtelijk aan toe en gooide nog een steentje in het water.

‘Je jaagt de vissen weg,’ zei ik.

‘Of het jou wat kan schelen, zei hij schamper. Toen lachte hij weer ondeugend. ‘Wat is dit, het hoogtepunt van de dag?’

‘Ik doe het graag,’ zei ik vastberaden.

‘Je doet het graag? Dit is wat je in je vrije tijd doet? Jemig. Denk je weleens aan meisjes, of heb je wat beters te doen?’

‘Wat ik doe gaat je niets aan.’ zei ik.

Hij lachte.

‘Dat geloof ik graag. Ik wed dat je niet wilt dat het iemand anders aangaat dan jou.’

‘Wat bedoel je daarmee?’

‘Hé,’ zei hij, zijn handen opheffend. ‘Het kan me niet schelen of je iets anders gevonden hebt om de plaats van meisjes in te nemen. Misschien een grote, mooie vis?’

‘Je bent walgelijk,’ zei ik.

‘Ik ben walgelijk? Dat is walgelijk? Wat heb ik gedaan, heb ik je (ere zieltje beledigd? Wat ben je, een moederskindje? Is dat het soms? Mama wil niet dat haar zoontje zich vuil maakt door rond Ie hangen met vuile tieners of zo? Ketent ze je daarom hier vast ?’

‘Ik ben niet vastgeketend.’

‘O, nee?’

‘Denk maar wat je wilt,’ zei ik.

Hij lachte en haalde een pakje sigaretten uit de zak van zijn shirt. Hij tikte er een uit en stak die in zijn mond. Ik sloeg hem gade, niet in staat mijn ogen van hem af te wenden. Hij lachte weer.

‘Wil je er ook een?’

‘Nee,’ zei ik snel.

‘Dus je rookt ook niet, hè?’

‘Nee.’

‘Zuiver in lichaam en geest. Nature Boy.’ Hij lachte en nam een trek van zijn sigaret. Hij blies de rook recht in mijn gezicht.

‘Hou op me zo te noemen. Laat me met rust. Dit is onze kant van de beek, en je hoort hier niet.’

‘Niet zo snel met je bevelen, Nature Boy. Ik was van plan je te negeren tot ik je erop betrapte dat je door ons raam naar binnen gluurde. Waar hoopte je op? Datje mijn zus zou zien terwijl ze zich uitkleedde of zo?’

Ik voelde de hitte langs mijn hals naar mijn gezicht omhoogkruipen.

‘Nee!’ gilde ik bijna. Lachend tikte hij de as van zijn sigaret, weer in mijn richting.

‘Het is oké als je dat hoopte. Ze is sexy. Dat is een van de redenen waarom mijn vader hierheen wilde verhuizen. Ze raakte in allerlei moeilijkheden verzeild met jongens, studenten eigenlijk, snap je wat ik bedoel?’

Hij trok aan zijn sigaret en nam me scherp op. Ik voelde me niet op mijn gemak en wendde me van hem af.

‘Misschien heb je geen idee wat ik bedoel. Je bent nog nooit samen met een meisje geweest of hebt een afspraakje gehad of wat dan ook, hè, thuislesjongetje?’

‘Ik merk dat je me niet met rust wilt laten.’ zei ik, en begon mijn lijn in te halen.

‘Man, wat ben je snel aangebrand,’ zei hij.

Ik probeerde hem te negeren en ging verder met mijn spullen bijeen te zoeken. Maar hij ging achter me staan en gaf me een duw, zodat ik een stap naar voren moest doen en met mijn rechtervoet in het water terechtkwam. Hij lachte toen ik me met een ruk omdraaide.

‘Je moet wat voorzichtiger zijn,’ zei hij. ‘Laat mij die hengel eens proberen,’ ging hij verder, en liep naar voren om de hengel van me af te nemen, met de brandende sigaret in zijn mond.

‘Blijf eraf!’ zei ik, en trok terug.

Maar hij pakte hem beet, en een tijdje waren we aan het worstelen. Toen liet ik los en stootte zo hard ik kon tegen zijn borst. Hij hield de hengel vast, maar viel achterover, met zijn zitvlak in het water. Hij sprong overeind alsof het water hem gebrand had. Hij zag rood van woede.

‘Schoft,’ zei hij, en vloog op me af. Hij sloeg zijn arm om mijn hoofd en probeerde me rond te draaien en op de grond te gooien, maar ik duwde tegen zijn arm en maakte me gemakkelijk los uit zijn greep. Toen pakte ik zijn linkerarm en trok zo hard ik kon. Hij verloor zijn evenwicht, struikelde over een paar stenen en viel weer, deze keer met zijn hele arm onder water, bijna tot aan zijn schouder.

Cleo stond te blaffen, maar niet kwaad. Hij was opgewonden en cirkelde keffend om ons heen, alsof hij eindelijk iets leuks meemaakte. Elliot krabbelde overeind, de doorweekte sigaret bungelde tussen zijn lippen. Hij dacht even na, toen lachte hij, schepte wat water op en gooide het in mijn richting. Ik ging achteruit om het water te vermijden.

‘Je verdiende loon,’ zei hij lachend, en kwam weer op me af. Ik wilde per se vermijden dat hij me in het water zou gooien.

Ik draaide me om en holde het bos in, Cleo blaffend achter me aan. Elliot volgde, schreeuwend: ‘Kom, Nature Boy. Het is jouw beurt om een bad te nemen.’

Ik rende zo hard ik kon, en ik had gemakkelijk aan hem kunnen ontkomen omdat dit mijn bos was en ik elk pad en elke open plek kende, maar mijn paniek maakte dat ik niet voldoende oplette. Ik holde door struikgewas, wat mijn tempo vertraagde. Elliot was vlak achter me. Hij sprong op me af, tackelde me, en we vielen allebei in het onkruid en het wilde gras. We rolden even over de grond en hij probeerde mijn armen tegen de grond te drukken. Ik kronkelde en duwde, maar hij lag over me heen en hield me stevig vast. We hijgden zo hevig, dat we even geen van beiden een woord konden uitbrengen.

Hij bewoog zijn benen zodat hij zijn knieën op mijn armen kon leggen en me tegen de grond houden, terwijl hij boven op mijn buik zat.

‘Oké, zul je nu ophouden met dat gekloot?’

‘Laat me los,’ riep ik.

‘Nog niet. Ik wil eerst een paar dingen weten.’

Laat me los,’ zei ik, worstelend. Hij woog te zwaar om hem van me af te kunnen duwen.

Cleo zat ernaast, hijgend en enthousiast toekijkend. Waarom was hij niet kwaad? Waar bleef mijn spirituele bescherming?

‘Wat doe je nou echt voor de lol? Vissen en studeren en in de tuin werken is toch niet het enige wat je doet, hè?’

‘Jawel.’

‘Flauwekul. Je moet iets anders hebben om gein mee te beleven. Is je moeder echt een heks?’

‘Als ze dat is, zou ik maar oppassen, want dan zal ik haar een vervloeking over je laten uitspreken,’ zei ik zo dreigend mogelijk. Hij begon te lachen en stopte toen. Ik kon voelen dat zijn greep losser werd.

‘Ik geloof niet in die dingen,’ zei hij en haalde zijn benen van mijn armen. Hij keek een beetje verontrust. ‘Kom nou, zeg de waarheid.’

‘Mijn moeder is geen heks.’ Ik wreef over mijn armen en draaide me van hem af. Hij ging op zijn gemak zitten, en Cleo, de verrader, nestelde zich tegen hem aan.

‘Waarom verzinnen ze dan al die verhalen dat ze toverformules kent en geheime ceremonieën houdt?’

‘Ze zijn gewoon jaloers en gemeen omdat we onafhankelijk zijn.’

‘Wat is dat rare ding op jullie voordeur?’ vroeg hij, en veegde met zijn mouw over zijn bemodderde gezicht.

‘Dat is niks. Mijn moeder gelooft in sommige dingen, maar ze is geen heks. Bovendien, als je dat hebt gezien, ben jij de gluurder en niet ik.’

‘Ik zag het toevallig vanmorgen. Ik was op zoek naar jou. Heb je er wat van opgestoken toen je ons gisteravond bespioneerde ? En ontken het niet weer. Ik heb je bij het raam gezien. Je hebt gehoord wat we zeiden. Nou?’

‘Nee, ik heb er helemaal niets van opgestoken. Ik ging er alleen naartoe om te zien of je de waarheid vertelde, of jullie echt dat huis hebben gekocht en erin zijn getrokken.’

Hij leunde achterover, aaide Cleo en keek naar zijn pakje doorweekte sigaretten.

‘Je wordt bedankt,’ zei hij. ‘Het is niet gemakkelijk om sigaretten ons huis binnen te smokkelen.’

‘Je moet niet roken.’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Ik veronderstel dat jij niets doet wat zogenaamd slecht voor je is.’

‘Nee, dat doe ik inderdaad niet.’

‘Je drinkt niet, rookt niet, geen hasj of zo?’

‘Ik zorg goed voor mezelf,” zei ik, stond op en borstelde me af. Hij bleef naar me zitten kijken.

‘Ja, nou ja, waar ik vandaan kom bekommert niemand zich om die dingen, althans niemand van mijn leeftijd. Denk je dat het hier anders voor me zal worden?’ vroeg hij. Toen schudde hij weer zijn hoofd. ‘Ik vergat dat jij dat natuurlijk niet weet. Woont er nog iemand van ongeveer onze leeftijd hier in de buurt, een normaal mens met wie ik vriendschap kan sluiten?’

‘Ik zou het niet weten.’ antwoordde ik. ‘Het volgende huis is ongeveer een kilometer verderop in de richting van Sandburg, maar ik geloof dat de kinderen die daar wonen allemaal een jaar of vier, vijf zijn. En ik ben normaler dan jij.’

‘O, natuurlijk. Thuisles, rare dingen op de voordeur, de hele dag vissen en tuinieren. Heel normaal.’

‘Je weet helemaal niks,’ zei ik.

‘Verveel je je echt niet? Vind je het leuk om alleen met een hond rond te hangen?’ vroeg hij verbijsterd.

‘Ik heb het erg druk. Er is een hoop te doen op onze boerderij. Ik heb geen tijd om me te vervelen.’

‘Man, wat ben jij een rare snuiter.’

‘Blijf dan uit mijn buurt,’ snauwde ik. Ik liep terug naar de beek. Hij stond op en kwam naast me lopen.

‘Ik weet zeker dat mijn vader zou willen dat ik net zo verveeld was als jij,’ zei hij wat nonchalanter. Ik ging minder snel lopen, omdat hij nu over zichzelf praatte. ‘Mijn zus was niet de enige die in de problemen raakte. Ik spiekte tijdens een eindejaarsexamen en zakte verleden jaar voor maatschappijleer. Ik moest de zomercursus volgen om het in te halen, en dat betekende dat ik geen vakantiebaantje kon krijgen. Mijn vader wilde me dit jaar niet mijn rijbewijs laten halen, dus moest ik ervoor zorgen dat ik in ieder geval voor alles een voldoende haalde. Eigenlijk ben ik blij dat hij wilde verhuizen, omdat hij met iets over de brug moest komen om me over te halen. Op die manier heb ik de auto van hem los weten te krijgen. Betsy maakte het hem er erg moeilijk mee. Na een tijdje wist ik dat ik hem zover had.’

Ik bleef staan en nam hem aandachtig op.

‘Wat is er?’ vroeg hij.

‘Jullie lijken geen gezin, maar eerder combattanten,’ zei ik.

‘Combattanten?’ Hij trok een lelijk gezicht.

‘Ik bedoel tegenstanders. Ruziezoekers? Vijanden? Wat dat betekent snap je toch zeker wel?’

‘O, o, wat ben jij slim,’ zei hij.

We liepen verder naar de beek, met Cleo op onze hielen, die er niet zoals gewoonlijk vandoor ging om een of ander gat in de grond te inspecteren.

‘Misschien heeft je moeder een toverformule gebruikt om je zo te maken,’ merkte hij met een cynisch lachje op. ‘Misschien zou ze dat ook voor mij kunnen doen?’

‘Er is maar één toverformule om slimmer te worden, Elliot, studeren, lezen, opletten tijdens de les en werken.’

‘Ja,’ zei hij zelfingenomen. ‘Mijn laatste vriendinnetje was heel slim, altijd nummer een van de klas. En ze was ook cheerleader voor het basketballteam van de eerstejaarsstudenten.’

Ik zag dat hij glimlachte, maar zei niets. Ik wilde niet dat hij zou ophouden met praten. Hoe zou het zijn om cheerleader te zijn en naar schoolwedstrijden te gaan?

‘Ze was erg ambitieus. Het enige waarmee ik haar gemakkelijk kon verslaan was ringwerpen. Natuurlijk speelden we stripringwerpen. Dat heb ik uitgevonden.’ Zijn mond vertrok even.

‘Wat is dat?’ vroeg ik. Het was eruit voor ik het wist.

‘O, heel simpel. Degene die een ronde verloren had moest iets uittrekken. Meestal had ik haar in minder dan tien rondes naakt.’

Ik voelde dat mijn adem sneller begon te gaan.

‘Ze had ook een mooi figuur. Maar ze was niet het eerste meisje met wie ik het heb gedaan. Ik deed het al op mijn twaalfde,’ schepte hij op. ‘We hadden buren, de Brakfists, met een dochter die Sandra heette. Iedereen plaagde haar en noemde haar Sandra Breakfast. Sandra Ontbijt, ha ha. Ze had ook een goed stel hersens.’ Hij keek even naar mij. ‘Eerlijk gezegd,’ ging hij fluisterend verder, ‘wist ze meer over de bloemetjes en bijtjes dan ik. Soms maakte ik mijn huiswerk met haar, omdat ik zo’n beroerde leerling was.’

We lieten het bos achter ons en stonden weer bij de beek. Mijn hengel lag op een paar stenen, de lijn was meegevoerd door het stromende water. Tijdens onze worsteling was de pot met wormen omgevallen en de inhoud was grotendeels eruit verdwenen. Ik knielde neer en raapte zoveel ik kon ervan op.

‘Wil je niet horen wat er gebeurde – of ben je soms homo?’ vroeg hij, geërgerd dat ik afgeleid was. Dat was ik niet. Ik wilde alleen niet laten merken hoe groot mijn belangstelling was.

‘Nou?’

‘Oké, wat is er gebeurd?’

‘Denk je soms dat ik het verzin?’

Ik haalde mijn schouders op.

‘Hoe moet ik weten of je dat doet of niet?’ vroeg ik.

Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Omdat ik het zeg,’ zei hij nors.

‘Vertel het me dan.’

‘Ach -’ Hij zwaaide naar me en wendde zijn hoofd af.

‘Sorry. Vertel op,’ zei ik met meer enthousiasme. Het was gemakkelijk te zien dat hij het me wilde vertellen.

Hij ging op een grote kei zitten.

‘Het was eigenlijk heel grappig,’ zei hij. ‘We studeerden biologie en iets van conju… conje-’

‘Conjugatie?’

‘Ja, dat is het, maar het ging over wormen,’ zei hij, wijzend naar mijn pot.

‘En?’

‘En ze begon de discussie te “expanderen”. Hoe vind je díé, over moeilijke woorden gesproken, slimmerik? Ze begon erover hoe belangrijk het was om een en ander te weten over de menselijke voortplanting, en zo kwamen we erop. Ze was, welk woord gebruikt mijn vader ook weer voor mijn zus? Pro… iets.’

‘Promiscue?’

‘Ja, dat is het,’ zei hij opgewonden. ‘Ze was promiscue. Ik was heslist niet de eerste jongen met wie ze dolde. Eerlijk gezegd, was ik een beetje bang voor haar, maar ik zette door omdat ik geen wat je wilde lijken, en het een leidde tot het ander.’

‘Hoe bedoel je, leidde tot het ander?’

‘Je weet wel. Het ander. Eerst handjevrijen en dan paren. De conjugatie. Met haar was het alsof je aanwijzingen volgde om iets in elkaar te zetten. Eerst doe je dit en dan doe je dat. Ik was opgewonden, maar had ook het gevoel dat ik weer op school zat. Ik heb het niet nog eens met haar gedaan. Ze probeerde me te strikken onder het mom van huiswerk maken, en toen ik niet wilde, zocht ze een ander. De grap op school werd: wie heeft Sarah de laatste tijd voor ontbijt gehad? Snap je?’

Hij wachtte op mijn antwoord, maar ik zei niets. In plaats daarvan ging ik verder met het inhalen van de vislijn.

‘Je gelooft me niet, hè?’

‘Het is niet belangrijk of ik het geloof of niet.’

‘Je bént een rare.’

‘Je moet ophouden met dat te zeggen.’ Ik draaide me met een ruk naar hem om.

Hij haalde zijn schouders op.

‘Ik denk dat je wel een reden hebt om raar te zijn.’

‘Wat bedoel je daarmee?’

‘Wat er met je zusje is gebeurd en zo. Ze hebben haar lichaam nooit gevonden, hè?’

Ik staarde hem aan.

‘Het is maar een vraag.’

‘Ik wil er liever niet over praten,’ zei ik.

‘Dacht je moeder dat het die oude man was wiens huis we hebben gekocht?’

‘Ik zei -’

‘Oké.’ Hij zweeg.

‘Het is pijnlijk,’ zei ik.

‘Ja. Nou ja, soms komen vermiste kinderen weer terecht. Ik las over dat meisje dat tien jaar later kwam opdagen. Het stond in een van die kranten die je in de supermarkt kan kopen. Ze had een flashback of zoiets en wist als een hond de weg naar huis te vinden. Misschien gebeurt dat ook met jouw zus. Heb je die film op de televisie gezien, ongeveer een maand geleden, over dat tienermeisje dat ontdekt dat ze ontvoerd was door de mensen die ze als haar ouders beschouwde?’

‘Ik kijk niet naar televisie,’ zei ik.

‘Wát zeg je?’

Ik legde de hengel over mijn schouder, pakte de doos met visgerei op en drukte de pot met wormen tegen mijn borst.

‘We kijken niet naar televisie.’

‘Kijken jullie nooit naar televisie?’

‘Nee.’

‘Wat doen jullie dan ’s avonds?’

‘Lezen, naar muziek luisteren, aan projecten werken.’

‘Ik zou gek worden zonder televisie. Papa heeft beloofd ons zo gauw mogelijk op de kabel te laten aansluiten. Met die oude antenne kunnen we hier niets krijgen. Ga je dan tenminste nu en dan naar een film?’

‘Nee,’ zei ik, en liep weg.

‘Hé, heb je geen zin om erheen te gaan?’ vroeg hij, terwijl hij me achterna kwam. Ik liep door. ‘Nou?’

‘Soms,’ bekende ik.

‘Maar je moeder vindt het niet goed.’

‘Ze zegt dat er niets te zien is dat de moeite waard is.’

‘Hoe weet ze dat als jullie er nooit een zien? O, ik weet het al. Ze kan het onbekende zien,’ zei hij met een dramatisch gebaar naar de horizon.

‘Laat me je in ieder geval vertellen over de film die ik verleden week heb gezien,” ging hij verder, terwijl hij naast me bleef lopen. Ik moest even bij mezelf lachen. Hij scheen meer behoefte te hebben aan gezelschap dan ik. ‘Ze komen het meisje halen. De politie gaat naar het huis en vertelt haar dat ze ontvoerd is door haar zogenaamde ouders, en ze bekennen. Ze wordt teruggebracht naar haar echte ouders en familie, maar de grootmoeder wil niet dat ze teruggebracht wordt.’

‘Waarom niet?’

‘Het blijkt dat de grootvader haar echte vader is.’

Ik bleef staan en schudde mijn hoofd.

‘Dat begrijp ik niet.’

‘Is dat zo moeilijk te begrijpen? De grootvader had seks met zijn schoondochter, en het kind werd geboren, en de grootmoeder liet het ontvoeren toen het nog een baby was. Je wilt nu vast wel dat je die film gezien had, hè?’

Ik zei niets.

Ze herhalen een film soms. Als ik zie dat hij weer wordt uitgezonden zal ik het je laten weten en kun je bij mij thuis komen kijken.’

Ik begon mijn hoofd te schudden.

‘Je hoeft niet tegen je moeder te zeggen waar je naartoe gaat. Doe net of je gaat vissen of zo.’

‘Ik lieg niet tegen mijn moeder,’ zei ik bits.

‘Natuurlijk niet.’

‘Dat doe ik niet.’

‘Nou ja, het hoeft niet echt een leugen te zijn. Je vertelt haar gewoon niet alles. Wat niet weet, wat niet deert.’

‘Je kunt geen liefdevolle relatie hebben als je niet eerlijk bent.’

Hij sloeg zijn ogen ten hemel.

‘O, jee. Je hebt te lang alleen geleefd, Noble. Als je hier uitbreekt, zul je als een kind in een snoepwinkel zijn, en dan kom je in een hoop moeilijkheden,’ zei hij. Hij wilde nu de wijze man uithangen. Ik moest even lachen. ‘Wat is er zo grappig?’

‘Dat is het beste excuus om slechte dingen te doen dat ik ooit heb gehoord of gelezen.’

‘Ja, nou ja, maar het is waar. Kijk eens naar die kinderen op de universiteit die voor het eerst in hun leven op eigen benen staan.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Ze gaan over de rooie. Ze drinken te veel, gaan te laat naar bed, worden zwanger, raken aan de drugs, noem maar op. Als hun ouders ze niet zo voortdurend aan banden hadden gelegd, zouden ze niet zo worden,’ zei hij met een wijs knikje.

‘Hebben je ouders jou en je zus aan banden gelegd?’

‘Nee, niet echt.’

‘Dus?’

‘Dus wat?’

‘Je hebt me net verteld over alle problemen waarin je zus is geraakt met oudere jongens en hoe jij de boel ook in de soep hebt laten lopen, ja toch?’

‘O, jij bent zo’n watje -’

‘Hoor eens, kijk eens in een woordenboek en zoek een ander woord, wil je?’ zei ik en ging sneller lopen.

Hij bleef staan.

‘Misschien wil je moeder me op je thuisles laten komen en net zo slim laten worden als jij,’ riep hij me achterna.

Ik draaide me niet om.

‘Weet je wat,’ riep hij. ‘Kom eens langs, dan zal ik je wat leren over conjugatie en kun jij mijn vocabulaire verbeteren. Voor het geval je ooit nog eens iets tegenkomt dat meisje heet!’ schreeuwde hij.

Cleo bleef staan en keek achterom naar Elliot.

‘Kom, Cleo,’ riep ik. ‘Laat hem.’

Haastig liep ik naar huis om me op te knappen voordat mama me zag en zich afvroeg waarom ik onder de modder zat en er zo verfomfaaid uitzag. Later probeerde ik wat te lezen en de lessen te leren die mama had opgegeven voor wis- en natuurkunde. Maar ik werd voortdurend afgeleid, pauzeerde minutenlang en dacht na over de dingen die Elliot me had verteld. Zijn gezelschap en zijn verhalen gaven me het gevoel dat ik gestrand was op een eiland. Was dit het kwaad waarvan mama vreesde dat het me zou infecteren? Waren deze visioenen van seks en alles wat hij me vertelde bacteriën of zo? Ik deed mijn uiterste best ze uit mijn gedachten te kinnen. Het beangstigde me dat me dat zo moeilijk viel. Ten slotte besloot ik naar buiten te gaan, naar het oude kerkhof. Daar ging mama naartoe voor spirituele leiding, dacht ik. Waarom ik niet?

Zoals vaak voorkwam in deze late zomerdagen, veranderde de lucht snel. Warme, steeds toenemend vochtige lucht was de voorbode van een naderende stortbui. Ondanks het feit dat we ons zo hoog in de bergen bevonden, konden we een regenbui krijgen die meer op een tropisch onweer leek. De wolken boven me cirkelden rond de plekken blauwe lucht, sloten die blijkbaar vastbesloten in. Waar was mama? Waarom bleef ze zo lang weg? Ze had gezegd dat ze nergens anders naartoe ging.

Ik stond voor de oude grafstenen en deed heel erg mijn best een spirituele aanwezigheid te voelen.

Kom alsjeblieft bij me terug, papa,’ bad ik. ‘Ik heb je nodig. Alsjeblieft. Ik wil niet slecht zijn. Ik wil niets doen dat mama of mijzelf kan kwetsen.’

Ik raakte de grafsteen van baby Jordan aan zoals mama altijd deed, sloot mijn ogen en probeerde te voelen dat de in reliëf aangebrachte handen bewogen. Er gebeurde niets, zelfs niet nadat ik een van de oude hymnen van mama had gezongen. Cleo stond buiten hel hek naar me te kijken en ging toen liggen wachten. Hij legde zijn kop op zijn poten en deed zijn ogen dicht.

Plotseling hief hij zijn kop op en keek naar de oprijlaan. Ik draaide me om en zag twee auto’s naderen. Een ervan was van mama, maar de andere wagen herkende ik niet. Toen ze dichterbij kwamen, zag ik dat iemand anders mama’s auto bestuurde, een man in een blauw hemd. Mama leek erg van streek. De tweede auto werd bestuurd door een man in een soortgelijk hemd. Haastig verliet ik het kerkhof en ging voor het huis staan toen ze stopten.

De man die achter het stuur van mama’s auto zat, stapte snel uit en opende haar portier. Ik zag dat hij een soort uniform droeg met een bijpassende blauwe broek. De tweede auto stopte en de identiek geklede man stapte uit en liep langzaam naar hen toe. Mama’s chauffeur hielp haar uitstappen. Ze leek onvast op haar benen te staan.

‘Mama!’ riep ik.

‘Ze is oké,’ zei de man die haar hielp.

Mama deed haar ogen open en keek naar me, eerst vreemd, toen kalm, met een knikje naar de deur. Ik holde vooruit om hem open te maken, en ze kwamen met zijn allen achter me aan.

‘Het gaat nu weer,’ zei mama en draaide zich om naar de man die haar hielp. ‘Dank u. Allebei heel erg bedankt. ‘U had echt de dokter ernaar moeten laten kijken en die tests laten doen, mevrouw Atwell,’ zei hij. Hij keek naar haar mij. ‘Let goed op haar,’ zei hij. Ze draaiden zich om en liepen naar de tweede auto.

‘Wat is er gebeurd, mama?’

‘Laten we eerst naar binnen gaan,’ zei ze snel, en we liepen het huis in. Ze sloot de deur, haalde diep adem en liep naar de zitkamer.

Ik volgde haar en zag dat ze zo snel ze kon naar overgrootvader Jordans stoel liep. Toen ze eenmaal zat, keek ze opgelucht.

‘Wat is er gebeurd?’

‘Ik ben flauwgevallen in het kantoor van de notaris. Ze hebben me naar het ziekenhuis gebracht voor ik kon protesteren, en toen stonden die twee assistenten erop me naar huis te brengen. Ik mocht niet zelf rijden van ze. Er is niets aan de hand,’ hield ze vol.

‘Waarom ben je flauwgevallen?’

Ze schudde haar hoofd, wendde haar ogen af en keek me toen weer aan.

‘Misschien werd het me alleen te veel omdat ik gedwongen werd me alles weer te herinneren, het verlies… het verlies van zo’n dierbaar kind, dat te moeten erkennen. Het was net of ik naar een begrafenis ging, de kist in de aarde zag zakken en de aarde erop zag vallen. Ik moest de realiteit weer onder ogen zien. Mijn hart bleef even stilstaan en ik kreeg geen adem meer. Het gaat echt weer goed. Ik moet alleen een beetje rust hebben. Ga een glas koud water voor me halen,’ zei ze, en ik haastte me om aan haar wens te voldoen.

Ze dronk langzaam en toen leunde ze achterover en glimlachte naar me.

‘Het komt allemaal goed met ons,’ zei ze. ‘Dit is niets.’ Ze sloot even haar ogen en deed ze toen snel weer open. ‘Heb ik goed gezien dat je op het kerkhof was toen we naar huis reden?’

‘Ja,’ zei ik.

‘Waarom?’

‘Ik… ik hoopte… ik wilde…’

Ze kneep haar ogen samen.

‘Je hebt toch niet iets gedaan dat je niet had moeten doen, hè, Noble?’

‘Nee,’ zei ik snel, misschien iets te snel.

‘Als ons fort verzwakt, komen ze binnengemarcheerd,’ zei ze nadrukkelijk.

Ik beet op mijn lip terwijl ze me aandachtig opnam.

‘Ga iets te eten maken voor jezelf,’ zei ze.

‘En jij dan, mama?’

‘Ik blijf hier zitten en rust wat uit. Ga nu maar,’ zei ze. ‘Ik voel me heus weer goed.’

Ik aarzelde en liep toen naar de deur. Daar bleef ik staan en draaide me naar haar om. Ze zat met gesloten ogen en leunde met haar hoofd tegen de rugleuning. Ze leek jaren ouder geworden.

Het kon niet alleen de gedachte zijn dat ze een kind had verloren. Nee toch? Hoe vaak had ze dat niet herbeleefd? Moest die notaris haar dwingen het weer onder ogen te zien? Waarom konden de mensen ons niet met rust laten?

Misschien had het met iets anders te maken. Misschien kwam het omdat ik van het rechte pad was afgedwaald en vreemde dromen en fantasieën had gehad. Mama waarschuwde me altijd dat ze mijn gedachten konden lezen.

Het is mijn schuld, dacht ik. Op de een of andere manier is dit mijn schuld.

Ik moest beter mijn best doen om me goed te gedragen.

Waarom waarschuwden innerlijke stemmen me dat dat steeds moeilijker zou worden?

Ik beefde inwendig, net als mama vaak deed als ze voelde dat er vlakbij iets duisters en afschuwelijks was.

Alleen was het voor mij niet alleen vlakbij, dacht ik.

Voor mij was het binnen in me, rustend onder mijn hart.