Proloog
De stemmen die mama hoorde

 

Ik kan me niet precies herinneren wanneer we voor het eerst zagen dat mama stopte met iets waarmee ze bezig was, naar buiten in de duisternis tuurde, glimlachte, knikte en zachtjes iets zei als: ‘Ik begrijp het. Ja. Dank je,’ tegen iemand die onzichtbaar voor ons was. Ik voelde een vreemde opwinding, een aangename kilte, net als de huivering als ik op mijn slee van een heuvel gleed of van het rotsblok sprong en spetterend in onze vijver terechtkwam. Toen ik nog heel klein was, vond ik het op een beetje griezelige manier grappig als ik mama tegen haar geesten hoorde spreken, en wat ik op dat moment ook deed, ik bleef staan om naar haar te luisteren en te kijken, en dan hield Noble op met spelen en kwam ook luisteren. Soms hoorden we papa voor zich uit tegen zichzelf en gelijk tegen mama praten, maar dat was iets anders. Dit deed alleen mama.

Ik keek dan naar Noble om te zien of hij er iets van snapte, en hij keek met een verwarde uitdrukking op zijn gezicht terug; het kuiltje dat we allebei in onze linkerwang hadden, trilde opvallend, zijn wenkbrauwen, dezelfde als ik, werden opgetrokken en kromden zich. Geen van beiden begrepen we het, maar geen van beiden vroegen we haar iets.

In mijn hart wist ik dat ze het ons mettertijd wel zou vertellen.

En ja, op een dag nam ze ons terzijde en sloeg haar armen om ons heen, gaf ons allebei een zoen op ons voorhoofd en onze wangen. Misschien zoende ze Noble iets nadrukkelijker, omdat ze altijd scheen te denken dat hij meer zoenen van haar nodig had dan ik, en toen vertelde ze ons alles met grote opwinding in haar stem, net zoveel opwinding als iemand die hoort wat ze met Kerstmis zal krijgen.

‘Ik zal jullie allebei een groot geheim vertellen,’ zei ze. ‘Het wordt tijd dat jullie het weten. Weet je wat een geheim is, Noble?’

Mij vroeg ze het niet, want ze wist dat ik het wist. Ik kon veel beter lezen en luisteren dan Noble, en mijn woordenschat was twee keer groter. Hij knikte, maar zonder veel overtuiging, dus legde ze het hem uit.

‘Het is iets wat je niemand anders mag vertellen, iets wat je hier en hier goed moet bewaren,’ wijzend op haar hoofd en haar hart. ‘Het is heel verkeerd om een geheim te vertellen als je beloofd hebt dat niet te doen. Begrijp je?’

Noble knikte enthousiast en mama ontspande zich, haalde diep adem en ging verder.

Ze vertelde ons dat ze stemmen hoorde die niemand anders kon horen, zelfs papa niet, en ze kon mensen zien – geesten, noemde zij ze – die hij niet kon zien.

‘Wie zijn dat?’ vroeg ik.

Ze zei dat het de geesten en de stemmen waren van al haar dode voorouders, en toen schilderde ze een spookachtige melange van mannen en vrouwen met verschillende en interessante persoonlijkheden, meisjes die nog steeds jammerden over hun verloren verloofden, mannen die streng maar wijs waren, vrouwen die mooi waren en vrouwen die lelijk waren, zelfs invalide, zoals tante Helen Roe, die als kind polio had gekregen en tot aan haar dood in een rolstoel had gezeten. Ze vertelde ons dat ze haar rolstoel samen met haar begraven hadden en dat ze er nog steeds in zat, zelfs in de wereld van de geesten. Ze droeg het voor alsof ze zich daadwerkelijk bij ons in de kamer bevonden, daar glimlachend naar haar zaten te kijken terwijl ze alles over hen vertelde. Ik bleef om me heen kijken, in de verwachting iemand te zien.

Of het allemaal echte voorouders waren of slechts ontsproten waren aan mama’s verbeelding deed op dat moment niet terzake. Ik wilde dat ze even reëel waren als de enkele bezoekers die ons ouderlijk huis betraden, een groot Queen-Anne-huis van drie verdiepingen, gebouwd door de overgrootvader van mijn moeder, William De Forest Jordan, die kilometers en kilometers land had geclaimd van de vruchtbare rivierbedding van een vallei in het noorden van de staat New York, bijna onder toeziend oog van Moeder Natuur.

Zijn portret hing in de zitkamer boven de open haard. Hij was gedrongen, met een dikke nek en brede schouders, die tegen de naden van zijn jasje spanden. Toen het portret geschilderd werd, had hij een keurig geknipt puntbaardje en een flinke bos spierwit haar dat naar achteren geborsteld was en in het midden gescheiden. Zijn huid was donker en verweerd omdat hij het grootste deel van zijn tijd buiten in de zon had doorgebracht.

Ik keek niet vaak omhoog naar zijn portret, want zijn donkerbruine ogen leken me de hele kamer door te volgen, en hij glimlachte niet. Integendeel, hij keek kwaad, vond ik. Toen ik mama vroeg of hij kwaad of geërgerd was omdat hij moest poseren voor een portret, vertelde ze me dat in die tijd de mensen hun geschilderde portretten heel serieus namen en geloofden dat het een lichtzinnige indruk zou maken als ze glimlachten. Maar ik vond dat hij er altijd uitzag als iemand die niet kón glimlachen, zelfs al had hij dat gewild. Hij was een geest die ik maar liever niet wilde ontmoeten.

Volgens de overlevering in de familie maakte hij in zijn eentje een wandeltocht door de beroemde Rip Van Winkle Catskills en draaide hij zich om naar dit stuk land dat tussen twee hellingen genesteld lag. Vroeger liep hier de Sandburgrivier, toen die nog vrij kon doorstromen, ongehinderd door de dammen stroomopwaarts. Nu leek hij meer een beek, al was het water vaak woest na een zware regenval in het voorjaar of na een winter met uitzonderlijk veel sneeuw.

‘Het hart van jullie betovergrootvader Jordan bonsde als het hart van een man die een mooie vrouw ziet,’ vertelde mama. ‘Hij werd verliefd op elke boom, elk grassprietje, elke steen die hij zag, en hij wíst gewoon dat hij hier moest komen wonen en het land bewerken en zijn huis bouwen, en ja, kinderen, mijn lieve, dierbare tweeling, hier sterven.’

Aan de noordkant van het huis werd hij samen begraven met jullie betovergrootmoeder Elsie en een kind van hen dat bij de geboorte stierf, een naamloos, onfortuinlijk kind, voor wie de deur van het leven werd dichtgesmeten voordat ze een kreet kon slaken, of zelfs maar een keer kon ademhalen, voor ze een kleur kon zien of het gezicht van haar moeder. De drie granieten grafstenen staan in een klein vierkant van veldsteen, ongeveer een meter hoog, met een ingang. Op de grafsteen van hun doodgeboren kind staat Baby Jordan en haar sterfdatum. Natuurlijk geen geboortedatum. Haar steen is kleiner, met twee gevouwen babyhandjes in reliëf boven de inscriptie. Mama zegt dat soms, als ze die handjes aanraakt en haar ogen dichtdoet, zij ze kan voelen bewegen, voelen hoe zacht ze zijn.

Door de levendige manier waarop ze het beschreef dacht ik dat de doden omhoogreikten door hun grafstenen heen om de mensen die hun graf komen bezoeken te zien en te horen en zelfs aan te raken. Mama’s overgrootmoeder Elsie stierf vóór haar overgrootvader. Mama zegt dat haar moeder haar verteld had dat ze hem vaak de steen zag omarmen alsof hij zijn overleden vrouw omarmde, en hij kuste die steen ook!

Al onze andere familieleden rustten in begraafplaatsen bij een kerk, behalve dat ze volgens mama niet bleven rusten. Ze stonden vrijwel onmiddellijk op uit hun koude, donkere graven en begonnen rond te zwerven over de aarde, verlangend om met onze grootmoeder, onze moeder te spreken, en nu vol verlangen wachtend om met ons te kunnen spreken. Dat was de voorspelling die mama ons deed.

‘Binnenkort, kinderen, binnenkort zullen ook jullie ze zien en horen. Ik beloof het je. Ze hebben het beloofd. Als ze voelen dat jullie er klaar voor zijn, hebben ze beloofd dat het zal gebeuren,’ vertelde ze ons die dag. Ze keek uit het raam met die mooie, engelachtige glimlach om haar volle, perfecte lippen, en knikte als iemand zou doen die de stemmen had gehoord.

Hoe konden we anders dan geloven dat het allemaal werkelijkheid zou worden?