‘Ik zit momenteel zonder werk,’ heette het eerst. In die tijd vulde ik mijn dag zoals een boekhouder de kolommen bijhoudt, met zorg, lettend op de kleinste bijzonderheden. Zo zorgde ik ervoor dat ik — net als mijn overbuurvrouw – elke morgen om acht uur het daglicht in mijn huiskamer toeliet. En ik nam de telefoon aan wanneer die rinkelde, opende de deur voor wie zich aandiende, beantwoordde de post die men mij toestuurde. Wie naar mijn bezigheden informeerde kreeg te horen dat ik de boeken las die ik altijd al had willen lezen; hoe ik ervan genoot om mijn maaltijden in alle rust te kunnen gebruiken. Met plezier hield ik het huis op orde. En dan was er ook nog het onderhoud van voor- en achtertuin; de klimop, de oude perelaar, het kruidentuintje. Tijd te veel? O, nee. Alleen op zaterdagen sliep ik uit, zoals de meeste mensen.
‘Ik ben werkloos,’ is het nu. Bijna een naam. Boven, op mijn werktafel, ligt een grote stapel onbeantwoorde post. In de tuin - kleiner en donkerder geworden sinds ik besloot de natuur haar eigen gang te laten gaan - hangt nu de zomer bijna afgelopen is de prikkelende geur van gistend fruit. Wanneer ik de huiskamerdeur open, wijkt een dikke wolk tapijtpluizen in losse vlokken uiteen, alsof zich vlak daarvoor iets had afgespeeld dat niet voor mijn ogen en oren was bestemd. Ik kijk wel graag naar de mensen op straat, maar bezoek ontvang ik liever niet. Het liefst ben ik alleen met mijn gedachten.
Waarom is er zoveel veranderd?
Ik kan niet zeggen dat ik ontevreden ben; of dat ik me verveel. Welnee. Een gemakkelijk leven leid ik, een leventje.
Wie naar mijn bezigheden informeert kan te horen krijgen: Ik sta nog steeds precies om acht uur op. Dan schuif ik de gordijnen aan de straatkant langzaam open. En bijna tegelijkertijd trekt de overbuurvrouw aan het koordje van haar luxaflex. Zij slaat haar dag op met een ruk en enkele seconden later al gaat aan de overkant de voordeur open. Ik krijg te zien: een man, een fiets, een vrouw, een straatbezem. Terwijl hij met zijn fiets het pad afloopt, begint zij al te bezemen. Met éen hand aan het stuur en de andere op het zadel loopt hij voor die bezem uit het paadje van hun voortuin af, gaat de stoep op in hetzelfde tempo en dezelfde houding, stopt nogal bruusk vlak voor de rand en draait zich om. Zij zet de bezem tegen het hekje en komt naar hem toe. Ze zoenen. Daarna plaatst hij zijn fiets met een verrassend energieke zwaai langs de stoeprand op het wegdek, houdt zijn fiets dan schuin en - met een uitdrukking op zijn gezicht die ik niet beschrijven kan — brengt zijn linkerbeen omhoog. Een smartelijke trek? Dat is te sterk. Heeft hij geen zin om naar zijn werk te gaan? Nee, dat zal het niet zijn. Hij zet zich af en dan is hij fietsend op weg naar zijn werk. Ik draai me om en ga naar bed.
De tweede keer laat ik me wekken door de man met de honden. ‘Boe, boe,’ hoor ik. Daar word ik wakker van. Ik sta op, open de schuifdeuren en loop snel naar het raam. Daar is hij met zijn twee rijst-met-krenten honden. Hij geeft ze de ruimte aan twee zeer lange lijnen die hij naar believen snel kan inkorten. Op straat blijven de mensen stilstaan. Ik ben de enige niet die hem graag ziet. Lachend en groetend naar de belangstellenden links en rechts gaat hij voorbij. Soms loopt de ene hond vier meter achter en de andere loopt naast hem. Dan staat hij even stil. De honden merken dat niet. De ene loopt twee meter op de lijn vooruit, de andere loopt in. ‘Boe, boe,’ doet de man ineens. Beide honden springen wild blaffend tegen hem op en hij laat dat — luid bulderend van het lachen - even toe. ‘Af Aristo, af Pepita,’ roept hij dan. De honden lopen weer bedaard aan de lijnen. De een ruikt aan een lantaarnpaal. De ander aan een bosje gras tussen stoep en gevel.
Tegenover mijn huis is een bushalte. Een bushalte, een wachthuisje en een rij wit-zwarte tegels. Die wachtende mensen, dat vind ik iets moois. Ze weten waarop ze wachten en dat maakt hun gedrag voorspelbaar, alsof de tijd en ook de ruimte die ter beschikking is gesteld, hun tevens voorschrijft hoe ze moeten doen.
Ja, het is waar. Dat kijken is een hele bezigheid geworden. Ik vind het heerlijk om de mensen staande in mijn warme en beschutte erker vanachter de gesloten vitrages te bespieden. Het beetje zondigheid dat aan deze handelwijze kleeft, geeft mijn kijklust extra stimulans. Het liefst beeld ik me in dat ik het ben die in beweging is. En zij staan stil. Ik heb een middenraam met uitzicht op de halte waar ik stoppen moet en bovendien twee zijramen. Ik stuur mijn blik naar links en rechts en recht vooruit. En mijn vooruitgeschoven post is de cabine van een bus.
Heel zelden, maar het komt wel voor, bekruipen me gevoelens van verbondenheid. Op regenachtige woensdagmiddagen bij voorbeeld, wanneer een overvolle bus voorbijrijdt zonder in te houden. ‘Ooh,’ hoor ik, een eensgezinde roep van boosheid en teleurstelling. Onwillekeurig doe ik net als de mensen tegenover me een stapje achteruit. En omdat de snelheid van de bus ook mij heeft overrompeld, kijk ik hem na met open mond.
Wanneer de avond valt sluit ik zorgvuldig de gordijnen. Geen kier. Daarna ga ik naar boven. De avonden breng ik op mijn werkkamer door. Daar staan mijn boeken, de pick-up en mijn bureau. Ik lees wat en denk na. Dan komt de nacht. En die komt met geluiden.
De nacht heeft in mijn ogen nog altijd iets van die onrustige wereld die kinderen zo vrezen en toch graag willen leren kennen: de wereld van de poppen die aan het dansen gaan, van stemmen op straat en plotseling gezang; maar vooral van allerlei geluiden die verontrusten omdat geluiden nooit alleen komen. Dan lig ik op bed, stijf als een plank. Ik slaap niet, maar ik luister; en droom met open ogen.
Wanneer is dat begonnen?
Op een dag begon ik hardop in mezelf te praten. ‘Zo,’ hoorde ik zeggen, ‘en dan nu nog even naar de drogist voor een doosje Biotex.’ ‘Is daar iemand?’ zei ik vlug daar bovenop om mezelf iets wijs te maken. Maar ik kon mijn eigen stem niet overstemmen en vanaf dat moment is het begonnen. O nee, geen stemmen, niet dat ik stemmen hoor. Eerder lijkt het op een... ja wat? een aanwezigheid?
Soms geloof ik mijn eigen oren niet. ‘Het is de nacht,’ houd ik mezelf dan voor. Ik luister en ik weet precies te zeggen wat ik hoor: Het is het tikken van de verwarmingsbuizen; het druppelen van de kraan. Ik hoor de trap kraken; ik hoor de wind, de klok, de wc van de buren, stemmen op straat, het dichtslaan van een voordeur aan de overkant. Wat helpt het me dat ik het weet? Ik sta weleens op om te kijken. ‘Is daar iemand?’ vraag ik beleefd en tegen beter weten in voor ik de huiskamer binnenga. Of ik loop zingend de trap op. Wat bezielt me eigenlijk? Gisternacht heb ik bijna een uur in de gang staan kijken, afwisselend naar de kale treden van de trap en naar een streep licht onder de voordeur. Wat verwachtte ik? Ach, had ik maar een grote gele bloem onder die deur door naar binnen zien schuiven; of een kanjer van een konijn, bij voorbeeld een helemaal witte Vlaamse reus, die trap af zien hippen.
Gisteravond kreeg ik bezoek. Juist toen ik aan mijn werktafel was gaan zitten om de post eens door te nemen. Het liep tegen acht uur en het waaide flink buiten. De ramen rammelden. Ik betreurde het dat ik er nog niet toe gekomen was de klimop, die onderhand de halve voorgevel in beslag nam, drastisch te snoeien. De vele uitlopers tikten venijnig tegen de ruit alsof ze erom vroegen binnengelaten te worden. Op de plaats waar de stang die de beide raamhelften in bedwang moet houden in de sponning valt, was het houtwerk al behoorlijk ontwricht. Bezorgd luisterde ik naar het weerbericht. ‘In de loop van de nacht toenemend tot windkracht acht,’ herhaalde ik. ‘Het is beter dat ik de vensterbank ontruim. En ik moet de tafel een eindje van het raam schuiven.’ De bel ging. En nogmaals. Ik liep de gang in en trok aan het touw bij de trapleuning. Een lichtblauwe regenjas, een rode paraplu, ‘Ik kom...,’ de rest verstond ik niet. Omdat ik wat te hard aan het touw getrokken had, sloeg de deur tegen de muur en meteen daarop weer terug in het slot. Ik trok opnieuw, hetzelfde tafereel.
‘Doe die deur dicht,’ schreeuwde ik naar beneden. Door het getuter van een boze of dronken automobilist hoorde de vrouw die nu de trap op begon te komen niet wat ik haar te verstaan had willen geven. ‘Deur dicht, deur dicht,’ riep ik. Toen ze bijna boven was sloeg de voordeur terug in het slot met een dreun. Achter me hoorde ik een felle klap en de deur van mijn werkkamer vloog open. Ik haastte me die kamer in en wat te vrezen viel was ook gebeurd. De ramen. Aarde, water, scherven en geknakte planten op de grond en over de papieren op mijn werktafel. Vlug sloot ik de ramen. Het ergste nat depte ik op met een handdoek en papieren zakdoekjes.
‘Wat een ravage.’ De vrouw. Ze stond met haar handen in haar zij naast me.
‘Zeg dat,’ zei ik. Ik bekeek haar van opzij. Ze had haar jas uitgedaan. Waar rook ze naar? Ze rook onfris. ‘Waar is uw jas?’ vroeg ik.
‘Die heb ik over de knop van de trapleuning gehangen als dat goed is.’ Terwijl ze sprak haalde ze de telefoon die op de tafel stond naar zich toe en pakte een verdroogde wesp en een paar afgebrande lucifers uit de draaischijf. Een gevoel van vergeefsheid overviel me. En wat was dat getik? Tik, tik, tikketikketikke, tik. Ergens in huis. Of was het op straat? Bij harde windvlagen klonk het sneller, harder, soms viel het even weg.
‘Wat is dat getik mevrouw? Hoort u dat? Tikketikketikke. Heeft u soms iets bij u dat tikt?’
De vrouw hield haar hoofd even schuin en wist het meteen. ‘De klimop. Ik zag het al vanaf de straat. Die groeit bijna uw huis binnen.’ Ze lachte geluidloos, tegelijkertijd stak ze mij haar hand toe. ‘Mevrouw Stouthamer van het instituut. Ik kom voor het interview.’
‘Instituut? Interview?’
‘Nou ja, “gesprek” eigenlijk. Weet u nog, over langdurige werkloosheid. Twee maanden geleden met u afgesproken.’ Ze wees naar een blauwe enveloppe die, deels bedekt met potaarde, onder de tafel lag. ‘Misschien dat u het formulier met de standaardvragen opnieuw wilt invullen? Ik heb wel een schoon setje voor u.’ Ze wilde naar haar aktentas lopen die ze midden op de vloer had gezet.
‘Laat u maar,’ zei ik. Ik liep naar het raam en begon aan de kruk van de spanjolet te morrelen. De holte was te ruim. Terwijl ik de stang opnieuw klemvast probeerde te krijgen met behulp van papieren zakdoekjes, dacht ik na. Het gesprek. De standaardvragen. Het instituut. Wanneer ik haar liet blijven en toestond de aktentas te openen zou ambtelijke vreemdheid om me heen komen en daarna kon het zich door het hele huis verspreiden. Haar woorden, haar geur, haar vragen, haar adviezen zouden me nog dagen tegemoet treden en op momenten dat ik liever aan iets anders dacht. Ik liep naar haar toe en keek haar streng aan. ‘U ruikt naar natte hond.’
‘Pardon?’ Ze deed een stapje achteruit.
‘Ik vroeg, “Heeft u soms een hond?” ’
‘Twee,’ haar stem klonk onzeker. ‘Twee,’ zei ze weer. ‘Ze zitten allebei in de auto op me te wachten.’
‘Te wachten,’ zei ik, ‘maar dat is helemaal niet nodig. Kom, we gaan naar beneden.’
‘Mag ik even van het toilet gebruik maken?’ Ik knikte. Terwijl de vrouw op het toilet bezig was, pakte ik haar tas op en ik sloot de deur van mijn werkkamer. Ik nam haar regenjas van de knop en liep ermee naar beneden. De wc werd doorgetrokken.
‘Hier,’ riep ik. ‘In het halletje, beneden.’ De vrouw stapte kordaat de trap af. ‘Weet u wat het is,’ zei ik toen ze eenmaal naast me in het halletje stond, ‘ik denk dat u bij het verkeerde adres terechtgekomen bent.’
‘Zeker niet.’ Ze sprak op effen toon en bukte zich om haar agenda uit haar tas te halen. ‘Ik heb uw naam en adres in mijn agenda staan.’
‘U kunt mijn naam en adres ook wel zonder mijn toestemming in uw agenda hebben gezet.’ De vrouw keek me ongelovig aan en zweeg. Het getik begon weer. Ik luisterde ingespannen. Het leek van dichtbij te komen.
‘Hoort u dat getik nou niet? Dat is de wingerd niet. Wat is dat toch?’ Dit keer luisterde de vrouw aandachtig mee. Ze knikte zelfs met haar hoofd op de maat van het getik.
‘O, dat zijn de draden,’ zei ze toen. ‘Staat er soms een lantaarnpaal voor uw huis? Dat zijn de draden in het binnenste van een lantaarnpaal.’
‘Och ja, gewoon de draden ja, dank u wel.’ De draden in het binnenste van een lantaarnpaal, dacht ik bij mezelf. Dat zoiets bestaat. Ik gaf haar haar regenjas in de hand en praatte verder. ‘Het lijkt me heerlijk om te weten dat er enkele tientallen meters verderop twee wezens, als zijn het dan twee honden, op je zitten te wachten. Ik kan me heel goed indenken dat mensen honden nemen. Dierenliefde, dat is iets moois.’ Wat ik zei klonk nogal zwaar. Waarschijnlijk ook omdat ik de lichten in de gang en het trappenhuis voor alle duidelijkheid had uitgedaan. Het beetje licht dat er wel was, kwam van de lantaarnpaal voor mijn huis en bescheen alleen het halletje. Ik keek naar de gele schijnsels die door de matglazen ruitjes in de voordeur op de kapstok achter de rug van de vrouw vielen. Terwijl ze met rukkerige gebaren haar jas aantrok, gooide ze mijn jas op de grond. Dat merkte ze niet. Het lege kleerhangertje bewoog geluidloos heen en weer en ving af en toe een gele vlek.
‘t ‘Het spijt me,’ zei ik en ik opende de voordeur.
‘U moet het zelf weten,’ antwoordde ze koeltjes.
Toen ze eenmaal weggereden was ontdekte ik haar rode paraplu in de paraplubak. ‘Die komt ze straks natuurlijk terughalen,’ fluisterde ik. ‘Ik had haar niet binnen moeten laten. Maar toen ze eenmaal binnen was had ik haar niet ongastvrij mogen behandelen.’
De rest van de avond zat ik te wachten op de terugkomst van de vrouw. Op mijn uitnodiging het gesprek alsnog te laten doorgaan zou ze zeker ingaan. In gedachten voerde ik al een lang gesprek met haar.
De vragen die zo iemand stellen kan.
Werkt uw man?
Ik heb geen man.
Kunt u mij uw dagindeling schetsen?
Ach mevrouw, u weet niet waar u over praat. Ze keek me niet-begrijpend aan en zette een streep op het papier. Heeft u hobbies? Ik kon van wal steken:
Kijken, luisteren en nadenken mevrouw. En vooral dat laatste. Het klinkt gek, maar als ik maar éen ding zou mogen noemen zou ik zeggen, nadenken. Al moet ik eraan toevoegen, ik kan niet eens besluiten ermee op te houden. Met echte hobbies, zoals lezen, postzegels verzamelen of wandelen kan dat natuurlijk wel. Maar ik móet, begrijpt u, ik móet nadenken. Zolang ik leef gaan er gedachten door mijn hoofd en over die gedachten moet ik nadenken. Begrijpt u? De vrouw knikte en ging van verlegenheid zeer scheef op haar stoel zitten.
Toen ik nog werkte en nergens tijd voor had, deed ik bijna alles automatisch. Koffie zetten, telefoneren, tanden poetsen, een boterham eten, mensen ontvangen, formulieren invullen, noem maar op. Nu ik alle tijd van de wereld heb, gaat dat niet meer. Zelfs bij het lopen denk ik na. Ik voel me over straat gaan. Kent u dat? Elke stap heeft iets wonderlijks. Het verbaast me dat mijn lichaam zwaarte heeft, plaats inneemt. Het verbaast me dat mijn voeten weten wat ze moeten doen. Gek dat ik niet ineens stilsta. Ja, dat denk ik wel eens. Het eigenaardige is dat ik dan wel eens vanzelf stilsta. Wat maakt het uit, denk ik dan, of ik nu naar voren loop of stilsta. Wie weet kom ik op zo’n manier nog eens in mijn tweede ik terecht. Dat zou wel een bevrijding zijn. Zeker ja, het is maar een gedachte. Nee, nee, denkt u dat niet, het is alleen maar een gedachte. Ach, weet u, gedachten op zich zijn misschien wel spoken. Je ziet ze niet, ze komen op — plotseling - en verdwijnen weer - plotseling. Maakt u dat ook wel mee? Dat bepaalde gedachten er zo ineens kunnen zijn? Ook gedachten die je verstand verwerpen wil. Net spinnetjes zijn het, spinnetjes die zich vlak voor je, van onbekende hoogten, op het blad van je tafel laten vallen. Of ze zijn ineens op de neus van je schoen komen zitten. Wilt u koffie? De vrouw trok aan haar oor en ging verzitten. Koffie zou ze zeker willen. Ik ging naar de keuken en zette koffie. Gebruikt u suiker? riep ik vanuit de keuken. Geen antwoord. Ik nam de suikerpot uit de kast en mijn oog viel op de broodtrommel. Een boterham met pindakaas erbij? riep ik, iets te hard, harder in ieder geval dan mijn bedoeling was.
‘Graag,’ hoorde ik. En schrok. ‘Graag.’ Mijn eigen stem? Graag. Graag. Het woord was als een biddend vogeltje boven mijn hoofd komen hangen, het stierf niet weg. Ik legde mijn handen op mijn hoofd en liep snel de keuken uit, de gang in. Bij de voordeur lag mijn jas op de grond. En de rode paraplu stond er nog. ‘Logisch,’ zei ik. ‘Wat had je dan gedacht?’ Het waaide nog steeds, maar het regende niet meer. Lange tijd bleef ik in het halletje staan. Ik staarde naar de gele vlekken op de kapstok terwijl ik ingespannen luisterde naar het getik in het binnenste van de lantaarnpaal voor mijn huis.