Met leedwezen
Toen ik naar de vijfde ging, ging Agnes naar de middelbare school. Dat zij ouder was dan ik had ik tot dan toe aanvaard zoals je regen, wind en zonneschijn aanvaardt. Vaak mopperend, soms welgemoed droeg ik haar rokken, jassen, broeken af; ik liep haar schoenen verder uit en fietste op haar fiets met doortraptrappers. Zo liep zij als het ware in mij door. En al kon ze mij niet zien als haar gelijke, haar geheimen had ik altijd mogen weten. Ineens niet meer.
‘Ik ben o..., daar weet jij niets van.’
‘Ongesteld zul je bedoelen,’ speelde ik ferm terug. Maar met een gekwelde uitdrukking op haar gezicht wendde ze zich van me af. Ze had een nachtjapon en een beha gekregen en voortaan was ze groot en vrouw; al kon ze niet besluiten welke. Ballerina. Of iemands verloofde. Of een sjieke dame van weleer.
Nog zie ik haar in onze slaapkamer, rillend in haar ondergoed. De nieuwe brushed nylon nachtjapon ligt als een dame die zojuist is flauwgevallen uitgevouwen op haar bed. Agnes knielt eerbiedig neer en laat haar armen langzaam in de mouwen glijden.
‘Hoe vind je ’m?’ Ze heeft het licht uitgedaan en de gordijnen opengetrokken om mij in het schijnsel van de maan haar flauwe rondingen te laten bewonderen.
‘Moet die beha niet uit nu?’
‘Hoe vind je ’m?’ Ze vouwt haar beide handen in de nek.
‘Mooi,’ zeg ik, ‘mooie pon.’
‘Echt?’
‘Ja echt.’
Ze maakt een ronde arm en plaatst de vingertoppen van haar rechterhand op de rechterheup; het naar voren geplaatste linkerbeen balanceert nuffig op de punt van haar grote teen. ‘Nonchalance,’ improviseert ze fluisterend, ‘Nonchalance, als op wieken gedragen... Eerlijk zeggen.’
‘Ja echt,’ zeg ik beleefd. ‘Je lijkt wel een filmster of iemand van de Castella-zeep.’ Maar ik ben jaloers. Ik zou nooit zo in het maanlicht kunnen staan; ik niet in mijn met rode sterretjes en gele speelgoedbeertjes bedrukte pyjama-tje.
Net als Agnes hield ik van verkleedpartijen. Sinds ik was gedegradeerd tot bewonderend publiek deed ik alleen nog plichtmatig mee. Maar hoe verrast was ik toen Agnes mij op het familiefeest ter ere van de zeventigste verjaardag van onze grootmoeder met een plotseling beroep op vroegere saamhorigheid meetroonde naar de zolder, omdat ze daar iets heel bijzonders had gevonden.
‘Pak ’es.’ Ze wees naar een stel zitting op zitting opgeslagen stoelen. Ik pakte er twee tussenuit en stootte daarbij tegen de poten van andere stoelen, de stellage wankelde, bleef toch staan. Een schoenendoos vol oude foto’s op Agnes’ schoot.
‘Dit zijn tante Leonie en oom Louis op hun verloving. Moet je zien, die bloes.’ Tante Leonie - hooggesloten bloes — schonk oom Louis — driedelig pak - een glimlach; hij zag het niet, hij tuurde in de lens.
‘En dit is tante Amalia. Die is al heel lang dood. Tante Amalia was de zus van grootmoeder. Wist je dat?’ Ik schudde van nee. ‘En kijk, ja hier, hier heb ik ’m. Dit is onze oom Gérard vlak voor zijn dood. Kijk, die oren. Je kunt wel zien dat het familie van je is. Als iemand doodgaat moet je zeggen “met leedwezen”, wist je dat?’ Ik zag een foto van een kleine jongen in een soort matrozenpak. Hij zat op een witte pony. Je zag direct dat de uitgebeelde situatie speciaal voor het maken van die foto was geënsceneerd.
De witte pony geen hobbelpaard, een levende leek onecht tussen het met wilde bloemen beschilderde kamerscherm en de twee porseleinen potten met palmen. De jongen had holle, bedroefde ogen en flaporen. Hij droeg een gekke muts en had een rijzweepje in zijn hand. Dat zo’n kereltje familie was geweest.
‘En toch gewoon een oom.’ Agnes begon op fluistertoon. ‘De oudste broer van pa en oom Louis. Hij is toen doodgegaan, aan tbc. Erg hè, hij was pas tien. Erg hè, voor grootmoeder en oom Louis?’
‘En niet voor pa?’
‘Voor pa natuurlijk ook,’ gaf Agnes toe, ‘maar die is zelf al ziek.’
Ik plukte aan de blote rand van mijn oor en zweeg. Ik vroeg me af of erge dingen minder werden als je er al heel wat had en waarom Agnes mij confronteerde met het portret en de dood van deze mij tot op die middag onbekende oom Gérard. Aan tbc, wel erg. Een broer nog wel van pa en oom Louis, die doodleuk beneden zaten.
‘Hoe weet jij dat dan allemaal?’
‘Van grootmoeder, van toen ik hier logeerde.’
Terwijl Agnes in de doos rommelde en af en toe een foto in de hoogte stak, luisterde ik naar de geluiden die van beneden kwamen. Het sonore gebrom van vele stemmen tegelijk. Afwasgeluiden vanuit de keuken. Een vuilnisbak sloeg dicht. De bel. De voordeur. En welkom, welkom heten. Afgezonderd klonk het, alsof wat zich daar beneden afspeelde lang geleden was gebeurd en nu werd herhaald; of uitgezonden, een hoorspel op de radio. Ik bekeek de dingen in de schemerige ruimte. Staande lamp zonder kap. Vogelkooi. Kasten, kastjes, dozen. Vlak naast ons stond een houten kinderbedje volgestouwd met oude jaargangen van De Engelbewaarder, Taptoe. En Prismaatjes, Bigglesboekjes, Pieter Bas en Ellen op ballet. Ellen op ballet, dat boekje had ik zelf ook. Op de vloer lagen allerhande kleden, matjes en stukken vloerbedekking. De wijze waarop de dingen daar bijeen waren maakte me bedroefd en lusteloos. Waarom leven en je best doen,je schoenen poetsen, redactiesommen maken, aardrijkskunde — löss in Limburg, geestgronden in het Westland - als alles toch uiteindelijk kapot moest gaan? Of dood? En als de boekjes die ik van mijn eigen zakgeld had gekocht gewoon maar op de zolder van grootmoeder lagen? Zonde. Alles zou uiteindelijk tot stof vergaan. ‘Uit stof zijt gij geboren en tot stof zult gij vergaan,’ zo stond dat in mijn catechismus; of iemand uit de bijbel had dat gezegd. Alleen de ziel bleef voortbestaan. Maar kon je dan ook zelf weten dat het je eigen ziel was die in het hiernamaals voortbestond? Hiernamaals. Hiernamaals. Alles nog een keer, alleen veel langzamer. En het heelal hield nergens op. Niks. Lucht.
‘De ziel is een vogel,’ zei ik tegen Agnes, ‘de rest is stof. Vogels zijn gestorven zielen. Wist je dat?’ Beneden rinkelde de telefoon. Agnes zette de doos op de grond en ging voor me staan.
‘Hoe oud ben je nu?’ vroeg ze op een tantetoon.
‘Tien, weet je best.’ Pfffff. We keken beiden naar de deuk in de zitting van Agnes’ stoel.
‘Hun zielen leven nog,’ zei Agnes, ‘de rest is stof.’ Ze wees op een grote spiegelkast aan de andere kant van de zolder. ‘Nu grootmoeder haar kroonjaar viert, moeten wij degenen herdenken die haar na aan het hart lagen.’ Pft. De zitting stond weer bol. ‘Dat is onze plicht als familieleden. Wist je dat? In de geest zijn ook de doden op bezoek. Heden.’
‘Doe niet zo gek.’
‘Ik doe niet gek. Wij moeten ze doen herleven. De laatste eer bewijzen. In de geest natuurlijk. Dat is onze taak.’ Ze was zeer opgewonden, en druk pratend trok ze me mee naar de spiegelkast. Niet precies dezelfde als die op de foto’s, maar wel kleren uit die tijd had ze in die kast gevonden. En oom Gérard was op die foto net zo oud als ik nu. Dat was een teken. Een teken dat contact nu mogelijk was. En bovendien, ik had net zulke oren.
Voor ik kon besluiten of ik al dan niet boos zou worden vanwege die oren, had ze een van de kastdeuren geopend en er een stapel kleren uit genomen. Ze gaf ze me éen voor éen in de hand en somde op. ‘Kousen, de broek, het jasje, hemd, de baret.’ Ik kon me niet indenken dat wij die spullen zo maar uit hun doen mochten halen.
‘Zullen we het eerst beneden vragen?’
‘Dan is het geen verrassing meer,’ zei Agnes. ‘Kijk...’ Ze knipte een lampje aan en hield een ronde bruine doos in de lichtbundel. ‘De hoed van tante Amalia.’ Ze haalde een grote dameshoed uit de doos en hield die met gestrekte armen in de hoogte. ‘En nu tuigen wij ons op.’
‘Maar oom Gérard en tante Amalia zijn dood. Grootmoeder krijgt het als ze ons in deze kleren ziet.’
‘Wil je niet, mij best.’ Agnes deed de hoed weer in de doos.
‘Het is om grootmoeder, niet dat ik het op zich niet wil.’ Agnes keek mij peinzend aan en opende de doos opnieuw. Het schijnsel van de lamp viel van opzij. Ze keek verlangend naar de lange, spitstoelopende veer, trots omhooggericht en steeds in beweging, zo licht. Om aan mijn bezwaren tegemoet te komen stelde ze voor stiekem het huis uit te sluipen.
‘En dan?’
‘Nou gewoon... op straat.’
‘Maar dan missen we de broodjes.’
‘Welnee. Er zijn er toch te veel.’
De gedachte dat zij als de rijke en nogal bazige tante Amalia met het brave neelje Gérard door de stad kon flaneren, trok haar zo aan, dat ze er zonder aarzelen overheen stapte dat wij op deze manier onze heilige familieplicht tegenover grootmoeder zeer onnauwkeurig uitvoerden. Ik wilde Agnes niet voor het hoofd stoten, zo blij was ik met haar hernieuwde belangstelling voor mij.
‘Goed dan.’
‘Ik begin,’ bedisselde zij meteen. ‘Niet kijken. Voor jou moet het ook een soort verrassing zijn. En daarna kleed ik jou aan.’
Het duurde nogal lang voor Agnes riep dat ik me om mocht draaien.
‘Zeg maar “dag tante Amalia”.’ Ze torende met kop en schouders boven me uit. Verbluft keek ik naar de grote bordeauxrode hoed en naar het jakje met de voorbij kin en kaaklijn opkrullende kraag, die als een kommetje waarin een kostbaar voorwerp ligt, haar hoofd omvatte. Maar vooral was daar die hoed. Mijn bewonderende blikken gleden langs dc sierlijk neerwaarts gerichte rand die de rechterhelft van haar gezicht beschaduwde; aan de linkerkant liet de rondgebogen en omhooggerichte rand ogen, oren en wangen helemaal vrij.
‘Nou jij.’
Het scheen bij ons optreden te horen dat ze mij behandelde als een kleine jongen. ‘Inpiepen. Omdraaien. Even stokstijf stilstaan. Goed zo kerel. Klaar.’ Ze legde haar handen op mijn schouders en draaide me naar mijn spiegelbeeld. Ik schrok en kneep mijn ogen dicht.
‘Mijn God, Gérard, wat bezielt je?‘ Agnes bediende zich nu van een hese tante Amalia-stem. Ik probeerde het opnieuw, van beneden af naar boven. Donkerblauwe broek tot aan de knieën, mouwen van matrozenjasje, poffend tot iets voorbij de ellebogen, van daar af lange smalle manchetten. De witte kraag met blauwe bies bedekte mijn schouderbladen en was daar recht en vierkant; over de schouders heen ging het over in schuin toelopende revers aan loshangende voorpanden. Maar dit alles viel in het niet bij de kroon op het complet, de baret. Een koeievla leek het wel, een misprodukt was het. Mijn inderdaad niet al te kleine oren stonden bloot en vraagtekenachtig onder de knellende band. De huid langs de haarlijn trok verschrikkelijk, waardoor ik het gevoel had te zijn opgesloten achter mijn gezicht.
‘Zo ga ik niet op straat.’
‘Durf je niet. Wat flauw. Het is toch maar een spelletje. Stel je niet zo kinderachtig aan.’
Gelukkig was het niet onze eigen buurt. We liepen in de middagdrukte van de Fahrenheitstraat en tante Amalia stapte opgewekt hooghartig naast me voort. Ze had er absoluut geen moeite mee zo a la iemand anders in het openbaar te treden. Ze acteerde. Alleen al die hoofdbewegingen; overdreven als van trotse vogels. Voortstappend tillen ze hun kop uit de kom, kijken reikhalzend rond, duiken weer terug. Ja, tante Amalia was echt in het net-echte. Om de haverklap kreeg ik een reprimande. Dan stond ze met stijf naar mij toegenegen bovenlijf en opgeheven wijsvinger tegen me te praten. Of ze bracht mijn kleren op orde met gebaartjes vanuit geknakte polsen en vingers als pincetten. Wat keken de mensen dan. En wat keken ze vooral naar mij. Kon ik maar een ander lijken, net als Agnes, kon ik mijn gezicht maar sluiten. Het was duidelijk te zien dat ik niet a la kon zijn. Degene die ik was stak door mijn kleding heen als binnenwerk door overtrek. Een jongetje met een Bata-ballon in zijn hand naderde ons aan de hand van zijn moeder. Van een afstand al begon hij te zingen.
‘Aapje wou eens lollig zijn,
beet in de billen van de kapitein,
de kapitein werd boos...’
Bij ‘boos’ passeerde hij ons en in het voorbijgaan gaf hij me een peut in de zij. Een kind, een kleutertje.
‘We gaan terug,’ zei ik. ‘Ik vind er niets meer aan en ik heb honger.’ Ik draaide me om. Tante sputterde niet tegen. De Bata-ballon deinde voor ons uit. Dat hele stuk weer terug.
Toen gebeurde er iets merkwaardigs.
Eerst had ik de gewaarwording dat ik binnen enkele seconden los zou komen van mijn lichaam. Ik zou daaruit stappen als uit een huls, een overbodig ding. Wat kon het mij dan schelen dat ik het was - ik, kind met gek pakje en gek petje - die daar ging. Ik? Het kon net zo goed een ander zijn.
Maar dit gebeurde toch niet. Nee, ik begon van vorm te veranderen. Het stuk romp tussen taille en schouders leek toe te nemen en zwaarder te worden. Loodzwaar. Mijn hoofd daarentegen stond licht en langwerpig als een papieren boterhammenzakje op mijn schouders. Om niet onder het gewicht van mijn romp te bezwijken plaatste ik mijn voeten naast elkaar en ik liep niet meer, maar sprong. Ik sprong met twee voeten tegelijk en zo ver mogelijk vooruit.
‘Laat dat,’ siste tante Amalia. ‘Je bederft het hele effect.’ Het verbaasde me dat tante helemaal niet scheen te merken dat zich aan mij ingrijpende veranderingen voltrokken. De greep van haar hand om de mijne verstevigde en hoewel ik ermee doorging me springend te verplaatsen, probeerde ze in hetzelfde tempo en met dezelfde hoofdbewegingen door te wandelen. Onder mijn voeten kantelde de stoep. Ik werd misselijk en allerlei gedachten tolden door mijn hoofd. Dat ik honger had. Dat de geest van het verleden elk moment in mij kon varen. Ik probeerde me los te wringen. Dat lukte niet. Ik keek naar de witte knokkels van haar handen.
‘Laat me los idioot.’ Ze kneep. Ze was een feeks geworden, een vreselijk tante Amalia-mens. Ik zweette binnen mijn baret, de harde rand stond als een hekje op mijn hoofd. Stel dat kinderen van mijn klas hier liepen en mij zagen.
‘Kijk eens wie daar is? Daar is oom Louis op de fiets van grootmoeder. Wat rijdt hij langzaam. Pas op, hij kijkt. Kijk in de winkelruit.’ Agnes had weer haar gewone stem. We keken in de winkelruit. Een grote witte kinderwagen sneed door ons heen. Mijn benen waren slap als onderwaterbenen. Ik zag nog hoe oom Louis met de fiets van grootmoeder aan zijn hand op ons toeliep en wijzend op mij tegen Agnes begon uit varen. Agnes liet mij los. Of wij gek geworden waren. Wat ons eigenlijk bezielde om zo over straat te gaan. Ze hadden ons overal gezocht. Ik had hem nog nooit boos gehoord.
‘Het is maar een spelletje oom Louis, gewoon maar een spelletje. Een verrassing voor grootmoeders verjaardag,’ zei Agnes. Ik bezag de korrelige structuur van de stoeptegels en hoorde ver weg de stemmen van Agnes en oom Louis. Iemand legde een koude hand of een stuk metaal op mijn nek.
‘Met leedwezen,’ zei ik. En ik ging languit op de grond voor lijk liggen.