Plechtige gebaren

 

 

De dag brak aan dat ik mijn plechtige communie moest doen. Om de geloofsredenen sprak dit feest niet aan. Op school werd er nauwelijks aandacht aan besteed, behalve dan dat wij op een middag, ongeveer een week tevoren, vragen hadden mogen stellen aan een kapelaan van de parochiekerk. Hij had grote voortanden en sliste.

‘Wat is een verheerlijkt lichaam, meneer de kapelaan?’ ‘Wat betekent goedertieren?’ ‘Wat Maria Heilig Vat?’ De antwoorden konden wij niet verstaan. We hoefden niet na schooltijd nog eens naar de kerk om het aan komen lopen, het de hand opheffen, het met heldere stem uitspreken van de woorden ‘Credo volo’ te oefenen. ‘Credo volo’ schreef hij op het bord toen wij niets meer te vragen hadden, ‘Ik geloof. We knikten. Dat wisten we al. Hij ging. Een buitenlander die de taal niet spreekt.

De voorbereidingen thuis betroffen kwesties die ook op bijzondere verjaardagen aan de orde kwamen. Wie eten er mee? Wat moeten we aan?

Geloven was misschien alleen een kwestie van fatsoen.

 

Het moet zo’n zondagochtend zijn geweest in mei, waarop je - hoe vroeg ook wakker — bij het eerste kijken denkt: de zon, het is al bezig. De tuinen van de buren lagen erbij als keurig opgemaakte schotels waarvan voorlopig niet gegeten wordt, kleurrijk afgebiesd de randen; geen mens, alleen de vogels. Binnenshuis de rust van kijkdozen; de gloed van licht op de gesloten gordijnen. Het was het uur van eerbied voor de meubels en de voorwerpen.

Het gevoel iets kostbaars aan te spreken vergezelde me toen ik in mijn nieuwe jurk met grote witte kraag naar beneden ging om bij de spiegel in de keuken mijn toilet te vervolmaken. Terwijl ik de treden afstapte - zeer behoedzaam met mijn lange dunne benen in Jovanda-nylons — beeldde ik me in de bruid te zijn. Een haag van aandacht in de jassen op de overloop; er staan bekenden tussen, maar die kan ik nu niet groeten, mijn ogen zijn gericht op het wachtende gezelschap onderaan de trap.

In plaats van de keukendeur opende ik de deur van de huiskamer. Donkere en lichte banen in de zware velours gordijnen vanwege de inwerking van het zonlicht; hier en daar mottegaatjes, het daglicht pinkte er fel doorheen. Het kwam zelden voor dat ik in de gelegenheid was alleen in de huiskamer te zijn en de keren dat het wel zo was begon zich binnen in me iets te roeren dat ik nauwelijks beheersen kon. Mijn hoofd werd eerst licht en ruim, alsof er daar een koele wind opstak. Direct daarop begon mijn hart zeer snel te kloppen en in mijn keel kwam iets diks opzetten, iets weekdierachtigs, dat zich met moeite weg liet slikken: nieuwsgierigheid. Mijn blik gleed naar de la van het buffet. Dé la. Elk huis heeft zulke plekken - het onze had er bijzonder veel —, de volwassenen bewaren er hun privé-dingen. Vaste plekken zijn het. Soms zijn het voorwerpen die af en toe - toch opvallend weinig - van plaats verwisselen. O, zoveel. Laden en laatjes, blikken trommeltjes met ingedeukte dekseltjes — die bijzonder moeilijk opengingen — met afbeeldingen van jachtpartijen en portretjes van al eeuwen geleden overleden hertoginnen. Soms waren het gewone kartonnen sigarendoosjes, omwonden met overdreven veel elastiekjes. Er was de uiterste hoek van de kast onder het trapgat. Er waren de nachtkastjes in de ouderlijke slaapkamer, de linnenkast daar, en jaszakken, binnenzakken, handtassen. Het grootste deel van wat zich daarin bevond zou, kriskras door elkaar gegooid en op een grote tafel uitgespreid onder het volle licht van een 100 watt lamp, onmiddellijk die geur van heiligheid verliezen. Maar tijdens mijn jarenlange speurtocht naar het Iets, het geheim waarvan ik zeker wist dat het bestond, kwam ik ze elke keer weer tegen in hun aandoenlijke omwikkelingen. En omdat het nu wel vaststaat dat er voor de voorwerpen geen hemel is, ben ik blij dat ik ze in mijn herinnering bewaren mag. Ik zal ze niet noemen, nee, alleen misschien de twee zilveren manchetknopen op het lichtblauwe kussentje in het Ohropax-doosje; en het boek over de vruchtbare en de onvruchtbare dagen van de vrouw, methode Ogino Knauss; en het bijzonder grote korset, gemaakt van een vlezig soort rubber, touwtjes, palletjes en punaise-grote gaatjes voor het zweten. Lieve God, maak dat ik nooit van mijn leven een korset moet dragen.

In de la van het grote buffet in de huiskamer bewaarde mijn moeder zulke dingen als ingekomen brieven, haar portemonnee, het huishoudboekje. Ik nam de sleutel uit het tinnen vaasje op de schoorsteen en opende de la. Meteen had ik ’m, de brief die handelde over de schandalige praktijken van mijn peetoom, oom Louis, die leraar was en bijlessen gaf. Ha, ik wist het wel.

‘Zonder Louis komt Leonie er niet in. Die jaloerse kikker,’ mijn vader.

‘Wind je niet op, denk aan je hart,’ mijn moeder. Mijn vader was de tuin in gelopen met de brief in zijn hand. Hij zag mij zitten op de vuilnisemmer op het stoepje voor de keuken, waar ik mijn nagels zat te vijlen met een stukje schuurpapier. ‘Moet jij onderhand niet naar bed?’

De brief was gericht aan mijn vader en mijn moeder. Omdat ik al te haastig las, omdat het handschrift van tante Leonie veel weg had van een hevige regenbui op een kindertekening, maar zeker ook omdat de brief geen opening van zaken gaf waar het de concrete details rondom de schandalige praktijken zelf betrof, zat ik vijf minuten later met een hoofd vol onbevredigende wetenswaardigheden naar mijn spiegelbeeld te kijken. Op wie leek ik? Niet op mijn vader. Niet op mijn moeder. ‘Jou, jou hebben we gevonden op de Scheveningse weg, achter een boom, in een boodschappentas, en een gouden tientje in het zijvakje.’ Of: ‘Jij, jij bent de enige die in het ziekenhuis geboren is en het kan heel goed zijn dat ze jou verwisseld hebben.’ Grapjes waar ik nooit om gelachen had. Ooit, een hete zomerdag, een echte stranddag — maar ik mocht niet mee omdat ik iets had uitgehaald - was ik keihard gaan brullen op de gang. En terwijl de anderen met badtassen, handdoeken, tennisballen, snoepgoed en flessen Exota de straat opgingen, zette ik een wapen in waarvan ik niet gedacht had dat het zo effectief kon zijn.

‘Ik weet heus wel waarom jullie kwaad op mij zijn. Dat is omdat ik jullie kind niet ben.’

De deur van de huiskamer ging open en mijn vader kwam op de drempel staan, handen op de rug. ‘En van wie ben jij het kind dan wel?’

‘Ik ben het kind van oom Louis.’

Een brede grijns op het gezicht van mijn vader. ‘Gelukkig maar, dan blijf je toch familie van me. Ga jij dan nou maar naar het strand. Vlug, vlug.’ De deur weer dicht.

Oom Louis had een rode snor en ik had rode haren. Een frappante overeenkomst. Ik schoof mijn stoel wat dichter naar de spiegel en wikkelde mijn haren uit de rollers; ze zaten keurig in een krul, je kon er zo doorheen kijken.

‘Of wij komen is nog maar de vraag’ (regen, regen); ‘altijd die affaires,’ (regen, regen) ‘schoon genoeg van’; ‘de bijlessen geeft hij al niet meer thuis maar bij het schaap aan huis.’

Zou oom Louis verliefd zijn op een leerlinge? Goed mogelijk. Hij was best knap, die peetoom van mij. Ah, mijn eigen peetoom, die er vandaag toch zeker bij moest zijn.

Want waarom was je anders peetoom? En peettante ja, tante Leonie, die ook. De zon scheen op de ramen en zette de keuken in een rode gloed. Wel groot ineens, zo’n hoofd met krullen. Ik ging op de stoel staan om mijn benen te bekijken, koud om de enkels. Ik trok mijn jurk uit en mijn hemd. Helemaal plat was ik niet meer. Ik sloeg mijn armen over elkaar; wat schaduw in het midden. Buiten koerde een duif. Roe-koeoe-koe, roe-koeoe, hij maakte zijn zin niet af. Ik kleedde me weer aan en deed de gordijnen open. Een bak vol zonlicht viel de keuken binnen. De seringen stonden nog in volle bloei, maar het kostte al moeite enkele takken te vinden met trossen zonder roest.

 

Mis met drie heren. Een overvolle kerk. De meisjes bijna allemaal in nylons en op queenies; de jongens in grijze broeken en blauwe blazers. ‘Credo volo, credo volo, credo volo.’ Het meest nog leek het op een razendsnelle modeshow. Na de mis veel bezoek. Buren, ooms en tantes. Maar geen oom Louis en tante Leonie.

Koffie. Appeltaart rondbrengen. Nogmaals koffie. Nogmaals appeltaart.

‘Kind, wat ben jij gegroeid.’ Dat zegt ze altijd, tante Hans. Dit keer zei ze erbij, ‘Je wordt een hele dame’ en ‘Wat wil je later worden?’ Ik moest voor haar blijven staan. Terwijl ze in haar tas rommelde, frunnikte de buurvrouw aan mijn kraag, die afneembaar was, zodat mijn jurk op minder officiële dagen een zonnejurk kon zijn. Mijn moeder kreeg een complimentje voor haar knipkunst. ‘O, gewoon een raderpatroontje uit een oude Burda,’ zei mijn moeder. Complimentjes leken haar te beledigen. O, wat vreesde ik het cadeautje dat tante Hans te voorschijn zocht te brengen.

Tante Hans’ cadeautjes waren altijd mis. Ik kon verwachten: een opwindkikker, een houten puzzel met zeer grote stukken, voorstellend Hans en Grietje bij het huisje, een kleurboek. In haar ogen hadden kinderen één leeftijd, zeven. Goed mogelijk dat ze elke keer ook werkelijk verbaasd was dat wij groeiden. Ik keek naar haar brede schoot waarop ze de te volle tas had neergezet. Kon ze het niet vinden? Er zat een dikke laag poeder op haar neus, tijdens het zoeken braken er druppeltjes doorheen. Wie nam haar in bescherming? Oom Piet? Oom Piet, haar man, die anders nooit iets deed, behalve dan dat hij je handen heel lang vasthield, nam inderdaad de draad van het gesprek op. ‘Ja, wat wil je later worden, meid?’ Daar kwam het. Een wit pakje, wit met gouden dingetjes erop. Ik scheurde het vlug open, iets van plastic, ongelooflijk, weer een speelgoedding. ‘O, tante Hans, wat een komisch apparaatje, dank u wel hoor. Ik speel er tegenwoordig niet meer mee, maar ik spaar ze. Dat u dat wist. Even aan Agnes laten zien.’

‘Wat is het? Kom eens hier. Je hebt het niet eens helemaal uitgepakt.’ Agnes griste het pakje uit mijn handen. Jeetje, een Jezusje, een plastic Jezusje in een plastic kapelletje. Kijk, de deurtjes kunnen open en dicht. Open als de zon schijnt, dicht als het regent.’ Ze deed de deurtjes open en dicht en hield er spoedig eentje los in haar hand. Verdwaasd zat ik naar het ding te kijken dat tante Hans mij had geschonken. Er was ook een bidprentje bij, een kelk waaruit een kruis oprees, gouden stralen rondom het kruis. Op de achterkant stond geschreven: ‘Ter herinnering aan Uw Plechtige Communie. Oom Piet en tante Hans.’ Ze hadden zich uitgesloofd. Ik kon wel janken, Nee, ik jankte. Nu moest het erover gaan waarom ik jankte en ik kon niets bedenken, niets anders dan de reden.

‘Ik gelóóf helemaal niet in al die dingen van de kerk. Ik snap er gewoonweg niks van. Nooit heb ik het gesnapt.’ De belijdenis van mijn geloofscrisis werd gesmoord in nieuwe gebeurtenissen. Iemand riep vanuit de voorkamer.

‘Daar is oom Louis zonder tante Leonie.’ Mijn moeder duwde me een zakdoek in de hand en bekeek mijn gezicht vanachter de halve maantjes van haar brilleglazen.

‘Ga jij maar eerst eens naar boven om je gezicht te wassen.’

Ik waste mijn gezicht, haakte de kraag van mijn jurk en borstelde mijn haar. Maar daarna ging ik niet naar beneden om oom Louis te begroeten. Hij zou het te horen krijgen. Een vlug gesprek met mijn moeder in de gang: In tranen. Omdat ze er niets van snapte en nooit had gesnapt.

Wat een verrassing voor oom Louis. En spijt natuurlijk. Wel bijlessen geven aan vreemde meisjes van zijn school, maar zijn eigen petekind, nooit iets aan gedaan; alleen grapjasserige vragen, haren door de war maken, kneepjes in de neus. Nooit iets over het innerlijk, over het geestelijke leven.

Waar is ze? Ik ga wel even naar haar toe.

Naar boven, twee treden tegelijk, de trapleuning piepend onder zijn brede handen. Bij de deur een tweede verrassing. Dat ik geen kind meer ben, maar een jongedame met nylonkousen en een kapsel. Ik ging alvast bij het raam staan. Handen losjes op kouwelijk opgetrokken schouders. Vreemd dat het bedroefde gevoel alweer wegebde. Ik probeerde het terug te halen. Droevig-deftig stond ik bij het raam. Ik wachtte. Bijzondere dingen kon ik verwachten. Een lang en ernstig gesprek. Een hand over de mijne. Sigarenrook in de kamer. As op zijn vest. Maar het bleef stil op de trap. Van het lange stilstaan begonnen mijn schoenen te knellen en ik kreeg het koud. Juist op het moment dat mijn pose van bedroefde kouwelijkheid over wilde gaan naar een zekere vorm van natuurlijkheid, liet ik mijn schouders zakken. Ik schoof het raam omhoog. Onder de pruimeboom stonden mijn moeder en oom Louis met elkaar te praten. Oom Louis praatte druk en haalde veelvuldig zijn schouders op; mijn moeder knikte cn luisterde. Je kon zien dat ze hem in alles gelijk stond te geven: Vanzelf ja. Tuurlijk. Zou ik ook zeggen. Zou ik ook niet doen. Bijna ging ik voelen voor tante Leonie. Die tenminste helemaal niet kwam. Het raam met een klap weer naar beneden doen zodat ze daarvan opkeken? Was ik wel kwaad genoeg? Ik schopte mijn schoenen uit en ging op de vensterbank zitten. Kleine mensjes zo van bovenaf. Voorbeelden van mensen zoals die nou eenmaal op alle mogelijke zondagmiddagen in mei bij elkaar staan onder pruimebomen of gewone. En daar was het weer. Dat bepaalde idee over alledaagse dingen. Nee, geen idee, eerder een of andere gedachte zónder vaste vorm, als dat kon bestaan. Net of het allemaal al lang geleden was gebeurd en nu werd herhaald, herhaald of nageaapt. Met Agnes had ik het er wel eens over gehad. Dat er twee werelden bestaan. De eerste is de gewone, de tweede is een kopie daarvan, een kopie of een herhaling.

‘En soms is het te zien. Net of de tweede wereld even door die eerste steekt. En dan kan het je niets meer schelen, omdat het helemaal niet bij je past.’

‘Hoezo?’

‘Zoals ik het zeg. Alsof de eerste doof de tweede steekt. En alles laatje koud.’

‘Een kopie?’

‘Ja, een kopie of een herhaling. Je loopt daarin rond zoals in het museum — in de tweede dus hè. A Hes staat erbij alsof het wordt tentoongesteld. Nou laat m^ar. Je begrijpt het ofje begrijpt het niet.’

‘Ik begrijp het niet,’ zei Agnes, ‘je kletst uitje nek.’

‘Dan begrijp je het maar niet.’

 

Ik liep weg van het raam en ging op de rand van mijn bed zitten om mijn tenen te masseren. Terwijl ik mijn rechtervoet op mijn linkerknie legde en al over de nagel van mijn grote teen begon te wrijven, dwaalde mijn blik naar de uitgeschopte schoenen bij het open raam. En ik wist: dit heb ik eerder meegemaakt. Maar geen voorbeeld. En geen nageaapt iets. Precies was het, zo precies. Die schoenen, het wrijven, het open raam. Alleen miste ik het fundament waarop deze elementen van een of andere herinnering – een herinnering? - berustten; een plaats, een vloer, of misschien moest er een of ander woord zijn waarmee die hele scène zin en toon kon vinden. Nee. Ja. Het streek vluchtig langs mijn geheugen, eenzijdig; een kat die zijn vacht laat strelen door langs een stilstaand iets te lopen. Het zakte weer weg. In de hoop dat deze nauwelijks herkenbare gedachte zich meester wilde maken van het voorval dat daarin verwikkeld lag, bleef ik eerst roerloos zitten. Daarna nam ik nog eens mijn rechtervoet op mijn knie, wreef krachtiger en sneller dan de eerste keer het nylon van mijn kous over de harde nagel en keek intussen ingespannen naar de uitgeschopte schoenen bij het raam. Wat verwachtte ik daarvan? Dat het mijn schoenen en mijn kousen was gegeven — nieuwe kousen, nieuwe schoenen — een gedachte af te geven, krachtig genoeg om die slaapwandelaar in mijn geheugen wakker te roepen? Dat ik met de wrijvingswarmte die ik produceerde een vonk kon laten overspringen tussen de ene niet aangeklede gedachte en de andere? En wat als mij dat ook werkelijk was gelukt?