‘Rust wat’ kon het daar heten. Of ‘Old Dutch’. Werktuigen uit het landleven waren met smeedijzeren kettingen aan de wand bevestigd en rond de open haard blonk koper. Doofpot, beddepan, blaasbalg. Ik ging in de hoek van de eetzaal zitten en riep de ober. ‘Ober,’ riep ik. En daarna nogmaals omdat mijn stem te iel had geklonken en in boogjes en rondjes om m’n oren was blijven hangen. Geen ober, geen andere gasten.

Ik keek nog eens om me heen. Links van de schouw onderscheidde ik een jachtgeweer, rechts van de schouw een tweede. Met de loop schuin omhoog waren deze jachtgeweren opgehangen en door het snijpunt midden op de schoorsteen had zich een zwijnekop geboord. Maar niet alleen daar en niet alleen zwijnen. Ook edelherten en rendieren, hun koppen braken op allerlei plaatsen door het schrootjespaneel. Geen klok. Jawel. Lijm op de wijzers van de friese stoeltjesklok. Middaguur.

Op de tafel voor de mijne stond een kerststukje. Het dennegroen kwam ver over de rand van de pot en met breed uitgespreide takken; misschien om de kleine gipsen engel op te kunnen vangen die hoog in de boom van rode bessen en vrolijkheid op een trompetje blies en daarbij gevaarlijk achteroverhelde. ‘Ober,’ riep ik.

Op de tafel naast me stond zo’n zelfde stukje. Schuin links van me niet. Op de tafel daarnaast weer wel. Eén niet, éen wel, éen niet; alleen via de diagonale lijn ontweek ik deze landschapjes van rendiermos en gele en rode pepertjes in altijd-groen. ‘Kelner,’ probeerde ik nu met die vrije richting mee en ik herhaalde, ‘kelner.’ Dat was ook niets. Na een nuffig sprongetje lag het geluidje al plat op de grond.

Wanneer daar niet de prikkelende geur van verse koffie had gehangen, zou ik, denkend dat de boel gesloten was, al naar buiten zijn gelopen. Dat deed ik niet. Haast had ik niet. Maar met wie of wat kon ik me, wachtend op een kopje koffie en een broodje bezighouden? Met de dode ogen van een zwijn? Twee kerstballen hingen af van zijn linkeroor en in de schaduw van zijn respectabele muil zag ik een takje dennegroen. Mijn gedachten gingen uit naar degene die dit alles verzonnen en gemaakt kon hebben. Eén iemand moest dat zijn, want geen twee mensen te zamen zouden in staat zijn een zo aan het volmaakte grenzend evenwicht tot stand te brengen tussen dat wat elk voorwerp apart wil voorstellen en wat daar tegenin gaat, het bestrijdt en ontkracht.

Kon ik niet beter weggaan? Weggaan kon altijd nog. Ik bekeek m’n handen en geeuwde. ‘Ober,’ hikte ik, het kwam werktuiglijk. Geen geluid. Maar een tonvormige gestalte kwam me voor de geest en het leek erop dat hij werkelijk voor me stond. De huid van zijn gezicht was al onvast en maakte een uitgesproken ongezonde indruk, wit en meelachtig met kogelronde pukkeltjes erop. Erop, niet in de huid verwerkt maar er bovenop gezet, als spikkeltjes van klei, aangebracht op paddestoelen. Hij had zwart haar dat hoog was opgeschoren. Het niet weggeschoren deel van zijn kapsel lag, ingesmeerd met brillantine, als een dakje op zijn hoofd. Twee koolzwarte oogjes waaruit niets op te maken viel. Hij boog en staarde daarbij met die zwarte oogjes voor me langs uit het raam. ‘U wenst?’ Onder de kleine nogal puntige neus bewoog een grote accoladevormige snor die de indruk wekte opgeplakt te zijn. Rook ik al een geur van gebakken ei met spek?

‘Een uitsmijter,’ fluisterde ik en zon intussen op een tweede keus, zo onbescheiden kwam mijn wens me voor.

Ik moest even geslapen hebben, want m’n hoofd lag op de tafel toen ik eerst een scherpe fluittoon hoorde — een suis die van binnenuit op m’n trommelvliezen werkte - en daarna belletjesgerinkel en – getinkel. Ik keek op. De deur van het restaurant ging open met een zwaai. Een hele poespas van klokken en klokjes kwam in beweging met het openen van die deur. Ik kon me niet herinneren dat dit bij mijn binnenkomst ook het geval was geweest, maar het is denkbaar dat zulke klanken alleen bestemd zijn voor degenen die binnen zitten. Buiten immers zouden ze opgaan in het verkeerslawaai.

Een zakenman, groot en zwaar, maar onberispelijk gekleed, verwierf zich een plaats aan de stamtafel in het midden van de eetzaal. Een Samsonite koffer sprong open en de stukken lagen op tafel. Her en der gingen nu de lampen aan en uit de wanden kwamen vage melodieën: ‘I am drea-ming of a white Christmas’, daar doorheen een ander lied, dat ik niet kende. M’n oren liepen vol met aangelengd geluid en ‘ober’ riep ik er bovenuit in de hoop op succes nu er meerdere gegadigden waren. ‘Hallo,’ brulde de zakenman daar dwars doorheen en zonder op te zien van zijn papieren. En ja. Daar stond een kleine, zeer dikke man, armen en benen baanden zich moeizaam een weg uit een veel te compacte romp. Hij was daar als uit de grond te voorschijn geroepen en zag eruit zoals ik me hem had voorgesteld.

‘U wenst?’ De zakenman wenste koffie en een dubbele uitsmijter. Dat was mijn wens ook geweest. Zij het dan dat ik nu eerst iets fris’ wilde hebben. Tomatensap met peper en zout, of nee, tonic. Schweppes-tonic. ‘Ober.’ Maar de ober was alweer verdwenen achter een matrasachtige deur van zwarte skai. Ik richtte m’n blik op de deur die achter hem was dichtgeflapt, en zodra het gewicht daarboven in trilling werd gebracht, ging mijn'arm naar achteren, schepte de diepte in en ik kwam uit met een bijzonder energieke zwaai hoog boven het tafelblad: Schweppes. Een heldere, een klare Schweppes-zwaai was dat. Maar wist ik niet allang dat men eerst de blik van de ober moet vangen? Éérst de blik van de ober. Direct daarop — ogenschijnlijk tegelijkertijd - moet het armgebaar zich in zijn blikveld plaatsen. Snel moet dat. Met een zucht liet ik m’n arm weer zakken. Het had een razendsnel gebaar moeten zijn, maar ik was zonder na te denken met die arm begonnen en zo had ik de bal gemist. Ik bloosde van schaamte en bleef een tijdje met mijn handen in m’n schoot zitten. Op dat moment had ik weg moeten gaan. Wat hield me tegen? Stijfkoppigheid? Nieuwsgierigheid? Of verwachtte ik werkelijk dat de ober nu elk moment naar me toe kon komen, een diepe buiging zou maken en met een snor die trilde van dienstvaardigheid mij mijn bestelling zou bezorgen? Ik keek naar de man aan de grote ronde tafel. De stamtafel had hij uitgekozen, de enige die het patroon doorbrak van rechthoekige tafels waarop om en om kerstversieringen waren neergezet. Hij zat al van zijn uitsmijter te eten en keek daarnaast de stukken door. Honger had hij niet eens. Het nestje zilveruitjes bleef onaangeroerd in het groen en ik kon me niet voorstellen dat hij zijn portie rauwkost links liet liggen bij voorbeeld omdat hij het onverhoeds wegschieten van een der gladde ronde uitjes beschouwde als een risico. Welnee. Hij lette niet op zijn omgeving en scheen nauwelijks te merken dat zijn wensen steeds onmiddellijk na het uitspreken ervan werden vervuld. Toen hij klaar was schoof hij zijn bord ver van zich af naar de rand van de tafel. ‘Een sigaret,’ hoorde ik hem mompelen en uit de binnenzak van zijn colbert kwam het gewenste. ‘Een drankje,’ wat harder. Hij zocht vuur, klopte zijn zakken af en brulde zonder de komst van de ober af te wachten. ‘Geef me maar een borrel en een portie leverworst.’ De ober bracht hem het gevraagde goed. ‘Nog een.’ Het glaasje was al leeg en met een korte tik terug op het dienblaadje gezet nog voor de ober - die enigszins ceremonieel bediende - de kans had gekregen het schoteltje met de stukjes leverworst op zijn tafel te plaatsen, laat staan het glaasje. Ineens leek de man nog maar weinig tijd te hebben. Van de portie leverworst nam hij minder dan de helft. De tweede borrel was in éen slok op. Hij borg zijn papieren weg, legde het geld naast de asbak en ging de deur uit. Belletjes.

Het leek me verstandig mijn jas nu aan te trekken. Ik stond op, maar besloot toen van plaats te veranderen. Ik ging naar de tafel recht voor me. Het voordeel: ik kon aan het raam zitten en naar buiten kijken. En boven die tafel brandde een lamp. Hoewel het daglicht daar ook sterk was, zou ik zeker opvallen met mijn hoofd onder het lamplicht, meer in ieder geval dan in het halfdonker van die hoek.

Toen ik me eenmaal onder de hoede van de lamp gesteld had, viel ook het nadeel op: nu ik van veld verwisseld was, zat ik met mijn neus zowat in het dennegroen en het licht van de lamp viel, eigenzinnig spottend met mijn zo bescheiden bedoelingen, op een sneeuwwit engeltje dat met een zeer dun ijzerdraadje aan de boom van rode bessen en vrolijkheid was vastgehaakt. Eensklaps en zonder na te denken pakte ik het hinderlijke kerststuk op en ik liep ermee naar de bar. De bar zag leeg en glom. Eén, twee, acht, twaalf barkrukken hielden de wacht achter twaalf asbakken. Een stoel? Gauw neerzetten op een stoel? Uitgesloten. Het zou lijken of de tent gesloten was. Het zou de indruk wekken dat de werkster bezig was. Achter me hoorde ik het geluid van een openflappende deur. Nog zo’n deur. Ik hoefde me niet om te draaien om te weten dat de kleine dikke ober nu achter me stond en wilde ingrijpen in mijn plannen met het kerststukje. Fout, dacht ik, fout, fout, fout. Terug jij met dat ding en ga maar weer op je plaats. Doe niets. Zeg niets. Maak geen inbreuk.

‘Juffrouw.’ Klein, ergerlijk klein was hij. Zijn adem plofte op mijn nek als kleffe aardappelpuree. Ik voelde wel dat het los in de ruimte staan in mijn nadeel werkte. Met beide handen omklemde ik het stukje en in éen oogopslag probeerde ik de vlakte van bovenbladen te overzien. Tafeltje. Tafeltje. Tafeltje. Om en om en nergens plaats. ‘Juffrouw.’

Ik deed enkele passen naar voren en maakte een halve cirkel op de punt van mijn hak. ‘Ober,’ zei ik, ‘mag ik de menukaart zien?’ Een gewone vraag. Maar het verbaasde me niet dat hij niets had gehoord. Hij hief de hand op – ten teken dat ik stoppen moest? waarmee? met praten en bewegen? — en staarde naar het engeltje dat trillend aan het boompje hing. Mijn blik gleed naar het raam, naar de hoek waar ik gezeten had, vanaf de hoek naar het tafeltje bij het raam: Eentje niet, naast eentje niet, naast eentje niet.

‘Pardon,’ zei ik. En ik haastte me naar het verlossende tafelblad om het lege vakje in te kleuren.

Daar had ik net gezeten...

Geërgerd zette ik het hinderlijke en bijzonder tuttige kerststukje terug op de tafel. Iets te hard. Het engeltje viel in het dennegroen. Op datzelfde moment ging het licht boven de tafel uit. Ik keek om me heen. Alle lichten boven alle tafels. En het muziekachtige geluid dat sinds de komst van de zakenman te horen was geweest, viel weg. In een uitzonderlijk hoog tempo begon zich nu het verloop van mogelijke gebeurtenissen voor mijn ogen af te spelen:

De ober stevende op me af, duwde me vanachter de tafel weg, keek, greep me daarna bij de nek en liet me van zeer nabij het gevallen engeltje zien.

Dat heb ik gedaan, kon ik dan zeggen. Ik heb dat gedaan.

Maar dit antwoord zou de ober niet kunnen verdragen, eenvoudigweg omdat zelfs de miniemste verschuiving in dit interieur, de kleinste wijziging in deze opeenhoping van eenvoudigweg omdat zelfs de miniemste verschuiving in dit interieur, de kleinste wijziging in deze opeenhoping van onzinnige versierselen, alleen zijn werk mocht zijn. Hij verstevigde de greep om mijn nek en voerde me weg. Hij bracht me naar de gecapitonneerde deur rechts van de bar, het deze achter mijn rug dichtflappen en gaf me een trap waardoor ik met mijn romp naar voren en mijn armen opzij een gang in holde, een donkere doodstille gang. Waar deze ook heenvoerde, alleen al door voortdurend in mijn nek te ademen had de ober mij snel kunnen hebben waar ik wezen moest. Hij bleef vlak achter me en ik kon niet op hem vooruitlopen, waarschijnlijk omdat de band waarop ik dan weer langzaam, dan weer hard en harder wilde voortbewegen steeds diezelfde snelheid ontwikkelde, maar dan in omgekeerde richting. Intussen werd ik ziek als een hond vanwege de slechte adem van de ober die mij op de voet bleef volgen.