Najaar 1955

De koningin trok zich terug in haar eigen wereld van stilzwijgend ver-driet, en wel in het paleis dat als het vrolijkste van allemaal bekendstond: Greenwich. Het afscheid van de koning was zeer smartelijk voor haar geweest. Hij had zich als een echte man door middel van een uitgebreid formeel afscheid verstopt voor haar wanhoop, hij had ervoor gezorgd dat er altijd mensen bij waren, zodat ze niet in tranen kon uitbarsten. Hij had het allemaal zo geregisseerd dat ze als een poppenkoningin afscheid van hem nam: eentje waarvan de handen, voeten en mond allemaal door een andere poppenspeler werden bediend. Toen hij eindelijk weg was, was het net alsof de touwtjes werden doorgesneden en viel ze slap op de grond.

Elizabeth was van hem weggeglipt met een glimlach die volgens sommige mensen wilde zeggen dat zij beter wist wanneer hij naar Engeland terug zou komen dan zijn eigen vrouw, en dat zijn plannen haar geruststelden. Hij had het fatsoen om haar bij het afscheid niet vast te houden, maar toen hij aan boord van zijn schip ging, zich over de reling boog en zwaaide, drukte hij een kus op zijn hand en wuifde die met een dubbelzinnig gebaar weg: naar de prinses en naar de intens verdrietige koningin. De koningin kwam haar verduisterde vertrekken niet meer uit en wilde alleen door Jane Dormer of door mij bediend worden. Het hof werd een spookachtig oord, gedomineerd door haar verdriet. De paar Spaanse hovelingen die de koning had achtergelaten wilden niets liever dan zich bij hem aansluiten, en hun verlangen om te vertrekken gaf ons allemaal het gevoel dat het Engelse huwelijk slechts een intermezzo in hun echte leven was geweest, en nog een vergissing bovendien. Toen ze de koningin om toestemming vroegen om naar hem toe te gaan, kreeg ze een aanval van jaloezie en hield ze hun voor dat ze alleen maar weg wilden omdat ze diep in hun hart wel wisten dat het geen zin had om in Engeland op hem te blijven wachten. Ze krijste tegen hen, en zij bogen en maakten zich uit de voeten, weg van haar razernij. Haar hofdames vluchtten de kamer uit of drukten zich tegen hun stoelleuning in een poging niets te zien en niets te horen, maar alleen Jane en ik gingen naar haar toe en smeekten haar kalm te blijven. Ze was buiten zichzelf, en zolang de storm voortwoedde moesten Jane en ik haar armen vasthouden om te voorkomen dat ze met haar hoofd tegen de gelambriseerde wanden van haar privévertrek sloeg. Deze vrouw was buiten zinnen door haar liefde voor hem, voortgedreven door haar overtuiging dat ze hem voor altijd kwijt was. Toen de razernij van de koningin luwde, werd het eigenlijk nog erger, want toen zeeg ze neer op de vloer, sloeg haar armen om haar knieën en verborg haar gezicht, als een meisje dat net een pak rammel heeft gekregen. Urenlang lukte het ons niet haar ertoe te bewegen op te staan of zelfs maar haar ogen open te doen. Ze verborg haar gezicht voor ons, radeloos van wanhoop en vervuld van schaamte over hoe diep ze door haar liefde gezonken was. Ik zat naast haar op de koude houten vloer, wist niets te zeggen waar ze in al haar verdriet iets aan zou hebben en zag de rok van haar jurk langzaam donker worden doordat haar tranen in het fluweel trokken, zonder dat ze ook maar een geluid maakte.

Een hele avond en dag lang zei ze geen woord, en de dag erna was ze een standbeeld van wanhoop met een versteend gezicht. Toen ze tevoorschijn kwam om plaats te nemen op haar troon in het lege vertrek, merkte ze dat de Spanjaarden openlijk in verzet kwamen omdat ze gedwongen werden te blijven, en dat ook alle Engelse heren en dames ontstemd waren. Het leven in dienst van de koningin was niet wat het geweest was toen de koning net was gearriveerd en haar met liefde had veroverd; het was niet zoals een hof hoorde te zijn. In plaats van een hof vol literatuur en muziek, sport en dans, leek het hier wel een nonnenklooster dat door een dodelijk zieke abdis werd bestierd. Iedereen sprak op fluistertoon, er vonden geen banketten meer plaats, er was geen sprake van vertier of jolijt, en de koningin zat met een gezicht dat uitdrukkingsloos stond van verdriet op haar troon en trok zich wanneer ze maar kon terug in haar kamers om daar alleen te zijn. Het leven aan het hof werd bepaald door lange dagen van hopeloos wachten tot de koning terug zou komen. We wisten allemaal dat dat nooit zou gebeuren.

Nu prinses Elizabeth geen man meer had die ze kon kwellen en geen kans om de koningin nog ongelukkiger te maken dan ze al was, maakte ze van de gelegenheid gebruik om het hof op Greenwich te verlaten en naar haar paleis in Hatfield te gaan. De koningin liet haar zonder een woord van genegenheid gaan. Alle liefde die ze voor Elizabeth als kind had gevoeld, was weggesleten door de ontrouw die Elizabeth als jonge vrouw aan den dag had gelegd. Elizabeths flirt met de koning, terwijl Mary de laatste weken van een mislukte zwangerschap doorstond, was de laatste daad van halsstarrige valsheid geweest waardoor haar zus zich ooit nog zou laten kwetsen. Diep in haar hart beschouwde Mary dit als het definitieve bewijs dat Elizabeth de dochter van een hoer en een luitspeler was. Welk ander meisje zou haar zus zo behandelen als Elizabeth had gedaan?

Diep in haar hart ontkende ze familie van Elizabeth te zijn, ontkende ze dat zij haar zus was, ontkende ze dat zij haar erfgenaam was. Ze nam de liefde terug die ze de jongere vrouw niet-aflatend had aangeboden, en ze sloot haar buiten haar hart. Ze was blij dat ze vertrok, en het was haar om het even of ze haar ooit nog zou zien.

Ik ging naar de grote poort om de prinses een goede reis te wensen. Ze had haar plechtige zwart-met-witte jurk aan - de livrei van de protestantse prinses - want ze zou immers door Londen reizen en de inwoners zouden hun huis uit komen en haar toejuichen. Toen ze haar laars in de ineengeslagen handen van een staljongen zette en zich door hem in het zadel liet helpen, gaf ze me een schalkse knipoog.

'Ik wil wedden dat je liever met mij mee zou gaan,' zei ze vals. 'Ik denk niet dat je hier een erg vrolijk kerstfeest krijgt, Hannah.'

'Ik heb mijn meesteres in goede en slechte tijden gediend,' zei ik rustig.

'Weet je zeker dat je vrijer op je zal wachten?' vroeg ze plagerig. Ik haalde mijn schouders op. 'Hij zegt van wel.' Ik was niet van plan om Elizabeth te vertellen dat de manier waarop Mary door haar liefde voor haar echtgenoot te gronde was gegaan voor mij niet bepaald een grote stimulans was om in het huwelijk te treden. 'Ik ben aan hem toegezegd, zodra ik bij de koningin weg kan.'

'Nou, je kunt te allen tijde naar mij toe komen, als je wilt,' zei ze.

'Dank u wel, prinses,' zei ik, en ik verbaasde me erover dat ik zo blij was met haar uitnodiging - maar ja, niemand kon dan ook weerstand bieden aan Elizabeths charme. Zelfs in de schaduw van een verduisterd hof was Elizabeth een zonnestraaltje, en ondanks het verlies van haar zus was haar glimlach stralend als altijd.

'Wacht er niet te lang mee,' waarschuwde ze me zogenaamd ernstig. Ik liep wat dichter naar de hals van het paard toe, zodat ik naar haar op kon kijken. 'Hoezo dat?'

'Als ik koningin ben, komen ze natuurlijk allemaal naar me toe gestormd om me te dienen, en dan wil jij ook vooraan in de rij staan,' zei ze welgemeend.

'Dat kan nog jaren duren,' antwoordde ik.

Ze schudde haar hoofd; ze was op deze frisse najaarsochtend uitermate zelfverzekerd. 'Ik denk van niet,' zei ze. 'De koningin is geen sterke vrouw en geen gelukkige vrouw. Denk je dat koning Filips bij de eerste de beste gelegenheid op een holletje terug naar huis gaat en een zoon en troonopvolger bij haar verwekt? Nee. En ik denk dat mijn arme zus in zijn afwezigheid gewoon zal sterven van verdriet. En als dat gebeurt, zullen ze mij komen halen, en als ze me dan aantreffen terwijl ik mijn bijbel zit te bestuderen, zal ik zeggen...' Ze zweeg even. 'Wat was mijn zus van plan te zeggen wanneer ze te horen kreeg dat ze koningin was?'

Ik aarzelde. Ik herinnerde me haar woorden in die optimistische dagen nog heel goed, want toen had Mary beloofd dat ze de ongehuwde koningin zou worden en dat ze het Engeland van haar moeder het ware geloof en het geluk terug zou geven. 'Ze zou gaan zeggen: "Dit is het werk van de Heer; in onze ogen is het schitterend", maar uiteindelijk hebben ze het haar verteld toen we op de vlucht waren en ze helemaal in haar eentje voor haar troon moest vechten, in plaats van dat haar die werd toegekend.'

'Dat vind ik wel goed,' zei Elizabeth goedkeurend. '"Dit is het werk van de Heer; in onze ogen is het schitterend." Dat is uitstekend. Dat ga ik zeggen. Jij bent toch wel bij me als het eenmaal zover is, hè?'

Ik keek even snel om me heen of we niet afgeluisterd werden, maar Elizabeth wist dat er niemand binnen gehoorsafstand was. Zo lang ik haar kende had ze zichzelf nog nooit in gevaar gebracht - het waren altijd haar vrienden die in de Tower belandden.

De kleine stoet was klaar voor vertrek. Elizabeth keek op me neer, met een stralende glimlach onder haar zwartfluwelen hoed.'Dus ik zou maar snel naar me toe komen als ik jou was,' hielp ze me nog herinneren.

'Als ik kan, kom ik. God behoede u, prinses.'

Ze boog zich omlaag en gaf me bij wijze van afscheid een klopje op mijn hand. 'Ik zal wachten,' zei ze met dansende ogen. 'Ik zal het overleven. Koning Filips schreef vaak, maar zijn brieven waren geen antwoord op Mary's tedere beloften van liefde en verzoeken om bij haar terug te komen. Het waren energieke brieven over zakelijke aangelegenheden en met bevelen aan zijn vrouw over wat ze in haar koninkrijk moest doen. Hij reageerde niet op haar smeekbeden om terug te komen, en vertelde haar niet eens wanneer dat zou zijn. Hij stond haar ook niet toe naar hem toe te komen. Aanvankelijk schreef hij hartelijke brieven, waarin hij haar vroeg toch vooral dingen te doen die haar afleiding boden, om zich te verheugen op de tijd dat hij weer bij haar zou zijn; maar toen hij elke dag weer een brief ontving waarin hem werd gesmeekt terug te komen, waarin hij werd gewaarschuwd dat ze ziek was van ellende, ziek van het gemis, werd hij zakelijker. Zijn brieven waren uitsluitend instructies over welke beslissingen de raad in de een of andere kwestie moest nemen, en de koningin zag zich genoodzaakt met zijn briefin haar hand naar de raadsvergaderingen te gaan en de bevelen van een man die slechts in naam koning was aan hen voor te leggen en ze er met haar eigen gezag door te drukken. Wanneer ze met rode ogen het vertrek binnenkwam, gaven ze haar geen warm onthaal, en ze twijfelden er openlijk aan of een prins van Spanje, die zijn eigen oorlogen uitvocht, de Engelse belangen wel na aan het hart had liggen. Kardinaal Pole was haar enige vriend en metgezel, maar hij was al zo lang uit Engeland verbannen en stond zo wantrouwig tegenover vele Engelsen dat Mary het gevoel kreeg dat ze als een verbannen koningin tussen vijanden leefde, in plaats van de aanvoerder van de Engelse harten te zijn, zoals ze vroeger ooit was geweest.

In oktober was ik een keer voor het avondeten op zoek naar Jane Dormer, en omdat ik haar nergens zag, stak ik mijn hoofd om de deur van de kapel van de koningin, voor het geval de hofdame een paar momenten de tijd had genomen om te bidden. Tot mijn verbazing zag ik Will Somers voor een standbeeld van Onze-Lieve-Vrouwe geknield liggen, terwijl hij een kaars aan haar voeten aanstak, met gebogen hoofd, zijn puntige narrenmuts in zijn hand verfrommeld, met het belletje in zijn vuist geklemd om geen geluid te maken.

Ik had nooit geweten dat Will een gelovig man was. Ik deed een stap achteruit en bleef in de deuropening op hem wachten. Ik keek hoe hij ver zijn hoofd boog en toen een kruisteken sloeg. Met een diepe zucht kwam hij overeind en liep met ietwat opgetrokken schouders het gangpad door, waarbij ik hem er ouder vond uitzien dan zijn vijfendertig jaar.

'Will?' zei ik, en ik liep op hem toe.

'Kind.' Meteen verscheen zijn bekende lieve glimlach op zijn lippen, maar zijn ogen stonden nog steeds duister.

'Zit je in de problemen?'

'Nee, ik bad niet voor mezelf,' zei hij kortaf.

'Voor wie dan wel?'

Hij keek om zich heen de lege kapel door en trok me toen opzij een kerkbank in. 'Heb jij een beetje invloed bij hare majesteit, denk je, Hannah?'

Ik dacht even na en schudde toen eerlijk, spijtig mijn hoofd. 'Ze luistert alleen naar kardinaal Pole en naar de koning,' zei ik. 'En in de allereerste plaats naar haar eigen geweten.'

'Als jij vanuit je gave sprak, zou ze dan naar je luisteren?'

'Dat zou kunnen,' zei ik behoedzaam. 'Maar ik kan die niet zomaar oproepen, Will, dat weet je best.'

'Ik dacht datje misschien zou kunnen doen alsof,' zei hij botweg. Ik deinsde achteruit. 'Het is een heilige gave! Het zou godslasterlijk zijn om maar net te doen alsof!'

'Kind, deze maand zijn er drie geestelijken in de gevangenis beschuldigd van ketterij, en als ik me niet vergis worden ze op de brandstapel gebracht: de arme aartsbisschop Cranmer, bisschop Latimer en bisschop Ridley.'

Ik wachtte wat er verder komen zou.

'De koningin kan geen goede mensen laten verbranden die aangesteld zijn als bisschop van de Kerk van haar vader,' zei de nar toonloos. 'Dit mag geen doorgang vinden.'

Hij keek me aan, legde zijn arm om mijn schouder en omhelsde me.

'Zeg tegen haar dat je een helderziende ingeving hebt gehad en dat ze verbannen moeten worden,' zei hij met klem. 'Hannah, als deze mannen sterven, zal de koningin iedereen met mededogen in zijn hart tot haar vijand maken. Dit zijn goede mannen, eerbare mannen, door haar vader zelf aangesteld. Zij zijn niet van geloof veranderd, maar de wereld om hen heen is veranderd. Zij mogen niet op bevel van de koningin sterven, anders zal zij voor altijd de schande met zich meedragen. In de geschiedenis zal ze alleen maar voortleven als de koningin die bisschoppen op de brandstapel heeft gebracht.'

Ik aarzelde. 'Dat durf ik niet, Will.'

'Als je het doet, ben ik bij je,' beloofde hij me. 'Ik help je. Op de een of andere manier lukt het ons wel.'

'Je hebt zelf tegen me gezegd dat ik me nooit met andermans zaken moest bemoeien,' fluisterde ik op dringende toon. 'Je hebt zelf gezegd dat ik nooit moest proberen de koning op andere gedachten te brengen. Jouw meester heeft twee echtgenotes laten onthoofden, om over bisschoppen nog maar te zwijgen, en hem heb je ook niet tegengehouden.'

'En hij zal in de herinnering voortleven als een vrouwenmoordenaar,'

voorspelde Will. 'En alles wat er verder zo moedig, trouw en waar aan hem was zal men vergeten. De mensen zullen vergeten dat hij het land vrede en welvaart heeft gebracht, dat hij een Engeland heeft geschapen waar we allemaal van konden houden. Het enige wat ze zich van hem zullen herinneren is dat hij zes vrouwen had en er twee van heeft laten onthoofden. En het enige wat ze zich van deze koningin zullen herinneren is dat ze het land overstromingen, hongersnood en brand heeft gebracht. Ze zal herinnerd worden als de vloek van Engeland, terwijl ze onze maagdelijke koningin had moeten zijn, de redster van Engeland.'

'Ze luistert toch niet naar me...'

'Ze móét luisteren,' hield hij vol. 'Anders zal ze veracht en vergeten worden, en dan zullen ze zich in plaats van deze trouwhartige koningin een of ander lichtzinnig meisje herinneren - God mag weten wie: Elizabeth!

MaryStuart!'

'Ze heeft alleen maar haar eigen geweten gevolgd,' verdedigde ik haar.

'Ze moet haar liefdevolle hart volgen,' zei hij. 'Haar geweten is dezer dagen geen goed raadsman. Ze kan beter haar liefdevolle hart volgen. En jij moet uit liefde voor haar je plicht doen, en dat tegen haar zeggen.'

Ik stond op uit de kerkbank en merkte dat mijn knieën knikten. 'Ik ben bang, Will,' zei ik met een klein stemmetje. 'Ik ben te bang. Je hebt gezien hoe ze was toen ik laatst zei wat ik dacht... Ik kan me niet permitteren dat ze mij beschuldigt. Ik kan me niet permitteren dat iemand vraagt waar ik vandaan kom, wie mijn familie is...'

Hij zweeg. 'Jane Dormer wil niet met haar praten,' zei hij. 'Haar heb ik het al gevraagd. De koningin heeft alleen jou als vriendin.'

Ik zweeg even en voelde hoe zijn wil en mijn geweten strijd leverden en me dwongen te doen wat goed was, al mijn angsten ten spijt. 'Goed dan. Ik zal met haar praten,' barstte ik uit. 'Maar ik doe het alleen. Ik zal mijn best doen.'

Met zijn hand op de mijne hield hij me staande. Hij trok mijn hand naar zich toe om hem te bekijken. Ik trilde, mijn vingers beefden. 'Kind, ben je echt zo bang?'

Ik keek hem even aan en zag dat we allebei bang waren. De koningin had een land geschapen waarin alle mannen en vrouwen bang waren om het verkeerde te zeggen ofte doen, hetgeen zou leiden tot een brandpaal op het marktplein en een stapel groen aanmaakhout dat rokerig en langzaam zou opbranden.

'Ja,' zei ik naar waarheid, en ik trok mijn hand los om een roetdeeltje van mijn wang te vegen. 'Ik ben mijn hele leven al voor deze angst op de vlucht en nu lijkt het wel alsof ik er juist naartoe moet lopen.'

Die avond wachtte ik tot de koningin naar bed ging en in de hoek van haar slaapkamer voor haar bidstoel geknield lag. Ik nam in gedachten nog eens door wat ik kon zeggen om haar ervan te overtuigen dat ze dit verschrikkelijke niet moest doen. Ze lag ruim een uur op haar knieën en toen ik door mijn halfgesloten oogleden tuurde, zag ik dat ze haar gezicht omhooggedraaid hield naar het beeld van de gekruisigde Christus en dat er tranen over haar wangen stroomden.

Eindelijk kwam ze overeind en liep naar haar stoel bij de haard. Ik haalde de pook uit de sintels, waar die heet had liggen worden, en stak hem in de kroes bier om dat voor haar warm te maken. Toen ik haar die in handen gaf, waren haar vingers ijskoud.

'Majesteit, ik wil u iets vragen,' zei ik heel zacht. Ze keek naar me alsof ze me nauwelijks zag. 'Wat dan, Hannah?'

'Ik heb u in al die jaren dat ik bij u ben nog nooit om iets gevraagd,'

hielp ik haar herinneren.

Ze fronste licht haar voorhoofd. 'Nee, dat klopt. Maar wat wil je nu dan?'

'Majesteit, ik heb gehoord dat er in uw gevangenissen drie deugdzame mannen zitten die beschuldigd worden van ketterij. Bisschop Latimer, bisschop Ridley en aartsbisschop Cranmer.'

Ze draaide haar gezicht naar het vuurtje in de haard, zodat ik niet kon zien hoe ze keek, maar haar stem klonk vlak.

'Ja, het klopt dat die beschuldigd worden.'

'Ik wil u vragen hun genadig te zijn,' zei ik eenvoudigweg. 'Het is verschrikkelijk om een deugdzaam mens ter dood te brengen. En iedereen zegt dat het deugdzame mannen zijn. Ze hebben zich alleen vergist... Ze zijn het alleen maar niet eens met de leer van de Kerk. Maar het waren voor uw broer goede bisschoppen, majesteit, en ze zijn aangesteld als bisschop van de Kerk van Engeland.'

Ze zei een hele tijd niets. Ik wist niet of ik er nu nog verder op door moest gaan of dat ik de zaak maar moest laten rusten. Ik begon de stilte een beetje eng te vinden, ging op mijn hurken zitten en wachtte tot ze iets zou zeggen. Ik hoorde mijn eigen ademhaling, die te snel en te licht was voor iemand die onschuldig was. Ik voelde hoe mijn eigen gevaar op me afkwam, als een hond die een geur op het spoor is, en de geur die hij volgde was die van mijn angstzweet dat in mijn oksels prikte en langs mijn ruggengraat koud en vochtig werd.

Toen ze zich naar me toe draaide, zag ze er helemaal niet uit als de Mary van wie ik hield. Haar gezicht was net een masker van sneeuw. 'Het zijn geen deugdzame mannen, want ze loochenen het woord van God en de heerschappij van God, en ze halen anderen over naar hun zonde,' siste ze me toe. 'Ze kunnen spijt betuigen van hun zonden en vergeving krijgen, of ze kunnen sterven. Je kunt beter met hen spreken, Hannah, niet met mij. Dit is de wet; geen mensenwet, niet zomaar een wet, niet mijn wet, maar de wet van de Kerk. Als ze niet door de Kerk gestraft willen worden, moeten ze niet zondigen. Ik doe me niet voor als rechter; de Kerk bepaalt wat de regels zijn en die moeten zij gehoorzamen, net als ik.'

Ze zweeg even, maar ik kon niets tegen haar overtuiging inbrengen.

'Mensen zoals zij hebben de toorn van God over Engeland afgeroepen,'

zei ze. 'Sinds mijn vader zich tegen de Kerk heeft gekeerd hebben we al geen goede oogst of geen rijk jaar meer gehad, en sinds hij mijn moeder heeft afgedankt is er al geen gezond kind meer in de wieg van Engeland geboren.'

Ik zag dat haar handen trilden en hoorde dat haar stem beefde van opkomende verontwaardiging. 'Begrijp je het dan niet?' vroeg ze. 'Jij, nota bene? Begrijp je dan niet dat hij nadat hij mijn moeder heeft afgedankt nooit meer een gezond wettig kind heeft gekregen?'

'Prinses Elizabeth?' fluisterde ik.

De koningin lachte een luide, valse lach. 'Zij is niet van hem,' zei ze minachtend. 'Moet je haar zien. Ze is een Smeaton, ten voeten uit. Haar moeder heeft geprobeerd haar buitenechtelijke kind voor het kind van de koning te laten doorgaan, maar nu ze volwassen is en zich als de afstammeling van een luitspeler en hoer gedraagt, ziet iedereen wel van wie ze afstamt. God heeft mijn vader slechts één gezond kind geschonken: ik, en daarna heeft mijn arme vader zich tegen mij en mijn moeder gekeerd. Sinds die dag heeft dit land geen moment van voorspoed meer gekend. Ze hebben hem overgehaald om het woord van God, de abdijen en de nonnenkloosters te vernietigen, en daarna heeft mijn broer Engeland nog dieper in de zonde ondergedompeld. Moet je zien wat voor prijs we daarvoor hebben betaald. Honger in het land en ziekte in de steden.

God moet gekalmeerd worden. Pas wanneer deze zonde uit het land uitgerukt is, zal ik zwanger kunnen raken en een kind ter wereld kunnen brengen. Geen enkele heilige prins haalt het in zijn hoofd om naar een land als dit te komen. De fouten die mijn vader heeft begaan en waar mijn broer mee is doorgegaan, moeten hersteld worden. Het moet allemaal teruggedraaid worden.'

Ze zweeg, hijgend. Ik zei niets, stomverbaasd over haar geestdrift.

'Weet je, ik denk wel eens dat ik er niet de kracht voor heb,' ging ze verder. 'Maar God geeft me de kracht. Hij geeft me de vastbeslotenheid om opdracht te geven tot deze verschrikkelijke vonnissen, om te zeggen dat ze doorgang zullen vinden. God geeft me de kracht om Zijn werk te doen, om de zondaars naar de brandstapels te sturen, zodat het land gezuiverd kan worden. En dan kom jij - die ik vertrouwde! - naar me toe terwijl ik aan het bidden ben, om me te verleiden tot dwalingen, tot zwakte, om me te vragen God en mijn heilige werk voor Hem te loochenen.'

'Majesteit...' Mijn stem haperde in mijn keel. Ze kwam overeind en ik sprong op. Ik had kramp in mijn rechterbeen doordat ik zo lang geknield had gezeten, en dat bezweek onder mij, zodat ik viel. Ik lag half op de vloer, naar haar opkijkend, en zij keek naar mij alsof God me in eigen persoon geveld had.

'Hannah, kind, je begaat bijna zelf een doodzonde door dit van me te vragen. Zet geen stap meer, anders laat ik de priesters komen om het gevecht met je ziel aan te gaan.'

Ik kon de rook al ruiken en probeerde mezelf voor te houden dat die van het vuur in de haard kwam, maar ik wist dat het de rook van de brandstapel van mijn moeder was, de rook van alle Engelse mannen en vrouwen die op marktpleinen in het hele land verbrand werden. Aanstonds zouden ze bisschop Latimer en bisschop Ridley uit de gevangenis halen en dan zou de menigte toekijken hoe de eerwaarde Ridley tegen zijn vriend zou zeggen dat hij dapper moest zijn, terwijl er een kaars in Engeland aangestoken werd die nooit gedoofd zou worden. Ik lag als een kreupele aan de voeten van de koningin en probeerde overeind te komen. Ze trok haar rokken van me weg alsof ze niet wilde dat ik haar aanraakte, en ze liep zonder nog een woord te zeggen de kamer uit, mij op de vloer achterlatend, terwijl ik rook rook en het uitschreeuwde van angst. 

Winter 1555

Kerstmis werd met veel zwaarwichtig ceremonieel aan het hof gevierd, maar zonder blijdschap, precies zoals Elizabeth had voorspeld. Iedereen herinnerde zich dat koningin Mary het jaar ervoor met haar lijfje losgeregen en haar dikke buik trots voor zich uit over het hof had gezwierd. Vorig jaar waren we in afwachting van ons prinsenkind geweest. Dit jaar wisten we dat er geen zou komen, want de koning had het bed van de koningin verlaten en haar rode ogen en magere lichaam getuigden van het feit dat ze onvruchtbaar was, en alleen. Het hele najaar lang hadden er geruchten over complotten en tegencomplotten de ronde gedaan; men beweerde dat het Engelse volk er niet tegen kon om door een Spaanse vorst geregeerd te worden. Filips' vader zou het rijk aan zijn zoon overdragen en dan zou de christelijke wereld grotendeels onder zijn bewind vallen. De mensen mompelden dat Engeland een afgelegen eiland voor hem was, dat hij het zou besturen bij monde van de onvruchtbare koningin, die nog steeds dol op hem was, hoewel iedereen wist dat hij een maitresse genomen had en nooit meer bij haar terug zou komen. De koningin moest in elk geval de helft van deze roddels gehoord hebben, want de raad hield haar op de hoogte van de dreigementen die er tegen haar echtgenoot, tegen haarzelf en tegen de troon waren geuit. Ze werd heel stil, teruggetrokken en vastberaden. Ze hield vast aan haar visioen van een vredig, godvruchtig land, waar mannen en vrouwen veilig waren in de Kerk van hun vaders, en ze probeerde te geloven dat ze dit tot stand kon brengen als ze haar plicht vervulde, wat de gevolgen voor haar ook zouden zijn. De raad van de koningin nam een nieuwe wet aan die bepaalde dat een ketter die op de brandstapel berouw kreeg te laat van gedachten was veranderd en dus toch verbrand moest worden. Iedereen die met zijn lot meeleefde moest ook verbrand worden.

Voorjaar 1956

De koude, natte winter ging over in een nog natter voorjaar. De koningin wachtte op brieven, die steeds minder vaak kwamen en haar weinig vreugde schonken.

Op een avond begin mei kondigde ze aan dat ze van plan was de hele nacht in gebed door te brengen, en ze stuurde al haar hofdames en mij weg. Ik was blij dat mij de zoveelste lange, zwijgzame avond bespaard bleef, waarop we naaiend naast de haard zaten en probeerden om vooral niet te zien dat het linnen hemd dat de koningin voor de koning zat te naaien doordrenkt raakte van haar tranen.

Ik liep kwiek naar de kamer die ik met drie dienstmeisjes deelde, maar zag toen naast een deuropening in de galerij een schaduw bewegen. Ik aarzelde niet, want ik bleef nooit staan wachten tot iemand het woord tot mij richtte, en hij kwam naast me lopen en zette er de pas in om mijn hoge tempo bij te kunnen houden.

'Je moet met me mee, Hannah Verde,' zei hij.

Zelfs toen ik mijn naam voluit hoorde, bleef ik niet staan.

'Ik gehoorzaam alleen aan de koningin.'

Hij hield een opgerolde rol voor mijn neus en liet één kant los, zodat die openviel en zich als een langzame vlag ontrolde. Ik voelde dat mijn voeten onwillekeurig vertraagden en toen stilhielden. Ik zag de zegels on-deraan, en bovenaan mijn naam: Hannah Verde, alias Hannah Green, alias Hannah de nar.

'Wat is dit?' vroeg ik, hoewel ik het al wist.

'Een bevel,'zei hij.

'Een bevel waarvoor?' vroeg ik, hoewel ik het al wist.

'Voor je arrestatie, vanwege ketterij,' zei hij.

'Ketterij?' fluisterde ik alsof ik het woord nog nooit eerder had gehoord, alsof ik niet al sinds de dag dat ze mijn moeder hadden weggehaald op dit moment had gewacht.

'Ja, meisje, ketterij,' zei hij.

'Ik ga hier met de koningin over spreken.' Ik draaide me half om om naar haar terug te rennen.

'Je gaat met mij mee,' zei hij, en hij nam mijn arm en middel in een greep waar ik me nooit tegen had kunnen verzetten, ook al was mijn kracht niet met mijn doodsangst weggesijpeld.

'De koningin zal een goed woordje voor me doen!' jammerde ik, en ik hoorde dat mijn stem zo zwak klonk als die van een kind.

'Dit is een koninklijk bevel,' zei hij eenvoudigweg. 'Je moet gearresteerd en ondervraagd worden, en zij heeft daar toestemming voor gegeven.'

Ze brachten me naar de St. Paul's in de stad en stopten me voor de nacht in een gevangeniscel samen met een vrouw die zo erg gemarteld was dat ze als een lappenpop in de hoek lag, met gebroken armen en benen, haar ruggengraat ontwricht, haar voeten naar buiten wijzend als de wijzers van een klok die tien voor twee aangeeft. Van haar bloederige lippen kwam een kreun die klonk als de zuchtende wind. Ze kreunde de hele nacht van de pijn, als een voorjaarsbries. Bij ons was ook een vrouw bij wie de nagels van haar vingers getrokken waren. Ze klemde haar kapotte handen in haar schoot en keek niet op toen ze de sleutel in het slot staken en mij naar binnen duwden. Ze had een vreemde grijns om haar mond, maar toen realiseerde ik me dat ze ook haar tong uitgesneden hadden. Ik dook op de drempel in elkaar als een bedelaar, met mijn rug naar de deur. Ze zeiden geen woord tegen me, de kreunende vrouw met de gebroken botten noch de stomme zonder nagels. Van angst zei ik ook niets tegen hen. Ik keek hoe het maanlicht over de grond bewoog en eerst de vrouw verlichtte wier lichaam verdraaid lag als dat van een pop, en toen op de vingers scheen van de vrouw die haar handen als een kommetje in haar schoot hield en haar lippen tuitte. In het zilveren licht zagen haar vingertoppen er zwart uit als pennen die in drukinkt gedoopt zijn. De nacht verstreek uiteindelijk toch, hoewel ik dacht dat er geen einde aan zou komen.

De volgende ochtend ging de deur open, en geen van beide vrouwen hief haar hoofd op. De gemartelde vrouw lag zo stil dat ze wel dood leek misschien was ze dat ook. 'Hannah Verde,' zei de stem buiten. Ik probeerde gehoorzaam overeind te komen, maar van pure angst begaven mijn benen het onder me. Ik wist dat ik, als ze mijn nagels uittrokken, het zou uitschreeuwen en om genade zou smeken, dat ik alles zou vertellen wat ik wist. Mij konden ze niet op de pijnbank vastbinden zonder dat ik mijn heer, Elizabeth, John Dee en elke naam die ik ooit had horen fluisteren, namen die zelfs nooit genoemd waren, zou verraden. Als ik niet eens op mijn eigen benen kon staan als ze me kwamen halen, hoe kon ik hun dan ooit het hoofd bieden?

De bewaker ving me op in zijn armen en sleepte me mee, waarbij mijn voeten als die van een dronkenman achter me aan over de stenen schraapten. Hij stonk naar bier, en naar een veel ergere lucht: die van rook en brandend vet, die aan zijn wollen mantel kleefde. Ik realiseerde me dat die geur van de brandstapels kwam, dat het de rook van het aanmaakhout en de takken was, het vet van de borrelende huid van stervende mannen en vrouwen. Toen dat besef tot me doordrong, voelde ik mijn maag in opstand komen en verslikte ik me in mijn braaksel.

'Hé, kijk uit!' zei hij geïrriteerd, en hij duwde mijn hoofd van hem weg, zodat ik met mijn gezicht tegen de stenen muur sloeg. Hij sleurde me een trap op en daarna een binnenplaats over.

'Waar gaan we naartoe?' vroeg ik zwakjes.

'Naar bisschop Bonner,' zei hij kortaf. 'God sta je bij.'

'Amen,' zei ik meteen, alsof ik mezelf kon redden door netjes de regels in acht te nemen. 'Lieve Heer, amen.'

Ik wist dat het met me gedaan was. Ik kon geen woord uitbrengen, laat staan mezelf verdedigen. Ik bedacht hoe stom ik was geweest om niet met Daniel mee te gaan toen hij me had kunnen redden. Wat een hoogmoedig kind was ik geweest door te denken dat ik wel tussen deze complotten door kon manoeuvreren zonder de aandacht te trekken. Ik, met mijn olijfkleurige huid en donkere ogen, die ook nog Hannah heette!

We kwamen bij een paneeldeur met heel lelijk beslag. Hij klopte aan, deed hem open toen er 'Binnen!' geroepen werd, en liep naar binnen met zijn armen strak om me heen alsof we niet bij elkaar passende geliefden waren.

De bisschop zat aan een tafel tegenover de deur; zijn klerk zat met zijn rug naar de deur. Een stukje verderop stond een stoel die zowel naar de tafel als naar de bisschop gericht stond. De cipier duwde me er ruw op, deed een stap achteruit, sloot de deur en ging ervoor staan.

'Naam?' vroeg de bisschop vermoeid.

'Hannah Verde,' antwoordde de cipier, terwijl ik naar mijn stem zocht en merkte dat ik die van angst was kwijtgeraakt.

'Leeftijd?'

Hij stak zijn arm uit en gaf me een por tegen mijn schouder.

'Zeventien,' fluisterde ik.

'Wat?'

'Zeventien,' zei ik, wat luider nu. Ik was vergeten dat de Inquisitie heel nauwkeurige verslagen bijhield - de bureaucratie van de terreur. Eerst noteerden ze mijn naam, leeftijd, adres, beroep, de naam van mijn vader en moeder, hun adres, hun beroep, de naam van mijn grootouders en hun adres en beroep, en dan, ja pas dan, als ze alles genoteerd en van een naam voorzien hadden, zouden ze me martelen tot ik alles vertelde wat ik wist, alles wat ik kon bedenken en alles waarvan ik dacht dat ze het misschien wilden weten.

'Beroep?'

'Nar van de koningin,' zei ik.

Er klonk een spetterend geluid in het vertrek, ik voelde een kinderlijke vochtige warmte in mijn broek en rook tot mijn schande een stallucht. Ik had het in mijn broek gedaan van angst. Ik boog mijn hoofd - gêne won het van mijn angst.

De klerk hief zijn hoofd alsof hij door de warme, scherpe geur gealarmeerd was. Hij draaide zich om en keek naar me. 'O, ik kan wel voor dit meisje instaan,' zei hij alsof het een volkomen onbelangrijke kwestie was. Het was John Dee.

Ik was het stadium voorbij waarin ik hem kon herkennen, het stadium voorbij waarin ik me kon afvragen hoe het kwam dat hij de klerk van de bisschop was, terwijl hij eerst diens gevangene was geweest. Ik keek hem alleen maar aan met de uitdrukkingsloze ogen van een meisje dat te bang is om zelf te denken, en zag zijn neutrale blik.

'O ja?' vroeg de bisschop bedenkelijk.

John Dee knikte. 'Ze is een helderziende nar,' zei hij. 'Ze heeft een keer een engel in Fleet Street gezien.'

'Dat is vast ketters,' hield de bisschop vol.

John Dee dacht er even over na, alsof het voor mij niet een kwestie van leven en dood was. 'Nee, volgens mij was het een echt visioen, en koningin Mary denkt er net zo over. Ze zal niet blij zijn als ze erachter komt dat we haar nar gearresteerd hebben.'

Dat stemde de bisschop tot nadenken. Ik zag hem aarzelen. 'De koningin heeft mij opdracht gegeven ketterij uit te roeien daar waar ik die aantref in haar hofhouding en op straat, en ik mag niemand begunstigen. Het meisje is met een koninklijk aanhoudingsbevel gearresteerd.'

'Nou goed, zoals u wilt,' zei John Dee achteloos.

Ik deed mijn mond open om iets te zeggen, maar er kwam niets. Ik kon niet geloven dat hij me maar zo halfhartig verdedigde. Maar toch zat hij hier, draaide mij nogmaals de rug toe en schreef mijn naam in het grootboekvan de Inquisitie.

'Details,' zei bisschop Bonnen

Men heeft gezien dat deze persoon op de ochtend van december haar hoofd heeft afgewend van de hostie, toen die omhoog werd gehouden,' las John Dee op klerkachtige mompeltoon voor. 'Deze persoon heeft de koningin gevraagd om ketters die voor het gerecht gedaagd waren genade te schenken. Deze persoon is een bekende van prinses Elizabeth. Deze persoon heeft een mate van kennis van studieboeken en talen die niet gepast is voor een vrouw.'

'Wat heb je daarop te zeggen?' vroeg bisschop Bonner aan mij.

'Ik heb me niet afgewend toen de hostie omhoog werd gehouden...'

begon ik, maar mijn stem klonk vermoeid en hopeloos. Als John Dee me niet zou steunen, was ik op grond van deze aanklacht alleen al ten dode opgeschreven. En zodra ze onderzoek gingen doen naar mijn reis door Europa en naar de familie van mijn verloofde, zouden ze ontdekken dat ik een Jodin was, en dat zou het einde betekenen van mij, mijn vader, Daniel, zijn familie en hun vrienden - mannen en vrouwen die ik niet eens kende, families in Londen, Bristol, York.

'O, dat is plaagzucht, meer niet,' riep John Dee ongeduldig uit.

'Hè?' zei de bisschop.

'Een klacht uit plaagzucht,' zei John Dee kwiek, en hij schoof het grootboek van zich af. 'Denken ze nou echt dat we tijd hebben voor dienstmeidengeroddel? We zijn aangesteld om de ketterij uit te roeien, en dan komen ze ons lastigvallen met het geruzie van kamermeisjes!'

De bisschop keek even naar het papier. 'Sympathie voor de ketters?' informeerde hij. 'Dat is reden genoeg om op de brandstapel te belanden.'

John Dee hief zijn hoofd en glimlachte zijn meester zelfverzekerd toe.

'Ze is een helderziende nar,' zei hij met een lach in zijn stem. 'Het is haar taak in het leven om vragen te stellen die een normaal mens nooit zou stellen. Ze slaat wartaal uit, ze hóórt wartaal uit te slaan; gaan we haar vragen uit te leggen waarom ze onzinliedjes heeft gezongen? Volgens mij moeten we een heel straffe brief schrijven om te zeggen dat we niet de spot met ons laten drijven door die onzinnige beschuldigingen. We laten ons niet gebruiken om rivaliteiten tussen bedienden te beslechten. We zijn op jacht naar vijanden van het geloof, niet bezig om onnozele meisjes te kwellen.'

'U wilt dat we haar vrijlaten?' vroeg de bisschop met opgetrokken wenkbrauwen.

'Tekent u hier maar,' zei John Dee, en hij schoof een papier over het bureau naar hem toe. 'Weg met die meid, dan kunnen we verder met ons werk. Dat kind is een nar; als we haar gaan ondervragen zijn we zelf ook narren.'

Ik hield mijn adem in.

De bisschop zette zijn handtekening.

'Neem haar mee,' zei John Dee vermoeid. Hij draaide zich om op zijn stoel, zodat hij me kon aankijken. 'Hannah Verde, ook bekend als Hannah de nar, we laten je vrij en doen geen onderzoek naar ketterij. Je wordt niet beschuldigd. Heb je genoeg verstand om dat te begrijpen, mijn kind?'

'Ja, heer,' zei ik heel zacht.

John Dee knikte naar de cipier. 'Laat haar vrij.'

Ik duwde mezelf omhoog van de stoel, maar mijn benen waren nog te zwak om me te dragen. De bewaker liet een hand om mijn middel glijden en zorgde ervoor dat ik op de been bleef. 'De vrouwen in mijn cel,' zei ik zacht tegen John Dee. 'Een van hen is stervende en van de ander zijn de nagels uitgetrokken.'

John Dee barstte in lachen uit alsof ik hem een verrukkelijk schuine mop had verteld, en bisschop Bonner bulderde luidkeels.

'Kostelijk, hè?' riep de bisschop. 'Kan ik verder nog iets voor je doen, nar? Nog klachten over je ontbijt? Over je bed?'

Ik keek van het rode bulderende gezicht van de bisschop naar de twinkelende glimlach van zijn klerk en schudde mijn hoofd. Ik boog mijn hoofd voor de bisschop en voor de man van wie ik het ooit een eer had gevonden dat ik hem mocht kennen, en liep de kamer uit en liet hen achter met hun bloedbevlekte handen om nog meer onschuldige mensen te ondervragen en naar de brandstapels te sturen. Ik wist niet hoe ik terug moest naar het hof te Greenwich. Toen ze me ruw de smerige straat op hadden geduwd, dwaalde ik aan de achterkant van de St. Paul's wat rond en stommelde blindelings voort, totdat ik het gevoel had dat ik een veilige afstand tussen de onheilspellend verreikende schaduw van de toren en mijn angstig slingerende passen had gebracht. Toen zeeg ik als een landloper neer in een portiek en rilde alsof ik de koude koorts had. Een huishoudster riep dat ik moest maken dat ik wegkwam en dat ik de pest maar mee moest nemen, en toen liep ik naar de volgende portiek en zakte daar vervolgens weer in elkaar.

De felle zon brandde op mijn gezicht en vertelde me dat het al na twaalven was. Na een hele tijd op die koude stoep gezeten te hebben, werkte ik mezelf overeind en liep een kort stukje. Ik merkte dat ik huilde als een klein kind, en ik moest weer blijven staan. Stapje voor stapje ging ik verder, waarbij ik telkens wanneer mijn benen het onder me begaven even bleef staan. Eindelijk vond ik de weg naar ons winkeltje in een zijstraat van Fleet Street en bonkte ik bij de buren op de deur.

'Lieve hemel, wat is er met jou gebeurd?'

Ik wist een verwrongen glimlachje te produceren. 'Ik heb koorts,' zei ik.

'Ik ben mijn sleutel vergeten en ik ben verdwaald. Kunt u mij binnenlaten?'

De buurman deed een stap achteruit. In deze moeilijke tijden was iedereen bang voor besmetting. 'Heb je eten nodig?'

'Ja,' zei ik, te verzwakt om nog trots te zijn.

'Ik zal wat voor je op de stoep leggen,' zei hij. 'Hier heb je de sleutel.'

Ik pakte hem zwijgend aan en wankelde naar de winkel. Ik draaide hem om in het slot en liep het vertrek binnen, waarvan de luiken gesloten waren. De kostbare geur van drukinkt en droog papier omringde me ogenblikkelijk. Ik zoog hem in me op - het aroma van de ketterij zelf, de bekende, geliefde geur van thuis. Ik hoorde geschraap en gerinkel - er werd een bord op de stoep gezet. Ik pakte de pastei en het kannetje bier. Ik at hem zittend op de vloer achter de toonbank op, uit het zicht van de ramen met de luiken ervoor, met mijn rug tegen de warme folio's, terwijl ik de geur van de ruggen van gedroogd leer in me opsnoof. Zodra ik gegeten had zette ik het bord weer op de stoep en deed de deur op slot. Toen ging ik de drukkerij en opslagkamer van mijn vader binnen en haalde de boekdelen van de onderste plank. Ik wilde niet in mijn eigen bed slapen. Ik wilde niet eens in mijn vaders bed slapen. Ik wilde nog dichter bij hem zijn. Ik had de bijgelovige angst dat ik, als ik naar bed ging, weer door bisschop Bonner ruw uit mijn slaap gewekt zou worden, maar dat als ik me bij de geliefde boeken van mijn vader verstopte, die zouden zorgen dat me niets overkwam.

Ik legde me te slapen op de onderste plank van zijn boekenverzameling. Ik legde een paar folianten onder mijn wang bij wijze van kussen, en schikte een paar Franse kwartodelen zo dat ik niet van de plank kon vallen. Alsof ikzelf een verloren tekst was, krulde ik me op in de vorm van een G, deed mijn ogen dicht en viel in slaap.

Toen ik de volgende ochtend wakker werd, wist ik precies wat ik met mijn toekomst wilde. Ik zocht een stukje manuscriptpapier en schreef een brief aan Daniel - een brief waarvan ik nooit had gedacht dat ik hem nog zou schrijven:

Lieve Daniel,

Het is hoog tijd dat ik het hof en Engeland verlaat. Kom mij en de drukpers alsjeblieft meteen halen. Als deze briefje niet bereikt of als ik je niet binnen een week zie, kom ik op eigen gelegenheid. Hannah

Toen ik hem dichtplakte, wist ik zeker, zoals ik de afgelopen paar maanden diep in mijn hart al had geweten, dat in het Engeland van koningin Mary niemand meer veilig was.

Er werd op de deur geklopt. Mijn hart werd meteen overvallen door de bekende angst, maar toen zag ik door de luiken het silhouet van onze buurman.

Ik deed voor hem open. 'Goed geslapen?' vroeg hij.

'Ja,' zei ik.

'Goed gegeten? Is het een goede bakkerij?'

'Ja, dank u wel.'

'Voel je je nu wat beter?'

'Ja, ik voel me goed.'

'Ga je vandaag terug naar het hof?'

Ik aarzelde, maar realiseerde me snel dat ik nergens anders heen kon. Als ik niet aan het hof verscheen, stond dat gelijk aan een schuldbekentenis. Ik móést teruggaan en de rol spelen van onschuldige vrouw die terecht was vrijgelaten, totdat Daniel me kwam halen. Dan kon ik pas weg.

'Ja, vandaag,' zei ik opgewekt.

'Zou je ervoor kunnen zorgen dat de koningin dit krijgt?' vroeg hij, verlegen, maar vastberaden. Hij gaf me een visitekaartje - een geïllustreerd kaartje dat de lezer liet weten dat hij alle boeken kon leveren die moreel verantwoord, verheffend en door de Kerk goedgekeurd waren. Ik pakte het aan en bedacht grimmig dat ik er bij mijn vorige bezoek aan de winkel iets over had gezegd dat de Kerk maar zo weinig boeken toestond. Nu kon ik er niks over zeggen.

'Ik zal het haar persoonlijk overhandigen,' loog ik tegen hem. 'Daar kunt u van op aan.'

Ik trof bij terugkeer een bedrukt hof aan. De kamermeisjes bij wie ik op de kamer sliep hadden gedacht dat ik naar de winkel van mijn vader was gegaan. De koningin had me niet gemist. Alleen Will Somers trok scheef een vragende wenkbrauw naar me op toen ik aan tafel plaatsnam en liep naar mijn bankje toe. Ik schoof een eindje op en hij kwam naast me zitten.

'Is alles goed met je, kind? Je ziet lijkbleek.'

'Ik ben net terug,' zei ik kortaf. 'Ik was gearresteerd.'

Ieder ander aan het hof zou een excuus hebben gezocht om een plaats-je aan een andere tafel te zoeken, maar Will zette allebei zijn ellebogen op de tafel. 'Dat meen je niet!' zei hij. 'Hoe ben je er dan weer uit gekomen?'

Er ontsnapte me een onwillig giechellachje. 'Ze zeiden dat ik een nar was en dus niet verantwoordelijk gehouden kon worden.'

Hij bulderde zo hard van het lachen dat alle mensen aan de naburige tafels hun hoofd omdraaiden en glimlachten. 'Jij! Nou, dat is goed nieuws voor mij. Dan weet ik wat ik moet aanvoeren. Hebben ze dat echt gezegd?'

'Ja. Maar Will, het is niet om te lachen. Er waren daar twee vrouwen, de een halfdood van de pijnbank en bij de ander waren haar nagels van haar vingers getrokken. Het hele gebouw zat van de kelder tot de zolder vol met mensen die op hun berechting wachtten.'

Zijn gezicht betrok. 'Stil, kind, daar kun je toch niets aan doen. Je hebt gedaan wat je kon, en dat je daar terecht bent gekomen komt doordat je hier je mond open hebt gedaan.'

'Will, ik was doodsbang,' zei ik zacht.

Hij pakte mijn koude vingers met zijn grote warme hand zachtjes beet.

'Kind, we zijn allemaal bang. Maar er komen betere tijden, toch?'

'Wanneer dan?' fluisterde ik.

Hij schudde zonder een woord te zeggen zijn hoofd, maar ik wist wel dat hij aan Elizabeth dacht en aan het moment waarop haar heerschappij zijn aanvang zou nemen. En als Will Somers hoopvol aan Elizabeth dacht, dan was de koningin de liefde kwijtgeraakt van een man die een echt goede vriend voor haar was geweest. In afwachting van Daniels komst telde ik de dagen af. Voor ik stroomafwaarts naar Greenwich was gegaan had ik de brief meegegeven aan een kapitein die die ochtend naar Calais zou varen. Ik somde voor mezelf zijn voortgang op. 'Stel dat het een dag duurt om in Calais te komen, en dan een dag om het huis te vinden, en stel dat Daniel het begrijpt en meteen vertrekt, dan zou hij binnen een week bij me moeten zijn.'

Ik nam me voor dat ik, als ik binnen zeven dagen niets van hem gehoord had, naar de winkel zou gaan, de kostbaarste boeken en manuscripten zou inpakken in de grootste kist die ik kon dragen en zelfde overtocht naar Calais zou maken. Ondertussen moest ik wachten. Ik woonde de mis bij in het gevolg van de koningin, ik las haar elke dag na de avondmaaltijd in het Spaans uit de Bijbel voor, ik bad met haar bij het slapengaan. Ik zag hoe haar ongeluk-kig-zijn omsloeg in een stevig gewortelde misère, een toestand die volgens mij tot het eind van haar leven zou duren. Ze was radeloos; ik had nog nooit eerder een vrouw zo radeloos gezien. Het was erger dan de dood, het was een niet-aflatend verlangen naar de dood en een niet-aflatende afkeer van het leven. Het was alsof ze tijdens haar leven al in het duister verkeerde. Het was duidelijk dat er niets gedaan kon worden om de schaduw die op haar rustte weg te nemen; en dus zei en deed ik niets, net als alle anderen.

Toen we op een ochtend uit de mis kwamen, met de koningin voorop en haar hofdames achter haar aan, kwam een van de nieuwste jonge hofdames naast me lopen. Ik keek naar de koningin. Ze liep langzaam, met hangend hoofd, haar schouders gebogen alsof ze haar verdriet als een gewicht moest meetorsen.

'Heb je het al gehoord? Heb je het al gehoord?' fluisterde het meisje tegen me toen we het audiëntievertrek van de koningin binnengingen. De galerij stond vol met mensen die voor de koningin gekomen waren, en van wie de meesten clementie kwamen vragen voor personen die terecht moesten staan wegens ketterij.

'Wat zou ik gehoord moeten hebben?' vroeg ik nijdig. Ik trok mijn mouw los uit de greep van een oude vrouw die me probeerde tegen te houden. 'Mevrouw, ik kan niets voor u doen.'

'Het is niet voor mij, het is voor mijn zoon,' zei ze. 'Voor mijn jongen.'

Onwillekeurig bleef ik toch even staan.

'Ik heb geld gespaard; als de koningin zo goed zou willen zijn om hem in ballingschap te sturen, kan hij naar het buitenland.'

'Smeekt u om ballingschap voor uw zoon?'

'Hij is bij bisschop Bonner.' Meer hoefde ze niet te zeggen. Ik deinsde achteruit alsof ze de pest had. 'Het spijt me, ik kan niets doen.'

'Als u nu eens een goed woordje voor hem doet? Hij heet Joseph Woods.'

'Mevrouw, als ik genade voor hem zou vragen is mijn eigen leven verbeurd verklaard,' zei ik tegen haar. 'U loopt zelfs al gevaar door mij aan te spreken. Ga naar huis en bid voor zijn ziel.'

Ze keek me aan alsof ik een wilde was. 'Vertelt u een moeder dat ze maar voor de ziel van haar zoon moet gaan bidden terwijl hij volkomen onschuldig is?'

'Ja,' zei ik somber.

De hofdame trok me ongeduldig mee. 'Het nieuws!' hielp ze me herinneren.

'Ja, wat is er dan?' Ik wendde me af van de onbegrepen pijn op het gezicht van de oude vrouw, wetend dat het beste advies voor haar zou zijn om met het geld dat ze voor de vrijlating van haar zoon had gespaard een buidel kruit te kopen en die om zijn nek te hangen, zodat hij niet urenlang op de brandstapel zou lijden, maar de lucht in zou gaan zodra het vuur werd aangestoken.

'Prinses Elizabeth wordt beschuldigd van verraad!' siste de jeugdige hofdame me toe, brandend van verlangen om te vertellen wat ze wist. 'Al haar bedienden zijn gearresteerd. Haar huis in Londen wordt overhoopgehaald en doorzocht.'

Ondanks de warmte die het publiek uitstraalde leek ik te bevriezen, helemaal tot aan mijn tenen in mijn laarzen toe. 'Elizabeth? Wat voor verraad?' fluisterde ik.

'Van een complot om de koningin te vermoorden,' zei het meisje met ijskoude fluisteradem.

'Met wie nog meer?'

'Dat weet ik niet. Dat weet niemand! Kat Ashley in elk geval, en misschien iedereen wel.'

Ik knikte; ik kende iemand die het wel zou weten. Ik maakte me los uit het gevolg dat achter de koningin aan haar audiëntievertrek binnenging. Daar zou ze minstens twee uur verblijven en het ene na het andere verzoek aanhoren, van mensen die haar om een gunst vroegen, om genade, om een betrekking, om geld. Bij elke smeekbede zou ze vermoeider ogen, en veel ouder dan haar veertig jaar. Maar ze zou me niet missen, dus rende ik de galerij door naar de grote zaal. Will was er niet; een soldaat zei me naar de binnenplaats bij de stallen te gaan, en daar vond ik hem in een aparte box, waar hij met een van de puppy's van een jachthond speelde. Het diertje, een en al lange poten en opwinding, klauterde over hem heen.

'Will, ze zeggen dat het huis van prinses Elizabeth in Londen wordt doorzocht.'

'Ja, dat weet ik,' zei hij, terwijl hij zijn gezicht van het hondje wegdraai-de, dat enthousiast zijn nek likte.

'Wat zoeken ze dan?'

'Het gaat er niet om wat ze zoeken, het gaat erom wat ze gevonden hebben.'

'Wat hebben ze dan gevonden?'

'Wat je zou verwachten,' zei hij niet erg behulpzaam.

'Ik verwacht niets,' zei ik vinnig. 'Zeg het nou maar. Wat hebben ze gevonden?'

'Brieven, pamfletten en allerlei opruiende onzin in de kist van Kat Ashley. Een meidagcomplot, bekokstoofd tussen haar, de nieuwe Italiaanse luitspeler van de prinses en Dudley...' Toen hij zag hoe dodelijk verschrikt ik keek, deed hij er het zwijgen toe. 'O, niet jouw meester. Zijn neef, sir Henry.'

'Dus lord Robert wordt niet verdacht?' vroeg ik.

'Zou dat moeten dan?'

'Nee,' jokte ik onmiddellijk. 'Hij kan toch niks doen? En bovendien is hij koningin Mary trouw.'

'Zoals wij allemaal,' zei Will bijdehand. 'Zelfs Tobias de hond, hier. Nou ja, Tobias is trouwer, want hij kan niet het een zeggen en iets anders denken. Hij houdt van degene die hem voedt, en dat is meer dan menigeen wier naam ik niet zal noemen kan zeggen.'

Ik liep rood aan. 'Als je mij bedoelt: ik hou van de koningin en heb ook altijd van haar gehouden.'

Zijn gezicht kreeg een zachtere uitdrukking. 'Dat weet ik. Ik bedoelde haar mooie zusje, dat niet het geduld heeft om haar beurt af te wachten, maar weer aan het samenzweren is geslagen.'

'Ze is nergens schuldig aan,' zei ik vlug, want mijn trouw aan Elizabeth was net zo standvastig als mijn liefde voor de koningin. Will lachte even. 'Ze is de wachtende troonopvolger. Ze trekt problemen aan zoals een hoge boom de bliksem aantrekt. En dus gaan Kat Ashley en signor de luitspeler naar de Tower, en met hen nog een stuk of vijf leden van het personeel van de Dudleys. Er is een aanhoudingsbevel uitgevaardigd voor sir William Pickering, haar oude bondgenoot. Ik wist niet eens dat hij in Engeland zat. Wist jij dat?'

Ik zei niets, mijn keel kneep samen van angst. 'Nee.'

'Je kunt het maar beter niet weten ook.'

Ik knikte en voelde toen dat mijn hoofd bleef knikken en dat ik er in een poging om normaal over te komen juist bespottelijk uitzag. Ik voelde dat mijn gezicht een open boek van angst was dat niemand kon lezen.

'Wat is er, kindje?' Will sloeg een vriendelijke toon aan. 'Je bent zo wit als sneeuw. Heb jij hier iets mee te maken, kleintje? Wil je beschuldigd worden van verraad, zoals je ook van ketterij bent beschuldigd? Ben je dan echt zo dom geweest?'

'Nee,' zei ik, en mijn stem klonk scherp. 'Ik zou nooit een complot tegen de koningin smeden. Ik heb me de afgelopen week niet goed gevoeld. Ik ben ziek. Een beetje koorts, denk ik.'

'Laten we hopen dat het daarbij blijft,' zei Will wrang. Ik hield mijn leugentje over dat ik koorts had vol en ging naar bed. Ik dacht aan Elizabeth, die in staat leek te zijn om op afroep ziek te worden als ze een alibi nodig had, en ik kende de angstaanvallen waarvan ik zo erg ging transpireren dat ik inderdaad voor ziek had kunnen doorgaan. Ik hoorde het nieuws van mijn kamergenootjes. Kardinaal Pole leidde het onderzoek naar de samenzwering en elke dag werd er weer iemand anders gearresteerd en voor ondervraging meegenomen. Eerst sir Henry Dudley, die zijn eigen land aan de Fransen had verraden in ruil voor hun hulp. Hij had zakkenvol Frans goud en de belofte dat er een klein leger aan huurlingen en Franse vrijwilligers zou aantreden. Vandaar volgden ze het spoor naar een verrader aan het hof van de thesaurier, die had beloofd geld te stelen om het leger en de wapens te betalen. Tijdens de ondervragingen liet hij los dat ze van plan waren om de koningin naar haar echtgenoot in de Lage Landen te sturen en dan Elizabeth op de troon te zetten. Vervolgens ontdekte de kardinaal dat Kat Ashley en William Pickering oude bekenden waren en elkaar gewoon aan het hof hadden ontmoet, en dat sir William het land in was gesmokkeld, naar Hampton Court zelf. In de kist van Kat Ashley in het huis van Elizabeth in Londen vond men de eerste versie van een pamflet waarin de Engelsen werden opgeroepen tegen de katholieke koningin in opstand te komen en de protestantse prinses op de troon te brengen.

Kardinaal Pole ging onder Elizabeths vrienden en bekenden op zoek naar mensen die een drukpers zouden kunnen hebben waarop het pamflet in het geheim gedrukt kon zijn. Ik dacht aan de met een laken afge-dekte pers in de drukkerij in een zijstraat van Fleet Street en vroeg me af hoe lang het zou duren voor ze bij mij uitkwamen.

De kardinaal, geïnspireerd door God, vastberaden en intelligent, volgde een spoor dat veel Engelse protestanten, veel vrienden en bedienden van Elizabeth zou treffen, en dat hem vast en zeker ook naar mij zou voeren, net als naar vele anderen. Waar één iemand gearresteerd werd en meegenomen voor ondervraging, was vast wel iemand anders die zou vertellen dat de nar van de koningin altijd in gezelschap van de prinses was. Dat iemand iemand had verteld dat de nar van de koningin een boodschap deed of een bericht overbriefde, dat sir William Pickering haar van aanzien kende, dat ze een gewaardeerde vazal van de familie Dudley was, ook al werd er beweerd dat ze in dienst was van de koningin. Als kardinaal Pole me meenam naar zijn stille, van dikke gordijnen voorziene kamer en ik voor zijn donkere geboende tafel moest gaan staan en moest vertellen waar ik vandaan kwam, wist ik dat hij me meteen zou doorhebben. Onze vlucht uit Spanje, onze aankomst in Engeland, mijn vader die verdwenen was, maar zijn drukpers had achtergelaten: alles wees op onze schuld als Marrano's - Joden die voor christenen probeerden door te gaan, en dan konden we net zo goed in Smithfield wegens ketterij op de brandstapel gebracht worden als dat in Ar agon had kunnen gebeuren. Als hij naar de winkel van mijn vader ging zou hij teksten aantreffen die verboden en ketters waren. Sommige waren illegaal, omdat ze het woord van God in twijfel trokken en zelfs opperden dat de aarde rond de zon bewoog, of dat dieren die nu op aarde leefden niet aan het begin van de wereld in zes dagen door God waren geschapen. Sommige waren illegaal omdat ze vraagtekens zetten bij de vertaling van het Woord van God, en beweerden dat de appel der kennis eigenlijk een abrikoos was. En andere waren gewoonweg illegaal omdat ze niet te begrijpen waren. Ze gingen over mysteriën, en de Kerk van de kardinaal wilde juist zeggenschap over alle mysteriën ter wereld hebben. De boeken in de wereld waren reden genoeg om ons voor ketterij aan de galg te brengen, de drukpers om ons voor verraad tot de galg te veroordelen, en mocht de kardinaal ooit een verband leggen tussen de beste klanten van mijn vader, te weten John Dee en Robert Dudley, en mij, dan stond ik binnen een mum van tijd met de strop om mijn hals voor verraad op het schavot.

Ik bleef drie dagen in bed, waar ik naar het witte plafond lag te staren, rillend van angst, hoewel de zon fel op de gepleisterde wanden scheen en bijen gonzend tegen de ruit botsten. Op de avond van de derde dag stond ik op. Ik wist dat de koningin zich op dat moment klaarmaakte om de grote zaal binnen te gaan en plaats te nemen voor een maaltijd waarvan ze geen hap door haar keel zou krijgen. Net toen ze van haar bidstoel opstond, arriveerde ik in haar vertrekken.

'Hannah, gaat het beter met je?' De woorden waren vriendelijk, maar haar ogen stonden doods - ze zat gevangen in haar eigen wereld van verdriet. Een van haar hofdames bukte zich en trok de sleep achter haar recht, maar ze draaide haar hoofd niet om; het was net alsof ze het niet voelde.

'Het gaat beter, maar ik ben erg van slag geweest door een brief die ik vandaag heb ontvangen,' zei ik. De spanning die van mijn witte gezicht af te lezen was ondersteunde mijn verhaal. 'Mijn vader is ziek, stervende zelfs, en ik wil graag naar hem toe.'

'Is hij in Londen?'

'In Calais, majesteit. Hij heeft een winkel in Calais, en woont daar met mijn verloofde en zijn familie.'

Ze knikte. 'Natuurlijk mag je naar hem toe. En kom terug als hij weer beter is, Hannah. Ga maar naar de thesaurier van het hof en haal je loon tot vandaag op, want je zult wel geld nodig hebben.'

'Dank u wel, majesteit.' Ik voelde dat mijn keel werd dichtgeknepen bij de gedachte dat ze zo vriendelijk voor me was, terwijl ik van haar wegvluchtte. Maar toen dacht ik aan de sintels, die in Smithfield altijd heet waren, en aan de vrouw met de bloederige handen in de St. Paul's, en ik hield mijn ogen neergeslagen en zei niets.

Ze stak haar hand naar me uit en ik knielde neer en kuste haar vingers. Voor de laatste keer daalde haar zachte hand op mijn hoofd neer. 'God zegene je, Hannah, en behoede je,' zei ze lief, niet wetend dat haar eigen gewaardeerde kardinaal en zijn onderzoek er de reden van waren dat ik beefde toen ik voor haar neerknielde.

De koningin deed een stap achteruit en ik kwam overeind. 'Kom snel bij me terug,' gebood ze me.

'Zo snel ik kan.'

'Wanneer vertrek je?'vroeg ze.

'Morgen bij zonsopgang,' zei ik.

'Een goede reis dan, en veilige terugkomst,' zei ze op de haar bekende liefdevolle toon. Ze schonk me een vermoeid glimlachje en liep naar de dubbele deuren, die voor haar openzwaaiden, en daar ging ze, met opge-heven hoofd, een afgetobd gezicht, haar ogen donker van verdriet, om het hof tegemoet te treden dat haar niet meer respecteerde, hoewel iedereen wel voor haar boog toen ze de zaal in liep, en zich op haar kosten aan drank en spijs te goed deed.

Ik wachtte de zonsopgang niet af. Zodra ik hoorde dat het hof aan de maaltijd zat, trok ik mijn donkergroene livrei, mijn nieuwe rijlaarzen en mijn mantel aan en zette mijn muts op. Ik pakte mijn knapzak uit mijn kist en stopte daar het missaal in dat ik een keer van de koningin gekregen had, en het loon dat ik van de thesaurier had gekregen, in hun beursje. Verder had ik niets, zelfs na drie dienstjaren aan het hof niet - ik had mijn zakken niet gevuld, terwijl ik dat wel had kunnen doen. Ik sloop de zijtrap af en aarzelde bij de ingang van de grote zaal. Ik hoorde de bekende geluiden van de hofhouding die aan tafel zat: het geroezemoes van gesprekken en zo nu en dan een lachsalvo, de hoge stemmen van de vrouwen die helemaal aan de andere kant van de zaal zaten, het gekras van een mes op een snijplank, het gerinkel van een fles tegen een beker. Dat waren de afgelopen drie jaar de geluiden van mijn leven geweest en ik kon gewoonweg niet geloven dat dit mijn thuis, mijn veilige toevluchtsoord niet langer was. Ik kon niet geloven dat dit in toenemende mate het gevaarlijkste oord was waar ik maar kon zijn. Ik deed even mijn ogen dicht en verlangde naar mijn helderziende gave, verlangde te weten wat ik moest doen om veilig te zijn. Niet mijn helderziendheid gaf echter de doorslag, maar mijn oudste angst. In de keuken had iemand iets laten aanbranden en de geur van verschroeid vlees woei plotseling de zaal in, met een hollende bediende erachteraan. Heel even bevond ik me niet bij de eetzaal van de koningin, waar ik geroosterd vlees rook, maar stond ik op het dorpsplein van Aragon en rook ik het vlees van een vrouw die verbrand werd, terwijl ze het uitgilde van afgrijzen bij de aanblik van haar eigen zwart wordende benen. Ik draaide me ogenblikkelijk om en vloog de deur uit, zonder me er nog zorgen over te maken dat iemand me zag. Ik rende naar de rivier, want dat was mijn snelste en minst opvallende route de stad in. Ik liep naar de steiger en wachtte tot er een boot langskwam. Ik was de angsten van Mary's hof vergeten nu de Spanjaarden openlijk gehaat werden en Mary de liefde van haar volk had verloren. Op de steiger stonden vier soldaten, en langs de oever hielden er nog een stuk of tien de wacht. Ik moest glimlachen en doen alsof ik ervandoor glipte om in het geheim mijn geliefde te ontmoeten.

'Maar wat wil je nou eigenlijk?' riep een van de jonge soldaten plagerig.

'Je bent gekleed als een jongen, maar hebt de stem van een meisje. Wat wil je nou, liefie? Waar hou je van?'

Ik hoefde gelukkig niet naar een antwoord te zoeken, want er kwam een boot dwars over de stroming aan gevaren, die een groep inwoners van Londen naar het hof bracht.

'Zijn we te laat? Zit ze nog aan tafel?' vroeg een dikke vrouw voor in de boot, terwijl ze haar op de steiger hielpen.

'Ja, ze zit nog aan tafel,' zei ik.

'Onder het staatsiebaldakijn en alles?' specificeerde ze.

'Precies zoals het hoort,' bevestigde ik.

Ze glimlachte. 'Ik heb het nog nooit eerder gezien, al heb ik mezelf dat pleziertje vaak beloofd,' zei ze. 'Kunnen we gewoon naar binnen lopen?'

'Daar is de ingang van de grote zaal,' wees ik haar.'Bij de deur staan soldaten, maar die laten u en uw familie wel binnen. Mag ik uw boot nemen?

Ik moet naar de stad.'

Ze gebaarde naar de vletterman dat hij kon gaan. 'Maar u moet ons wel weer komen halen,' zei ze tegen hem.

Ik stapte in de wiegende boot en wachtte tot we buiten gehoorsafstand waren. Toen zei ik dat hij naar het trapje bij de Fleet moest gaan. Ik wilde niet dat de wachters van het hof wisten waar ik naartoe ging. En weer liep ik schoorvoetend de straat naar onze winkel in. Ik wilde eerst zeker wetend dat er niemand geweest was, alvorens erheen te lopen. Plotseling bleef ik stokstijf staan. Tot mijn ontsteltenis zag ik, toen ik de hoek omsloeg, dat er ingebroken was. De deur stond wagenwijd open, in de donkere ingang scheen een flakkerend lichtje en er liepen twee of drie mannen in en uit. Buiten stond een grote kar met twee paarden te wachten. De mannen haalden een heleboel spullen uit de winkel; ik herkende de ingepakte manuscripten die we hadden opgeborgen toen mijn vader vertrok, en ik wist dat ze genoeg bewijsmateriaal zouden hebben om me wel twee keer aan de galg te brengen.

Ik dook weg in een donkere portiek en trok mijn muts diep over mijn ogen. Als ze de stapels manuscripten hadden gevonden, waren ze vast ook de kisten met verboden boeken op het spoor. Dan zouden we als verbreiders van ketterij bekend worden. Dan zou er een prijs op ons hoofd komen te staan. Ik kon me maar beter omdraaien, teruggaan naar de rivier en zo snel mogelijk zorgen dat ik op een schip naar Calais terechtkwam, want als ze ons in Londen te pakken kregen, waren mijn vader en ik er gloeiend bij.

Ik wilde net achterwaarts de steeg in glippen toen een van de schimmen in de winkel met een groot krat naar buiten kwam en dat achter op de wagen zette. Ik bleef even staan om te wachten tot hij weer de winkel in ging en er niemand meer op straat was, zodat ik de benen kon nemen, maar toen trof me iets aan de man, waardoor ik toch bleef staan. Zijn profiel kwam me op de een of andere manier bekend voor, en de kromming van de schouders als van een geleerde, plus de magere gestalte onder de versleten mantel.

Ik voelde mijn hart bonken van hoop en angst, maar ik trad niet naar voren, want ik was nog niet zeker van mijn zaak. Toen kwamen de twee andere mannen naar buiten; ze droegen een goed ingepakt onderdeel van de drukpers. De man vooraan was onze buurman en degene die de andere kant droeg was mijn verloofde, Daniel. Meteen begreep ik dat ze de winkel aan het leeghalen waren en dat we nog niet waren ontdekt.

'Vader! Mijn vader!' riep ik zacht uit, en ik sprong uit de donkere portiek de schemerige straat op. Toen hij mijn stem hoorde, schoot zijn hoofd omhoog en spreidde hij wijd zijn armen. Binnen een tel lag ik in zijn omhelzing en voelde ik zijn warme sterke armen om me heen, terwijl hij me tegen zich aan drukte alsof hij me nooit meer los zou laten.

'Hannah, mijn dochter, mijn meisje,' zei hij, en hij kuste me op mijn kruin.'Hannah, mijn dochter, mi querida!'

Ik keek op naar zijn gezicht, gerimpeld en ouder dan ik het me herinnerde, en zag dat hij ook mijn gelaatstrekken afspeurde. We begonnen tegelijk te praten.

'Ik heb je brief gekregen. Ben je in gevaar?'

'Vader, gaat het goed met u? Wat ben ik blij

We moesten lachen. 'Jij eerst,' zei hij. 'Ben je in gevaar? We zijn gekomen om je te halen.'

Ik schudde mijn hoofd. 'Godzijdank,' zei ik. 'Ze hebben me gearresteerd voor ketterij, maar ik ben weer vrijgelaten.'

Toen ik dat zei, keek hij snel om zich heen. Volgens mij zou iedereen in Engeland nu zo aan hem zien dat hij een Jood was, met die steelse, immer schuldbewuste blik van het Volk dat geen thuis had en dat nooit welkom was onder vreemden.

Daniel stak de kasseienstraat over, stapte over de goot heen en bleef abrupt voor ons staan.

'Hannah,' zei hij onhandig.

Ik wist niet wat ik moest zeggen. De laatste keer dat we elkaar hadden gezien had ik hem met een stoot venijn ontslagen van zijn verloving met mij, en hij had me gekust alsof hij in me wilde bijten. Daarna had hij me de meest hartstochtelijke brief geschreven die je je maar kunt voorstellen en hadden we ons opnieuw verloofd. Ik had hem laten komen om me te redden, en hij had er recht op om wel iets meer van me te krijgen dan alleen een neergeslagen blik en een gemompeld 'Hallo, Daniel'.

'Hallo,' zei hij, net zo tekortschietend als ik.

'Laten we naar binnen gaan,' zei mijn vader, terwijl hij nog een keer behoedzaam links en rechts de straat in keek. Hij ging me voor de drempel over en deed de deur achter ons dicht. 'We waren aan het inpakken en daarna zou Daniel je gaan halen. Waarom ben je hier?'

'Ik ben gevlucht van het hof,' zei ik. 'Ik durfde niet langer op u te wachten. Ik wilde naar jullie toe.'

'Waarom?' vroeg Daniel. 'Wat is er dan gebeurd?'

'Ze zijn mannen aan het arresteren die een complot gesmeed zouden hebben om de koningin af te zetten,' zei ik. 'Kardinaal Pole leidt het onderzoek en ik ben doodsbang voor hem. Ik dacht dat hij erachter zou komen waar ik vandaan kom, of dat hij..." Ik zweeg. Daniel keek me doordringend aan. 'Heb jij iets met dat complot te maken?' vroeg hij op de man af.

'Nee,'zei ik.'Niet echt.'

Hij keek me zo doordringend en sceptisch aan dat ik ervan bloosde.

'Maar wel genoeg,' bekende ik.

'Nou, gelukkig dan maar dat wij er zijn,' zei hij. 'Heb je al gegeten?'

'Ik heb geen honger,' zei ik. 'Ik help wel inpakken.'

'Mooi, want we hebben een schip dat met het tij van één uur vertrekt.'

Ik liet me van de drukkerskruk glijden en ging samen met Daniel, mijn vader en onze buurman aan de slag. We droegen kisten, vaten en onderdelen van de pers naar de kar. De paarden stonden er stil bij. Eén vrouw deed haar raam open en vroeg waar we mee bezig waren, en onze buurman ging naar haar toe en zei dat de winkel eindelijk verhuurd was en dat de rommel van de oude boekverkoper opgeruimd werd.

Tegen de tijd dat we klaar waren, was het bijna tien uur 's avonds en aan de hemel stond een late voorjaarsmaan, heerlijk warm en geel, die de straat verlichtte. Mijn vader ging met een zwaai achter op de kar zitten, en Daniel en ik op de bok. Onze buurman schudde iedereen de hand en wenste ons een goede reis. Daniel gaf de paarden het teken dat ze moesten gaan lopen, ze trokken de teugels strak en de kar kwam voorzichtig in beweging.

'Dit is net als de vorige keer,' vond Daniel. 'Ik hoop dat je dit keer niet weer van het schip springt.'

Ik schudde mijn hoofd. 'Dat zal ik niet doen.'

'Heb je geen beloften meer na te komen?' vroeg hij met een glimlach.

'Nee,' zei ik verdrietig. 'De koningin heeft mijn gezelschap niet nodig; ze wil niemand om zich heen hebben, alleen de koning, en ik denk niet dat hij ooit bij haar terugkomt. En de hofhouding van prinses Elizabeth mag dan beschuldigd worden van verraad, ze is wel de gunsteling van de koning. Ze kunnen haar misschien in de gevangenis zetten, maar ze zal nu niet gedood worden. Ze is vastbesloten om het te overleven en om te wachten.'

'Is ze niet bang dat de koningin haar overslaat en de kroon aan iemand anders geeft, aan Margaret Douglas of aan Mary Stuart misschien?'

'Ze heeft zich de toekomst laten voorspellen,' zei ik op zachte fluistertoon. 'En haar is verzekerd dat ze de troonopvolger wordt. Ze weet niet hoe lang ze zal moeten wachten, maar ze heeft er alle vertrouwen in.'

'En wie heeft haar de toekomst voorspeld?' vroeg hij schrander. Toen ik schuldbewust bleef zwijgen, knikte hij. 'Nou, dan denk ik dat je er dit keer echt verstandig aan doet om met me mee te gaan,' zei hij vlak.

'Ik ben al beschuldigd van ketterij,' zei ik. 'Maar weer vrijgelaten. Ik heb niks verkeerd gedaan.'

'Je hebt genoeg gedaan om minstens drie keer opgehangen te worden wegens verraad, gewurgd wegens hekserij en verbrand wegens ketterij,'

zei hij zonder ook maar een spoortje van een glimlach. 'Je zou op je knieën moeten liggen om me te smeken je mee te nemen.'

Het scheelde niet veel of ik had een verontwaardigde kreet geslaakt, maar toen zag ik dat hij me maar plaagde en glimlachte ik schoorvoetend. Hij begon meteen te glimmen, pakte mijn hand en bracht die naar zijn lippen. Zijn mond was warm op mijn vingers, ik kon zijn adem op mijn huid voelen en heel even zag, hoorde en dacht ik aan niets anders dan aan zijn aanraking.

'Je hoeft me niet te smeken,' zei hij zacht. 'Ik was je toch wel komen halen. Ik kan niet langer zonder je leven.'

De route die we namen bracht ons langs de Tower. Ik zag het niet echt, maar voelde dat Daniel verstijfde toen de lengende schaduw van Robert Dudleys gevangenis over ons heen viel.

'Weet je, ik kon er niets aan doen dat ik van hem hield,' zei ik met een klein stemmetje. 'Toen ik hem voor het eerst zag, was ik nog maar een kind en hij was de mooiste man die ik ooit van mijn leven gezien had en de zoon van de voornaamste man van Engeland.'

'Nou, nu ben jij een vrouw en is hij een verrader,' zei Daniel toonloos.

'En ben je van mij.'

Ik keek even naar opzij en glimlachte naar hem. 'Je zegt het maar, echtgenoot,' zei ik gedwee. 'Je zegt het maar.'

Het schip lag te wachten, precies zoals Daniel afgesproken had, en we moesten nog een paar uur hard doorwerken om alle onderdelen van de ontmantelde drukpers en de vaten en kratten met boeken en papieren in te laden. Toen waren we allemaal aan boord en duwden de matrozen af; de sloepen namen ons op sleeptouw en het schip voer langzaam de rivier af, geholpen door het afnemende tij. Mijn vader had een mand met eten meegenomen en we gingen aan dek zitten, waarbij we af en toe terugdeinsden voor een matroos die op een drafje langskwam om een bevel uit te voeren, en koude kip, vreemd smakende sterke kaas en hard knapperig brood aten.

'Aan deze kost moet je zien te wennen,' zei Daniel lachend tegen me.

'Dit eten ze in Calais.'

'Blijven we daar?' vroeg ik.

Hij schudde zijn hoofd. 'In Calais zijn we niet voor altijd veilig,' zei hij.

'Nog even en koningin Mary richt ook daar haar aandacht op. Het wemelt er van de gevluchte protestanten, lutheranen en erastianen, en alle moge-lijke soorten ketters, die graag zo snel mogelijk naar Frankrijk, Vlaanderen of Duitsland willen. En ook samenzweerders. En het koninkrijk Frankrijk heeft zijn eigen strijd met de hugenoten te leveren, of met wie ook die geen orthodoxe zoon van de Kerk is. Ik ben bang dat mensen zoals wij tussen die twee machten weggedrukt worden.'

Het bekende gevoel van onrechtvaardigheid kwam opzetten. 'Weggedrukt, maar waarnaartoe?' vroeg ik. Daniel glimlachte naar me en legde zijn hand op de mijne. 'Stil maar, liefje,' zei hij. 'Ik heb een thuis voor ons gevonden. We gaan naar Genua.'

'Naar Genua?'

'Daar zijn ze een gemeenschap voor Joden aan het stichten,' zei hij heel zacht. 'Daar mag het Volk zich vestigen. Ze willen de handelscontacten, het goud en het betrouwbare krediet dat het Volk met zich meebrengt. Daar gaan we naartoe. Een arts kan altijd werk vinden, en een boekverkoper kan altijd boeken aan de Joden verkopen.'

'En je moeder en je zussen dan?' vroeg ik. Ik hoopte dat hij zou zeggen dat zij in Calais zouden blijven, dat ze allemaal een echtgenoot en een woning in de stad hadden gevonden en dat we om de twee jaar bij hen op bezoek zouden gaan.

'Mary en mijn moeder gaan met ons mee,' zei hij. 'De andere twee hebben een goede betrekking en willen in Calais blijven, wat voor risico dat ook voor hen betekent. Sarah heeft kennis aan een christen en gaat misschien met hem trouwen.'

'Vind je dat niet erg?'

Daniel schudde zijn hoofd. 'Toen ik in Venetië en Padua was, heb ik veel meer geleerd dan de nieuwe wetenschappen alleen,' zei hij. 'Ik ben van mening veranderd over ons Volk. Ik denk nu dat we de gist van het christendom zijn. Het is onze taak om ons onder de christenen te begeven en hun onze kennis en vaardigheden bij te brengen, onze handelskwaliteiten en onze eer. Misschien krijgen we weer ooit ons eigen land, Israël. Dan zullen we het met zachte hand moeten besturen, want we weten hoe het is om met wrede hand bestuurd te worden. Maar we zijn niet geboren om ons te verschuilen en te schamen. We zijn geboren om onszelf te zijn en om er trots op te zijn dat we het uitverkoren volk zijn. Als mijn zus met een christen trouwt, brengt ze haar kennis en haar wijsheid over op haar gezin en daar zullen zij als christenen hun voordeel mee doen, al komen ze nooit te weten dat ze een Jodin is.'

'En gaan wij als Joden of als christenen leven?' vroeg ik. Hij keek me met een ontzettend warme glimlach aan. 'Wij zullen leven zoals het ons goeddunkt,' zei hij. 'Ik duld geen christelijke wetten die mij verbieden te studeren, ik duld geen Joodse wetten die mij verbieden te leven zoals ik wil. Ik zal boeken lezen waarin men zich afvraagt of de zon rond de aarde gaat of de aarde rond de zon, en ik zal varkensvlees eten als dat varken goed grootgebracht is, op de juiste wijze gedood en goed bereid. Ik accepteer geen beperkingen van mijn denkwereld of mijn daden, behalve die beperkingen waarvan ik het nut inzie.'

'En ik?' vroeg ik, want ik vroeg me af waar deze onafhankelijkheid ons zou brengen.

'Ja,' zei hij eenvoudig. 'Je brieven en alles watje ooit gezegd hebt hebben alleen betekenis voor mij als ik jou als mijn partner in deze onderneming beschouw. Ja. Jij zult je eigen weg moeten vinden, en ik hoop dat we het eens kunnen worden. We zullen een nieuwe manier van leven zoeken, een manier waarmee we onze ouders en hun geloof eer betonen, maar die ons wel de kans geeft om onszelf te zijn, en niet alleen kinderen van hen.'

Mijn vader, die een eindje bij ons vandaan zat en zijn best deed om niet mee te luisteren, gaapte niet erg overtuigend.'Ik ga slapen,' zei hij. Hij legde zijn hand op mijn hoofd. 'God zegene je, kind. Fijn om je weer bij me te hebben.' Hij sloeg zijn mantel om zich heen en ging op het koude dek liggen. Daniel stak zijn arm naar me uit. 'Kom hier, dan hou ik je warm,' zei hij. Ik had het helemaal niet koud, maar dat zei ik niet toen ik me in de cirkel van zijn arm begaf en me tegen het mysterie van zijn mannenlichaam aan vlijde. Ik voelde dat hij me zacht op mijn kortgeknipte haar kuste, en toen voelde en hoorde ik zijn ademhaling tegen zijn oor.

'O, Hannah,' fluisterde hij. 'Ik heb zo lang gedroomd dat je bij me was dat ik wel als een meisje kon huilen van verlangen.'

Ik giechelde. 'Daniel,' zei ik, de onbekende naam op mijn lippen proberend. Ik draaide mijn gezicht naar hem omhoog en voelde de warmte van zijn mond op de mijne - een kus die het merg in mijn botten deed smelten, zodat ik voelde dat we als een alchemistisch mengsel in elkaar opgingen, als een elixer van genot. Onder zijn mantel streelden zijn handen mijn rug, wurmden zich toen onder mijn buis en goed en streelden mijn borsten, mijn hals, mijn buik, en ik voelde dat ik me als een kat die geaaid werd uitstrekte. Ik fluisterde nog een keer: 'Daniel', en dit keer was het een uitnodiging. Voorzichtig verkende hij met zijn handen de contouren van mij n lichaam, als een vreemdeling in een nieuw land. Verlegen, maar met steeds groter wordende nieuwsgierigheid liet ik mijn vingers de zachte haartjes op zijn borst verkennen, de warmte van zijn huid onder zijn broek, en daarna de bijzondere vorm van zijn penis, die omhoogkwam en klopte onder mijn aanraking, terwijl Daniel kreunde van verlangen. Voor schaamte was de nacht te lang en de hemel te donker. Onder Daniels mantel trokken we allebei onze broek naar beneden en we paarden met een gemakkelijke, zelfverzekerde verrukking die ademloos begon en in extase eindigde. Ik had nooit geweten dat het zo zou voelen. Toen ik naar andere vrouwen en mannen aan het hof had gekeken, zelfs toen ik onder de aanraking van lord Robert had gebeefd, had ik niet geweten dat er zulk groot genot bestond. We lieten elkaar alleen los om even te dommelen, maar binnen een uur waren we weer wakker en gingen we verder. Pas toen we de hemel tussen de touwen links van ons licht zagen worden, dreef ik weg van rugkrommend verlangen en voldoening, en viel ik uitgeput in slaap. Toen ik 's ochtends wakker werd, was het koud en moest ik vlug, vlug mijn kleren aantrekken, voordat de matrozen konden zien wat we hadden uitgespookt. Aanvankelijk zag ik alleen de donkere contour van het land, maar daarna werd het langzaam duidelijk. Een reusachtig, sterk fort bewaakte de ingang van de haven. 'Fort Risban,' zei Daniel, die achter me stond, zodat ik tegen zijn warme borst kon leunen. 'Zie je de haven daarachter?'

Ik wipte iets omhoog en giechelde als een meisje toen ik voelde hoe zijn lichaam op mijn beweging reageerde. 'Waar dan?' vroeg ik, vrij onschuldig. Hij duwde me met een kreun van ergernis een stukje van zich af. 'Doe niet zo koket,' zei hij bot. 'Daar. Voor je. Dat is de grote haven en daar stromen de grachten vanuit de hele stad naartoe, dus het is niet alleen een stad met een slotgracht, maar ook een ommuurde stad.'

Toen het schip bij de haven aankwam, bleef ik aan de reling staan en keek naar de herkenningstekenen van deze stad met het gevoel - dat heel veel mensen van mijn volk wel kennen - dat ik hier weer opnieuw met mijn leven moest beginnen, dat ik hier weer opnieuw een thuis moest maken. Ik zou vertrouwd raken met deze daken met hun rode pannen die vlak boven de dikke stadsmuren uit te zien waren, en de kasseienstraatjes tussen de hoge huizen zouden mijn routes worden van de bakker en van de markt naar mijn huis. Deze vreemde geur, de geur van een haven in vol bedrijf: oude vis, de teerachtige geur van drogende netten, de verse geur van pasgezaagd hout, de schone geur van zilte wind - dit alles zou de be-kende smaak op mijn lippen en het parfum van mijn wollen mantel worden. Nog even en dit alles zou 'thuis' voor me betekenen, en over een tijdje zou ik me niet meer afvragen hoe het die ochtend met de koningin ging, beter of slechter, hoe het met Elizabeth ging, die ongetwijfeld geduldig wachtte, en hoe het met mijn heer ging, die vanuit het smalle raam van zijn gevangenis de zon zag opkomen. Al die gedachten, liefdes en loyaliteiten moest ik achter me laten om mijn nieuwe leven te verwelkomen. Ik was weggegaan van het hof, ik had de koningin in de steek gelaten, ik had Elizabeth aan haar lot overgelaten en ik had afscheid genomen van de man die ik aanbad: mijn heer. Nu zou ik voor mijn echtgenoot en mijn vader leven en zou ik leren om deel uit te maken van deze nieuwe familie: een man, drie zussen en mijn schoonmoeder.

'Mijn moeder wacht op ons.' Daniel drukte zich tegen me aan, tegen de reling van het schip, en zijn adem voelde warm tegen mijn haar. Ik drukte me tegen hem aan en voelde dat zijn lid zich bij mijn aanraking in zijn i

broek roerde, en ik drukte terug, want lichtzinnig verlangde ik alweer naar hem. Ik keek waar hij naar keek en zag haar staan, reusachtig, met haar armen voor haar brede borst geslagen, terwijl ze het dek van het schip af tuurde om te zien of haar weerspannige schoondochter dit keer haar plicht had gedaan en mee was gekomen.

Toen ze Daniel zag, stak ze ter begroeting haar hand op, en ik zwaaide terug. Ik was te ver weg om haar gezicht te kunnen zien, maar ik kon me voorstellen dat ze het zorgvuldig in de plooi hield.

'Welkom in Calais,' zei ze toen we de loopplank over liepen. Ze nam Daniel zonder een woord te zeggen vol aanbidding in haar armen. Hij wurmde zich los. 'Ik moet in de gaten houden of ze de pers wel uitladen,' zei hij tegen haar, en hij ging weer aan boord en liet zich met een zwaai in het ruim zakken. Mevrouw Carpenter en ik bleven alleen achter op de kade, een eiland van ongemakkelijk stilzwijgen tussen de mannen en vrouwen die om ons heen redderden.

'Dus hij heeft je gevonden,' zei ze, niet al te blij.

'Ja,'zei ik.

'En ben je nu wél klaar om met hem te trouwen?'

'Ja.'

'Die kleren moeten uit,' zei ze. 'In Calais wonen eerbiedwaardige mensen; die willen jou niet in een broek zien.'

'Dat weet ik,' zei ik. 'Ik ben in grote haast vertrokken, anders had ik me wel eerst omgekleed.'

'Dat zou beter zijn geweest.'

We deden er weer het zwijgen toe.

'Heb je je loon meegenomen?'

'Ja.' Haar toon stak me. 'Al mijn loon van de afgelopen twee kwartalen.'

'Dat zul je allemaal wel nodig hebben om kousen, jurken, onderjurken en mutsen te kopen. Je zult versteld staan van de prijzen.'

'Duurder dan in Londen kan het toch niet zijn.'

'Veel duurder,' zei ze vlak. 'Heel veel moet uit Engeland komen.'

'Waarom kopen we geen Franse spullen?' vroeg ik.

Ze trok een lelijk gezicht. 'O nee,' zei ze, maar ze nam niet de moeite uit te leggen waarom niet.

Daniel kwam er weer aan en was zo te zien blij dat we met elkaar aan het praten waren. 'Volgens mij is alles gelost,' zei hij. 'Je vader blijft hier bij de spullen en ik ga een kar halen.'

'Ik wacht wel bij hem,' zei ik vlug.

'Nee,' zei hij. 'Ga met moeder mee, dan kan ze je ons huis laten zien en kun je warm worden.'

Hij wilde mij vooral in gerieflijke omstandigheden hebben. Hij begreep niet dat ik helemaal niet met zijn moeder naar huis wilde om samen met zijn zussen te wachten tot de mannen klaar waren met hun werk en naar huis kwamen. 'Dan ga ik met jou samen die kar halen,' zei ik. 'Ik heb het niet koud.'

Zijn moeder wierp hem een blik toe en hij aarzelde. 'Je kunt niet met die kleren naar de werkplaats van de karrenman,' zei ze ferm. 'Je maakt ons allemaal te schande. Sla je mantel om je heen en ga met mij mee naar huis.'

Ze woonden in een mooi huisje aan de Londenstraat, tussen andere huizen geperst in een rij in de buurt van de zuidpoort van de stad. Op de bovenste verdieping waren drie slaapkamers; Daniels drie zussen sliepen samen in het grote bed in de kamer aan de achterkant van het huis, zijn moeder had een piepklein kamertje voor zichzelf en mijn vader sliep in de derde kamer. Daniel woonde het grootste deel van de tijd bij zijn leermeester, maar als hij bleef logeren sliep hij op een rolbed in de kamer van mijn vader. De verdieping eronder deed dienst als eetkamer en zitkamer voor de familie en op de begane grond was de winkel van mijn vader gevestigd, met uitzicht op de straat en met achterin een keukentje en bijkeuken. Op het plaatsje achter het huis hadden Daniel en mijn vader een afdak gebouwd en gedekt, en daaronder zou de drukpers in elkaar gezet worden en zijn plaats krijgen.

Alle drie de zussen van Daniel zaten in de zitkamer boven aan de trap klaar om ons te begroeten. Toen ik zag dat ze me van top tot teen bekeken en daarna elkaar zwijgend een blik toewierpen, was ik me scherp bewust van mijn door het reizen vuil geworden kleren en groezelige gezicht en handen.

'Dit zijn mijn dochters,' zei hun moeder. 'Mary, Sarah en Anne.'

Alle drie stonden ze op als een rij lieve kleine meisjes, maakten een reverence en gingen weer zitten. Door mijn livrei van page kon ik geen reverence maken, dus maakte ik een kleine buiging voor hen en zag dat ze grote ogen opzetten.

'Ik ga water koken,' zei mevrouw Carpenter.

'Ik help wel even,' zei Anne, en ze dook de kamer uit. De andere twee en ik keken elkaar vol zwijgzame afkeer aan.

'Heb je een goede overtocht gehad?' vroeg Mary.

'Ja, dank je wel.' De in vervoering doorgebrachte nacht aan dek en Daniel die me voortdurend aanraakte leken nu wel erg ver weg.

'En ga je nu met Daniel trouwen?'

'Mary! Alsjeblieft!' protesteerde haar zus.

'Ik zie niet in waarom ik dat niet zou mogen vragen. De verloving heeft nu wel lang genoeg geduurd. En als ze onze schoonzus wordt, hebben we het recht dat te weten.'

'Dat is iets tussen Daniel en haar.'

'Het gaat ons allemaal aan.'

'Ja, ik ga met hem trouwen,' zei ik, om een einde aan hun geruzie te maken. Ze draaiden hun frisse, nieuwsgierige gezichtjes naar me toe. 'O ja?' zei Mary. 'Dus je bent weg bij het hof?'

'Ja.'

'En je gaat niet terug?' vroeg de ander, Sarah.

'Nee,' zei ik, zonder spijt in mijn stem door te laten klinken.

'Denk je niet dat je het hier vreselijk saai zult vinden na het hofleven?

Daniel zei datje de gezelschapsdame van de koningin was en de hele dag met haar doorbracht.'

'Ik ga mijn vader helpen in de winkel, denk ik,' zei ik. Ze keken allebei dodelijk geschrokken, alsof het idee dat ik met boeken en de drukpers zou gaan werken nog afschrikwekkender was dan dat ik met Daniel zou trouwen en bij hen zou komen wonen.

'Waar gaan Daniel en jij slapen?' vroeg Mary.

'Mary! Hoe durf je?'

'Nou, ze kunnen moeilijk samen op het rolbed,' merkte ze alleszins redelijk op. 'En van moeder kun je niet verlangen dat ze een andere kamer neemt. En wij hebben altijd de beste slaapkamer gehad.'

'Dat maken Daniel en ik wel uit,' zei ik, een beetje vinnig. 'En als er hier niet genoeg ruimte is, nemen we een eigen woning.'

Mary slaakte een gilletje van schrik, net op het moment dat haar moeder de trap op kwam.

'Wat is er, kind?' vroeg ze.

'Hannah is nog geen vijf minuten in ons huis en zegt nu al dat Daniel en zij ergens anders gaan wonen!' riep Mary uit, bijna in tranen. 'Ze pakt ons Daniel nu al afl Ik wist het wel! Ik heb het wel gezegd: ze gaat alles verpesten!' Ze sprong op, rukte de deur open en rende de trap op naar haar kamer, waarbij ze de houten deur hard achter zich dicht liet slaan. Toen ze zich op het touwbed wierp, hoorden we het kraken.

'O, het is niet waar!' riep haar moeder verontwaardigd uit. 'Dit is bespottelijk!'

Ik wilde dat net beamen, maar toen zag ik dat ze beschuldigend mijn kant op keek.

'Hoe kun je Mary op je eerste dag al zo van streek maken?' vroeg ze streng. 'Iedereen weet dat ze gemakkelijk overstuur raakt, en dat ze van haar broer houdt. Je zult moeten leren om je mond te houden, juffrouw Hannah. Je bent nu lid van een familie. Je hebt niet het recht om maar als een nar te zeggen wat je voor de mond komt.'

Eén stomverbaasd ogenblik lang zei ik niets om mezelf te verdedigen. Toen zei ik met opeengeklemde kaken: 'Het spijt me.'