Le Mangerie

 

 

 

 

 

 

‘Schat, je ziet er goed uit,’ kirde de oudere, gebruinde dame, jaar of 55, tegen haar tien jaar jongere, maar even gebruinde vriendin. ‘Wat zullen we nemen? Waar hebben we zin in?’

De dames zaten in een hoek van Le Mangerie, een van de twee restaurants in de Koperen Hoogte, een hotel-restaurant-winkelcentrum gevestigd in een oude watertoren langs de A28, tussen Zwolle en Meppel, ter hoogte van een nederzetting die Lichtmis heet, maar die op de borden langs de snelweg niet wordt genoemd. Dedemsvaart en Havelte staan wel op die borden.

‘Ik neem een glaasje champagne,’ vervolgde de oudere dame, terwijl ze een grote Louis Vuitton-tas op schoot nam.

‘Lekker,’ zei haar vriendin.

‘Ik ben mijn leesbril vergeten, zie ik nu,’ vervolgde de oudere dame al rommelend in haar tas. ‘Lees jij de menukaart eens voor.’

De jongere vrouw pakte de kaart uit de standaard, sloeg hem open en las voor: ‘Lichtgebonden mosterdsoep met crème fraîche, spekjes en bieslook.’

‘Mmm,’ deed de oudere dame zuinig en ze wenkte een serveerster die verderop twee sigaren rokende heren bedienden die al een halfuur over een bouwproject in Dubai aan het praten waren, op een toon alsof Dubai op slechts enkele kilometers van Lichtmis lag, zeg in de buurt van Balkbrug.

‘Omelet gevuld met tomaat, parmaham en tuinkruiden.’

‘Twee glaasjes Moët & Chandon,’ zei de oudere dame tegen de serveerster die langszij was gekomen.

‘Natuurlijk, mevrouw,’ antwoordde die, en weg was ze.

‘Een salade van in spek gebakken geitenkaas met rucola en tomaat.’

‘Nee, brrr. Ik haat geitenkaas. Jij niet? Zeg, jij kent Sylvia wel, hè? Die is toch zo geestig. God, wat zei ze nou laatst? Ik heb zo vreselijk gelachen. Hè toe. Nou ja, het schiet me zo wel weer te binnen. Het had iets met geitenkaas te maken. Wat ruik jij trouwens lekker.’

‘Dank je.’

‘Wat is het?’

‘Allure, Chanel.’

‘Heerlijk,’ verzuchtte de oudere dame, en daar was de serveerster met de champagne. Achter haar passeerde een collegaatje met een grote stofzuiger. De glazen werden op tafel gezet, en de dames toostten naar elkaar en namen daarna gelijktijdig een klein, voorzichtig slokje. ‘Heerlijk,’ zei de oudste.

‘Oké. Wat nog meer,’ vervolgde de vriendin, ‘hier, oesters, creuses met sjalotjes. Een rundercarpaccio met truffelcrème, spekjes en Parmezaanse kaas. Lekker. Die neem ik, denk ik.’

‘Het tafeltje wipt,’ onderbrak haar vriendin. ‘Ik heb wel eens het idee dat ik altijd aan een wippend tafeltje zit. Jij ook?’ Ze nam een forse slok van haar champagne. Ze glimlachte naar de mannen verderop, die het nog steeds over het nabijgelegen Dubai hadden.

‘Of je neemt een biefstuk met friet,’ zei de vriendin, terwijl ze de menukaart terug in de standaard stak. Daarna wierp ze een blik over haar schouder om te kijken naar wie haar vriendin had gelachen.

‘Ik denk dat ik maar niets neem,’ zei de oudere dame. ‘Verdorie, ik zit nog steeds aan Sylvia te denken. Zo’n geestig mens. God, wat zei ze nou laatst ook alweer?’

‘Weet ik het,’ antwoordde de vriendin boos, en ze greep haar glas om een forse slok te nemen. Het ging een lange, natte lunch worden, onder de rook van Dubai.