Scheveningen

 

 

 

 

 

 

Aan de Dr. Lelykade in de haven van Scheveningen ligt een uitspanning die ’t Gulletje heet. Er liggen aan diezelfde kade trouwens nog meer uitspanningen: visrestaurant Ducdalf, ’t Kokkeltje, grillrestaurant Los Rancheros, twee Chinezen, eetcafé Het Brouwcafé, Ginza, een Japanse zaak, de Lemongrass, De Zoute Zoen, De Dagvisser en in een zijstraat café ’t Snuitje. Dit is nog maar een kleine greep, maar wie ’t Gulletje één keer heeft gezien, wil nergens anders meer naar binnen.

’t Gulletje is gevestigd in iets wat een kruising is tussen een loods, een keet en een noodvoorziening uit de jaren vijftig. Er hangt wit-roze geruite vitrage voor het raam, en op het dak wapperen vlaggetjes die al hun kleur hebben verloren. Binnen is het al niet veel beter, en zeker niet op een doordeweekse ochtend.

Er is een bar, van hout, er staan een paar tafels, met verschoten Perzische tapijtjes erop. Er zijn twee gokkasten en een sigarettenautomaat. Daarboven staat een grote, lichtgevende sneeuwpop met een hoed op. Bij de deur staat een oud Gispen-bureau, zonder stoel. Aan de muur hangen teksten als DOET U GEWOON, WANT IK KAN HET NIET en SNOEP VERSTANDIG, LIK M’N REET. De muziek staat hard.

Het is er niet druk.

Achter de bar staat een jonge vrouw die er moe uitziet. Aan een tafel bij het raam zit een oude vrouw die er ook moe uitziet. Beide gokkasten zijn bezet door oude mannen met gouden oorbellen. Beiden roken zware Van Nelle en hebben een pijpje Heineken onder handbereik. In het midden van de zaak zit nog een oude man, op een kruk. Ook hij rookt, en ook hij houdt zich vast aan een pijpje Heineken. Het wit van zijn ogen is net zo rood als zijn coltrui. Hij kijkt naar de grond.

Er is ook een kind – een klein, blond jongetje met een plastic driewieler en een grote zuigfles appelsap. Hij hoort bij de oude vrouw en rijdt zingend door de zaak. Het enige liedje dat hij kent, of dat hem vandaag te binnen schiet, is ‘O dennenboom’.

Buiten schijnt de zon.

Een van de mannen is uitgespeeld en komt naar de vrouw toe, die haar portemonnee tevoorschijn haalt en hem twintig euro overhandigt. De man sloft naar de bar, waar hij het biljet wisselt voor muntgeld. Even streelt hij het hoofd van het zingende jongetje. Daarna gaat hij terug naar de gokkast. Even later is de twintig euro op en komt hij terug aan tafel, nu gaat hij zitten.

‘Weg,’ zegt hij.

‘Ja,’ beaamt de vrouw.

‘Weg is weg, hè,’ zegt de man. De mededeling vat alles samen: heden, verleden en toekomst. De man kijkt naar buiten.

In de haven liggen plezierjachten en zeilboten. Aan de overkant staat een groot bord op een braakliggend stuk land. Hier wordt het Nautisch Centrum Scheveningen gerealiseerd, een complex van appartementen, kantoren en horeca dat uiteindelijk ook ’t Gulletje van de kaart zal vegen. Verderop liggen de schepen van rederij Trip. De eerste maten van Smokies ‘Living Next Door to Alice’ klinken. De oude vrouw zingt de oude hit mee, zo oud is ze dus nog niet. De man draait een shaggie uit een bijna leeg, maar keurig opgerold pakje. Het nieuwe, verse pakje ligt al klaar. Het kind zingt nog steeds ‘O dennenboom’. De andere gokker staat op dikke winst.