Leed

 

 

 

 

 

 

In de afdeling verborgen leed ving ik deze woorden op: ‘Iedereen kent mij, maar ik ken niemand.’ De spreker was een rossige man van een jaar of vijftig, met baard, maar zonder snor, iets wat ik altijd een beetje eng vind. Hij heette Kees en zat met zes vrouwen aan tafel, oudere dames die, te oordelen aan hun bemodderde schoeisel, uit wandelen waren geweest.

‘Laatst belde ik bij iemand aan,’ gaf Kees een voorbeeld, ‘en die vrouw die opendeed, riep meteen: “Hé, wat leuk, Kees! Ik heb nog bij jullie in de zandbak gespeeld!”’

De dames keken Kees aan.

‘Ik had geen flauw idee wie die vrouw was,’ vervolgde Kees, ‘maar mijn ouders hadden vroeger wél een zandbak in de tuin. Daar speelde de hele buurt in.’ Het klonk alsof Kees het daar als kind moeilijk mee had gehad, en de dames knikten.

‘Zo gaat het dus overal. Ik kom ergens binnen, en er is altijd wel iemand die mij kent. Alleen leraren van vroeger zijn een beetje blijven hangen, de namen dan, hè, niet de gezichten. Maar klasgenoten van vroeger, ik ken ze niet meer.’ Kees vertelde het met een zekere trots, maar toch spatte de eenzaamheid van hem af.

‘We moeten gaan,’ zei een van de dames. ‘Volgende week verder.’ De anderen knikten, iets te snel, alsof ze ineens van Kees af wilden, en ze stonden allemaal tegelijk op. Even later waren ze vertrokken, inclusief Kees, die bruine rubberlaarzen droeg en er een gebogen loopje op na hield, alsof het leven hem dagelijks op de rug ranselde.

Het was enkele minuten stil in het café. Ik was de enige klant. De uitbater ruimde de tafel van Kees en de dames op en neuriede mee met de radio: Pussycat. Everytime I hear this song, Mississippi roll along, until the end of time. Toen ging voorzichtig de deur open, en een man slofte binnen – jaar of veertig, snor, bril.

‘Hé, Willem,’ zei de uitbater, ‘het gaat niet goed met je, hè?’

‘Het gaat heel slecht,’ zei Willem, en hij hees zich op een barkruk. ‘Het gaat al twee weken heel erg slecht met me.’

‘Kut, zeg,’ mompelde de uitbater.

‘Ik slaap niet. Ik heb overal spierpijn. Alles doet zeer. Ik heb te veel witte bloedlichaampjes. En niemand weet wat het is. Ik heb maandag wéér bloed laten prikken. Morgen uitslag.’ De man sprak met hangend hoofd. Zijn ogen stonden dof.

‘Ach joh, dat heb je soms,’ probeerde de uitbater hem op te beuren, ‘ik had het vorige week. Ineens had ik het koud, joh, niet te geloven. Zelfs in bed, ik kreeg het niet meer warm.’

De zieke Willem was niet geïnteresseerd in andermans malaise, en hij wilde ook niet getroost worden. ‘De witte bloedlichaampjes zijn de soldaten van het bloed,’ sprak hij dramatisch. ‘Ze voeren oorlog daarbinnen. Maar waartegen? Ik heb iets, maar wat? Ik heb slaappillen gekregen. Antibiotica. Pijnstillers. Niets helpt. Ik heb het gevoel dat ik doodga.’

Daar had de uitbater niet van terug, maar tegelijkertijd had Willem nu zijn kruit verschoten. Bitter roerde hij in zijn koffie. De radio bracht ons Frans Bauer en Heb je even voor mij, maak wat tijd voor me vrij, maar de stemming klaarde er niet van op. Alleen de dood kon verlossing brengen.