Hoofdstuk 18
alleen thuis
HET WAS vijftien kilometer naar oom Andreas. Een week lang maakten vader en moeder alles in orde voor de reis, en aldoor dachten ze aan dingen die gedaan moesten worden als ze weg waren.
Zelfs toen moeder in het rijtuig stapte, was ze nog aan het praten.
„Denk erom, dat jullie iedere avond de eieren raapt," zei ze, „en, Eliza Jane, ik reken op jou om voor het karnen te zorgen. Doe niet te veel zout in de boter, doe hem in het kleine vat, en denk erom dat je hem afdekt. Denk erom, dat jullie niet de bonen en erwten plukt, die ik spaar voor zaad. En passen jullie allemaal goed op als we weg zijn..."
Ze trok haar hoepelrok omlaag tussen de bank en de schutplank. Vader spreidde het zeil erover.
„... en denk erom, Eliza Jane. Pas op met vuur; ga nooit het huis uit als er vuur in de kachel is, en denk er vooral om, dat jullie niet met elkaar harrewart als de kaarsen aan zijn, en ..."
Vader nam de teugels en de paarden trokken aan.
„... eet niet alle suiker op!" riep moeder achterom.
Het rijtuig draaide de weg op. De paarden begonnen te draven, en ze namen vader en moeder snel mee. Na een poosje was het geluid van de rijtuigwielen verklonken Vader en moeder waren weg.
Niemand zei iets. Zelfs Eliza Jane keek een beetje bang',, Het huis en de schuren en de akkers leken heel groot en leeg. Een hele week lang zouden vader en moeder vijftien kilometer ver weg zijn.
Opeens gooide Almanzo zijn hoed in de lucht en hij juichte. Alice was opeens in de wolken en ze riep:
„Wat doen we het eerst?"
Ze konden alles doen waar ze zin in hadden. Er was niemand om het te beletten.
„We gaan afwassen en de bedden opmaken," zei Eliza Jane bazig.
„Laten we roomijs gaan maken!" riep Royal.
Eliza Jane was dol op roomijs. Ze aarzelde en zei: „Nou..."
Almanzo holde Royal achterna naar het ijshuis. Ze groeven een blok ijs uit het zaagsel en deden het in een graanzak. Ze legden de zak op de achterstoep en sloegen er met bijlen op tot het ijs klein was. Alice kwam naar buiten om naar ze te kijken, terwijl ze eiwitten klopte in een schaal. Ze klopte ze met een vork tot ze zo stijf waren, dat ze de kom niet uit gleden als ze hem schuin hield.
Eliza Jane zette melk en room klaar en schepte suiker uit het vat in de voorraadkamer. Het was geen gewone ahornsuiker, maar witte suiker, die in de winkel was gekocht. Moeder gebruikte die alleen als er visite kwam. Eliza Jane schepte er zes koppen uit, en daarna streek ze de suiker glad die over was, en je kon bijna niet zien dat er iets af was.
Eliza Jane maakte een grote melkemmer vol roomvla. Ze zetten de emmer in een tobbe en legden er de sneeuwwitte brokken ijs met zout omheen, en ze dekten alles met een deken toe. Om de paar minuten haalden ze de deken eraf, maakten de emmer open en roerden in de roomvla, die aan het bevriezen was.
Toen hij bevroren was, haalde Alice schotels en lepels, en Almanzo haalde een cake en het vleesmes. Hij sneed enorme stukken cake af, terwijl Eliza Jane de schotels volschepte. Ze konden net zoveel roomijs en cake eten als ze wilden; er was niemand om het te verbieden.
Om twaalf uur hadden ze de hele cake opgegeten, en bijna al het roomijs. Eliza Jane zei, dat het etenstijd was, maar de anderen wilden niet eten.
Almanzo zei:
„Ik heb alleen maar zin in een watermeloen."
Alice sprong overeind. „Zalig! We gaan er een halen!"
„Alice!" riep Eliza Jane. „Jij komt ogenblikkelijk terug om de afwas van vanmorgen te doen!"
„Ik kom," riep Alice achterom, „als ik terug ben."
Alice en Almanzo gingen naar het hete meloenenveld, waar de meloenen bolrond bovenop de verwelkende, platte bladeren lagen. Almanzo tipte met een vinger tegen de groene schil, en luisterde. Als een meloen rijp klonk, was hij rijp, en als hij onrijp klonk, was hij onrijp. Maar als Almanzo zei, dat een meloen rijp klonk, vond Alice dat hij onrijp klonk. Er was eigenlijk geen goed middel om erachter te komen, hoewel Almanzo ervan overtuigd was, dat hij meer van meloenen wist dan meisjes. Tenslotte kozen ze zes van de grootste meloenen, en ze sleepten ze een voor een naar het ijshuis en zetten ze op het vochtige, koude zaagsel.
Daarna ging Alice naar huis om af te wassen. Almanzo zei, dat hij niets ging doen; misschien ging hij zwemmen. Maar zodra Alice uit het gezicht was, wipte hij de stallen door en ging hij stilletjes naar de wei waar de jonge paarden waren.
De wei was groot en de zon scheen heel heet. De lucht trilde en golfde van de warmte, en kleine insecten maakten schrille geluiden. Bes en Parel lagen in de schaduw van een boom, en hun veulentjes stonden vlakbij; ze bewogen hun kleine staartpluimen, en ze maakten wijdbeens een paar stapjes op hun hoge, wankele benen. De eenjarigen en de
tweejarigen en de driejarigen waren aan het grazen. Ze hieven allemaal hun hoofden op en keken naar Almanzo.
Hij liep langzaam naar ze toe en stak een hand uit. Er was niets in zijn hand, maar dat wisten ze niet. Hij wilde niets doen, hij wilde alleen dicht genoeg bij ze komen om ze te kunnen aaien. Sterrelicht en het andere veulentje holden op wankele poten naar hun moeders, en Bes en Parel hieven hun koppen op en keken, en legden ze toen weer neer. De jonge paarden spitsten allemaal hun oren.
Een jong paard stapte op Almanzo toe, en daarna een tweede. De zes jonge paarden kwamen allemaal naar hem toe. Almanzo wilde, dat hij wortels voor ze meegenomen had. Ze waren zo mooi en vrij en groot, ze schudden hun manen en lieten het wit van hun ogen zien. De zonneschijn glansde op hun sterke, gebogen halzen en op de spieren van hun lijven. Opeens zei een van hen: „Hoesj!"
Een schopte er en een gaf een schreeuw, en opeens gingen al hun koppen omhoog, al hun staarten gingen omhoog, en hun hoeven donderden over de grond. Al hun bruine dijen en hoge zwarte staarten waren naar Almanzo gekeerd. Als een donderende wervelwind liepen de zes paarden om de boom heen, en Almanzo hoorde ze achter zich.
Hij draaide zich vliegensvlug om. Hij zag hun stampende hoeven en zware lijven recht op zich af komen. Ze draafden te hard om in te houden. Er was geen tijd om uit de weg te gaan. Almanzo deed zijn ogen dicht; hij schreeuwde:
„Ho!"
De lucht en de grond trilden. Hij deed zijn ogen open. Hij zag bruine knieën zich verheffen in de lucht, een ronde buik en achterpoten vlogen over hem heen. Bruine flanken gingen donderend langs hem. Zijn hoed vloog af. Hij was stom van verbazing. Een van de driejarigen was over hem heen gesprongen. De jonge paarden donderden de wei door en Almanzo zag, dat Royal eraan kwam.
„Laat die paarden met rust!" riep Royal. Hij kwam 128 dichterbij en zei, dat hij Almanzo gratis een pak slaag zou geven dat hem zou heugen.
„Je weet heel goed, dat je geen kunsten met die paarden mag uithalen," zei Royal. Hij pakte Almanzo bij een oor. Almanzo liep op een drafje, maar de hele weg naar huis werd hij aan zijn oor meegetrokken. Hij zei dat hij niets had gedaan; Royal wilde niet luisteren.
„Als ik je nog één keer in die wei zie, vil ik je," zei Royal, „en zal ik het ook aan vader vertellen."
Almanzo liep weg en wreef zijn oor. Hij liep naar de Forelrivier en bleef in de zwemkolk zwemmen tot hij wat bijgetrokken was. Maar hij vond, dat het niet eerlijk was dat hij de jongste thuis was.
Die middag waren de meloenen koud, en Almanzo droeg ze naar het gras onder de denneboom op het erf. Royal stak het vleesmes in de bedauwde, groene schil, en iedere meloen was zo rijp, dat de schillen barstten.
Almanzo en Alice en Eliza Jane en Royal beten diep in de sappige, koude plakken, en ze aten tot ze niet meer konden. Almanzo nam de gladde, zwarte zaden tussen zijn vingers en schoot ze naar Eliza Jane tot ze het hem verbood. Toen at hij langzaam de laatste schijf meloen, en hij zei:
„Ik ga Lucy halen om de schillen op te eten."
„Dat laat je!" zei Eliza Jane. „Hoe kom je erbij! Een oud vies varken in de voortuin!"
„Ze is helemaal geen oud vies varken!" zei Almanzo. „Lucy is een klein, jong, schoon varken, en varkens zijn de schoonste beesten die er zijn. Je moest eens zien hoe schoon Lucy haar bed houdt, en hoe ze het iedere dag keert en lucht en opmaakt. Paarden doen dat niet, en koeien niet, en schapen niet, geen enkel beest. Varkens..."
„Ik zou zeggen, dat ik dat wel weet! Ik zou zeggen, dat ik net zoveel van varkens weet als jij!" zei Eliza Jane.
„Dan moet jij Lucy niet vies noemen! Ze is net zo schoon als jij!"
„Nou, moeder heeft gezegd, dat jij me moest gehoorzamen," antwoordde Eliza Jane. „En ik geef niet zomaar meloenschillen aan een varken. Ik ga de schillen inmaken."
„Die schillen zijn net zo goed van mij als van jou," begon Almanzo, maar Royal stond op en zei:
„Kom mee, 'Manzo. We moeten naar het vee."
Almanzo zei niets meer, maar toen het vee verzorgd was, liet hij Lucy uit haar hok. Het varkentje was zo wit als een lam, en ze hield van Almanzo. Haar krulstaartje krulde altijd nog meer als ze hem zag. Ze volgde hem vrolijk knorrend naar huis, en ze bleef bij de deur om hem staan roepen tot Eliza Jane zei, dat ze er doof van werd.
Na het avondeten nam Almanzo een bord met restjes en voerde die aan Lucy. Hij ging op de achterstoep zitten en krabde haar over haar borstelige rug. Dat vinden varkens prettig. In de keuken waren Eliza Jane en Royal aan het kibbelen over noga. Royal wilde noga maken en Eliza Jane zei, dat je alleen op winteravonden noga maakte. Royal zei, dat hij niet begreep waarom noga 's zomers niet even lekker zou zijn. Dat vond Almanzo ook, en hij liep naar binnen en koos de kant van Royal.
Alice zei dat ze wist hoe je noga moest maken. Eliza Jane wilde niet, maar Alice mengde suiker en stroop en water door elkaar en kookte dat; daarna goot ze de noga uit op ingevette borden en zette die op de stoep om af te koelen. Ze rolden hun mouwen op en vetten hun handen in met boter, klaar om de noga te trekken, en ook Eliza Jane vette haar handen in.
Intussen stond Lucy aldoor om Almanzo te roepen. Hij liep naar buiten om te kijken of de noga koud genoeg was, en hij vond dat zijn varkentje er iets van moest hebben. De noga was koud. Niemand keek, en daarom pakte hij een groot stuk van de zachte, bruine noga en gooide dat over de rand van de stoep in de wijdopen bek van Lucy.
Toen gingen ze de noga trekken. Ze trokken er lange strengen van en sloegen die dubbel en trokken opnieuw. Iedere keer als ze de noga dubbel sloegen, namen ze een hap.
Hij was vreselijk kleverig. Hij plakte aan hun tanden en hun vingers en hun gezichten; op een of andere manier kwam hij in hun haar en bleef daar plakken, en toen Almanzo een stuk op de vloer liet vallen, kleefde het eraan vast. Hij had hard en bros moeten worden, maar dat gebeurde niet. Ze trokken en ze trokken, maar hij bleef zacht en kleverig. Het was ver over bedtijd toen ze het opgaven en naar bed gingen.
De volgende morgen, toen Almanzo naar de stal ging, stond Lucy op het erf. Haar staart hing slap en haar kop hing omlaag. Ze riep niet toen ze hem zag. Ze schudde verdrietig haar kop en trok met haar neus.
Waar haar witte tanden hadden moeten zijn, zat een gladde bruine streep.
Lucy's tanden zaten aan elkaar gekleefd met noga! Ze kon niet eten, ze kon niet drinken, ze kon niet eens gillen. Ze kon niet knorren. Maar toen ze Almanzo eraan zag komen, holde ze weg.
Almanzo riep om Royal. Ze joegen achter Lucy aan, om het hele huis heen en tot onder de sneeuwbalstruiken en de seringen. Ze joegen haar de hele moestuin door. Lucy keerde zich en wendde zich en dook omlaag en holde zo hard als ze kon. Ze gaf geen enkel geluid; ze kon niet. Haar bek zat vol noga.
Ze holde tussen Royals benen door en gooide hem om. Almanzo kreeg haar bijna te pakken en viel languit op zijn neus. Ze rende door de bonen, en ze kneusde de rijpe tomaten en ze ontwortelde de ronde groene kolen. Eliza Jane riep aldoor, dat Royal en Almanzo haar moesten vangen. Alice holde achter haar aan.
Eindelijk kregen ze haar in een hoek. Ze schoot om de rokken van Alice heen. Almanzo liet zich bovenop haar vallen en pakte haar beet. Ze schopte en maakte een grote scheur in de voorkant van zijn bloes.
Almanzo hield haar vast. Alice hield haar schoppende achterpoten vast. Royal wrikte haar bek open en schraapte de noga eruit. Wat gilde Lucy toen! Ze gilde alle gillen, die ze de hele nacht opgespaard had en alle gillen die ze niet kon gillen toen ze achter haar aanjoegen, en ze holde krijsend naar haar hok.
„Almanzo James Wilder, kijk hoe je eruit ziet!" keef Eliza Jane. Hij kon het zelf niet zien, en hij wilde het ook niet.
Zelfs Alice was verontwaardigd, omdat hij noga aan een varkentje had gegeven. En zijn bloes was bedorven; hij kon versteld worden, maar je zou het blijven zien.
„Het kan me niet schelen," zei Almanzo. Hij was blij dat het een hele week duurde voor moeder het zou weten.
Die dag maakten ze weer ijs, en ze aten de laatste cake op. Alice zei dat ze wist hoe je een botercake moest bakken. Ze zei dat ze er een zou maken, en daarna wilde ze in de voorkamer zitten.
Almanzo vond, dat daar niets aan was. Maar Eliza Jane zei:
„Alice, dat gebeurt niet. Je weet heel goed, dat de kamer alleen voor visite is."
Het was Eliza Jane's kamer niet, en moeder had niet gezegd, dat ze er niet in mocht zitten. Almanzo vond, dat Alice in de kamer kon gaan zitten als ze er zin in had.
Die middag liep hij de keuken in om te kijken of de botercake klaar was. Alice haalde hem uit de oven. Hij rook zo lekker, dat hij een stukje van de rand afbrak. Daarna sneed Alice er een plak af om het afgebroken stuk te verbergen, en daarna aten ze nog een paar plakken, met het laatste roomijs.
„Ik kan nog meer ijs maken," zei Alice.
Eliza Jane was boven en Almanzo zei:
„Ga mee naar de zitkamer."
Ze liepen op hun tenen naar binnen, zonder geluid te maken. Het was er schemerig, omdat de blinden neer waren, maar de zitkamer was prachtig. Het behang was wit met goud, en het vloerkleed was van het mooiste weefsel, dat moeder gemaakt had, bijna te mooi om op te lopen. De tafel in het midden had een marmeren bovenblad, en daarop stond de grote wit-met-gouden porseleinen kamerlamp met de rose geschilderde rozen erop. Daarnaast lag het foto-album met z'n band van rood fluweel en paarlemoer.
Langs de wanden stonden plechtige paardeharen stoelen, en de beeltenis van George Washington keek streng vanuit zijn lijst tussen de ramen.
Alice trok haar hoepelrokken vanachteren op en ging op de sofa zitten. Ze gleed meteen van de gladde paardeharen stof op de vloer. Ze durfde niet hardop te lachen, omdat ze bang was dat Eliza Jane haar zou horen. Ze ging weer op de sofa zitten en gleed weer omlaag. Toen gleed Almanzo van een stoel af.
Als er bezoek was, en ze in de kamer moesten zitten, bleven ze op de gladde stoelen zitten door hun tenen stevig tegen de grond te drukken. Maar nu konden ze zich omlaag laten glijden. Ze gleden van de bank en de stoelen, tot Alice zo hard giechelde dat ze niet meer durfden te glijden.
Toen keken ze naar de schelpen en het koraal en de kleine porseleinen beeldjes op het hoekkastje. Ze raakten niets aan. Ze bleven kijken tot ze Eliza Jane de trap af hoorden komen; toen holden ze op hun tenen de kamer uit en ze deden de deur geluidloos dicht. Eliza Jane betrapte ze niet.
Het leek of een week eeuwig zou duren, maar opeens was hij om. Op een morgen zei Eliza Jane aan het ontbijt:
„Morgen komen vader en moeder terug."
Ze hielden allemaal op met eten. De tuin was niet gewied. De erwten en bonen waren niet geplukt, waardoor alles tegelijk rijp werd. Het kippenhok was niet gewit.
„En het huis ziet er uit," zei Eliza Jane. „En we moeten vandaag karnen. En wat moet ik tegen moeder zeggen? Alle suiker is op."
Niemand at meer. Ze keken in het suikervat, en ze konden de bodem zien.
Alleen Alice probeerde opgewekt te zijn.
„We moeten er het beste van hopen," zei ze net als moeder. „Er is nog een beetje suiker over. Moeder zei: 'Maak niet alle suiker op,' en dat hebben we niet gedaan. Er zit nog een beetje langs de kanten."
Dat was nog maar het begin van die akelige dag. Ze gingen allemaal zo hard als ze konden aan het werk. Royal en Almanzo wiedden de tuin, ze witten het kippenhok, ze maakten de koeienstallen schoon en ze veegden de schuurvloer. De meisjes veegden en schrobden het huis. Eliza Jane liet Almanzo karnen tot de boter kwam, en haar handen vlogen heen en weer terwijl ze de boter waste en zoutte en in de ton pakte. Als middageten kregen ze alleen brood met boter en jam, hoé wel Almanzo omkwam van de honger.
„Almanzo, poets jij nu de kachel," zei Eliza Jane.
Hij had een hekel aan kachelpoetsen, maar hij hoopte, dat Eliza Jane niet zou verklappen, dat hij noga aan zijn varken had gegeven. Hij ging aan het werk met de kachelpoets en de borstel. Eliza Jane joeg hem op en had van alles aan te merken.
„Pas op dat je geen poets morst," zei ze, terwijl ze druk aan het stoffen was.
Almanzo dacht, dat hij wijs genoeg was om geen kachel-poets te morsen. Maar hij zei niets.
„Gebruik niet zoveel water, Almanzo. En, lieve help, poets wat harder!" Hij zei niets.
Eliza Jane liep de zitkamer binnen om er te stoffen. Ze riep: „Almanzo, is die kachel nou klaar?"
„Nee," zei Almanzo.
„Grote goedheid! Treuzel niet zo!"
Almanzo mopperde: „Ben jij de baas hier?"
Eliza Jane vroeg: „Wat zei je?"
„Niets," zei Almanzo.
Eliza Jane kwam in de deur staan. „Je zei wèl iets."
Almanzo kwam overeind en riep: „Ik zei, BEN JIJ DE BAAS HIER?"
Eliza Jane's mond viel open. Toen riep ze:
„Wacht jij maar, Almanzo James Wilder! Wacht jij maar tot ik moeder vertel..."
Almanzo had de kachelborstel niet willen gooien. Hij vloog opeens uit zijn hand. Hij zeilde langs het hoofd van Eliza Jane. Pats! sloeg hij tegen de kamerwand.
Er verscheen een dikke klodder en een veeg kachelpoets op het wit met gouden behang.
Alice gilde. Almanzo draaide zich om en holde regelrecht naar de schuur. Hij klom in de hooiberg en kroop diep in het hooi. Hij huilde niet, maar hij zou gehuild hebben als hij niet bijna tien jaar was geweest.
Moeder zou thuis komen en merken, dat hij haar mooie kamer bedorven had. Vader zou hem meenemen naar de houtschuur en hem slaan met de zweep. Hij wilde nooit meer de hooiberg uit. Hij wou, dat hij er altijd kon blijven.
Na een hele tijd kwam Royal bij de hooiberg en riep hem. Hij kroop uit het hooi en hij zag dat Royal het wist.
„Mannie, wat zul jij een pak slaag krijgen," zei Royal. Het speet Royal, maar hij kon er niets aan doen. Ze wisten allebei, dat Almanzo een pak slaag verdiend had, en vader zou het zeker te weten komen. Daarom zei Almanzo:
„Het kan me niet schelen."
Hij hielp met het stalwerk, en hij at zijn avondeten. Hij had geen honger, maar hij at, om Eliza Jane te laten zien dat het hem niet schelen kon. Toen ging hij naar bed. De deur naar de zitkamer was dicht, maar hij wist hoe de klodder kachelpoets eruit zag op de wit met gouden wand.
De volgende dag kwamen vader en moeder het erf oprijden. Almanzo moest met de anderen mee om ze te begroeten. Alice fluisterde: „Zit toch niet in de put. Misschien vinden ze het niet erg." Maar ook zij keek angstig.
Vader zei opgewekt: „Zo, daar zijn we. Is alles goed gegaan?"
„Ja, vader," antwoordde Royal. Almanzo ging niet mee om de paarden uit te spannen; hij bleef in huis.
Moeder liep heen en weer en keek naar alles, terwijl ze haar hoedelinten losstrikte.
„Op m'n woord, Eliza Jane en Alice," zei ze, „jullie hebt het huis net zo netjes onderhouden als ik het zelf gedaan zou hebben."
„Moeder," zei Alice met een klein stemmetje. „Moeder..."
„Ja kind, wat is er?"
„Moeder," zei Alice dapper, „u zei, dat we niet alle suiker op mochten eten. Moeder, we... we hebben bijna alles opgegeten."
Moeder lachte. „Jullie hebt zo goed opgepast," zei ze, „dat ik jullie geen standje zal geven over de suiker."
Ze wist niet dat de zwarte vlek op de kamerwand zat. De deur naar de zitkamer was dicht. Ze wist het die dag niet en ook de volgende dag niet. Almanzo kon aan tafel zijn eten bijna niet naar binnen krijgen, en moeder werd ongerust. Ze nam hem mee naar de provisiekamer en liet hem een volle lepel van een akelig zwart drankje drinken, dat ze van wortels en kruiden had gemaakt.
Hij wilde niet dat ze het wist van de zwarte vlek, en toch wenste hij dat ze het wel wist. Als het ergste achter de rug was, hoefde hij niet bang meer te zijn.
Die tweede avond hoorden ze een rijtuig het erf op rijden. Daar zaten meneer en mevrouw Webb in. Vader en moeder hepen naar buiten om ze te verwelkomen, en even later kwamen ze allemaal de eetkamer in. Almanzo hoorde moeder zeggen:
„Gaat u meteen mee naar de zitkamer?"
Hij kon zich niet bewegen. Hij kon niets zeggen. Dit was erger dan alles wat hij had kunnen bedenken. Moeder was zo trots op haar mooie kamer. Ze was er trots op, dat hij er altijd keurig uitzag. Ze wist niet, dat hij hem bedorven had, en nu nam ze visite mee naar binnen. Ze zouden die grote zwarte vlek op de wand zien.
Moeder deed de kamerdeur open en ging naar binnen. Mevrouw Webb ging naar binnen, en meneer Webb en vader. Almanzo zag alleen hun ruggen, maar hij hoorde de blinden omhoog gaan. Hij zag dat de kamer vol licht was. Hij vond dat het lang duurde voor iemand iets zei.
Toen zei moeder:
„Neemt u deze grote stoel, meneer Webb, en maak het u gemakkelijk. Gaat u hier op de sofa zitten, mevrouw Webb."
Almanzo kon zijn oren niet geloven. Mevrouw Webb zei:
„U hebt zo'n prachtige kamer; hij is bijna te mooi om in te zitten."
Nu kon Almanzo zien waar de poetsborstel de wand had geraakt, en hij kon zijn ogen niet geloven. Het behang was zuiver wit met goud. Er was geen zwarte plek.
Moeder kreeg hem in het oog en zei:
„Kom binnen, Almanzo."
Almanzo ging naar binnen. Hij zat kaarsrecht op een paardeharen stoel en drukte zijn tenen tegen de grond om er niet af te glijden. Vader en moeder vertelden alles van hun bezoek aan oom Andreas. Er zat nergens een zwarte plek op de wand.
„Was u niet bezorgd om de kinderen hier alleen te laten, terwijl u zo ver weg was?" vroeg mevrouw Webb.
„Nee," zei moeder trots. „Ik wist dat de kinderen net zo goed voor alles zouden zorgen, alsof James en ik thuis waren."


Almanzo gedroeg zich zoals het hoorde en zei geen woord.
De volgende dag, toen niemand keek, sloop hij de zitkamer in. Hij bekeek zorgvuldig de plek waar de zwarte klodder gezeten had. Het behang was overgeplakt. Het nieuwe stuk was zorgvuldig om de gouden kringen uitgeknipt; het patroon paste precies en de randen van het ingezette stuk waren zo dun afgeschuurd, dat hij ze nauwelijks kon vinden.
Hij wachtte tot hij met Eliza Jane alleen was en toen vroeg hij:
„Eliza Jane, heb jij het behang voor me overgeplakt?"
„Ja," zei ze. „Ik heb de stukjes behang opgezocht, die op zolder weggelegd waren, en er een stuk uitgeknipt en het met stijfsel opgeplakt."
Almanzo zei nors:
„Het spijt me dat ik die borstel naar je toegooide. Eerlijk, het was niet m'n bedoeling, Eliza Jane."
„Ik denk dat ik overdreef," zei ze. „Maar dat was niet m'n bedoeling. Jij bent het enige jongere broertje dat ik heb."
Almanzo had nog nooit eerder geweten hoe graag hij Eliza Jane mocht.
Ze hebben het nooit en nooit verteld van de zwarte plek op de kamerwand, en moeder heeft het nooit geweten.