Hoofdstuk 15

nachtvorst

HET WAS een koud, laat voorjaar. De vroege morgens waren kil en de middagzon was koud. De bomen liepen langzaam uit; de erwten en bonen, de wortels en de mais stonden te wachten op de warmte, en groeiden niet.

Toen de ergste drukte van het voorjaars werk achter de rug was, moest Almanzo weer naar school. Alleen kleine kinderen gingen in het voorjaar naar school, en hij wilde dat hij oud genoeg was om thuis te blijven. Hij vond het niet prettig om stil te zitten en te leren als er zoveel belangrijke dingen te doen waren.

Vader reed met de schapewol naar de kaarderij in Malone en hij bracht zachte, lange rollen wol, die recht en glad gekaard waren, terug. Moeder kaardde haar eigen wol niet meer, nu er een machine was, die het deed voor een deel van de gebrachte wol. Maar ze verfde hem wel.

Alice en Eliza Jane zochten wortels en schors in het bos, en Royal maakte hoge vuren op het erf. Ze kookten de wortels en de schors in grote vaten boven de vuren, en ze doopten de lange strengen wollen garen, die moeder gesponnen had, erin en tilden ze er op stokken uit, helemaal bruin en rood en blauw gekleurd. Toen Almanzo uit school thuis kwam, hingen de waslijnen vol gekleurde strengen.

Moeder was ook zachte zeep aan het maken. De hele winter was de houtas in een ton bewaard; nu werd er water overheen gegoten, en er drupte loog uit het gaatje in de bodem van de ton. Moeder mat de loog af in een grote pot, en ze deed er de zwoerden en alle restjes varkensvet en rundvet in, die ze de hele winter bewaard had. De pot kookte, en de loog en het vet werden samen zeep.

Almanzo had de vuren brandend kunnen houden; hij had de bruine, gladde zeep uit het vat kunnen scheppen en er de bakken mee kunnen vullen. Maar hij moest naar school.

Hij lette nauwkeurig op de maan, want als het in mei nieuwe maan was, mocht hij thuis blijven van school om pompoenen te zaaien.

Op een koude, vroege morgen bond hij een zak pompoenezaad om zijn middel en hij ging naar het maisveld. Over de hele donkere akker lag nu een dunne groene sluier van onkruid. De kleine blaadjes van de mais groeiden niet goed, omdat het zo koud was.

Bij ieder tweede maisheuveltje, in iedere tweede rij, knielde Almanzo neer en nam een dun, plat pompoenezaadje tussen duim en wijsvinger. Hij duwde het zaad met de spitse punt naar beneden de grond in.

Eerst was het koud werk, maar al gauw stond de zon hoger. De lucht en de aarde roken lekker, en het was leuk om je vinger en duim in de zachte grond te steken en het zaad er achter te laten om te groeien.

Dag na dag werkte hij, tot al het pompoenezaad in de grond was, en toen vroeg hij of hij de wortelen mocht hakken en uitdunnen. Hij hakte alle onkruid uit de lange rijen weg, en hij trok de kleine, geveerde wortelblaadjes uit, tot de overblijvende vijf centimeter uit elkaar stonden.

Hij maakte helemaal geen haast. Nog nooit had iemand zoveel zorg aan de wortelen besteed als hij, omdat hij niet naar school wilde. Hij deed er net zo lang over tot er nog maar drie schooldagen over waren; toen was de voorjaarscursus van de school om en kon hij de hele zomer werken.

Eerst hielp hij met het hakken van het maisveld. Vader ploegde tussen de rijen, en Royal en Almanzo maakten met de hak elk stukje onkruid dood dat over was, en ze hakten om alle maisheuveltjes de grond open. Klap, klap, deden de hakken de hele dag, en ze maakten de aarde los om de jonge maisscheuten en om de eerste twee platte pompoeneblaadjes.

Almanzo hakte bijna een hektare mais, en daarna hakte hij een kleine hektare aardappelen. Toen was het werken met de hak voor een poosje klaar, en nu was het aardbeien-tijd.

Er waren weinig wilde aardbeien dat jaar en ze waren laat, omdat de nachtvorst de eerste bloemen gedood had. Almanzo moest diep het bos in om zijn emmer gevuld te krijgen met de kleine, zoete, geurige aardbeien.

Als hij ze dicht op elkaar onder de groene bladeren vond hangen, kon hij het niet laten om ervan te eten. Hij nipte de groene takjes van de winterbessen af en at die ook. En hij knabbelde de zoetzure stengels van de klaverzuring op tot aan de tere, lavendelkleurige bloemen. Hij bleef staan om steentjes te gooien naar de spelende eekhorens, en hij liet zijn emmer bij beekoevers staan om door het water te lopen en achter visjes aan te jagen. Maar hij ging nooit naar huis voor zijn emmer vol was.

Dan aten ze aardbeien met room bij het avondeten, en de volgende dag ging moeder aardbeienjam maken.

„Ik heb de mais nog nooit zo langzaam zien groeien," zei vader bezorgd. Hij ploegde de akker nog een keer en weer hielp Almanzo Royal met het hakken van de mais. Maar de jonge scheuten stonden stil. Op de eerste juli stonden ze nog maar tien centimeter hoog. Het was of ze voelden dat er gevaar dreigde en daarom niet durfden groeien.

Het was drie dagen voor Onafhankelijkheidsdag, de vierde juli. Toen was het nog twee dagen. Toen was het nog één dag, en die avond moest Almanzo een bad nemen, hoewel het geen zaterdag was. De volgende morgen zouden ze allemaal naar het feest in Malone gaan. Almanzo kon bijna niet wachten tot het morgen was. Er zou muziek zijn, en redevoeringen, en het koperen kanon zou afgevuurd worden.

De lucht was die avond stil en koud, en de sterren zagen er winters uit. Na het eten ging vader nog eens naar de stallen. Hij sloot de deuren en de kleine houten ramen van de paardestallen, en hij zette de schapen die lammeren hadden in de schapestal.

Toen hij binnen kwam, vroeg moeder of het warmer was. Vader schudde zijn hoofd.

„Ik geloof werkelijk dat het gaat vriezen," zei hij.

„Ach kom, vast niet!" antwoordde moeder. Maar ze keek bezorgd.

In de loop van de nacht kreeg Almanzo het koud, maar hij was te slaperig om er iets aan te doen. Toen hoorde hij moeder roepen:

„Royal! Almanzo!" Hij was te slaperig om zijn ogen open te doen.

„Jongens, opstaan! Maak voort!" riep moeder. „De mais is bevroren!"

Hij rolde uit bed en trok zijn broek aan. Hij kon zijn ogen niet open houden, zijn handen stonden verkeerd, en hij geeuwde zijn kaken bijna uit elkaar. Hij strompelde achter Royal aan de trap af.

Moeder en Eliza Jane en Alice zetten hun mutsen op en sloegen hun doeken om. De keuken was koud; de kachel was niet aangemaakt. Buiten leek alles vreemd. Het gras was wit van de rijp, en er stond een koude groene streep aan de oostelijke hemel, maar alles was donker.

Vader spande Bes en Parel voor de wagen. Royal pompte de waterbak vol. Almanzo hielp moeder en de meisjes met het halen van tobben en emmers, en vader zette vaten in de wagen. Ze vulden de tobben en vaten met water, en daarna liepen ze achter de wagen aan naar het mais veld.

Alle mais was bevroren. De kleine blaadjes waren stijf en braken als je ze aanraakte. Alleen koud water kon het leven van de mais redden. Ieder heuveltje moest begoten worden voor de zon erop ging schijnen, want anders zouden de kleine plantjes sterven. Dan zou er dat jaar geen maisoogst zijn.

De wagen bleef staan bij de akkerrand. Vader en moeder en Royal en Eliza Jane en Alice en Almanzo vulden hun emmers met water, en ze gingen allemaal zo vlug als ze konden aan de slag.

Almanzo probeerde voort te maken, maar de emmer was zwaar en zijn benen waren kort. Zijn natte vingers waren koud, het water kletste tegen zijn benen, en hij was vreselijk slaperig. Hij strompelde langs de rijen, en bij ieder maisheuveltje goot hij een beetje water over de bevroren blaadjes.

De akker leek reusachtig. Er waren duizenden en duizenden maisheuveltjes. Almanzo begon honger te krijgen. Maar er was geen tijd om te klagen. Hij moest voortmaken, voortmaken, voortmaken, om de mais te redden.

Het groen in het oosten werd rose. Het werd ieder ogenblik lichter. Eerst had de duisternis als een mist over de onafzienbare akker gelegen, maar nu kon Almanzo tot het eind van de lange rijen kijken. Hij probeerde harder te werken.

Plotseling werd de aarde van zwart grijs. De zon, die de mais ging doden, kwam op.

Almanzo holde om zijn emmer te vullen; hij holde terug. Hij holde langs de rijen en plensde het water over de maisheuveltjes. Zijn schouders deden pijn en zijn arm deed pijn en hij had pijn in zijn zij. De losse aarde bleef aan zijn voeten kleven. Hij had een verschrikkelijke honger. Maar iedere plens water redde een maisheuveltje.

In het grauwe licht wierp de mais nu flauwe schaduwen. Opeens viel er bleek zonlicht over de akker.

„Doorgaan!" riep vader. En ze gingen allemaal door; ze hielden niet op. 

Maar na een poosje gaf vader het op. „Het hoeft niet meer!" riep hij.

Niets kon de mais redden als de zon er eenmaal op geschenen had.

Almanzo zette zijn emmer neer en strekte zijn rug tegen de pijn. Hij stond naar het maisveld te kijken. Ook de anderen stonden te kijken en ze zeiden niets. Ze hadden bijna alles begoten. Een klein stukje was niet begoten. Dat was verloren.

Almanzo stapte terug naar de wagen en klom erop. Vader zei:

„Laten we dankbaar zijn, dat we het meeste gered hebben."

Ze reden slaperig terug naar de schuren. Almanzo was nog niet goed wakker, en hij was moe en koud en hongerig. Hij deed het morgenwerk onhandig. Maar de meeste mais was gered.