Hoofdstuk 2
Wintermiddag
DE LUCHT was nog ijskoud en de takken kraakten in de kou. Er hing een vaal licht boven de sneeuw, maar in de bossen begon het te schemeren. Het werd donker toen Almanzo de laatste lange helling naar de boerderij opsjouwde.
Hij stapte achter Royal aan, die achter meneer Corse aan stapte. Alice liep snel achter Eliza Jane aan, in het andere sledespoor. Ze hielden hun monden bedekt tegen de kou en ze zeiden niets.
Het dak van het grote, roodgeschilderde huis droeg een kussen van sneeuw, en aan alle dakranden hing een franje van lange ijspegels. De voorkant van het huis was donker, maar er liep een sledespoor naar de grote schuren, en er was een pad geschept naar de zijdeur, en er scheen kaarslicht door de keukenramen.
Almanzo ging het huis niet in. Hij gaf de etensemmer aan Alice en hij ging naar de schuren met Royal.
Er lagen drie lange, enorme schuren langs drie kanten van de vierkante binnenplaats. Zoals ze daar lagen, waren het de mooiste schuren van de hele streek.
Almanzo liep eerst de paardenschuur in. Die lag tegenover het huis, en hij was dertig meter lang. De rij boxen voor de paarden was in het midden; aan een kant was de kalverstal en daarachter het warme kippenhok; aan de andere kant was de rijtuigafdeling. Die was zo groot, dat twee rijtuigen en een slee naar binnen konden rijden en er nog genoeg ruimte overbleef om de paarden uit te spannen. De paarden gingen van de rijtuigschuur hun stallen in, zonder de kou weer in te moeten.

De grootste schuur begon aan de westkant van de paardenstal en vormde de westkant van het binnenerf. Middenin die grote schuur was een ruime deel. Er waren grote openslaande deuren aan de kant van de weiden, om de opgeladen hooiwagens binnen te laten. Aan de ene kant was de grote hooiberg, vijftien meter lang en zes meter breed, propvol hooi, tot aan de nok van het hoge dak.
Achter die deel lagen veertien plaatsen voor koeien en ossen. Daarachter was de schuur voor de machines en daarachter was de werkplaats. Daarna ging je de hoek om en de zuidelijke schuur in.
Daarin was eerst de voerstal en dan kwamen de varkenshokken en de kalverstallen, en dan weer een deel. Dat was de dorsvloer. Die was nog groter dan de deel van de grote schuur, en daar stond de wanmolen.
Achter de dorsvloer was een schuur voor het jongvee, en daarachter was het schapenhok. Dat was de hele zuidelijke schuur.
Er stond een stevige, houten schutting van bijna vier meter hoog langs de oostkant van het erf. De drie grote schuren en de schutting ommuurden het beschutte binnenerf. Huilende winden en jagende sneeuw konden ertegen slaan, maar ze konden niet naar binnen. Hoe stormig de winter ook was, er lag bijna nooit meer dan een paar decimeter sneeuw op dat beschutte erf.
Als Almanzo de grote schuren binnenliep, ging hij altijd door het kleine deurtje van de paardenstal. Hij hield van paarden. Daar stonden ze in hun ruime boxen, schoon en glad en glanzend bruin, met lange, zwarte manen en staar- ten. De wijze, bezadigde werkpaarden kauwden rustig op hun hooi. De driejarigen staken hun neuzen bij elkaar over de afscheidingen heen, en het was of ze met elkaar fluisterden. Zacht snuften ze met hun neuzen langs elkaars halzen; een deed net of hij wilde bijten, en ze hinnikten en draaiden en trapten voor de grap. De oude paarden draaiden hun hoofden om en keken als grootmoeders naar de jonge paarden. Maar de veulens holden opgewonden heen en weer op hun hoge benen, en keken verbaasd in het rond.
Allemaal kenden ze Almanzo. Ze spitsten hun oren, en hun ogen begonnen te glanzen toen ze hem zagen. De driejarigen kwamen nieuwsgierig naar hem toe en staken hun koppen naar buiten om hem te besnuffelen. Hun neuzen waren zo zacht als fluweel, op een paar stijve prikkelharen na, en op hun voorhoofden was het korte, fijne haar zo glad als zij. Hun halzen bogen zich trots, stevig en rond, en de zwarte manen vielen er als een zware franje overheen. Je kon met je hand langs die stevige, gebogen nekken strijken, in de warmte onder de manen.
Maar dat durfde Almanzo niet te doen. Hij mocht de mooie driejarigen niet aanraken. Hij mocht hun stallen niet in, zelfs niet om ze schoon te maken. Hij was nog maar acht jaar, en vader wilde niet dat hij zich met de jonge paarden of met de veulens bemoeide. Vader vertrouwde hem nog niet, want veulens en jonge, onafgerichte paarden zijn heel gauw bedorven.
Een jongen die niet beter wist, zou een jong paard gemakkelijk bang kunnen maken, of plagen, of zelfs slaan, en dan was het bedorven. Dan zou het leren bijten en trappen en mensen haten, en dan zou het nooit een goed paard worden.
Almanzo wist wel beter. Hij zou nooit een van die mooie veulens bang maken of pijn doen. Hij zou altijd rustig en vriendelijk en geduldig zijn; hij zou nooit een veulen aan het schrikken maken of ertegen schreeuwen, zelfs niet als het op zijn voet trapte. Maar vader wilde dat niet geloven.
Daarom kon Almanzo alleen maar verlangend naar de nieuwsgierige driejarigen kijken. Hij raakte even hun fluwelen neuzen aan, en toen liep hij vlug door en trok zijn werkkiel aan over zijn goede schoolkleren.
Vader had het vee al te drinken gegeven, en nu was hij met het voeren begonnen. Royal en Almanzo pakten hooivorken en liepen van stal naar stal om het vuile hooi onder de dieren weg te halen en om schoon hooi uit de voerbakken onder de koeien en de ossen en de kalveren en de schapen te spreiden.
Ze hoefden niet te spreiden onder de varkens, want varkens zorgen daar zelf voor en houden zich schoon.
In de zuidelijke schuur stonden Almanzo's twee eigen kalveren in een stal. Ze verdrongen elkaar bij de afscheiding toen ze hem zagen. Beide kalveren waren rood, en een had een witte bles op zijn voorhoofd. Almanzo had hem Ster genoemd. De andere was helemaal rood en Almanzo had hem Ros genoemd.
Ster en Ros waren jonge kalveren van nog geen jaar. Hun kleine horens begonnen nu pas hard te worden tussen het zachte haar bij hun oren. Almanzo krabde rondom de kleine horens, want dat vinden kalveren prettig. Ze staken hun vochtige, stompe neuzen tussen het latwerk door en likten met hun ruwe tongen.
Almanzo haalde twee wortels uit de koeienvoerbak, brak er kleine stukjes af, en voerde de stukjes een voor een aan Ster en Ros.
Toen pakte hij zijn hooivork weer en klom op de hooizolder. Het was er donker; er kwam maar een klein beetje licht door de gaatjes in de zijkanten van de blikken lantaren, die in de doorgang beneden hing. Royal en Almanzo mochten geen lantaren meenemen in het hooi, uit vrees voor brand. Maar na een ogenblik konden ze zien in de schemer.
Ze staken zo vlug als ze konden het hooi omlaag in de ruiven. Almanzo kon het geknabbel van de etende dieren horen. Het hooi was warm van de warmte van alle dieren
beneden, en het rook stoffig-zoet. Je rook ook een geur van paarden en koeien, en een wollige geur van schapen, En nog voor de jongens klaar waren met het vullen van de ruiven, was er de lekkere geur van warme melk, die in vaders melkemmer schuimde.
Almanzo pakte zijn eigen kleine melkkruk en een emmer, en ging in de stal van Bloem zitten om haar te melken. Zijn handen waren nog niet sterk genoeg om een moeilijke koe te melken, maar hij kon Bloem en Baasje melken. Het
waren brave oude koeien, die hun melk gemakkelijk gaven en bijna nooit een prikstaart in zijn ogen sloegen of de emmer met een achterpoot omgooiden.
Hij zat met de emmer tussen zijn benen en molk gelijkmatig. Links, rechts, zjjt! zjjt! de stralen melk vielen schuin de emmer in, terwijl de koeien hun stro aten en op hun wortels kauwden.
De stalkatten streken met hoge ruggen luid spinnend tegen de hoeken van de stal. Ze waren glanzend en dik van het muizen eten. Alle stalkatten hadden grote oren en een lange staart, de kentekens van een goede muizevangster. Dag en nacht doorkruisten ze de stallen en ze hielden de voer kisten vrij van muizen en ratten, en als het melktijd was likten ze schotels warme melk leeg.
Toen Almanzo met melken klaar was, vulde hij de katteschotels. Zijn vader ging met zijn eigen emmer en melkkruk de stal van Bloem in, en hij ging zitten om de laatste, vetste melkdruppels uit Bloems uier te melken. Maar Almanzo had alle melk eruit gekregen. Toen ging vader de stal van Baasje in. Hij kwam er meteen weer uit en zei:
„Je bent een goede melker, jongen."
Almanzo draaide zich even om en schopte naar het stro op de vloer. Hij was te blij om iets te zeggen. Nu kon hij alleen koeien melken; vader hoefde ze niet na te melken. Hij zou al gauw de moeilijkste koeien kunnen melken.
Almanzo's vader had opgewekte, blauwe ogen, die tintelden. Hij was lang en hij had een lange, zachte, bruine baard en zacht bruin haar.
Zijn bruinwollen kiel reikte tot bovenaan zijn hoge laarzen. Aan de voorkant sloot de kiel dubbel over zijn brede borst en om zijn middel was hij stevig dichtgesnoerd, en de ondereinden hingen over zijn broek van dik bruin laken.
Vader was een belangrijk man. Hij had een mooie boerderij. Hij reed achter de beste paarden van de streek. Zijn woord was zo goed als zijn handtekening, en ieder jaar bracht hij geld naar de bank. Als vader in Malone kwam, spraken de mensen uit de stad met achting tegen hem.
Royal kwam eraan lopen met zijn melkemmer en de lantaren. Hij zei zacht:
„Vader, lange Bill Ritchie was vandaag op school."
De gaatjes in de ijzeren lantaren bespikkelden alles met lichtjes en schaduwtjes. Almanzo kon zien, dat zijn vader ernstig keek; hij streek langs zijn baard en schudde langzaam zijn hoofd. Almanzo wachtte bezorgd, maar vader nam alleen de lantaren en maakte een laatste ronde door de schuren, om te zien of alles goed in orde was voor de nacht. Toen gingen ze naar huis.
De kou was vreselijk. De nacht was donker en stil, en de sterren waren kleine schitterplekjes aan de hemel. Almanzo was blij toen hij de grote keuken binnenstapte, die warm was van het vuur en de kaarsen. Hij was verschrikkelijk hongerig.
Er stond zacht water uit de regenton warm te worden op de kachel. Vader en daarna Royal en daarna Almanzo gingen om de beurt naar de waskom op de bank bij de deur. Almanzo droogde zich aan de linnen rolhanddoek, ging toen voor de kleine wandspiegel staan en trok een scheiding in zijn natte haar en kamde het glad omlaag.
De keuken was vol hoepelrokken, die zwiepten en zwaaiden. Eliza Jane en Alice waren druk in de weer met het dekken van de tafel. De zoutige, bruine geur van bakkende ham maakte dat Almanzo's maag ging knagen.
Hij bleef even in de deur van de voorraadkamer staan. Moeder zeefde de melk aan het andere einde van de lange voorraadkamer; haar rug was naar hem toe. De planken aan beide kanten stonden vol lekkere dingen om te eten. Er lagen grote, gele kazen, en grote, bruine brokken ahornsuiker, en er lagen knapperige, versgebakken broden, en vier grote koeken, en er was een hele plank vol vruchtentaarten. Een van de taarten was aangesneden en een klein stukje korst was er verleidelijk afgebroken; niemand zou het ooit missen.
Almanzo had nog geen vinger uitgestoken. Maar Eliza Jane riep:
„Almanzo, laat je dat! Moeder!"
Moeder draaide zich niet eens om. Ze zei:
„Laat dat, Almanzo. Je bederft je eten."
Dat was zo dwaas, dat Almanzo boos werd. Een klein hapje kon je eten niet bederven. Hij kwam om van de honger, en hij mocht niets eten voor er was opgediend. Dat was onzinnig. Maar dat kon hij natuurlijk niet tegen moeder zeggen; hij moest haar gehoorzamen zonder tegen te spreken.
Hij stak zijn tong uit tegen Eliza Jane. Ze kon niets doen; ze had haar handen vol. Toen liep hij gauw de eetkamer in.
Het lamplicht was verblindend. Bij de vierkante kachel in de muur was vader over politiek aan het praten met meneer Corse. Vaders gezicht was naar de eettafel gericht, en Almanzo durfde er niets op aan te raken.
Er lagen verleidelijke plakken kaas, er stond een bord trillende hoofdkaas; er stonden glazen potten met jam en gelei en ingemaakte vruchten, en een grote kan met melk, en een dampende pan met bonen, met een knapperig stuk vet spek in de kruimelige, bruine korst.
Almanzo bekeek alles en zijn maag trok. Hij slikte en liep langzaam weg.
Het was een gezellige eetkamer. Er zaten groene strepen en randen kleine rode bloemen op het chocoladebruine behang, en moeder had het vloerkleed in dezelfde kleuren geweven. Ze had de wol groen en chocoladebruin geverfd, en er strepen van geweven, met een smal wit met rood streepje ertussenin. De hoge hoekkasten stonden vol fascinerende dingen: zeeschelpen, en versteend hout, en vreemde stenen, en boeken. En middenhoven de tafel hing een lucht-kasteel. Alice had het van schoon, geel tarwe-stro luchtig in elkaar gezet, met stukjes helderrood draad op de hoekjes. Het wiegde en draaide bij het minste zuchtje, en het lamplicht streek glanzend over het goudgele stro. 22
Maar voor Almanzo was het mooiste van alles zijn moeder, die de grote stenen schaal met sissende ham binnen bracht.
Moeder was klein en mollig en lief. Haar ogen waren blauw, en haar bruine haren waren glad als vogelvleugels. Er liep een rij rode knoopjes langs de voorkant van haar donkerrode jurk omlaag, vanaf haar platte witlinnen kraag tot aan het witte schort dat ze voorgebonden had. Haar wijde mouwen hingen als grote rode klokken aan weerskanten van de blauwe schaal. Ze moest in de deur even stilstaan en een rukje geven, omdat haar rokken breder waren dan de deur.
De geur van de ham was bijna meer dan Almanzo kon verdragen.
Moeder zette de schaal op de tafel. Ze keek rond, om te zien of alles in orde was en de tafel naar behoren was gedekt. Ze deed haar schort af en hing het in de keuken. Ze wachtte tot vader klaar was met wat hij meneer Corse vertelde. Maar eindelijk zei ze:
„James, het eten is klaar."
Wat leek het lang voor ze allemaal op hun plaatsen zaten. Vader zat aan het hoofd van de tafel, en moeder zat tegenover hem. Toen moesten ze allemaal hun hoofden buigen, terwijl vader God's zegen vroeg. Daarna was er even een stilte, vóór vader zijn servet openvouwde en het in zijn jasboord stak.
Hij begon de borden vol te scheppen. Eerst bediende hij meneer Corse. Daarna moeder. Daarna Royal en Eliza Jane en Alice. Toen, eindelijk, schepte hij Almanzo's bord vol.
„Dank u wel," zei Almanzo. Dat waren de enige woorden die hij aan tafel mocht zeggen. Kinderen mocht je zien, maar niet horen. Vader en moeder en meneer Corse mochten praten, maar Royal en Eliza Jane en Alice en Almanzo mochten geen woord zeggen.
Almanzo at de lekkere, zachte bonen. Hij at het stukje zoute spek, dat als boter smolt in zijn mond. Hij at kruimige, gekookte aardappelen met bruine hamjus. Hij at de ham. Hij nam een grote hap van een fluwelen boterham met zachte boter erop, en hij at de knapperige, gouden korst. Hij verorberde een grote portie bleke knollenpuree en een hele heuvel gekookte pompoen. Toen zuchtte hij, en hij stak zijn servet dieper in de boord van zijn rode buis. En hij at ingemaakte pruimen en aardbeienjam, en druivengelei, en zoetzuur van de schil van watermeloen. Hij voelde zich heel voldaan vanbinnen. Langzaam at hij een groot stuk vruchtentaart.
Hij hoorde vader tegen meneer Corse zeggen:
„Bill Ritchie en zijn vrienden zijn vandaag op school geweest, vertelde Royal."
„Ja," zei meneer Corse.
„Ik heb horen zeggen, dat ze u eruit willen gooien."
Meneer Corse zei: „Ik veronderstel, dat ze het zullen proberen."
Vader blies op de thee in zijn schotel. Hij proefde, dronk de schotel leeg, en goot er opnieuw thee in.
„Ze hebben twee onderwijzers eruit gegooid," zei hij. „Het vorige jaar hebben ze Jonas Lane zo geslagen, dat hij er later aan gestorven is."
„Dat weet ik," zei meneer Corse. „Jonas Lane en ik zijn samen op school geweest. Hij was mijn vriend."
Vader zei niets meer.