#
Bij de grens was een pontonbrug gelegd. Vlak ernaast staken uit het grijze water van de Boeg nog de verwrongen traveeën van de metalen brug die door de Russen was opgeblazen. Onze geniesoldaten hadden de nieuwe brug in één nacht aangelegd, zo werd er verteld, en onverstoorbare Feldgendarmen, hun halvemaanvormige ringkragen blinkend in het zonlicht, stonden met vanzelfsprekend gezag het verkeer te regelen, alsof ze nog in eigen land waren. De Wehrmacht had voorrang, wij moesten wachten. Ik richtte mijn blik op de brede, traag stromende rivier, de stille groepjes bomen aan de andere oever, de drukte op de brug. Daarna waren wij aan de beurt, en meteen aan de overkant gingen we verder langs een brede weg, met aan weerszijden een soort wal, bestaande uit de karkassen van Russisch materieel: uitgebrande en in elkaar gezakte vrachtwagens, tanks die als conservenblikjes waren opengereten, affuiten die als strootjes waren geknakt – omvergeworpen, meegesleurd, verstrengeld tot een eindeloze, verkoolde strook van ordeloos op elkaar gesmeten wrakstukken. Verderop vlamden de bossen in het stralende zomerlicht. De onverharde weg was vrijgemaakt, maar vertoonde nog wel de sporen van explosies, grote olievlekken, losse brokstukken. Vervolgens kwamen de eerste huizen van Sokal. In het stadscentrum klonk hier en daar nog het zachte geknetter van een brand; stoffige lijken, veelal in burgerkleding, lagen tussen het puin en gruis en versperden een deel van de weg; een eind verder, in een park, stond een rij witte kruisen met eigenaardige dakjes erboven, keurig opgesteld onder de schaduwrijke bomen. Twee Duitse soldaten waren bezig er namen op te schilderen. Daar bleven we wachten, terwijl Blobel, vergezeld van onze intendanceofficier Strehlke, zich naar het hoofdkwartier begaf. Een zoetige, enigszins onaangename lucht vermengde zich met de snijdende rook. Blobel kwam al snel weer terug: ‘Het is in orde. Strehlke gaat kwartier maken. Komt u maar mee.’
Het aok[1] had ons in een school ondergebracht. ‘Het spijt me,’ zei een kleine intendant in verkreukt feldgrau verontschuldigend. ‘We zijn nog niet helemaal op orde. U krijgt wel rantsoenen aangeleverd.’ Onze plaatsvervangende commandant von Radetzky, een elegante Balt, wuifde met een gehandschoende hand en glimlachte: ‘Geeft niet. We blijven toch niet lang.’ Er waren geen bedden, maar we hadden dekens bij ons; de manschappen gingen op de kleine schoolstoeltjes zitten. We waren met ongeveer zeventig in totaal. ’s Avonds kregen we inderdaad wat te eten: vrijwel koude soep met kool en aardappel, rauwe uien en hompen kleverig boekweitbrood, dat verbrokkelde zodra je het sneed. Ik had honger, doopte het brood in de soep en beet in de uien. Radetzky regelde de wacht. De nacht verliep rustig.
De volgende ochtend riep onze commandant, Standartenführer Blobel, zijn Leiter bijeen voor een bezoek aan het hoofdkwartier. Leiter iii, mijn directe superieur, wilde een rapport uittikken en stuurde mij in zijn plaats. De staf van het Zesde Leger, aok 6, waar wij onder vielen, had zijn intrek genomen in een ruim, Oostenrijks-Hongaars gebouw, waarvan de voorgevel vrolijk oranje was gepleisterd, verfraaid met zuilen en stucdecoratie, bezaaid met de gaatjes van ingeslagen scherven. We werden ontvangen door een Oberst, die duidelijk een goede bekende was van Blobel: ‘De Generalfeldmarschall is buiten aan het werk. Komt u maar mee.’ Hij bracht ons naar een weids park, dat begon achter het gebouw en zich uitstrekte tot aan een dieper gelegen bocht van de Boeg. Bij een eenzame boom beende een man in zwempak met grote passen heen en weer, omringd door een gonzende zwerm officieren in doorgezwete uniformen. Hij keerde zich naar ons toe. ‘Ah, Blobel! Goedemorgen, meine Herren.’ Wij salueerden: dit was Generalfeldmarschall von Reichenau, de opperbevelhebber van het leger. Zijn gewelfde, behaarde borst glansde krachtig; de beroemde monocle, vastgezet in het vet waarin, ondanks zijn atletische gestalte, de Pruisische verfijning van zijn gelaatstrekken bijna volledig ten onder was gegaan, schitterde in het zonlicht, onbetamelijk, haast lachwekkend. Terwijl hij nauwgezette, uiterst gedetailleerde instructies formuleerde, bleef hij met bruuske tred heen en weer lopen; wij moesten achter hem aan, hetgeen enige verwarring teweegbracht; ik botste tegen een Major, en veel van wat er gezegd werd ontging me. Ineens bleef hij staan: we konden gaan. ‘O ja! Nog iets anders. Vijf schutters per jood is te veel, daar hebt u de mankracht niet voor. Twee schutters per veroordeelde is genoeg. Wat de bolsjewieken betreft, we moet eerst weten hoeveel het er zijn. Bij vrouwen kunt u een heel peloton inzetten.’ Blobel salueerde: ‘Zu Befehl, Herr Generalfeldmarschall.’ Reichenau sloeg zijn blote hielen tegen elkaar en hief zijn arm: ‘Heil Hitler!’ – ‘Heil Hitler!’ antwoordden wij in koor, waarna we ons terugtrokken.
Sturmbannführer Dr. Kehrig, mijn superieur, hoorde mijn verslag met een nors gezicht aan. ‘Dat is alles?’ – ‘Ik kon niet alles verstaan, Sturmbannführer.’ Hij trok een grimas, terwijl hij verstrooid met zijn papieren speelde. ‘Ik begrijp het niet. Van wie moeten wij uiteindelijk onze bevelen krijgen? Van Reichenau of van Jeckeln? En Brigadeführer Rasch, waar zit die?’ – ‘Ik weet het niet, Sturmbannführer.’ – ‘U weet ook niet veel, Obersturmführer. Nou, ingerukt!’
De volgende ochtend riep Blobel al zijn officieren bij elkaar. In de vroege ochtend was Callsen met een twintigtal manschappen vertrokken. ‘Ik heb hem met een Vorkommando naar Loetsk gestuurd. Het Kommando zelf volgt over een dag of twee. Daar vestigen we voorlopig ons hoofdkwartier. Het aok wordt ook naar Loetsk overgeplaatst. Onze divisies rukken in hoog tempo op, we moeten aan de slag. Ik verwacht Obergruppenführer Jeckeln, die ons instructies zal geven.’ Jeckeln, een zesenveertigjarige Partijveteraan, was de Höhere ss- und Polizeiführer voor Zuid-Rusland; in die hoedanigheid had hij via de ene of de andere weg zeggenschap over alle ss-Groepen in dat gebied, de onze inbegrepen. De kwestie van de gezagsketen bleef Kehrig dwarszitten: ‘Wij staan dus onder bevel van de Obergruppenführer?’ – ‘Administratief gezien vallen we onder het Zesde Leger, maar de tactische bevelen krijgen we van het rsha, via de Gruppenstab, en van de hsspf. Is dat duidelijk?’ Met zijn hoofd wiegend verzuchtte Kehrig: ‘Niet helemaal, maar ik neem aan dat de details me langzaamaan wel duidelijk zullen worden.’ Blobel liep paars aan: ‘Verdorie, in Pretzsch is het jullie toch allemaal uitgelegd!’ Kehrig bleef kalm. ‘In Pretzsch, Standartenführer, is ons helemaal niets uitgelegd. We hebben redevoeringen aangehoord en we moesten aan sport doen. Meer niet. Ik breng u in herinnering dat de vorige week, op de bijeenkomst met Gruppenführer Heydrich, de vertegenwoordigers van de sd niet waren uitgenodigd. Daar waren ongetwijfeld goede redenen voor, maar een feit is dat ik geen idee heb wat ik moet doen, behalve rapporten schrijven over het moreel en de gedragingen van de Wehrmacht.’ Hij wendde zich naar Vogt, Leiter iv: ‘U was er wel, op die bijeenkomst. Als iemand ons nu eens uitlegt wat onze taken zijn, dan zullen we die volbrengen.’ Vogt keek ongemakkelijk en tikte met een pen op tafel. Blobel kauwde op de binnenkant van zijn wangen en staarde met een donkere blik naar een punt op de muur. ‘Goed,’ blafte hij uiteindelijk. ‘In ieder geval, vanavond komt de Obergruppenführer. Morgen zien we verder.’
Deze niet al te geslaagde bespreking zal hebben plaatsgevonden op 27 juni, want de dag daarna moesten we ons verzamelen voor een toespraak van Obergruppenführer Jeckeln, en ik lees in mijn boeken dat deze redevoering op 28 juni werd gehouden. Jeckeln en Blobel hadden waarschijnlijk tegen elkaar gezegd dat de mannen van het Sonderkommando behoefte hadden aan wat meer leiding en motivatie; aan het eind van de ochtend stelde het hele Kommando zich op het schoolplein op om de hsspf aan te horen; Jeckeln nam geen blad voor de mond. Het was onze taak, zo verklaarde hij, om achter onze linies elk element op te sporen en uit te schakelen dat de veiligheid van onze troepen in gevaar kon brengen. Iedere bolsjewiek, iedere volkscommissaris, iedere jood en iedere zigeuner kon op elk willekeurig moment onze kwartieren opblazen, onze soldaten vermoorden, onze treinen laten ontsporen, vitale informatie doorgeven aan de vijand. Onze plicht hield niet in dat we afwachtten tot zo’n verdacht element had toegeslagen om hem daarna te bestraffen; onze plicht was hem zulks te beletten. Gezien onze snelle opmars was het ook niet meer mogelijk om kampen te bouwen en die met verdachten vol te stoppen: elke verdachte moest worden gefusilleerd. De juristen onder ons herinnerde hij eraan dat de ussr had geweigerd de conventies van Den Haag te ondertekenen, en dat dus het internationale recht, waar ons handelen in het Westen aan was onderworpen, hier niet gold. Er zouden vast en zeker vergissingen worden gemaakt, onschuldige slachtoffers vallen, maar zo ging dat nu eenmaal in de oorlog; wanneer een stad wordt gebombardeerd, sterven er ook burgers. Hij besefte terdege dat wij het bij gelegenheid te kwaad zouden krijgen, dat onze menselijke en Duitse gevoeligheid soms zwaar beproefd zou worden; we moesten een overwinning op onszelf behalen; hij kon ons slechts een uitspraak voorhouden van de Führer, uit diens eigen mond gehoord: De leiders zijn Duitsland het offer van hun twijfels verschuldigd. Dank u en Heil Hitler. Dit had in elk geval de verdienste van de openhartigheid. De toespraken van Müller en Streckenbach in Pretzsch hadden uitgepuild van de mooie frases over de noodzaak om meedogenloos te zijn en zonder genade, maar afgezien van de bevestiging dat we inderdaad naar Rusland gingen, hadden zij zich tot algemeenheden beperkt. Misschien dat Heydrich zich in Düben, bij de afscheidsparade, explicieter zou hebben uitgelaten, maar hij had nauwelijks het woord genomen of het was gaan stortregenen, waarna hij zijn rede had afgebroken en haastig naar Berlijn was afgereisd. Onze verwarring was dus niet verbazingwekkend, ook al omdat slechts weinigen van ons enige operationele ervaring hadden; ikzelf deed sinds mijn aanstelling bij de sd niet veel anders dan juridische dossiers samenstellen, en ik was bepaald geen uitzondering. Kehrig hield zich met staatsrechtelijke aangelegenheden bezig; zelfs Vogt, Leiter iv, kwam van de afdeling Registratur. Standartenführer Blobel was weggehaald bij de Geheime Staatspolizei van Düsseldorf en had waarschijnlijk nooit iets anders gedaan dan asocialen en homoseksuelen aanhouden, misschien van tijd tot tijd een communist. In Pretzsch werd verteld dat hij architect was geweest; klaarblijkelijk zonder veel succes. Het was niet wat je noemt een prettige man. Tegen collega’s gedroeg hij zich agressief, op het brute af. Zijn ronde gezicht, met de stompe kin en afstaande oren, leek op zijn uniformkraag geplant als de kale kop van een gier, een gelijkenis die nog werd versterkt door zijn snavelvormige neus. Als ik langs hem liep, rook ik altijd alcohol; volgens Häfner had hij dysenterie en probeerde hij die daarmee te bestrijden. Ik was blij dat ik niet rechtstreeks met hem te maken had, en Dr. Kehrig, die niet anders kon, had er kennelijk moeite mee. Hijzelf leek hier niet erg op zijn plaats. In Pretzsch had Thomas me uitgelegd dat de meeste officieren waren weggehaald uit kantoren waar ze niet onmisbaar waren; ze hadden ambtshalve een ss-rang gekregen (zo was ik ss-Obersturmführer geworden, dezelfde rang als in Frankrijk een luitenant). Kehrig, nog geen maand eerder Oberregierungsrat ofwel regeringsadviseur, was dankzij zijn ambtenarenrang tot Sturmbannführer gepromoveerd; en hij kon overduidelijk slecht wennen aan zijn nieuwe epauletten en de bijbehorende taken. De onderofficieren en de gewone soldaten waren veelal afkomstig uit de lagere middenklasse van kleine winkeliers, boekhouders, kantoorbedienden – het soort mensen dat tijdens de crisisjaren in de hoop op werk tot de sa was toegetreden en er nooit meer was weggegaan. Onder hen bevond zich ook een aantal Volksdeutschen uit de Baltische landen en uit Roethenië – sombere, kleurloze mannen, weinig behaaglijk in hun uniform, met als enige kwalificatie dat ze Russisch kenden; sommigen konden zich niet eens in het Duits verstaanbaar maken. Dit gold overigens niet voor Radetzky: hij ging er prat op dat hij de bordeeltaal van Moskou, waar hij geboren was, even goed kende als de taal van Berlijn, en hij maakte de indruk altijd precies te weten wat hij aan het doen was, zelfs al deed hij niets. Hij sprak ook een woordje Oekraïens, hij had blijkbaar in de in- en export gewerkt; net als ik kwam hij uit de Sicherheitsdienst, de veiligheidsdienst van de ss. Tot zijn bittere teleurstelling was hij toegewezen aan sector Zuid; hij had ervan gedroomd tot Heeresgruppe Mitte te behoren, als veroveraar Moskou binnen te trekken, met zijn laarzen op de tapijten van het Kremlin rond te banjeren. Om hem op te monteren zei Vogt dat er in Kiev ook genoeg te beleven zou zijn, maar Radetzky keek zuinig: ‘Ja, het Holenklooster daar is prachtig, maar verder is het een gat.’ Op de avond na de redevoering van Jeckeln kregen we bevel onze spullen te pakken en de volgende dag marsvaardig te zijn: Callsen was klaar om ons te ontvangen.
Loetsk brandde nog toen we er arriveerden. Een ordonnans van de Wehrmacht had de taak ons naar onze kwartieren te voeren; we moesten om de oude stad en de burcht heen; het was een gecompliceerde route. Kuno Callsen had de muziekacademie gevorderd, bij het grote plein aan de voet van de burcht: een eenvoudig maar fraai bouwwerk uit de zeventiende eeuw, een voormalig klooster dat in de vorige eeuw ook als gevangenis dienst had gedaan. Callsen stond ons met enkele mannen op het bordes op te wachten. ‘Het is een praktisch gebouw,’ vertelde hij mij, terwijl het materieel en onze persoonlijke spullen werden uitgeladen. ‘In de kelder zijn nog cellen, we hoeven alleen de sloten in orde te maken, ik ben er al mee begonnen.’ Liever dan in de kerkers nam ik een kijkje in de bibliotheek; maar alle boeken bleken in het Russisch of Oekraïens. Ook Radetzky met zijn knolneus en onbestemde blik liep daar rond; zijn belangstelling gold het decoratieve lijstwerk. Toen hij in mijn buurt kwam, maakte ik hem erop attent dat er geen enkel Pools boek stond. ‘Dat is vreemd, Sturmbannführer. Nog niet zo lang geleden was het hier Polen.’ Radetzky haalde zijn schouders op: ‘Reken maar dat de stalinisten alles hebben gezuiverd.’ – ‘In twee jaar tijd?’ ‘Twee jaar is voldoende. Zeker voor een muziekacademie.’
Het Vorkommando was al overbelast. De Wehrmacht had honderden joden en plunderaars opgepakt en wilde dat wij ons daar verder mee bezighielden. De vuren bleven branden, ze werden blijkbaar door saboteurs in stand gehouden. En dan was er het probleem met de oude burcht. Tijdens het rangschikken van zijn dossiers had Dr. Kehrig zijn Baedeker teruggevonden en mij die over de uitgeruimde kisten heen aangereikt om me het tekstje te laten lezen. ‘De burcht van Ljoebartas, hier, kijk, genoemd naar de Litouwse vorst die hem heeft laten bouwen.’ De grote binnenplaats van die burcht lag bezaaid met lijken, gevangenen, zo werd gezegd, die door mannen van de nkvd waren gefusilleerd vlak voordat die zich hadden teruggetrokken. Kehrig vroeg me te gaan kijken. De burcht had dikke bakstenen muren, gebouwd op een aarden wal, en bovenop drie torens. Bij de hoofdingang stonden schildwachten van de Wehrmacht; er moest een officier van de Abwehr bij worden gehaald voordat ik naar binnen mocht. ‘Neemt u ons niet kwalijk. De Generalfeldmarschall heeft opdracht gegeven tot strikte beveiliging.’ – ‘Uiteraard, ik begrijp het.’ Zodra ik de poort door was, sloeg een afgrijselijke stank me in mijn gezicht. Ik had geen zakdoek bij me en drukte een handschoen tegen mijn neus om te kunnen blijven ademen. ‘Neemt u deze maar,’ zei de Hauptmann van de Abwehr terwijl hij me een vochtige doek aanreikte, ‘dat helpt wel iets.’ Het hielp inderdaad wel iets, maar niet genoeg; ook al ademde ik door mijn mond, de lucht drong mijn neusgaten binnen – zoetig, zwaar, misselijkmakend. Ik slikte krampachtig om niet te hoeven braken. ‘De eerste keer?’ vroeg de Hauptmann zacht. Ik knikte. ‘U zult eraan wennen,’ ging hij verder, ‘zij het misschien nooit helemaal.’ Hij trok zelf wit weg, maar hield niets voor zijn mond. We liepen door een lange, gewelfde gang, daarna over een smalle binnenplaats. ‘Die kant op.’
Her en der verspreid op een grote, geplaveide binnenplaats lagen de lijken, in ordeloze stapels. De lucht was doortrokken van een luid en ononderbroken gezoem: zwermen dikke blauwe vliegen vlogen log over de lijken, de plassen bloed en drek. Mijn laarzen bleven aan de stenen plakken. De dode lichamen zwollen al op, ik keek naar hun groengele huid, naar de gezichten, misvormd alsof ze waren geslagen. De stank was afgrijselijk, en die stank – zo besefte ik – was het begin en het eind van alles, de eigenlijke betekenis van ons bestaan. Ik vond het een weerzinwekkende gedachte. Groepjes soldaten van de Wehrmacht, gasmaskers op, probeerden de stapels te ontwarren om de lijken op een rij naast elkaar te kunnen leggen; een van hen trok aan een arm, die losliet en in zijn hand achterbleef; met een vermoeid gebaar gooide hij de arm op een andere stapel. ‘Het zijn er meer dan duizend,’ zei de officier van de Abwehr, haast fluisterend. ‘Alle Oekraïners en Polen die ze sinds hun inval gevangenhielden. Er zijn vrouwen tussen gevonden, zelfs kinderen.’ Ik wilde mijn ogen sluiten of een hand voor mijn ogen houden, en tegelijkertijd wilde ik kijken, blijven kijken, om al kijkend het onbegrijpelijke te begrijpen dat daar voor me lag, die leegte waar het menselijk denken geen vat op krijgt. Ontredderd wendde ik me naar de Abwehr-officier: ‘Hebt u Plato gelezen?’ Hij keek me verbluft aan: ‘Wat?’ – ‘Nee, niets.’ Ik draaide me om en verliet de binnenplaats. Op het kleinere binnenplaatsje zag ik links een deur; ik duwde hem open, daarachter was een trap. Op de bovenverdiepingen dwaalde ik door de lege gangen tot ik in een van de torens een wenteltrap zag; boven kwam ik uit bij een houten verbindingsbruggetje dat in de buitenmuren was bevestigd. Ik kon daar de brandgeur uit de stad ruiken; dat was in ieder geval beter, en ik ademde diep in, pakte een sigaret uit mijn koker en stak die aan. Het was alsof de lucht van de rottende lijken nog aan de binnenkant van mijn neus kleefde, en ik probeerde de stank te verdrijven door de rook via mijn neusgaten uit te blazen, maar het resultaat was een krampachtige hoestbui. Ik bekeek het uitzicht. Aan de voet van de burcht tekenden zich tuinen af, kleine moestuintjes met een paar fruitbomen; voorbij de muur zag ik de stad en de bocht van de Styr; aan die kant was geen rook, en de zon schitterde boven het landschap. Rustig rookte ik mijn sigaret. Daarna ging ik weer naar beneden, terug naar de grote binnenplaats. De Abwehr-officier stond er nog steeds. Hij bekeek me nieuwsgierig, maar zonder spot: ‘Gaat het weer?’ – ‘Ja, dank u.’ Ik probeerde een ambtelijke toon aan te slaan: ‘Hebt u de precieze cijfers? Ik moet een rapport opmaken.’ – ‘Die heb ik nog niet. Morgen, denk ik.’ – ‘En de nationaliteiten?’ – ‘Zoals ik zei: waarschijnlijk Oekraïners en Polen. Het is moeilijk te zeggen, de meesten hebben geen papieren. Ze zijn in groepjes gefusilleerd, er zat duidelijk haast achter.’ – ‘Zijn er joden bij?’ Hij keek me verbaasd aan: ‘Nee, natuurlijk niet. Dit is toch het werk van de joden.’ Ik trok een grimas: ‘Ach ja, vanzelf.’ Hij keerde zich om naar de lijken en zweeg even. ‘Wat een gore bende,’ mompelde hij uiteindelijk. Ik groette. Buiten stond een stel jochies; een van hen vroeg me iets, maar ik verstond de taal niet; ik liep door zonder iets te zeggen en ging terug naar de muziekacademie om Kehrig rapport uit te brengen.
De volgende dag ging het Sonderkommando daadwerkelijk aan de slag. Een peloton onder bevel van Callsen en Kurt Hans fusilleerde in de tuinen van de burcht driehonderd joden en twintig plunderaars. In gezelschap van Dr. Kehrig en Sturmbannführer Vogt besteedde ik die dag aan organisatorisch overleg met ic/ao Niemeyer, inlichtingenofficier van het Zesde Leger, en met een aantal van zijn collega’s, onder wie Hauptmann Luley, die ik de dag daarvoor in de burcht had ontmoet en die zich bezighield met contraspionage. Blobel vond dat hij niet genoeg manschappen had en wilde een beroep doen op de Wehrmacht; Niemeyer stelde zich echter formeel op: de beslissing over dergelijke kwesties was aan de Generalfeldmarschall en zijn stafchef, Oberst Heim. In een andere vergadering die middag vertelde Luley ons op gespannen toon dat er tussen de doden in de burcht tien Duitse soldaten waren gevonden, afschuwelijk verminkt. ‘Ze waren geboeid, en hun neus, oren, tong en genitaliën waren afgesneden.’ Vogt ging met hem mee naar de burcht en kwam wasbleek terug. ‘Ja, het is waar, afgrijselijk, monsters zijn het.’ Dit nieuws bracht grote beroering teweeg. Blobel liep scheldend over de gangen en ging toen bij Heim langs. Die avond deelde hij ons mee: ‘De Generalfeldmarschall wil een vergeldingsactie houden. Een harde klap uitdelen, die smeerlappen mores leren.’ Callsen bracht ons verslag uit over de executies van die dag. Het was zonder strubbelingen verlopen, maar de door Reichenau opgelegde methode, met niet meer dan twee schutters per veroordeelde, had nadelen: om zeker te zijn van het resultaat was men genoodzaakt op het hoofd te richten in plaats van op het hart, en daardoor kregen de mannen bloed en hersenmassa in hun gezicht, ze hadden erover geklaagd. Hierop volgde een stormachtige discussie. Häfner stelde: ‘U zult zien, uiteindelijk wordt het een Genickschuss, net als bij de bolsjewieken.’ Blobel liep rood aan en gaf een doffe klap op tafel: ‘Meine Herren! Dit soort taal is ontoelaatbaar! Wij zijn geen bolsjewieken! Wij zijn Duitse soldaten. In dienst van ons Volk en onze Führer! Verdomme!’ Hij wendde zich tot Callsen: ‘Als uw mannen te teerhartig zijn, moeten ze schnaps krijgen.’ En daarna, tegen Häfner: ‘Nekschoten zijn hoe dan ook uitgesloten. Ik wil niet dat de manschappen zich persoonlijk verantwoordelijk gaan voelen. De executies zullen volgens militaire richtlijnen worden voltrokken, en daarmee uit.’
De volgende ochtend bleef ik op het aok: bij de inname van de stad was de hand gelegd op kisten met documenten, ik moest samen met een vertaler die papieren doornemen, vooral die van de nkvd, en beslissen welke daarvan aan het Sonderkommando dienden te worden voorgelegd om met voorrang te kunnen worden geanalyseerd. We waren vooral op zoek naar ledenlijsten van de Communistische Partij, van de nkvd en andere organisaties: veel van deze mensen waren ongetwijfeld in de stad gebleven, onopvallend tussen de andere burgers, om te spioneren of sabotage te plegen; ze moesten zo snel mogelijk worden getraceerd. Rond het middaguur ging ik terug naar de academie om Dr. Kehrig te raadplegen. Op de begane grond heerste een zekere onrust: groepjes mannen stonden opgewonden met elkaar te fluisteren. Ik greep een Scharführer bij zijn mouw: ‘Wat is er aan de hand?’ – ‘Ik weet het niet, Obersturmführer. Er is geloof ik een probleem met de Standartenführer.’ – ‘Waar zijn de officieren?’ Hij wees naar de trap die naar onze kamers leidde. In het trappenhuis kwam ik Kehrig tegen, die naar beneden liep en mompelde: ‘Dit kan toch niet, dit kan toch niet!’ – ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik. Hij keek me droefgeestig en zei: ‘Hoe moeten we in dit soort omstandigheden in godsnaam ons werk doen?’ Hij liep door. Een paar treden hoger hoorde ik een schot, het geluid van brekend glas, kreten. Op de overloop, voor de open deur van Blodels kamer, stonden twee officieren van de Wehrmacht te wachten in gezelschap van Kurt Hans. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik aan Hans. Hij maakte een kinbeweging naar de kamer, zijn handen kruiselings op zijn rug. Ik liep naar binnen. Blobel zat op zijn bed met zijn laarzen aan, maar zonder uniformjasje, en zwaaide met een pistool; naast hem stond Callsen, die probeerde om, zonder Blobels arm te pakken, het pistool in de richting van de muur te krijgen; een vensterruitje was in scherven; op de vloer zag ik een fles schnaps. Blobel was lijkbleek, hij schreeuwde onsamenhangende woorden en spuugde daarbij. Häfner kwam achter mij naar binnen: ‘Wat is hier gaande?’ – ‘Ik weet het niet, zo te zien heeft de Standartenführer een crisis.’ – ‘Ja, hij is door het dolle heen.’ Callsen draaide zich om: ‘Ah, Obersturmführer. Wilt u de heren van de Wehrmacht vragen ons te excuseren en wat later terug te komen?’ Terwijl ik een stap achteruit deed, botste ik tegen Hans, die had besloten ook naar binnen te gaan. ‘August, ga een dokter halen,’ zei Callsen tegen Häfner. Blobel bleef brullen: ‘Het kan niet, het kan niet, ze zijn ziek, ik maak ze af!’ De beide Wehrmacht-officieren stonden wat verderop in de gang, stram en bleek. ‘Meine Herren...’ begon ik. Häfner duwde me opzij en rende de trap af. De Hauptmann snerpte: ‘Die Kommandant van u is zijn verstand kwijt! Hij wilde op ons schieten.’ Ik wist niet wat ik moest zeggen. Hans kwam na mij naar buiten: ‘Meine Herren, wilt u ons excuseren alstublieft. De Standartenführer heeft een zware aanval en we hebben een arts laten roepen. We zien ons genoodzaakt het gesprek op een later tijdstip voort te zetten.’ In de kamer slaakte Blobel een schrille kreet: ‘Ik maak ze af, die gore smeerlappen, laat me mijn gang gaan!’ De Hauptmann haalde zijn schouders op: ‘Als dat de hogere ss-officieren zijn... dan doen we het wel zonder uw medewerking.’ Hij keerde zich naar zijn collega en spreidde zijn armen. ‘Hoe is het mogelijk, ze hebben blijkbaar de gestichten leeggehaald.’ Kurt Hans verbleekte: ‘Meine Herren! De eer van de ss...’ Nu stond ook hij te brullen. Uiteindelijk greep ik in en legde hem het zwijgen op: ‘Moet u horen, ik weet nog niet wat er aan de hand is, maar het gaat duidelijk om een probleem van medische aard. Hans, kwaad worden heeft geen zin. Meine Herren, zoals mijn collega al zei is het misschien beter als u ons voor het moment excuseert.’ De Hauptmann wierp mij een laatdunkende blik toe: ‘U bent toch Dr. Aue, niet? Goed, we gaan,’ zei hij tegen zijn collega. Op de trap zagen ze de arts van het Sonderkommando, Sperath, die met Häfner naar boven kwam. ‘Bent u de dokter?’ – ‘Ja.’ – ‘Pas maar op. Straks knalt hij u ook nog neer.’ Ik stapte opzij om Sperath en Häfner door te laten, liep toen achter hen aan de kamer in. Blobel had zijn pistool op het nachtkastje gelegd en hakkelde tegen Callsen: ‘U begrijpt toch wel dat het niet kan, zo veel joden fusilleren. De grond in, we moeten een ploeg hebben om ze de grond in te werken!’ Callsen wendde zich naar ons. ‘August, let jij even op de Standartenführer, wil je?’ Hij nam Sperath bij de arm, trok hem terzijde en begon druk te fluisteren. ‘Verdomme!’ riep Häfner. Ik draaide me om, hij was aan het worstelen met Blobel, die probeerde zijn pistool te pakken. ‘Standartenführer, Standartenführer, kalmeer toch alstublieft!’ riep ik. Callsen ging weer naast hem staan en begon hem rustig toe te spreken. Ook Sperath kwam dichterbij en pakte zijn pols. Opnieuw probeerde Blobel zijn pistool te grijpen, maar Callsen hield hem tegen. Sperath zei: ‘Luister, Paul, u bent overbelast. Ik zal u een injectie moeten geven.’ – ‘Nee! Geen injectie!’ Blobel haalde uit met zijn arm en trof Callsen in het gezicht. Häfner had de fles opgeraapt en liet die schouderophalend aan mij zien: bijna leeg. Kurt Hans was vlak bij de deur blijven staan en keek zwijgend toe. Blobel slaakte vrijwel onsamenhangende kreten: ‘Die smeerlappen van de Wehrmacht, gefusilleerd moeten ze worden! Allemaal!’ Daarna begon hij weer voor zich uit te brabbelen. ‘August, Obersturmführer, kom me helpen!’ beval Callsen. Gedrieën pakten we Blobel bij zijn voeten en onder zijn armen en legden hem op bed. Hij verzette zich niet. Callsen rolde zijn jasje op en schoof dat onder zijn hoofd; Sperath stroopte zijn mouw op en gaf hem een injectie. Hij leek al wat rustiger. Sperath loodste Callsen en Häfner naar de deur om met hen te overleggen, en ik bleef bij Blobel. Zijn uitpuilende ogen staarden naar het plafond, in zijn mondhoeken schuimde wat speeksel, hij prevelde nog: ‘De ploeg erover, omploegen die joden!’ Onopvallend liet ik het pistool in een la glijden: niemand had eraan gedacht. Blobel leek in slaap gevallen. Callsen kwam weer aan het bed staan: ‘We brengen hem naar Lublin.’ – ‘Hoezo naar Lublin?’ – ‘Daar is een ziekenhuis voor dit soort gevallen,’ lichtte Sperath toe. – ‘Een gekkenhuis dus,’ zei Häfner bot. – ‘August, bek dicht,’ snauwde Callsen. Ineens stond Radetzky in de deuropening. ‘Wat is dit hier voor bende?’ Kurt Hans nam het woord: ‘De Generalfeldmarschall liet een bevel overbrengen en de Standartenführer was ziek, het werd hem te veel. Hij wilde op de Wehrmacht-officieren gaan schieten.’ – ‘Hij had vanochtend al koorts,’ voegde Callsen eraan toe. In een paar woorden schetste hij Radetzky de situatie en wat het advies was van Sperath. ‘Goed,’ besliste Radetzky, ‘we doen wat de dokter zegt. Ik breng hem zelf weg.’ Hij leek wat bleker dan anders. ‘Wat betreft dat bevel van de Generalfeldmarschall, bent u al met de voorbereidingen begonnen?’ – ‘Nee, nog niet,’ zei Kurt Hans. – ‘Goed. Callsen, u zorgt dat de nodige maatregelen worden getroffen. Häfner, u gaat met mij mee.’ – ‘Waarom ik?’ vroeg Häfner en zijn gezicht betrok. – ‘Daarom,’ reageerde Radetzky korzelig. ‘Maak de Opel van de Standartenführer in orde. Neem extra blikken benzine mee voor het geval dat.’ Häfner bleef aanhouden: ‘Kan Janssen niet mee?’ – ‘Nee, Janssen gaat Callsen en Hans helpen. Hauptsturmführer,’ richtte hij zich vervolgens tot Callsen, ‘gaat u akkoord?’ Callsen knikte peinzend. ‘Het zou misschien beter zijn als u hier bleef en ik met hem meeging, Sturmbannführer. U voert nu het bevel.’ Radetzky schudde van nee: ‘Daarom juist lijkt het mij beter dat ik met hem meega.’ Callsen bleef aarzelen: ‘Weet u echt zeker dat u niet beter hier kunt blijven?’ – ‘Ja. En maak u geen zorgen: straks komt Obergruppenführer Jeckeln met zijn staf. De meesten zijn er al, ik kom er net vandaan. Hij zal de zaak in handen nemen.’ – ‘Goed. Want begrijpt u, een Aktion van deze omvang, ik heb...’ Radetzky plooide zijn lippen tot een lichte glimlach: ‘Maak u niet ongerust. Wend u tot de Obergruppenführer en tref de nodige voorbereidingen: het gaat allemaal goed, dat verzeker ik u.’
Een uur later kwamen de officieren bijeen in de grote zaal. Radetzky en Häfner waren met Blobel vertrokken; toen hij in de Opel werd gehesen, was hij nog om zich heen gaan schoppen, en Sperath had hem een tweede injectie moeten geven, terwijl Häfner hem intussen stevig in bedwang hield. Callsen nam het woord: ‘Goed, ik denk dat u allen min of meer van de situatie op de hoogte bent.’ Vogt onderbrak hem: ‘Misschien kunt u toch nog een korte samenvatting geven?’ – ‘Zo u wilt. Vanochtend heeft de Generalfeldmarschall opdracht gegeven tot een vergeldingsactie vanwege de tien Duitse soldaten die verminkt in de burcht zijn aangetroffen. Hij heeft bevolen dat er voor elke persoon die door de bolsjewieken is vermoord, één jood moet worden geëxecuteerd, dat is dus ruim duizend joden. Deze order is aan de Standartenführer overgebracht, en die schijnt daardoor een soort inzinking te hebben gekregen...’ – ‘Het is toch ook enigszins de schuld van het leger,’ merkte Kurt Hans op. ‘Ze hadden wel iemand met meer tact kunnen sturen dan die Hauptmann. Bovendien is het haast een belediging om een zo belangrijk bevel door een Hauptmann te laten overbrengen.’ – ‘Feit is dat deze hele geschiedenis de ss in een kwaad daglicht stelt,’ merkte Vogt op. – ‘Moet u eens luisteren,’ zei Sperath op scherpe toon, ‘dat is het probleem niet. Ik kan u melden dat de Standartenführer vanochtend al ziek was, hij had hoge koorts. Beginstadium van tyfus, denk ik. Deze inzinking is er in elk geval mede door veroorzaakt.’ – ‘Jawel, maar hij dronk toch ook veel,’ aldus Kehrig. – ‘Dat is waar,’ merkte ik op, ‘in zijn kamer lag een lege fles.’ – ‘Hij had last van zijn darmen,’ repliceerde Sperath. ‘Hij dacht dat alcohol misschien zou helpen.’ – ‘Hoe het ook zij,’ besloot Vogt, ‘we zitten nu zonder commandant. Ook zonder plaatsvervangend commandant trouwens. En dat kan niet. Ik stel voor dat Hauptsturmführer Callsen het bevel voert over het Sonderkommando totdat Sturmbannführer von Radetzky weer terug is.’ – ‘Maar ik ben niet de hoogste in rang,’ wierp Callsen tegen. ‘Dat bent u of Sturmbannführer Kehrig.’ – ‘Jawel, maar wij behoren niet tot de Einsatzgruppe. Van de Teilkommandoleiders hebt u de hoogste anciënniteit.’ – ‘Ik ben akkoord,’ zei Kehrig. Gespannen liet Callsen zijn blik langs de gezichten gaan, keek ten slotte naar Janssen, die zijn hoofd afwendde en kort knikte. ‘Ik ook,’ zei Kurt Hans nadrukkelijk. ‘Hauptsturmführer, u moet het bevel op u nemen.’ Callsen zweeg en haalde toen zijn schouders op. ‘Goed, zoals u wilt.’ – ‘Ik heb nog een vraag,’ zei Strehlke, onze Leiter ii, op kalme toon. Hij wendde zich naar Sperath. ‘Dokter, wat denkt u, hoe is de Standartenführer eraan toe? Kunnen we ervan uitgaan dat hij spoedig weer terug is, of niet?’ Sperath keek bedenkelijk. ‘Ik weet het niet. Het is moeilijk te zeggen. Zijn aandoening is voor een deel beslist van nerveuze aard, en voor een deel zullen er fysieke oorzaken zijn. We moeten afwachten hoe het gaat als de koorts is gezakt.’ – ‘Als ik u goed begrijp,’ zei Vogt en schraapte zijn keel, ‘zal hij niet meteen weer terugkomen.’ – ‘Dat is niet erg waarschijnlijk, nee. In elk geval de eerstkomende dagen nog niet.’ – ‘Het is goed mogelijk dat hij helemaal niet meer terugkomt,’ zei Kehrig. De zaal viel stil. We hadden duidelijk allemaal dezelfde gedachte, ook al wilde niemand die uitspreken: het zou misschien nog niet eens zo erg zijn als Blobel niet terugkwam. Een maand geleden kenden we hem nog geen van allen, en we stonden nauwelijks een week onder zijn bevel; toch hadden we al wel begrepen dat het moeilijk of zelfs onaangenaam kon zijn met hem te moeten werken. Callsen verbrak de stilte: ‘Luister, zo komen we niet verder, we moeten de Aktion gaan voorbereiden.’ – ‘Ja, maar dat is het nu juist,’ reageerde Kehrig heftig, ‘het is volstrekt absurd, die hele toestand, het slaat echt nergens op.’ – ‘Wat is er absurd?’ vroeg Vogt. – ‘Die vergeldingsactie natuurlijk! We zitten toch niet in de Dertigjarige Oorlog! En bovendien, hoe was u van plan om duizend joden te traceren? In één nacht!’ Hij tikte op zijn neus. ‘Op grond van uiterlijke kenmerken? Door neuzen te inspecteren? Door ze te meten?’ – ‘Dat is waar,’ zei Janssen, die tot dan toe geen woord had gezegd. ‘Dat zal niet zo eenvoudig zijn.’ – ‘Häfner had wel een idee,’ opperde Kurt Hans laconiek. ‘We hoeven ze alleen te vragen hun broek te laten zakken.’ Kehrig ontplofte: ‘Dat is toch volstrekt belachelijk! Zijn jullie dan allemaal gek geworden? Callsen, zegt u er iets van!’ Callsen bleef donker kijken, maar wond zich niet op. ‘Luister, Sturmbannführer. Rustig een beetje. Er moet een oplossing zijn, ik zal het straks met de Obergruppenführer bespreken. En wat de zaak zelf aangaat: die bevalt mij evenmin als u. Maar het is een bevel.’ Kehrig keek hem strak aan, hij zat zich te verbijten. ‘En Brigadeführer Rasch,’ bracht hij eindelijk uit, ‘wat vindt die ervan? Dat is per slot onze rechtstreekse superieur.’ – ‘Ja, dat is weer een ander probleem. Ik heb al geprobeerd contact met hem op te nemen, maar de Gruppenstab is blijkbaar nog onderweg. Ik wil eigenlijk een officier naar Lemberg sturen om hem verslag uit te brengen en verdere instructies te vragen.’ – ‘Wie had u in gedachten?’ – ‘Obersturmführer Aue. Kunt u hem een dag of twee missen?’ Kehrig wendde zich naar mij: ‘Hoe ver bent u met die dossiers, Obersturmführer?’ – ‘Ik heb al een flink deel gesorteerd. Met een paar uur ben ik erdoorheen, denk ik.’ Callsen keek op zijn horloge. ‘Het is in elk geval al te laat om daar nog vóór donker aan te komen.’ – ‘Goed,’ besliste Kehrig. ‘Dan maakt u die dossiers vanavond af en vertrekt u morgenvroeg.’ – ‘Zeker... Hauptsturmführer,’ vroeg ik aan Callsen, ‘wat wilt u dat ik daar ga doen?’ – ‘Brengt u de Brigadeführer op de hoogte van de situatie en van het probleem met de Kommandant. Leg hem uit wat voor besluiten we hebben genomen en zeg hem dat wij zijn instructies afwachten.’ – ‘En informeer u intussen over de situatie ter plekke,’ voegde Kehrig eraan toe. ‘Het schijnt daar nogal een chaos te zijn, ik wil graag weten wat er aan de hand is.’ – ‘Zu Befehl.’
Die avond had ik vier man nodig om de geselecteerde archiefstukken naar de sd-bureaus te brengen. Kehrig was in een verschrikkelijk humeur. ‘Wat is dat nou, Obersturmführer,’ riep hij uit toen hij mijn kisten zag, ‘ik had u toch gevraagd een selectie te maken!’ – ‘U zou eens moeten zien wat ik allemaal heb achtergelaten, Sturmbannführer.’ – ‘Kan zijn. We zullen er extra vertalers bij moeten halen. Nou ja, uw wagen staat klaar, Höfler is uw chauffeur. U moet vroeg vertrekken. Gaat u nu maar naar Callsen.’ In de gang kwam ik Untersturmführer Zorn tegen, een andere subalterne officier, die meestal Häfner assisteerde. ‘Ah, Dr. Aue. U boft wel.’ – ‘Waarom zegt u dat?’ – ‘Nou, dat u hier weg kunt. Een ellendige zaak, morgen.’ Ik knikte: ‘Inderdaad ja. Alles is dus klaar?’ – ‘Geen idee. Ik hoef me alleen maar met het kordon bezig te houden.’ – ‘Zorn doet niets dan klagen,’ bromde Janssen, die bij ons was komen staan. – ‘Hebt u het probleem opgelost?’ vroeg ik. – ‘Welk probleem?’ – ‘Het probleem met de joden. Hoe ze te vinden.’ Hij lachte droogjes: ‘O dat! Het was eigenlijk heel simpel. Het aok laat aanplakbiljetten drukken: alle joden wordt verzocht zich morgenochtend op het grote plein te melden voor verplichte tewerkstelling. We nemen degenen die komen.’ – ‘En denkt u dat het er genoeg zullen zijn?’ – ‘De Obergruppenführer zegt van wel, hij zegt dat zoiets altijd werkt. En anders pakken we de joodse leiders op en dreigen we ze te fusilleren als het vereiste aantal niet wordt gehaald.’ – ‘Ik snap het.’ – ‘Het is me wel een mooie klerestreek,’ verzuchtte Zorn. ‘Gelukkig hoef ik me alleen maar met het kordon te bezig te houden.’ – ‘U bent er in elk geval bij,’ mopperde Janssen. ‘Anders dan die zak van een Häfner.’ – ‘Dat is zijn schuld niet,’ wierp ik tegen. ‘Hij was liever hier gebleven, maar de Sturmbannführer stond erop dat hij meeging.’ – ‘Wat u zegt. Waarom is die er zelf niet bij?’ Hij keek me vals aan. ‘Ik zou ook best wel een kijkje willen nemen in Lublin of Lemberg.’ Ik haalde mijn schouders op en ging op zoek naar Callsen. Die zat met Vogt en Kurt Hans over een stadsplattegrond gebogen. ‘Ja, Obersturmführer?’ – ‘U wilde me spreken.’ Callsen leek zichzelf meer meester dan die middag, hij zag er haast ontspannen uit. ‘U kunt Brigadeführer Dr. Rasch zeggen dat Obergruppenführer Jeckeln de orders van het leger bekrachtigt en persoonlijk toezicht zal houden op de Aktion.’ Hij keek me aan met een kalme blik; door het besluit van Jeckeln was duidelijk een last van zijn schouders genomen. ‘Ook bekrachtigt hij mijn positie als commandant ad interim tot aan de terugkeer van Sturmbannführer von Radetzky,’ vervolgde hij, ‘tenzij de Brigadeführer de voorkeur geeft aan iemand anders. Verder stelt hij ons voor de Aktion Oekraïense hulptroepen ter beschikking plus een compagnie van het 9e reservepolitiebataljon. Dat is het.’ Ik groette en vertrok. Die nacht lag ik lang wakker. Ik dacht aan de joden die zich de volgende dag zouden melden. Ik vond de gekozen methode bijzonder onrechtvaardig: de joden van goede wil, die het Duitse Reich op zijn woord vertrouwden, zouden worden gestraft, terwijl alle anderen – de lafaards, de verraders, de bolsjewieken – zich bleven verbergen en niet gevonden werden. Zoals Zorn zei, was het inderdaad een mooie klerestreek. Ik was blij dat ik naar Lemberg moest, dat zou een interessante reis zijn; maar het zat me tegelijkertijd dwars dat ik op die manier de Aktion ontliep. Een situatie als deze beschouwde ik als een ernstig probleem, dat je niettemin onder ogen moest zien, moest proberen op te lossen, in elk geval voor jezelf, en dat je dus niet uit de weg moest gaan. De anderen, Callsen, Zorn, wilden zich drukken, in elk geval wilden ze zich stuk voor stuk aan hun verantwoordelijkheid onttrekken, en dat was in mijn ogen niet juist. Als wij onrecht pleegden, dan dienden we daarover na te denken en vast te stellen of het noodzakelijk en onvermijdelijk was, dan wel louter het gevolg van gemakzucht, luiheid, onnadenkendheid. Dat was een kwestie van discipline. Ik wist dat dit soort besluiten op een niveau ver boven het onze werd genomen; toch waren wij geen automaten, het ging er niet alleen om dat je bevelen gehoorzaamde, je moest er ook achter staan; maar nu had ik mijn twijfels, en dat verontrustte me. Uiteindelijk ging ik wat lezen en kon ik nog een paar uur slapen.
Om vier uur kleedde ik me aan. Höfler, de chauffeur, wachtte me in de kantine al op, met slechte koffie. ‘Als u wilt, heb ik ook brood en kaas, Obersturmführer.’ – ‘Nee, het is goed zo, ik heb geen honger.’ Zwijgend dronk ik de koffie. Höfler zat te dommelen. Buiten was het stil. Popp, de soldaat die me zou escorteren, kwam ook binnen en begon luidruchtig te eten. Ik stond op en ging naar de binnenplaats om te roken. De hemel was helder, sterren fonkelden boven de hoge muren van het voormalige klooster, die zich streng en ongenaakbaar aftekenden tegen het zachte witte licht. Ik zag geen maan. Höfler kwam ook naar buiten en salueerde: ‘We zijn zover, Obersturmführer.’ – ‘Je hebt blikken benzine bij je?’ – ‘Ja, drie stuks.’ Popp stond bij het voorportier van de Admiral en zag er met zijn geweer even onwennig als trots uit. Ik beduidde hem achterin te gaan zitten. ‘Het escorte zit meestal voorin, Obersturmführer.’ – ‘Jawel, maar ik heb liever dat je achterin zit.’
Toen we de Styr over waren, boog Höfler af naar het zuiden. Langs de weg stonden geregeld borden; afgaand op de kaart hadden we wel enkele uren te gaan. Het was een mooie maandagochtend, kalm en vredig. Zo te zien hadden de slapende dorpen nauwelijks onder de oorlog geleden, bij de controleposten konden we probleemloos doorrijden. Links van ons werd de hemel al lichter. Wat later doemde er een nog rode zon tussen de bomen op. Fijne slierten nevel hingen vlak boven de grond; tussen de dorpen strekten zich, zover het oog reikte, weidse, vlakke velden uit, met hier en daar een groepje bomen of een dichtbegroeide, afgeplatte heuvel. Langzaam werd de hemel blauw. ‘Die grond hier zal wel goed zijn,’ merkte Popp op. Ik reageerde niet en hij hield verder zijn mond. In Radziechov stopten we om wat te eten. Ook hier lagen overal in de bermen en greppels karkassen van tanks, en afgebrande isba’s gaven de dorpen een gehavend aanzien. Het werd drukker op de weg, we kwamen lange colonnes tegen van vrachtwagens, beladen met soldaten en levensmiddelen. Vlak vóór Lemberg moesten we bij een wegversperring aan de kant om tanks voorbij te laten. De weg trilde, stofwolken verduisterden onze ramen en drongen door de kieren naar binnen. Höfler gaf mij en Popp een sigaret. Met een vies gezicht stak hij de zijne aan. ‘Smerig spul toch, die Sportnixe.’ – ‘Dat gaat nog best,’ zei ik. ‘Niet zo kieskeurig zijn.’ Toen de tanks voorbij waren, liep er een Feldgendarm naar ons toe, die ons beduidde nog niet te gaan rijden. ‘Er komt nog een colonne,’ riep hij. Ik rookte mijn sigaret op en gooide het peukje uit het portier. ‘Popp heeft gelijk,’ zei Höfler ineens. ‘Het is een mooi land. Na de oorlog zou je hier best kunnen gaan wonen.’ – ‘Zou jij hier willen wonen?’ vroeg ik met een glimlach. Hij haalde zijn schouders op: ‘Hangt ervan af.’ – ‘Waarvan?’ – ‘De hoge heren. Als het hier net zo gaat als bij ons, dan is het de moeite niet.’ – ‘En wat zou je hier dan gaan doen?’ – ‘Als ik het zelf kon beslissen, Obersturmführer? Dan zou ik een zaak beginnen, net als thuis. Een goede sigarenzaak, met een bar erbij, en misschien ook groente en fruit, al naar gelang.’ – ‘En dat deed je dan liever hier dan waar je vandaan komt?’ Hij gaf een doffe klap op het stuur: ‘Ik heb m’n eigen zaak moeten sluiten. Al in ’38.’ – ‘Waarom?’ – ‘Nou, door die klootzakken van de kartels, die van Reemtsma. Die hadden bedacht dat je minstens vijfduizend Reichsmark per jaar moest omzetten en dat ze anders niet leverden. Bij mij in het dorp wonen zo’n zestig gezinnen, dus voordat je dan voor vijfduizend Reichsmark aan sigaretten hebt verkocht... Hopeloos, een andere leverancier is er niet. Ik was de enige tabakszaak in het dorp, onze Partijleider steunde me, hij heeft brieven voor me geschreven aan de Gauleiter, we hebben van alles geprobeerd, maar het was hopeloos. Het is geëindigd voor de economische rechter en ik heb verloren, toen kon ik de zaak dus sluiten. Groente alleen was niet genoeg. En daarna werd ik opgeroepen.’ – ‘Dus nu is er bij jou in het dorp geen tabakszaak meer?’ vroeg Popp met zijn vlakke stem. – ‘Nee, dat heb je goed gesnapt.’ – ‘Bij ons is er nooit een geweest.’ De tweede tankcolonne was gearriveerd, alles begon weer te trillen. Een van de raampjes van de Admiral zat een beetje los en rammelde heftig in de sponningen. Ik maakte Höfler erop attent en hij knikte. De colonne trok voorbij, er kwam geen eind aan: het front verplaatste zich kennelijk in volle vaart. Eindelijk gaf de Feldgendarm ons een teken dat de weg vrij was.
In Lemberg heerste chaos. Geen van de soldaten bij de controleposten kon ons vertellen waar de commandopost van de Sicherheitspolizei en de sd was; ofschoon de stad twee dagen eerder was ingenomen, leek niemand enige moeite te hebben genomen om wegwijzers neer te zetten. Min of meer op goed geluk reden we een brede straat in; die kwam uit op een lange boulevard met in het midden een park en aan weerszijden pastelkleurige gevels, elegant opgesmukt met witte lijsten. In de straten was het een gekrioel. Tussen de Duitse legerwagens reden karren en open vrachtwagens, versierd met wimpels en blauw-gele vlaggen, stampvol mannen in burger of soms getooid met delen van een uniform, en gewapend met geweren en pistolen; ze schreeuwden, zongen, schoten met hun wapens in de lucht; op de trottoirs en in het park werden ze toegejuicht door andere mannen, soms gewapend, terwijl hier en daar onverschillig kijkende Duitse soldaten stonden. Uiteindelijk kon een luitenant van de Luftwaffe me een commandopost van een divisie wijzen; daar werden we doorgestuurd naar aok 17. Officieren draafden de trappen op en af, liepen bureaus in en uit en sloegen met de deuren; de gangen lagen bezaaid met lukraak neergesmeten, vertrapte sovjetdossiers; in de hal stond een groep mannen in burger met blauw-gele mouwbanden en geweren; in het Oekraïens of misschien ook Pools, dat weet ik niet, stonden ze heftig te discussiëren met Duitse soldaten voorzien van een embleem met een nachtegaal erop. Ten slotte vond ik een jonge Major van de Abwehr: ‘Einsatzgruppe b? Die zijn gisteren aangekomen. Ze hebben het kantoor van de nkvd in beslag genomen.’ – ‘En waar is dat?’ Hij keek me uitgeput aan: ‘Ik heb geen flauw idee.’ Hij wist toch nog een ondergeschikte te vinden die er al geweest was, en die stuurde hij als gids met me mee.
Op de boulevard vorderde het verkeer stapvoets, het kwam zelfs volledig tot stilstand doordat er veel mensen samendromden. Ik stapte de Opel uit om te kijken wat er aan de hand was. Ze stonden luidkeels te schreeuwen en klapten in hun handen; sommigen hadden stoelen of kisten uit een café gehaald en waren erop geklommen om beter te kunnen zien, anderen droegen een kind op hun schouders. Ik baande me moeizaam een weg. Midden in die massa was een grote kring vrijgehouden, waar mannen rondparadeerden in kostuums die uit een theater of museum moesten zijn geroofd – extravagante uitdossingen, een achttiende-eeuwse pruik met een huzarenjasje uit 1812, een met hermelijn afgezette rechterstoga, Mongoolse wapenrustingen en Schotse kilts, een half-Romeins, half-renaissancistisch operettekostuum met een plooikraag; iemand droeg een uniform van de rode cavalerie van Boedjonny, maar dan met een hoge hoed en een bontkraag, en zwaaide met een lang Mauser-pistool; iedereen had wel een knuppel of een geweer. Aan hun voeten zat een aantal mannen op handen en voeten het plaveisel af te likken; nu en dan kregen ze van een van die gekostumeerde lieden een klap met een geweerkolf of een schop. De meesten van die geknielde mannen bloedden hevig; de meute schreeuwde er des te harder om. Achter mij begon iemand op een accordeon een meeslepende melodie te spelen; prompt zongen tientallen stemmen de woorden mee, terwijl de man in de kilt een viool tevoorschijn haalde waarop hij bij gebrek aan een strijkstok begon te tokkelen als op een gitaar. Een van de omstanders trok aan mijn mouw en schreeuwde me met uitpuilende ogen toe: ‘Jid, Jid, kaputt!’ Maar zoiets had ik al begrepen. Ik rukte me snel los en werkte me opnieuw door de menigte heen; Höfler had intussen de auto gekeerd. ‘Volgens mij kunnen we wel zo,’ zei de man van de Abwehr en wees naar een dwarsstraat. Al gauw waren we de weg kwijt. Uiteindelijk kwam Höfler op het idee een voorbijganger aan te spreken: ‘nkvd? nkvd?’ – ‘nkvd kaputt!’ riep deze vrolijk uit. Druk gebarend wees hij ons de weg: het bleek slechts tweehonderd meter van het aok verwijderd te zijn, we waren in de verkeerde richting vertrokken. Ik stuurde onze gids terug en liep naar boven om me melden. Rasch, zo werd me verteld, was in vergadering met al zijn Leiter en een aantal legerofficieren; niemand wist wanneer hij me zou kunnen ontvangen. Ten slotte kwam een Hauptsturmführer me te hulp. ‘U komt uit Loetsk? We zijn al op de hoogte, de Brigadeführer heeft Obergruppenführer Jeckeln telefonisch gesproken. Maar ik weet zeker dat uw verslag hem zal interesseren.’ – ‘Goed. Dan wacht ik.’ – ‘O, dat heeft geen zin. Hij is nog minstens twee uur bezig. U kunt nu het beste de stad gaan bezichtigen. Vooral het oude centrum is de moeite waard.’ – ‘De bevolking lijkt behoorlijk opgewonden,’ merkte ik op. – ‘Dat mag u wel zeggen. De nkvd heeft in de gevangenissen drieduizend mensen afgeslacht en is er toen vandoor gegaan. Daarna zijn alle Oekraïense en Galicische nationalisten opgedoken uit de bossen of God weet waar ze zich schuilhielden, en die zijn nogal geagiteerd. De joden gaan het flink moeilijk krijgen.’ – ‘En de Wehrmacht doet niets?’ – Hij knipoogde: ‘Orders van boven, Obersturmführer. De bevolking ruimt de verraders en collaborateurs zelf uit de weg, dat is onze zaak niet. Het is een intern conflict. Goed, tot straks.’ Hij verdween in een kantoor en ik ging weer naar buiten. De schoten die uit het stadscentrum kwamen, klonken als een reeks rotjes op de kermis. Ik liet Höfler en Popp bij de Opel achter en ging te voet naar de grote boulevard. Onder de zuilengalerij heerste een uitgelaten stemming; de deuren en ramen van de cafés stonden wijd open, er werd gedronken, geschreeuwd; in het voorbijgaan schudden mensen me de hand; iemand reikte me vrolijk een glas champagne aan dat ik leegdronk; voordat ik het hem kon teruggeven, was hij al verdwenen. In de mensenmassa paradeerden nog meer mannen in toneelkostuums, alsof het carnaval was; sommigen droegen zelfs een masker, grappig, afzichtelijk of grotesk. Ik liep het park door; aan de andere kant begon de oude stad, die er heel anders uitzag dan de Oostenrijks-Hongaarse boulevard: er stonden hoge, smalle huizen uit de late Renaissance, met spitse daken en gevels in verschillende, zij het nogal verbleekte kleuren, verfraaid met barokke stenen ornamenten. In de straatjes hier was het veel minder druk. Het raam van een dichte winkel was afgeplakt met een macaber aanplakbiljet: een enorme foto van lijken met daarbij een cyrillische tekst; ik kon alleen de woorden Oekraïne en Jidy, joden, ontcijferen. Ik kwam langs een mooi, groot, onmiskenbaar katholiek kerkgebouw; het was dicht en op mijn kloppen reageerde niemand. Uit een openstaande deur verderop in de straat kwamen geluiden van brekend glas, slagen, kreten; daar in de buurt lag het lijk van een jood met het gezicht in de goot. Groepjes gewapende mannen met blauw-gele mouwbanden stonden met gewone burgers te praten; van tijd tot tijd gingen ze een huis in en dan hoorde je weer een geweldig kabaal, soms ook geweerschoten. Plotseling vloog een man dwars door een raam op de eerste verdieping en stortte haast voor mijn voeten neer, midden in een regen van glasscherven; ik deinsde schielijk achteruit om niet te worden geraakt; toen hij de straatstenen raakte, hoorde ik heel duidelijk de droge krak van zijn nek. Een man in hemdsmouwen en met een pet op boog zich uit het kapotte raam; hij zag me en riep me in onbeholpen Duits opgewekt toe: ‘Verontschuldiging, Herr deutsche Offizier! Ik had u niet gezien.’ Mijn beklemming verhevigde, ik liep om het lijk heen en ging zwijgend verder. Even later kwam een man met een baard en in priesterkleed een kerkportaal uit aan de voet van een hoge klokkentoren; zodra hij me zag, liep hij naar me toe: ‘Herr Offizier! Herr Offizier! Komt u mee alstublieft!’ Zijn Duits was beter dan dat van de man bij het raam, maar hij had een eigenaardig accent. Hij trok me hardhandig mee naar het portaal. Ik hoorde geschreeuw, woeste kreten; op de binnenplaats van de kerk stond een groep mannen met knuppels en ijzeren staven een aantal joden af te ranselen die op de grond lagen. Sommige lichamen bewogen niet meer onder de slagen; andere lagen nog te schokken. ‘Herr Offizier!’ riep de priester, ‘doet u iets, alstublieft! Het is hier een kerk!’ Ik bleef bij het portaal staan, besluiteloos; de priester sjorde aan mijn arm. Ik weet niet wat ik dacht. Een van de Oekraïners kreeg me in de gaten en zei iets tegen zijn kameraden, met zijn hoofd in mijn richting wijzend; ze aarzelden, hielden op met slaan; de priester barstte los in een stroom van woorden waar ik niets van verstond en wendde zich vervolgens naar mij: ‘Ik heb ze gezegd dat u bevel hebt gegeven om ermee te stoppen. Ik heb ze gezegd dat een kerk heilig gebied is en dat het beesten zijn, dat de kerken onder de bescherming van de Wehrmacht vallen en dat ze worden gearresteerd als ze niet onmiddellijk verdwijnen.’ – ‘Ik ben hier helemaal alleen,’ zei ik. – ‘Dat doet er niet toe,’ repliceerde de priester. Hij riep nog wat in het Oekraïens. Traag lieten de mannen hun knuppels zakken. Een van hen stak een vurige tirade tegen me af. De enige woorden die ik verstond, waren ‘Stalin’, ‘Galicië’ en ‘joden’. Een ander spuugde op de lichamen. Er volgde een moment van algehele besluiteloosheid; de priester schreeuwde nog wat; de mannen keerden de joden de rug toe, liepen achter elkaar de binnenplaats af en verdwenen zonder een woord te zeggen. ‘Bedankt,’ zei de priester, ‘bedankt.’ Hij haastte zich naar de joden om te kijken hoe ze eraan toe waren. De binnenplaats liep een beetje schuin af: meer in de diepte, tegen de kerk aan, lag een fraaie, beschaduwde, met groen koper overdekte zuilengang. ‘Helpt u me,’ zei de priester. ‘Deze hier leeft nog.’ Hij pakte het lichaam onder de oksels en ik tilde het bij de voeten op; ik zag dat het een jonge man was, nog bijna een jongen. Zijn hoofd viel slap naar achteren, het bloed stroomde langs zijn peies en liet een streep van dikke, glanzende druppels op de tegels achter. Mijn hart bonkte: ik had nog nooit een stervende gedragen. We moesten om de kerk heen, de priester liep achteruit, onderwijl in het Duits foeterend: ‘Eerst de bolsjewieken en nu die Oekraïense idioten. Waarom doet uw leger helemaal niets?’ Achterin was een grote boog, die toegang gaf tot een kleinere binnenplaats en het portaal van de kerk. Ik hielp de priester om de jood naar de vestibule te dragen, waar we hem op een bank legden. De priester riep iets; twee mannen, net als hij donker en met een baard, maar gekleed in een pak, doemden uit het middenschip op. Hij sprak tegen hen in een mij onbekende taal, die niets weg had van Oekraïens, Russisch of Pools. Gedrieën gingen ze naar het voorplein; een van hen verdween in een steegje, terwijl de anderen teruggingen naar de joden. ‘Hij haalt een dokter,’ zei de priester. – ‘Wat is dit hier?’ vroeg ik hem. Hij bleef staan en keek me strak aan: ‘Dit is de Armeense kathedraal.’ – ‘Zijn er dan Armenen in Lemberg?’ vroeg ik verbaasd. Hij haalde zijn schouders op. ‘Al heel wat langer dan Duitsers of Oostenrijkers.’ Hij en zijn vriend pakten opnieuw een jood op, die zacht kreunde. Het bloed van de joden vloeide traag over de stenen van de schuine binnenplaats naar de zuilengang. Onder de bogen ontdekte ik grafstenen die in de muur en in de vloer waren gemetseld, met inscripties in een raadselachtig schrift, dat dan wel Armeens zou zijn. Ik liep erheen: het bloed sijpelde over de stenen, in de uitgehouwen letters. Bruusk wendde ik me af. Ik voelde me bedrukt, verward; ik stak een sigaret op. Het was koel in de zuilengang. Op de binnenplaats scheen de zon op de plakkaten vers bloed en de kalkstenen tegels, op de bewegingloze lichamen van de joden, op hun zwarte en bruine kleding van grove stof, die doordrenkt was met bloed. Vliegen zwermden om hun hoofden en streken op de wonden neer. De priester ging weer bij hen staan. ‘En de doden?’ vroeg hij. ‘Die kunnen we hier niet laten liggen.’ Maar ik was absoluut niet van plan om hem te helpen; ik moest er niet aan denken om een van die levenloze lichamen aan te raken. Ik liep om de lijken heen naar het portaal en ging de straat op. Daar was het uitgestorven, op goed geluk sloeg ik linksaf. Een eind verder bleek de weg dood te lopen; toen ik naar rechts ging, kwam ik op een plein waar een indrukwekkende barokkerk stond, met een koperen koepel, rococo-ornamenten en een hoog portaal geflankeerd door zuilen. Ik liep de treden op en ging naar binnen. Het enorme gewelf van het middenschip rustte op slanke, gedraaide zuilen, de gebrandschilderde ramen lieten veel daglicht binnen, dat een kleurrijke gloed wierp over met bladgoud versierde houtsculpturen; van achter tot voor stonden vele rijen donkere banken, glanzend gewreven, er zat niemand. In een witgepleisterde zijbeuk zag ik een lage deur van verweerd hout en met ijzer beslagen: die duwde ik open; een paar stenen traptreden leidden naar een brede, lage gang, waarin door kruisramen het licht naar binnen viel. Tegen de andere muur stonden vitrinekasten vol religieuze voorwerpen; sommige leken me erg oud en waren prachtig bewerkt. Tot mijn verbazing lagen er in een van de vitrines joodse voorwerpen uitgestald: thorarollen, gebedskleden, oude gravures waarop joden in de synagoge waren afgebeeld. Op Hebreeuwse boeken stond in het Duits de naam van de drukker vermeld: Lwow, 1884; Lublin 1853, bei Schmuel Berenstein. Ik hoorde voetstappen en keek op: een monnik met een geschoren kruin kwam mijn kant op. Hij droeg het witte habijt van de dominicanen. Bij mij aangekomen bleef hij staan. ‘Goedendag,’ zei hij in het Duits. ‘Kan ik u van dienst zijn?’ – ‘Wat is dit hier?’ – ‘U bent in een klooster.’ Ik wees naar de vitrines. ‘Nee, ik bedoel dit allemaal.’ – ‘Dat? Dat is ons religiemuseum. Alle voorwerpen zijn afkomstig uit deze regio. Kijkt u gerust als u wilt. Normaal gesproken vragen we een kleine bijdrage, maar vandaag is het gratis.’ Hij liep verder en verdween weer geruisloos door de ijzerbeslagen deur. Waar hij tevoorschijn was gekomen, maakte de gang een haakse bocht; ik bevond me in een kruisgang, die werd begrensd door een lage muur en afgesloten door zuilen met verzegelde ramen ertussen. Een lange, lage vitrine trok mijn aandacht; een kleine schijnwerper aan de muur verlichtte de binnenkant. Ik boog me voorover: twee skeletten lagen met elkaar verstrengeld, deels onder een laag droge aarde. Het grootste lag op zijn rug en was waarschijnlijk de man, ondanks de brede koperen oorringen die tegen zijn schedel rustten; het andere, onmiskenbaar een vrouw, lag ineengedoken op haar zij, in zijn armen gevlijd, haar beide benen over een van de zijne. Het was schitterend, nog nooit had ik zoiets gezien. Tevergeefs probeerde ik het opschrift te ontcijferen. Hoeveel eeuwen lagen ze al zo met elkaar verstrengeld? Deze geraamten moesten heel oud zijn, ze stamden vast uit lang vervlogen tijden; hoogstwaarschijnlijk was de vrouw de offerdood gestorven en samen met haar dode gebieder begraven; dat was in de oertijd gebruikelijk, zo wist ik. Maar dergelijke gedachten deden er niets toe; ondanks alles was het typisch de houding van een paar dat zojuist de liefde heeft bedreven, verzaligd, van een aangrijpende tederheid. Ik dacht aan mijn zuster en mijn keel trok dicht: zij zou bij deze aanblik beslist hebben gehuild. Ik liep het klooster uit zonder nog iemand tegen te komen. Buiten stak ik het plein over. Daarachter lag nog een groot plein met in het midden een flink gebouw, voorzien van een toren en omringd door wat bomen. Rondom dit plein verdrongen zich vele smalle huizen met prachtige versieringen, elk in een andere stijl. Achter het grote gebouw in het midden roerde zich een lawaaierige menigte. Om die te vermijden ging ik naar links en liep vervolgens langs een kathedraal, onder een stenen kruis door dat rustte in de liefdevolle armen van een engel en werd geflankeerd door een melancholieke Mozes met zijn Tafelen en een peinzende heilige, gehuld in vodden; onder het kruisbeeld bevond zich een doodshoofd met gekruiste botten – bijna hetzelfde symbool als op mijn pet. In een straatje daarachter waren wat tafels en stoelen buiten gezet. Ik had het warm, was moe, het kroegje leek leeg, ik ging zitten. Een meisje kwam naar buiten en sprak me aan in het Oekraïens. ‘Hebt u bier? Bier?’ vroeg ik in het Duits. Ze schudde haar hoofd: ‘Piva njetoe.’ Dat begreep ik. ‘Koffie dan? Kava?’ – ‘Da.’ – ‘Voda?’ – ‘Da.’ Ze ging naar binnen en kwam terug met een glas water, dat ik in één teug leegdronk. Toen bracht ze de koffie. Er bleek al suiker in te zitten en ik liet hem staan. Ik stak een sigaret op. Het meisje kwam terug en zag de koffie: ‘Koffie? Niet goed?’ vroeg ze in gebroken Duits. – ‘Met suiker. Njet.’ – ‘Ah.’ Ze glimlachte, nam de koffie weer mee en bracht nieuwe. Hij was sterk, zonder suiker, ik dronk en rookte. Aan mijn rechterkant werd het grote plein aan mijn oog onttrokken door een kapel aan de voet van de kathedraal, versierd met bas-reliëfs in zwarte lijsten. Een man in Duits uniform liep om de kapel heen en onderwierp de reeks afbeeldingen aan een nauwgezet onderzoek. Hij zag me en kwam naar me toe; ik zag zijn epauletten, stond snel op en salueerde. Hij salueerde terug. ‘Goedendag! U bent dus Duits?’ – ‘Jawel, Herr Hauptmann.’ Hij haalde een zakdoek tevoorschijn en wiste zijn voorhoofd af. ‘Ah, des te beter. Mag ik gaan zitten?’ – ‘Vanzelfsprekend, Herr Hauptmann.’ Het meisje kwam weer naar buiten. ‘Wilt u uw koffie met of zonder suiker? Dat is het enige wat je hier kunt krijgen.’ – ‘Met alstublieft.’ Ik beduidde het meisje dat ze ons nog twee koffie kon brengen, met de suiker ernaast. Daarna ging ik weer bij de Hauptmann zitten. Hij stak me zijn hand toe: ‘Hans Koch. Ik ben bij de Abwehr.’ Ik stelde me op mijn beurt voor. ‘Ah, u bent van de sd? O ja, ik had uw insigne nog niet gezien. Des te beter, heel goed.’ Deze Hauptmann maakte een plezierige indruk. Hij moest over de vijftig zijn, droeg een bril met ronde glazen en had een buikje. Hij sprak met een zuidelijk accent, maar net even anders dan het Weense. ‘U komt denk ik uit Oostenrijk, Herr Hauptmann?’ – ‘Ja, uit Stiermarken. En u?’ – ‘Mijn vader komt oorspronkelijk uit Pommeren, maar ik ben geboren in de Elzas. Daarna woonden we her en der.’ – ‘Juist ja, juist ja. U bent aan de wandel?’ – ‘In zekere zin, ja.’ Hij knikte. ‘Ik ben hier voor een bijeenkomst. Daarginds, zo dadelijk.’ – ‘Een bijeenkomst, Herr Hauptmann?’ – ‘Ach ja, toen ze ons uitnodigden, zeiden ze dat het een culturele bijeenkomst zou zijn, maar persoonlijk denk ik dat het een politieke bijeenkomst wordt.’ Hij boog zich vertrouwelijk naar me toe: ‘Men heeft mij afgevaardigd, omdat ik geacht word deskundig te zijn op het gebied van het Oekraïense nationaliteitenvraagstuk.’ – ‘En bent u dat ook?’ Hij schoot achteruit: ‘Allerminst! Ik ben docent theologie. Ik weet wel iets over de uniatenkwestie, maar dat is dan ook alles. Ze hebben me vast uitgenodigd omdat ik in het keizerlijk leger heb gediend, ik was Leutnant in de Grote Oorlog, ze dachten blijkbaar dat ik op de hoogte was van het nationaliteitenvraagstuk; maar ik zat destijds aan het Italiaanse front, en dan ook nog bij de intendance. Ik had weliswaar Kroatische collega’s...’ – ‘Spreekt u Oekraïens?’ – ‘Geen woord. Ik heb een tolk bij me. Die zit nu te drinken met die figuren van de ooen, op het plein.’ – ‘De ooen?’ – ‘Ja. Weet u niet dat die vanmorgen de macht hebben overgenomen? Althans, ze hebben het radiostation bezet. En vervolgens hebben ze een proclamatie uitgebracht, over de heroprichting van de Oekraïense staat, als ik het goed begrepen heb. Dat is de reden dat ik zo dadelijk naar die bijeenkomst moet. Ik hoorde dat de metropoliet de nieuwe staat zou hebben gezegend. Het schijnt dat wij hem dat gevraagd hebben, maar ik heb eigenlijk geen idee.’ – ‘Welke metropoliet?’ – ‘Die van de uniaten natuurlijk. De orthodoxen haten ons. Ze haten Stalin ook, maar ons haten ze nog meer.’ Ik wilde nog iets vragen, maar werd bruusk onderbroken: een tamelijk dikke vrouw kwam luid schreeuwend en halfnaakt, met gescheurde kousen, van achter de kathedraal aangerend; ze vloog op de tafels af, struikelde, liep er een omver en zakte krijsend aan onze voeten neer. Haar witte huid zat onder de blauwe plekken, maar hevig bloeden deed ze niet. Twee potige kerels met mouwbanden liepen kalm achter haar aan. Een van hen richtte in gebrekkig Duits het woord tot ons: ‘Verontschuldiging, Offiziere. Kein Problem.’ De ander trok de vrouw aan haar haren overeind en gaf een stomp in haar maag. Ze hikte en viel toen stil, het kwijl op haar lippen. Nummer één gaf haar een trap tegen haar achterste, en ze maakte zich weer uit de voeten. De mannen kuierden lachend achter haar aan en verdwenen achter de kapel. Koch nam zijn pet af en wiste opnieuw het zweet van zijn voorhoofd, terwijl ik de omgegooide tafel overeind zette. ‘Het zijn werkelijk barbaren hier,’ merkte ik op. – ‘O ja, dat ben ik volkomen met u eens. Maar ik dacht toch dat jullie ze aanmoedigen?’ – ‘Dat zou me verbazen, Herr Hauptmann. Ik ben hier nog maar net, ik heb geen idee wat er aan de hand is.’ Koch vervolgde: ‘Op het aok hoorde ik dat de Sicherheitsdienst aanplakbiljetten heeft laten drukken om de mensen hier op te hitsen. Aktion Petljura, zouden ze dat hebben genoemd, naar Petljoera, de leider van het Oekraïense verzet tegen de bolsjewieken. U hebt van hem gehoord? Hij is vermoord door een jood, geloof ik. In ’26 of ’27.’ – ‘U bent blijkbaar toch deskundig.’ – ‘Ja, ik heb net een paar rapporten doorgenomen.’ Het meisje kwam de kroeg uit. Ze gebaarde glimlachend dat de koffie van de zaak was. Ik had trouwens ook geen Oekraïens geld bij me. Ik keek op mijn horloge: ‘Wilt u me excuseren, Herr Hauptmann. Ik moet ervandoor.’ – ‘O, natuurlijk, ga uw gang.’ Hij gaf me een hand. ‘Het beste!’
Ik liep via de kortste weg de oude stad uit en wrong me met moeite door de uitgelaten meute heen. Bij de Gruppenstab heerste een opgewekte stemming. Ik werd verwelkomd door dezelfde officier. ‘Ah, daar bent u weer.’ Eindelijk kon Brigadeführer Dr. Rasch me ontvangen. Hij schudde me hartelijk de hand, maar zijn vlezige gezicht bleef ernstig. ‘Gaat u zitten. Wat is er met Standartenführer Blobel gebeurd?’ Hij had geen pet op en zijn hoge, gewelfde voorhoofd glom in het schijnsel van de gloeilamp. Ik deed kort verslag van Blobels inzinking. ‘Volgens de arts zou het een gevolg van koorts en uitputting zijn.’ Hij kneep zijn dikke lippen samen, rommelde in de paperassen op zijn bureau en haalde een papier tevoorschijn. ‘De Ic van aok 6 heeft me geschreven om zijn beklag te doen over Blobels uitlatingen. Hij zou officieren van de Wehrmacht hebben bedreigd?’ – ‘Dat is overdreven, Brigadeführer. Hij was aan het ijlen en sloeg inderdaad wartaal uit. Maar dat was tegen niemand in het bijzonder gericht, het kwam door zijn ziekte.’ – ‘Juist.’ Hij vroeg me nog naar enkele andere punten en gebaarde vervolgens dat het gesprek was afgelopen. ‘Sturmbannführer von Radetzky is al terug naar Loetsk, hij zal de Standartenführer vervangen totdat deze is hersteld. We zullen de orders en de andere papieren gereedmaken. Voor vannacht kunt u zich tot Hartl wenden, op de administratie, hij zal u ergens onderbrengen.’ Ik verliet zijn bureau en ging op zoek naar dat van Leiter i; een van zijn assistenten gaf me de benodigde briefjes. Ik nam de trap naar beneden om Höfler en Popp te zoeken. In de hal liep ik Thomas tegen het lijf. ‘Max!’ Hij tikte me op de schouder en een golf van vreugde trok door me heen. ‘Wat ben ik blij je te zien! Wat doe je hier?’ Ik legde het hem uit. ‘En je blijft tot morgen? Dat is geweldig. Ik ga eten met wat lui van de Abwehr, in een klein restaurant, erg goed, schijnt het. Jij gaat met ons mee. Is er al een slaapplaats voor je gevonden? Het is niet erg luxueus, maar je hebt in elk geval schone lakens. Gelukkig dat je niet al gisteren bent gekomen: toen was het hier een complete zwijnenstal. De Roden hebben alvorens te vertrekken alles leeggeplunderd, en de Oekraïners waren hier al voordat wij aankwamen. Er zijn joden opgepakt om de zaak schoon te maken, maar dat heeft uren geduurd, we konden vanmorgen pas gaan slapen.’ We spraken af dat ik hem in de tuin achter het gebouw zou treffen, en ik vervolgde mijn weg. Popp zat te snurken in de Opel, Höfler was met politieagenten aan het kaarten; ik vertelde hem wat er geregeld was en ging in de tuin staan roken, waar ik op Thomas wachtte.
Thomas was een goede vriend, ik was echt blij hem weer te zien. Onze vriendschap dateerde van een paar jaar terug; in Berlijn aten we vaak samen; soms nam hij me mee naar nachtclubs of bekende concertzalen. Hij was een levensgenieter en een knaap die zich goed wist te redden. Het was trouwens grotendeels aan hem te danken dat ik nu in Rusland zat; het idee kwam althans van hem. Maar onze geschiedenis ging in feite nog wat verder terug. In de lente van 1939 – ik had net mijn doctoraal rechten gehaald en me bij de sd aangesloten – werd er veel over oorlog gepraat. Na Bohemen en Moravië richtte de Führer zijn blik op Danzig: het probleem was alleen dat de reactie van Frankrijk en Groot-Brittannië goed moest worden ingeschat. De meesten dachten dat die landen zich niet omwille van Danzig in een oorlog zouden storten, zomin als ze dat om Praag hadden gedaan; ze hadden zich echter wel garant gesteld voor de westelijke grens van Polen en waren zich in snel tempo aan het bewapenen. Ik voerde er lange gesprekken over met Dr. Best, mijn superieur en ook enigszins mijn mentor bij de sd. In theorie, zo stelde hij, hoefden we niet bang te zijn voor een oorlog; oorlog was een logische consequentie van de Weltanschauung. Met citaten van Hegel en Jünger beargumenteerde hij dat de staat het stadium van ideale eenheid slechts in en door oorlog kon bereiken: ‘Als het individu de antithese is van de staat, dan is oorlog weer de antithese van die antithese. Oorlog is het moment waarop het collectieve bestaan van het Volk zijn absolute socialisering bereikt.’ Maar in het hogere echelon had men prozaïscher zorgen. Op het ministerie van Ribbentrop, bij de Abwehr, op onze eigen afdeling Buitenland – overal schatte men de situatie op zijn eigen manier in. Op een dag werd ik ontboden bij de Chef, Reinhard Heydrich. Het was de eerste keer, en ik stapte met een mengeling van opwinding en angst zijn kantoor binnen. Uiterst geconcentreerd zat hij aan een stapel rapporten te werken en ik moest een paar minuten in de houding blijven staan, waarna hij me gebaarde te gaan zitten. Zo had ik de tijd gekregen om hem goed te bekijken. Ik had hem weliswaar al verscheidene malen gezien tijdens bijeenkomsten van het kader en in de gangen van het Prinz-Albrecht-Palais; maar terwijl hij van een afstand de personificatie van de noordse Übermensch leek, wekte hij van dichtbij een wonderlijke, lichtelijk onzekere indruk. Uiteindelijk bedacht ik dat het een kwestie van proporties was: onder zijn ongebruikelijk hoge, gewelfde voorhoofd was zijn mond te breed, zijn lippen waren te vol voor zijn smalle gezicht; zijn handen waren te lang en leken als beweeglijke algen aan zijn armen te hangen. Toen hij zijn kleine, te dicht bij elkaar staande ogen naar me opsloeg, schoot zijn blik meteen alle kanten op, en toen hij eindelijk het woord tot me richtte, leek zijn stem duidelijk te hoog voor zo’n krachtig lichaam. Ik vond hem verwarrend vrouwelijk, en daardoor des te onheilspellender. Hij praatte enorm snel, in korte, strakke zinnen, die hij bijna nooit afmaakte; toch kwam de bedoeling steeds duidelijk over. ‘Ik heb een opdracht voor u, Doktor Aue.’ De Reichsführer was niet tevreden over de rapporten die hij kreeg inzake de plannen van de westelijke machthebbers. Hij wenste een andere inschatting, onafhankelijk van de afdeling Buitenland. Iedereen wist dat er in die landen een sterke pacifistische stroming was, vooral in nationalistische en fascistoïde kringen; maar hun invloed op regeringsniveau bleef lastig te beoordelen. ‘U kent Parijs goed, dunkt me. Volgens uw dossier hebt u in kringen verkeerd die dicht tegen de Action Française aan zitten. Die lieden hebben sindsdien een zeker belang gekregen.’ Ik begon iets te zeggen, maar Heydrich kapte me onmiddellijk af: ‘Het gaat om het volgende.’ Hij wou dat ik naar Parijs ging en mijn vroegere contacten weer oppakte, om het reële politieke belang van de pacifistische kringen aldaar te peilen. Het moest eruitzien als een vakantie, omdat ik was afgestudeerd. Natuurlijk moest ik tegen iedereen die het maar wilde horen, zeggen dat het nationaal-socialistische Duitsland jegens Frankrijk louter vreedzame bedoelingen koesterde. ‘Dr. Hauser gaat met u mee. Maar u zult afzonderlijk van elkaar verslag uitbrengen. Standartenführer Taubert zal u van deviezen en de benodigde documenten voorzien. Is alles duidelijk?’ In feite voelde ik me helemaal niet tegen deze taak opgewassen, maar hij had me overrompeld. ‘Zu Befehl, Gruppenführer,’ was het enige wat ik kon uitbrengen. – ‘Goed. Eind juli zie ik u terug. U kunt gaan.’
Ik zocht Thomas op. Ik was blij dat hij mee zou gaan: als student had hij een aantal jaren in Frankrijk doorgebracht, zijn Frans was uitstekend. ‘Wat kijk jij zuur, zeg,’ zei hij toen hij me zag. ‘Je mag in je handen wrijven! Een opdracht, ze hebben je een opdracht toevertrouwd, dat is niet niks.’ Ineens besefte ik dat het inderdaad een buitenkans was. ‘Je zult het wel merken. Als we het goed doen, gaan er veel deuren voor ons open. Binnenkort komt er beweging in de zaak, en wie zijn kansen weet te benutten, krijgt dan alle ruimte.’ Hij was bij Schellenberg geweest, die voor internationale kwesties als de belangrijkste adviseur van Heydrich gold; Schellenberg had hem uit de doeken gedaan wat er precies van ons werd verwacht. ‘We hoeven alleen maar de kranten te lezen om te weten wie er oorlog wil en wie niet. Lastiger is het om zicht te krijgen op de daadwerkelijke invloed van de verschillende stromingen, vooral ook op de feitelijke invloed van de joden. De Führer is er kennelijk van overtuigd dat die Duitsland opnieuw in een oorlog willen storten; maar zullen de Fransen zelf daarin meegaan? Dat is de vraag.’ Hij lachte onbezorgd: ‘Bovendien is het in Parijs goed eten! En de vrouwen zijn er mooi.’ De opdracht verliep zonder problemen. Ik zocht mijn oude vrienden op: Robert Brasillach, die met zijn zus Suzanne en Bardèche, zijn zwager, een tocht per kampeerwagen door Spanje aan het voorbereiden was; verder Blond, Rebatet en anderen, die minder bekend zijn; al mijn oude kameraden uit de voorbereidende opleiding en mijn jaren aan de elsp, waar ik politieke wetenschap studeerde. ’s Avonds sleepte een halfdronken Rebatet mij door het Quartier Latin, waar hij geleerde commentaren gaf op de leuzen die op de muren van de Sorbonne waren gekalkt: mene tekel ufarsin; overdag gingen we soms bij Céline op bezoek, die inmiddels zeer beroemd was en net zijn tweede, met vitriool geschreven pamflet had gepubliceerd; in de metro declameerde Poulain, een vriend van Brasillach, me er complete passages uit: Tussen Fransen en Duitsers bestaat geen enkele fundamentele, onherroepelijke haat. Wel bestaat er een permanent, onverzoenlijk, joods-Brits complot, dat tot doel heeft om tot elke prijs te verhinderen dat Europa één enkel blok vormt, één enkel Frans-Duits rijk, zoals vóór 843. Heel het joods-Britse streven is erop gericht ons van conflict naar conflict te slepen, van slagveld naar slagveld – slachtpartijen waar we geregeld en steeds opnieuw in erbarmelijke staat uit tevoorschijn komen, Fransen zowel als Duitsers, het vel over de oren gehaald, volledig overgeleverd aan de genade van de joden in de City of London. Wat betreft Gaxotte en Robert, die volgens L’Humanité gevangenzaten: zij vertelden aan wie het maar horen wilde dat de koers van de Franse politiek volledig werd bepaald door de astrologische geschriften van Trarieux d’Egmont, die het geluk had gehad de datum van München exact te voorspellen. Onlangs had de Franse regering, en dat was een veeg teken, Abetz en andere Duitse diplomatieke vertegenwoordigers uitgewezen. Iedereen wilde mijn mening horen: ‘Sinds Versailles op de vuilnisbelt van de geschiedenis is beland, is er voor ons geen Franse kwestie meer. Niemand in Duitsland wil aanspraak maken op de Elzas of op Lotharingen. Maar met Polen is nog niet alles afgehandeld. Wij begrijpen niet wat Frankrijk bezielt om zich daarmee te bemoeien.’ En het was inderdaad een feit dat de Franse regering zich hiermee wilde bemoeien. Degenen die de stelling over de joden niet onderschreven, gaven Engeland de schuld: ‘Die willen hun Empire beschermen. Dat is al sinds Napoleon hun politiek geweest: verdeeldheid op het continent.’ Anderen meenden juist dat Engeland liever niet meteen ingreep en dat het de Franse legerstaf was die, dromend van een alliantie met de Russen, Duitsland zou willen uitschakelen voor het te laat was. Ondanks hun geestdrift toonden mijn vrienden zich pessimistisch: ‘Rechts Frankrijk pist in de wind,’ aldus Rebatet op een avond. ‘Om de eer.’ Iedereen leek ervan uit te gaan dat het vroeg of laat oorlog werd. Rechts gaf links en de joden de schuld; links en de joden gaven natuurlijk Duitsland de schuld. Thomas zag ik weinig. Op een keer nam ik hem mee naar een bistro waar ik de redactie van Je Suis Partout ontmoette en hem voorstelde als een oude studiegenoot. ‘Hij is jouw Pylades?’ beet Brasillach me in het Grieks toe. ‘Ja, precies,’ repliceerde Thomas in dezelfde taal, maar dan met een licht Weens accent. ‘En hij is mijn Orestes. Hoed u voor de macht van de gewapende vriendschap.’ Zelf had hij vooral contacten gelegd in het zakenmilieu. Terwijl ik me tevredenstelde met wijn en pasta op zolderkamertjes vol jonge heethoofden, genoot hij van ganzenlever in de beste restaurants van de stad. ‘Taubert betaalt de rekening,’ lachte hij. ‘Waarom zouden we op een houtje bijten?’
Toen ik weer terug was in Berlijn, tikte ik mijn rapport uit. Mijn conclusies waren pessimistisch, maar ondubbelzinnig: rechts Frankrijk was een uitgesproken tegenstander van de oorlog, maar legde politiek niet veel gewicht in de schaal. De regering, beïnvloed door de joden en de Britse plutocraten, had besloten dat Duitslands expansiedrift, zelfs als deze de grenzen van zijn natuurlijke Grossraum niet te buiten ging, een bedreiging vormde voor de vitale belangen van Frankrijk; ze zou met een oorlogsverklaring komen, niet ter wille van Polen zelf, maar vanwege de aan Polen gedane toezeggingen. Ik liet het rapport aan Heydrich bezorgen; op zijn verzoek stuurde ik ook een doorslag aan Werner Best. ‘Ik denk dat u zeker gelijk hebt,’ zei deze. ‘Maar dit is niet wat ze willen horen.’ Ik had mijn rapport niet met Thomas besproken; toen ik hem de strekking ervan beschreef, trok hij een afkeurend gezicht. ‘Je begrijpt er ook werkelijk niets van. Het lijkt wel alsof je zo uit de klei van Frankenland getrokken bent.’ Hij had precies het tegendeel geschreven: dat de Franse industriëlen tegen een oorlog gekant waren vanwege hun exportbelangen, en het Franse leger dus evenzeer, en dat de regering zich eens te meer zou neerleggen bij het voldongen feit. ‘Maar je weet donders goed dat het zo niet zal gaan,’ stribbelde ik tegen. – ‘Wie kan het wat schelen hoe het zal gaan? En wat hebben wij, jij en ik, daarmee te maken? De Reichsführer wil maar één ding: de Führer verzekeren dat hij met Polen kan doen wat hij wil. Wat er daarna gebeurt, zien we dan wel weer.’ Hoofdschuddend zei hij: ‘De Reichsführer krijgt dat hele rapport van jou niet eens te zien.’
Hij had natuurlijk gelijk. Heydrich reageerde niet op het rapport dat ik hem had gestuurd. Toen de Wehrmacht een maand later Polen binnenviel en Frankrijk en Engeland ons de oorlog verklaarden, werd Thomas bij een van de nieuwe Einsatzgruppen van Heydrich benoemd en zat ik in Berlijn te verpieteren. Ik begreep al snel dat ik me ernstig had verkeken op de eindeloze nationaal-socialistische schimmenspelen; ik had de dubbelzinnige tekens van hogerhand verkeerd uitgelegd, de wil van de Führer niet correct ingeschat. Mijn analyses waren juist, die van Thomas foutief; hij was beloond met een benijdenswaardige benoeming plus promotiekansen, en ik was op een zijspoor beland: het was de moeite waard daarover na te denken. In de daaropvolgende maanden maakte ik uit bepaalde aanwijzingen op dat binnen het rsha – de organisatie die was voortgekomen uit de officieuze fusie van de Sipo en de sd – de invloed van Best tanende was, ondanks het feit dat hij tot hoofd van twee afdelingen was benoemd; de ster van Schellenberg daarentegen bleef rijzen. En als bij toeval was Thomas vanaf het begin van het jaar regelmatig bij Schellenberg op bezoek gegaan; mijn vriend had het wonderlijke en onfeilbare talent om zich niet pas op het juiste moment maar net daarvoor op de juiste plaats te bevinden; zo leek het steeds alsof hij daar altijd al geweest was en of de machtswisselingen in de bureaucratische hiërarchie alleen maar achter hem aan hobbelden. Als ik beter had opgelet, had ik dit eerder doorzien. Nu vermoedde ik dat mijn naam geassocieerd zou blijven met die van Best, en als zodanig besmet met omschrijvingen als bureaucraat, benepen jurist, onvoldoende actief, niet hard genoeg. Ik kon rustig doorgaan met het op schrift stellen van juridische opvattingen, die mensen waren ook nodig, maar daar zou het bij blijven. En inderdaad, in juni van het jaar daarop verliet Werner Best het rsha, terwijl hij toch meer dan wie ook aan de totstandkoming daarvan had bijgedragen. In diezelfde tijd meldde ik me aan voor een post in Frankrijk; het antwoord luidde dat ik me op de juridische afdeling nuttiger kon maken. Best was een geslepen vent, hij had elders vrienden en beschermers. Al een aantal jaren richtte hij zich in zijn publicaties minder op straf- en staatsrechtelijke kwesties en meer op het internationale recht en de theorie van de Grossraum, de ‘grote ruimte’, waarmee hij zich, evenals mijn vroegere professor Reinhard Höhn en enkele andere intellectuelen, tegen het standpunt van Carl Schmitt keerde. Zijn kaarten behendig uitspelend kreeg hij een hoge positie in het militaire bestuur in Frankrijk. Ik daarentegen mocht niet eens publiceren.
Thomas, met verlof in Berlijn, bevestigde deze diagnose: ‘Ik zei al dat je dom bent geweest. Iedereen die ertoe doet, zit nu in Polen.’ Op dit moment, zo voegde hij eraan toe, kon hij weinig voor me bereiken. Schellenberg was de beschermeling van Heydrich, hij gold als bijzonder veelbelovend en hij mocht mij niet, hij vond me star. En Ohlendorf, mijn andere toeverlaat, had al zo veel moeite om zijn eigen positie veilig te stellen dat hij zich niet ook nog eens om mij kon bekommeren. Misschien had ik bij de vroegere directeuren van mijn vader langs moeten gaan. Maar iedereen had het druk.
Uiteindelijk was Thomas degene die weer wat beweging in mijn situatie bracht. Na Polen was hij naar Joegoslavië en Griekenland vertrokken; bij zijn terugkomst was hij bevorderd tot Hauptsturmführer en had hij een aantal onderscheidingen gekregen. Hij droeg nu voortdurend zijn uniform, dat even elegant van snit was als zijn vroegere burgerkostuums. In mei 1941 nodigde hij me uit voor een etentje in Horcher, een bekend restaurant in de Martin-Luther-Strasse. ‘Ik trakteer,’ deelde hij me met een brede grijns mee. Hij bestelde champagne en we dronken op de overwinning: ‘Sieg Heil!’ Op de reeds behaalde en op de toekomstige overwinningen, voegde hij eraan toe. En of ik wist wat er in Rusland aan de hand was. ‘Ik heb geruchten gehoord,’ zei ik, ‘maar dat is alles.’ Hij glimlachte: ‘We gaan aanvallen. Volgende maand.’ Hij pauzeerde even om het nieuws goed op me te laten inwerken. ‘Goeie God,’ bracht ik ten slotte uit. – ‘Er is geen God. Er is alleen Adolf Hitler, onze Führer, en de onoverwinnelijke kracht van het Duitse Reich. We zijn bezig het grootste leger uit de geschiedenis van de mensheid op de been te brengen. Binnen een paar weken hebben we die Russen vermorzeld.’ We dronken. ‘Moet je horen,’ zei hij. ‘De Chef is bezig een aantal Einsatzgruppen te formeren, die gaan optrekken met de aanvalstroepen van de Wehrmacht. Speciale eenheden, net als in Polen. Ik heb reden om te geloven dat hij elke jonge, getalenteerde ss-officier die zich vrijwillig voor zo’n Einsatz aanmeldt, met open armen zou ontvangen.’ – ‘Ik heb al geprobeerd me als vrijwilliger te melden. Voor Frankrijk. Toen werd ik afgewezen.’ – ‘Deze keer word je niet afgewezen.’ – ‘En jij, ga jij ook?’ Hij bewoog zijn champagneglas zachtjes heen en weer. ‘Jazeker. Ik ben benoemd bij een van de Gruppenstäbe. Elke Groep heeft de leiding over een aantal Kommando’s. Ik weet zeker dat jij bij een van de Kommandostäbe kunt worden ondergebracht.’ – ‘En wat is precies de bedoeling van die Groepen?’ Hij grijnsde: ‘Dat zei ik toch al: speciale acties. Werk van de Sipo en de sd, de veiligheid van de troepen achter de frontlinie, inlichtingen, dat soort zaken. En de militairen in de smiezen houden. In Polen deden ze nogal moeilijk, nogal ouderwets, we willen niet dat zoiets nog eens gebeurt. Wil je erover nadenken?’ Als ik u vertel dat ik niet eens heb geaarzeld, kijkt u daar dan van op? Wat Thomas me voorstelde, scheen me alleen maar redelijk toe, sterker nog: opwindend. Probeert u zich in mijn positie te verplaatsen. Welk weldenkend mens had ooit kunnen vermoeden dat men uitgerekend juristen zou inzetten om mensen zonder vorm van proces te vermoorden? Voor mij was de zaak volstrekt duidelijk, en haast zonder nadenken antwoordde ik: ‘Dat hoeft niet. Hier in Berlijn verveel ik me dood. Als jij kunt zorgen dat ze me aannemen, dan vertrek ik.’ Hij glimlachte opnieuw: ‘Ik heb altijd al gezegd dat je een geschikte vent was, iemand op wie je kan rekenen. Je zult zien, het wordt een leuke tijd.’ Ik lachte vergenoegd, en we dronken nog wat champagne. Dat is de manier waarop de duivel zijn territorium uitbreidt, zo en niet anders.
In Lemberg kon ik dat nog niet weten. Het werd al avond toen Thomas me uit mijn mijmeringen kwam halen. Af en toe klonken er uit de richting van de boulevard nog schoten, maar de rust was grotendeels weergekeerd. ‘Kom je mee? Of blijf je hier staan soezen?’ – ‘Wat is dat precies, die Aktion Petljura?’ vroeg ik. – ‘Dat is wat je daarnet op straat hebt gezien. Van wie heb jij daarover gehoord?’ Ik ging niet op zijn vraag in: ‘Is die pogrom door jullie in gang gezet?’ – ‘Laten we zeggen dat we niet geprobeerd hebben hem te voorkomen. We hebben een paar aanplakbiljetten opgehangen. Maar ik geloof niet dat de Oekraïners onze aansporing nodig hadden. Heb je de affiches van de ooen niet gezien? Jullie hebben Stalin met bloemen ingehaald, wij verwelkomen Hitler met jullie afgehakte hoofden. Dat hebben ze helemaal zelf verzonnen.’ – ‘Ik snap het. Gaan we lopen?’ – ‘Het is vlakbij.’ Het restaurant was in een straatje achter de grote boulevard. De deur was dicht. Thomas klopte, de deur ging op een kier, vervolgens helemaal open en we betraden een halfdonkere, met kaarsen verlichte ruimte. ‘Alleen voor Duitsers,’ zei Thomas met een grijns. ‘Ah, professor, goedenavond.’ De officieren van de Abwehr waren er al, verder niemand. Ik herkende meteen de langste van de twee, degene tot wie Thomas zich had gericht, een gedistingeerde, nog vrij jonge man met bruine oogjes die fonkelden in een lang, ovaal gezicht. Zijn donkerblonde haar was iets te lang en opgekamd in een fraaie, niet erg militaire kuif. Ik drukte hem op mijn beurt de hand: ‘Professor Oberländer. Prettig u weer te zien.’ – Hij keek me onderzoekend aan: ‘Kennen wij elkaar?’ – ‘Een paar jaar geleden zijn we aan elkaar voorgesteld, na een van uw lezingen aan de universiteit van Berlijn. Door Dr. Reinhard Höhn, mijn hoogleraar.’ – ‘Ah, u hebt bij Höhn gestudeerd! Uitstekend.’ – ‘Mijn vriend Dr. Aue is een van de rijzende sterren binnen de sd,’ fluisterde Thomas malicieus. – ‘Als hij een student is van Höhn, verbaast dat me niets. Soms lijkt het wel alsof de hele sd door zijn handen is gegaan.’ Hij wendde zich naar zijn collega: ‘Maar ik heb u Hauptmann Weber nog niet voorgesteld, mijn adjudant.’ Beiden, zo zag ik, droegen de bies met de nachtegaal die ik die middag ook op de arm van sommige soldaten had gezien. ‘Excuses voor mijn onwetendheid,’ zei ik terwijl we plaatsnamen, ‘maar waar staat dat embleem voor?’ – ‘Dat is het embleem van het Nachtigall-bataljon,’ antwoordde Weber, ‘een speciaal bataljon van de Abwehr, gerekruteerd uit Oekraïense nationalisten uit West-Galicië.’ – ‘Professor Oberländer is commandant van dat bataljon. Wij zijn dus concurrenten,’ kwam Thomas ertussen. ‘U overdrijft, Hauptsturmführer.’ – ‘Niet echt. U gokt op Bandera, wij op Melnik en het Berlijns comité.’ Prompt brandde de discussie los. De wijn werd geserveerd. ‘Bandera kan nuttig voor ons zijn,’ stelde Oberländer. – ‘Hoezo?’ reageerde Thomas scherp. ‘Het zijn losgeslagen figuren, ze komen met allerlei proclamaties zonder iemand te raadplegen.’ Hij hief zijn armen: ‘Onafhankelijkheid! Het is me wat moois!’ – ‘Denkt u dat Melnik beter is?’ – ‘Melnik is een redelijke vent. Hij zoekt een Europese bondgenoot. Hij is geen terrorist, maar een echte politicus, die bereid is langdurig met ons samen te werken, en dat biedt ons meer mogelijkheden.’ – ‘Zou kunnen, maar de gewone man luistert niet naar hem.’ – ‘Die heethoofden! Als ze niet inbinden, krijgen wij ze wel klein.’ We dronken. De wijn was goed, een beetje wrang maar vol. ‘Waar komt deze wijn vandaan?’ vroeg Weber terwijl hij met een nagel tegen het glas tikte. – ‘Uit de Karpaten, denk ik,’ antwoordde Thomas. – ‘Weet u,’ ging Oberländer onverstoorbaar verder, ‘de ooen verzet zich al twee jaar met succes tegen de Sovjets. Het zal niet gemakkelijk zijn om ze uit te schakelen. Het is verstandiger ze voor ons karretje te spannen en hun energie in goede banen te leiden. Naar Bandera luisteren ze tenminste. Hij heeft vandaag Stetsko gezien en dat is heel goed gegaan.’ – ‘Wie is Stetsko?’ vroeg ik. Thomas antwoordde op ironische toon: ‘Jaroslav Stetsko is de nieuwe minister-president van de zogeheten onafhankelijke, door ons niet erkende Oekraïne.’ – ‘Als wij onze kaarten goed uitspelen,’ vervolgde Oberländer, ‘zullen ze hun ambities snel genoeg bijstellen.’ Thomas reageerde fel: ‘Wie? Bandera? Dat is en blijft een terrorist. Hij heeft de ziel van een terrorist. Dat is trouwens ook precies de reden dat al die extremisten zo met hem dwepen.’ Hij wendde zich naar mij: ‘Weet je waar de Abwehr Bandera heeft opgedoken? In de gevangenis!’ – ‘In Warschau,’ preciseerde Oberländer met een glimlach. ‘Daar zat hij een straf uit wegens moord op een Poolse minister, in 1934. Maar daar zie ik niets kwaads in.’ Thomas wendde zich weer naar hem: ‘Het enige wat ik zeg, is dat het een ongeleid projectiel is. Dat zult u nog wel merken. Het is een fanaticus, hij droomt van een Groot-Oekraïne, dat zich uitstrekt van de Karpaten tot aan de Don. Hij denkt dat hij de reïncarnatie is van Dimitri Donskoi. Melnik is tenminste een realist. En hij heeft ook een grote aanhang. Alle oudere militanten staan achter hem.’ – ‘Ja, maar de jongeren juist weer niet. En verder zult u toch moeten toegeven dat hij met betrekking tot de joodse kwestie niet bijster gemotiveerd is.’ Thomas haalde zijn schouders op: ‘Ach, dat regelen we wel zonder hem. Van oudsher zijn ze bij de ooen sowieso nooit antisemitisch geweest. Het is aan Stalin te danken dat ze zich een beetje in die richting hebben ontwikkeld.’ – ‘Dat kan,’ stemde Weber op kalme toon in. ‘Maar er is wel een basis, namelijk de hechte band tussen de joden en de Poolse grootgrondbezitters.’ Het eten werd opgediend: gebraden eend gevuld met appel, met puree en gestoofde rode biet. Thomas schepte voor ons op. ‘Voortreffelijk,’ zei Weber. – ‘Ja, uitstekend,’ stemde Oberländer in. ‘Is dit een streekgerecht?’ – ‘Ja,’ legde Thomas tussen twee happen door uit. ‘De eend wordt bereid met marjolein en knoflook. Normaal gesproken krijg je er als voorgerecht een soep van eendenbloed bij, maar die hadden ze vandaag niet.’ – ‘Neem me niet kwalijk,’ vroeg ik, ‘maar wat is de positie van uw Nachtigall-bataljon?’ Oberländer kauwde eerst nog even door, veegde zijn mond af en antwoordde: ‘Dat is nog weer een ander geval. Het heeft te maken met de geest van de Roethenen, zo u wilt. Ideologisch – en voor de oudsten onder hen geldt dit zelfs persoonlijk – stammen die af van een nationale eenheid van het oude keizerlijke leger die de Oekrainski Sitsjovi Stritsi heette: de Oekraïense fuseliers van het eiland Sitsj, zo zou je dat kunnen vertalen, een verwijzing naar het Kozakkenverleden. Na de oorlog zijn ze hier gebleven, en veel van hen hebben onder Petljoera tegen het Rode Leger gevochten en ook een beetje tegen ons, in 1918. De ooen is niet erg dol op ze. In zekere zin streven ze eerder naar autonomie dan naar onafhankelijkheid.’ – ‘Net als de boelbovitsi trouwens,’ vulde Weber aan. Hij keek naar mij: ‘Hebben die in Loetsk nog niet de kop opgestoken?’ – ‘Niet dat ik weet. Zijn dat ook Oekraïners?’ – ‘Wolhyniërs,’ preciseerde Oberländer. ‘Een autonome groep, die allereerst tegen de Polen heeft gestreden. Sinds ’39 vechten ze tegen de Sovjets, en het zou voor ons dus interessant kunnen zijn om met hen op goede voet te raken. Maar ik geloof dat ze meer de kant van Rovno op zitten en ten noorden daarvan, in de moerassen rond de Pripjat.’ Iedereen concentreerde zich weer op zijn eten. ‘Er is één ding dat ik toch niet begrijp,’ begon Oberländer na een poosje, terwijl hij met zijn vork naar ons wees. ‘Waarom hebben de bolsjewieken wel de Polen in toom gehouden, maar niet de joden? Zoals Weber al zei, zijn die toch altijd nauw met elkaar verbonden geweest.’ – ‘Het antwoord ligt voor de hand, lijkt me,’ zei Thomas. ‘De stalinistische macht wordt hoe dan ook gedomineerd door de joden. Na dit gebied te hebben bezet, hebben de bolsjewieken de plaats ingenomen van de Poolse herenboeren, de zogeheten pans, maar zonder iets aan de maatschappelijke verhoudingen te veranderen, dat wil zeggen dat ze de Oekraïense boerenstand nog steeds door de joden lieten uitbuiten. Vandaar de gerechtvaardigde volkswoede waarvan we vandaag getuige zijn geweest.’ Weber proestte in zijn glas; Oberländer lachte klokkend. ‘De gerechtvaardigde volkswoede. U bent wel op dreef, Hauptsturmführer.’ Hij leunde achterover en tikte met zijn mes tegen de tafelrand. ‘Dat is toch propagandapraat, bestemd voor onze bondgenoten, misschien ook voor de Amerikanen. Maar u weet even goed als ik hoe die gerechtvaardigde woede georganiseerd wordt.’ Thomas glimlachte minzaam: ‘Het goede is in ieder geval dat we de bevolking psychologisch meekrijgen, professor. Die zal hierna alleen maar enthousiast kunnen zijn over de maatregelen die we nog gaan treffen.’ – ‘Dat is waar, ik zal het niet ontkennen.’ De serveerster ruimde de tafel af. ‘Koffie?’ vroeg Thomas. – ‘Graag. Maar dan wel snel, we hebben vanavond nog werk te doen.’ Terwijl de koffie werd gebracht, hield Thomas het gezelschap zijn pakje sigaretten voor. ‘In ieder geval ben ik benieuwd,’ aldus Oberländer, terwijl hij zich naar de aansteker boog die Thomas hem voorhield, ‘wat we te zien krijgen als we de Zbroetsj zijn overgestoken.’ – ‘Hoezo?’ vroeg Thomas, terwijl hij Weber vuur gaf. – ‘Hebt u mijn boek gelezen? Over de overbevolking op het Poolse platteland.’ – ‘Helaas niet, het spijt me.’ Oberländer wendde zich naar mij: ‘Maar u vast wel, bij Höhn.’ – ‘Uiteraard.’ – ‘Juist. Welnu, als mijn theorieën kloppen, zullen we als we eenmaal in de eigenlijke Oekraïne beland zijn, daar een rijke boerenstand aantreffen.’ – ‘Hoe dat zo?’ vroeg Thomas. – ‘Juist dankzij de politiek van Stalin. In de loop van een jaar of tien zijn 25 miljoen familiebedrijven veranderd in 250 duizend hoogwaardige, grootschalige landbouwbedrijven. Het vernietigen van de koelakkenstructuur en vooral de bewust geplande hongersnood van 1932 waren pogingen om het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds het grondgebied dat beschikbaar is voor het verbouwen van voedingsgewassen, en anderzijds de consumerende bevolking. Ik heb redenen om te geloven dat ze daarin geslaagd zijn.’ – ‘En als het mislukt is?’ – ‘Dan is het onze taak om het alsnog voor elkaar te krijgen.’ Weber gaf hem een teken en hij dronk zijn koffie op. ‘Meine Herren,’ sprak hij, terwijl hij opstond en zijn hakken tegen elkaar sloeg, ‘wij danken u voor deze avond. Wat zijn we verschuldigd?’ – ‘Laat u maar,’ aldus Thomas, die eveneens opstond, ‘het was me een genoegen.’ – ‘De volgende keer wij dan.’ – ‘Graag. In Kiev of in Moskou?’ Iedereen lachte en er werden handen gedrukt. ‘Doet u de groeten aan Dr. Rasch,’ zei Oberländer. ‘In Königsberg zagen we elkaar vaak. Ik hoop dat hij de tijd heeft om zich een van de komende avonden bij ons te voegen.’ De beide mannen vertrokken en Thomas ging weer zitten. ‘Wil je een cognac? Op kosten van de Groep.’ – ‘Graag.’ Thomas bestelde. ‘Jij praat goed Oekraïens, hoe komt dat zo?’ merkte ik op. – ‘O, in Polen heb ik een beetje Pools geleerd, dat is bijna hetzelfde.’ De cognac kwam en we klonken. ‘Zeg, wat bedoelde hij eigenlijk toen we het hadden over die pogrom?’ Thomas antwoordde niet meteen. Na een poos besloot hij iets te gaan vertellen. ‘Maar,’ stipuleerde hij, ‘dit moet wel onder ons blijven. Je weet dat we in Polen nogal wat problemen hebben gehad met de Wehrmacht. Vooral waar het ging om onze speciale aanpak. De heren daar hadden last van morele bezwaren. Ze dachten dat je kunt hakken zonder dat er spaanders vallen. Deze keer zijn er voorbereidingen getroffen om misverstanden te voorkomen: der Chef en Schellenberg zijn via onderhandelingen tot duidelijke afspraken met de Wehrmacht gekomen; dat is jullie allemaal uitgelegd in Pretzsch.’ Ik knikte en hij vervolgde: ‘Niettemin willen we voorkomen dat ze van mening veranderen. En daarbij hebben de pogroms een groot voordeel: die laten de Wehrmacht zien dat er, als de ss en de Sicherheitspolizei geen vrijheid van handelen hebben, achter hun linies grote chaos ontstaat. En als er voor een militair iets ergers is dan eerverlies, zoals dat heet, dan is het wel wanorde. Nog drie van zulke dagen en ze komen ons smeken of we ons werk gaan doen: ordentelijk, discreet, efficiënt, zonder ophef.’ – ‘En Oberländer heeft zo zijn vermoedens.’ – ‘O, die maakt zich daar helemaal niet druk om. Hij wil alleen maar zeker weten dat zijn kleine politieke intriges niet worden doorkruist. Maar,’ zo voegde hij er met een glimlach aan toe, ‘hem krijgen we te zijner tijd ook nog wel onder controle.’
Toch een wonderlijke knaap, dacht ik toen ik naar bed ging. Zijn cynisme kwetste me soms, zelfs al vond ik het vaak verfrissend; tegelijkertijd wist ik dat ik zijn gedrag niet naar zijn woorden kon beoordelen. Ik vertrouwde hem volledig: in de sd had hij me altijd loyaal geholpen, zonder dat ik hem erom gevraagd had en zonder dat ik hem een duidelijke wederdienst kon bewijzen. Eén keer had ik het hem op de man af gevraagd, en toen was hij in lachen uitgebarsten: ‘Wat wil je nou horen? Dat ik je achter de hand houd voor een langetermijnplan? Ik mag je graag, meer niet.’ Die woorden hadden me diep getroffen, en haastig had hij eraan toegevoegd: ‘In elk geval weet ik zeker dat jij, hoe slim je ook bent, nooit een bedreiging voor me zult vormen. Dat is ook al heel wat.’ Hij had een rol gespeeld bij mijn toetreding tot de sd, en zo had ik hem trouwens ook voor het eerst ontmoet; dat was overigens in vrij uitzonderlijke omstandigheden, maar een mens heeft het niet altijd voor het kiezen. Ik maakte al een paar jaar deel uit van het netwerk van Vertrauensmänner van de sd, een soort geheime medewerkers die werden ingezet op alle terreinen van het Duitse leven: industrie, landbouw, ambtenarij, universiteiten. Toen ik in 1934 in Kiel aankwam, had ik niet veel geld, en op aanraden van een van de vroegere directeuren van mijn vader, Dr. Mandelbrod, had ik me aangemeld bij de ss, omdat je als ss-lid geen collegegeld hoefde te betalen; op zijn voorspraak was ik snel toegelaten. Twee jaar later had ik een zeer boeiend college bijgewoond van Otto Ohlendorf over afwijkende stromingen binnen het nationaal-socialisme; na afloop was ik aan hem voorgesteld door Dr. Jessen, mijn hoogleraar economie, bij wie Ohlendorf enkele jaren eerder ook had gestudeerd. Ohlendorf, zo bleek, had al over mij gehoord van Dr. Mandelbrod, met wie hij contact had; zonder enige terughoudendheid sprak hij de lof van de Sicherheitsdienst, en hij rekruteerde me ter plekke als V-Mann. Mijn taak was simpel: ik moest rapporten sturen over wat er zoal gezegd werd, over geruchten, grappen, de reacties op de opmars van het nationaal-socialisme. In Berlijn, zo had Ohlendorf me uitgelegd, werden de rapporten van duizenden V-Männer samengevoegd, vervolgens verspreidde de sd daar dan een samenvatting van onder de verschillende instanties van de Partij, zodat deze zich een oordeel konden vormen over de gevoelens van het Volk en hun beleid daarop konden afstemmen. Dat was in zekere zin een vervanging van de verkiezingen; Ohlendorf was een van de bedenkers van dit systeem, waar hij zichtbaar trots op was. In het begin vond ik het allemaal erg spannend, de toespraak van Ohlendorf had veel indruk op me gemaakt en ik was blij dat ik op deze manier een concrete bijdrage kon leveren aan de versterking van het nationaal-socialisme. Maar in Berlijn probeerde Höhn, mijn docent, me op subtiele wijze te ontmoedigen. In de sd had hij voor Ohlendorf, zoals voor zo vele anderen, als mentor gefungeerd; maar intussen was hij gebrouilleerd geraakt met de Reichsführer en uit de sd gestapt. Hij wist me er al snel van te overtuigen dat het je reinste romantiek was om voor een inlichtingen- of spionagedienst te willen werken, en dat ik het land veel nuttiger diensten kon bewijzen. Ik bleef contact houden met Ohlendorf, maar die praatte niet veel meer over de sd; ook hij had zo zijn problemen met de Reichsführer, naar ik later vernam. Ik bleef mijn contributie aan de ss betalen en nam aan de oefeningen deel, maar ik stuurde geen rapporten meer en al gauw dacht ik er helemaal niet meer aan. Ik concentreerde me vooral op mijn dissertatie, over een vrij taai onderwerp; bovendien had ik een passie opgevat voor Kant en blokte ik ijverig op Hegel en de idealistische filosofie; aangemoedigd door Höhn ambieerde ik een betrekking bij een ministerie. Maar ik moet zeggen dat er ook iets anders was wat me weerhield, iets van persoonlijke aard. In mijn Plutarchus had ik op een avond de volgende zinnen over Alcibiades onderstreept: Als men hem op zijn uiterlijk beoordeelde, kon men zeggen: ‘Nee, jij bent niet de zoon van Achilles, maar Achilles zelf’, een man zoals Lycurgus die heeft gevormd. Maar als men zijn ware gevoelens en daden beschouwde, kon men uitroepen: ‘Hij is nog altijd dezelfde vrouw als vroeger!’ U zult hier misschien om glimlachen of misschien trekt u een grimas van weerzin – dat kan me nu niets meer schelen. In die tijd kon je in Berlijn, ondanks de Gestapo, nog alles krijgen wat je op dat vlak maar wenste. Bekende nachtclubs, zoals Kleist-Kasino of Silhouette, waren nog steeds open en er werd zelden een inval gedaan; blijkbaar werd er iemand betaald. Verder waren er ook bepaalde plekken in Tiergarten, in de buurt van de Neuer See, voor de Zoo, waar de Schupo’s zich ’s nachts zelden waagden; achter de bomen wachtten dan de Strichjungen of jonge, gespierde arbeiders uit Wedding. Toen ik nog studeerde, had ik één of twee keer iets met een medestudent gehad, relaties die noodgedwongen geheim waren en in elk geval kortstondig, maar ik gaf de voorkeur aan proletarische geliefden, ik hield niet van praten.
Al mijn discretie ten spijt kwam ik uiteindelijk toch in de problemen. Ik had beter moeten opletten; aan waarschuwingen had het niet ontbroken. Höhn had me – in alle onschuld – gevraagd een recensie te schrijven van een boek van de advocaat Rudolf Klare, Homosexualität und Strafrecht. Deze opmerkelijk goed geïnformeerde man had een typologie van homoseksuele praktijken opgesteld die van een verbazingwekkende precisie getuigde, en vervolgens aan de hand daarvan een classificatie van de misdrijven uitgewerkt, te beginnen met de ‘abstracte of gefantaseerde coïtus’ (niveau 1), via het ‘drukken van de ontblote penis tegen een lichaamsdeel van de partner’ (niveau 5) en het ‘ritmisch wrijven van de penis tussen knieën of benen of in de oksel’ (niveau 6), om te eindigen bij het ‘beroeren van de penis met de tong, het inbrengen van de penis in de mond dan wel in de anus’ (respectievelijk niveau 7, 8 en 9). Elk delictsniveau correspondeerde met een navenant strengere straf. Klare, dat was duidelijk, had op een internaat gezeten; maar Höhn beweerde dat het ministerie van Binnenlandse Zaken en de Sicherheitspolizei zijn ideeën serieus namen. Ik vond het wel komisch. Op een avond in de lente – het was 1937 – kwam ik terug van een wandeling achter de Neuer See. Ik tuurde naar de schaduwen van de bomen, tot mijn blik die van een jongeman kruiste; ik pakte een sigaret, vroeg hem om een vuurtje en toen hij zijn aansteker voor me ophield, boog ik mijn hoofd niet naar zijn hand toe, maar duwde die opzij en wierp de sigaret weg, legde mijn hand in zijn nek en zoende hem op de mond, waarbij ik vol genot zijn adem opsnoof. Ik liep achter hem aan door het struikgewas, we gingen een eind van de weg af; zoals altijd klopte mijn hart wild in mijn keel en slapen, een droog waas overdekte mijn adem, ik maakte zijn gulp los, begroef mijn gezicht in het scherpe mengsel van zweet, mannenhuid, urine en eau de cologne, wreef met mijn gezicht tegen zijn huid, zijn geslacht en zijn schaamhaar, likte zijn geslacht, nam het in mijn mond en toen ik het niet meer houden kon, drukte ik hem tegen een boom, draaide me zonder hem los te laten om en duwde hem in me, totdat de tijd en het verdriet waren verdwenen. Na afloop liep hij snel en zonder een woord te zeggen weg. Verzaligd leunde ik tegen de boom, fatsoeneerde mijn kleding, stak een sigaret op en probeerde het getril van mijn benen te bedwingen. Toen ik weer kon lopen ging ik in de richting van het Landwehrkanal, dat ik wilde oversteken om bij de Zoo de s-Bahn te nemen. Ik liep op wolken, een grenzeloze vrolijkheid doorstroomde me. Op de Lichtenstein-brug stond een man tegen de reling geleund: ik kende hem, we hadden gemeenschappelijke kennissen, hij heette Hans P. Hij zag er bleek en verslagen uit, droeg geen stropdas; zijn gezicht had in het vale licht van de straatlantaarns door het dunne laagje zweet een haast groenige glans. Prompt verdween mijn euforie. ‘Wat doe jij hier?’ vroeg ik hem op scherpe, weinig vriendschappelijke toon. ‘Ah, Aue, ben jij het.’ Zijn grijns had iets hysterisch. ‘Wil je dat echt weten?’ De ontmoeting nam een steeds vreemdere wending; ik verstarde, knikte toen. ‘Ik wilde springen,’ verklaarde hij, terwijl hij op zijn bovenlip beet. ‘Maar dat durf ik niet. Ik heb zelfs,’ vervolgde hij, terwijl hij zijn jasje opendeed om de kolf van een pistool te laten zien, ‘ik heb zelfs dit bij me.’ – ‘Waar heb je dat in godsnaam vandaan?’ vroeg ik op gedempte toon. – ‘Mijn vader is officier. Ik heb het van hem gejat. Het is geladen.’ Hij staarde me onrustig aan. ‘Wil je me niet helpen?’ Ik keek om me heen: langs het kanaal was geen mens te zien. Langzaam strekte ik mijn arm uit en trok het pistool uit zijn riem. Hij hield een gehypnotiseerde, starre blik op me gericht. Ik onderzocht het magazijn: dat leek vol, en ik liet het met een droge klik weer in de kolf terugvallen. Met mijn linkerhand greep ik hem bruusk bij zijn hals, ik duwde hem tegen de reling en wrong de loop van het pistool tussen zijn lippen. ‘Doe open!’ blafte ik. ‘Doe je mond open!’ Mijn hart ging wild tekeer, het leek te schreeuwen, terwijl ik juist moeite deed om zacht te praten. ‘Doe open!’ Ik duwde de loop tussen zijn tanden. ‘Is dat wat je wil? Pijpen jij!’ Hans P. kromp in elkaar van paniek, ik rook ineens een doordringende urinelucht en keek naar beneden: hij had in zijn broek gepist. Prompt vervloog mijn razernij, even mysterieus als ze was opgekomen. Ik stopte het pistool terug in zijn riem en gaf hem een tikje op zijn wang. ‘Het komt wel goed. Ga naar huis.’ Ik liet hem daar staan, ging de brug over en daarna rechtsaf, langs het kanaal. Een paar meter verder doken uit het niets drie Schupo’s op. ‘Hé, jij daar! Wat doe jij hier? Kom op met je papieren.’ – ‘Ik ben student. Ik maak een wandeling.’ – ‘Ja, dat soort wandelingen kennen we. En die daar, op de brug? Is dat je vriendinnetje?’ Ik haalde mijn schouders op: ‘Die ken ik niet. Hij deed nogal vreemd, probeerde me te bedreigen.’ Ze keken elkaar aan en twee van hen haastten zich op een drafje naar de brug; ik probeerde weg te lopen, maar de derde pakte me bij een arm. Op de brug ontstond tumult, er werd geschreeuwd, daarna klonken er schoten. De twee Schupo’s kwamen terug, de een zag lijkbleek en hield zijn schouder vast, bloed stroomde tussen zijn vingers door. ‘Die rotzak. Hij schoot op me. Maar we hebben ’m te pakken genomen.’ Zijn kameraad wierp een boosaardige blik op mij: ‘Kom jij ’s mee.’
Ze brachten me naar het Polizeirevier in de Derfflingerstrasse, op de hoek van de Kurfürstenstrasse; een half slapende agent nam daar mijn papieren in, stelde me een aantal vragen en schreef de antwoorden op een formulier, waarna ik op een bank moest gaan zitten. Twee uur later werd ik naar de overkant gevoerd, naar het Abschnittskommando Tiergarten, het centrale commissariaat van de wijk. Ik moest een vertrek in waar een man enigszins in elkaar gezakt achter een tafel zat; zijn gezicht was ongeschoren, maar zijn kostuum onberispelijk geperst. Hij was van de Kripo. ‘U zit flink in de nesten, jongeman. Iemand heeft op een politieagent geschoten en is vervolgens zelf gedood. Wie was hij? Kende u hem? U bent samen met hem op de brug gezien. Wat deed u daar?’ Wachtend op de bank had ik de tijd gehad om na te denken en ik hield het bij een simpele versie: ik was student en maakte ’s avonds graag een wandeling om te peinzen over mijn dissertatie; ik was in Prenzlauer Berg van huis vertrokken om wat over Unter den Linden te gaan slenteren en vervolgens in Tiergarten terechtgekomen, ik wilde met de s-Bahn terug naar huis; toen ik over de brug liep, had die man mij aangesproken, hij zei iets wat ik niet had verstaan, zijn vreemde manier van doen had mij bang gemaakt, ik had het idee dat hij mij bedreigde en ik was doorgelopen, daarna was ik de Schupo’s tegengekomen, en dat was het. Hij stelde mij dezelfde vraag als de politiemannen: ‘Het is daar een bekende ontmoetingsplaats. Weet u zeker dat het niet eigenlijk uw vriend was? Een ruzie tussen minnaars? De Schupo’s beweren dat u met hem hebt gepraat.’ Ik ontkende en vertelde nog een keer hetzelfde verhaal: student bezig met dissertatie enzovoorts. Dat ging zo nog een tijdje door: hij had een harde, brute manier van ondervragen; een aantal malen probeerde hij me te provoceren, maar ik liet me niet van de wijs brengen, ik wist dat ik er het beste aan deed mijn kalmte te bewaren. Ik begon last te krijgen van een sterke aandrang om te plassen en uiteindelijk vroeg ik of ik naar de wc mocht. Hij grijnsde: ‘Nee. Later’, en ging door. Ten slotte maakte hij een zwaaiend armgebaar. ‘Goed, mijnheer de advocaat. Gaat u maar op de gang zitten. Straks praten we verder.’ Ik verliet de kamer en installeerde me in de hal. Afgezien van twee Schupo’s, plus een dronkaard die op een bank zat te slapen, was ik de enige. Af en toe begon er een gloeilamp te flikkeren. Alles was schoon, ordelijk, rustig. Ik wachtte.
Er verstreken enkele uren, ik was waarschijnlijk ingedommeld, de vensterruiten rond de ingang begonnen op te lichten in de dageraad, er kwam iemand binnen. Hij was smaakvol gekleed in een elegant gesneden streepjespak met een gesteven boord en een parelgrijze, tricot stropdas; op zijn revers droeg hij het Partij-insigne en onder zijn arm klemde hij een zwartleren aktentas; zijn gitzwarte, dikke haar, glanzend van de brillantine, was strak naar achteren gekamd, en ofschoon zijn gezicht ondoorgrondelijk bleef, leken zijn ogen te lachen toen hij zijn blik op mij richtte. Hij fluisterde iets tegen de dienstdoende Schupo’s; een van hen ging hem voor door de gang en ze verdwenen uit het zicht. Na enkele minuten kwam de Schupo terug en wenkte me met zijn grove vinger: ‘Jij daar. Kom mee.’ Ik stond op, rekte me uit en volgde hem, mijn aandrang met kracht terugdringend. De Schupo bracht me weer naar de kamer waar ik was ondervraagd. De inspecteur van de Kripo was verdwenen; op zijn plaats zat nu de keurig geklede jongeman, één arm met gesteven mouw op tafel, de andere achteloos achter de stoelleuning. De zwarte aktentas lag dicht bij zijn elleboog. ‘Komt u binnen,’ zei hij op hoffelijke en tegelijk ferme toon. Hij wees naar de stoel aan de andere kant van de tafel: ‘Gaat u zitten alstublieft.’ De Schupo deed de deur weer achter me dicht en ik nam plaats. Ik hoorde de met metaal beslagen laarzen van de man door de gang tikken, steeds verder weg. De elegante, hoffelijke jongeman had een zachte stem, die echter nauwelijks de resoluutheid ervan kon verhullen. ‘Mijn collega van de recherche denkt dat u een paragraaf 175 bent. Bent u een paragraaf 175?’ Dit leek me een reële vraag en ik antwoordde zonder omwegen: ‘Nee.’ – ‘Dat geloof ik ook niet,’ zei hij. Hij keek me aan en reikte me over het bureau heen de hand: ‘Mijn naam is Thomas Hauser. Aangenaam.’ Ik boog naar voren om die hand te drukken. Het was een stevige hand, de huid was droog en glad, de nagels waren perfect geknipt. ‘Aue. Maximilien Aue.’ – ‘Ja, dat weet ik. En u boft, Herr Aue. Kriminalkommissar Halbey heeft over dat ongelukkige voorval reeds een voorlopig rapport aan de Gestapo gestuurd, waarin van uw veronderstelde betrokkenheid melding wordt gemaakt. Een kopie was gericht aan Kriminalrat Meisinger. U weet wie dat is, Kriminalrat Meisinger?’ – ‘Nee, dat weet ik niet.’ – ‘Kriminalrat Meisinger heeft de leiding over het centraal Reichs-bureau voor de bestrijding van homoseksualiteit en abortus. Hij houdt zich dus met de 175-gevallen bezig. Een buitengewoon onaangename man. Uit Beieren.’ Hij zweeg even. ‘Gelukkig voor u is het rapport van Kriminalkommissar Halbey eerst op mijn bureau terechtgekomen. Ik had gisteravond dienst. Ik heb kans gezien om vooralsnog de aan Kriminalrat Meisinger gerichte kopie vast te houden.’ – ‘Dat is heel vriendelijk van u.’ – ‘Ja, dat is zo. Want ziet u, onze vriend Kriminalkommissar Halbey koestert ten aanzien van u bepaalde verdenkingen. Maar Kriminalrat Meisinger wil geen verdenkingen, hij wil feiten. En om die feiten boven tafel te krijgen hanteert hij methoden die door de Gestapo niet unaniem worden gesteund, maar die meestal wel doeltreffend blijken.’ Ik schudde mijn hoofd: ‘Hoort u eens... Ik begrijp niet zo goed waar u het over hebt. Er moet sprake zijn van een misverstand.’ Thomas maakte een licht smakkend geluid: ‘Vooralsnog hebt u gelijk. Er lijkt sprake te zijn van een misverstand. Of misschien van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, als u dat liever hebt, waar de vlijtige Kriminalkommissar Halbey een overhaaste interpretatie aan heeft gegeven.’ Ik boog naar voren en spreidde mijn handen: ‘Dit slaat toch helemaal nergens op. Ik ben student, lid van de Partij, van de ss...’ Hij onderbrak me: ‘Ik weet dat u lid bent van de Partij en van de ss. Ik ken professor Höhn heel goed. Ik weet precies wie u bent.’ Op dat moment werd het me duidelijk: ‘Ah. U bent van de sd.’ Thomas glimlachte amicaal: ‘Ja, zo ongeveer. In normale tijden werk ik samen met Dr. Six, de vervanger van uw professor Dr. Höhn. Maar nu ben ik bij de Gestapo gedetacheerd als assistent van Dr. Best, die de Chef helpt om het juridische raamwerk van de Sipo te ontwikkelen.’ Zelfs in die situatie viel mij op met hoeveel nadruk hij het had over ‘de chef’. ‘Zitten er bij de Sicherheitsdienst dan allemaal doctoren?’ liet ik me ontvallen. Opnieuw glimlachte hij, een brede, open glimlach: ‘Zo goed als.’ – ‘Dus u bent ook doctor?’ Hij knikte: ‘In de rechten.’ – ‘Juist ja.’ – ‘Der Chef daarentegen is geen doctor. Toch is hij de intelligentste van allemaal. Hij maakt van onze talenten gebruik om zijn eigen doelen te bereiken.’ – ‘En wat zijn dan die doelen?’ Thomas fronste zijn wenkbrauwen: ‘Wat studeert u bij Höhn? Dat moet wel staatsveiligheid zijn.’ Hij zweeg. Ook ik zei niets, we keken elkaar aan. Hij leek ergens op te wachten. Hij kwam wat naar voren en ondersteunde zijn kin met zijn ene hand, terwijl hij met de verzorgde nagels van de andere op het bureaublad trommelde. Ten slotte vroeg hij met een nors gezicht: ‘U hebt geen belangstelling voor staatsveiligheid, Herr Aue?’ Ik aarzelde: ‘Ik ben geen doctor...’ – ‘Maar binnenkort wel.’ Weer bleef het enkele seconden stil. ‘Ik begrijp niet waar u op uit bent,’ zei ik. – ‘Ik ben helemaal nergens op uit, behalve dat ik u nutteloze problemen wil besparen. Weet u, de rapporten die u indertijd voor de sd hebt geschreven, vielen meteen op. Ze waren uitstekend geformuleerd, met een duidelijke lijn, gevoed door een onmiskenbaar consequente Weltanschauung. Jammer dat u er niet mee bent doorgegaan, al is dat natuurlijk uw eigen zaak. Maar toen ik het rapport van Kriminalkommissar Halbey onder ogen kreeg, zei ik tegen mezelf dat hier toch sprake zou zijn van een verlies voor het nationaal-socialisme. Ik heb vervolgens Dr. Best opgebeld, hem uit zijn slaap gehaald trouwens, hij was het met me eens en ik mocht van hem hierheen, om Kriminalkommissar Halbey in te fluisteren dat hij zijn onzalige initiatieven beter kon beperken. U begrijpt, er komt een strafrechtelijk onderzoek, zoals dat hoort bij een incident met dodelijke afloop. Bovendien is er een politieman gewond geraakt. Het minste is wel dat u in principe als getuige moet worden gedagvaard. Gezien de plaats van het misdrijf, namelijk een beruchte ontmoetingsplaats voor homoseksuelen, zal de zaak, zelfs al kan ik Kriminalkommissar Halbey ertoe bewegen zijn ijver te matigen, vroeg of laat automatisch op het bureau van Kriminalrat Meisinger terechtkomen, ter beoordeling. Op dat moment zal Kriminalrat Meisinger u in het vizier krijgen. Hij zal verder gaan zoeken, want hij heeft iets van een wroetend varken. Welke resultaten dat ook zal opleveren, uw persoonlijk dossier zal er blijvend de sporen van dragen. En het toeval wil dat de Reichsführer-ss een sterke preoccupatie heeft met homoseksualiteit. Homoseksuelen maken hem bang, hij haat ze. Hij denkt dat een geboren homoseksueel zijn ziekte op tientallen jongemannen kan overdragen, en dat al die jongelieden dan verloren zijn voor het ras. Hij denkt ook dat geïnverteerden van nature leugenaars zijn, die in hun eigen leugens geloven, met als gevolg een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, waardoor ze niet in staat zijn tot loyaliteit, alles doorkletsen en zich schuldig kunnen maken aan verraad. De potentiële dreiging die erin besloten ligt, leidt er dan ook toe dat homoseksualiteit voor de Reichsführer geen medisch-therapeutische, maar een politieke kwestie is en dat in zulke gevallen dus de methoden van de Sipo in stelling moeten worden gebracht. Onlangs is hij zelfs in geestdrift ontstoken over een voorstel van een van onze beste rechtshistorici, professor en ss-Untersturmführer Eckhardt, die u wel zult kennen, en die pleitte voor herinvoering van het oude Germaanse gebruik om verwijfde mannen te verdrinken in een veenmoeras. Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat dit een nogal extreme zienswijze is, en ofschoon de logica ervan niet te ontkennen valt, heeft niet iedereen zulke uitgesproken opvattingen. De Führer zelf staat naar het schijnt vrij onverschillig tegenover deze materie. Zijn geringe belangstelling voor deze zaak geeft de Reichsführer, met zijn buitensporige opvattingen, juist weer volop de ruimte om het actuele beleid te bepalen. U kunt dus met allerlei problemen te maken krijgen als Kriminalrat Meisinger zich een ongunstige mening over u zou vormen, ook al zou hij er misschien niet in slagen u op grond van de paragrafen 175 of 175a van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld te krijgen. Het zou zelfs kunnen gebeuren, als Kriminalrat Meisinger voet bij stuk houdt, dat er tegen u een bevel tot voorlopige hechtenis wordt afgegeven. Dat zou mij ten zeerste spijten, en Dr. Best ook.’ Ik luisterde met een half oor, want de aandrang keerde extra heftig terug, maar ten slotte reageerde ik: ‘Ik begrijp niet waar u heen wilt. Doet u mij nu een voorstel?’ – ‘Een voorstel?’ Thomas trok zijn wenkbrauwen op. ‘Waar ziet u ons voor aan? Denkt u werkelijk dat de sd chantage moet plegen om mensen te werven? Dat meent u toch niet! Nee,’ ging hij met een brede, vriendschappelijke glimlach verder, ‘ik ben gewoon gekomen om u in een geest van kameraadschap te helpen, als de ene nationaal-socialist tegenover de andere. Uiteraard vermoeden we wel,’ ging hij met een spottende blik verder, ‘dat professor Höhn zijn studenten waarschuwt tegen de sd, dat hij u waarschijnlijk een beetje heeft ontmoedigd, en dat is jammer. Wist u dat ik door hem ben gerekruteerd? Hij is tegenwoordig ondankbaar. Mocht u ooit uw mening over ons veranderen, des te beter. Als u een positiever beeld van ons werk zou gaan ontwikkelen, dan zou Dr. Best er volgens mij graag met u over praten. Ik nodig u uit erover na te denken. Dat staat echter los van mijn kleine interventie van gisteravond.’ Ik moet zeggen dat zijn openhartige en directe benadering mij wel aanstond. Ik was diep onder de indruk van Thomas’ eerlijkheid, van zijn energie en zijn kalme, stralende zekerheid. Dit strookte helemaal niet met het idee dat ik me van de sd had gevormd. Maar hij stond al op. ‘U gaat samen met mij naar buiten. Niemand zal daar bezwaar tegen maken. Aan Kriminalkommissar Halbey zal ik melden dat u daar op die plek was in het kader van uw dienstuitoefening, punt uit. Op het gewenste moment zult u in die zin een verklaring afleggen. Zo blijft het allemaal heel beschaafd.’ Ik kon niet anders dan weer aan de wc denken; na afloop van het gesprek bleef Thomas in de gang wachten, terwijl ik eindelijk mijn plas loosde. Zo kon ik me ook even beraden: toen ik uit de wc kwam, stond mijn besluit waarschijnlijk al vast. Buiten was het licht. Met een krachtige handdruk liet Thomas me in de Kurfürstenstrasse achter. ‘Ik weet zeker dat we elkaar binnenkort terugzien. Tchüs!’ En zo, met mijn reet nog vol sperma, besloot ik toe te treden tot de Sicherheitsdienst.
De dag na het etentje met Oberländer begaf ik me zodra ik uit bed was naar Hennicke, de stafchef van de Groep. ‘Ah, Obersturmführer Aue. De brieven voor Loetsk zijn bijna klaar. Gaat u maar naar de Brigadeführer. Die is in de Brygidki-gevangenis. Untersturmführer Beck brengt u erheen.’ Deze Beck was nog heel jong; het was een imposante verschijning, maar met iets grimmigs over zich, alsof er een verborgen woede in hem smeulde. Hij groette en zei daarna vrijwel niets meer. Op straat leek de opwinding van de bevolking nog groter dan de vorige dag, er werd gepatrouilleerd door groepen gewapende nationalisten, het verkeer vorderde moeizaam. Ook waren er veel meer Duitse soldaten. ‘Ik moet bij het station een pakje afhalen,’ zei Beck. ‘Dat vindt u niet erg?’ Zijn chauffeur wist al goed de weg; om de drukte te vermijden nam hij een dwarsstraat die zich verderop langs een kleine heuvel slingerde en werd omzoomd door kalme, statige huizen. ‘Een mooie stad,’ merkte ik op. – ‘Dat is niet zo vreemd. Het is in feite een Duitse stad,’ antwoordde Beck scherp. Ik zweeg. Bij het station liet hij mij in de auto achter en verdween in de massa. Trams laadden hun passagiers uit, andere in, vertrokken weer. In een parkje links vertoefden onder de bomen, onverschillig voor het gewoel, enkele zigeunerfamilies, vuil, met een gebruinde huid, gekleed in veelkleurige lompen. Er stonden ook zigeuners in de buurt van het station, zonder te bedelen; de kinderen speelden niet eens. Beck kwam terug met het pakje. Hij volgde mijn blik en zag de zigeuners. ‘In plaats van onze tijd te verdoen met de joden kunnen we ons beter met die daar bezighouden,’ stootte hij op kwaadaardige toon uit. ‘Die zijn veel gevaarlijker. Ze werken voor de Roden, dat weet u toch wel? Maar we krijgen ze nog te pakken.’ In de lange straat die ons wegvoerde van het station, nam hij opnieuw het woord: ‘Daar opzij is de synagoge. Die wil ik zien. Daarna gaan we naar de gevangenis.’ De synagoge lag wat achteraf in een klein straatje, links van de boulevard die naar het centrum voerde. Twee Duitse soldaten stonden voor de ingang op wacht. De voorgevel zag er vervallen, onooglijk uit; alleen de davidster op het fronton maakte duidelijk wat voor gebouw het was; er was geen jood te zien. Ik volgde Beck door de smalle deur. De grote centrale ruimte was twee verdiepingen hoog en werd boven omgeven door een balkon, naar ik aannam voor de vrouwen; de muren waren gedecoreerd met fraaie schilderingen in felle kleuren, in een naïeve maar krachtige stijl, voorstellend de Leeuw van Juda omringd door davidsterren, papegaaien en zwaluwen, hier en daar doorspikkeld met kogelgaten. In plaats van banken waren er kleine stoelen die vastzaten aan lessenaars. Lang bleef Beck naar de schilderingen kijken, daarna liep hij naar buiten. In de straat voor de gevangenis was het een afgrijselijke drukte, het krioelde van de mensen. Ze schreeuwden uit alle macht, hysterisch verscheurden vrouwen hun kleren en rolden over de grond; joden, bewaakt door Feldgendarmen, boenden op hun knieën het trottoir; nu en dan kregen ze een trap van een voorbijganger, een Feldwebel met een hoogrood gezicht blafte: ‘Juden, kaputt!’, Oekraïners klapten instemmend in hun handen. Bij de ingang van de gevangenis moest ik wijken voor een colonne joden, sommige met een hemd aan en andere met ontbloot bovenlijf, de meeste bebloed; omringd door Duitse soldaten droegen ze in ontbinding verkerende lijken die ze op karren laadden. Krijsend stortten oude vrouwen in zwarte kleren zich op die lijken, daarna stormden ze op de joden af en krabden in hun gezicht, totdat een soldaat hen terugduwde. Beck zag ik nergens meer, ik liep de binnenplaats van de gevangenis op en daar ontrolde zich hetzelfde schouwspel, doodsbange joden die lijken naast elkaar legden, andere die onder het geschreeuw van de soldaten de straatstenen boenden; soldaten stoven naar voren en sloegen de joden, met hun blote handen of met geweerkolven, de joden brulden, zakten in elkaar, worstelden om weer overeind te komen en het werk te hervatten, andere soldaten maakten foto’s van het tafereel, weer andere schreeuwden op uitgelaten toon scheldwoorden of aanmoedigingen; soms stond een jood niet meer op, dan begonnen verscheidene mannen met hun laarzen naar hem uit te halen, waarna een paar joden het lichaam aan de voeten opzij trokken, andere moesten blijven boenen. Eindelijk trof ik een ss’er. ‘Weet u waar ik Brigadeführer Rasch kan vinden?’ – ‘Volgens mij is hij in het kantoorgedeelte van de gevangenis, daar, ik heb hem net de trap op zien gaan.’ In de lange gang liepen soldaten af en aan, hier was het rustiger, maar de groene wanden, glimmend en vuil, waren besmeurd met meer of minder verse bloedvlekken en er zaten hersenflarden tegenaan geplakt, vermengd met haren en botsplinters, ook waren er op de vloer lange sleepsporen van voortgetrokken lichamen, waar iedereen overheen moest. Aan het eind van de gang kwam Rasch een trap af in gezelschap van een lange Oberführer met een poppengezicht en een aantal andere officieren van de Groep. Ik groette. ‘Ah, daar bent u. Goed. Ik heb een rapport van Radetzky ontvangen; vraag hem hierheen te komen, zodra hij gelegenheid heeft. En u moet persoonlijk aan Obergruppenführer Jeckeln verslag uitbrengen van de Aktion hier. Benadrukt u daarbij dat het initiatief is uitgegaan van de nationalisten en van het volk. De nkvd en de joden hebben in Lemberg drieduizend mensen vermoord. Dus neemt het volk wraak, dat is logisch. Wij hebben het aok gevraagd ze daarvoor enkele dagen de tijd te gunnen.’ – ‘Zu Befehl, Brigadeführer.’ Ik volgde hen naar buiten. Rasch en de Oberführer waren in een levendige discussie gewikkeld. Op de binnenplaats steeg behalve de stank van lijken ook de zware, misselijkmakende geur op van vers bloed. Buiten op straat kwamen mij twee joden tegemoet die onder bewaking terugliepen naar de gevangenis; een van hen, een nog heel jonge man, snikte heftig, zij het geluidloos. Ik trof Beck aan bij de auto en we reden terug naar de Gruppenstab. Ik gaf Höfler opdracht de Opel in gereedheid te brengen en Popp te waarschuwen, waarna ik bij Leiter iii de telegrammen en de post ging ophalen. Ook vroeg ik waar Thomas was, ik wilde hem gedag zeggen alvorens te vertrekken. ‘Hij is in de buurt van de boulevard,’ werd me verteld. ‘Gaat u maar kijken in café Metropool, aan de Sykstuska.’ Beneden stonden Popp en Höfler klaar. ‘We gaan, Obersturmführer?’ – ‘Ja, alleen stoppen we onderweg nog even. We rijden over de boulevard.’ Metropool was niet moeilijk te vinden. Binnen waren groepjes mannen luidruchtig met elkaar in gesprek, sommige waren al dronken en schreeuwden in het wilde weg; bij de bar stonden officieren van de Rollbahn bier te drinken en de gebeurtenissen te bespreken. Thomas zat achterin, bij een blonde jongeman in burger met een pafferig, nors gezicht. Ze dronken koffie. ‘Hallo, Max! Laat me je Oleg voorstellen. Een zeer ontwikkelde, zeer intelligente man.’ Oleg stond op en drukte me gretig de hand; hij leek mij compleet onnozel. ‘Moet je horen, ik ga zo weg.’ Thomas antwoordde in het Frans: ‘Uitstekend. In ieder geval zien we elkaar binnenkort weer: het is de bedoeling dat jouw Kommandostab in Zjitomir wordt gestationeerd, samen met ons.’ – ‘Mooi zo.’ Hij ging in het Duits verder: ‘Sterkte! Hou je taai.’ Ik groette Oleg en verliet het café. Onze troepen waren nog ver van Zjitomir verwijderd, maar Thomas leek zeker van zijn zaak, hij had ongetwijfeld betrouwbare inlichtingen. Eenmaal op weg hervond ik met genoegen het lieflijke Galicische landschap; we vorderden traag, in het stof van het krijgsmaterieel en de vrachtwagens die in colonnes naar het front trokken; nu en dan boorde de zon zich door de witte wolken die in lange stroken aan de hemel hingen, aan dat onmetelijke, vrolijke en tegelijk kalme plafond met zijn schaduwvlekken.
’s Middags arriveerde ik in Loetsk. Volgens Radetzky zou het nog wel even duren voor Blobel weer terug was; Häfner liet ons vertrouwelijk weten dat hij uiteindelijk in een krankzinnigengesticht van de Wehrmacht was geplaatst. De vergeldingsactie was tot een goed einde gebracht, al had kennelijk niemand veel zin om erover te praten. ‘Wees maar blij dat u er niet bij was,’ vertrouwde Zorn me fluisterend toe. Op 6 juli verplaatste het Sonderkommando zich naar Rovno, nog steeds achter het oprukkende Zesde Leger aan, waarna het snel doortrok naar Swjagel, door de Russen Novograd-Volynski genoemd. Op elk gedeelte van het traject werden Teilkommando’s uitgezonden om mogelijke verzetplegers op te sporen, aan te houden en te executeren. En het moet gezegd, dat waren meestal joden. Maar we fusilleerden ook commissarissen en andere functionarissen van de bolsjewistische Partij wanneer we die vonden, en dieven, plunderaars, boeren die hun graan verborgen hielden, plus zigeuners, Beck kon tevreden zijn. Radetzky had ons uitgelegd dat je moest redeneren in termen van objectieve dreiging: het was feitelijk niet te doen om iedere afzonderlijke misdadiger als zodanig te ontmaskeren, het kwam erop aan de sociaal-politieke categorieën te herkennen die het meest geneigd waren ons schade te berokkenen en dienovereenkomstig te handelen. In Lemberg was de nieuwe Ortskommandant, generaal Rentz, er geleidelijk in geslaagd de orde te herstellen en de excessen te temperen; niettemin waren Einsatzkommando 6 en vervolgens nummer 5, dat ter vervanging was gekomen, doorgegaan met het executeren van honderden personen buiten de stad. We begonnen ook last te krijgen met de Oekraïners. Op 9 juli kwam het korte onafhankelijkheidsexperiment abrupt ten einde: de Sipo arresteerde Bandera en Stetsko en stuurde hen onder bewaking naar Krakau, terwijl hun manschappen werden ontwapend. Maar elders kwam de ooen-b in opstand; in Drohobycz openden ze het vuur op onze troepen, een aantal Duitsers werd gedood. Vanaf dat moment werden ook Bandera’s aanhangers behandeld als objectieve dreiging; de melnikisten hielpen ons enthousiast om hen op te sporen en trokken de controle over de plaatselijke instanties naar zich toe. Op 11 juli wisselde de Gruppenstab waar wij bij hoorden, van naam met die van Legergroep Midden: voortaan heetten we Einsatzgruppe c; diezelfde dag reden onze drie Opel Admirals Zjitomir binnen, samen met de tanks van het Zesde Leger. Een paar dagen later kreeg ik opdracht dit Vorkommando te gaan versterken, totdat het grootste deel van de staf zich bij ons zou hebben gevoegd.
Vanaf Swjagel veranderde het landschap volledig. Hier begon het Oekraïense steppegebied: onmetelijk golvende velden, die intensief werden bebouwd. Tussen het koren stonden de klaprozen te zieltogen, maar de rogge en gerst rijpten, en de hemelwaarts gerichte zonnebloemen, die zich eindeloos veel kilometers aaneenregen, volgden met hun vergulde kronen de baan van de zon. Hier en daar werden de adembenemende vergezichten doorbroken door een rij isba’s, die willekeurig leken neergeworpen in de schaduw van acacia’s of van bescheiden groepjes eiken, esdoorns en essen. De landwegen waren omzoomd met linden, de riviertjes met ratelpopulieren en wilgen; in de steden had men langs de brede lanen kastanjes geplant. Onze kaarten bleken volkomen onbruikbaar: de aangeduide wegen bestonden niet of eindigden in het niets; andersom troffen onze patrouilles daar waar volgens de kaart een lege steppe zou moeten zijn, kolchozen aan en uitgestrekte velden met katoen, meloenen of bieten; minuscule stadjes hadden zich tot industriecentra ontwikkeld. Terwijl Galicië ons zo goed als ongeschonden in handen was gevallen, had het Rode Leger hier op zijn terugtocht voor systematische vernietiging gekozen. De dorpen en velden stonden in brand, putten waren opgeblazen of gedempt, de wegen ondermijnd, de gebouwen voorzien van verraderlijke bommen; in de kolchozen waren nog vee, gevogelte, vrouwen, maar de mannen en paarden waren vertrokken; in Zjitomir hadden ze alles wat ze konden in brand gestoken: gelukkig stonden er tussen de smeulende ruïnes nog tal van huizen overeind. De stad was nog steeds onder Hongaars toezicht en Callsen maakte zich kwaad: ‘Hun officieren gaan vriendschappelijk met de joden om, ze gaan zelfs bij ze eten!’ Bohr, een andere officier, vulde aan: ‘Het schijnt dat sommige officieren zelf joden zijn. Hoe is het mogelijk! Bondgenoten van Duitsland! Ik durf ze geen hand meer te geven.’ De bewoners bereidden ons een vriendelijke ontvangst, maar klaagden over de opmars van de Honvéd op Oekraïens grondgebied: ‘De Duitsers zijn van oudsher onze vrienden,’ zeiden ze, ‘terwijl de Magyaren niets anders willen dan ons inlijven.’ Deze spanningen kwamen dagelijks tot uiting in kleine incidenten. Een compagnie van de genie had twee Hongaren gedood; een van onze generaals moest zijn excuses gaan aanbieden. Anderzijds hinderde de Honvéd de plaatselijke politiemensen in hun werk en zag het Vorkommando zich genoodzaakt via de Gruppenstab een klacht in te dienen bij het hoofdkwartier van de Legergroep, okhg Zuid. Uiteindelijk werden de Hongaren op 15 juli van hun taken ontheven en installeerde aok 6 zich in Zjitomir, prompt gevolgd door ons Kommando, alsook door Gruppenstab c. Intussen was ik teruggestuurd naar Swjagel om de verbinding te regelen. Aan de Teilkommando’s, die onder Callsen, Hans en Janssen stonden, waren drie verschillende sectoren toegewezen, die elk uitwaaierden tot aan het front, dat voor Kiev tot stilstand was gekomen; in het zuiden stuitte onze zone op die van Ek 5, de operaties moesten worden gecoördineerd, want elk Teilkommando functioneerde zelfstandig. Zo kwam ik samen met Janssen in het gebied tussen Swjagel en Rovno terecht, bij de grens met Galicië. De korte, zomerse onweersbuien werden steeds vaker stortregens, die de korrelige löss, fijn als meel, veranderden in plakkerige, compacte, zwarte modder, door de soldaten boena genoemd. Er ontstonden uitgestrekte draslanden waarin de door de gevechten uitgestrooide lijken en paardenkadavers geleidelijk verteerden. De soldaten vielen ten prooi aan niet-aflatende buikloop, de luizen drongen op; zelfs de vrachtwagens bleven steken in de modder en verplaatsingen werden steeds lastiger. Ter ondersteuning van de Kommando’s werden tal van Oekraïense hulpkrachten geworven, die door de oudgedienden uit Afrika Askari’s werden gedoopt; hun soldij werd onttrokken aan de plaatselijke overheden en aan geconfisqueerd joods kapitaal. Veel van hen waren boelbovitsi, de extremisten uit Wolhynië waar Oberländer het over had gehad (ze ontleenden hun naam aan Taras Boelba): nadat de ooen-b was opgerold, was hun de keus gelaten tussen het Duitse uniform of de kampen; de meesten waren onopvallend opgegaan in de bevolking, maar er waren er ook die zich hadden aangemeld voor het leger. Meer noordwaarts daarentegen, tussen Pinsk, Mozyr en Olevsk, had de Wehrmacht toegestaan dat er een ‘Oekraïense republiek Polesië’ werd gesticht met aan het hoofd een zekere Taras Borovets, voorheen eigenaar van een steengroeve in Kostopol die door de bolsjewieken was genationaliseerd; deze maakte jacht op geïsoleerde eenheden van het Rode Leger en op Poolse partizanen, dat scheelde ons troepen en in ruil werd hij door ons getolereerd; maar de Einsatzgruppe was bezorgd dat Borovets bescherming verleende aan vijandige elementen uit de ooen-b, die schertsend de ‘ooen-bolsjewieken’ werden genoemd, tegenover de ‘mensjewieken’ van Melnik. We wierven ook de Volksdeutschen die we ter plaatse aantroffen, om als burgemeester of politieman op te treden. De joden waren vrijwel overal gedwongen tewerkgesteld; inmiddels was er een begin gemaakt met het systematisch fusilleren van degenen die niet werkten. Maar aan de Oekraïense kant van de Zbroetsj werden onze acties vaak gefrustreerd door de apathie van de plaatselijke bevolking, die het niet kwam melden wanneer joden zich verplaatsten: de joden profiteerden daarvan en trokken illegaal weg, zochten een schuilplaats in de noordelijke bossen. Daarop beval Brigadeführer Rasch dat de joden, alvorens te worden geëxecuteerd, in een stoet aan de omstanders voorbij moesten lopen, opdat de Oekraïense boeren niet langer zouden geloven in de mythe van de joodse politieke macht. Maar dat soort maatregelen leek niet veel effect te hebben.
Op een ochtend stelde Janssen voor dat ik eens ter plekke bij een actie aanwezig zou zijn. Vroeg of laat moest het ervan komen, dat wist ik en ik had erover nagedacht. Ik kan in alle oprechtheid zeggen dat ik twijfels had over onze aanpak: de logica ervan kon ik moeilijk inzien. Ik had met joodse gevangenen gesproken; zij stelden dat de kwade zaken voor hen van oudsher uit het oosten kwamen, de goede uit het westen; in 1918 hadden ze onze troepen als bevrijders, als redders verwelkomd; die troepen hadden zich heel menselijk gedragen; na hun vertrek waren Petljoera’s Oekraïners teruggekomen om hen af te slachten. En het bolsjewistische bewind hongerde het volk uit. Nu brachten wij hen om het leven. En we brachten ontegenzeglijk een groot aantal van hen om het leven. Ik vond dat uitermate ongelukkig, al was het nodig en onvermijdelijk. Maar ook iets heel ongelukkigs dien je tegemoet te treden; je moet altijd bereid zijn de confrontatie aan te gaan met wat nodig en onvermijdelijk is, nooit mag je je blik afwenden van de gevolgen die eruit voortvloeien; je ogen sluiten is geen antwoord. Ik zei ja tegen Janssens voorstel. De actie stond onder leiding van Untersturmführer Nagel, zijn tweede man; samen met hem vertrok ik uit Swjagel. Het had de vorige dag geregend, maar de weg was nog goed begaanbaar, we reden kalm tussen het stralende groen dat aan weerszijden als twee muren oprees en de velden aan het zicht onttrok. Het dorp, de naam weet ik niet meer, lag aan de rand van een flinke beek, een paar kilometer voorbij de voormalige sovjetgrens; het had een gemengde bevolking, aan de ene kant woonden de Galicische boeren, aan de andere kant de joden. Toen we aankwamen, stond het kordon al op zijn plaats. Nagel had me een bos achter het dorp aangewezen: ‘Daar gaat het gebeuren.’ Hij leek nerveus, aarzelend, ook hij had waarschijnlijk nog nooit iemand gedood. Onze Askari’s brachten de joden op het dorpsplein samen, volwassen mannen, jonge jongens; ze voerden hen in kleine groepen de jodenstraatjes uit, soms sloegen ze hen, waarna ze hen op hun hurken dwongen en hen overlieten aan de bewaking van de Orpo’s. De Askari’s waren in gezelschap van enkele Duitsers van wie er één, Gnauk, de joden met een rijzweep sloeg om hen vooruit te drijven. Maar afgezien van het geschreeuw leek alles betrekkelijk rustig, ordelijk. Er waren geen toeschouwers; nu en dan vertoonde zich aan de rand van het plein een kind, dat een blik wierp op de neergehurkte joden en zich dan uit de voeten maakte. ‘Ze hebben nog een half uur werk, denk ik,’ zei Nagel. – ‘Kan ik wat rondkijken?’ vroeg ik. – ‘Ja, uiteraard. Neem in ieder geval uw ordonnans mee.’ Dat was zijn benaming voor Popp, die me sinds Lemberg niet meer had verlaten, kwartier voor me maakte, koffiezette, mijn laarzen poetste en zorgde dat mijn uniformen werden gereinigd, ook al had ik hem niets gevraagd. Ik liep in de richting van de Galicische boerderijtjes, naar het water, Popp liep enkele passen achter me, met een geweer over zijn schouder. Het waren lange, lage huizen, de deuren bleven onwrikbaar gesloten, achter de ramen zag ik niemand. Voor een houten poort, grof bestreken met bleekblauwe verf, stonden zo’n dertig ganzen luidruchtig te gakken, wachtend tot ze naar binnen konden. Ik passeerde de laatste huizen en liep naar beneden in de richting van de beek, maar de oever werd drassig en ik klom weer omhoog; een eindje verder was het bos. De lucht was gevuld met het doordringende, aanhoudende gekwaak van kikkers die wilden paren. Hogerop, tussen doorweekte velden waarin waterplassen de zon weerkaatsten, liep een twaalftal witte ganzen achter elkaar, vet en verwaand, gevolgd door een bangelijk kalf. Ik was in de gelegenheid geweest om in verschillende Oekraïense dorpen rond te kijken: volgens mij waren al die dorpen veel armer en schameler dan dit hier, en ik vreesde dat de theorieën van Oberländer niet houdbaar zouden blijken. Ik ging weer terug. Voor de vaalblauwe poort stonden de ganzen nog steeds geduld te oefenen, spiedend naar een tranende koe met ogen die krioelden van de samengeklonterde vliegen. Op het plein dreven de Askari’s de joden met geschreeuw en stokslagen de vrachtwagens in; toch boden deze joden geen verzet. Vóór me sjorden twee Oekraïners aan een oude man met een houten been, zijn prothese raakte los en achteloos smeten ze de man in de wagen. Nagel was niet in de buurt, ik klampte een Askari aan en wees op het houten been: ‘Leg dat bij hem in de vrachtwagen.’ De Oekraïner haalde zijn schouders op, bukte naar het been en gooide het de oude man achterna. In elke wagen werden ongeveer dertig joden samengeperst; in totaal waren het er zo’n honderdvijftig, maar we hadden niet meer dan drie vrachtwagens tot onze beschikking, er zou een tweede rit moeten worden gemaakt. Toen de wagens vol waren, beduidde Nagel me in de Opel te stappen, en gevolgd door de vrachtauto’s reed hij in de richting van het bos. Aan de bosrand stond het kordon al klaar. De vrachtwagens werden uitgeladen, waarna Nagel beval een aantal joden te kiezen die moesten gaan graven; de andere zouden blijven wachten. Een Hauptscharführer selecteerde, spaden werden uitgedeeld; Nagel formeerde een escorte en de groep verdween in het bos. De vrachtwagens waren alweer weg. Ik bekeek de joden: die welke het dichtst in mijn buurt stonden, zagen er bleek maar kalm uit. Nagel kwam naar me toe en begon heftig tegen me te praten, wijzend naar de joden: ‘Het is nodig, begrijpt u? Menselijk lijden mag hier helemaal niet tellen.’ – ‘Ja, maar toch telt het een beetje.’ Dit kon ik niet vatten: de diepe kloof, de volstrekte onevenredigheid tussen het gemak waarmee kan worden gedood en hoe moeilijk het moet zijn om te sterven. Wat voor ons de zoveelste rottige werkdag was, werd voor hen het definitieve einde.
Uit het bos kwamen kreten. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Nagel. – ‘Dat weet ik niet, Untersturmführer,’ antwoordde een onderofficier, ‘ik ga kijken.’ Hij liep op zijn beurt het bos in. Sommige joden drentelden met slepende tred heen en weer, starend naar de grond, gehuld in het troosteloze zwijgen van in zichzelf verzonken mannen, wachtend op de dood. Gehurkt op zijn hielen zat een jonge kerel een aftelversje te neuriën, terwijl hij me nieuwsgierig bekeek; hij bracht twee vingers naar zijn lippen; ik gaf hem een sigaret en lucifers: hij dankte met een glimlach. Aan de rand van het bos verscheen de onderofficier, die riep: ‘Ze hebben een massagraf gevonden, Untersturmführer.’ – ‘Hoezo een massagraf?’ Nagel begaf zich naar het bos en ik volgde. Onder de bomen stond de Hauptscharführer een jood in zijn gezicht te slaan en schreeuwde: ‘Jij wist het, hè! Vuile schoft, waarom heb je dat niet gezegd?’ – ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Nagel. De Hauptscharführer hield op met slaan en antwoordde: ‘Gaat u zelf kijken, Untersturmführer. We hebben een graf van de bolsjewieken gevonden.’ Ik liep naar de geul die de joden hadden gegraven; op de bodem lagen lichamen, beschimmeld, verschrompeld, vrijwel gemummificeerd. ‘Die moeten afgelopen winter zijn gefusilleerd,’ merkte ik op. ‘Daarom zijn ze niet tot ontbinding overgegaan.’ Aan de rand van de geul richtte een soldaat zich op uit zijn gebogen houding. ‘Zo te zien zijn ze gedood door een nekschot, Untersturmführer. Het zal het werk zijn geweest van de nkvd.’ Nagel riep de Dolmetscher: ‘Vraag hem wat er is gebeurd.’ De tolk vertaalde en daarna begon de jood te praten. ‘Hij zegt dat de bolsjewieken veel mannen uit het dorp hebben opgepakt. Maar hij zegt dat ze niet wisten dat die hier begraven waren.’ – ‘Dat wisten die rotzakken niet!’ barstte de Hauptscharführer los. ‘Ze hebben ze toch zeker zelf vermoord!’ – ‘Rustig, Hauptscharführer. Zorg dat dit graf weer wordt dichtgemaakt en ga ergens anders graven. Markeer de plaats voor het geval er nog nader onderzoek moet volgen.’ We liepen terug naar het kordon; de vrachtwagens kwamen weer aanrijden, met de rest van de joden. Twintig minuten later was daar opnieuw de Hauptscharführer, met een rood hoofd. ‘We hebben nog andere lijken gevonden, Untersturmführer. Het is ongelofelijk, ze hebben het hele bos ermee volgestopt.’ Nagel ging met een klein groepje in conclaaf. ‘Er zijn niet veel open plekken in dat bos,’ merkte een onderofficier op, ‘daarom graven wij op dezelfde plaatsen als zij.’ Terwijl ze in gesprek waren, ontdekte ik geleidelijk dat mijn vingers vol zaten met lange, heel dunne houtsplinters, vlak onder mijn nagels; tastend merkte ik dat ze dicht onder mijn huid, tot aan het tweede kootje zaten. Dat was vreemd. Hoe waren die daar gekomen? Ik had toch niets gevoeld. Ik begon ze voorzichtig te verwijderen, een voor een, waarbij ik probeerde geen bloedvaatjes te openen. Gelukkig schoven ze tamelijk soepel naar buiten. Nagel leek tot een besluit te zijn gekomen: ‘Er is nog een ander stuk bos, daar, dat lager ligt. Aan die kant gaan we het proberen.’ – ‘Ik blijf hier wachten,’ zei ik. ‘Uitstekend, Obersturmführer. Ik zal iemand sturen om u te halen.’ Geconcentreerd boog en strekte ik mijn vingers, een paar keer achter elkaar: alles leek in orde. Langs een flauwe helling verwijderde ik me van het kordon, door het wildkruid en de al bijna verdorde bloemen. Wat lager begon een korenveld, bewaakt door een kraai die aan zijn poten was vastgenageld, de vleugels gespreid. Ik ging in het gras liggen en keek naar de lucht. Ik sloot mijn ogen.
Popp kwam me halen. ‘Het is bijna zover, Obersturmführer.’ Het kordon had zich met de joden naar het lagere deel van het bos verplaatst. In kleine groepjes stonden de veroordeelden geduldig onder de bomen, sommige leunden met hun rug tegen een stam. Verderop in het bos wachtte Nagel met zijn Oekraïners. Een aantal joden, in een kuil van enkele meters lang, was nog bezig scheppen bagger op te gooien, over de wal met uitgegraven grond heen. Ik boog me voorover: water vulde de kuil, de joden groeven met het modderwater tot aan hun knieën. ‘Dit is geen kuil, dit is een zwembad,’ zei ik tamelijk kortaf tegen Nagel. Deze was niet bijster ingenomen met mijn commentaar: ‘Wat moet ik anders, Obersturmführer? Ze zijn op grondwater gestuit, en dat stijgt naarmate ze dieper graven. We zitten te dicht op de beek. Ik blijf toch niet de hele dag overal in dit bos kuilen staan graven.’ Hij wendde zich naar de Hauptscharführer. ‘Goed, zo is het genoeg. Zeg dat ze eruit komen.’ Hij zag lijkbleek. ‘Zijn uw schutters klaar?’ vroeg hij. Ik begreep dat het schieten aan de Oekraïners zou worden overgelaten. ‘Ja, Untersturmführer,’ antwoordde de Hauptscharführer. Hij keerde zich naar de Dolmetscher en legde de procedure uit. De Dolmetscher vertaalde voor de Oekraïners. Twintig van hen posteerden zich in een rij voor de kuil; de vijf anderen pakten de joden die hadden gegraven en die overdekt waren met slijk, en lieten hen bij de rand neerknielen met hun rug naar de schutters. Op een bevel van de Hauptscharführer brachten de Askari’s de karabijn naar hun schouder en richtten op de nek van de joden, maar de berekening klopte niet, er moesten per jood twee schutters zijn en er hadden er vijftien gegraven. De Hauptscharführer telde opnieuw, gaf de Oekraïners daarna opdracht om hun geweer te laten zakken en liet vijf joden overeind komen, die naar de zijkant liepen om te wachten. Verscheidenen van hen waren zachtjes iets aan het reciteren, waarschijnlijk een gebed, maar verder zeiden ze niets. ‘We kunnen beter Askari’s erbij nemen,’ suggereerde een andere onderofficier. ‘Dan gaat het vlugger.’ Een korte discussie volgde; er waren in totaal slechts vijfentwintig Oekraïners; de onderofficier stelde voor, dat aantal uit te breiden met vijf Orpo’s; de Hauptscharführer bleef erbij dat het kordon niet mocht worden uitgedund. Nagel, getergd, hakte de knoop door: ‘Gaat u dan maar op deze manier verder.’ De Hauptscharführer blafte een bevel en de Askari’s legden opnieuw aan. Nagel deed een stap naar voren. ‘Op mijn commando...’ Zijn stem was toonloos, hij spande zich in om er controle over te krijgen. ‘Vuur!’ Het salvo knetterde en ik zag een soort uiteenspattend rood, verhuld door de damp van de geweren. De meeste doden werden naar voren geslingerd, met hun neus in het water; twee bleven er ineengedoken aan de rand van de kuil liggen. ‘Ruim op en breng de volgenden,’ beval Nagel. Enkele Oekraïners pakten de twee dode joden bij hun armen en voeten en slingerden hen de kuil in; ze kwamen neer met een luide plons, het bloed stroomde uit hun verbrijzelde hoofd en had de laarzen en de groene uniformen van de Oekraïners bespat. Twee mannen liepen met spaden naar de kuil en begonnen de rand schoon te maken door bebloede aardkluiten en vaalwitte hersenflarden in de richting van de doden te kiepen. Ik ging kijken: de lijken dreven in het modderige water, sommige op hun buik, andere op hun rug met hun neus en baard boven het water uit; het bloed verspreidde zich vanaf hun hoofd over het oppervlak als een dunne olielaag, maar dan felrood, ook hun witte hemden waren rood, over hun huid en langs hun baardharen vloeiden rode straaltjes. De tweede groep werd gebracht, de vijf die hadden gegraven en vijf andere van de rand van het bos; en ze werden op hun knieën neergezet met hun gezicht naar de kuil, naar de drijvende lichamen van hun dorpsgenoten; een van hen draaide zich met opgeheven hoofd naar de schutters om en bekeek hen zwijgend. Mijn gedachten gingen uit naar die Oekraïners: hoe was het zover met hen gekomen? De meesten van hen hadden tegen de Polen gevochten en daarna tegen de Sovjets, zij hadden ongetwijfeld gedroomd van een betere toekomst, voor henzelf en voor hun kinderen, en nu stonden ze daar in een bos, in een buitenlands uniform, mensen te doden die hun niets hadden gedaan, om een voor hen onbegrijpelijke reden. Wat zou er in hen omgaan? Maar als ze het bevel daartoe kregen dan schoten ze, dan duwden ze de lijken in de kuil en voerden er weer anderen heen, ze protesteerden niet. Hoe zouden ze hier later op terugkijken? Opnieuw hadden ze geschoten. Nu klonk er gekerm uit de kuil. ‘Verdomme, ze zijn niet allemaal dood,’ gromde de Hauptscharführer. – ‘Nou, maak ze dan af,’ schreeuwde Nagel. Op bevel van de Hauptscharführer kwamen er twee Askari’s naar voren en schoten opnieuw, van bovenaf in de kuil. Het gekerm hield aan. Ze schoten een derde keer. Naast hen werd de rand schoongemaakt. Wat verder werden er weer tien aangevoerd. Mijn oog viel op Popp: hij had een handvol aarde gepakt van de hoop die bij de kuil lag en keek er nauwlettend naar, kneedde de substantie met zijn grove vingers, rook eraan en stopte er zelfs wat van in zijn mond. ‘Wat is er, Popp?’ Hij kwam dichterbij: ‘Moet u die aarde eens zien, Obersturmführer. Dat is goeie grond. Er zijn slechtere dingen voor een mens dan hier te leven.’ De joden knielden. ‘Gooi neer, Popp,’ zei ik. – ‘Er is ons verteld dat we ons hier kunnen komen vestigen, naderhand, boerderijen kunnen gaan bouwen. Dit is een prima streek, wil ik maar zeggen.’ – ‘Hou je mond, Popp.’ Weer hadden de Askari’s een salvo afgevuurd. Opnieuw stegen er uit de kuil schrille kreten op, kermende geluiden. ‘Alstublieft, heren Duitsers! Alstublieft!’ De Hauptscharführer gaf opdracht tot het genadeschot, maar het geschreeuw bleef, je hoorde mensen in het water worstelen, nu schreeuwde ook Nagel: ‘Wat een klungels, die schutters van u! Geef ze bevel om de kuil in te gaan.’ – ‘Maar Untersturmführer...’ – ‘De kuil in!’ De Hauptscharführer liet het bevel vertalen. De Oekraïners begonnen opgewonden met elkaar te praten. ‘Wat zeggen ze?’ vroeg Nagel. – ‘Ze willen de kuil niet in, Herr Untersturmführer,’ lichtte de Dolmetscher toe. ‘Ze zeggen dat het de moeite niet loont, dat ze vanaf de rand kunnen schieten.’ Nagel was rood aangelopen. ‘Ze moeten erin!’ De Hauptscharführer greep er een bij zijn arm en trok hem mee naar de kuil; de Oekraïner verzette zich. Nu was iedereen aan het schreeuwen, in het Oekraïens en in het Duits. Een eindje verder stond de volgende groep te wachten. Woedend gooide de aangewezen Askari zijn geweer op de grond en sprong in de kuil, gleed daar uit en viel tussen de doden en stervenden in. Na hem liet zijn kameraad zich zakken, zich vasthoudend aan de rand, en hielp hem overeind. De Oekraïner vloekte en spuugde, bedekt met modder en bloed. De Hauptscharführer reikte hem zijn geweer aan. Links klonken verscheidene knallen, kreten; de mannen van het kordon vuurden schoten af, het bos in: een van de joden had de commotie benut om ervandoor te gaan. ‘Hebben jullie ’m geraakt?’ riep Nagel. – ‘Ik weet het niet, Herr Untersturmführer,’ antwoordde een van de politiemannen uit de verte. – ‘Nou, ga dan kijken!’ Ineens gingen er aan de andere kant twee joden aan de haal en weer begonnen de Orpo’s te schieten: de een zakte meteen in elkaar, de ander verdween in het bos. Nagel had zijn pistool getrokken en stond er wild mee te zwaaien, terwijl hij tegenstrijdige bevelen schreeuwde. In de kuil probeerde de Askari zijn geweer op het voorhoofd van een gewonde jood te drukken, maar die rolde het water in, zijn hoofd verdween onder het oppervlak. Ten slotte schoot de Oekraïner min of meer op goed geluk, het schot verbrijzelde een kaak maar doodde de jood nog niet, hij vocht, greep de Oekraïner bij zijn benen. ‘Nagel,’ zei ik. – ‘Ja?’ Op zijn gezicht lag een verwilderde uitdrukking, zijn arm met het pistool eraan hing slap naar beneden. – ‘Ik ga alvast naar de auto.’ In het bos klonken knallen, de Orpo’s schoten op de voortvluchtigen; ik keek nog even naar mijn vingers om me ervan te vergewissen dat ik echt alle splinters had verwijderd. Bij de kuil begon een van de joden te huilen.
Weldra was dit soort amateurisme nagenoeg uitgebannen. Naarmate de weken verstreken deden de officieren meer ervaring op, raakten de manschappen beter gewend aan de procedures; tegelijkertijd was duidelijk dat iedereen probeerde zijn positie binnen het geheel te bepalen en nadacht over wat er gebeurde, ieder op zijn manier. Aan tafel, ’s avonds, spraken de mannen over de acties, ze vertelden elkaar anekdotes, vergeleken hun ervaringen, sommige op droevige toon, andere opgewekt. Weer andere zwegen; die dienden in het oog te worden gehouden. We hadden al twee zelfmoorden meegemaakt; op een nacht was een soldaat kennelijk geschrokken wakker geworden en had meteen zijn geweer op het plafond leeggeschoten, ze hadden hem in de houdgreep moeten nemen, bijna was er een onderofficier gedood. Sommigen reageerden met bruutheid en ook wel met sadisme, ze sloegen de veroordeelden, folterden hen alvorens hen dood te schieten; de officieren probeerden deze uitspattingen tegen te gaan, maar het was moeilijk, er deden zich excessen voor. Heel vaak namen onze mannen foto’s van de executies; in hun kwartier ruilden ze die voor tabak, ze hingen ze aan de muur, iedereen kon afdrukken bestellen. Via de militaire censuur wisten we dat velen die foto’s naar hun familie in Duitsland stuurden, sommigen maakten er zelfs albumpjes van, verfraaid met onderschriften; in de hogere echelons wekte dit verschijnsel verontrusting, toch leek het onmogelijk te beteugelen. Ook de officieren lieten zich gaan. Op een keer, terwijl de joden aan het graven waren, hoorde ik Bohr halfluid zingen: ‘De aarde is koud, de aarde is zacht, graven maar, kleine jood, graven maar.’ De Dolmetscher vertaalde het en het schokte me diep. Ik kende Bohr nu enige tijd, het was een normale man, niet speciaal vijandig jegens de joden, hij deed zijn plicht zoals hem werd gevraagd; wel greep het hem zichtbaar aan, hij reageerde er slecht op. Uiteraard zaten er in het Kommando ook onvervalste antisemieten; Lübbe bijvoorbeeld, een andere Untersturmführer, greep iedere gelegenheid aan om het volk van Israël met extreme heftigheid te vervloeken, alsof het wereldjodendom niets anders was dan een enorm complot tegen hem, Lübbe. Hij viel er iedereen mee lastig. Op het punt van de acties gedroeg hij zich eigenaardig: soms was hij meedogenloos, maar soms ook kreeg hij ’s ochtends hevige aanvallen van diarree, dan meldde hij zich ziek en moest worden vervangen. ‘God, wat haat ik dat tuig,’ zei hij, terwijl hij toekeek hoe ze stierven, ‘maar wat een klotekarwei.’ Op mijn vraag of zijn overtuigingen het niet beter te verdragen maakten, was zijn antwoord: ‘Dat ik vlees eet, wil nog niet zeggen dat ik graag in een slachthuis zou werken.’ Enkele maanden later moest hij trouwens weg, toen de Kommando’s werden gezuiverd door Dr. Thomas, de vervanger van Brigadeführer Rasch. Maar ook de officieren waren steeds moeilijker in de hand te houden, ze dachten zich dingen te mogen veroorloven die ongeoorloofd waren, ongehoorde dingen, en zoiets zal wel normaal zijn, bij dit soort werk gaan de grenzen vervagen en verschuiven. Er waren er ook die de joden bestalen, ze hielden zelf de gouden horloges, de ringen en het geld, terwijl alles aan de Kommandostab diende te worden overgedragen om naar Duitsland te worden verstuurd. Tijdens de acties waren de officieren verplicht de Orpo’s, de mannen van de Waffen-ss en de Askari’s in de gaten te houden, opdat ze niets zouden verduisteren, maar de officieren hielden zelf ook weleens iets achter. En ze dronken, de discipline stond onder druk. Op een avond, we waren ingekwartierd in een dorp, bracht Bohr twee jonge vrouwen mee, Oekraïense boerinnen, en ook wodka. Hij en Zorn en Müller begonnen met de vrouwen te drinken en betastten hen, staken hun hand onder hun rokken. Ik zat op mijn bed, ik probeerde te lezen. Bohr riep: ‘Kom en geniet mee.’ – ‘Nee, bedankt.’ Een van de vrouwen zat er half ontkleed bij, met slappe borsten. Die felle drift en die vleesmassa’s stonden me tegen, maar ik kon nergens anders heen. ‘U bent ook geen bijster vrolijk type, doctor,’ zei Bohr. Ik bekeek hen alsof mijn ogen een röntgenapparaat waren: onder de huid zag ik duidelijk de skeletten en wanneer Zorn een van de vrouwen omhelsde, was het alsof hun beider botten, slechts gescheiden door een dun laagje, tegen elkaar stootten; wanneer ze lachten, kwam er een knarsend geluid tussen benige kaken naar buiten; morgen zouden deze mannen al oud zijn, de jonge vrouwen zouden dik worden of anders zou hun gerimpelde huid zich over hun beenderen plooien, hun dorre, lege uiers zouden erbij hangen als leeggegoten leren zakken en daarna zouden Bohr en Zorn en die vrouwen ook sterven en in de koude, zachte grond komen te liggen, net als de joden die in de bloei van hun leven waren weggemaaid, hun mond vol aarde zou niet meer lachen, dus waar was deze treurige liederlijkheid goed voor? Zou ik die vraag aan Zorn voorleggen, dan wist ik het antwoord al: ‘Dat is het nou net, om nog wat te genieten voordat we creperen, om een beetje plezier te hebben’, en plezier, daar had ik niets tegen, zelf wist ik ook te genieten wanneer ik dat wilde, nee, ik had iets tegen hun angstaanjagend gebrek aan zelfbewustzijn, tegen die verbijsterende neiging om nooit ergens over na te denken, noch over de goede noch over de kwade dingen, maar zich door de stroom te laten meevoeren, te doden zonder te begrijpen waarom en ook zonder zich ergens zorgen om te maken, vrouwen te bepotelen omdat die vrouwen dat wel best vonden, te drinken zonder ook maar een poging te doen om zich los te maken van hun lichaam. Ik begreep dat niet, maar er werd me ook niet gevraagd het te begrijpen.
Begin augustus ging het Sonderkommando over tot een eerste zuivering van Zjitomir. Volgens onze statistieken woonden daar vóór de oorlog dertigduizend joden; maar de meeste waren met het Rode Leger meegevlucht, er waren er nu niet meer dan vijfduizend, negen procent van de huidige bevolking. Rasch had beslist dat dit nog te veel was. Generaal Reinhardt, die het bevel voerde over de 99e divisie, leende ons soldaten uit voor de Durchkämmung, het uitkammen van de stad. Iedereen was behoorlijk gespannen: op 1 augustus was Galicië onder het bestuur van het Generalgouvernement gebracht, en tot in Vinitsa en Tiraspol toe waren de Nachtigall-regimenten aan het muiten geslagen. We hadden ons genoodzaakt gezien om binnen onze hulptroepen alle officieren en onderofficieren van de ooen-b op te sporen, hen te arresteren en samen met de Nachtigall-officieren naar Sachsenhausen te sturen, waar Bandera intussen al zat. Sindsdien moest er scherp op de overgeblevenen worden gelet, want die waren niet allemaal te vertrouwen. In Zjitomir zelf hadden de banderisten twee melnikisten, twee door ons aangestelde functionarissen, vermoord; aanvankelijk was de verdenking op de communisten gevallen; daarna waren alle aanhangers van de ooen-b die er te vinden waren, ter dood gebracht. Gelukkig waren onze betrekkingen met de Wehrmacht hier uitstekend. De oudgedienden uit Polen toonden zich daarover verbaasd; ze verwachtten hoogstens onvriendelijke instemming, maar onze contacten met de staven ontwikkelden zich uitgesproken hartelijk. Heel vaak kwam het initiatief tot de acties van de kant van het leger, dat ons vroeg de joden uit dorpen waar sabotage was gepleegd te liquideren, als partizanen dan wel bij wijze van vergelding, en dat joden en zigeuners ter executie aan ons overdroeg. Commandant von Roques, van Achterland Zuid, had bevolen dat tot represailles tegen joden of Russen diende te worden overgegaan wanneer de plegers van een sabotagedaad niet met zekerheid konden worden aangewezen, want de Oekraïners mochten niet willekeurig de schuld toegeschoven krijgen: Wij moeten een beeld van rechtvaardigheid uitdragen. Uiteraard konden niet alle officieren van de Wehrmacht met deze maatregelen instemmen, volgens Rasch ontbrak het vooral de oudere officieren aan begrip. De Groep had ook problemen met een aantal Dulag-commandanten, die er niet op gebrand waren om de commissarissen en joodse krijgsgevangenen aan ons uit te leveren. Maar Reichenau, dat was bekend, was een krachtig pleitbezorger voor de Sipo. En soms was het juist andersom, dan was de Wehrmacht ons zelfs voor. De commandopost van een divisie wilde zich in een dorp installeren, maar er was niet genoeg plaats. ‘De joden zijn er nog,’ liet hun stafchef ons weten; en het aok ondersteunde zijn verzoek, wij moesten alle mannelijke joden uit het dorp fusilleren en daarna de vrouwen en kinderen groepsgewijs in enkele huizen onderbrengen om zodoende huisvesting voor de officieren vrij te maken. In het rapport werd het als een represaillemaatregel geboekstaafd. Een andere divisie vroeg ons zelfs of we bij een krankzinnigeninrichting die ze in gebruik wilde nemen, de patiënten konden liquideren; de Gruppenstab antwoordde verontwaardigd dat de mannen van de Staatspolizei geen beulen voor de Wehrmacht wilden zijn: ‘Geen enkel belang van de Sipo maakt deze actie noodzakelijk. Doet u het zelf.’ (Bij een andere gelegenheid had Rasch echter wel geestelijk gestoorden laten fusilleren, omdat alle bewakers en verpleegsters van de kliniek vertrokken waren en hij meende dat er een veiligheidsrisico zou ontstaan als de zieken de kans schoon zagen om te vluchten.) Overigens zag het ernaar uit dat onze werkzaamheden op korte termijn veel intensiever zouden worden. Vanuit Galicië bereikten ons geruchten over nieuwe methoden; Jeckeln had blijkbaar aanzienlijke versterkingen gekregen en was het gebied veel uitvoeriger gaan uitkammen dan tot dan toe was gebeurd. Callsen, weer terug van een missie naar Tarnopol, had vaag melding gemaakt van een nieuwe Ölsardinenmanier, maar hij weigerde zich nader te verklaren, en niemand wist eigenlijk waarover hij het had. Verder was Blobel weer terug. Hij was hersteld en leek inderdaad minder te drinken, al was hij nog net zo opvliegend. Ik bracht nu het grootste deel van mijn tijd door in Zjitomir. Thomas was daar ook en ik zag hem vrijwel iedere dag. Het was snikheet. In de boomgaarden bogen de takken door onder het gewicht van de kwetsen en abrikozen; in de groentetuintjes aan de rand van de stad zag je enorme pompoenen, soms al uitgedroogde maïskolven, her en der een rij zonnebloemen die hun kroon naar de grond lieten hangen. Als we vrij waren, gingen Thomas en ik de stad uit om op de Teterev te varen en te zwemmen; daarna strekten we ons in het gras onder de appelbomen uit, we dronken slechte witte wijn uit Bessarabië en aten de rijpe appels die om ons heen lagen. In die tijd waren in dat gebied nog geen partizanen, het was er rustig. Soms lazen we elkaar, als studenten, merkwaardige of amusante passages voor. Thomas had een Franse brochure van het Instituut voor Joodse Vraagstukken opgescharreld. ‘Moet je dit wonderlijke proza eens horen. Het artikel is getiteld “Biologie en samenwerking”, van een zekere Charles Laville. Luister. Een politiek moet biologisch zijn of anders niet zijn. Luister, luister: Willen we een primitieve poliepenkolonie blijven? Of willen we een hoger organisatiestadium bereiken?’ Hij las met een haast zangerig Frans accent. ‘Antwoord: De cellulaire verbindingen van elementen met complementaire neigingen zijn tevens de verbindingen die het ontstaan van de hogere dieren, tot aan de mens, hebben mogelijk gemaakt. De afwijzing van deze natuurlijke organisatievorm zou in zekere zin een misdaad tegen de mensheid zijn, evenals tegen de biologie.’ Zelf was ik de correspondentie van Stendhal aan het lezen. Op een keer nodigden een paar geniesoldaten ons uit voor een tochtje in hun motorboot; Thomas, al lichtelijk aangeschoten, had een kist granaten tussen zijn bovenbenen geklemd; comfortabel op de voorsteven uitgestrekt pakte hij die een voor een uit de kist, haalde de pin eruit en wierp ze loom over zijn hoofd de rivier in; we werden nat van de waterzuilen die door de ontploffingen werden opgestuwd; de geniesoldaten waren met netten in de weer om de dode vissen te vangen die met tientallen in het kielzog van de boot dreven; ze lachten en ik bewonderde hun gebronsde huid, hun jeugdige zorgeloosheid. ’s Avonds kwam Thomas soms in ons kwartier naar muziek luisteren. Bohr had een joodse weesjongen gevonden en die als mascotte geadopteerd: het joch waste de wagens, poetste de laarzen en maakte de pistolen van de officieren schoon, maar bovenal speelde hij piano als een jonge god – licht, vingervlug, muzikaal. ‘Zo’n toucher maakt alles goed, zelfs dat het een jood is,’ aldus Bohr. Hij liet hem Beethoven of Haydn spelen, maar de jongen, Jakov, hield zelf het meest van Bach. Het leek wel alsof hij alle suites uit zijn hoofd kende, het was ongelofelijk. Zelfs Blobel gedoogde zijn aanwezigheid. Als Jakov niet speelde, vermaakte ik mezelf soms door mijn collega’s goedmoedig te plagen en hun passages van Stendhal voor te lezen over de terugtocht uit Rusland. Sommigen wonden zich erover op. ‘Ja, de Fransen misschien, dat is een volk van niks. Maar wij zijn Duitsers.’ – ‘Inderdaad, maar de Russen zijn nog altijd Russen.’ – ‘Helemaal niet waar!’ brandde Blobel los. ‘Zeventig of tachtig procent van de sovjetvolkeren is van Mongoolse oorsprong. Dat is een bewezen feit. En de bolsjewieken hebben een welbewuste politiek van rassenmenging gevoerd. In de Grote Oorlog, ja, toen vochten we tegen echte Russische moezjieks, en dat waren inderdaad kranige kerels, maar die zijn allemaal door de bolsjewieken uitgeroeid! Er zijn bijna geen echte Russen of echte Slaven meer over. En in ieder geval,’ vervolgde hij volkomen onlogisch, ‘zijn de Slaven per definitie een ras van halfbloeden, van slaven. Bastaards. Geen van hun vorsten was werkelijk Russisch, ze hadden altijd wel Noormannenbloed, of Mongools en later Duits bloed. Zelfs hun nationale dichter was een negroïde Mischling, en dat tolereerden ze – als dat geen bewijs is...’ – ‘Hoe het ook zij,’ merkte Vogt plechtstatig op, ‘God staat aan de kant van het Duitse land en Volk. We kunnen deze oorlog niet verliezen.’ – ‘God?’ bralde Blobel. ‘God is een communist. En als ik hem ooit tegenkom, vergaat het hem net zo als zijn commissarissen.’
Hij wist waar hij het over had. In Tsjernjakovsk had de Sipo de voorzitter van de regionale trojka van de nkvd samen met een van zijn kameraden opgepakt en hen beiden naar Zjitomir gestuurd. Door Vogt en zijn collega’s ondervraagd, had deze rechter, Wolf Kieper, bevestigd dat hij meer dan 1.350 mensen had laten executeren. Het was een jood van een jaar of zestig, communist sinds 1905 en volksrechter sinds 1918; de ander, Mosje Kogan, was veel jonger, maar eveneens een medewerker van de Tsjeka en joods. Blobel had het geval besproken met Rasch en Oberst Heim, en ze hadden besloten tot een openbare terechtstelling. Kieper en Kogan kwamen voor een militair hof en werden ter dood veroordeeld. Op 7 augustus, vroeg in de morgen, gingen officieren van het Sonderkommando, bijgestaan door Orpo’s en onze Askari’s, ertoe over om joden aan te houden en hen samen te drijven op het marktplein. Het Zesde Leger had een wagen van de propagandacompagnie ter beschikking gesteld, die met een luidspreker de stad doorkruiste om in het Duits en Oekraïens de executies aan te kondigen. Aan het eind van de ochtend kwam ik in gezelschap van Thomas op het plein aan. Meer dan vierhonderd joden waren daar bijeengebracht en gedwongen met hun handen in de nek te gaan zitten, vlak bij de galg die de avond daarvoor door de chauffeurs van het Sonderkommando was opgericht. Achter het kordon van de Waffen-ss hadden zich honderden nieuwsgierigen verzameld, vooral militairen, maar ook mannen van de Organisation Todt en het nskk, evenals een groot aantal Oekraïense burgers. Van alle kanten stroomden de toeschouwers naar het plein, het was moeilijk je een weg te banen; er waren zelfs een stuk of dertig soldaten op het golfplaten dak van een belendend gebouw geklommen. De manschappen lachten, vertelden elkaar grappen; velen maakten foto’s van het tafereel. Blobel stond aan de voet van de galg, samen met Häfner, die net terug was uit Belaja Tserkov. Naast de rijen joden stond Radetzky de meute in het Oekraïens op te jutten: ‘Heeft iemand van jullie nog een appeltje te schillen met een van deze joden?’ vroeg hij. Prompt maakte een man zich uit de menigte los, gaf een van de zittende mannen een trap en liep weer terug; anderen bekogelden hen met rotte vruchten en tomaten. Ik keek naar de joden: ze hadden grauwe gezichten, hun ogen schoten angstig rond, onzeker over wat hun te wachten stond. Er waren veel oude mannen bij, met volle witte baarden en gekleed in smerige kaftans, maar ook betrekkelijk jonge mannen. Het viel me op dat het kordon verscheidene Landser van de Wehrmacht telde. ‘Wat doen die hier?’ vroeg ik aan Häfner. – ‘Dat zijn vrijwilligers. Ze hebben hun hulp aangeboden.’ Ik trok een grimas. Er waren tal van officieren, maar ik herkende niemand van het aok. Ik liep naar het kordon en vroeg aan een soldaat: ‘Wat doe jij hier? Wie heeft jou gevraagd de wacht te houden?’ Hij keek verlegen. ‘Waar is je superieur?’ – ‘Dat weet ik niet, Herr Offizier,’ antwoordde hij uiteindelijk, terwijl hij onder zijn muts aan zijn hoofd krabde. – ‘Wat doe jij hier?’ vroeg ik nog eens. – ‘Ik ben vanmorgen naar het getto gegaan, met mijn kameraden, Herr Offizier. En daar hebben we onze hulp aangeboden, uw collega’s zeiden van ja. Ik had bij een jood een paar leren laarzen besteld en ik wou proberen hem te vinden voordat... voordat...’ Hij durfde het woord niet uit te spreken. ‘Voordat ze worden doodgeschoten, bedoel je?’ zei ik bits. – ‘Jawel, Herr Offizier.’ – ‘En heb je hem gevonden?’ – ‘Hij zit daarginds. Maar ik heb hem niet kunnen spreken.’ Ik ging terug naar Blobel. ‘Standartenführer, die mannen van de Wehrmacht moeten worden weggestuurd. Het is niet juist dat ze op eigen initiatief aan de Aktion deelnemen.’ – ‘Laat toch, laat toch, Obersturmführer. Het is goed dat ze hun enthousiasme tonen. Het zijn goede nationaal-socialisten, ze willen ook hun steentje bijdragen.’ Ik haalde mijn schouders op en ging weer bij Thomas staan. Met een kinbeweging wees hij naar de menigte. ‘We hadden plaatskaarten moeten verkopen, dan waren we nu rijk.’ Hij grinnikte. ‘Bij het aok noemen ze dat Exekutionstourismus.’ De vrachtwagen was inmiddels gearriveerd en manoeuvreerde zich tot bij de galg. Twee Waffen-ss’ers lieten Kieper en Kogan uitstappen. Ze droegen een boerenkiel en hun handen waren achter hun rug gebonden. De baard van Kieper was sinds zijn aanhouding spierwit geworden. Onze chauffeurs legden een plank over de laadbak van de vrachtwagen, klommen erop en gingen aan de slag om de touwen te bevestigen. Het viel me op dat Höfler zich afzijdig hield, hij stond met een nors gezicht te roken; Bauer, Blobels privéchauffeur, controleerde de knopen. Ook Zorn klom naar boven, en de Waffen-ss’ers hesen de twee veroordeelden omhoog. Ze werden onder de galg gezet en Zorn hield een toespraak; hij legde in het Oekraïens uit waarvoor de mannen veroordeeld waren. De toeschouwers schreeuwden en floten, het kostte hem moeite om zich verstaanbaar te maken; verscheidene keren trachtte hij de menigte met gebaren tot stilte te manen, maar niemand stoorde zich eraan. Soldaten maakten kiekjes, ze wezen lachend naar de twee mannen. Toen legden Zorn en een van de Waffen-ss’ers hun de strop om de nek. De beide veroordeelden bleven stil, in zichzelf gekeerd. Zorn en de anderen klommen van de laadbak en Bauer zette de wagen in beweging. ‘Niet zo snel, niet zo snel,’ riepen de Landser die aan het fotograferen waren. De vrachtwagen reed vooruit, de twee mannen probeerden hun evenwicht te bewaren, kort na elkaar vielen ze om en wankelden nog een tijdje voor- en achterwaarts. De broek van Kieper was tot aan zijn enkels afgezakt; onder zijn hemd was hij naakt, met afschuw zag ik zijn gezwollen lid, hij ejaculeerde nog. ‘Nix Kultura!’ brulde een Landser, anderen herhaalden zijn kreet. Op de balken van het schavot timmerde Zorn borden waarop de veroordeling werd toegelicht; men kon daarop lezen dat de 1.350 slachtoffers van Kieper allemaal Volksdeutschen en Oekraïners waren.
Hierna gaven de soldaten van het kordon de joden bevel om op te staan en zich in beweging te zetten. Blobel stapte met Häfner en Zorn zijn auto in; Radetzky nodigde mij uit in de zijne en nam ook Thomas mee. De meute liep achter de joden aan, het was een geweldige kakofonie. Iedereen liep de stad uit en begaf zich naar het zogeheten Pferdefriedhof, het paardenkerkhof: daar was al een sleuf gegraven, met een stapel balken erachter om verdwaalde kogels tegen te houden. Obersturmführer Grafhorst, de bevelhebber van onze Waffen-ss-compagnie, stond met een twintigtal van zijn mannen klaar. Blobel en Häfner inspecteerden de sleuf, daarna werd er gewacht. Ik was in gepeins verzonken. Ik dacht na over mijn leven, het verband dat er weleens zou kunnen bestaan tussen het leven dat ik had geleid – een heel gewoon leven, maar in bepaalde opzichten toch een uitzonderlijk, ongebruikelijk leven, hoewel ook het ongebruikelijke heel gewoon kan zijn – en wat zich hier afspeelde. Enig verband moest er zeker zijn, en inderdaad, dat was er. Ja, ik nam niet actief deel aan de executies, ik gaf geen bevelen aan de pelotons; maar dat veranderde de zaak niet wezenlijk, want ik was er wel regelmatig getuige van, ik hielp bij de voorbereidingen en vervolgens schreef ik een rapport; bovendien was het min of meer toeval dat ik niet bij de Teilkommando’s maar bij de Stab was ingedeeld. En als mij een Teilkommando was toegewezen, was ik dan, net als Nagel of Häfner, in staat geweest razzia’s te organiseren, sleuven te laten graven, de veroordeelden op te stellen en te roepen: ‘Vuur!’? Ja, waarschijnlijk wel. Sinds mijn kinderjaren werd ik achtervolgd door een heftige drang naar het absolute en naar het overschrijden van grenzen; en nu had die drang me naar de rand van de massagraven in de Oekraïne gevoerd. In mijn denken had ik altijd het radicale gezocht; en nu had ook de staat, de natie, voor het radicale en absolute gekozen; hoe zou ik me dus juist nu kunnen afwenden, nee kunnen zeggen om uiteindelijk toch te kiezen voor het comfort van de burgerlijke wetten, voor de middelmatige zekerheid van het maatschappelijk verdrag? Dat was uiteraard onmogelijk. En zelfs al was die radicaliteit de radicaliteit van de afgrond, zelfs al bleek het absolute het absolute kwaad, toch moest ik – daarvan was ik diep overtuigd – tot het einde toe doorgaan, met wijdopen ogen. De meute kwam aangedromd en al gauw stond het hele kerkhof vol mensen; ik zag soldaten in zwembroek, er waren ook vrouwen en kinderen. Er werd bier gedronken en er gingen sigaretten rond. Mijn blik viel op een groep stafofficieren: daar stond Oberst von Schuler, de iia, met verscheidene andere officieren. Grafhorst, de Kompanieführer, stelde zijn mannen in positie. Er was nu per jood één schutter, die een schot afvuurde in de borst ter hoogte van het hart. Dikwijls was dit niet afdoende en moest er iemand de kuil in om het karwei af te maken; het geschreeuw vermengde zich met het geklets en geroep van de omstanders. Häfner, die min of meer de officiële leiding had over deze actie, stond te bulderen. Tussen de geweersalvo’s door kwamen er uit de meute soldaten naar voren, die aan de Waffen-ss’ers vroegen of ze hun plaats mochten innemen. Grafhorst had nergens bezwaar tegen en zijn mannen gaven hun karabijn aan deze Landser, die een of twee schoten losten en zich dan weer bij hun kameraden voegden. De Waffen-ss’ers van Grafhorst waren nog vrij jong en gedroegen zich al vanaf het begin van de executies vrij nerveus. Häfner voer uit tegen een van hen, die bij elk salvo zijn karabijn aan een vrijwillige soldaat gaf en krijtwit aan de kant ging staan. Bovendien waren er te veel schoten die doel misten, en dat was echt een probleem. Häfner liet de executies stopzetten en hield kort beraad met Blobel en twee officieren van de Wehrmacht. Ik kende hen niet, maar naar de kleur van hun kraagspiegels te oordelen ging het om een militaire rechter en een arts. Vervolgens overlegde Häfner met Grafhorst. Ik zag dat Grafhorst bezwaar maakte, al hoorde ik niet wat ze precies zeiden. Uiteindelijk liet Grafhorst een nieuwe groep joden halen. Deze werden met hun gezicht naar de kuil gezet, alleen richtten de schutters van de Waffen-ss nu niet op de borst maar op het hoofd. Het resultaat was gruwelijk: het schedeldak vloog de lucht in, de schutters kregen hersenflarden in hun gezicht. Een van de vrijwillige schutters van de Wehrmacht moest overgeven en zijn kameraden joelden hem uit. Grafhorst zag knalrood en begon Häfner uit te foeteren, daarna wendde hij zich tot Blobel en gingen ze opnieuw in conclaaf. Vervolgens werd er weer een andere methode gehanteerd: Blobel haalde er extra schutters bij en nu schoten er twee op de nek, net als in juli; zo nodig gaf Häfner persoonlijk het genadeschot.
Op de avond na deze executies vergezelde ik Thomas naar het casino. Officieren van het aok waren druk bezig de gebeurtenissen van die dag door te nemen; ze groetten ons hoffelijk maar leken opgelaten, niet op hun gemak. Thomas knoopte een gesprek aan, ik ging in m’n eentje ergens achteraf zitten roken. Na het eten werden de discussies voortgezet. Ik zag de militaire rechter die met Blobel had staan praten; hij leek buitengewoon geagiteerd. Ik liep zijn kant op en sloot me bij het groepje aan. De officieren, zo begreep ik, hadden geen bezwaar tegen de actie op zich, maar wel tegen de aanwezigheid van te veel soldaten van de Wehrmacht en hun deelname aan de executies. ‘Als het ze wordt bevolen, dan is dat nog tot daaraan toe,’ aldus de rechter, ‘maar op deze manier is het ontoelaatbaar. Het is een schande voor de Wehrmacht.’ – ‘Wat?’ reageerde Thomas fel. ‘Dus de ss mag wel schieten, maar de Wehrmacht mag niet eens toekijken?’ – ‘Dat is het punt niet, daar gaat het helemaal niet om. Het is een kwestie van miltaire orde. Dit soort taken is voor iedereen onaangenaam. Maar er mag alleen aan worden deelgenomen door wie daartoe bevel hebben gekregen. Zo niet, dan is het gedaan met de krijgstucht.’ – ‘Ik ben het met Dr. Neumann eens,’ aldus Niemeyer, de Abwehroffizier. ‘Het gaat hier niet om een sportevenement. De mannen gedroegen zich alsof ze op de renbaan waren.’ – ‘Desalniettemin, Herr Oberstleutnant,’ hield ik hem voor, ‘heeft het aok ermee ingestemd dat de zaak publiekelijk werd aangekondigd. U hebt ons zelfs een wagen van uw pk geleend.’ – ‘Het is ook volstrekt niet mijn bedoeling om kritiek te leveren op de ss, die een zeer moeilijke taak heeft,’ antwoordde Niemeyer enigszins defensief. ‘Tijdens de voorbereidingen hebben we het inderdaad besproken, en we waren het erover eens dat het een goed voorbeeld zou zijn voor de burgerbevolking, dat het nuttig was wanneer die met eigen ogen zag hoe wij de macht van de joden en bolsjewieken breken. Toch is het nu wel wat te ver gegaan. Uw manschappen hadden hun wapens niet aan de onze mogen geven.’ – ‘En uw manschappen,’ repliceerde Thomas scherp, ‘hadden er niet om mogen vragen.’ – ‘De kwestie dient in ieder geval aan de Generalfeldmarschall te worden voorgelegd,’ was de nijdige reactie van Neumann, de rechter.
[1] Noot uitgever: Omdat de auteur vaak zonder nadere uitleg termen uit het Duitse militaire en bestuurlijke vocabulaire gebruikt die buiten specialistenkringen weinig bekend zijn, leek het ons wenselijk om aan het einde van dit boek een woordenlijst en een overzicht van de militaire rangen op te nemen, waarnaar we de lezer verwijzen.