Inderdaad zag ik Morgen weer terug. Hij stond op het punt om Koch en zijn vrouw in staat van beschuldiging te stellen, evenals verscheidene andere officieren en onderofficieren uit Buchenwald en Lublin; onder het zegel van geheimhouding vertrouwde hij me toe dat ook Florstedt voor het gerecht zou worden gedaagd. Hij vertelde me zeer gedetailleerd welke listen deze corrupte mannen hadden gebruikt om hun malversaties te verhullen en hoe hij hun praktijken aan het licht had gebracht. Hij had de administratie van de verschillende Abteilungen van het kamp met elkaar vergeleken: wanneer de bedriegers een boeking of notitie vervalsten, namen ze niet de moeite om hun vervalsingen af te stemmen op de documenten en rapporten van de andere afdelingen. Zo had hij in Buchenwald de eerste serieuze bewijzen over de door Koch gepleegde moorden gevonden, doordat hij had geconstateerd dat dezelfde gevangene op hetzelfde tijdstip op twee verschillende plaatsen geregistreerd stond: onder een bepaalde datum stond in het gevangenisregister van de Politische Abteilung naast de naam van een gedetineerde de notitie ‘om 12.00 uur vrijgelaten’, terwijl de registratie van het Revier vermeldde: ‘patiënt overleden om 9.15 uur’. De gedetineerde was in feite in de Gestapo-gevangenis vermoord, maar men had de indruk willen wekken dat hij was gestorven aan een ziekte. Morgen legde me uit hoe je verschillende boeken van de administratie of van het Revier kon vergelijken met die van de blokken zelf, om aan de hand daarvan te bewijzen dat er levensmiddelen, medicamenten of goederen waren verduisterd. Hij vond het erg interessant dat ik van plan was naar Auschwitz te gaan: verschillende sporen die hij aan het natrekken was, voerden ook naar dat kamp. ‘Het is zonder meer het rijkste Lager, want de speciale transporten van het rsha gaan op dit moment voor het merendeel daarheen. Net als hier vanwege de Einsatz hebben ze daar enorme loodsen waar de ingenomen goederen worden gesorteerd en opgeslagen. Ik veronderstel dat daar op grote schaal wordt verduisterd en gestolen. We zijn gealarmeerd door een pakket dat vanuit het kl met de veldpost was meegegeven; vanwege het ongebruikelijke gewicht is het opengemaakt: het waren drie klompen gebitsgoud, die een verpleger uit het kamp naar zijn vrouw wilde sturen. Ik heb berekend dat zo’n hoeveelheid goud meer dan honderdduizend doden vertegenwoordigt.’ Ik slaakte een kreet van verbazing. ‘En stel u voor!’ vervolgde hij. ‘Dat kon daar door één man worden verduisterd. Wanneer we hier klaar zijn, ga ik in Auschwitz een commissie installeren.’
Zelf had ik mijn werkzaamheden in Lublin zo goed als afgerond. Ik maakte een kleine afscheidstournee. Ik ging bij Horn langs om hem te betalen voor de aktentas. Hij leek nog steeds even gedeprimeerd en gejaagd, worstelend met zijn beheersproblemen, zijn financiële verliezen en de tegenstrijdige richtlijnen die hij kreeg. Bij Globocnik verliep de ontvangst veel kalmer dan de eerste keer: we hadden een kort maar serieus gesprek over de werkkampen, die Globocnik verder wilde uitbreiden. Het kwam er nu op aan, zo legde hij me uit, dat de laatste getto’s werden geliquideerd, zodat er in het Generalgouvernement geen enkele jood meer overbleef, behalve in de kampen die onder ss-beheer stonden; dat was de onwrikbare wil van de Reichsführer. In het hele gg waren nog honderddertigduizend joden over, voornamelijk in Lublin, Radom en in Galicië; Warschau en Krakau waren op de onderduikers na volkomen judenrein. Dat was nog steeds een heel aantal, maar de problemen zouden vastberaden worden opgelost.
Ik had overwogen naar Galicië te gaan, om een werkkamp als dat van de onfortuinlijke Lexi te inspecteren; mijn tijd was echter beperkt, ik moest een keuze maken en ik wist dat de problemen vrijwel identiek waren, met enkele kleine verschillen wat de plaatselijke situatie en de betrokken individuen betrof. Ik wilde me nu concentreren op de kampen in Opper-Silezië, het ‘Roergebied van het Oosten’: kl Auschwitz met al zijn nevenkampen. De snelste route vanuit Lublin was via Kielce en dan door het industriegebied van Kattowitz, een vlak, troosteloos landschap met her en der wat dennen- of berkenbomen, ontsierd door de schoorstenen van fabrieken en hoogovens die oprezen naar de hemel en snijdende, donkere rook uitspuwden. Al dertig kilometer voor Auschwitz werden onze papieren zorgvuldig bestudeerd door controleposten van de ss. Toen kwamen we bij de Weichsel met zijn brede, troebele waterstroom. In de verte lag de witte keten van de Beskiden, bleek en zinderend in de zomernevel, minder spectaculair dan de Kaukasus, maar van een omfloerste schoonheid. Ook daar rokende schoorstenen, op de vlakte aan de voet van de bergen: het was windstil, de rook steeg kaarsrecht op alvorens onder zijn eigen gewicht te bezwijken, waardoor de hemel vrijwel onaangetast bleef. De weg voerde naar het station en naar het Haus der Waffen-ss, waar we zouden worden ingekwartierd. De hal was vrijwel leeg, er was een eenvoudige, keurige kamer voor me gereserveerd; ik borg mijn spullen op, waste me, trok een ander uniform aan en ging naar buiten om me bij de Kommandantur te melden. De weg naar het kamp liep langs de Sola, die half verscholen achter weelderige bomen, met groener water dan de brede Weichsel waar deze zijrivier weldra in zou uitmonden, vreedzaam voortkronkelde langs een steile, grasrijke oever; fraaie eenden met een groene kop lieten zich meedrijven op de stroom, spanden dan hun hele lijf en stegen met gestrekte hals en ingetrokken poten op, ze stuwden hun gewicht met uitgeslagen vleugels de hoogte in waarna ze een eindje verderop, vlak bij de oever, loom weer neerdaalden. Een controlepost versperde de toegang tot de Kasernenstrasse; voorbij deze controle begon achter een houten wachttoren de lange, grijze betonmuur van het kamp, aan de bovenkant voorzien van prikkeldraad, waarachter zich de rode daken van de barakken aftekenden. De Kommandantur was gevestigd in het eerste van de drie gebouwen tussen de straat en de muur, een gedrongen bouwwerk met een gepleisterde voorgevel en een hoog, door smeedijzeren lampen geflankeerd bordes. Ik werd meteen binnengelaten bij de Kommandant van het kamp, Obersturmbannführer Höss. Deze officier heeft na de oorlog een zekere bekendheid gekregen vanwege het kolossale aantal mensen dat onder zijn verantwoordelijkheid ter dood is gebracht, en ook vanwege de openhartige, heldere memoires die hij tijdens zijn proces in de gevangenis schreef. Toch was hij helemaal het prototype van de ikl-officier, een harde werker, koppig en beperkt, zonder fantasie of verbeeldingskracht, al schemerde er in zijn manier van bewegen en praten nog iets door van de viriele, zij het door de jaren ietwat aangetaste flair van mannen die de schermutselingen van de Freikorps en de charges van de cavalerie nog hebben meegemaakt. Hij ontving me met de Duitse groet en drukte me vervolgens de hand; hij glimlachte niet maar leek ook niet misnoegd over mijn bezoek. Hij droeg een leren rijbroek, maar bij hem zag dat er niet uit als de aanstellerij van een officier: op het kampterrein had hij een stal met paarden en hij reed dikwijls; in Oranienburg werd gezegd dat hij vaker te paard zat dan achter zijn bureau. Onder het praten bleef hij me met zijn verbazingwekkend bleke, wazige ogen aanstaren, wat ik onplezierig vond, want zo leek hij voortdurend op het punt om iets te begrijpen wat hem steeds net ontglipte. Het wvha had mijn bezoek per telex aangekondigd: ‘Het kamp staat tot uw beschikking.’ Eigenlijk waren het de kampen, want Höss had de leiding over een heel netwerk van kl’s: het Stammlager of hoofdkamp, dat begon achter de Kommandantur, maar ook Auschwitz ii, een tot concentratiekamp omgevormd krijgsgevangenenkamp, dat een paar kilometer voorbij het station in de vlakte lag, dicht bij het voormalige Poolse dorp Birkenau; een groot werkkamp aan de andere kant van de Sola en van de stad, bedoeld om arbeiders te leveren aan de fabriek voor synthetische rubber van ig Farben in het nabijgelegen Dwory; en dan nog een tiental verspreid liggende Nebenlager, gecreëerd met het oog op landbouwprojecten, mijnbouw of metaalbewerking. Höss legde me alles uit en wees het intussen aan op een grote kaart aan de muur van zijn kantoor; met zijn vinger ging hij langs de rand van het totale gebied, dat meer omvatte dan het stuk tussen de Weichsel en de Sola en naar het zuiden toe nog tien kilometer doorliep, met als enige uitzondering het terrein rond het station voor het gewone reizigersvervoer, dat onder de gemeente viel. ‘Daarover hebben we vorig jaar onenigheid gehad,’ vertelde hij. ‘Het gemeentebestuur wilde daar een nieuwe wijk voor spoorwegmensen bouwen, terwijl wij een deel van dat terrein wilden om er een dorp neer te zetten voor onze getrouwde ss’ers met hun gezinnen. Uiteindelijk is er niets gebeurd. Maar het kamp wordt nog steeds uitgebreid.’
Wanneer hij zich niet per paard maar per auto verplaatste, zat Höss graag zelf achter het stuur, en de volgende ochtend kwam hij me bij de ingang van het Haus ophalen. Piontek begreep dat ik hem die dag niet nodig had en vroeg om verlof, dan kon hij met de trein naar zijn familie in Tarnowitz; ik gaf hem ook voor de nacht vrijaf. Höss stelde voor bij Auschwitz ii te beginnen: er zou die dag een rsha-transport uit Frankrijk arriveren, hij wilde me laten zien hoe het ging bij de selectie. Deze vond plaats op het perron bij het goederenstation halverwege de twee kampen, onder toezicht van een kamparts, Dr. Thilo. Bij onze aankomst stond hij al aan het uiteinde van het perron te wachten, omgeven door bewakers van de Waffen-ss, honden en ploegen gevangenen in gestreepte pakken, die onmiddellijk hun muts van hun geschoren hoofd namen toen ze ons zagen. Het weer was nog mooier dan de vorige dag, in het zuiden lagen de bergen te fonkelen in de zon: uit die richting kwam de trein, nadat hij door het Protektorat en door Slowakije was gereden. Terwijl we stonden te wachten legde Höss me de gang van zaken uit. De trein reed binnen en de deuren van de goederenwagens werden geopend. Ik verwachtte dat er onmiddellijk een grote chaos zou uitbreken, maar ondanks het geschreeuw en het hondengeblaf verliep alles vrij ordelijk. Zichtbaar gedesoriënteerd en uitgeput kwamen de nieuwkomers de wagons uit, omgeven door een afgrijselijke strontlucht; de Häftlinge van het Arbeitskommando schreeuwden naar hen in een mengeling van Pools, Jiddisch en Duits, zorgden dat ze hun bagage achterlieten en zich in rijen opstelden, mannen aan de ene kant, vrouwen en kinderen aan de andere; en terwijl die rijen zich stapvoets in de richting van Thilo bewogen, die de arbeidsgeschikten scheidde van de arbeidsongeschikten en de moeders dezelfde kant op stuurde als hun kinderen, naar de vrachtwagens die een eind verder stonden te wachten – ‘Ik weet wel dat die vrouwen zouden kunnen werken,’ had Höss me uitgelegd, ‘maar als we zouden proberen hen van hun kinderen te scheiden, zou dat tot allerlei wanordelijke taferelen leiden.’ – liep ik langzaam langs de rijen. De meeste mensen praatten zachtjes met elkaar in het Frans, maar ik hoorde ook allerlei andere talen, waarschijnlijk waren dat genaturaliseerde of niet-Franse joden: ik luisterde naar de gesprekken, vragen en commentaren, voor zover ik ze kon verstaan; deze mensen hadden geen idee waar ze zich bevonden, noch wat hun te wachten stond. Conform de voorschriften stelden de Häftlinge van het Kommando hen gerust: ‘Maak u geen zorgen, straks ziet u elkaar weer, u krijgt uw bagage terug, na de douche is er thee en soep.’ De rijen gingen stapje voor stapje vooruit. Een vrouw die me zag wees op haar kind en vroeg in onbeholpen Duits: ‘Herr Offizier! Blijven wij bij elkaar?’ – ‘Maakt u zich geen zorgen, mevrouw,’ antwoordde ik beleefd in het Frans. ‘U zult niet worden gescheiden.’ Onmiddellijk kwamen er van alle kanten vragen: ‘Gaan we werken? Kunnen de gezinnen bij elkaar blijven? Wat doet u met de oude mensen?’ Voordat ik kon antwoorden stormde er een onderofficier naar voren om met een knuppel op hen in te slaan. ‘Zo is het genoeg, Rottenführer!’ riep ik. Hij reageerde bedremmeld: ‘Maar we moeten zorgen dat ze rustig blijven, Sturmbannführer.’ Sommige mensen bloedden, kinderen huilden. De smerige stank die uit de wagons en zelfs uit de kleren van de joden kwam, sloeg op mijn keel, het oude gevoel van misselijkheid kwam op en ik ademde diep door mijn mond om het te bedwingen. Groepen gedetineerden gingen de wagons in en smeten de achtergelaten bagage op het perron; hetzelfde gebeurde met de lijken van hen die onderweg waren bezweken. Een paar kinderen speelden verstoppertje; de Waffen-ss’ers lieten hen begaan, maar schreeuwden als ze te dicht bij de trein kwamen, omdat ze anders misschien onder de wagons zouden kruipen. Achter Thilo en Höss reden de eerste vrachtwagens al weg. Ik liep naar hen toe en keek hoe Thilo te werk ging: bij sommigen had hij aan één blik genoeg, aan anderen stelde hij een paar vragen, die door een Dolmetscher werden vertaald; soms onderzocht hij het gebit, betastte de armen, liet ze hun hemd losknopen. ‘Zoals u nog zult zien, hebben we in Birkenau niet meer dan twee schamele ontluizingsstations,’ vertelde Höss. ‘Op drukke dagen beperkt dat de opnamecapaciteit aanzienlijk. Maar voor één transport gaat het nog wel.’ – ‘Wat gebeurt er bij meerdere transporten?’ – ‘Dat hangt ervan af. Sommige kunnen naar het ontvangstgebouw van het Stammlager worden gestuurd. En anders moeten we de quota verlagen. We zijn van plan een nieuwe centrale sauna te bouwen om dit probleem te verhelpen. De plannen liggen klaar, het wachten is alleen nog op de goedkeuring van Amtsgruppe c voor de begroting. Maar er zijn voortdurend financiële problemen. Ze willen dat ik het kamp uitbreid, dat ik meer gevangenen opneem, dat ik er meer selecteer, maar zodra de kosten aan de orde komen gaan ze moeilijk doen. Ik moet vaak improviseren.’ Ik fronste mijn wenkbrauwen. ‘Wat bedoelt u met improviseren?’ Hij keek me met zijn wazige ogen aan: ‘Van alles. Ik maak afspraken met bedrijven die wij van werkkrachten voorzien: soms betalen ze me in natura, met bouwmateriaal of iets anders. Zo heb ik zelfs vrachtwagens gekregen. Die had een bedrijf me gestuurd voor het vervoer van de arbeiders, maar ze zijn nooit teruggevraagd. Je moet er het beste van zien te maken.’ De selectie was bijna afgelopen: het had alles bij elkaar nog geen uur geduurd. Toen de laatste vrachtwagens waren ingeladen, sloeg Thilo snel aan het rekenen. Hij liet ons het resultaat zien: van de duizend aangekomenen had hij 369 mannen en 191 vrouwen gehouden, ‘55 procent,’ zei hij. ‘Bij de transporten uit het Westen halen we goede gemiddelden. De Poolse transporten daarentegen zijn een ramp. Daarbij komen we nooit boven de 25 procent uit, en soms zit er op 2 of 3 procent na niets bruikbaars bij.’ – ‘Hoe verklaart u dat?’ – ‘Ze arriveren hier in een abominabele toestand. De joden uit het gg leven al jaren in getto’s, ze zijn ondervoed en hebben allerlei ziekten. Zelfs van de geselecteerden sterven er nog veel in quarantaine, terwijl we toch proberen scherp op te letten.’ Ik wendde me naar Höss: ‘Krijgt u hier veel transporten uit het Westen?’ – ‘Uit Frankrijk was dit het zevenenvijftigste. We hebben er twintig uit België gehad. Ik weet niet meer hoeveel uit Holland. Maar de laatste maanden krijgen we vooral transporten uit Griekenland. Die zijn niet best. Kom mee, dan zal ik u laten zien hoe de procedure verder verloopt.’ Ik groette Thilo en stapte weer in de auto. Höss reed hard. Onderweg vervolgde hij zijn litanie. ‘Sinds de Reichsführer heeft besloten dat Auschwitz voor de jodenvernietiging, moet worden ingezet, hebben we niets dan problemen gehad. Het hele vorige jaar moesten we met provisorische installaties werken, vlug in elkaar geknutseld spul. Pas in januari van dit jaar kon ik beginnen met de bouw van permanente installaties, die voldoende opnamecapaciteit hebben. Maar nog steeds is niet alles klaar. Met name het vervoer van de bouwmaterialen heeft vertraging opgelopen. En verder zijn er door de haast fouten gemaakt bij het bouwen zelf: twee weken na de ingebruikname heeft de oven van crematorium iii het door oververhitting begeven. Ik kon niet anders dan dat crematorium sluiten voor de reparatiewerkzaamheden. Maar je mag je niet al te druk maken, je moet geduldig blijven. We zijn dermate overbelast geweest dat we een groot aantal transporten hebben moeten doorsturen naar de kampen van Gruppenführer Globocnik, waar natuurlijk helemaal geen selectie plaatsvindt. Nu is het wat rustiger, maar over tien dagen begint het weer: het gg wil zijn laatste getto’s leeghalen.’ Vóór ons, aan het eind van de weg, lag een langwerpig, uit rode bakstenen opgetrokken gebouw, met in het midden een gewelfde doorgang en daarboven een wachttoren met een puntdak; aan weerskanten begon het aan betonnen palen bevestigde prikkeldraad, waarlangs op regelmatige afstanden houten wachttorens stonden, met daarachter zover het oog reikte eindeloze rijen identieke houten barakken. Het kamp was onvoorstelbaar groot. Groepen gedetineerden in gestreepte pakken liepen over de paden, minuscule figuurtjes, als insecten in een kolonie. Nadat we onder de toren door waren, sloeg Höss voor het hekwerk rechtsaf. ‘Hier gaan de vrachtwagens rechtdoor. De Krema’s en ontluizingsstations zijn achterin. Wij gaan nu eerst naar de Kommandantur.’ De wagen reed langs de uitkijkposten en de witgekalkte palen; lange rijen barakken trokken aan mijn oog voorbij, en door de perfect symmetrische ordening ervan vormden er zich soms langgerekte bruine vergezichten of vluchtige diagonalen, die zich openden en dan weer met de volgende versmolten. ‘Staan de draden onder stroom?’ – ‘Sinds kort. Dat was nog een probleem, maar we hebben het opgelost.’ Een eind verderop was Höss een nieuwe sector aan het ontwikkelen. ‘Dat wordt de Häftlingskrankenbau, een groot ziekenhuis voor alle kampen in dit complex.’ Hij had de auto voor de Kommandantur geparkeerd en gebaarde naar een groot leeg veld, afgezet met prikkeldraad. ‘Vindt u het erg om vijf minuten te wachten? Ik moet even iets met de Lagerführer bespreken.’ Ik stapte uit en rookte een sigaret. Het gebouw waar Höss naar binnen was gegaan, was eveneens van rode baksteen, had een schuin dak en in het midden een toren van drie verdiepingen; hier begon een weg die langs de nieuwe sector voerde en daarna verdween in de richting van een berkenbos achter de barakken. Het was vrij stil, je hoorde alleen van tijd tot tijd een kort bevel of een schorre kreet. Een Waffen-ss’er kwam op de fiets uit de centrale sector en reed mijn kant op; bij het langsfietsen groette hij zonder vaart te minderen en peddelde rustig verder langs het prikkeldraad naar de ingang van het kamp. De uitkijkposten waren onbemand; overdag vormden de bewakers een zogeheten ‘grote keten’ die de beide kampen omsloot. Ik wierp een verstrooide blik op de stoffige auto van Höss: had hij niets beters te doen dan een bezoeker rondleiden? Dat kan evengoed aan een ondergeschikte worden overgelaten, zoals in kl Lublin was gebeurd. Maar Höss wist dat mijn rapport naar de Reichsführer zou gaan, misschien vond hij het belangrijk om mij er ten volle van te doordringen wat hij hier allemaal tot stand had gebracht. Toen hij terugkwam, wierp ik mijn peuk weg en stapte weer naast hem in de auto; hij reed in de richting van de berken, wees me hier en daar de ‘velden’ of subkampen van de centrale sector: ‘We zijn alles aan het reorganiseren om de arbeidskracht maximaal te kunnen benutten. Zijn we daarmee klaar, dan zal dit kamp uitsluitend nog dienen om de bedrijven in de regio en zelfs die in het Altreich van arbeiders te voorzien. De enige permanente bewoners zullen dan de gedetineerden zijn die voor het onderhoud en beheer van het kamp zorgen. Alle politieke gevangenen, met name de Polen, zullen in het Stammlager blijven. Sinds februari heb ik ook een familiekamp voor de zigeuners.’ – ‘Een familiekamp?’ – ‘Ja. Op bevel van de Reichsführer. Toen hij besloot tot deportatie van de zigeuners uit het Reich wilde hij dat ze niet werden geselecteerd en dat ze bij elkaar konden blijven, in familieverband, zonder te hoeven werken. Maar er sterven er veel door ziekte. Ze hebben geen weerstand.’ We waren nu bij een versperring. Een lange haag van bomen en struiken belemmerde grotendeels het zicht op de omheining van prikkeldraad voor twee langwerpige, bakstenen gebouwen die er identiek uitzagen, zonder ramen, elk met twee hoge schoorstenen. Höss parkeerde tussen een paar dennenbomen bij het rechtergebouw. Op een keurig grasveld voor de ingang stonden joodse vrouwen en kinderen zich uit te kleden onder toezicht van bewakers en gedetineerden in gestreepte pakken. Overal lagen stapeltjes kleren, keurig gescheiden, en op elk daarvan een genummerd plankje. Een van de mannen in de gestreepte pakken riep: ‘Schiet op, snel, snel, naar de douche!’ De laatste joden gingen het gebouw binnen; twee kwajongens vermaakten zich door de plankjes op de stapels te verwisselen; ze gingen ervandoor toen een Waffen-ss’er zijn knuppel hief. ‘Het is niet anders dan in Treblinka en Sobibor,’ aldus Höss. ‘Tot de laatste minuut laten we ze in de waan dat ze worden ontluisd. Meestal verloopt het allemaal heel rustig.’ Hij begon me de gang van zaken uit te leggen: ‘Daarginds hebben we nog twee crematoria, maar die zijn veel groter; de gaskamers liggen er onder de grond en kunnen tot tweeduizend personen per keer verwerken. Hier zijn de gaskamers kleiner en per Krema zijn er twee: voor kleine transporten is dat veel praktischer.’ – ‘Wat is de maximale capaciteit?’ – ‘Vergassen kan vrijwel onbeperkt; de grootste beperkende factor is de capaciteit van de ovens. Die zijn speciaal voor ons ontworpen door de firma Topf. De normcapaciteit is 768 lichamen per oven in een tijdsbestek van vierentwintig uur. Maar als het moet kan dat tot duizend of zelfs vijftienhonderd worden opgevoerd.’ Een ambulance met een rood kruis erop kwam aanrijden en parkeerde naast de wagen van Höss; een ss-arts, zijn witte jas over zijn uniform, liep naar ons toe en groette. ‘Mag ik u Hauptsturmführer Dr. Mengele voorstellen,’ zei Höss. ‘Hij is ons twee maanden geleden komen versterken, als chef-arts van het zigeunerkamp.’ Ik schudde hem de hand. ‘Hebt u vandaag de leiding?’ vroeg Höss hem. Mengele knikte. Höss wendde zich tot mij: ‘Wilt u kijken?’ – ‘Dat is niet nodig,’ zei ik, ‘ik weet hoe het gaat.’ – ‘Toch is onze werkwijze veel efficiënter dan die van Wirth.’ – ‘Ja, dat weet ik. Dat is me in kl Lublin uitgelegd. Ze hebben daar uw werkwijze overgenomen.’ Höss trok een zuur gezicht en voor de beleefdheid vroeg ik: ‘Hoe lang duurt het alles bij elkaar?’ Mengele antwoordde met zijn melodieuze, aangename stem: ‘Na een half uur doet het Sonderkommando de deuren open. Het duurt even voordat het gas zich goed heeft verspreid. In principe treedt de dood binnen tien minuten in. Bij vochtig weer is het vijftien.’
We waren alweer bij Kanada, waar de in beslag genomen goederen werden gesorteerd en opgeslagen alvorens te worden verzonden, toen de schoorstenen van het crematorium waar we net vandaan kwamen, begonnen te roken en de weeë, vieze geur verspreidden die ik kende uit Belzec. Höss zag dat ik er last van had en zei: ‘Ik ben al vanaf mijn vroegste jeugd aan die stank gewend. Zo ruiken kaarsen van slechte kwaliteit. Mijn vader was een zeer vrome man en nam me vaak mee naar de kerk. Hij wilde dat ik priester werd. Omdat de kerk te weinig geld had voor echte was, werden de kaarsen gemaakt van dierlijk vet, en dat gaf dezelfde lucht. Het komt door een bepaald chemisch bestanddeel, maar de naam ben ik vergeten; Wirths, onze chef-arts, heeft het me allemaal uitgelegd.’ Hij stond erop me de twee andere crematoria te laten zien, kolossale constructies die op dat moment niet in bedrijf waren; plus het Frauenlager; plus de zuiveringsinstallatie voor gebruikt water, gebouwd nadat het district herhaaldelijk had geklaagd dat het kamp de Weichsel en het grondwater in de omgeving vervuilde. Daarna nam hij me mee naar het Stammlager, en ook daar dwong hij me tot een uitgebreid bezoek; ten slotte reed hij me naar de andere kant van de stad voor een vluchtige kennismaking met Auschwitz iii, het kamp voor de gedetineerden die bij ig Farben werkten: hij stelde me voor aan Max Faust, een van de fabrieksingenieurs, met wie ik afsprak dat ik nog een keer terug zou komen. Ik zal over al die gebouwen niet nader uitweiden: ze zijn overbekend en worden in tal van boeken gedetailleerd beschreven, ik heb daar niets aan toe te voegen. Terug in het kamp nodigde Höss me uit voor een korte rit te paard, maar ik was verschrikkelijk moe, verlangde vooral naar een bad en kreeg hem zover dat ik me mocht terugtrekken.
Höss had me als werkruimte een ongebruikte kamer in de Kommandantur van het Stammlager toegewezen. Het was een kamer met uitzicht op de Sola en op een aardig, vierkant huis met bomen eromheen, aan de andere kant van de Kasernenstrasse, waarin de Kommandant met zijn gezin woonde. Het Haus waarin ikzelf logeerde, bleek veel rustiger dan dat in Lublin: het bood onderdak aan specialisten, die hier om verschillende redenen tijdelijk verbleven en serieus met hun werk bezig waren; ’s avonds kwamen officieren uit het kamp er wat drinken en biljarten, maar ze gedroegen zich altijd correct. Het eten was uitstekend, royale porties vergezeld van Bulgaarse wijn, met Kroatische slivovitsj als digestief en soms zelfs vanilleijs. Behalve met Höss voerde ik vooral gesprekken met de chef-arts van het garnizoen, Sturmbannführer Dr. Eduard Wirths. Hij had zijn kantoor in het ss-ziekenhuis van het Stammlager aan het eind van de Kasernenstrasse, tegenover de lokaliteiten van de Politische Abteilung en een crematorium dat kennelijk van de ene op de andere dag buiten bedrijf was gesteld. Wirths, waakzaam, intelligent, een fijn gezicht met bleke ogen en een kalende schedel, leek verschrikkelijk moe van de taken die hij moest vervullen, maar volop gemotiveerd om alle problemen te overwinnen. Zijn obsessie was de strijd tegen tyfus: in het kamp woedde nu al de tweede epidemie van het jaar, die het zigeunerkamp had gedecimeerd en die ook, soms met dodelijke afloop, ss-bewakers en hun gezinnen had getroffen. Met hem praatte ik urenlang. Zijn superieur in Oranienburg was Dr. Lolling, en hij klaagde over het gebrek aan steun; toen ik liet doorschemeren dat ik zijn mening deelde, begon hij openhartig te vertellen dat hij niet in staat was constructief samen te werken met deze man, die niet voor zijn taak berekend was en door de verdovende middelen voortdurend in een staat van versuffing verkeerde. Zelf werkte hij nog niet zo lang voor de ikl. Vanaf 1939 had hij bij de Waffen-ss aan het front gediend en hij droeg het IJzeren Kruis tweede klasse; maar vanwege een ernstige ziekte was hij afgekeurd en bij de dienst voor de kampen aangesteld. Hij had Auschwitz in een rampzalige toestand aangetroffen: sinds bijna een jaar werd hij bezield door de wens om er de zaken te verbeteren.
Wirths toonde me de rapporten die hij maandelijks aan Lolling stuurde: de situatie in de verschillende delen van het kamp, de incompetentie van bepaalde artsen en officieren, het meedogenloze optreden van ondergeschikten en kapo’s, de belemmeringen die hij dagelijks in zijn werk ondervond, alles stond erin beschreven, in rechtstreekse, onopgesmukte bewoordingen. Hij beloofde dat hij van de laatste zes rapporten afschriften zou laten tikken. Bijzonder boos maakte hij zich over het feit dat er voor verantwoordelijke taken in het kamp criminelen werden ingeschakeld: ‘Ik heb het er tientallen malen met Obersturmbannführer Höss over gehad. Die groenen zijn woestelingen, sommige zijn psychopaten, ze zijn corrupt, ze terroriseren de andere gedetineerden, en dat alles met instemming van de ss. Het is ontoelaatbaar, en bovendien levert het bedroevende resultaten op.’ – ‘Wat hebt u dan liever? Politieke gevangenen, communisten?’ – ‘Natuurlijk!’ Hij begon op zijn vingers te tellen: ‘Ten eerste: dat zijn per definitie mannen met een sociaal geweten. Zelfs al bezwijken ze voor corruptie, ze zullen zich nooit schuldig maken aan zulke gruweldaden als de gewone criminelen. Moet u nagaan, in het vrouwenkamp zijn de Blockältesten prostituees, ontaarde figuren! En de mannelijke blokoudsten houden er meestal een zogeheten Pipel op na, een jongen die hun tot seksslaaf dient. En op dat soort lui steunen wij! Terwijl de roden zich stuk voor stuk verre houden van het bordeel waar gedetineerden met een functie heen mogen. En toch zijn sommigen van hen al tien jaar in het kamp. Ze blijven bewonderenswaardig gedisciplineerd. Ten tweede: op dit moment heeft een behoorlijke organisatie van de arbeid de hoogste prioriteit. En wie kan er beter organiseren dan een communist of een militante sociaal-democraat? De groenen kunnen alleen maar meppen en nog eens meppen. Ten derde: als bezwaar wordt aangevoerd dat de roden moedwillig de productie zouden saboteren. Mijn antwoord daarop is dat het, om te beginnen, met die productie niet erger kan dan nu, en dat er bovendien controlemiddelen zijn: die politieke gevangenen zijn niet achterlijk, ze zullen heel goed begrijpen dat er maar dít hoeft te gebeuren of het is met ze gedaan en dat dan de gewone criminelen het weer voor het zeggen krijgen. Het is dus alleen maar in hun eigen belang, en in het belang van de Häftlinge in het algemeen, dat ze voor een behoorlijke productie zorgen. Ik kan zelfs een voorbeeld noemen, dat van Dachau, waar ik korte tijd heb gewerkt: daar staat alles onder toezicht van de roden, en ik kan u verzekeren dat de omstandigheden er onvergelijkelijk veel beter zijn dan in Auschwitz. Zelf heb ik hier trouwens alleen politieke gevangenen in dienst. En ze geven geen reden tot klagen. Mijn particulier secretaris is een Oostenrijkse communist, een serieuze, bedachtzame, efficiënte jongeman. Soms hebben we heel openhartige gesprekken en dat is voor mij buitengewoon nuttig, want via de andere gedetineerden weet hij dingen die voor mij verborgen blijven en die vertelt hij dan aan mij. Mijn vertrouwen in hem is veel groter dan mijn vertrouwen in een aantal van mijn ss-collega’s.’ In onze gesprekken kwam ook de selectie aan de orde. ‘Ik vind het een verfoeilijk principe,’ bekende hij ronduit. ‘Maar als het dan toch moet, dan maar door artsen. In het begin was het de taak van de Lagerführer en zijn mannen. Die deden maar wat en gedroegen zich daarbij onvoorstelbaar grof. Nu verloopt het in ieder geval ordelijk en op grond van redelijke criteria.’ Op bevel van Wirths dienden alle kampartsen bij toerbeurt op het perron aanwezig te zijn. ‘Ik ga er zelf ook heen, al vind ik het gruwelijk. Maar ik moet het goede voorbeeld geven.’ Hij keek verloren voor zich uit, toen hij dat zei. Het was niet voor het eerst dat iemand zijn hart bij me uitstortte: sinds het begin van mijn missie was ik mensen tegengekomen die me veel uitvoeriger in vertrouwen namen dan professioneel gezien vereist was, misschien omdat ze instinctief begrepen dat hun problemen mij interesseerden, of omdat ze in mij iemand hoopten te vinden die hun ongenoegen doorgaf aan de hogere instanties. En hier in Auschwitz zou Wirths niet vaak een welwillend oor vinden: Höss was een bekwame commandant, maar invoelingsvermogen was hem vreemd, en voor het merendeel van zijn ondergeschikten gold waarschijnlijk hetzelfde.
Nauwgezet inspecteerde ik de verschillende onderdelen van het kamp. Een aantal malen keerde ik terug naar Birkenau, waar ik me liet uitleggen volgens welke systematiek de in beslag genomen goederen, bijeengebracht in Kanada, werden geïnventariseerd. Het was daar een ongelofelijke rotzooi: er stonden dozen vol ongesorteerde waardepapieren, en je liep er door de gescheurde bankbiljetten die in het slijk op de paden lagen. In principe werden de gedetineerden bij het verlaten van deze sector gefouilleerd, maar ik vermoedde dat het met behulp van een horloge of wat Reichsmarken niet moeilijk zou zijn een bewaker om te kopen. Dit vermoeden werd indirect bevestigd door de ‘groene’ kapo die de boeken bijhield: nadat hij me had rondgeleid door zijn ongeordende bende – vlottende bergen van gedragen kleren, die door werkploegen eerst werden ontdaan van de gele sterren en vervolgens werden versteld, gesorteerd en weer opgestapeld; kisten waarin lukraak brillen, horloges en vulpennen waren gesmeten; wandel- en kinderwagens in nette rijen; bossen vrouwenhaar die in balen naar Duitse firma’s moesten worden verzonden, zodat het kon worden verwerkt tot sokken voor de bemanning van onze onderzeeboten, tot vulling voor matrassen en tot isolatiemateriaal; en ook de bonte hoop religieuze voorwerpen, waar niemand goed raad mee wist – en ik wilde vertrekken, liet deze met speciale taken belaste gedetineerde zich in zijn brutale Hamburgse taaltje ontvallen: ‘Heb-ie wat nodig, zeg ’t gerust, dan zorgen we d’rvoor.’ – ‘Wat bedoelt u?’ – ‘’t Is zo makkelijk. We zijn gedienstig zat.’ Hier had Morgen op gedoeld: de ss’ers van het kamp speelden met de gedetineerden onder één hoedje en beschouwden Kanada intussen als hun privémagazijn. Ik had van Morgen de raad gekregen om eens in de kamers van de bewakers te gaan kijken: de ss’ers lagen er languit op sjiek gestoffeerde canapés, halfdronken en met een lege blik; een paar jodinnen, niet in de voorgeschreven gestreepte kleding maar in luchtige japonnen, bakten worst en aardappelkoeken op een grote, gietijzeren kachel; al die vrouwen waren aantrekkelijk en hun haar was niet afgeschoren; wanneer ze de bewakers bedienden, eten aan hen voorzetten of uit een kristallen karafje alcohol voor hen inschonken, spraken ze ongedwongen, tutoyeerden hen en gebruikten koosnaampjes. Geen van de bewakers was overeind gekomen om me te groeten. Ik keek bevreemd naar de Spiess die me op mijn rondgang begeleidde; hij haalde zijn schouders op: ‘Ze zijn moe, Sturmbannführer. Ze hebben een zware dag achter de rug. Twee transporten.’ Ik had ze graag opdracht gegeven hun kastje met persoonlijke spullen voor me open te maken, maar daarvoor miste ik de bevoegdheid: ik zou er ongetwijfeld allerlei waardepapieren in hebben gevonden. Ook de top van de hiërarchie leek vatbaar voor deze algemeen verbreide corruptie, zoals ik meende te kunnen concluderen uit wat ik toevallig had opgevangen. In de bar van het Haus der Waffen-ss had ik een gesprek gehoord tussen een Oberscharführer uit het kamp en een burger; de onderofficier vertelde grinnikend dat hij Frau Höss een mand vol damesonderbroekjes had bezorgd ‘van de beste kwaliteit, met zijde en kant. Ze wilde namelijk haar versleten directoires vervangen’. Hij gaf geen nadere toelichting over de herkomst, maar die kon ik moeiteloos raden. Ook ik kreeg aanbiedingen, er werd geprobeerd me flessen cognac toe te schuiven, of levensmiddelen om de soldatenkost aan te vullen. Ik weigerde, maar bleef beleefd: ik wilde geen wantrouwen wekken bij die officieren, dat zou mijn werk hebben geschaad.
Zoals afgesproken bracht ik een bezoek aan de grote fabriek van ig Farben, Bunawerk geheten, naar de synthetische rubber die er ooit geproduceerd moest gaan worden. De bouw vorderde blijkbaar moeizaam. Omdat Faust andere bezigheden had, droeg hij me voor de rondleiding over aan een van zijn assistenten, ingenieur Schenke, een man van rond de dertig in een grijs kostuum met daarop het Partij-insigne. Deze Schenke leek gefascineerd door mijn IJzeren Kruis; terwijl hij met me praatte, keerde zijn blik er steeds weer naar terug; ten slotte vroeg hij schuchter waarvoor ik het had gekregen. ‘Ik was in Stalingrad.’ – ‘Ah! Dan hebt u wel geboft.’ – ‘Dat ik eruit ben gekomen?’ vroeg ik lachend. ‘Ja, dat vind ik zelf ook.’ Schenke keek bedremmeld: ‘Nee, dat bedoelde ik niet. Dat u daar bent geweest, dat u hebt mogen vechten voor de Heimat, tegen de bolsjewieken.’ Ik wierp hem een nieuwsgierige blik toe en hij bloosde. ‘Ik heb iets aan mijn been, nog uit mijn kindertijd. Een botbreuk die niet goed is genezen. Daardoor kon ik niet naar het front. Maar ik had het Reich ook willen dienen.’ – ‘U dient het hier,’ merkte ik op. – ‘Natuurlijk, maar dat is niet hetzelfde. Alle vrienden uit mijn kinderjaren zitten aan het front. Dan voel je je... buitengesloten.’ Schenke liep inderdaad mank, wat hem niet verhinderde in een nerveuze, snelle pas voort te huppelen, zo snel zelfs dat ik hem met moeite kon bijhouden. Onderweg vertelde hij de geschiedenis van de fabriek: de leiding van het Reich had erop gestaan dat Farben voor de productie van buna, een stof die van vitaal belang was voor de bewapening, een fabriek ging bouwen in het Oosten, omdat het Roergebied al door bombardementen werd geteisterd. De locatie was gekozen door een van de ig-directeuren, Dr. Ambros, op grond van een reeks van gunstige omstandigheden: er vloeiden drie riviertjes samen en daaruit kon het vele water worden betrokken dat voor de vervaardiging van buna vereist was; er was een groot en vrijwel onbebouwd plateau (op een Pools dorp na, dat was gesloopt), in geologisch opzicht ideaal vanwege de hoge ligging; het was een snijpunt van verscheidene spoorlijnen; in de buurt waren veel kolenmijnen. Ook de aanwezigheid van het kamp was als een positieve factor aangemerkt: de ss had verklaard het project graag te willen steunen en toegezegd gedetineerden te zullen leveren. Maar met de bouw van de fabriek wilde het niet vlotten, deels vanwege bevoorradingsproblemen, deels omdat de Häftlinge niet erg productief waren gebleken, en nu was de directie woedend. De fabriek kon gedetineerden die niet meer tot werken in staat waren, wel terugsturen naar het kamp en eisen dat ze werden vervangen, wat volgens het contract was toegestaan, maar de nieuwen arriveerden in een vrijwel even deplorabele toestand. ‘Wat gebeurt er met degenen die u terugstuurt?’ vroeg ik op neutrale toon. Verbaasd keek Schenke me aan: ‘Geen idee. Dat is mijn zaak niet. Ik veronderstel dat ze in het ziekenhuis weer worden opgelapt. Weet u dat dan niet?’ Nadenkend sloeg ik die jonge, gedreven ingenieur gade: kon het echt dat hij niet op de hoogte was? Acht kilometer verder rookten dagelijks de schoorstenen van Birkenau, en ik wist als ieder ander hoe snel de geruchten zich verspreidden. Maar ja, als hij het niet wilde zien, dan hoefde hij het niet te zien. Ook dat was het doel van de voorschriften aangaande geheimhouding en camouflage.
Uit de manier waarop de tewerkgestelde gedetineerden werden behandeld, kon overigens niet worden opgemaakt dat hun uiteindelijke lot voor Schenke en zijn collega’s een belangrijk punt van aandacht was. Hele colonnes uitgemergelde Häftlinge renden in lompen over de reusachtige, modderige bouwplaats die een fabriek moest worden, onder geschreeuw en stokslagen van de kapo’s, slepend met balken en cementzakken die veel te zwaar voor hen waren. Als een arbeider op zijn grove klompen struikelde, zijn last liet vallen of zelf neerzakte, werd er nog harder geslagen en gutste er vers, rood bloed over de modderbrij. Sommigen stonden niet meer op. Het was een duivelse herrie, iedereen schreeuwde, de ss-onderofficieren, de kapo’s; de gedetineerden jammerden als ze werden mishandeld. Zonder er de minste aandacht aan te besteden, leidde Schenke me dwars door dit inferno heen. Af en toe bleef hij staan om iets te bespreken met andere ingenieurs in onberispelijke kostuums, die gele duimstokken bij zich hadden en kunstleren opschrijfboekjes waarin ze getallen noteerden; er werd gepraat over de voortgang van de bouw van een muur, waarna een van hen zacht een paar woorden zei tegen een Rottenführer, die meteen begon te brullen en met zijn laarzen en geweerkolf boosaardig uithaalde naar de kapo; op zijn beurt stortte de kapo zich tussen de gedetineerden om tierend en uit alle macht woeste klappen uit te delen; en de Häftlinge probeerden hun werktempo te versnellen, maar dat zakte vanzelf weer in, want ze konden nauwelijks op hun benen staan. Dit systeem leek mij buitengewoon inefficiënt en dat zei ik tegen Schenke; hij haalde zijn schouders op en keek om zich heen alsof hij het tafereel voor het eerst aanschouwde: ‘Ze zijn toch alleen maar gevoelig voor slaag. Wat moeten we anders met zulk soort werkkrachten?’ Opnieuw keek ik naar de ondervoede Häftlinge, naar hun plunje die besmeurd was met modder, zwarte smeer, diarree. Een Poolse ‘rode’ bleef even voor me staan en ik zag op het zitvlak en de ene pijp van zijn broek een bruine vlek verschijnen; daarna begon hij weer als een bezetene te rennen, voordat er een kapo op hem af kon komen. Ik wees naar hem en zei tegen Schenke: ‘Denkt u niet dat het belangrijk zou zijn om beter op de hygiëne te letten? Ik heb het niet alleen over de stank, het is ook gevaarlijk, zo breken er epidemieën uit.’ Ietwat uit de hoogte antwoordde Schenke: ‘Dat valt allemaal onder de verantwoordelijkheid van de ss. Wij betalen het kamp voor gedetineerden die tot werken in staat zijn. Maar het kamp moet ze wassen, voeden en verzorgen. Dat zit in het tarief.’ Een andere ingenieur, een stevige Zwaab die liep te transpireren in zijn dichtgeknoopte colbert, lachte uitbundig: ‘Met jodenvlees is het net als met wild, het wordt beter als je het laat versterven.’ Schenke produceerde een zuinig glimlachje; scherp antwoordde ik: ‘Niet al uw arbeiders zijn joden.’ – ‘Ach, de anderen zijn niet veel beter.’ Het gesprek begon Schenke te ergeren: ‘Sturmbannführer, als u de situatie van de Häftlinge niet goed genoeg vindt, dan moet u zich tot het kamp wenden, niet tot ons. Zoals gezegd is het kamp verantwoordelijk voor hun algehele verzorging. Dat staat allemaal precies in onze overeenkomst.’ – ‘Ik begrijp het goed, gelooft u mij.’ Schenke had gelijk; zelfs de klappen werden door ss-bewakers en hun kapo’s uitgedeeld. ‘Toch zou er in mijn ogen een hoger rendement te behalen zijn door ze iets beter te behandelen. Denkt u ook niet?’ Schenke haalde zijn schouders op: ‘Idealiter misschien. Wij klagen bij het kamp vaak over de conditie van de arbeidskrachten. Maar we hebben andere prioriteiten dan voortdurend te blijven zeuren.’ Achter hem lag een gedetineerde in doodsstrijd, geveld door een knuppel; zijn bebloede hoofd zakte in de dikke modder; alleen aan de reflexbewegingen van zijn benen was te zien dat hij nog leefde. Bij het weggaan stapte Schenke zonder te kijken over hem heen. Mijn woorden zaten hem nog steeds dwars en maakten hem geagiteerd: ‘We kunnen ons geen sentimentaliteiten permitteren, Herr Sturmbannführer. We zijn in oorlog. De hoogste prioriteit ligt bij de productie.’ – ‘Dat zal ik zeker niet ontkennen. Mijn bedoeling is juist om middelen voor te stellen waarmee de productie kan worden verhoogd. Dat zou u toch moeten interesseren. Want uiteindelijk bent u hier nu al – hoe lang? – twee jaar aan het bouwen, en nog steeds hebt u geen kilo buna geproduceerd.’ – ‘Ja, maar ik wil u er wel op wijzen dat de methanolfabriek nu een maand in bedrijf is.’
Ondanks zijn slagvaardige reactie was mijn laatste opmerking Schenke kennelijk in het verkeerde keelgat geschoten; op de verdere rondleiding beperkte hij zich tot korte, korzelige opmerkingen. Ik wilde het bij de fabriek behorende kl zien, een met prikkeldraad omgeven rechthoek aan de zuidkant van het complex, op de kale grond waar voorheen het inmiddels afgebroken dorp had gestaan. De leefomstandigheden daar waren in mijn ogen erbarmelijk; de Lagerführer leek de situatie normaal te vinden. ‘De Häftlinge die de ig niet van ons wil hebben, sturen we in ieder geval terug naar Birkenau, die ons dan weer verse levert.’ Op de terugweg naar het Stammlager zag ik ergens in het stadje op een muur een verrassende tekst: katyn = auschwitz. Weliswaar herkauwden Goebbels’ kranten en tijdschriften al sinds maart het nieuws over de ontdekking van de Poolse lijken in Wit-Rusland, van de duizenden officieren die na 1939 door de bolsjewieken waren vermoord, maar wie zou dit hier hebben kunnen schrijven? Er waren in de stad Auschwitz geen Polen meer, er was ook geen enkele jood meer te vinden. De stad zelf vond ik grijs, saai, welvarend als alle vroegere Duitse steden in het Oosten, met een vierkant marktplein, een dominicaanse kerk met schuine daken en aan de stadsrand, uitrijzend boven de brug over de Sola, het kasteel vanwaaruit vroeger de hertog over het gebied had geheerst. Gedurende een aantal jaren had de Reichsführer aangedrongen op plannen om de stad uit te breiden tot een modelgemeenschap voor het Duitse Oosten; nadat de oorlog was verhevigd, waren die ambitieuze projecten opgeborgen, en nog steeds was Auschwitz een droefgeestig, onbeduidend gat, dat daar bijna vergeten, als een overbodig aanhangsel, tussen het kamp en de fabriek lag.
Het kampleven daarentegen bleek rijk aan opvallende fenomenen. Piontek had me voor de Kommandantur afgezet en reed achteruit om de Opel te parkeren; ik wilde net naar binnen gaan toen mijn aandacht werd getrokken door geluiden uit de tuin van Höss. Ik stak een sigaret op en naderde onopvallend: door het hek zag ik kinderen die Häftling speelden. De grootste stond met zijn rug naar me toe, droeg een mouwband met kapo erop en schreeuwde met schrille stem standaardcommando’s: ‘Ach... tung! Mützen... auf! Mützen... ab! Zu fünft!’ De andere vier, een jongen en drie meisjes van wie er één nog heel klein was, stonden met hun gezicht naar me toe in het gelid en deden onbeholpen pogingen om te gehoorzamen; op hun borst droegen ze een driehoek, ieder in een andere kleur: groen, rood, zwart, violet. Achter mij klonk de stem van Höss: ‘Goedendag, Sturmbannführer! Waar kijkt u naar?’ Ik draaide me om: met uitgestoken hand kwam Höss op me af; dicht bij de versperring hield een ordonnans zijn paard bij de halster. Ik groette, gaf hem een hand en wees zwijgend naar de tuin. Het bloed steeg naar zijn gezicht, hij deed het hek open en stormde op de kinderen af. Zonder iets te zeggen, zonder ze een draai om hun oren te geven, rukte hij de driehoeken en de mouwband af en dirigeerde de kinderen het huis in. Daarna liep hij terug naar mij, nog steeds met een rood hoofd, de stukjes stof in zijn hand. Hij keek naar mij, keek naar die stoflapjes, keek weer naar mij, liep nog steeds zwijgend langs me heen de Kommandantur in en gooide alles in een metalen prullenbak vlak bij de deur. Ik raapte mijn sigaret op, die ik had weggegooid om hem te kunnen groeten en die nog brandde. Er liep een tuinman langs me heen in een gestreept gevangenenpak dat er schoon en gestreken uitzag, een hark in zijn hand; hij nam zijn muts voor me af en ging naar de prullenbak om die leeg te schudden in de mand die hij bij zich droeg; daarna liep hij terug de tuin in.
Overdag voelde ik me fris en monter; in het Haus at ik goed en ’s avonds dacht ik met plezier aan mijn bed met schone lakens; maar ’s nachts kwamen, sinds ik hier was, in bruuske vlagen de dromen, die soms kort en vluchtig en weer gauw vergeten waren, maar zich soms ook als lange wormen in mijn hoofd ontrolden. Eén scène vooral werd van nacht tot nacht herhaald en uitgebreid, een duistere en moeilijk te beschrijven droom, die geen verhaallijn had maar zich volgens een ruimtelijke logica ontvouwde. In die droom doorkruiste ik, maar dan als het ware in de lucht, op verschillende hoogten en meer als een zuivere blik of zelfs als een camera dan als een levend wezen, een immense stad zonder zichtbaar einde, monotoon van indeling, met zich steeds herhalende elementen, verdeeld in geometrische vlakken en vol verkeersstromen. Duizenden wezens kwamen en gingen, betraden en verlieten identieke gebouwen, liepen over lange, kaarsrechte lanen, gingen door metro-ingangen de diepte in en kwamen elders weer naar boven, onophoudelijk en zonder duidelijk doel. Wanneer ik, of liever gezegd de blik die ik was geworden, me naar de straten liet zakken om ze nader te bekijken, constateerde ik dat die mannen en vrouwen zich door geen enkel specifiek kenmerk van elkaar onderscheidden, allemaal hadden ze een witte huid, licht haar, blauwe, bleke, starende ogen, de ogen van Höss, de ogen ook van mijn vroegere ordonnans Hanika in Charkov op het moment dat hij stierf, ogen in de kleur van de hemel. Zover mijn blik reikte liepen er spoorlijnen door de stad, daar reden treintjes overheen die regelmatig stopten om een vloed van reizigers uit te braken en meteen weer nieuwe reizigers op te nemen. In de daaropvolgende nachten verschafte ik me toegang tot enkele van die gebouwen: rijen mensen trokken voort tussen lange, gemeenschappelijke tafels en latrines, keurig op hun beurt etend en poepend; anderen lagen op stapelbedden te neuken en er werden kinderen geboren, die speelden tussen de slaapplaatsen en, eenmaal groot genoeg, naar buiten gingen om hun positie in te nemen in de mensenstromen van deze stad van het volmaakte geluk. Geleidelijk slaagde ik erin een patroon te ontdekken door dit schijnbaar willekeurige gekrioel vanuit verschillende invalshoeken te beschouwen: ongemerkt eindigde een bepaald aantal mensen steeds aan dezelfde kant en daar betraden zij uiteindelijk vensterloze gebouwen, waar ze gingen liggen om zwijgend te sterven. Er kwamen specialisten, die hen ontdeden van alles wat nog kon bijdragen aan de economie van de stad; daarna werd hun lichaam verbrand in ovens waarmee tegelijkertijd water werd verwarmd dat via leidingen over de sectoren van de stad werd verspreid; de beenderen werden vermalen; de rook uit de schoorstenen voegde zich bij de rook uit naburige schoorstenen, als kleine beekjes die samenvloeiden tot één kalme, statige rivier. En wanneer het gezichtspunt van de droom weer naar grotere hoogten steeg, kon ik in dat alles een evenwicht onderscheiden: het aantal geboorten in de slaapzalen was even groot als het aantal sterfgevallen, en de samenleving reproduceerde zichzelf dus op een perfect uitgebalanceerde manier, was steeds in beweging maar bracht geen enkel overschot voort, liet geen enkele vermindering toe. Bij het ontwaken leek het me duidelijk dat die serene dromen, waar niets van angst in zat, verwezen naar het kamp, maar dan wel een perfect kamp, in een onmogelijk te bereiken stabiliteit, geweldloos, zichzelf regulerend, volmaakt functionerend en ook volmaakt nutteloos, want ondanks al die bewegingen werd er niets geproduceerd. Maar als ik er dieper over nadacht, zoals ik probeerde te doen terwijl ik mijn ersatz dronk in de eetzaal van het Haus der Waffen-ss, vroeg ik me af of dit eigenlijk niet een weergave was van het maatschappelijk leven in het algemeen. Ontdaan van zijn klatergoud en zijn zinloze drukte, was een mensenleven nauwelijks meer dan dat; wie zich eenmaal had voortgeplant, had het doel van de soort verwezenlijkt; en je persoonlijke doel was slechts een illusie, een prikkel als aanmoediging om iedere ochtend op te staan; bekeek ik de zaak objectief, zoals ik dat meende te kunnen, dan was de nutteloosheid van al die inspanningen zonneklaar, net als de voortplanting zelf, want die diende alleen om nieuwe nutteloosheden voort te brengen. En zo kwam ik tot de volgende gedachte: zou ook het kamp, met zijn strikte organisatie, zijn absurde geweld, zijn angstvallige hiërarchie, niet een metafoor zijn, een reductio ad absurdum van het dagelijks leven?
Maar ik was niet naar Auschwitz gekomen om te filosoferen. Ik ging Nebenlager inspecteren: het landbouwproefstation bij Rajsko, dat de Reichsführer zo na aan het hart lag en waar, naar Dr. Caesar me vertelde, nog steeds gezocht werd naar mogelijkheden tot de grootschalige teelt van kok-sagyz, de plant die in de buurt van Majkop was ontdekt, u weet nog wel, en waarvan rubber kon worden gemaakt; verder de cementfabriek van Golleschau, de staalfabriek van Eintrachthütte, de mijnen van Jawizowitz en Neu-Dachs. Met uitzondering van Rajsko, een wat speciaal geval, leken de omstandigheden daar zo mogelijk nog slechter dan bij Bunawerk: het ontbreken van ook maar de kleinste veiligheidsmaatregel leidde tot talloze ongevallen, de slechte hygiëne betekende een voortdurende aanslag op de zintuigen, om het minste of geringste vervielen de kapo’s en burgeropzichters in woest, moorddadig geweld. In slingerende, omrasterde liftkooien daalde ik door schachten in de mijnen af; op elk niveau boorden zich gaten in de duisternis vanuit de galerijen, waar het zwakke licht van gelige lampen brandde; een gedetineerde die hier afdaalde, mocht geen enkele hoop meer koesteren om ooit nog het daglicht te zien. In de diepte droop het water van de wanden, door de lage, stinkende gangen weergalmden kreten en metalen geluiden. Halve olievaten met een plank eroverheen dienden als latrine: sommige Häftlinge waren zo zwak dat ze erin vielen. Andere, graatmager, hun benen gezwollen door oedeem, zwoegden om zwaarbeladen lorries over gammele rails te duwen, probeerden te hakken met houwelen of sloophamers die ze nauwelijks konden tillen. Bij de uitgang stonden uitgeputte arbeiders in de rij, hun bijna bewusteloze kameraden ondersteunend, hun doden dragend op geïmproviseerde brancards, wachtend tot ze naar boven konden om te worden teruggestuurd naar Birkenau: zij zouden in ieder geval nog een keer de lucht zien, al was het maar voor enkele uren. Het verbaasde me niet dat het werk bijna overal minder snel vorderde dan de ingenieurs hadden voorzien: meestal werd dit geweten aan de slechte kwaliteit van de door het kamp geleverde waar. Een jonge ingenieur van de Hermann-Göring-Werke had nog wel geprobeerd, zo vertelde hij me gelaten, om voor de gedetineerden van Jawizowitz aanvullende rantsoenen te krijgen, maar de directie had geweigerd daarvan de meerkosten te betalen. En wat het terugdringen van de mishandelingen betrof, moest zelfs deze man met zijn vooruitstrevende ideeën treurig erkennen dat dit moeilijk was: als er geslagen werd, kwamen de gedetineerden traag vooruit, maar werd er niet geslagen, dan kwamen ze helemaal niet meer vooruit.
Met Dr. Wirths had ik over dat thema, de toepassing van fysiek geweld, een interessant gesprek, want het herinnerde me ook aan de problemen waar ik bij de Einsatzgruppe al op was gestuit. Wirths was het met mij eens dat zij die aanvankelijk alleen uit plicht sloegen, op den duur de smaak te pakken kregen. ‘In plaats van de harde criminelen tot de orde te roepen, stimuleren we hun perverse neigingen door ze alle macht over de andere gevangenen te geven,’ zei hij heftig. ‘We maken er onder onze ss’ers zelfs nieuwe criminelen bij. In hun huidige vorm zijn deze kampen, met de methoden die er worden gehanteerd, broeinesten voor geestesziekten en sadistische afwijkingen; als deze mannen na de oorlog terugkeren in het burgerleven, krijgen we een flink probleem.’ Ik vertelde hem dat, naar gezegd werd, het besluit om de uitroeiing in kampen te concentreren, deels was ingegeven door de psychische problemen van de troepen die met de massa-executies waren belast. ‘Zeker,’ antwoordde Wirths, ‘maar daarmee is het probleem alleen verplaatst, zeker nu de vernietigingstaken zijn vermengd met de strafrechtelijke en economische taken van de gewone kampen. De mentaliteit die door de vernietiging is ontstaan, breidt zich over al het andere uit. Zelfs hier op mijn eigen ziekenafdelingen heb ik ontdekt dat artsen patiënten hebben vermoord zonder daartoe opdracht te hebben gekregen. Het heeft me de grootste moeite gekost om aan die praktijken een eind te maken. Sadistische excessen komen veelvuldig voor, met name bij bewakers, en zijn vaak gekoppeld aan seksuele stoornissen.’ – ‘Kunt u concrete voorbeelden noemen?’ – ‘De betrokkenen vragen me zelden om raad, maar soms wel. Een maand geleden kwam er een bewaker naar me toe, die hier nu een jaar is. Een man uit Breslau, zevenendertig, getrouwd, drie kinderen. Hij bekende me dat hij gedetineerden sloeg tot hij ejaculeerde, hij hoefde zichzelf daarvoor niet eens aan te raken. Hij had geen normaal seksueel verkeer meer; als hij op verlof mocht, ging hij niet naar huis, uit schaamte. Maar voordat hij in Auschwitz kwam, zo verzekerde hij me, was hij volkomen normaal.’ – ‘En wat hebt u voor hem gedaan?’ – ‘In deze omstandigheden kan ik niet veel doen. Hij zou langdurig psychiatrisch moeten worden behandeld. Ik probeer hem nu overgeplaatst te krijgen naar een functie buiten de kampen, maar dat is moeilijk: ik kan niet alles zeggen, anders wordt hij gearresteerd. Toch is hij ziek, hij heeft hulp nodig.’ – ‘En hoe ontstaat dat sadisme volgens u?’ vroeg ik. ‘Ik bedoel dus bij normale mensen, niet bij hen die in de kiem al iets bij zich dragen dat zich in deze omstandigheden alleen maar openbaart.’ Peinzend keek Wirths uit het raam. Het duurde even voor hij reageerde: ‘Over die vraag heb ik veel nagedacht, en het is lastig er een antwoord op te geven. Een gemakkelijke verklaring zou zijn dat de schuld bij onze propaganda ligt, het soort propaganda zoals hier bijvoorbeeld wordt verspreid door Oberscharführer Knittel, het hoofd van de Kulturabteilung: de Häftling is een Untermensch, niet echt een mens, en het is dan ook volkomen legitiem hem te slaan. Maar dat klopt toch niet helemaal: dieren zijn uiteindelijk ook geen mensen, terwijl niemand van onze bewakers een dier zou behandelen zoals hij de Häftlinge behandelt. De propaganda speelt inderdaad een rol, maar op een ingewikkelder manier. Ik ben tot de slotsom gekomen dat een ss-bewaker niet gewelddadig of sadistisch wordt omdat hij denkt dat een gedetineerde geen menselijk wezen is; integendeel, zijn woede groeit en gaat over in sadisme wanneer hij merkt dat, volkomen anders dan hem is voorgehouden, een gedetineerde geen Untermensch is maar juist een mens, eigenlijk net als hij, en wat een bewaker uitgerekend niet kan verdragen is dat verzet van de ander, zijn stilzwijgende taaiheid, en daarom slaat die bewaker hem, om hun gemeenschappelijk mens-zijn te vernietigen. Dat werkt natuurlijk niet: hoe harder de bewaker slaat, hoe meer hij zich gedwongen ziet te constateren dat de gedetineerde weigert zichzelf als niet-menselijk wezen te zien. Aan het eind blijft hem geen andere oplossing over dan de gedetineerde te doden, wat neerkomt op het definitieve echec.’ Wirths zweeg. Nog steeds keek hij uit het raam. Ik verbrak de stilte: ‘Mag ik u een persoonlijke vraag stellen, dokter?’ Zonder me aan te kijken zei Wirths, terwijl hij met zijn lange, smalle vingers op tafel trommelde: ‘Vraag maar.’ – ‘Bent u gelovig?’ Het antwoord kwam niet meteen. Hij bleef naar buiten kijken, naar de straat, het crematorium. ‘Dat was ik, ja,’ zei hij ten slotte.
Nadat ik afscheid had genomen van Wirths, liep ik door de Kasernenstrasse terug naar de Kommandantur. Net voor de controlepost met de rood-witte slagboom zag ik een van Höss’ kinderen, de oudste, neergehurkt op straat zitten voor de deur van hun huis. Ik ging naar hem toe en groette: ‘Hallo!’ De jongen keek me met een open, intelligente blik aan en stond op: ‘Dag, Herr Sturmbannführer.’ – ‘Hoe heet jij?’ – ‘Klaus.’ – ‘Wat is er te zien, Klaus?’ Klaus wees naar de deur: ‘Kijk.’ De grond voor de drempel zag zwart van de mieren, die daar in een ongelofelijke concentratie rondkrioelden. Weer ging Klaus op zijn hurken om ze te observeren en ik boog naast hem voorover. Op het eerste gezicht leken die duizenden mieren in dolle, volstrekt doelloze wanorde rond te rennen. Maar ik keek nog wat scherper, probeerde een bepaalde mier in het oog te houden, daarna een andere. En ik merkte dat het gewemel zo’n hortende indruk maakte doordat elk insect ieder moment stilstond om met zijn voelsprieten de sprieten aan te raken van de mier die zich in tegengestelde richting bewoog. Langzaamaan werd me duidelijk dat een deel van de mieren naar links vertrok terwijl andere van die kant terugkeerden met stukjes voedsel: een zwaar, kolossaal karwei. De terugkerende mieren informeerden de andere ongetwijfeld via het spel met de voelsprieten over de herkomst van het voedsel. De huisdeur ging open en er kwam een Häftling naar buiten, de tuinman die ik al eerder had gezien. Toen hij mij zag, bleef hij stokstijf staan en nam zijn muts af. Deze man was iets ouder dan ik, te oordelen naar zijn driehoek een Poolse politieke gevangene. Zijn blik ging naar de wriemelende mieren en hij zei: ‘Ik zal meteen zorgen dat ze worden verdelgd, Herr Offizier.’ – ‘Geen sprake van! Blijf er vooral van af.’ – ‘Zo is het, hoor, Stani,’ vulde Klaus aan, ‘laat ze met rust. Ze hebben je niets gedaan.’ Hij wendde zich tot mij: ‘Waar gaan ze naartoe?’ – ‘Geen idee. We kunnen gewoon gaan kijken.’ De mieren volgden de tuinmuur, namen vervolgens de zijkant van de straat, achter de auto’s en motoren langs die tegenover de Kommandantur geparkeerd stonden; daarna gingen ze rechtuit, in een lange lijn die hier en daar sidderend uitschoot, tot voorbij het gebouw van de kampadministratie. We volgden ze stap voor stap, vol bewondering voor hun onvermoeibare vastberadenheid. Ter hoogte van de Politische Abteilung keek Klaus me zenuwachtig aan: ‘Herr Sturmbannführer, neemt u me niet kwalijk, maar mijn vader wil niet dat ik in dit gedeelte kom.’ – ‘Blijf dan hier op me wachten, ik zal het je straks vertellen.’ Achter het barakkencomplex van de politieke afdeling verrees het massieve, gedrongen crematorium, een voormalige, met aarde afgedekte munitiebunker, die afgezien van de schoorsteen vaag deed denken aan een afgeplatte koergan. De mieren zetten hun tocht voort in de richting van dat donkere blok, kropen daar langs de schuine zijkant omhoog, glipten door het gras; ze maakten een bocht en gingen over een stuk betonmuur naar beneden, waar diep tussen twee aarden wallen de ingang van de bunker lag. Ik bleef ze volgen en zag dat ze door de halfopen deur het crematorium binnendrongen. Ik keek om me heen: behalve een bewaker, die me nieuwsgierig gadesloeg, en wat verder weg, waar het kamp werd uitgebreid, een colonne gedetineerden die kruiwagens voortduwden, was er niemand. Ik liep naar de deur, die werd omlijst door twee openingen, een soort ramen; binnen was alles donker en stil. De mieren namen de hoekige drempel. Ik draaide me om en zocht Klaus weer op. ‘Ze gaan daarheen,’ zei ik vaag. ‘Ze hebben daar iets te eten gevonden.’ Samen met de jongen liep ik terug naar de Kommandantur. Voor de ingang namen we afscheid. ‘Komt u vanavond, Herr Sturmbannführer?’ vroeg Klaus. Höss gaf een feestje, waarvoor ik ook was uitgenodigd. ‘Ja.’ – ‘Tot vanavond dan!’ Hij stapte over de mieren heen en verdween in de tuin.
Aan het eind van de dag ging ik eerst naar het Haus der Waffen-ss om me te wassen en andere kleren aan te trekken, waarna ik terugkeerde naar de familie Höss. Voor de deur haastten nog slechts een paar dozijn mieren zich kriskras voort. De duizenden andere zouden nu wel onder de grond zijn, gravend, ruimend, stuttend – onzichtbaar maar nog altijd bezig met hun zinloze werk. Höss ontving me op het kleine bordes voor zijn huis, een glas cognac in de hand. Hij stelde me voor aan zijn echtgenote Hedwig, een blonde vrouw met een verstarde glimlach en harde ogen, in een mooi vallende avondjurk met kanten kraag en manchetten, en liet me daarna kennismaken met zijn twee oudste dochters, Kindi en Püppi, die eveneens smaakvol waren gekleed. Klaus schudde me vriendschappelijk de hand; hij droeg een tweed colbertje van Engelse snit, met suède elleboogstukken en dikke hoornen knopen. ‘Dat is een mooi jasje,’ merkte ik op. ‘Waar heb je dat vandaan?’ – ‘Dat heeft mijn papa voor me meegebracht uit het kamp,’ antwoordde hij stralend van genoegen. ‘De schoenen ook.’ Het waren halve laarzen van bruin leer, glanzend gepoetst, met knoopjes aan de zijkant. ‘Zeer elegant,’ zei ik. Wirths was er ook en stelde zijn vrouw aan me voor; de andere gasten waren allemaal kampofficieren, zoals Hartjenstein, de garnizoenscommandant, het hoofd van de politieke afdeling Grabner, Lagerführer Aumeier, Dr. Caesar en nog een paar. De sfeer was vrij stroef, in ieder geval stroever dan indertijd bij Eichmann thuis, maar toch wel vriendelijk. De nog piepjonge vrouw van Caesar lachte veel; Wirths vertelde me dat het een van zijn assistentes was, en dat Caesar haar ten huwelijk had gevraagd kort nadat zijn tweede vrouw aan tyfus was gestorven. Het gesprek kwam op de recente val en arrestatie van Mussolini, waar iedereen nogal van onder de indruk was; de loyaliteitsbetuigingen van Badoglio, de nieuwe minister-president, boezemden niet veel vertrouwen in. Daarna werd er gesproken over de ontwikkelingsplannen van de Reichsführer voor oostelijk Duitsland. De gasten bleken er de meest uiteenlopende ideeën op na te houden; Grabner probeerde mij te betrekken in een discussie over de kolonisering van Himmlerstadt, maar ik gaf een ontwijkend antwoord. Eén ding was en bleef duidelijk: hoe verschillend de aanwezigen zich de toekomst van de streek ook voorstelden, in ieders visie was het kamp er onlosmakelijk mee verbonden. Höss meende dat het nog minstens tien à twintig jaar zou blijven bestaan. ‘In dat perspectief zijn ook de plannen voor de uitbreiding van het Stammlager ontwikkeld,’ verklaarde hij. ‘Als we eenmaal klaar zijn met de joden en met de oorlog, dan zal Birkenau verdwijnen en wordt de grond daar weer voor de landbouw gebruikt. Maar de industrie van Opper-Silezië zal niet kunnen draaien zonder Poolse arbeidskrachten, vooral na de Duitse verliezen in het Oosten; het kamp zal nog een hele tijd van vitaal belang blijven om die bevolkingsgroepen in toom te houden.’ Twee vrouwelijke gedetineerden, in eenvoudige maar keurige jurken van goede stof, gingen met dienbladen tussen de gasten rond; ze droegen de violetkleurige driehoek van de ibv’s of ‘Jehova’s getuigen’. De kamers waren aardig ingericht, met tapijten, leren banken en fauteuils, kostbare houten meubelen die kunstig waren bewerkt, vazen gevuld met verse bloemen op kanten kleedjes. De lampen verspreidden een geel, zacht, bijna gesluierd licht. Aan de muren prijkten grote foto’s met opdracht van de Reichsführer, die samen met Höss het kamp bezocht of diens kinderen op zijn knieën hield. De cognac en de wijnen waren van voortreffelijke kwaliteit; Höss had voor zijn gasten ook goede Joegoslavische sigaretten van het merk Ibar. Nieuwsgierig observeerde ik die strikte, nauwgezette man, die zijn kinderen verblijdde met de kleren van joodse kinderen die onder zijn verantwoordelijkheid om het leven waren gebracht. Als hij naar hen keek, dacht hij daar dan aan? Waarschijnlijk kwam het niet bij hem op. Zijn vrouw hield zijn arm vast en liet nu en dan een harde, schrille lach horen. Ik keek naar haar en dacht aan haar kut, onder haar japon, genesteld in het kanten broekje van een jonge, knappe jodin die door haar echtgenoot was vergast. De jodin was al een hele tijd geleden verbrand, met kut en al, en als rook naar de wolken getrokken; haar dure onderbroekje, dat ze misschien speciaal voor de deportatie had aangetrokken, sierde en beschermde nu de kut van Hedwig Höss. Dacht Höss aan die jodin, wanneer hij het broekje uittrok om zijn vrouw te verwennen? Maar misschien interesseerde hij zich niet meer zo voor de kut van Frau Höss, hoe verfijnd die ook was verpakt: als de mannen al niet gestoord raakten van het werk in de kampen, werden ze toch vaak impotent. Misschien had hij ergens in het kamp zijn eigen jodin, schoon, behoorlijk gevoed, een geluksvogel, de hoer van de Kommandant? Nee, hij niet: als Höss zich onder de vrouwelijke gedetineerden een maîtresse zou kiezen, dan was dat een Duitse vrouw, geen joodse.
Dergelijke gedachten werken altijd op een vervelende manier door, ik weet het. Die nacht kreeg mijn hardnekkig terugkerende droom een heftige finale. Over een in onbruik geraakte spoorlijn was ik op weg naar de onmetelijke stad; vredig steeg in de verte de rook uit de rij schoorstenen op; ik voelde me verloren, eenzaam als een op straat gezet hondje, en de behoefte aan menselijk gezelschap kwelde me. Ik sloot me aan bij de massa en bleef langdurig dwalen, zonder verweer tegen de aantrekkingskracht van de crematoria die hun kringelende rook en vonkenregens in de lucht uitbraakten... like a dog, both attracted and repell’d / By the stench of his own kind / Burning. Maar ik kon er niet komen, daarom betrad ik een van de reusachtige woonkazernes, waar ik op een bed ging liggen en een onbekende vrouw, die zich bij me wilde voegen, van me af duwde. Prompt viel ik in slaap. Toen ik wakker werd, zag ik bloedsporen op mijn kussen. Ik keek nauwkeuriger en constateerde dat er ook bloed op de lakens zat. Ik tilde de deken op; aan het voeteneind was het beddengoed doorweekt van bloed vermengd met sperma, grote klodders sperma die te taai waren om in de stof te trekken. De kamer waar ik lag te slapen bevond zich in het huis van de familie Höss, op de eerste verdieping, naast die van de kinderen; ik wist werkelijk niet hoe ik die vuile lakens naar de badkamer kon brengen om ze uit te spoelen zonder dat Höss het zou merken. Ik vond het een heel pijnlijk en beangstigend probleem. Toen kwam Höss binnen met een andere officier. Ze trokken hun broek uit, gingen met over elkaar geslagen benen bij mijn bed zitten en begonnen zich krachtig af te trekken, hun paarse eikel verdween onder de voorhuid en werd weer zichtbaar, totdat ze dikke stralen sperma op mijn bed en op het vloerkleed spoten. Ze wilden dat ik hetzelfde deed, ik weigerde; de ceremonie had kennelijk een bepaalde betekenis, maar welke wist ik niet.
Die brute, obscene droom markeerde het einde van mijn eerste verblijf in kl Auschwitz: mijn werk daar was gedaan. Ik ging terug naar Berlijn en bracht vandaar bezoeken aan enkele kampen in het Altreich, de kl’s Sachsenhausen, Buchenwald, Neuengamme en enkele nevenkampen daarvan. Over die bezoeken zal ik niet nader uitweiden: al die kampen zijn in de geschiedenisboeken uitvoerig beschreven, en beter dan ik het zou kunnen; bovendien is het volkomen waar dat je, als je één kamp hebt gezien, ze allemaal hebt gezien. Alle kampen lijken op elkaar, dat is bekend. Ook al waren er wel wat lokale verschillen, mijn opvattingen en conclusies werden niet merkbaar gewijzigd door wat ik zag. Midden augustus, ongeveer tussen de herovering van Orjol door de Sovjets en de inname van Sicilië door de Britten en Amerikanen, keerde ik definitief terug naar Berlijn. Ik had mijn rapport snel klaar; onderweg had ik mijn aantekeningen al geordend, ik hoefde alleen nog een indeling in hoofdstukken te maken en alles uit te tikken, een kwestie van luttele dagen. Ik besteedde veel zorg aan de stijl en aan de logische opbouw van mijn argumentatie: het rapport was voor de Reichsführer bestemd, en Brandt had me gewaarschuwd dat ik waarschijnlijk ook mondeling verslag zou moeten uitbrengen. Nadat de eindversie gecorrigeerd en getypt was, stuurde ik het rapport op en wachtte.
Zonder veel geestdrift, dat moet ik bekennen, had ik me weer bij mijn hospita, Frau Gutknecht, gemeld. Zij was opgetogen en wilde beslist thee voor me zetten; maar wat ze niet kon vatten was dat ik er, terwijl ik terugkwam uit het Oosten, waar aan eten alles te krijgen is, niet aan gedacht had een tweetal ganzen mee terug te nemen, voor het huishouden uiteraard. (Eerlijk gezegd was zij niet de enige: Piontek was van zijn bezoek aan Tarnowitz teruggekeerd met een kofferbak stampvol proviand en had trouwens aangeboden mij daar zonder voedselbonnen een deel van te verkopen.) Verder had ik de indruk dat ze van mijn afwezigheid gebruik had gemaakt om in mijn spullen te rommelen. Haar gezanik en haar kinderachtige gedoe hadden me voorheen onverschillig gelaten, maar helaas begon die onverschilligheid nu af te brokkelen. Fräulein Praxa had een ander kapsel, maar nog steeds dezelfde kleur nagellak. Thomas was blij me weer te zien: er waren grote veranderingen op komst, beweerde hij, goed dat ik in Berlijn was, ik moest me gereedhouden.
Wat een eigenaardige gewaarwording om ineens, na zo’n reis, niets meer omhanden te hebben! Het boek van Blanchot had ik al een hele tijd uit; ik sloeg de verhandeling over de rituele moord open en meteen weer dicht, verbaasd dat de Reichsführer zich voor dat soort stupiditeiten interesseerde; privé had ik niets te regelen; wat mijn werk betreft was alles afgehandeld. In mijn werkkamer gaf ik me over aan mijn gedachten, een raam geopend naar het park van het Prinz-Albrecht-Palais, dat straalde in de zon, maar door de hitte van augustus al enigszins aan het verdorren was, terwijl ik met mijn voeten over elkaar op de canapé lag of aan het raam een sigaret stond te roken; wanneer ik genoeg kreeg van het nietsdoen, ging ik naar beneden om een wandeling te maken in het park en liep ik over de stoffige grindpaden, steeds op zoek naar beschaduwde plekjes op het gazon. Ik dacht aan wat ik in Polen had gezien, maar op een voor mij onverklaarbare manier gleden mijn gedachten over de beelden heen en bleven ze hangen aan de woorden. De woorden namen me in beslag. Ik had me al eens afgevraagd of er misschien een samenhang was tussen de taalverschillen en de verschillen tussen Duitsers en Russen waar het ging om hun reactie op de massale slachtpartijen, want die reactie had ons uiteindelijk genoodzaakt een andere werkwijze in te voeren, om de zaak in zekere zin wat te verzachten, terwijl de Russen er zelfs na een kwarteeuw niet door leken te worden geraakt. Het woord Tod heeft immers de stijfheid van een lijk dat al koud, schoon, bijna abstract is, het heeft in ieder geval het definitieve van het stadium na het sterven, terwijl smert, het Russische woord, zwaar en vettig is als de zaak zelf. En hoe zit dat in het Frans? Voor mij wordt het woord in die taal sterk gemarkeerd door de vrouwelijke vorm die het aan het Latijn te danken heeft: de afstand is immers enorm tussen enerzijds la Mort en alle bijna warme, tedere beelden die dit woord oproept, en anderzijds de schrikwekkende Thanatos van de Grieken! De Duitsers hebben in ieder geval de mannelijke vorm bewaard (overigens is smert ook een vrouwelijk woord). In het heldere zomerlicht dacht ik na over het besluit dat wij hadden genomen, over dat enorme plan om alle joden te doden, zonder onderscheid, jong en oud, goed en slecht, dat plan om het jodendom te vernietigen in degenen die er de dragers van waren, een besluit dat de inmiddels welbekende naam Endlösung had gekregen, de ‘eindoplossing’. Wat een mooi woord! Toch was het niet altijd synoniem geweest met uitroeiing: van meet af aan was met betrekking tot de joden aangedrongen op een Endlösung, een völlige Lösung (volledige oplossing) of een allgemeine Lösung (algemene oplossing), en al naar gelang de periode betekende dat uitsluiting uit het openbare leven, uitsluiting uit het economische leven, en daarna emigratie. Langzamerhand was de betekenis naar de afgrond gegleden, maar zonder dat de betekenisdrager was veranderd, en het was bijna alsof de uiteindelijke betekenis altijd al in het hart van dat woord had geleefd en of de zaak zelf erdoor was aangezogen, was beetgegrepen door dat gewicht, door die mateloze zwaarte in het donkere gat van de geest was getrokken, tot er alleen nog dat ene was: en zo hadden we de horizon van de gebeurtenissen overschreden, vanwaar geen terugkeer meer mogelijk is. Mensen geloven nog in ideeën, in concepten, ze geloven dat woorden ideeën aanduiden, maar dat hoeft niet per se waar te zijn, misschien bestaan er niet echt ideeën, misschien zijn woorden, en het gewicht dat ze hebben, het enig werkelijk bestaande. En zo hadden wij ons misschien laten meeslepen door een woord en door de onontkoombaarheid ervan. Zou er in ons dan geen enkel idee zijn, geen enkele logica, geen enkele samenhang? Zou er niets anders zijn geweest dan de woorden van onze specifieke taal, niets anders dan dat woord, Endlösung, met zijn stralende schoonheid? Want het is toch onmogelijk om weerstand te bieden aan de verleiding van een dergelijk woord? Dat is even onvoorstelbaar als weerstand bieden aan woorden als gehoorzamen, dienen, wet. Misschien was dit in feite ook de bestaansreden van onze Sprachregelungen, die als camouflage (Tarnjargon) tamelijk doorzichtig waren, maar nuttig om degenen die woorden en uitdrukkingen bezigden als Sonderbehandlung (speciale behandeling), abtransportiert (afgevoerd), entsprechend behandelt (passend behandeld), Wohnsitzverlegung (verandering van woonplaats), en Exekutivmassnahmen (uitvoeringsmaatregelen), in de tang van hun abstractie te houden. Die tendens was doorgedrongen in ons hele ambtelijke taalgebruik, ons bürokratisches Amtsdeutsch, zoals mijn collega Eichmann weleens zei: in brieven en ook in toespraken overheersten de passieve constructies, ‘er is besloten dat...’, ‘de joden zijn vervoerd naar de speciale maatregelen’, ‘deze zware taak is volbracht’, en zo gebeurden de dingen volkomen vanzelf, niemand deed ooit iets, niemand handelde, het waren daden zonder daders en dat is altijd geruststellend, in zekere zin waren het zelfs geen daden, want door de specifieke manier waarop onze nationaal-socialistische taal met bepaalde substantieven omging, lukte het weliswaar niet om de werkwoorden volledig uit te bannen, maar wel om ze tot nutteloze (zij het decoratieve) aanhangsels te reduceren; zo konden we het stellen zonder handelingen en bleven alleen de feiten, de ongepolijste realiteiten die ofwel al aanwezig waren, ofwel wachtten op hun onvermijdelijke verwezenlijking, zoals de Einsatz, of de Einbruch (de inval), de Verwertung (het productief maken), de Entpolonisierung (de depolonisatie), de Ausrottung (de uitroeiing), maar ook, aan de andere kant, de Versteppung, de ‘verstepping’ van Europa door de bolsjewistische horden, die anders dan Attila de beschaving neermaaiden om weer gras voor de paarden te laten groeien. Man lebt in seiner Sprache, schreef Hanns Johst, een van onze beste nationaal-socialistische dichters, ‘de mens leeft in zijn taal’. Voss zou dat niet hebben tegengesproken, daarvan was ik overtuigd.
Terwijl ik nog wachtte op een uitnodiging van de Reichsführer voor een gesprek, hervatten de Engelsen met groot geweld hun luchtaanvallen op Berlijn. Dat was op 23 augustus, een maandag naar ik me herinner, diep in de nacht: ik was thuis en lag in bed, maar sliep waarschijnlijk nog niet toen de sirenes begonnen te loeien. Ik had de neiging om te blijven liggen, maar mijn deur dreunde al onder de vuistslagen van Frau Gutknecht. Ze stond zo hard te schreeuwen dat de sirenes nauwelijks meer te horen waren: ‘Herr Offizier! Herr Offizier!... Doktor Aue! Opstaan! De Luftmörder!!! Help!’ Ik trok een broek aan en deed de deur van het slot: ‘Tja, Frau Gutknecht. Dat is de raf. Wat moet ik daaraan doen?’ Haar hangwangen trilden, ze zag bleek van schrik, sloeg krampachtig kruistekens en bleef maar murmelen: ‘Jezus Maria Jozef, Jezus Maria Jozef, wat moeten we doen?’ – ‘We gaan naar beneden, naar de schuilkelder, net als alle anderen.’ Ik trok de deur weer dicht, kleedde me aan en liep rustig naar beneden, na mijn kamer op slot te hebben gedraaid met het oog op eventuele plunderaars. Je hoorde het gebulder van de Flak, vooral in het zuiden en aan de kant van Tiergarten. De kelder van het gebouw was als schuilplaats tegen luchtaanvallen ingericht: tegen een voltreffer zou hij niet bestand zijn geweest, maar het was beter dan niets. Ik wurmde me tussen de tassen en benen door en installeerde me in een hoekje, zo ver mogelijk uit de buurt van Frau Gutknecht, die haar ontzetting deelde met een paar buurvrouwen. Er waren kinderen die huilden van angst, andere renden kriskras tussen de volwassenen door, van wie sommige keurig aangekleed waren, andere nog in kamerjas. De kelder werd verlicht door slechts twee kaarsen met flakkerende, bevende vlammetjes, die als seismografen de nabije ontploffingen registreerden. Het alarm duurde verscheidene uren; jammer genoeg mocht er in dit soort schuilkelders niet worden gerookt. Ik moest zijn ingedommeld, ik geloof dat onze wijk door geen enkele bom werd getroffen. Na afloop ging ik naar boven en weer naar bed zonder een blik op straat te werpen. De volgende dag nam ik niet de u-Bahn maar belde naar het ss-Haus en vroeg of Piontek me kon komen ophalen. Hij vertelde dat de bommenwerpers uit het zuiden waren gekomen, waarschijnlijk van Sicilië, en dat vooral Steglitz, Lichterfelde en Marienfelde waren getroffen, al waren er ook gebouwen verwoest in Tempelhof en zelfs bij de Zoo. ‘De onzen hebben een nieuwe tactiek gevolgd, Wilde Sau noemden ze het op de radio, maar ze hebben niet duidelijk uitgelegd wat het inhield, Sturmbannführer. Blijkbaar werkt het, er schijnen ruim zestig toestellen van die schoften te zijn neergehaald. Arme Herr Jeschonnek, hij had nog even moeten wachten.’ Generaloberst Jeschonnek, stafchef van de Luftwaffe, had net zelfmoord gepleegd wegens de herhaaldelijk mislukte pogingen van zijn dienst om de Brits-Amerikaanse luchtaanvallen af te slaan. En inderdaad moest Piontek, nog voordat we aan de andere kant van de Spree waren, een omweg maken omdat een straat versperd werd door puin, de brokstukken van een gebouw waar een bommenwerper op was neergestort, waarschijnlijk een Lancaster: de staart van het toestel stak troosteloos boven de puinhopen uit, als de achtersteven van een schip op het moment dat het vergaat. De zon ging schuil achter zwarte, dikke rookwolken. Ik gaf Piontek opdracht me naar het zuiden van de stad te rijden: hoe verder we kwamen, hoe meer gebouwen er nog in brand stonden en hoe meer straten er vol brokstukken lagen. Mensen probeerden hun meubels uit de opengereten woningen te slepen om ze op te stapelen in de straten, die met brandspuiten onder water waren gezet; er stonden veldkeukens waar soep werd uitgedeeld aan rijen overlevenden, die in shock waren, uitgeput, besmeurd met roet; bij brandweerauto’s lagen menselijke gestalten naast elkaar op de stoep, soms staken de voeten, bloot of nog in een lachwekkend aandoende schoen, onder een vuil laken uit. Sommige straten werden geblokkeerd door trams, gekanteld door de druk van de explosies of uitgebrand; bovenleidingen hingen tot op het plaveisel, bomen lagen geknakt op de grond, andere stonden nog wel overeind maar waren kaal, beroofd van al hun bladeren. De zwaarst getroffen wijken waren onbegaanbaar; ik liet Piontek rechtsomkeert maken en naar het ss-Haus rijden. Dat was niet geraakt, maar door de bominslagen in de buurt waren de ramen gesprongen en de glasscherven op de trap voor de ingang knerpten onder mijn laarzen. In de hal liep ik Brandt tegen het lijf, die vreselijk opgewonden was, zijn gezicht straalde van een vreugde die me gezien de omstandigheden nogal verbaasde. ‘Wat is er aan de hand?’ Hij bleef even staan: ‘Ah, Sturmbannführer, u hebt het nog niet gehoord? Groot nieuws! De Reichsführer is tot minister van Binnenlandse Zaken benoemd.’ Dat waren dus de veranderingen waarover Thomas het had gehad, was mijn gedachte terwijl Brandt in de lift verdween. Zelf nam ik de trap: Fräulein Praxa zat op haar post, opgemaakt, fris als een hoentje. ‘Goed geslapen?’ – ‘Ach, weet u, Herr Sturmbannführer, ik woon in Weissensee, ik heb niets gehoord.’ – ‘Des te beter.’ Het raam in mijn werkkamer was onbeschadigd gebleven: ik had er een gewoonte van gemaakt om het ’s avonds open te laten. Ik probeerde het belang in te schatten van het nieuws dat ik zojuist van Brandt had gehoord, maar ik had niet genoeg informatie om het grondig te kunnen analyseren. Vooralsnog zou er voor ons niet veel veranderen, was mijn indruk: hoewel Himmler als hoofd van de Duitse politie formeel ondergeschikt was aan de minister van Binnenlandse Zaken, opereerde hij in feite al sinds minstens 1936 volstrekt autonoom; noch de vertrekkende minister Frick, noch diens staatssecretaris Stuckart was het ooit gelukt ook maar enige invloed uit te oefenen op het rsha of zelfs op het Hauptamt Orpo. Alleen over het burgerlijk bestuur, het ambtenarenapparaat, hadden ze een zekere controle weten te behouden, en ook dat zou nu onder de Reichsführer gaan ressorteren; maar ik kon niet geloven dat dit van wezenlijke betekenis was. Uiteraard kon deze benoeming tot minister de positie van de Reichsführer ten opzichte van zijn rivalen alleen maar versterken; ik was echter onvoldoende op de hoogte van de twisten binnen het hoogste echelon van de staat om dit element goed te kunnen beoordelen.
Ik verwachtte dat de mondelinge toelichting op mijn rapport door deze benoeming op de lange baan zou worden geschoven, maar daarmee had ik de Reichsführer verkeerd ingeschat. Twee dagen later werd ik op zijn kantoor ontboden. De nacht daarvoor waren de Engelsen teruggekomen, minder massaal dan de keer daarvoor, maar toch had ik weinig geslapen. Om een wat menselijker gelaatskleur te krijgen wreef ik koud water over mijn gezicht. Brandt staarde me door zijn uilenbril aan en gaf zoals gewoonlijk enkele raadgevingen vooraf: ‘U zult zich kunnen voorstellen dat de Reichsführer het momenteel extreem druk heeft. Niettemin stond hij erop u te spreken, want het gaat om een aangelegenheid waar hij vaart achter wil zetten. Uw rapport is als uitstekend beoordeeld, iets te direct wellicht, maar overtuigend. De Reichsführer zal u zeker om een toelichting vragen. Hou het kort. Hij heeft weinig tijd.’ Ditmaal ontving de Reichsführer me bijna met iets van hartelijkheid: ‘Beste Sturmbannführer Aue! Neemt u me niet kwalijk dat ik u de afgelopen dagen heb laten wachten.’ Hij gebaarde met zijn kleine, dikke, dooraderde hand naar een stoel: ‘Gaat u zitten.’ Net als de eerste keer had Brandt hem een map gebracht, waar hij in begon te bladeren. ‘U hebt dus die goede oude Globus ontmoet. Hoe gaat het met hem?’ – ‘Gruppenführer Globocnik leek in uitstekende conditie te verkeren, mein Reichsführer. Heel gedreven.’ – ‘En wat vindt u van zijn beleid inzake de opbrengsten van de Einsatz? U kunt vrijuit praten.’ Zijn kille oogjes fonkelden achter zijn knijpbril. Ineens schoten mij de eerste woorden van Globocnik te binnen; hij kende zijn Reichsführer inderdaad beter dan ik. Zorgvuldig koos ik mijn woorden: ‘De Gruppenführer is een vurig nationaal-socialist, mein Reichsführer, dat staat buiten kijf. Maar al die rijkdommen kunnen op zijn naaste omgeving een enorme aantrekkingskracht uitoefenen. Ik kreeg de indruk dat de Gruppenführer in dat opzicht strenger had kunnen zijn, dat hij in sommige ondergeschikten misschien iets te veel vertrouwen stelt.’ – ‘In uw rapport hebt u het veelvuldig over corruptie. Acht u dit een reëel probleem?’ – ‘Daarvan ben ik overtuigd, mein Reichsführer. Corruptie die bepaalde grenzen overschrijdt, tast het werk in de kampen en ook dat van de Arbeitseinsatz aan. Een ss’er die steelt, is een ss’er die door een gedetineerde kan worden omgekocht.’ Himmler nam zijn knijpbrilletje af, haalde een zakdoek tevoorschijn en begon de glazen te poetsen. ‘Vat uw conclusies voor mij samen. Kort alstublieft.’ Ik pakte een papier met aantekeningen uit mijn aktentas en begon: ‘In het kl-systeem zoals dat momenteel functioneert, mein Reichsführer, zie ik drie factoren die een optimaal en rationeel gebruik van de beschikbare arbeidskracht belemmeren. De eerste belemmering, we hebben er al over gesproken, is de corruptie van de ss’ers in de kampen. Dit is niet enkel een morele kwestie, het brengt ook tal van praktische problemen met zich mee. Maar daarvoor is al een remedie gevonden, namelijk de speciale commissie die u hebt ingesteld en die haar activiteiten zou moeten intensiveren. Tweede belemmering: het gebrek aan onderlinge afstemming van de verschillende organisaties, een probleem dat ondanks de inspanningen van Obergruppenführer Pohl nog steeds niet is opgelost. Staat u mij toe, mein Reichsführer, dit aan de hand van een voorbeeld uit mijn rapport te illustreren: op 28 december 1942 gaf Brigadeführer Glücks aan alle chef-artsen van de kl’s onder meer de opdracht om erop toe te zien dat de Häftlinge beter zouden worden gevoed, dit met het oog op het terugdringen van het sterftecijfer. De kampkeukens vallen onder een onderafdeling van afdeling d iv van het wvha; de rantsoenen daarentegen worden, in overleg met het ss-Hauptamt, centraal vastgesteld door d iv 2. Noch de kampartsen, noch Amt d iii hebben wat dat betreft iets in te brengen. Aan dit deel van het bevel is dus simpelweg geen gevolg gegeven; de rantsoenen zijn identiek aan die van het afgelopen jaar.’ Ik zweeg even. Himmler keek me vriendelijk aan en knikte even: ‘Toch is het sterftecijfer meen ik gedaald.’ – ‘Inderdaad, mein Reichsführer, maar dat heeft andere redenen. Er is vooruitgang geboekt op het gebied van verzorging en hygiëne, iets waarover de artsen rechtstreeks zeggenschap hebben. Maar het cijfer zou nog verder omlaag gebracht kunnen worden. Onder de huidige omstandigheden, als u mij deze opmerking toestaat, mein Reichsführer, betekent elke voortijdig overleden Häftling een nettoverlies voor de oorlogsproductie van het Reich.’ – ‘Dat weet ik beter dan u, Sturmbannführer,’ siste hij me toe op de misnoegde toon van een pedante schoolmeester. ‘Gaat u verder.’ – ‘Jawel, mein Reichsführer. De derde belemmerende factor is de mentaliteit van de oudgedienden onder de hogere officieren van de ikl. Zonder ook maar iets op hun kwaliteiten als mens, ss-officier en nationaal-socialist te willen afdingen, kan men toch niet om het feit heen dat de meesten van hen zijn opgeleid in een tijd dat de kampen nog een volstrekt andere functie hadden en volgens de richtlijnen van wijlen Obergruppenführer Eicke.’ – ‘Hebt u Eicke gekend?’ vroeg Himmler. – ‘Nee, mein Reichsführer. Die eer heb ik niet gehad.’ – ‘Dat is jammer. Hij was een groot man. Wij missen hem zeer. Maar neemt u me niet kwalijk, ik onderbrak u. Gaat u verder.’ – ‘Dank u, mein Reichsführer. Wat ik wilde zeggen is dat deze officieren hebben geleerd de kampen voornamelijk vanuit hun politieke en politionele functie te beschouwen, die destijds immers centraal stond. Ze hebben een grote ervaring, maar velen zijn niet in staat gebleken zich aan de nieuwe, economische doelstellingen van de kampen aan te passen. Dat is een kwestie van mentaliteit en van opleiding: slechts weinigen hebben ervaring met commerciële bedrijfsvoering, en hun samenwerking met de leiding van de wvha-bedrijven verloopt stroef. Ik benadruk dat dit een algemeen probleem is, een generatieprobleem als het ware, dat losstaat van de individuele personen, ook al heb ik er enkelen bij wijze van voorbeeld met name genoemd.’ Himmler ondersteunde zijn wijkende kin met de toppen van zijn vingers. ‘Goed, Sturmbannführer. Uw rapport zal op het wvha worden verspreid, ik denk dat het mijn vriend Pohl de nodige munitie zal verschaffen. Maar om niemand voor het hoofd te stoten brengt u eerst bepaalde correcties aan. Brandt zal u een lijst doen toekomen. Het voornaamste is dat u niemand met name noemt. U begrijpt wel waarom.’ – ‘Natuurlijk, mein Reichsführer.’ – ‘Wel machtig ik u om, uiteraard vertrouwelijk, een ongecorrigeerd afschrift van uw rapport te doen toekomen aan Dr. Mandelbrod.’ – ‘Zu Befehl, mein Reichsführer.’ Himmler hoestte, aarzelde even, haalde een zakdoek tevoorschijn en hoestte opnieuw, nu met de zakdoek voor zijn mond. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij terwijl hij de zakdoek weer wegstopte. ‘Ik heb een nieuwe taak voor u, Sturmbannführer. De door u genoemde kwestie van de voeding in de kampen is een vaak terugkerend probleem. Naar mijn idee hebt u daarover intussen al heel wat kennis vergaard.’ – ‘Mein Reichsführer...’ Hij gebaarde met zijn hand: ‘Jawel, jawel. Ik herinner me uw rapport over Stalingrad. Wat ik wil is het volgende: Amt d iii bestrijkt alle medische en sanitaire problemen, maar u hebt zelf benadrukt dat er geen instantie is die de voedselvoorziening voor de gedetineerden centraal regelt. Om dit probleem op te lossen heb ik besloten een werkgroep in te stellen waarin vertegenwoordigers van de verschillende afdelingen zitting zullen nemen. De coördinatie draag ik aan u op. U dient alle ter zake kundige afdelingen van de ikl erbij te betrekken; Pohl zal ook een vertegenwoordiger van de ss-bedrijven afvaardigen, die hun standpunt zal toelichten. Ook het rsha moet zijn inbreng kunnen leveren. Ten slotte wens ik dat u de andere betrokken ministeries raadpleegt, vooral dat van Speer, dat ons voortdurend bestookt met klachten van particuliere ondernemingen. Pohl zal de nodige deskundigen tot uw beschikking stellen. Ik wil een oplossing waar iedereen zich in kan vinden, Sturmbannführer. Wanneer u concrete voorstellen hebt uitgewerkt, legt u die aan mij voor; als ze waardevol en realistisch zijn, zullen ze worden overgenomen. Brandt zal u van al het nodige voorzien. Nog vragen?’ Ik ging kaarsrecht zitten. ‘Mein Reichsführer, ik voel me vereerd door uw vertrouwen en ik dank u. Over één ding zou ik graag zekerheid willen hebben.’ – ‘En dat is?’ – ‘Dat productieverhoging het hoofddoel blijft.’ Himmler leunde achterover, zijn handen losjes op de armleuningen; op zijn gezicht lag weer die licht spottende uitdrukking: ‘Voor zover dat de andere belangen van de ss niet schaadt en de lopende programma’s niet nadelig beïnvloedt, is het antwoord ja.’ Hij zweeg even. ‘De wensen van de andere ministeries zijn belangrijk, maar u weet dat er dwingende verplichtingen zijn waar zij onvoldoende zicht op hebben. Houdt u daar ook rekening mee. Wanneer u vragen hebt, wendt u zich tot Pohl. Hij weet wat ik wil. Goedendag, Sturmbannführer.’
Ik verliet Himmlers kantoor met een gevoel, dat moet ik bekennen, of ik liep te zweven in mijn laarzen. Eindelijk was mij een verantwoordelijke taak toevertrouwd, een echte verantwoordelijkheid! Men had dus ingezien wat ik werkelijk waard was. Bovendien was het een opbouwende taak, een mogelijkheid om te zorgen dat de zaken de goede kant op gingen, een kans om bij te dragen aan de oorlogsinspanningen en de overwinning van Duitsland – en niet door moord of vernietiging. Nog voor mijn gesprek met Rudolf Brandt gaf ik me als een puber over aan glorieuze en lachwekkende fantasieën: overtuigd door mijn waterdichte argumentatie schaarden alle afdelingen zich achter mij; de onbekwame en criminele elementen werden van hun functie ontheven en teruggestuurd naar hun holen; in een paar maanden tijd werd er aanzienlijke vooruitgang geboekt, de gedetineerden werden weer sterk en gezond, velen van hen gaven zich innerlijk over aan de kracht van het vrije nationaal-socialisme en zetten zich met vreugde in om Duitsland te helpen in de strijd; de productie ging van maand tot maand omhoog; ik kreeg een nog belangrijker functie, mijn invloed werd zo groot dat ik geheel conform de principes van de ware Weltanschauung tal van verbeteringen kon doorvoeren, en ook de Reichsführer luisterde naar mijn adviezen, die immers afkomstig waren van een der zuiverste nationaal-socialisten. Grotesk en puberaal, ik weet het, maar ook bedwelmend. Natuurlijk zou het in werkelijkheid wel wat anders gaan. Maar aanvankelijk was ik echt razend enthousiast. Zelfs Thomas leek onder de indruk. ‘Je ziet wat het oplevert als je mijn adviezen volgt in plaats van naar eigen goeddunken te handelen,’ merkte hij met zijn spottende glimlach op. Maar welbeschouwd was ik helemaal niet zo anders te werk gegaan dan tijdens onze gezamenlijke missie in 1939: opnieuw had ik me strikt aan de waarheid gehouden zonder me al te zeer om de consequenties te bekommeren; toevallig had ik ditmaal gewoon meer geluk gehad en stemde de waarheid overeen met wat men wilde horen.
Energiek ging ik aan de slag. Omdat er in het ss-Haus niet genoeg ruimte was, zorgde Brandt dat ik een aantal werkkamers kreeg op de hoogste verdieping van de Zentralabteilung van het ministerie van Binnenlandse Zaken aan de Königsplatz in een bocht van de Spree; ik had weliswaar geen uitzicht op de Reichstag maar kon aan de ene kant, achter de Kroll Opera, het groene, kalme gebied van Tiergarten zien liggen, en aan de andere kant, aan de overzijde van de rivier en de Moltke-brug, het douanestation van het Lehrter Bahnhof met zijn wirwar van rangeerlijnen waarop altijd een traag voorthobbelende bedrijvigheid heerste – een rustgevende aanblik die me steevast een kinderlijk plezier bezorgde. Nog prettiger was dat de Reichsführer hier nooit kwam: eindelijk kon ik in mijn kantoor ongestoord roken. Fräulein Praxa, die me inmiddels toch wel beviel, want ze kon tenminste de telefoon aannemen en boodschappen doorgeven, verhuisde met me mee; Piontek mocht ik ook houden. Verder kreeg ik van Brandt een Hauptscharführer toegewezen, Walser, die zich met de archivering zou bezighouden, alsmede twee typistes, en mocht ik een administratief assistent aanstellen met de rang van Untersturmführer; ik liet me door Thomas iemand aanbevelen: Asbach, een jongeman die een rechtenstudie en een cursus aan de ss-Junkerschule in Bad Tölz achter de rug had en onlangs bij de Gestapo in dienst was getreden.
Nog een aantal nachten achter elkaar kwamen de Britse vliegtuigen terug, maar het werden er telkens minder: de Wilde Sau, die onze jagers in staat stelde de vijandelijke toestellen van bovenaf te beschieten en tegelijkertijd zelf buiten het bereik van de Flak te blijven, had een vernietigende uitwerking; inmiddels gebruikte de Luftwaffe ook lichtkogels, zodat het doelwit even goed te zien was als overdag; na 3 september werden de luchtaanvallen helemaal gestaakt: onze nieuwe tactiek had hen ontmoedigd. Ik bezocht Pohl op zijn kantoor in Lichterfelde om de samenstelling van de werkgroep te bespreken. Pohl leek zeer in zijn schik dat het probleem nu eindelijk systematisch werd aangepakt; hij was het beu, verklaarde hij onomwonden, om zijn Kommandanten orders te sturen die niets uithaalden. We kwamen overeen dat Amtsgruppe d drie vertegenwoordigers zou afvaardigen, één per afdeling; Pohl stelde me ook voor een bestuurslid van het hoofdkantoor van de dwb te nemen, iemand die ons zou kunnen adviseren over de economische aspecten en de beperkingen van bedrijven waar gedetineerden tewerkgesteld werden; ten slotte stelde hij zijn voedingsinspecteur tot mijn beschikking, professor Weinrowski, een vroeggrijze man met waterige ogen en in zijn kin een diepe groef, waarin een paar stugge, aan het scheermes ontsnapte haren groeiden. Weinrowski deed al bijna een jaar vergeefse pogingen om de voedselsituatie van de Häftlinge te verbeteren; wel had hij ruimschoots ervaring met de belemmerende factoren, en Pohl wilde dat hij bij onze werkzaamheden betrokken werd. Na een briefwisseling met de verschillende afdelingen riep ik een eerste vergadering bijeen om de huidige stand van zaken te bespreken. Op mijn verzoek had professor Weinrowski met zijn assistent, Hauptsturmführer Dr. Isenbeck, een kort memorandum opgesteld, dat onder de aanwezigen werd verspreid en door hem mondeling werd toegelicht. Het was een prachtige nazomerdag in september; de zon bescheen de bomen van Tiergarten, wierp grote lichtvlakken in onze vergaderzaal en veranderde de haardos van de professor in een stralend aureool. De voedselsituatie van de Häftlinge was vrij onoverzichtelijk, legde Weinrowski op zijn hakkelige, belerende toon uit. In de centrale directieven waren weliswaar normen en budgetten vastgelegd, maar de kampen bevoorraadden zich natuurlijk ter plekke, wat soms tot aanzienlijke verschillen leidde. Als typisch voorbeeld noemde hij kl Auschwitz: voor een Häftling die zwaar werk verrichtte, gold daar een officieel dagrantsoen van 350 gram brood, een halve liter ersatz-thee en een liter aardappel- of raapsoep, waaraan vier keer per week twintig gram vlees moest worden toegevoegd. Gedetineerden die licht werk verrichtten of in de ziekenbarak verbleven, kregen uiteraard minder; ook waren er allerlei speciale rantsoenen, bijvoorbeeld voor de kinderen in het familiekamp, of voor de gedetineerden die voor medische experimenten waren geselecteerd. Kort samengevat kreeg een gedetineerde met zwaar werk officieel ongeveer 2.150 calorieën per dag, een gedetineerde met licht werk 1.700. Nog los van de vraag of deze normen ook daadwerkelijk werden gehaald, was het duidelijk onvoldoende: een man die geen arbeid verricht, heeft al naar gelang zijn lengte, zijn gewicht en afhankelijk van de omgeving, in ieder geval 2.100 calorieën per dag nodig om gezond te blijven; voor een werkende man zijn dat er 3.000. De gedetineerden konden dus niet anders dan wegkwijnen, temeer daar het evenwicht tussen vetten, koolhydraten en eiwitten volstrekt niet in acht werd genomen: hoogstens 6,4 procent van het rantsoen bestond uit eiwitten, terwijl dat minstens tien of zelfs vijftien procent zou moeten zijn. Na afloop van zijn uiteenzetting ging Weinrowski met een tevreden gezicht zitten en ik nam het woord om een selectie voor te lezen van de reeks orders die de Reichsführer aan Pohl had gegeven ter verbetering van de voeding in de kampen, en die ik had laten analyseren door mijn nieuwe assistent, Asbach. De eerste dateerde van maart 1942 en bleef nog vrij vaag: enkele dagen na de integratie van de ikl in het wvha vroeg de Reichsführer Pohl eenvoudigweg om geleidelijk een dieet te ontwikkelen zoals dat van de Romeinse soldaten of de Egyptische slaven, dat alle vitaminen bevatte en toch eenvoudig en goedkoop zou blijven. De volgende brieven werden specifieker: meer vitaminen, grote hoeveelheden rauwe groenten en uien, wortels, koolraap, witte raap, en verder knoflook, veel knoflook, vooral in de winter, om de gezondheidstoestand te verbeteren. ‘Ik ken die orders,’ verklaarde professor Weinrowski toen ik was uitgesproken. ‘Naar mijn mening is dat echter niet wat wezenlijk nodig is. Voor iemand die arbeid verricht, zijn calorieën en eiwitten het belangrijkst; de vitaminen en sporenelementen zijn in feite secundair.’ Hauptsturmführer Dr. Alicke, die Amt d iii vertegenwoordigde, beaamde dit; de jonge Isenbeck daarentegen had zo zijn twijfels: hij was blijkbaar van mening dat het belang van vitaminen in de klassieke voedingsleer wordt onderschat, en alsof daarmee het pleit beslecht was, kwam hij op de proppen met een artikel uit een Engels vakblad, verschenen in 1938, al maakte hij daarmee kennelijk niet veel indruk op Weinrowski. Hauptsturmführer Gorter, de vertegenwoordiger van de Arbeitseinsatz, nam op zijn beurt het woord. De gezamenlijke statistieken met betrekking tot de geregistreerde gedetineerden gaven nog steeds een geleidelijke verbetering van de situatie te zien; van 2,8 procent in april was het gemiddelde sterftepercentage in juli gezakt naar 2,23 en in augustus naar 2,09. Zelfs in Auschwitz bleef het nu rond de 3,6 – een opmerkelijke daling sinds maart. ‘Op dit moment telt het kl-systeem ongeveer 160.000 gedetineerden: hiervan zijn er door de Arbeitseinsatz slechts 35.000 als arbeidsonbekwaam geclassificeerd, terwijl er 100.000 buiten de kampen tewerkgesteld zijn in fabrieken en andere bedrijven, en dat is geen gering aantal.’ Dankzij de bouwprogramma’s van Amtsgruppe c verminderde de overbezetting, die een bron van epidemieën was; de kleding voor de gedetineerden bleef een probleem, ook al werden de in beslag genomen joodse spullen daarvoor ingezet, maar op medisch gebied was er grote vooruitgang geboekt; kortom, de situatie leek zich te stabiliseren. Obersturmführer Jedermann, van Amt ii, verklaarde zich in grote lijnen akkoord met deze zienswijze; verder wees hij erop dat de kostenbeheersing een vitaal probleem bleef: de financiële speelruimte bleef beperkt. ‘Dat is volkomen waar,’ aldus Sturmbannführer Rizzi, de door Pohl aangewezen economisch deskundige. ‘Toch spelen tal van factoren een rol.’ Rizzi was een officier van mijn leeftijd met een haast Slavisch voorkomen; zijn haar was dun en hij had een wipneus; bij het spreken bewoog hij nauwelijks zijn smalle, bleke lippen, maar hij drukte zich helder en precies uit. Algemeen gezien kon de productiviteit van een Häftling worden weergegeven als een percentage van de productiviteit van een Duitse of een buitenlandse arbeider; de twee laatstgenoemde categorieën brachten aanzienlijk meer kosten met zich mee dan de gedetineerden, nog afgezien van het feit dat hun beschikbaarheid steeds verder terugliep. Sinds de grote industrieën en het ministerie van Bewapening over oneerlijke concurrentie hadden geklaagd, kon de ss geen gedetineerden meer tegen kostprijs aan de eigen bedrijven leveren, maar moest ze dezelfde prijs in rekening brengen als aan externe ondernemingen, dat wil zeggen vier à zes Reichsmark per dag, ook al lagen de feitelijke onderhoudskosten voor een gedetineerde duidelijk onder dat bedrag. Een lichte verhoging van de feitelijke onderhoudskosten kon, mits een en ander deugdelijk werd geregeld, een aanzienlijke verhoging van de productiviteit betekenen, en daar zouden alle partijen baat bij hebben. ‘Ik zal dit nader toelichten: het wvha geeft momenteel zo’n anderhalve Reichsmark per dag uit voor een gedetineerde die in staat is tot tien procent van het werk dat een Duitse arbeider per dag kan verrichten. We hebben per dag dus tien gedetineerden nodig, ofwel vijftien Reichsmark, om één Duitser te vervangen. Veronderstel nu dat we in staat zijn om met twee Reichsmark per dag een gedetineerde op krachten te laten komen, de duur van zijn arbeidsgeschiktheid te verlengen en hem behoorlijk te scholen? In dat geval is het niet ondenkbaar dat een gedetineerde na enkele maanden vijftig procent van het werk zou kunnen verrichten dat normaal door een Duitse arbeider wordt gedaan: we hebben dan nog maar twee gedetineerden nodig, ofwel vier Reichsmark per dag, om een Duitser te vervangen. Kunt u me volgen? Uiteraard zijn dit globale cijfers. We zouden het nader moeten onderzoeken.’ – ‘Zou u die taak op u willen nemen?’ vroeg ik belangstellend. – ‘Wacht, wacht,’ viel Jedermann me in de rede. ‘Als ik voor 100.000 gedetineerden twee in plaats van anderhalve Reichsmark moet betalen, dan is dat een netto kostenverhoging van 50.000 Reichsmark per dag. Of ze meer of minder produceren, verandert daar niets aan. Mijn budget blijft even groot.’ – ‘Dat is waar,’ antwoordde ik. ‘Maar ik begrijp waar Sturmbannführer Rizzi heen wil. Als zijn redenering juist is, betekent dat voor de ss meer winst, aangezien de gedetineerden meer zullen produceren zonder dat dit hogere kosten met zich meebrengt voor de bedrijven waar ze tewerkgesteld zijn. Als dit kan worden aangetoond, hoeft alleen Obergruppenführer Pohl er nog van overtuigd te worden een deel van de extra winst te laten terugvloeien naar het onderhoudsbudget van Amtsgruppe d.’ – ‘Ja, dat is geen gek idee,’ vond Gorter, die Maurer vertegenwoordigde. ‘En wanneer de gedetineerden het langer volhouden, kunnen er uiteindelijk ook meer arbeidskrachten worden ingezet. Vandaar dat het zo belangrijk is om het sterftecijfer omlaag te brengen.’
Hiermee werd de vergadering beëindigd; met het oog op de volgende zitting verdeelde ik de taken. Rizzi zou de validiteit van zijn idee nader gaan onderzoeken; Jedermann zou met een gedetailleerd verhaal over zijn budgettaire beperkingen komen; en met instemming van Weinrowski (die duidelijk niet veel zin had om op reis te gaan) belastte ik Isenbeck met de taak om op korte termijn vier kampen te inspecteren: de kl’s Ravensbrück, Sachsenhausen, Gross-Rosen en Auschwitz, waar hij informatie zou verzamelen over alle rantsoenlijsten en over de maaltijden die sinds een maand daadwerkelijk aan de hoofdcategorieën van gedetineerden waren verstrekt; vooral zou hij monsters nemen van de rantsoenen, die we zouden laten analyseren: ik wilde in staat zijn de op papier vastgestelde maaltijden te vergelijken met de feitelijk verstrekte voeding.
Bij die laatste opmerking had Rizzi me nieuwsgierig aangekeken; nadat de zitting was opgeheven, nam ik hem mee naar mijn kantoor. ‘Hebt u redenen om aan te nemen dat de Häftlinge niet krijgen wat hun toekomt?’ vroeg hij op zijn scherpe, bruuske manier. Het leek me een intelligente man, en zijn uitlatingen hadden me de indruk gegeven dat onze ideeën en doelstellingen wel met elkaar strookten: ik besloot hem tot bondgenoot te maken; in elk geval leek het me niet riskant om openhartig met hem te praten. ‘Ja, die heb ik,’ verklaarde ik. ‘De corruptie in de kampen is een ernstig probleem. Een groot deel van de door d iv ingekochte levensmiddelen wordt verduisterd. Het is moeilijk precies te berekenen, maar de Häftlinge aan het eind van de keten – ik heb het niet over de kapo’s en de Prominenten – krijgen waarschijnlijk twintig tot dertig procent minder dan het vastgestelde rantsoen. Omdat dit op zich al onvoldoende is, hebben alleen de gedetineerden die er – legaal of illegaal – in slagen iets extra’s te bemachtigen, een kans om meer dan enkele maanden in leven te blijven.’ – ‘Ik begrijp het.’ Hij dacht na, lichtte zijn bril op en wreef over zijn neusbrug. ‘We zouden een nauwkeurige berekening moeten maken van de gemiddelde levensverwachting en die al naar gelang de specialisatiegraad moeten variëren.’ Opnieuw zweeg hij even, om af te sluiten met een: ‘Goed, ik zal eens zien.’
Helaas werd me al snel duidelijk dat mijn aanvankelijk enthousiasme enigszins moest worden getemperd. De volgende bijeenkomsten verzandden in een overvloed aan technische details, die even talrijk als tegenstrijdig waren. Isenbeck had een gedegen analyse gemaakt van de voorgeschreven rantsoenen, maar wist die blijkbaar niet in verband te brengen met de feitelijk verstrekte maaltijden; Rizzi leek zich vast te bijten in het idee dat het onderscheid tussen geschoolde en ongeschoolde arbeiders van primair belang was en dat wij onze inspanningen op de eerste categorie dienden te richten; over de kwestie van de vitaminen kon Weinrowski niet met Isenbeck en Alicke tot overeenstemming komen. Teneinde de discussies een nieuwe impuls te geven nodigde ik een vertegenwoordiger uit van het ministerie van Speer; Schmelter, hoofd van de afdeling voor het toewijzen van arbeidskrachten, antwoordde me dat het hoog tijd werd dat de ss dit probleem aanpakte en stuurde me een Oberregierungsrat met een lange klachtenlijst. Speers ministerie had kort daarvoor een aantal bevoegdheden van het ministerie van Economische Zaken overgenomen en om die machtsuitbreiding te weerspiegelen was het omgedoopt tot ministerie van Bewapening en Oorlogsproductie – rmfruk, zoals de barbaarse afkorting luidde; deze reorganisatie leek tot uitdrukking te komen in de onverholen zelfverzekerdheid van Dr. Kühne, die door Schmelter was afgevaardigd. ‘Ik spreek niet alleen namens het ministerie,’ begon hij, nadat ik hem aan de andere leden van de commissie had voorgesteld, ‘maar ook namens de bedrijven die gebruikmaken van door de ss geleverde arbeidskrachten, waarover ons dagelijks dezelfde klachten bereiken.’ Deze Oberregierungsrat droeg een kastanjebruin kostuum met een vlinderdasje en had een Pruisische borstelsnor; zijn schaarse haarslierten waren met zorg opzij gekamd om zijn langwerpige schedel nog enigszins te bedekken. Dat ietwat lachwekkende voorkomen werd echter gelogenstraft door zijn ferme taal. Zoals ons ongetwijfeld bekend was, kwamen de gedetineerden over het algemeen in zeer verzwakte staat bij de fabrieken aan, en dikwijls moesten ze al na enkele weken uitgeput naar het kamp worden teruggestuurd, terwijl het toch minstens een paar weken duurde voordat ze waren ingewerkt; er was een tekort aan instructeurs en de middelen ontbraken om elke maand nieuwe groepen te scholen. Bovendien kon een taak die enige scholing vergde, pas na een half jaar met enigszins bevredigend rendement worden verricht, en maar weinig gedetineerden hielden het zo lang vol. Reichsminister Speer was erg teleurgesteld over deze gang van zaken en meende dat de bijdrage van de ss aan de oorlogsinspanningen in dit opzicht voor verbetering vatbaar was. Tot besluit overhandigde hij ons een memorandum met citaten uit brieven van de betrokken bedrijven. Na zijn vertrek bladerde ik wat in dat memorandum, terwijl Rizzi schouderophalend langs zijn dunne lippen likte: ‘Dat heb ik aldoor al gezegd: gekwalificeerde arbeiders.’ Ook bij de organisatie van Sauckel, de gba ofwel de gevolmachtigde voor de Arbeitseinsatz, had ik gevraagd om iemand te sturen voor een uiteenzetting over de inzichten daar. Een assistent van Sauckel had me nogal scherp geantwoord dat de Sipo zich kennelijk geroepen voelde om op grond van allerhande voorwendsels buitenlandse arbeiders op te pakken en naar de kampen te sturen met de bedoeling de bezetting van die kampen te vergroten, en dat de ss zich dus zelf maar om hun onderhoud moest bekommeren; de gba voelde zich daar niet meer bij betrokken. Brandt had me er telefonisch aan herinnerd dat de Reichsführer veel belang hechtte aan de mening van het rsha; ik had dus een brief geschreven aan Kaltenbrunner, die me had verwezen naar Müller, die me op zijn beurt had geantwoord dat ik contact moest opnemen met Obersturmbannführer Eichmann. Tevergeefs had ik tegengeworpen dat deze problematiek veel verder strekte dan het jodenvraagstuk, terwijl daar toch Eichmanns enige competentie lag; Müller had voet bij stuk gehouden; ik belde dus naar de Kurfürstenstrasse en vroeg Eichmann of hij me een medewerker kon sturen; hij antwoordde dat hij liever zelf kwam. ‘Günther, mijn tweede man, zit in Denemarken,’ legde hij uit toen ik hem begroette. ‘Bovendien wil ik vragen van zulk gewicht liever zelf behandelen.’ Toen we allen rond de grote tafel zaten, begon hij een genadeloos requisitoir tegen de joodse gedetineerden, die naar zijn mening een toenemende bedreiging vormden; sinds Warschau waren er steeds meer opstanden geweest; bij een oproer in een bepaald kamp in het Oosten (het ging om Treblinka, maar Eichmann noemde de naam niet) waren onder de ss’ers verscheidene doden gevallen en waren honderden gedetineerden ontsnapt; ze waren niet allemaal weer opgepakt. Het rsha vreesde, evenals de Reichsführer zelf, dat dergelijke incidenten zich veelvuldiger zouden voordoen; en gezien de gespannen situatie aan het front kon men zich dat niet veroorloven. Hij herinnerde ons er bovendien aan dat alle joden die in rsha-konvooien naar de kampen werden getransporteerd, zonder uitzondering ter dood waren veroordeeld. ‘Daar valt niets aan te veranderen, zelfs al zou men het willen. Hoogstens heeft men het recht om, voordat ze sterven, op een bepaalde manier hun werkkracht voor het Reich te benutten.’ Met andere woorden, zelfs als bepaalde politieke doelstellingen om economische redenen werden opgeschort, bleven ze toch van kracht; het ging dus niet om het onderscheid tussen gekwalificeerde en niet-gekwalificeerde gedetineerden – ik had hem kort over onze besprekingen ingelicht –, maar om dat tussen de politiek-politionele categorieën. Russische of Poolse arbeiders die wegens diefstal waren aangehouden bijvoorbeeld, werden weliswaar naar een kamp gestuurd, maar verder ging hun straf niet; het wvha kon dus naar believen over hen beschikken. Met de gedetineerden die wegens Rassenschande waren veroordeeld, lag het al moeilijker. Er kon echter geen misverstand bestaan over de joden en de asociale elementen die door het ministerie van Justitie waren doorgestuurd: in zekere zin waren zij alleen maar aan het wvha uitgeleend, want de rechtsbevoegdheid over hen bleef tot aan hun dood bij het rsha berusten; op hen diende strikt het beleid van Vernichtung durch Arbeit te worden toegepast: het was dus zinloos om voedsel aan hen te verspillen. Deze uitspraken maakten op enkele commissieleden diepe indruk, en na Eichmanns vertrek werd geopperd dat er voor de joodse gedetineerden andere rantsoenen zouden moeten gelden dan voor de andere; ik zocht zelfs Oberregierungsrat Kühne nog eens op om hem van deze suggestie op de hoogte te stellen; hij antwoordde me schriftelijk dat de bedrijven in dat geval beslist geen joodse gedetineerden meer zouden willen, hetgeen strijdig was met het akkoord tussen Reichsminister Speer en de Führer, alsook met het decreet van januari 1943 over het mobiliseren van arbeidskracht. Toch waren de andere commissieleden niet bereid om dit idee helemaal te laten varen. Rizzi vroeg Weinrowski of het technisch mogelijk was te berekenen welk rantsoen geschikt was om een mens na een bepaalde periode te laten sterven; een rantsoen bijvoorbeeld waarop een ongeschoolde jood drie maanden in leven kon blijven, een ander waarop een geschoolde asociaal het negen maanden kon uithouden enzovoorts. Weinrowski moest hem uitleggen dat dit niet mogelijk was; het hing helemaal af van het gewicht en de weerstand van een individu, nog afgezien van factoren als kou en ziekte; met hetzelfde rantsoen kon het ene individu binnen drie weken sterven, terwijl een ander eindeloos in leven bleef; temeer daar een gewiekste gevangene altijd wel iets extra’s kon opscharrelen, terwijl degene die al verzwakt en apathisch was, des te sneller crepeerde. Deze argumentatie bracht Hauptsturmführer Dr. Alicke op een briljant idee: ‘Dat betekent toch,’ zei hij, als het ware hardop denkend, ‘dat de sterkste gedetineerden er altijd in zullen slagen een deel van de rantsoenen van de zwakkere in te pikken en zo te overleven. En is het in zekere zin niet in ons belang dat de zwakste gedetineerden hun rantsoen niet helemaal krijgen? Zijn ze eenmaal onder een bepaald zwakteniveau, dan komt het vanzelf zover dat ze zich hun rantsoen laten afpakken, minder eten, sneller sterven, en dan sparen wij dus hun voedsel uit. Wat er van hen wordt gestolen, draagt bij aan het sterker maken van de toch al gezondere gevangenen, die daardoor des te beter zullen werken. Dit is gewoon het natuurlijke mechanisme van de overleving van de sterkste, zoals een ziek dier sneller aan roofdieren ten prooi valt.’ Daarmee ging hij toch wel wat ver, en ik reageerde scherp: ‘Hauptsturmführer, de Reichsführer heeft het systeem van concentratiekampen niet ingesteld om achter gesloten deuren sociaal-darwinistische experimenten uit te voeren. Uw redenering lijkt mij dus niet erg relevant.’ Ik richtte me tot de anderen: ‘De eigenlijke vraag is waar we prioriteit aan willen geven. Aan de politieke richtlijnen of aan de economische behoeften?’ – ‘Daarover kan zeker niet op ons niveau worden beslist,’ merkte Weinrowski kalm op. – ‘Akkoord,’ aldus Gorter, ‘maar voor de Arbeitseinsatz zijn de instructies niettemin duidelijk: we moeten alles in het werk stellen om de productiviteit van de Häftlinge te verhogen.’ – ‘Voor onze ss-bedrijven geldt hetzelfde,’ stelde Rizzi op zijn beurt. ‘Toch kunnen we bepaalde ideologische imperatieven niet buiten beschouwing laten.’ – ‘In ieder geval, meine Herren, hoeven wij deze kwestie niet op te lossen,’ zei ik tot besluit. ‘De Reichsführer heeft mij gevraagd om aanbevelingen te formuleren die recht doen aan de belangen van uw onderscheiden afdelingen. In het ergste geval kunnen we verschillende voorstellen uitwerken en aan hem de keuze laten; de uiteindelijke beslissing ligt toch bij hem.’
Ik begon te beseffen dat deze vruchteloze discussies nog eindeloos konden duren, en dat vooruitzicht beangstigde me; daarom besloot ik van tactiek te veranderen: ik zou een concreet voorstel uitwerken en dit – waar nodig met kleine wijzigingen – door de anderen laten goedkeuren. Daartoe wilde ik eerst tot overeenstemming komen met de specialisten: Weinrowski en Isenbeck. Toen ik Weinrowski hierover benaderde, begreep hij mijn bedoelingen al snel en zegde hij me zijn steun toe; en Isenbeck zou doen wat hem werd gevraagd. Het ontbrak ons echter nog aan concrete cijfers. Weinrowski meende te weten dat de ikl al onderzoek naar deze kwestie had verricht; ik stuurde Isenbeck met een dienstopdracht naar Oranienburg; triomfantelijk kwam hij terug met een stapel dossiers: aan het eind van de jaren dertig had de medische afdeling van de ikl in kl Buchenwald een reeks experimenten gedaan met betrekking tot de voeding van gedetineerden die dwangarbeid moesten verrichten; alleen met behulp van straf of de dreiging met straf had men een groot aantal varianten uitgeprobeerd, door dikwijls een ander rantsoen te geven en de proefpersonen geregeld te wegen; dit had veel cijfermateriaal opgeleverd. Terwijl Isenbeck de rapporten bestudeerde, sprak ik met Weinrowski over wat wij de ‘secundaire factoren’ noemden, zoals hygiëne, kou, ziekte, slaag. Ik vroeg bij de sd een kopie op van mijn rapport over Stalingrad, dat juist over deze onderwerpen handelde; bij het doorbladeren daarvan riep Weinrowski ineens: ‘Ah, u citeert Hohenegg!’ En door die woorden maakte de herinnering aan deze man, diep in mij weggestopt als een luchtbel in glas, zich los en steeg omhoog, steeds sneller naar de oppervlakte, waar ze uiteenspatte: wat vreemd, zei ik bij mezelf, ik heb lang niet meer aan hem gedacht. ‘Kent u hem?’ vroeg ik Weinrowski, ineens hevig opgewonden. – ‘Jazeker! Hij is een van mijn collega’s aan de medische faculteit van Wenen.’ – ‘Hij leeft dus nog?’ – ‘Ja, vast wel, waarom niet?’
Onmiddellijk deed ik navraag: Hohenegg was inderdaad in leven en het kostte me geen enkele moeite om hem te traceren; hij werkte ook in Berlijn, bij de geneeskundige dienst in de Bendlerstrasse. Opgetogen liet ik hem aan de telefoon roepen, zonder mijn naam te hebben genoemd; zijn trage, melodieuze stem klonk een beetje verstoord toen hij zei: ‘Ja?’ – ‘Professor Hohenegg?’ – ‘Spreekt u mee. Waar gaat het over?’ – ‘Ik bel u vanuit de ss. Het gaat om een oude schuld.’ Zijn toon werd nog iets korter. ‘Wat bedoelt u? Wie bent u?’ – ‘Ik bedoel een fles cognac die u me negen maanden geleden hebt beloofd.’ Nu begon Hohenegg hartelijk te lachen: ‘Helaas, ik moet u iets bekennen: ik nam aan dat u dood was en toen heb ik hem zelf opgedronken, op uw gezondheid.’ – ‘U mist het nodige vertrouwen.’ – ‘U bent dus nog in leven.’ – ‘En bevorderd, tot Sturmbannführer.’ – ‘Bravo! Enfin, nu moet ik dus een andere fles zien op te duikelen.’ – ‘Ik geef u vierentwintig uur: we maken hem morgenavond soldaat. In ruil nodig ik u voor het avondeten uit. Bij Borchardt om acht uur, schikt dat?’ Hohenegg liet een veelzeggend gefluit horen: ‘Blijkbaar hebt u ook salarisverhoging gehad. Ik wil u er wel op wijzen dat het oesterseizoen nog niet is aangebroken.’ – ‘Geen probleem, dan nemen we wildzwijnpaté. Tot morgen.’
Zodra Hohenegg me zag, wilde hij per se mijn littekens betasten; ik liet hem rustig begaan, verbaasd aangestaard door de oberkelner die ons de wijnkaart kwam brengen. ‘Goed werk,’ zei Hohenegg, ‘goed werk. Als dit vóór Kislovodsk was gebeurd, had ik uw geval tijdens mijn voordracht zeker genoemd. Het is maar goed dat ik destijds zo koppig ben geweest.’ – ‘Wat bedoelt u?’ – ‘De chirurg in Goemrak wilde u niet meer opereren, wat begrijpelijk was. Hij had een laken over uw gezicht getrokken en tegen de verplegers gezegd dat u het beste, zoals daar vaak gebeurde, buiten in de sneeuw kon worden gelegd, zodat het sneller afgelopen zou zijn. Ik kwam toen net langs en zag dat het laken ter hoogte van de mond bewoog; dat vond ik natuurlijk vreemd, een dode die onder zijn lijkwade lag te hijgen. Ik tilde het laken op: u kunt zich mijn verbazing voorstellen. Het minste wat ik kon doen, overwoog ik, was aan iemand anders te vragen zich om u te bekommeren. De chirurg wilde het niet en we kregen een korte woordenwisseling, maar ik was hoger in rang, hij kon niet weigeren. Hij bleef maar roepen dat het zonde van de tijd was. Ik had nogal haast, ik heb hem laten begaan, ik neem aan dat hij zich tot een bloedstelping heeft beperkt. Maar ik ben blij dat het toch iets heeft opgeleverd.’ Verstard, ademloos zat ik te luisteren; tegelijkertijd voelde ik me eindeloos ver van dit alles verwijderd, alsof het over een ander ging, iemand die ik nauwelijks had gekend. De ober kwam met de wijn. Hohenegg hield hem tegen voordat hij kon inschenken: ‘Een ogenblik, alstublieft. Kunt u ons twee cognacglazen brengen?’ – ‘Maar natuurlijk, Herr Oberstarzt.’ Met een glimlach haalde Hohenegg een fles Hennessy uit zijn aktentas en zette die op tafel: ‘Ziezo. Belofte maakt schuld.’ De ober bracht de glazen, ontkurkte de fles en schonk in. Hohenegg pakte zijn glas en stond op; ik deed hetzelfde. Ineens keek hij ernstig, en het viel me op dat hij veel ouder leek dan ik me herinnerde: de huid onder zijn ogen en op zijn vlezige wangen zag er slap uit; hij was nog steeds gezet, maar toch leek zijn hele lichaam te zijn samengekrompen rond zijn geraamte. ‘Ik stel voor dat we drinken op alle ongelukkige kameraden die minder geboft hebben dan wij. Vooral op hen die nog in leven zijn, waar dan ook.’ We namen een slok en gingen weer zitten. Hohenegg speelde nog even zwijgend met zijn mes, toen klaarde zijn gezicht weer op. Ik vertelde hem hoe ik uit Stalingrad weggekomen was, althans wat Thomas me erover had verteld, en vroeg hoe het hem daar was vergaan. ‘In mijn geval lag de zaak eenvoudiger. Ik had mijn werk verricht en mijn rapport voorgelegd aan generaal Renoldi, die zijn koffers voor Siberië al aan het pakken was en verder nergens meer aandacht voor had, en ik besefte dat men mij was vergeten. Gelukkig kende ik een hulpvaardige jongeman bij het aok; dankzij hem kon ik een bericht naar het okhg sturen met een kopie voor mijn faculteit, waarin ik simpelweg liet weten dat ik mijn rapport kon afleveren. Zo werden ze aan mijn bestaan herinnerd en de dag daarop kreeg ik bevel om de Kessel te verlaten. Ik ben trouwens op u gestuit toen ik in Goemrak op een vliegtuig wachtte. Ik zou u graag hebben meegenomen, maar u kon in die toestand niet worden vervoerd en ik kon niet wachten tot u was geopereerd, er kwamen steeds minder vliegtuigen. Ik geloof trouwens dat ik een van de laatste vluchten uit Goemrak had. Het vliegtuig dat iets eerder ging, is voor mijn ogen neergestort; bij mijn aankomst in Novorossisk was ik nog helemaal daas van de klap van de explosie. Bij de start vlogen we dwars door de rook en de vlammen die uit het wrak opstegen – heel aangrijpend. Ik ben met verlof geweest en daarna hebben ze me, in plaats van me naar het nieuwe Zesde Leger terug te sturen, een functie bij het okw gegeven. En u, wat voert u tegenwoordig uit?’ Onder het eten beschreef ik hem de problemen van mijn werkgroep. ‘Dat lijkt me inderdaad een lastig vraagstuk,’ merkte hij op. ‘Weinrowski ken ik goed, dat is een fatsoenlijke vent en een integere wetenschapper; maar hij heeft geen enkel politiek benul en blundert nogal eens.’ Ik dacht na: ‘Kunt u hem niet eens samen met mij ontmoeten? Om ons te helpen een koers te bepalen.’ – ‘Waarde Sturmbannführer, ik herinner u eraan dat ik een officier van de Wehrmacht ben. Ik betwijfel of uw meerderen – en de mijne – het zouden waarderen als u mij in die droefgeestige geschiedenis betrekt.’ – ‘Niet officieel natuurlijk. Gewoon een privégesprek met uw oude vriend van de faculteit?’ – ‘Ik heb nooit gezegd dat hij een vriend van me was.’ Peinzend streek Hohenegg over zijn kale schedel; zijn halsplooien hingen over zijn dichtgeknoopte kraag. ‘Als patholoog-anatoom bewijs ik de menselijke soort natuurlijk altijd graag een dienst; per slot heb ik aan cliënten nooit gebrek. Als u wilt, kunnen we deze fles cognac dan met z’n drieën leegdrinken.’
Weinrowski nodigde ons bij hem thuis uit. Hij woonde met zijn vrouw in een driekamerappartement in Kreuzberg. Op de piano stonden twee foto’s van jonge mannen, de één in een zwarte lijst met een rouwlint: zijn oudste zoon Egon was bij Demjansk gesneuveld; de jongste diende in Frankrijk en had het tot voor kort rustig gehad, maar zijn divisie was onlangs met spoed naar Italië gezonden om het nieuwe front te versterken. Terwijl Frau Weinrowski ons thee met gebak voorzette, bespraken we de situatie in Italië: zoals bijna iedereen had voorzien, had Badoglio alleen maar een gelegenheid afgewacht om zich bij het andere kamp te scharen; zodra de Britten en Amerikanen voet op Italiaanse bodem hadden gezet, had hij zijn kans gegrepen. ‘Gelukkig was de Führer slimmer dan hij!’ riep Weinrowski uit. – ‘Dat zeg jij,’ prevelde Frau Weinrowski treurig, terwijl ze ons de suikerpot voorhield, ‘maar het is wel jouw eigen Karl die daarginds zit, niet de Führer.’ Het was een enigszins plompe vrouw met een opgeblazen, vermoeid gezicht; maar de vorm van haar mond en vooral de glans in haar ogen deden vroegere schoonheid vermoeden. ‘Ach, stil toch,’ bromde Weinrowski, ‘de Führer weet wat hij doet. Als je ziet wat die Skorzeny heeft geflikt! Dat was toch een meesterlijke zet!’ Al dagen was de aanval op de Gran Sasso, waar Mussolini was bevrijd, het voorpaginanieuws van de Goebbels-pers. Sindsdien hadden onze strijdkrachten Noord-Italië bezet, 650.000 Italiaanse soldaten gevangengenomen en in Salò een fascistische republiek uitgeroepen; dit alles werd als een belangrijke overwinning gepresenteerd, als een briljant voorbeeld van de vooruitziende blik van de Führer. Maar als rechtstreeks gevolg daarvan waren de luchtaanvallen op Berlijn hervat. Het nieuwe front zoog onze divisies leeg en in augustus waren de Amerikanen erin geslaagd Ploieşti, onze laatste oliebron, te bombarderen. Duitsland zat werkelijk tussen twee vuren.
Hohenegg haalde zijn cognac tevoorschijn en Weinrowski ging glazen halen; zijn vrouw was in de keuken verdwenen. Het was een donker appartement waarin de muskusachtige, bedompte geur van een bejaardenwoning hing. Ik had me altijd afgevraagd waar die geur vandaan kwam. Zou ik zelf ook zo gaan ruiken, als ik maar lang genoeg bleef leven? Een wonderlijk idee. Op dit moment ruik ik in elk geval nog niets; maar ze zeggen dat je je eigen geur niet ruikt. Toen Weinrowski terugkwam schonk Hohenegg drie glazen in en we dronken op de nagedachtenis van zijn gesneuvelde zoon. Weinrowski leek een beetje ontroerd. Ik haalde de documenten voor de dag die ik bij me had gestoken en liet ze aan Hohenegg zien, na Weinrowski te hebben gevraagd wat meer licht te maken. Weinrowski was naast zijn vroegere collega gaan zitten om de teksten en tabellen die Hohenegg doornam toe te lichten; onbewust waren ze overgegaan op een Weens dialect dat ik niet gemakkelijk kon volgen. Ik leunde achterover in mijn stoel en nipte aan Hoheneggs cognac. Beide mannen vertoonden een nogal wonderlijk gedrag: zoals Hohenegg me had uitgelegd had Weinrowski op de faculteit meer dienstjaren dan hij; als Oberstarzt was Hohenegg echter hoger in rang dan Weinrowski, die in de ss de rang van Sturmbannführer der reserve had, het equivalent van Major. Ze leken niet goed te weten wie van hen tweeën de ander voor moest laten gaan, en daardoor bejegenden ze elkaar met zeer nadrukkelijke voorkomendheid. ‘Alstublieft...’, ‘Nee, nee, natuurlijk, u hebt gelijk’, ‘Uw ervaring...’, ‘Uw praktijkkennis...’, en op den duur werd dat nogal komisch. Hohenegg hief het hoofd en keek me aan: ‘Als ik het goed begrijp krijgen de gedetineerden volgens u zelfs de hier beschreven rantsoenen niet volledig?’ – ‘Inderdaad, enkele bevoorrechten daargelaten. Ze krijgen minstens twintig procent minder.’ Hohenegg praatte weer verder met Weinrowski. ‘Dat is een ernstige zaak.’ – ‘Wat u zegt. Het betekent dat ze tussen de 1.300 en 1.700 calorieën per dag krijgen.’ – ‘Dat is nog altijd meer dan onze manschappen in Stalingrad.’ Opnieuw keek hij naar mij: ‘Wat is uw uiteindelijke doel?’ – ‘Een volgens de normen minimaal rantsoen zou ideaal zijn.’ Hohenegg tikte op de papieren: ‘Ja, maar als ik het goed begrepen heb, is dat onmogelijk. Gebrek aan middelen.’ – ‘In zekere zin, maar er zouden verbeteringen kunnen worden voorgesteld.’ Hohenegg dacht even na: ‘Uw eigenlijke probleem is in feite dat u de juiste argumenten moet vinden. Een gedetineerde die 1.700 calorieën zou moeten krijgen, krijgt er maar 1.300; om te zorgen dat hij er daadwerkelijk 1.700 krijgt...’ – ‘Wat ook nog volstrekt ontoereikend is,’ kwam Weinrowski tussenbeide. – ‘... zou het rantsoen 2.100 moeten zijn. Maar als u 2.100 vraagt, moet u die 2.100 ook rechtvaardigen. U kunt niet zeggen dat u 2.100 vraagt om 1.700 te krijgen.’ – ‘Het is weer een genoegen om met u te praten, Herr Oberstarzt,’ zei ik glimlachend. ‘Zoals gewoonlijk dringt u onmiddellijk door tot de kern van het probleem.’ Zonder zich te laten afleiden vervolgde Hohenegg: ‘Wacht. Om 2.100 te vragen zou u moeten aantonen dat 1.700 niet voldoende is, wat u niet kunt, want die 1.700 krijgen ze feitelijk niet. En de factor van het achterovergedrukte voedsel kunt u uiteraard niet in uw argumentatie betrekken.’ – ‘Nee, dat is lastig. De leiding weet dat dit probleem bestaat, maar wij mogen ons daar niet in mengen. Daar zijn andere instanties voor...’ – ‘Juist ja.’ – ‘In feite is het probleem dat er een verhoging nodig is van het totale budget. Maar degenen die daarvoor de verantwoordelijkheid dragen, vinden dat het voldoende zou moeten zijn en het tegendeel valt moeilijk te bewijzen. Zelfs als we aantonen dat de gedetineerden te snel blijven sterven, geven ze ons te verstaan dat dit probleem niet kan worden opgelost door met geld te smijten.’ – ‘En daarin hebben ze niet noodzakelijkerwijs ongelijk.’ Hohenegg wreef over zijn kruin; Weinrowski luisterde zwijgend toe. ‘Kan de verdeelsleutel niet worden aangepast?’ vroeg Hohenegg uiteindelijk. – ‘U bedoelt?’ – ‘Nou ja, niet het budget als geheel verhogen, maar de werkende gedetineerden wat meer geven en de niet-werkende wat minder.’ – ‘In principe, Herr Oberstarzt, zijn er geen gedetineerden die niet werken. Daarnaast zijn er alleen zieken, maar als die nog minder te eten zouden krijgen dan nu, hebben ze geen enkele kans om te herstellen en weer arbeidsbekwaam te worden. In dat geval kun je ze net zo goed helemaal geen eten meer geven; maar dan zou het sterftecijfer weer omhooggaan.’ – ‘Jawel, maar ik bedoel – de vrouwen, de kinderen, die worden toch ergens ondergebracht? Die moeten toch ook te eten krijgen?’ Ik keek hem zwijgend aan. Ook Weinrowski hield zich stil. Uiteindelijk zei ik: ‘Nee dokter, de vrouwen, de bejaarden en de kinderen worden nergens ondergebracht.’ Hohenegg sperde zijn ogen wijd open en staarde me woordloos aan, alsof hij de bevestiging wilde dat ik inderdaad had gezegd wat ik had gezegd. Ik knikte. Ten slotte werd het hem duidelijk. Hij slaakte een diepe zucht en wreef over zijn nek: ‘Tsja...’ Weinrowski en ik bleven zwijgen. ‘Tsja... ja, ja, dat is wel kras.’ Hij ademde zwaar. ‘Goed. Ik begrijp het. Naar ik aanneem hebben we, vooral sinds Stalingrad, uiteindelijk niet veel keus.’ – ‘Nee, dokter, niet echt.’ – ‘Toch gaat het wel ver. Allemaal?’ – ‘Iedereen die niet kan werken.’ – ‘Tsja...’ Hij hernam zich: ‘In wezen is het normaal. Er is geen reden om onze vijand beter te behandelen dan onze eigen soldaten. Na wat ik in Stalingrad heb gezien... Daarbij vergeleken zijn zelfs deze rantsoenen nog luxueus. Onze manschappen moesten het met veel minder doen. En degenen die het hebben overleefd, wat krijgen die nu te eten? Wat krijgen onze kameraden in Siberië? Nee, nee, u hebt gelijk.’ Hij keek me peinzend aan: ‘Toch is het Schweinerei. Maar evengoed hebt u gelijk.’
Ik had ook gelijk gehad door hem naar zijn mening te vragen: Hohenegg had onmiddellijk begrepen wat Weinrowski maar niet kon inzien: dat het een politiek en geen technisch probleem was. Het technische aspect moest dienen ter rechtvaardiging van een politieke keuze, maar kon geen keuze opleggen. Die dag leidde onze discussie niet tot een conclusie, maar ik werd er wel door aan het denken gezet, en uiteindelijk vond ik de oplossing. Omdat ik meende dat Weinrowski me niet kon volgen liet ik hem, om hem bezig te houden, een ander rapport vervaardigen en wendde me tot Isenbeck voor de noodzakelijke technische ondersteuning. Ik had die knaap onderschat: hij was heel pienter en bleek mijn gedachtegang uitstekend te kunnen volgen, er zelfs op te anticiperen. We werkten een nacht door in ons verder uitgestorven kantoor op het ministerie van Binnenlandse Zaken, bij tijd en wijle van koffie voorzien door een slaapwandelende ordonnans; zo zetten we samen de grote lijnen uit van dit nieuwe plan. Uitgaand van Rizzi’s concept maakte ik een onderscheid tussen gekwalificeerde en niet-gekwalificeerde arbeiders: alle rantsoenen zouden worden verhoogd, maar die van de niet-gekwalificeerde arbeiders slechts een beetje, terwijl de gekwalificeerde arbeiders een hele reeks nieuwe voorrechten konden krijgen. In ons plan gingen we niet uit van verschillende categorieën gedetineerden, maar we hielden de mogelijkheid open om, als het rsha daarop stond, de categorieën die men minder wilde begunstigen, zoals de joden, louter niet-gekwalificeerde arbeid toe te delen: we hielden in elk geval alle opties open. Isenbeck hielp me om uit dat fundamentele onderscheid andere af te leiden: zwaar werk, licht werk, verblijf op de ziekenafdeling; zo ontstond een schematisch overzicht waarop de rantsoenen eenvoudig konden worden geïndexeerd. In plaats van te gaan tobben met vaste rantsoenen, die vanwege de beperkingen en de provianderingsproblemen toch niet haalbaar waren, vroeg ik Isenbeck om – toch wel op basis van standaardmenu’s – voor elke categorie een dagelijks budget te berekenen en dan in een bijlage voedingsvarianten voor te stellen die binnen deze budgetten mogelijk waren. Isenbeck vond dat deze suggesties ook kwalitatieve opties moesten behelzen, zoals rauwe uien in plaats van gekookte, vanwege de vitaminen; ik liet hem begaan. Welbeschouwd had dit voorstel niets revolutionairs: het was gebaseerd op gangbare praktijken, bracht er kleine wijzigingen in aan en beoogde daarmee netto een verhoging; om deze verhoging zo goed mogelijk te kunnen verantwoorden ging ik bij Rizzi langs, legde hem het idee uit en vroeg hem om een economische onderbouwing in termen van rendement; hij verklaarde zich onmiddellijk akkoord, temeer daar ik graag bereid was hem tot geestelijke vader van de kernideeën te verklaren. Ik wilde het hele plan zelf uitschrijven zodra ik alle technische gegevens tot mijn beschikking had.
Het belangrijkste, dat besefte ik goed, was dat het rsha niet al te veel bezwaren zou maken; als het project voor het rsha acceptabel was, zou afdeling d iv van het wvha zich er ook niet tegen kunnen verzetten. Ik belde dus Eichmann op om hem te peilen. ‘Ah, waarde Sturmbannführer Aue! Elkaar zien? Ik heb het razend druk op dit moment. Ja, Italië en nog wat andere zaken. In de avond dan? Met een glaasje erbij? Er is een café niet ver van mijn kantoor, op de hoek van de Potsdamer Strasse. Ja, naast de ingang van de u-Bahn. Tot vanavond.’ Hij kwam binnen en liet zich met een zucht op het zitbankje vallen, wierp zijn pet op tafel en begon over de rug van zijn neus te wrijven. Ik had al twee schnaps besteld en bood hem een sigaret aan, die hij met plezier aannam, waarna hij zich weer achteruit liet zakken op het bankje, zijn benen over elkaar geslagen en een arm op de rugleuning. Tussen twee trekjes door beet hij op zijn onderlip; zijn hoge, kale voorhoofd glom onder het lamplicht van het café. ‘Italië dus?’ vroeg ik. – ‘Italië is niet zozeer het probleem – nou ja, we vinden er daar zeker nog wel acht- of tienduizend –, het zijn vooral de gebieden die de Italianen bezet hebben gehouden en die door hun achterlijke politiek jodenparadijzen zijn geworden. Ze zitten overal! In Zuid-Frankrijk, aan de Dalmatische kust, in de Griekse gebieden die ze hadden bezet. Ik heb meteen overal eenheden naartoe gestuurd, maar het wordt een enorme klus, plus nog de transportproblemen, dat lukt allemaal niet zo een-twee-drie. In Nice konden we er door het verrassingseffect een paar duizend oppakken; maar de Franse politie wordt steeds minder coöperatief, en dat bemoeilijkt de zaken. We hebben een groot gebrek aan middelen. En dan hebben we ook nog onze handen vol aan Denemarken.’ – ‘Denemarken?’ – ‘Ja. Dat had heel simpel moeten zijn, maar het is een complete rotzooi geworden. Günther is woest. Had ik u verteld dat ik hem daarheen heb gestuurd?’ – ‘Ja. Wat is er gebeurd?’ – ‘Dat weet ik niet precies. Volgens Günther is het die Dr. Best, de ambassadeur, die een eigenaardig spel speelt. U kent hem toch?’ Eichmann sloeg zijn schnaps in één teug naar binnen en bestelde een tweede. ‘Hij was mijn superieur,’ antwoordde ik. ‘Vóór de oorlog.’ – ‘Ja, nou, wat hem op dit moment bezielt weet ik niet. Maanden en maanden heeft hij er alles aan gedaan om ons af te remmen, onder het voorwendsel dat het...’ – een paar keer achter elkaar hief hij zijn arm – ‘in botsing zou komen met zijn politiek van samenwerking. En toen in augustus na de woelingen de noodtoestand werd afgekondigd, toen hebben wij hier gezegd, nu moet het maar gaan gebeuren. Er is ter plaatse een nieuwe bds, Dr. Mildner, maar die heeft zijn handen al meer dan vol; bovendien heeft de Wehrmacht meteen geweigerd samen te werken, daarom heb ik Günther gestuurd om er vaart achter te zetten. Alles hebben we voorbereid, een boot voor de vierduizend die in Kopenhagen zitten, treinen voor de rest, en dan blijft Best maar moeilijk doen. Hij komt steeds met nieuwe bezwaren, de Denen, de Wehrmacht, noem maar op. Verder moest het geheim blijven, om ze allemaal in één grote razzia op te kunnen pakken zonder dat ze erop bedacht waren, maar volgens Günther zijn ze al op de hoogte. Blijkbaar is er iets misgegaan.’ – ‘En hoever bent u nu?’ – ‘Over een paar dagen moet het gaan gebeuren. We doen het in één keer, het zijn er uiteindelijk niet zo veel. Ik heb met Günther gebeld, ik heb tegen hem gezegd: “Günther, beste vriend, als het er zo voorstaat, zeg dan tegen Mildner dat hij de datum vervroegt”, maar dat heeft Best afgewezen. Het lag te gevoelig, hij moest nog met de Denen praten. Günther denkt dat hij het expres doet om te zorgen dat het in de soep loopt.’ – ‘En toch, ik ken Dr. Best goed, hij is zeker geen jodenvriend. U zult moeilijk een betere nationaal-socialist vinden dan hij.’ Eichmann keek zuinig: ‘Tja. Weet u, de politiek kan mensen veranderen. Nou, we zien wel. Ik ben gedekt, alles is voorbereid, alles uitgestippeld, als het spaak loopt kan ik er niet op worden aangekeken, laat ik u dat vertellen. En uw project, hoe staat het daarmee?’
Ik bestelde nog een rondje: ik had al eerder gemerkt dat Eichmann zich meer ontspande als hij dronk, dat dan zijn sentimentele, kameraadschappelijke kant zichtbaar werd. Het was niet mijn bedoeling hem een rad voor ogen te draaien, dat zeker niet, hij moest mij juist vertrouwen en inzien dat mijn ideeën niet onverenigbaar waren met zijn visie. Ik zette in grote lijnen uiteen wat het project inhield; hij luisterde nauwelijks en dat had ik ook wel voorzien. Slechts één ding interesseerde hem: ‘Hoe denkt u dit allemaal te kunnen verzoenen met het principe van Vernichtung durch Arbeit?’ – ‘Dat is heel eenvoudig: de verbeteringen zijn uitsluitend bedoeld voor de gekwalificeerde arbeidskrachten. Het enige waar we voor hoeven te zorgen is dat aan de joden en asocialen zware, maar niet hoogwaardige taken worden opgedragen.’ Eichmann krabde aan zijn wang. Natuurlijk wist ik dat de beslissingen over de tewerkstelling van individuele arbeidskrachten door de Arbeitseinsatz op kampniveau werden genomen; maar als men de gekwalificeerde joden daar wilde houden, was dat hun probleem. Eichmann leek hoe dan ook in beslag genomen door andere zorgen. Na enig nadenken liet hij zich een ‘goed, in orde’ ontvallen, en hij begon weer over Zuid-Frankrijk. Ik luisterde naar hem, terwijl ik bleef drinken en roken. Na een tijdje, op een geschikt moment, merkte ik beleefd op: ‘Om terug te komen op mijn project, Obersturmbannführer, dat staat nu bijna volledig op papier en ik zou het u graag toesturen, zodat u het kunt bestuderen.’ Eichmann wuifde met zijn hand: ‘Als u erop staat. Maar ik krijg al zo veel papier.’ – ‘Ik wil het u niet lastig maken. Het is alleen om er zeker van te zijn dat u geen bezwaren hebt.’ – ‘Als het is zoals u zegt...’ – ‘Moet u luisteren, als u tijd hebt, bekijkt u het dan en stuur me een briefje. Daarmee kan ik laten zien dat ik met uw visie rekening heb gehouden.’ Even lachte Eichmann ironisch en hij hief een vermanende vinger: ‘Ah, u bent een slimmerik, Sturmbannführer Aue. U wilt zich ook indekken.’ Ik vertrok geen spier: ‘Het is de wens van de Reichsführer dat de zienswijzen van alle betrokken afdelingen worden meegewogen. Obergruppenführer Kaltenbrunner heeft me te kennen gegeven dat ik voor het rsha bij u moest zijn. Ik vind het een normale procedure.’ Op Eichmanns gezicht verscheen een stuurse uitdrukking: ‘Uiteraard ben ik niet degene die de beslissingen neemt: ik zal het aan mijn Amtschef moeten voorleggen. Maar als ik in positieve zin adviseer, zal hij zeker tekenen. In principe althans.’ Ik hief mijn glas: ‘Zullen we drinken op het succes van uw Deense Einsatz?’ Hij glimlachte; wanneer hij zo glimlachte, leken zijn oren extra ver van zijn hoofd af te staan, leek hij meer dan ooit op een vogel; tegelijkertijd werd zijn glimlach vervormd door een zenuwtrek, zodat het eerder een grimas werd. ‘Ja, dank u, op de Einsatz. En op uw project.’
In twee dagen schreef ik de tekst; Isenbeck had voor de bijlagen fraaie, gedetailleerde schema’s gemaakt, en de argumenten van Rizzi nam ik vrijwel integraal over. Ik was nog niet helemaal klaar, toen Brandt me bij zich ontbood. De Reichsführer ging binnenkort naar de Warthegau om er belangrijke redevoeringen te houden; op 6 oktober was daar een conferentie van Reichsleiter en Gauleiter, waar ook Dr. Mandelbrod bij aanwezig zou zijn; en die had gevraagd of ik een uitnodiging kon krijgen. Hoe stond het met mijn project? Ik gaf hem de verzekering dat ik bijna klaar was. Ik moest het alleen nog aan mijn collega’s voorleggen, waarna het ter goedkeuring naar de betrokken bureaus kon worden gezonden. Ik had er al over gesproken met Weinrowski en hem daarbij de statistische overzichten van Isenbeck voorgelegd als een louter technische uitwerking van zijn eigen ideeën; hij kon er zich kennelijk wel in vinden. De algemene vergadering verliep zonder strubbelingen; ik liet vooral Rizzi aan het woord en volstond zelf met te benadrukken dat ik de mondelinge instemming had van het rsha. Gorter leek tevreden, vroeg zich alleen af of onze voorstellen wel ver genoeg gingen; voor Alicke was Rizzi’s economische verhaal blijkbaar te ingewikkeld; Jedermann bromde dat het allemaal toch flink wat zou gaan kosten, en waar moest dat geld vandaan komen? Maar hij was gerustgesteld toen ik hem de verzekering gaf dat dit project, als het werd goedgekeurd, met aanvullende kredieten zou worden gefinancierd. Ik vroeg of iedereen me uiterlijk de tiende een schriftelijke reactie van zijn Amtschef kon doen toekomen, want dan dacht ik weer terug te zijn in Berlijn; ook zorgde ik dat Eichmann een afschrift ontving. Brandt had laten doorschemeren dat ik de gelegenheid zou krijgen om het project persoonlijk aan de Reichsführer voor te leggen zodra de betrokken afdelingen zich akkoord hadden verklaard.
Op de dag van mijn vertrek begaf ik me tegen het eind van de middag naar het Prinz-Albrecht-Palais. Brandt had me uitgenodigd om naar een redevoering van Speer te komen luisteren en aansluitend zou ik me bij Dr. Mandelbrod kunnen voegen, in de speciaal voor de hoge heren gereserveerde trein. In de hal werd ik begroet door Ohlendorf, die ik sinds zijn vertrek uit de Krim niet meer had gezien. ‘Doktor Aue! Wat een genoegen u weer te treffen. U schijnt al maanden in Berlijn te zijn. Waarom hebt u me niet opgebeld? Ik had u graag een keer ontmoet.’ – ‘Mijn verontschuldigingen, Brigadeführer, ik heb het verschrikkelijk druk gehad. U ook, neem ik aan.’ Hij straalde kracht uit, donkere, samengebalde energie. ‘Brandt heeft u voor onze conferentie uitgenodigd, nietwaar? Als ik het goed begrepen heb, houdt u zich met productiviteitskwesties bezig.’ – ‘Ja, maar alleen voor zover het de gedetineerden in de concentratiekampen betreft.’ – ‘Ah. Vanavond wordt er een nieuwe samenwerkingsovereenkomst afgesloten tussen de sd en het ministerie van Bewapening. Maar daarmee wordt een veel breder terrein bestreken, het gaat onder andere over de behandeling van buitenlandse arbeiders.’ – ‘U werkt tegenwoordig toch voor het ministerie van Economie, Brigadeführer?’ – ‘Ja, dat is zo. Ik krijg steeds meer petten. Jammer dat u geen econoom bent: deze overeenkomst zal voor de sd hopelijk een heel nieuw terrein openleggen. Maar gaat u naar boven, het begint zo.’
De bijeenkomst vond plaats in een van de grote betimmerde zalen van het paleis, waar de nationaal-socialistische versieringen enigszins vloekten met het plechtstatige hout en de vergulde kroonluchters uit de achttiende eeuw. Er waren ruim honderd sd-officieren, onder wie veel van mijn voormalige collega’s en superieuren: Siebert, met wie ik op de Krim had gediend, Regierungsrat Neifend, die voorheen bij Amt ii had gewerkt maar nu Gruppenleiter was bij Amt iii, en nog anderen. Ohlendorf zat dicht bij het spreekgestoelte, naast een man in ss-Obergruppenführer-uniform, met een hoog voorhoofd en ferme, gedecideerde gelaatstrekken: Karl Hanke, de Gauleiter van Neder-Silezië, die bij deze plechtigheid de Reichsführer vertegenwoordigde. Reichsminister Speer arriveerde met enige vertraging. Ook al werd zijn haar dunner, ik vond dat hij er verbazend jong uitzag, slank, energiek; hij droeg een gewoon pak, een colbert met twee rijen knopen en daarop alleen het gouden Partij-insigne. Hij werd vergezeld door enkele niet-militairen, die plaatsnamen op een rij stoelen achter Ohlendorf en Hanke, terwijl Speer zelf naar het spreekgestoelte liep en aan zijn rede begon. Aanvankelijk sprak hij met bijna zachte stem, hoffelijk, precies articulerend, een stem die eerder de bevestiging dan de verhulling was van een gezag dat Speer vooral leek te ontlenen aan zichzelf, niet zozeer aan zijn positie. Hij hield zijn donkere, levendige ogen op ons gericht en wendde zijn blik alleen af om nu en dan zijn papier te raadplegen; wanneer hij zijn ogen neersloeg, verdwenen ze bijna onder de dikke, borstelige wenkbrauwen. Zijn aantekeningen beperkten zich waarschijnlijk tot de grote lijnen van zijn toespraak, hij keek er nauwelijks naar en kon alle getallen blijkbaar vlot uit zijn geheugen opdiepen, al naar gelang hij ze nodig had, alsof ze daar voortdurend paraat waren, klaar voor gebruik. Wat hij zei, was van een nietsontziende en naar mijn idee verfrissende eerlijkheid: als niet snel alle middelen werden ingezet voor de bewapeningsindustrie, dan was de oorlog verloren. Dit waren geen loze onheilsboodschappen; Speer vergeleek de omvang van onze huidige productie met de schattingen aangaande de productie, op dit moment, van de Russen en vooral de Amerikanen; als we in dit tempo doorgingen, zo hield hij ons voor, dan was het binnen een jaar met ons gebeurd. Overigens werden onze productiemiddelen verre van maximaal benut; afgezien van het gebrek aan arbeidskrachten was er nog een groot obstakel: de op regionaal niveau gepleegde obstructie door lieden die handelden uit eigenbelang: vooral vanwege dat probleem rekende hij op de steun van de sd, het was een van de hoofdthema’s van de overeenkomsten die hij op korte termijn met de ss ging sluiten. Hij had onlangs een belangrijke afspraak gemaakt met de Franse minister van Economie, Bichelonne, op grond waarvan het grootste deel van de productie van onze consumptiegoederen naar Frankrijk zou worden overgeheveld. Daarmee zou het naoorlogse Frankrijk weliswaar een aanzienlijk handelsvoordeel krijgen, maar we hadden geen keus: als wij de overwinning wilden, dan moesten wij de offers brengen. Deze maatregel bood ons de mogelijkheid om anderhalf miljoen extra arbeiders in te zetten in de bewapeningsindustrie. Maar we konden ervan uitgaan dat tal van Gauleiter zich tegen de noodzakelijke bedrijfssluitingen zouden verzetten; en hier lag bij uitstek een werkterrein voor de sd. Na deze toespraak stond Ohlendorf op, bedankte hem en gaf in beknopte bewoordingen de strekking van de overeenkomst weer: de sd was bevoegd tot het verrichten van onderzoek naar de manier waarop buitenlandse arbeidskrachten werden geworven en behandeld; elke weigering van de kant van de Gaue om de instructies van de minister op te volgen, zou eveneens door de sd aan een onderzoek worden onderworpen. De overeenkomst werd door Hanke, Ohlendorf en Speer op een speciaal geplaatste tafel plechtig ondertekend; daarna brachten ze de Duitse groet, Speer drukte hun de hand en was snel weg. Ik keek op mijn horloge: ik had nog een kleine drie kwartier, maar mijn reistas had ik al meegenomen. In het geroezemoes baande ik me een weg naar Ohlendorf, die met Hanke stond te praten: ‘Brigadeführer, als ik even mag onderbreken: ik neem dezelfde trein als de Reichsminister, ik moet gaan.’ Lichtelijk verbaasd trok Ohlendorf zijn wenkbrauwen op: ‘Belt u me op als u terug bent,’ zei hij nog.
De speciale trein vertrok niet van een van de hoofdstations, maar vanaf het s-Bahn-station in de Friedrichstrasse. Op het perron, dat door politie en Waffen-ss was afgezet, wemelde het van de Gauleiter en de hoge functionarissen in sa- en ss-uniform, die elkaar luidruchtig begroetten. Terwijl een Leutnant van de Schupo mijn reispapieren vergeleek met zijn lijst, liet ik mijn blik over de menigte gaan: ik zag geen Dr. Mandelbrod, die ik geacht werd hier te treffen. Ik vroeg de Leutnant waar zijn coupé was; hij raadpleegde de lijst: ‘Herr Doktor Mandelbrod, Mandelbrod... Ja, dat is de speciale wagon, achteraan.’ Deze wagon had een bijzondere constructie: als bij een goederenwagon was er in plaats van een gewoon portier op ongeveer een derde van de lengte een dubbel portier; en voor alle raampjes zaten stalen rolluiken. Voor het dubbele portier stond een van Mandelbrods amazones in het uniform en met de strepen van een ss-Obersturmführer; ze droeg niet de reglementaire rok maar een rijbroek en was zeker een paar centimeter langer dan ik. Ik vroeg me af waar Mandelbrod al die helpsters van hem had gevonden: hij moest iets speciaals hebben geregeld met de Reichsführer. De vrouw groette: ‘Sturmbannführer, Dr. Mandelbrod verwacht u.’ Ze scheen me te hebben herkend; ik haar niet; ze leken trouwens allemaal wel wat op elkaar. Ze nam mijn tas aan en bracht me naar een voorvertrek met beklede wanden, dat via een deur links uitkwam op een gang. ‘Uw coupé is de tweede rechts,’ wees ze. ‘Ik zal er uw bagage neerzetten. Naar Dr. Mandelbrod is die kant uit.’ Aan het andere eind van de gang opende zich automatisch een dubbele schuifdeur. Ik ging naar binnen. Gehuld in de gebruikelijke stank zat daar Mandelbrod in zijn enorme stoel op het rijdende platform, dat dankzij de speciale portieren in de wagon gehesen had kunnen worden; naast hem op een rococostoeltje, zijn benen losjes over elkaar, zat minister Speer. ‘Ah, Max, daar ben je!’ riep Mandelbrod met zijn welluidende stem. ‘Kom binnen, kom.’ Net toen ik naar voren wilde stappen, glipte er een kat tussen mijn laarzen door en bijna was ik gestruikeld; ik herstelde me en groette Speer, daarna Mandelbrod. Deze wendde zich tot de minister: ‘Beste Speer, dit is een van mijn jonge beschermelingen, Dr. Aue.’ Speer bekeek me van onder zijn dikke wenkbrauwen en verhief zich uit zijn stoel; tot mijn verrassing kwam hij naar me toe om me de hand te schudden: ‘Aangenaam, Sturmbannführer.’ – ‘Dr. Aue werkt voor de Reichsführer,’ lichtte Mandelbrod toe. ‘Hij probeert de productiviteit van onze concentratiekampen op te voeren.’ – ‘Goed zo,’ zei Speer. ‘En gaat het lukken?’ – ‘Ik ben pas een paar maanden met deze aangelegenheid bezig, Herr Minister, en mijn rol in dezen is bescheiden. Maar algemener gezien zijn er veel inspanningen geleverd. Volgens mij hebt u de resultaten al kunnen zien.’ – ‘Ja, zeker. Dit is een onderwerp waarover ik onlangs met de Reichsführer heb gesproken. Hij was het met mij eens dat het nog beter kon.’ – ‘Ongetwijfeld, Herr Minister. We werken er stevig aan.’ Er viel een stilte; Speer zocht duidelijk naar gespreksstof. Zijn blik viel op mijn onderscheidingen: ‘Bent u aan het front geweest, Sturmbannführer?’ – ‘Ja, Herr Minister. In Stalingrad.’ Zijn blik verduisterde, hij sloeg zijn ogen neer; even trilde zijn kaak. Toen keek hij me weer met zijn vasthoudende, vorsende ogen aan, die omrand werden, dat zag ik nu pas voor het eerst, door donkere kringen van vermoeidheid. ‘Mijn broer Ernst is in Stalingrad verdwenen,’ zei hij op kalme, ietwat gespannen toon. Ik boog het hoofd: ‘Dat spijt me, Herr Minister. Mijn oprechte deelneming. Weet u ook in welke omstandigheden hij is gesneuveld?’ – ‘Nee. Ik weet feitelijk niet eens of hij dood is.’ Zijn stem klonk afstandelijk, bijna onverschillig. ‘Onze ouders kregen brieven, hij was ziek, lag ergens in een lazaret. De omstandigheden waren... verschrikkelijk. In zijn voorlaatste brief schreef hij dat hij het niet meer uithield en terugging naar zijn kameraden, naar zijn artilleriestelling. Toch was hij vrijwel invalide.’ – ‘Dr. Aue is in Stalingrad zwaar gewond geraakt,’ kwam Mandelbrod ertussen. ‘Maar hij heeft geluk gehad, hij kon worden geëvacueerd.’ – ‘Ja... ’ zei Speer. Hij zag er nu dromerig, bijna afwezig uit. ‘Ja... u hebt geluk gehad. Wat hem betreft, zijn hele eenheid is tijdens het Russische januari-offensief verdwenen. Hij is vast en zeker dood. Zonder enige twijfel. Mijn ouders zijn er nog altijd niet overheen.’ Zijn blik boorde zich weer in de mijne. ‘Hij was mijn vaders lievelingszoon.’ Ik voelde me opgelaten en mompelde nog eens een beleefdheidsfrase. Op de achtergrond zei Mandelbrod: ‘Ons ras lijdt, m’n beste vriend. Wij moeten zorgen dat het een goede toekomst krijgt.’ Speer knikte en keek op zijn horloge. ‘Zo meteen vertrekken we. Ik ga terug naar mijn coupé.’ Opnieuw stak hij me de hand toe: ‘Tot ziens, Sturmbannführer.’ Ik sloeg mijn hakken tegen elkaar en bracht de Duitse groet, maar reeds drukte hij de hand van Mandelbrod, die hem naar zich toe trok en zacht iets tegen hem zei dat ik niet kon verstaan. Speer luisterde aandachtig, knikte en vertrok. Mandelbrod wees naar de stoel waar Speer op had gezeten: ‘Neem plaats, neem plaats. Heb je al avondeten gehad? Heb je honger?’ Geruisloos ging er achter in de salon een tweede dubbele deur open en er verscheen een jonge vrouw in ss-uniform die bedrieglijk veel op de eerste leek, maar toch een ander moest zijn – tenzij de vrouw die mij had ontvangen, buitenom langs de wagon was gelopen. ‘Wenst u iets te gebruiken, Sturmbannführer?’ vroeg ze. De trein had zich langzaam in beweging gezet en reed het station uit. Gordijnen onttrokken de ramen aan het oog, de salon baadde in het warme, goudgele licht van verscheidene kleine kroonluchters; in een bocht week een van de gordijnen naar binnen, ik zag achter het glas een metalen rolluik en realiseerde me dat de hele wagon moest zijn geblindeerd. De jonge vrouw kwam weer binnen en zette op een tafeltje, dat ze met één hand vaardig naast me uitklapte, een dienblad met daarop belegde broodjes en bier. Terwijl ik at, stelde Mandelbrod vragen over mijn werk; mijn rapport van augustus had hij zeer gewaardeerd, en hij wachtte met genoegen de voltooiing van mijn project af; van de meeste details leek hij reeds op de hoogte. Vooral Herr Leland, vervolgde hij, was geïnteresseerd in de kwestie van het individuele arbeidsrendement. ‘Reist Herr Leland met ons mee, Herr Doktor?’ vroeg ik. – ‘Hij zal zich in Posen bij ons voegen,’ antwoordde Mandelbrod. Leland zat al in het Oosten, in Silezië, op plaatsen die ik had bezocht en waar zij beiden aanzienlijke belangen hadden. ‘Heel goed dat je nu minister Speer hebt leren kennen,’ zei hij bijna verstrooid. ‘Het is belangrijk om op goede voet met hem te staan. De ss en hij zouden nader tot elkaar moeten komen.’ We praatten nog wat door, ik at de broodjes en dronk mijn bier; Mandelbrod aaide een kat die zich op zijn knieën had genesteld. Daarna mocht ik me terugtrekken. Ik liep weer door het voorvertrek en vond mijn coupé. Het was er behoorlijk ruim, met een gerieflijke couchette die al was opgemaakt, een werktafeltje, een wastafel en daarboven een spiegel. Ik schoof het gordijn opzij: ook dit raam was afgesloten met een stalen luik en kon zo te zien niet open. Ik besloot niet te roken, trok mijn uniformjasje en overhemd uit om me te wassen. Nauwelijks had ik mijn gezicht ingezeept, met een lekker ruikend stukje zeep dat op de wastafel lag – er was zelfs warm water –, of er werd op de deur geklopt. ‘Een ogenblik!’ Ik droogde mijn gezicht af, trok mijn hemd weer aan, daarna mijn jasje, dat ik niet dichtknoopte, en ik deed open. In de gang stond een van de assistentes, haar heldere blik op me gericht, om haar mond de zweem van een glimlach, even subtiel als haar nauwelijks merkbare parfum. ‘Goedenavond, Sturmbannführer,’ zei ze. ‘Is uw coupé naar wens?’ – ‘Ja, helemaal.’ Ze bleef me onverstoorbaar aankijken. ‘Als u dat wenst,’ vervolgde ze, ‘zou ik u vannacht gezelschap kunnen houden.’ Ik moet toegeven dat dit onverwachte aanbod, geformuleerd op dezelfde onverschillige toon als waarop me was gevraagd of ik iets wilde eten, me enigszins overrompelde: ik voelde dat ik een kleur kreeg en zocht aarzelend naar een antwoord. ‘Ik denk niet dat Dr. Mandelbrod het daarmee eens zou zijn,’ zei ik ten slotte. – ‘Integendeel,’ antwoordde ze op dezelfde vriendelijke, kalme toon, ‘het zou Dr. Mandelbrod veel genoegen doen. Naar zijn vaste overtuiging moeten we elke gelegenheid te baat nemen om ons ras te bestendigen. Mocht ik zwanger raken, dan zou uw werk daar uiteraard volstrekt geen nadeel van ondervinden: de ss heeft er speciale instellingen voor.’ – ‘Ja, dat is me bekend,’ zei ik. Ik vroeg me af wat ze zou doen als ik ja zou zeggen: naar mijn idee zou ze dan binnenkomen, zich zonder verder commentaar uitkleden en naakt op het bed blijven liggen tot ik klaar was aan de wastafel. ‘Het is een verlokkelijk aanbod,’ zei ik uiteindelijk, ‘en het spijt me oprecht dat ik het moet afslaan. Maar ik ben erg moe en er wacht mij morgen een drukke dag. Misschien hebben we een andere keer meer geluk.’ Haar gezichtsuitdrukking veranderde niet; misschien een nauwelijks merkbaar knipperen van haar ogen. ‘Zoals u wenst, Sturmbannführer,’ antwoordde ze. ‘Als u iets nodig hebt, wat dan ook, hoeft u maar te bellen. Ik ben hiernaast. Goedenacht.’ – ‘Goedenacht,’ zei ik met een geforceerde glimlach. En ik sloot de deur. Ik was nog even bezig aan de wastafel, deed daarna het licht uit en ging op bed liggen. De trein stoof door de onzichtbare nacht, licht slingerend op het ritme van de oneffenheden. Pas na lange tijd viel ik in slaap.
Over de redevoering van anderhalf uur die de Reichsführer op 6 oktober ’s avonds ten overstaan van de verzamelde Reichsleiter en Gauleiter uitsprak, heb ik weinig te melden. Het is een minder bekende toespraak dan de bijna tweemaal zo lange die hij op 4 oktober voor zijn Obergruppenführer en hsspf’s had gehouden; maar afgezien van een paar verschillen die te maken hadden met de samenstelling van het publiek, afgezien van het taalgebruik, dat de tweede keer minder informeel was, minder bijtend, minder grof, zei de Reichsführer in wezen hetzelfde. Door het toeval van bewaard gebleven archieven en van de door de overwinnaars gehanteerde rechtsprocedures zijn die toespraken beroemd geworden tot ver buiten de gesloten groepen waarvoor ze bedoeld waren; u zult geen boek over de ss, over de Reichsführer of over de jodenvernietiging vinden waarin er niet uit wordt geciteerd; wie geïnteresseerd is in de inhoud, zal de teksten gemakkelijk kunnen vinden, in verschillende talen; de toespraak van 4 oktober is integraal opgenomen in het protocol van het grote Neurenbergproces, onder nummer 1919-ps (in die context heb ik de tekst na de oorlog gedetailleerd kunnen bestuderen, al waren me uit Posen zelf de grote lijnen wel bijgebleven); er is trouwens een opname van gemaakt, op grammofoonplaten of met behulp van een bandrecorder, daarover zijn de historici het niet eens, en op dat punt kan ik ze geen opheldering verschaffen want bij die eerste toespraak was ik niet aanwezig, maar in ieder geval is de geluidsopname bewaard gebleven, en als u zin hebt kunt u ernaar luisteren, dan hoort u zelf de monotone, pedante stem van de Reichsführer, die precieze schoolmeestersstem, die bij een ironische opmerking iets versnelt en waarin zelfs een enkele keer een zweem van woede doorklinkt; de tijdsafstand maakt duidelijk dat die woede vooral naar boven kwam wanneer hij onderwerpen aansneed waar hij naar zijn gevoel kennelijk weinig greep op had, de wijdverbreide corruptie bijvoorbeeld, waarover hij ook op de zesde, ten overstaan van de hoogwaardigheidsbekleders van het regime, het een en ander zei maar die hij veel uitdrukkelijker aan de orde heeft gesteld in zijn toespraak van de vierde tot de Gruppenführer, zoals me indertijd al door Brandt werd verteld. Dat deze toespraken een plaats hebben gekregen in de geschiedschrijving was natuurlijk niet daarom, dat was met name omdat de Reichsführer daarin, met een openhartigheid die hij bij mijn weten daarvoor noch daarna ooit aan de dag heeft gelegd, een openhartigheid die zelfs cru zou kunnen worden genoemd, het programma van de jodenvernietiging toelichtte. Ook ik kon aanvankelijk mijn oren niet geloven toen ik het op 6 oktober allemaal hoorde; de luisterrijke Gouden Zaal van het kasteel in Posen was propvol, ik zat helemaal achterin, achter een vijftigtal leidinggevende personen uit de Partij en uit de Gaue, plus een aantal industriëlen, twee hoofden van dienst en drie (of misschien waren het er twee) ministers van het Reich; in het licht van de geheimhoudingsregels die ons waren opgelegd vond ik het werkelijk schokkend, onwelvoeglijk bijna, en in het begin voelde ik me heel ongemakkelijk, en ik was zeker niet de enige, ik hoorde Gauleiter zuchten en zag ze hun hals en voorhoofd afwissen; niet dat ze iets nieuws hoorden, het was onmogelijk dat iemand in die grote zaal met dat gedempte licht niet op de hoogte was, ook al hadden sommigen waarschijnlijk geen poging gedaan om alles tot het einde toe te doordenken, er de volle reikwijdte van te overzien, door bijvoorbeeld een gedachte aan de vrouwen en kinderen te wijden; dat was waarschijnlijk de reden waarom de Reichsführer dit aspect zo benadrukte, duidelijker overigens in zijn rede tot de Reichsleiter en Gauleiter dan ten overstaan van zijn Gruppenführer, die zichzelf hoe dan ook niets wijs konden maken, wat waarschijnlijk de reden was waarom hij zo benadrukte dat wij, jazeker, ook vrouwen en kinderen om het leven brachten, om daarover geen enkele ambiguïteit meer te laten bestaan, en juist dat was zo pijnlijk, dat elke ambiguïteit nu eens helemaal ontbrak, het was of hij een ongeschreven regel schond, een nog strengere regel dan de door hem aan zijn ondergeschikten opgelegde Sprachregelungen, die toch zo strikt werden gehanteerd; misschien was het de regel van de tact, de tact waarover hij het in zijn eerste toespraak had, toen hij dat woord gebruikte in verband met de executie van Röhm en diens sa-kameraden: Vanuit een vanzelfsprekende tact die godzijdank in ons woont, hebben we daarover nooit met elkaar gesproken; maar misschien ging het om nog iets anders dan om tact en regels, en in dat stadium van de redevoering begon ik, geloof ik, de diepe beweegreden van zijn uitspraken te begrijpen, en ook waarom de hoogwaardigheidsbekleders zo zuchtten en zweetten, want zij begonnen net als ik te begrijpen dat de Reichsführer niet zomaar toevallig, in het begin van het vijfde oorlogsjaar, in hun aanwezigheid openlijk over de vernietiging van de joden sprak, zonder eufemismen, zonder bedekte toespelingen, in simpele, brute termen als ‘doden’ en ‘uitroeien’, en dan bedoel ik doden of opdracht geven om te doden... om ook over deze kwestie een keer in alle openheid te spreken en te zeggen hoe de zaken staan, nee, dat was echt geen toeval, en als hij het zich veroorloofde zo te spreken, dan was de Führer op de hoogte, erger nog, dan had de Führer dit gewild, vandaar hun angst, het kon niet anders of de Reichsführer sprak hier in naam van de Führer, en hij zei ze, de woorden die je niet mocht zeggen, en hij liet er een opname van maken, op grammofoonplaten of op band, dat doet er niet toe, en hij tekende zorgvuldig op wie er aanwezig en wie er afwezig waren – de enige ss-leiders die niet bij de toespraak van 4 oktober aanwezig waren, waren Kaltenbrunner, die een aderontsteking had, Daluege, die leed aan een ernstige hartkwaal en voor een jaar of twee met verlof was, Wolff, recentelijk benoemd tot hsspf van Italië en tot gevolmachtigd generaal van de Wehrmacht bij Mussolini, en Globocnik, die plotseling, maar dat wist ik op dat moment nog niet, ik hoorde het pas na Posen, vanuit zijn kleine Lubliner koninkrijk was overgeplaatst naar zijn geboorteplaats Triëst, als sspf van Istrië en Dalmatië onder de reeds genoemde Wolff, samen met bijna al het personeel van Aktion Reinhard, inclusief de afdeling t-4, maar dat hoorde ik nog weer veel later; alles werd opgeruimd, voortaan was alleen Auschwitz genoeg, en de mooie Adriatische kust kon uitstekend dienen als stortplaats voor iedereen die niet meer nodig was, zelfs Blobel zou zich nog wat later bij hen voegen, ze mochten zich door Tito’s partizanen laten afknallen, dat scheelde ons weer een hoop gedoe; en ook van Partijfunctionarissen werd opgetekend wie er ontbraken, al heb ik die lijst nooit gezien – dit alles deed de Reichsführer dus doelbewust, in opdracht, en daar kon slechts één motief voor zijn, vandaar de duidelijk merkbare onrust onder de toehoorders, die dat motief maar al te scherp zagen: het was om ervoor te zorgen dat niemand van hen naderhand kon zeggen dat hij het niet had geweten, dat niemand na een eventuele nederlaag de indruk kon wekken dat hij geen schuld had aan het allerergste, dat niemand ooit kon overwegen zich er handig uit te draaien; het was om hen ‘erbij te lappen’, en dat begrepen ze volkomen, vandaar hun ontsteltenis. De Conferentie van Moskou, die uitmondde in de plechtige verklaring van de geallieerden dat ze de ‘oorlogsmisdadigers’ zouden najagen tot in de verste uithoeken van de aarde, had nog niet plaatsgevonden, die kwam een paar weken later, vóór het eind van diezelfde maand oktober 1943, maar de bbc voerde al stevig propaganda over dit thema, vooral sinds de zomer, en daarbij werden ook namen genoemd, niet zomaar in het wilde weg, maar soms de namen van officieren en zelfs onderofficieren van specifieke kl’s, men was daar goed geïnformeerd, de Geheime Staatspolizei vroeg zich al af hoe dat kon, en we mogen rustig stellen dat de belanghebbenden er enigszins nerveus van werden, temeer daar er van het front geen positieve berichten kwamen; om Italië in handen te houden had men het oostelijk front moeten verzwakken, en er was weinig kans dat we aan de Donets zouden kunnen standhouden, Brjansk, Smolensk, Poltava en Krementsjoek waren al verloren, de Krim werd bedreigd, kortom, iedereen kon zien dat het slecht ging, en velen vroegen zich ongetwijfeld af hoe de toekomst zou zijn, niet alleen die van Duitsland in het algemeen maar ook hun persoonlijke toekomst, waardoor die Engelse propaganda wel enig effect had en niet alleen het moreel aantastte van hen die met name werden genoemd, maar ook van hen die nog niet waren genoemd en aldus werden gesterkt in de gedachte dat het einde van het Reich nog niet automatisch hun eigen einde zou betekenen, zodat het spookbeeld van de nederlaag een klein beetje minder ondenkbaar werd, waar dan weer begrijpelijkerwijs de noodzaak uit voortvloeide dat in ieder geval de leidinggevende functionarissen van de Partij, de ss en de Wehrmacht ervan moesten worden doordrongen dat een eventuele nederlaag ook gevolgen zou hebben voor hen persoonlijk, opdat hun motivatie weer wat zou worden opgekrikt, en dat de vermeende misdaden van sommigen door de geallieerden zouden worden gezien als de misdaden van allen, in ieder geval ook van de organisaties, dat alle schepen brandden of anders gezegd, dat alle bruggen waren afgebroken, dat er geen weg terug meer was en dat de enige redding lag in de overwinning. Inderdaad zou door een overwinning alles in orde zijn gekomen, want als wij hadden gewonnen, probeert u het zich even voor te stellen, als Duitsland de Roden had verpletterd en de Sovjet-Unie had vernietigd, dan zou er nooit meer over misdaden zijn gesproken, of ja, dat wel, maar dan over bolsjewistische misdaden, solide onderbouwd met documenten uit buitgemaakte archieven (precies zoals het is gegaan met de nkvd-archieven uit Smolensk, die naar Duitsland zijn overgebracht en aan het eind van de oorlog in handen vielen van de Amerikanen, toen eindelijk de periode was aangebroken waarin aan de brave democratische kiezers bijna van de ene op de andere dag moest worden uitgelegd waarom de verachtelijke monsters van gisteren nu moesten dienen als schild tegen de heldhaftige bondgenoten van gisteren, die inmiddels als nog grotere monsters werden afgeschilderd), om misschien zelfs in officiële processen, waarom niet, de bolsjewistische leiders aan te klagen, stel u eens voor, want dat zou een serieuze indruk maken, zoals de bedoeling was van de Anglo-Amerikanen (Stalin had aan zulke processen lak, zoals we weten, hij nam ze voor wat ze waren: huichelachtige en bovendien nutteloze vertoningen), en vervolgens zou iedereen het met ons op een akkoordje hebben gegooid, Britten en Amerikanen voorop, de diplomatieke betrekkingen zouden zijn aangepast aan de nieuwe realiteit, en ondanks het onvermijdelijke geblèr van de joden in New York zouden de Europese joden, die hoe dan ook door niemand zouden zijn gemist, als verliespost zijn afgeboekt, net als alle andere doden trouwens, zigeuners, Polen, noem maar op, de graven van verliezers raken snel overwoekerd en niemand vraagt de overwinnaar om rekenschap; dit zeg ik niet bij wijze van zelfrechtvaardiging, nee, het is de simpele en verschrikkelijke waarheid, kijk maar naar Roosevelt, die nobele man, met zijn dierbare vriend Uncle Joe, hoeveel miljoenen mensen had Stalin al in 1941 om het leven laten brengen, of zelfs al voor 1939, veel meer dan wij, dat staat onomstotelijk vast, en ook wanneer de definitieve balans wordt opgemaakt, dreigt hij nog steeds aan kop te gaan, met zijn collectivisatie, zijn uitroeiing van de koelakken, zijn grote zuiveringen en de volkerendeportaties in 1943 en 1944, en dat was in die tijd bekend, iedereen wist in de jaren dertig wel ongeveer wat er in Rusland gaande was, Roosevelt wist het ook, die mensenvriend, maar het heeft hem er nooit van weerhouden om Stalins loyaliteit en menselijkheid te prijzen, in weerwil overigens van de herhaalde waarschuwingen van Churchill, die in bepaalde opzichten iets minder naïef was en in andere weer iets minder realistisch – als wij dus inderdaad de oorlog hadden gewonnen, dan was het vast en zeker zo gegaan, geleidelijk aan; de halsstarrigen die ons waren blijven aanwijzen als de vijanden van de mensheid, zouden een voor een bij gebrek aan publiek zijn stilgevallen, en de diplomaten zouden de plooien hebben gladgestreken, want Krieg ist Krieg und Schnaps ist Schnaps, zo is het en zo gaat het in de wereld. En misschien zouden onze inspanningen uiteindelijk nog wel zijn toegejuicht ook, zoals de Führer vaak heeft voorspeld, of misschien ook niet, in ieder geval hadden er wel heel wat staan juichen die intussen zijn verstomd omdat we hebben verloren, dat is de harde realiteit. En ook al zou er over dit onderwerp nog tien, vijftien jaar lang een zekere spanning zijn blijven bestaan, die spanning zou vroeg of laat toch zijn verdwenen, bijvoorbeeld wanneer onze diplomaten in krachtige termen hun afkeuring hadden uitgesproken – zonder daarbij de mogelijkheid tot blijken van een zekere mate van begrip echter uit te sluiten – over de harde, tegen de mensenrechten indruisende maatregelen van Groot-Brittannië of Frankrijk om in hun weerspannige koloniën de orde te herstellen of om, in het geval van de Verenigde Staten, de stabiliteit van de wereldhandel te waarborgen en de strijd aan te binden tegen communistische verzetshaarden, tot welke maatregelen ze uiteindelijk ook werkelijk zijn overgegaan, met de bekende resultaten. Het zou volgens mij namelijk een ernstige vergissing zijn te denken dat het morele besef van de westelijke mogendheden zo fundamenteel verschilt van het onze: per slot van rekening is een grootmacht een grootmacht, dat word je niet zomaar en dat blijf je ook niet zomaar. De Monegasken of de Luxemburgers kunnen zich de weelde van een zeker politiek fatsoen veroorloven, maar voor de Engelsen ligt het iets anders. Was het niet een Britse bestuurder, opgeleid in Oxford of Cambridge, die al in 1922 aandrong op ‘bestuurlijke massamoorden’ om de veiligheid in de koloniën te waarborgen, en die het bitter betreurde dat de politieke situatie in the Home Islands zulke heilzame maatregelen onmogelijk maakte? En wanneer men, zoals sommigen doen, al onze fouten uitsluitend wil toeschrijven aan het antisemitisme – naar mijn mening een bespottelijke misvatting, die echter velen aanspreekt –, moet dan niet tegelijkertijd worden erkend dat Frankrijk het in dit opzicht aan de vooravond van de Grote Oorlog heel wat bonter heeft gemaakt dan wij (om nog maar te zwijgen van de pogroms in Rusland!)? Hopelijk bent u nu niet al te verbaasd dat ik daarmee afbreuk doe aan het antisemitisme als fundamentele oorzaak van de moord op de joden: dan zou u voorbijgaan aan het feit dat ons uitroeiingsbeleid veel meer omvatte. Op het moment van de nederlaag – in plaats van de geschiedenis te willen herschrijven zal ik de eerste zijn om dat toe te geven – waren we, afgezien van de joden, ook al klaar met de vernietiging van alle onherstelbaar geestelijk en lichamelijk gehandicapten in Duitsland, van de meeste zigeuners en van miljoenen Russen en Polen. Zoals bekend waren er nog ambitieuzere projecten: wat de Russen betreft zou de noodzakelijke ‘natuurlijke afname’ volgens de deskundigen van het Vierjarenplan en van het rsha op dertig miljoen uitkomen, of in de afwijkende visie van een overenthousiaste Dezernent van het Ostministerium zelfs tussen de zesenveertig en eenenvijftig miljoen. Als de oorlog nog een paar jaar langer had geduurd, dan hadden we zeker een omvangrijke reductie van het aantal Polen in gang gezet. Het idee hing al een poos in de lucht: ik verwijs naar de uitvoerige briefwisseling tussen Gauleiter Greiser van de Warthegau en de Reichsführer, waarin Greiser al in mei 1942 vroeg of de vergassingsinstallaties van Kulmhof mochten worden gebruikt voor de vernietiging van vijfendertigduizend tuberculeuze Polen, die in zijn ogen een ernstig gezondheidsrisico vormden in zijn Gau; na zeven maanden liet de Reichsführer hem eindelijk weten dat zijn voorstel interessant was, maar prematuur. U zult deze uiteenzetting van mij wel afstandelijk vinden: ik doe dit alleen om u duidelijk te maken dat de vernietiging van het volk van Mozes zoals wij die ter hand hebben genomen, niet slechts voortvloeide uit een irrationele haat tegen de joden – ik meen al te hebben benadrukt dat emotioneel gedreven antisemieten bij de sd en de ss in het algemeen slecht aangeschreven stonden –, maar vooral uit een vastberaden, doordachte aanvaarding van het geweld als middel om een reeks maatschappelijke problemen op te lossen, waarmee wij overigens van de bolsjewieken uitsluitend verschilden in onze respectieve opvattingen over het soort problemen dat een oplossing behoefde: hun benadering berustte op een horizontale interpretatie van de samenleving (de klassen), de onze op een verticale (de rassen), maar beide waren deterministisch (ik meen daar al op te hebben gewezen) en kwamen tot soortgelijke conclusies waar het ging om de aan te wenden middelen. Wie hier verder over nadenkt, zou uit een en ander kunnen afleiden dat die wil of althans dat vermogen om onder ogen te zien dat de problemen van elke samenleving veel radicaler moeten worden bestreden, alleen maar kan zijn voortgekomen uit onze nederlaag in de Grote Oorlog. Voor alle landen (behalve misschien voor de Verenigde Staten) was die oorlog een periode van lijden; maar dankzij de overwinning, dankzij de arrogantie en het morele welbehagen die daaruit voortvloeiden, konden de Engelsen, de Fransen en zelfs de Italianen hun lijden en hun verliezen waarschijnlijk gemakkelijker vergeten, weer overgaan tot de orde van de dag of zich zelfs in zelfvoldaanheid wentelen, met als gevolg echter dat ze ontvankelijker werden voor angst, bang dat het broze vergelijk zou afbrokkelen. Maar wij, wij hadden niets meer te verliezen. Wij hadden even eervol gestreden als onze vijanden, die ons echter als criminelen behandelden, ons vernederden, ons land in stukken hakten, onze doden hoonden. Het lot van de Russen was objectief gezien niet veel beter. En wat is er dan logischer dan tegen jezelf te zeggen: nou, als het dan zo is, als het kennelijk gerechtvaardigd is om het beste deel van de natie op te offeren, om de meest vaderlandslievende, intelligente, toegewijde en loyale mannen van ons ras de dood in te jagen, en dat alles voor het heil van de natie, en als het nergens toe dient en hun offer wordt veracht, wat voor recht op leven blijft er dan nog over voor de laagste elementen, de criminelen, de gekken, de debielen, de asocialen en de joden, om nog maar te zwijgen over vijanden van buitenaf? De bolsjewieken, daarvan ben ik overtuigd, hebben op dezelfde manier geredeneerd. Naleving van de regels van de zogeheten menselijkheid had ons niets opgeleverd, dus waarom daarin blijven volharden, temeer daar niemand ons er dankbaar voor was geweest? Zo kwamen we onvermijdelijk tot veel striktere, hardere, radicalere oplossingen voor onze problemen. In alle samenlevingen is te allen tijde geprobeerd om ten aanzien van de maatschappelijke problemen een compromis te vinden tussen de behoeften van de gemeenschap en de rechten van het individu, met als resultaat een in feite zeer beperkt aantal oplossingen, kort gezegd: dood, liefdadigheid of uitsluiting (in de geschiedenis vooral bekend in de vorm van verbanning naar elders). De Grieken legden hun misvormde kinderen ergens op een afgelegen plek te vondeling; de Arabieren beseften wel dat zulke kinderen een te zware economische belasting voor hun familie waren, maar wilden hen niet laten sterven en droegen de zorg voor hen over aan de gemeenschap, via het mechanisme van de zakaat, de religieus verplichte liefdadigheid (een soort belasting voor goede werken); nog heden ten dage bestaan er bij ons speciale inrichtingen voor dit soort gevallen, bedoeld om de gezonden te behoeden voor de aanblik van deze ongelukkigen. Een globale benadering van deze kwestie laat zien dat in ieder geval in Europa, vanaf de achttiende eeuw, alle afzonderlijke oplossingen voor de onderscheiden problemen – straf voor de criminelen, verbanning voor de slachtoffers van een besmettelijke ziekte (de leprozenkolonie), christelijke liefdadigheid voor de zwakzinnigen – onder invloed van de Verlichting zijn samengevloeid tot één type oplossing, die in alle gevallen bruikbaar is en naar believen kan worden aangepast: de door de staat gefinancierde, geïnstitutionaliseerde opsluiting, een vorm van interne verbanning zo men wil, soms met pedagogische pretenties maar vooral met een praktisch oogmerk: de misdadigers in de gevangenis, de zieken in het ziekenhuis, de gekken in het gesticht. Het is toch zonneklaar dat ook deze menslievende oplossingen voortkwamen uit een compromis, mogelijk werden dankzij de welvaart en uiteindelijk toch iets willekeurigs hadden? Na de Grote Oorlog begrepen velen dat die oplossingen niet meer voldeden, tekortschoten voor de ongekende omvang van de problemen, doordat de economische middelen beperkter waren geworden en ook vanwege de vroeger ondenkbare reikwijdte van wat er op het spel stond (de miljoenen gesneuvelden). Er waren nieuwe oplossingen nodig en die zijn gevonden, zoals de mens altijd de oplossingen vindt die hij nodig heeft, zoals ook de zogeheten democratische landen ze zouden hebben gevonden, als ze er behoefte aan hadden gehad. Maar waarom de joden? Die vraag zou heden ten dage worden gesteld. Wat hebben de joden te maken met die gekken, die misdadigers, die lijders aan besmettelijke ziekten? Toch valt niet moeilijk in te zien dat de joden, historisch gesproken, zichzelf tot ‘probleem’ hebben gemaakt door zich tot elke prijs afzijdig te willen houden. In de eerste anti-joodse teksten, geschreven door de Grieken van Alexandrië, ruim voordat Christus was geboren en ruim voordat er zich een theologisch antisemitisme had ontwikkeld, werden ze er immers al van beticht dat ze asociaal waren, dat ze zich onttrokken aan de wetten van de gastvrijheid – het fundament en belangrijkste politieke principe van de antieke wereld – en wel vanwege hun eigen spijswetten, die hen ervan weerhielden bij anderen te gaan eten of anderen bij hen thuis te ontvangen. En daarbij kwam natuurlijk de religieuze kwestie. Denkt u nu niet dat ik probeer de joden zelf verantwoordelijk te stellen voor het onheil dat hun is overkomen; het enige wat ik wil zeggen is dat de geschiedenis van Europa, in de ogen van sommigen ongelukkigerwijs, in die van anderen onvermijdelijk, zodanig is gelopen dat het in tijden van crisis zelfs nu nog een natuurlijke reactie is om zich tegen de joden te keren, dat de joden vroeg of laat de tol voor gewelddadige maatschappelijke omwentelingen moeten betalen – in ons geval vroeg, in de Sovjet-Unie laat –, en dat dit niet helemaal toevallig is. Als de dreiging van het antisemitisme ver weg is, zijn ook sommige joden tot buitensporigheid geneigd.
U vindt deze overwegingen vast en zeker interessant, daar twijfel ik geen moment aan; maar ik ben wat afgedwaald, ik heb nog steeds niet verteld over die fameuze zesde oktober, waarvan ik een beknopte beschrijving wilde geven. Ik werd wakker toen er kort en krachtig op de deur van mijn coupé werd geklopt; doordat de luiken dicht waren, viel niet uit te maken hoe laat het was, ik werd waarschijnlijk uit een droom gehaald en was compleet gedesoriënteerd, herinner ik me. Daarna hoorde ik de zachte maar besliste stem van Mandelbrods assistente: ‘Sturmbannführer. Over een half uur zijn we er.’ Ik waste me, kleedde me aan en ging de coupé uit om in de voorruimte mijn benen te strekken. Daar trof ik de jonge vrouw: ‘Goedemorgen, Sturmbannführer. Hebt u goed geslapen? – ‘Ja, dank u. Is Herr Dr. Mandelbrod al wakker?’ – ‘Dat weet ik niet, Sturmbannführer. Wilt u koffie? Een volledig ontbijt krijgt u bij aankomst.’ Ze kwam terug met een dienblaadje. Staande dronk ik de koffie, mijn benen licht uit elkaar vanwege het geschommel van de trein – het viel me op dat zij nu een lange rok droeg, niet meer de zwarte broek van de vorige dag. Haar haren zaten in een strenge knot. ‘Neemt u zelf geen koffie?’ – ‘Nee, dank u.’ Verder bleven we zwijgend staan, totdat het geknars van de remmen klonk. Ik gaf haar het kopje terug en pakte mijn bagage. De trein minderde vaart. ‘Prettige dag,’ zei ze. ‘Dr. Mandelbrod zoekt nog wel contact met u.’ Op het perron heerste een lichte wanorde; een voor een stapten de vermoeide, geeuwende Gauleiter de trein uit, opgewacht door een groep functionarissen van wie sommige burgerkleding droegen, andere een sa-uniform. Een van hen keek naar mijn ss-uniform en fronste zijn wenkbrauwen. Ik wees naar de wagon van Mandelbrod en zijn gezicht klaarde op: ‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij terwijl hij naar me toe liep. Ik noemde mijn naam en hij raadpleegde een lijst: ‘Ja, ik zie het. U zit met de vertegenwoordigers van de Reichsführung in hotel Posen. Daar is een kamer voor u gereserveerd. Ik zorg dat u een auto krijgt. Hier is het programma.’ In het hotel, een statig maar enigszins naargeestig gebouw uit de Pruisische tijd, nam ik een douche, ik schoor me, kleedde me om en werkte een paar boterhammen met jam naar binnen. Rond acht uur ging ik naar de hal. De drukte begon daar op gang te komen. Eindelijk vond ik een assistent van Brandt, een Hauptsturmführer aan wie ik het programma liet zien dat ik had gekregen. ‘Moet u horen, het beste kunt u er gewoon heen gaan. De Reichsführer komt pas in de loop van de middag, maar er zijn daar enkele officieren.’ De door de Gau ter beschikking gestelde auto stond nog steeds te wachten en ik liet me naar Schloss Posen rijden; onderweg kon ik de blauwe klokkentoren en de bogengang van het stadhuis bewonderen, daarna de veelkleurige gevels van de smalle burgerhuizen die zich verdrongen rond de oude markt, getuigenis afleggend van de terughoudende fantasie waarmee hier gedurende een aantal eeuwen was gebouwd, totdat dit kortstondige ochtendgenoegen abrupt eindigde bij het kasteel zelf, een enorme steenmassa aan een groot, leeg plein, een plomp bouwsel met tal van puntdaken en een spitsboogtoren, massief, eerbiedwaardig, streng en saai, waar de ene na de andere met een vaantje getooide Mercedes de hoogwaardigheidsbekleders kwam afzetten. Het programma begon met een reeks voordrachten van deskundigen uit de omgeving van Speer, onder wie staalmagnaat Walter Rohland, die stuk voor stuk met verpletterende precisie hun verhaal deden over de oorlogsproductie. Op de eerste rij, ernstig luisterend naar die sombere berichten, zat een aanzienlijk deel van het staatsbestuur: Dr. Goebbels, minister Rosenberg, Reichsjugendführer Axmann, Grossadmiral Dönitz, Feldmarschall Milch van de Luftwaffe, en ook een gezette man met een stierennek en naar achteren gekamd haar, van wie ik in een van de pauzes de identiteit te weten kwam: Reichsleiter Bormann, secretaris van de Führer en hoofd van de nsdap-kanselarij. Uiteraard kende ik zijn naam, maar verder wist ik weinig over hem; noch in de kranten noch in het bioscoopjournaal werd hij ooit genoemd, en voor zover ik me herinnerde had ik nooit een foto van hem gezien. Na Rohland kwam Speer, met een presentatie van nog geen uur over dezelfde thema’s als de vorige dag in het Prinz-Albrecht-Palais, alles in verbijsterend directe, bijna brute bewoordingen geformuleerd. Pas op dat moment zag ik Mandelbrod: voor zijn omvangrijke platform was ergens opzij speciaal plaats gemaakt en daar zat hij te luisteren, met samengeknepen ogen en een boeddhistische distantie, geflankeerd door twee assistentes – dus het waren er wel degelijk twee – en de lange, hoekige gestalte van Herr Leland. Speers laatste woorden wekten beroering: hij kwam terug op het thema van de obstructie van de kant van de Gaue, maakte melding van de overeenkomst die hij met de Reichsführer had gesloten en dreigde met strenge maatregelen tegen weerspannige elementen. Zodra hij van het podium was, werd hij omringd door verscheidene Gauleiter die tegen hem begonnen te tieren; ik zat te ver weg, achter in de zaal, om te horen wat ze zeiden, maar ik kon het me wel enigszins voorstellen. Leland had zich voorovergebogen en fluisterde Mandelbrod iets in het oor. Daarna werden we uitgenodigd om terug te gaan naar de stad, naar hotel Ostland, waar de hoogwaardigheidsbekleders waren ondergebracht en waar een ontvangst met buffet zou zijn. De assistentes loodsten Mandelbrod door een zijuitgang, maar buiten zag ik hem weer, en ik liep erheen om hem en Herr Leland te begroeten. Nu kon ik ook zien hoe hij zich verplaatste: zijn speciale Mercedes, met achterin een enorme zitruimte, was voorzien van een installatie waarmee zijn stoel, los van het platform, naar binnen kon worden geschoven; een tweede wagen vervoerde het platform plus de beide assistentes. Mandelbrod vroeg me met hem mee te rijden en ik nam plaats op een klapstoeltje; Leland ging voorin zitten, naast de chauffeur. Ik had spijt dat ik niet bij de jonge vrouwen was ingestapt: Mandelbrod leek zich niet bewust van de stinkende darmgassen die zijn lichaam afscheidde; gelukkig was het een korte tocht. Mandelbrod zei niets, hij leek te doezelen. Ik vroeg me af of hij ooit uit zijn stoel kwam en zo niet, hoe hij zich dan aankleedde en zijn behoefte deed. In ieder geval moesten zijn assistentes overal tegen bestand zijn. Tijdens de ontvangst had ik een gesprek met twee officieren van de Persönlicher Stab, Werner Grothmann, nog steeds stomverbaasd dat hij in de functie van Brandt was benoemd (Brandt zelf was tot Standartenführer bevorderd en had de functie van Wolff overgenomen), en een adjudant voor politiezaken. Zij waren naar ik meen de eersten van wie ik vernam over de grote indruk die de rede van de Reichsführer twee dagen eerder op de Gruppenführer had gemaakt. We spraken ook over het vertrek van Globocnik, dat voor iedereen een regelrechte verrassing was; maar we kenden elkaar niet goed genoeg om te speculeren over de motieven achter deze overplaatsing. Naast mij dook een van de amazones op, ik had werkelijk moeite om hen uit elkaar te houden, ik zou zelfs niet hebben kunnen zeggen welke van de twee zich de avond tevoren aan mij had aangeboden. ‘Neem me niet kwalijk, meine Herren,’ zei ze met een glimlach. Ik verontschuldigde me en liep door de menigte achter haar aan. Mandelbrod en Leland waren in gesprek met Speer en Rohland. Ik groette en feliciteerde Speer met zijn toespraak; hij trok een somber gezicht: ‘Het was duidelijk niet naar ieders zin.’ – ‘Dat maakt niet uit,’ reageerde Leland. ‘Als het u lukt om op goede voet te blijven met de Reichsführer, kan geen van die dronken idioten u iets maken.’ Ik was verbaasd: nog nooit had ik Herr Leland zo grof horen praten. Speer knikte. ‘U moet proberen geregeld contact te onderhouden met de Reichsführer,’ lispelde Mandelbrod. ‘Laat dit nieuwe elan niet verflauwen. Als het om kleine kwesties gaat en u wilt de Reichsführer zelf niet lastigvallen, hoeft u alleen maar in verbinding te treden met mijn jonge vriend hier. Ik sta in voor zijn betrouwbaarheid.’ Verstrooid keek Speer naar mij: ‘Ik heb op het ministerie al een verbindingsofficier.’ – ‘Natuurlijk,’ zei Mandelbrod, ‘maar Sturmbannführer Aue heeft waarschijnlijk een kortere lijn met de Reichsführer. Aarzel niet hem om dingen te vragen.’ – ‘Goed, goed,’ zei Speer. Rohland had zich naar Leland gewend: ‘Dus we zijn het eens, wat Mannheim aangaat...’ Met een kneepje in mijn elleboog maakte Mandelbrods assistente me duidelijk dat ik niet meer nodig was. Ik groette en verwijderde me onopvallend in de richting van het buffet. De jonge vrouw was me gevolgd en liet thee voor zich inschenken, terwijl ik iets van een hors-d’oeuvre at. ‘Volgens mij is Dr. Mandelbrod heel tevreden over u,’ zei ze met haar fraaie stem, waar overigens geen expressie in zat. – ‘Ik begrijp niet waarom, maar als u het zegt moet ik u geloven. Werkt u al lang voor hem?’ – ‘Al een aantal jaren.’ – ‘En daarvóór?’ – ‘Ik heb in Frankfurt Latijn en Duits gestudeerd.’ Ik trok mijn wenkbrauwen op: ‘Dat had ik niet gedacht. Is het niet heel moeilijk om in volledige dienst voor Dr. Mandelbrod te werken? Hij lijkt me tamelijk veeleisend.’ – ‘Ieder dient daar waar de plicht dat gebiedt,’ antwoordde ze zonder aarzelen. ‘Het vertrouwen dat Dr. Mandelbrod in mij stelt, acht ik uiterst eervol. Dankzij mannen als hij en Herr Leland zal Duitsland worden gered.’ Ik bestudeerde haar gave, ovale, nauwelijks opgemaakte gezicht. Ze was ongetwijfeld erg mooi, maar die volkomen abstracte schoonheid bood de blik geen enkel houvast in de vorm van een detail, een speciaal kenmerk. ‘Mag ik u een vraag stellen?’ zei ik. – ‘Natuurlijk.’ – ‘De gang in de wagon was slecht verlicht. Was u degene die bij mij heeft aangeklopt?’ Ze liet een parelend lachje horen: ‘Zo donker was het daar niet, maar het antwoord is nee: dat was mijn collega Hilde. Hoezo? Zou u aan mij de voorkeur hebben gegeven?’ – ‘Nee, ik vroeg het zomaar,’ was mijn stompzinnige antwoord. – ‘Als de gelegenheid zich nog eens voordoet,’ zei ze terwijl ze me recht in de ogen keek, ‘dan met genoegen. Hopelijk bent u dan niet zo moe.’ Ik kreeg een kleur: ‘Hoe heet u eigenlijk? Dan weet ik dat.’ Ze strekte haar kleine hand met de paarlemoeren nagels uit; de palm was droog en zacht, de handdruk even krachtig als die van een man. ‘Hedwig. Nog een prettige dag, Sturmbannführer.’
Omstreeks drie uur ’s middags, kort na onze terugkeer in het Schloss, was daar de Reichsführer, omringd door een zwerm zwijgende officieren en geflankeerd door Rudolf Brandt. Brandt zag me en wenkte met een korte hoofdbeweging; zijn nieuwe strepen zaten al op zijn uniform, maar toen ik naar hem toe kwam, kreeg ik niet de tijd om hem te feliciteren: ‘Na de toespraak van de Reichsführer vertrekken we naar Krakau. U gaat met ons mee.’ – ‘Jawel, Standartenführer.’ Himmler had plaatsgenomen op de eerste rij, naast Bormann. Eerst kregen we een rede voorgeschoteld van Dönitz, die uitlegde waarom de duikbootoorlog tijdelijk was gestaakt en de hoop uitsprak dat deze weldra weer zou worden hervat; daarna kwam Milch, die de hoop uitsprak dat de nieuwe tactieken van de Luftwaffe weldra een eind zouden maken aan de terroristische luchtaanvallen op onze steden; ten slotte was er Schepmann, de nieuwe stafchef van de sa, die voor zover ik me herinner geen enkele hoop uitsprak. Tegen half zes begaf de Reichsführer zich naar het spreekgestoelte. Bloedrode vaandels en de zwarte helmen van de erewacht omlijstten op dat hoge podium zijn kleine gestalte; zijn gezicht ging bijna schuil achter de lange microfoons; het licht van de zaal speelde over zijn brillenglazen. De luidsprekers gaven zijn stem iets metaalachtigs. Over de reacties van de toehoorders heb ik het al gehad; ik vond het jammer dat ik, vanuit mijn positie achter in de zaal, naar de nekken moest kijken en niet de gezichten kon zien. Ik zou hieraan kunnen toevoegen dat een aantal van zijn uitspraken mij, ondanks mijn schrik en verbazing, persoonlijk raakten, vooral die over de gevolgen van het grote besluit voor degenen die tot taak hadden het uit te voeren, over het gevaar dat ze mentaal liepen om wreed en harteloos te worden en hun respect voor het menselijk leven te verliezen, of te verwekelijken en ten prooi te vallen aan een zenuwinzinking – ja, deze gruwelijk smalle weg tussen Scylla en Charybdis kende ik terdege, deze woorden hadden tot mij gericht kunnen zijn en in zekere zin, alle bescheidenheid in acht genomen, waren ze ook bedoeld voor mij en voor hen die net als ik gebukt gingen onder die verschrikkelijke verantwoordelijkheid, werden ze tot ons gericht door onze Reichsführer, die goed begreep wat wij doormaakten. Niet dat hij zich ook maar enigszins tot sentimentaliteit liet verleiden. Zoals hij aan het eind van zijn toespraak onomwonden zei: Velen zullen huilen, maar dat doet er niet toe; er worden al veel tranen vergoten, woorden die voor mij een shakespeariaanse klank hadden, maar misschien was dat in de andere toespraak, die ik later heb gelezen, ik weet het niet zeker, het is ook niet van belang. Na afloop, rond zeven uur ’s avonds, nodigde Reichsleiter Bormann ons uit voor een buffet in een aangrenzende zaal. De hoogwaardigheidsbekleders, vooral de oudste Gauleiter, bestormden de bar; omdat ik met de Reichsführer mee zou reizen, dronk ik geen alcohol. Ik zag hem ergens achteraf met Bormann, Goebbels en Leland in een halve kring rond Mandelbrod staan; hij stond met zijn rug naar de zaal en schonk niet de minste aandacht aan de uitwerking van zijn woorden. De Gauleiter dronken in rap tempo en waren op gedempte toon met elkaar in gesprek; van tijd tot tijd verhief een van hen zijn stem om een gemeenplaats te verkondigen; dan knikten zijn collega’s ernstig en sloegen nog een glas achterover. Ik moet bekennen dat ik, hoezeer ook onder de indruk van de toespraak, meer in beslag werd genomen door de kleine scène van die voormiddag: ik had het idee dat Mandelbrod bezig was mij ergens een functie te bezorgen, maar hoe en bij wie was me nog niet duidelijk; ik wist te weinig over zijn betrekkingen met de Reichsführer, en ook trouwens met Speer, om het te kunnen beoordelen, en dat maakte me onrustig, ik voelde dat ik geen vat had op wat er speelde. Ik vroeg me af of Hilde, of eventueel Hedwig, me opheldering had kunnen verschaffen; tegelijkertijd wist ik heel goed dat zij me, zelfs in bed, niets zouden hebben verteld waarvan Mandelbrod niet wilde dat ik het wist. En Speer? Lange tijd meende ik me te herinneren, maar zonder er verder bij stil te staan, dat ik tijdens dit buffet ook hem met de Reichsführer in gesprek had gezien. Maar alweer een tijdje geleden las ik in een boek dat hij al jaren stellig ontkent daar toen te zijn geweest, hij zou voor het middagprogramma met Rohland zijn vertrokken en niet aanwezig zijn geweest toen de Reichsführer zijn toespraak hield. Hierover kan ik alleen maar zeggen dat het niet onmogelijk is: na ons korte gesprek voor het middagbuffet had ik niet speciaal meer op hem gelet, mijn aandacht was meer gericht op Dr. Mandelbrod en de Reichsführer, en bovendien was het er erg druk; toch meen ik hem die avond te hebben gezien, en zelf heeft hij het geslemp van de Gauleiter beschreven, van wie er na afloop verscheidene, zo staat het in zijn boek, naar de speciale trein moesten worden gedragen; tegen die tijd was ik al met de Reichsführer vertrokken, dus dat heb ik niet met eigen ogen gezien, maar hij beschrijft het alsof hij er zelf bij was, het is dus moeilijk te zeggen, en hoe dan ook is het zinloze muggenzifterij: maar los van de vraag of hij de woorden van de Reichsführer die dag wel of niet gehoord heeft, Reichsminister Speer was net als alle anderen op de hoogte; op zijn minst wist hij in die tijd genoeg om te weten dat hij er beter niet meer over kon weten, zoals een historicus heeft opgemerkt, en ik kan in elk geval stellen dat hij niet lang daarna, toen ik hem beter had leren kennen, alles wist, ook wat er gebeurde met de vrouwen en kinderen, die toch niet ergens hadden kunnen worden ondergebracht zonder dat hij daarvan wist, al sprak hij er nooit over, dat is waar, en al kende hij niet alle technische details, die trouwens niet onder zijn specifieke bevoegdheid vielen. Ongetwijfeld had hij het liever niet geweten, dat wil ik niet ontkennen; Gauleiter von Schirach, die met losgeknoopte das en open kraag op een stoel was neergeploft en die avond de ene cognac na de andere achteroversloeg, had het stellig ook liever niet geweten, en vele anderen met hem, hetzij omdat de kracht van hun overtuiging tekortschoot, hetzij omdat ze al beducht werden voor de vergeldingsmaatregelen van de geallieerden; en ik moet hieraan toevoegen dat die mannen, de Gauleiter, slechts een bescheiden aandeel hebben gehad in de oorlogsinspanningen en ze soms zelfs hebben tegengewerkt, terwijl Speer daarentegen, daarover zijn alle deskundigen het tegenwoordig wel eens, het bestaan van nationaal-socialistisch Duitsland met minstens twee jaar heeft verlengd, er meer dan wie ook toe heeft bijgedragen dat de zaak bleef duren, en als hij had gekund, had hij het nog langer laten duren, hij was hevig gebrand op de overwinning en heeft zich geweldig uitgesloofd voor die overwinning, de overwinning van het nationaal-socialistische Duitsland dat de joden vernietigde, vrouwen en kinderen incluis, en de zigeuners en nog vele anderen ook, en daarom ben ik zo vrij, ondanks het grote respect dat ik heb voor wat hij als minister heeft gepresteerd, om toch iets onbetamelijks te zien in zijn publieke spijtbetuigingen na de oorlog, waarmee hij weliswaar zijn leven heeft gered, terwijl hij dat leven niet meer of minder verdiende dan mannen als Sauckel of Jodl, maar die hem vervolgens verplichtten, wilde hij de façade in stand houden, om zich in steeds vreemdere bochten te wringen, terwijl het toch zo eenvoudig zou zijn geweest, vooral nadat hij zijn straf had uitgezeten, om te zeggen: ja, ik wist ervan, nou en? Zoals mijn kameraad Eichmann het in Jeruzalem zo treffend heeft gezegd, met de directe eenvoud van de eenvoudige man: ‘Spijt is iets voor kleine kinderen.’