Sinds ons bezoek aan Mittelbau had Speer niets meer van zich laten horen; begin januari belde hij om me een gelukkig nieuwjaar te wensen en te vragen of ik iets voor hem wilde doen. Zijn ministerie had bij het rsha een verzoek ingediend om enkele joden uit Amsterdam vrij te stellen van deportatie, omdat ze gespecialiseerd waren in het aankopen van metalen en waardevolle contacten hadden in de neutrale landen; het rsha had dit verzoek afgewezen, met als motief dat de situatie in Holland verslechterde en dat strikte onbuigzaamheid daar geboden was. ‘Het is belachelijk,’ zei Speer met een stem die zwaar was van vermoeidheid. ‘Hoe kunnen drie joodse metaalhandelaren nu een gevaar opleveren voor Duitsland? Ze kunnen ons op dit moment juist van dienst zijn.’ Ik vroeg of hij me afschriften van de correspondentie wilde toesturen en beloofde mijn best te zullen doen. De afwijzende beschikking van het rsha was ondertekend door Müller, maar aan het kenmerk te zien gedicteerd door iv b 4a. Ik belde naar Eichmann en wenste hem allereerst een goed nieuwjaar. ‘Dank u, Obersturmbannführer,’ antwoordde hij met zijn eigenaardige accent, die mengeling van Oostenrijks en Berlijns. ‘Gefeliciteerd trouwens met uw bevordering.’ Ik legde hem de kwestie van Speer voor. ‘Ik heb die zaak niet zelf behandeld,’ zei Eichmann. ‘Het zal Hauptsturmführer Moes zijn geweest, die houdt zich bezig met de individuele gevallen. Maar de beslissing was terecht. Weet u hoeveel van dit soort verzoeken we ontvangen? Als we iedere keer ja zouden zeggen, konden we de zaak wel sluiten, dan mochten we geen enkele jood meer aanpakken.’ – ‘Ik begrijp het volkomen, Obersturmbannführer. Het gaat hier echter om een persoonlijk verzoek van de minister van Bewapening en Oorlogsproductie.’ – ‘Tja. Hun mannetje in Holland moet overijverig zijn geweest en zo zijn ze langzaamaan doorgedrongen tot de minister. Het is niets dan rivaliteit tussen de afdelingen. Nee, weet u, hier kunnen we niet op ingaan. Bovendien is de situatie in Holland zeer bedenkelijk. Allerlei groepen lopen er vrij rond, het gaat daar helemaal niet goed.’ Ik probeerde hem te bepraten, maar Eichmann hield voet bij stuk. ‘Nee. Want als we toegeven, dan gaan ze weer zeggen dat er bij de Duitsers, met uitzondering van de Führer, geen enkele overtuigde antisemiet meer is. Het is onmogelijk.’

Wat bedoelde hij daarmee? In ieder geval kon Eichmann hierover niet zelfstandig beslissen, en dat wist hij. ‘Nou, stuurt u ons een en ander op papier,’ zei hij uiteindelijk met tegenzin. Ik besloot rechtstreeks aan Müller te schrijven, maar Müller gaf hetzelfde antwoord, uitzonderingen waren niet mogelijk. Ik aarzelde of ik me tot de Reichsführer zou wenden, maar besloot eerst weer contact op te nemen met Speer, om na te gaan of hem aan die joden werkelijk zo veel gelegen was. Maar van het ministerie kreeg ik te horen dat hij ziekteverlof had. Ik won nadere informatie in: hij was opgenomen in Hohenlychen, in het ss-hospitaal waar ik na Stalingrad was verpleegd. Ik duikelde ergens een bos bloemen op en reed naar hem toe. Hij had in de privévleugel een hele suite voor zichzelf opgeëist, waar hij zich met zijn secretaresse en een paar assistenten had geïnstalleerd. De secretaresse vertelde me dat na een kerstreis naar Lapland een oude knieontsteking weer was gaan opspelen; zijn toestand was verslechterd en Dr. Gebhardt, de beroemde kniespecialist, meende dat er sprake was van reumatoïde artritis. Ik trof Speer in een verschrikkelijk humeur: ‘Zo, bent u het, Obersturmbannführer. Gelukkig nieuwjaar. En?’ Ik legde uit dat het rsha bij zijn standpunt bleef; misschien, was mijn suggestie, zou hij er tegen de Reichsführer iets over kunnen zeggen in een persoonlijk gesprek. ‘Ik denk dat de Reichsführer wel wat anders aan zijn hoofd heeft,’ antwoordde hij bot. ‘Net als ik. Want ik moet van hieruit mijn ministerie leiden. Als u de zaak niet zelf kunt oplossen, laat dan maar zitten.’ Ik bleef nog een paar minuten en vertrok; ik voelde dat mijn gezelschap niet op prijs werd gesteld.

Hij ging trouwens in snel tempo achteruit; toen ik enkele dagen later belde om te horen hoe het ging, vertelde zijn secretaresse dat hijzelf niet meer aan de telefoon kon komen. Ik belde wat in het rond: hij zou in coma liggen, op sterven na dood zijn. Ik vond het vreemd dat een knieontsteking, ook al was het dan een reumatoïde artritis, zo ingrijpend kon zijn. Ik besprak het met Hohenegg, die er geen mening over had. ‘Maar als hij de geest geeft en ik mag sectie verrichten, dan krijgt u van mij te horen wat hem mankeerde.’ Zelf had ik ook wel wat anders aan mijn hoofd. Op de avond van de dertigste januari kwamen de Engelsen met hun zwaarste luchtaanval sinds november; opnieuw sprongen mijn ruiten stuk en een deel van mijn balkon stortte in. De volgende dag riep Brandt me bij zich en liet me, heel vriendelijk, weten dat het ss-Gericht aan de Reichsführer toestemming had gevraagd om een onderzoek naar mij in te stellen, in verband met de moord op mijn moeder. Ik voelde dat ik een kleur kreeg en sprong op: ‘Standartenführer! Dat is een lasterlijk verhaal, ontsproten aan de zieke geest van streberige politiemannen. Ik ben bereid me te schikken in een gerechtelijk onderzoek, opdat mijn naam van elke verdenking wordt gezuiverd. Maar dan vraag ik u wel mij met verlof te sturen, totdat mijn onschuld is aangetoond. Het zou onaanvaardbaar zijn als iemand die van zo’n afgrijselijke daad wordt verdacht, deel blijft uitmaken van de persoonlijke staf van de Reichsführer.’ – ‘Rustig maar, Obersturmbannführer. Er is nog geen enkele beslissing genomen. Vertelt u mij liever wat er is voorgevallen.’ Ik ging weer zitten en deed verslag van de gebeurtenissen, waarbij ik me hield aan de versie die ik aan de politiemannen had verteld. ‘Dat zij zo zijn gaan doordraven, is omdat ik op bezoek was in Antibes. En mijn moeder en ik zijn inderdaad een hele tijd gebrouilleerd geweest. Maar u weet dat ik in Stalingrad gewond ben geraakt. Wie zo dicht in de buurt van de dood komt, die gaat zich bezinnen: ik vond dat onze problemen nu eens voorgoed uit de weg moesten worden geruimd. Helaas is zij nu zelf aan haar eind gekomen, op een afgrijselijke, onvoorstelbare manier.’ – ‘En hoe is dat volgens u gebeurd?’ – ‘Ik heb geen flauw idee, Standartenführer. Kort daarna ben ik voor de Reichsführer gaan werken, en ik ben niet meer naar Antibes teruggekeerd. Mijn zuster, die naar de begrafenis is gegaan, had het over terroristen, over een afrekening; mijn stiefvader leverde nogal wat spullen aan de Wehrmacht.’ – ‘Helaas is dat goed mogelijk. Dit soort dingen gebeurt in Frankrijk steeds vaker.’ Hij klemde zijn lippen op elkaar en boog het hoofd, waardoor het licht over zijn brillenglazen speelde. ‘Moet u horen, ik denk dat de Reichsführer een gesprek met u wil alvorens een beslissing te nemen. Ik ben zo vrij u intussen in overweging te geven eens met de rechter te praten die het verzoek heeft ingediend. Dat is rechter Baumann, van de ss- en politierechtbank in Berlijn. Een zeer achtenswaardig man; mocht u werkelijk het slachtoffer zijn van kwaadwilligen die het speciaal op u hebben gemunt, dan kunt u hem daar misschien zelf van overtuigen.’

Meteen maakte ik een afspraak met deze rechter Baumann. Hij ontving me in zijn werkkamer in het gerechtsgebouw. Het was een al wat oudere jurist, in het uniform van Standartenführer, met een vierkant gezicht en een scheve neus, het gezicht van een worstelaar. Ik had mijn beste uniform aangetrokken en al mijn onderscheidingen opgespeld. Nadat ik de Duitse groet had gebracht, nodigde hij mij uit te gaan zitten. ‘Dank dat u mij wilde ontvangen, Herr Richter,’ zei ik, hem aansprekend met zijn functie en niet met zijn ss-rang. – ‘Geen dank, Obersturmbannführer, dat spreekt toch vanzelf.’ Hij sloeg een map open die op zijn bureau lag. ‘Ik heb uw persoonlijk dossier opgevraagd. Hopelijk neemt u me dat niet kwalijk.’ – ‘Volstrekt niet. Staat u mij toe te zeggen wat ik ook tegen de Reichsführer wil gaan zeggen: het zijn in mijn ogen kwalijke beschuldigingen, die me raken op een zeer persoonlijk punt. Ik ben bereid om op alle mogelijke manieren met u mee te werken, opdat ze volledig worden weerlegd.’ Baumann kuchte: ‘Het zal duidelijk zijn dat ik nog geen opdracht heb gegeven tot een gerechtelijk onderzoek. Dat kan ik alleen met toestemming van de Reichsführer. Het dossier waarover ik beschik, is nogal mager. Ik heb mijn aanvraag ingediend op grond van een verzoek van de Kripo, die beweert over aanknopingspunten te beschikken waar de rechercheurs dieper op in willen gaan.’ – ‘Met die rechercheurs heb ik twee keer gesproken. Het enige waar zij mee kwamen, waren ongegronde, niet met bewijzen gestaafde verdachtmakingen, voortbrengselen van een – het spijt me dat ik het zeggen moet – verwarde geest.’ – ‘Dat kan inderdaad zo zijn,’ zei hij welwillend. ‘Ik zie hier dat u uw universitaire studie op voortreffelijke wijze hebt afgerond. Als u was doorgegaan in het recht, hadden we nog als collega’s kunnen eindigen. Uw oude hoogleraar, Dr. Jessen, ken ik heel goed. Een uitstekend jurist.’ Hij bleef in het dossier bladeren. ‘Mag ik eens vragen, heeft uw vader misschien gevochten bij het Freikorps Rossbach, in Koerland? Ik herinner me een officier die Aue heette.’ Hij noemde de voornaam. Mijn hart begon heftig te bonzen. ‘Dat is inderdaad de naam van mijn vader. Maar ik zou uw vraag niet kunnen beantwoorden. Mijn vader is in 1921 verdwenen en sindsdien heb ik niets meer van hem vernomen. Het kan dezelfde zijn. Weet u hoe het verder met hem is gegaan?’ – ‘Nee, helaas niet. Tijdens de terugtocht, in december 1919, ben ik hem uit het oog verloren. Op dat moment leefde hij nog. Ook heb ik horen zeggen dat hij zou hebben meegedaan aan de putsch van Kapp. Daar waren veel Baltikumer bij betrokken.’ Hij dacht even na. ‘U zou navraag kunnen doen. Er zijn nog steeds verenigingen van Freikorpsveteranen.’ – ‘Ja, Herr Richter. Dat is een nuttige suggestie.’ Hij kuchte opnieuw en ging rechtop zitten. ‘Goed. Laten we nu, met uw welnemen, terugkeren naar die zaak van u. Wat kunt u me daarover zeggen?’ Ik vertelde hem hetzelfde verhaal als ik aan Brandt had gedaan. ‘Wat een gruwelijke geschiedenis,’ zei hij na afloop. ‘Het moet u hevig hebben aangegrepen.’ – ‘Zeker, Herr Richter. Maar wat me nog heviger aangrijpt, dat zijn de beschuldigingen van die twee handhavers van de openbare orde die nog nooit, daar ben ik van overtuigd, ook maar een dag aan het front zijn geweest, en die het wagen een ss-officier te belasteren.’ Baumann krabde aan zijn kin: ‘Ik begrijp hoezeer dit alles u kwetst, Obersturmbannführer. Toch is de beste oplossing misschien dat er licht in deze zaak wordt gebracht.’ – ‘Ik heb niets te vrezen, Herr Richter. Ik zal me voegen naar het besluit van de Reichsführer.’ – ‘U hebt gelijk.’ Hij stond op en liep met me mee naar de deur. ‘Ik heb nog wel wat oude foto’s uit Koerland. Als u wilt, kan ik ze opzoeken om te zien of die Aue misschien ergens op staat.’ – ‘Dat zou prachtig zijn.’ In de gang drukte hij me de hand. ‘Maak u geen zorgen, Obersturmbannführer. Heil Hitler!’ Mijn gesprek met de Reichsführer vond de volgende dag al plaats, het was kort en afdoend. ‘Wat is dat voor een belachelijke geschiedenis, Obersturmbannführer?’ – ‘Ik word beschuldigd van moord, mein Reichsführer. Het zou komisch zijn als het niet zo tragisch was.’ Kort lichtte ik de omstandigheden toe. Himmler kwam snel tot een besluit: ‘Obersturmbannführer, ik begin u te kennen. U hebt uw gebreken: neem me niet kwalijk dat ik het zeg, maar u bent koppig, bij tijd en wijle pedant. Ik kan in u echter geen spoor van morele zwakte ontdekken. U bent een perfect specimen van het noordse ras, misschien alleen met een beetje alpien bloed. Moedermoord vind je uitsluitend bij volken van een gedegenereerd ras, zoals Polen, of zigeuners. Of eventueel bij een Italiaan met een onstuimig temperament, tijdens een ruzie, niet in koelen bloede. Nee, dit is belachelijk. De Kripo mist elk onderscheidingsvermogen. Ik zal Gruppenführer Nebe moeten instrueren dat hij zijn mannen schoolt in rassenanalyse, dan verdoen ze niet zo veel tijd. Het spreekt vanzelf dat ik geen toestemming geef voor het onderzoek dat ze willen plegen. Dat ontbrak er nog maar aan.’

Enkele dagen later werd ik gebeld door Baumann. Het moet midden februari zijn geweest, want ik weet nog dat het vlak na een hevig bombardement was, waarbij hotel Bristol werd getroffen terwijl daar een officieel diner aan de gang was: een zestigtal personen vond de dood onder het puin, inclusief een handvol bekende generaals. Baumann leek in een goed humeur en feliciteerde me enthousiast. ‘Persoonlijk vond ik die hele zaak bespottelijk,’ klonk zijn stem aan het andere eind van de lijn. ‘Ik ben blij voor u dat de Reichsführer de knoop heeft doorgehakt. Dat scheelt verder een hoop problemen.’ Wat de foto’s betrof, hij had er een gevonden waar die Aue op stond, zij het wazig en nauwelijks herkenbaar; hij wist niet eens zeker of het hem echt wel was, maar hij beloofde er een afdruk van te laten maken en mij die toe te sturen.

Ontevreden over het besluit van de Reichsführer waren alleen Clemens en Weser. Ik trof hen een keer aan het eind van de middag op straat, voor het ss-Haus, de handen in de zakken van hun lange jassen, hun schouders en hoed bedekt met fijne sneeuw. ‘Zo, daar hebben we Laurel en Hardy,’ zei ik spottend. ‘Wat voert u hierheen?’ Ditmaal lieten ze de Hitlergroet achterwege. Weser antwoordde: ‘We wilden u gedag komen zeggen, Obersturmbannführer. Maar uw secretaresse wilde geen afspraak voor ons maken.’ Dat ze me niet met Herr aanspraken, legde ik naast me neer. ‘Ze heeft volkomen gelijk,’ zei ik uit de hoogte. Volgens mij hebben wij elkaar niets meer te zeggen.’ – ‘Ja maar, weet u, Obersturmbannführer,’ prevelde Clemens, ‘wij denken juist van wel.’ – ‘In dat geval, meine Herren, stel ik voor dat u daarvoor toestemming vraagt aan rechter Baumann.’ Weser schudde zijn hoofd: ‘Het is ons volkomen duidelijk, Obersturmbannführer, dat rechter Baumann zal weigeren. Het is ons volkomen duidelijk dat u als het ware onschendbaar bent.’ – ‘Maar het is niet normaal,’ vervolgde Clemens, zijn grove gezicht met de stompe neus gehuld in zijn dampende adem. ‘Dat begrijpt u zelf ook wel. Er moet uiteindelijk toch gerechtigheid zijn.’ – ‘Dat ben ik volledig met u eens. Maar uw krankzinnige lasterpraatjes hebben met gerechtigheid niets te maken.’ – ‘Lasterpraatjes, Obersturmbannführer?’ vroeg Weser met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Lasterpraatjes? Weet u dat wel zo zeker? Als rechter Baumann het dossier werkelijk gelezen had, zou hij daar naar mijn mening minder overtuigd van zijn dan u.’ – ‘O zeker,’ ging Clemens verder. ‘Hij had bijvoorbeeld vragen kunnen stellen over de kleren.’ – ‘De kleren? Wat voor kleren bedoelt u?’ – Het antwoord kwam van Weser: ‘Kleren die de Franse politie heeft aangetroffen in de badkamer op de eerste verdieping, in de badkuip. Burgerkleren...’ Hij wendde zich naar Clemens: ‘De aantekeningen.’ Clemens haalde het notitieboekje uit een binnenzak en reikte het hem aan. Weser bladerde: ‘Ah, ja, hier heb ik het: des vêtements maculés de sang. Dat zocht ik.’ – ‘Dat betekent: kleren besmeurd met bloed,’ legde Clemens uit. – ‘De Obersturmbannführer weet wel wat dat betekent, Clemens,’ knarste Weser. ‘De Obersturmbannführer heeft gestudeerd. Hij heeft een flinke woordenschat.’ Opnieuw verdiepte hij zich in de notities. ‘Burgerkleren dus, besmeurd, in de badkuip gegooid. Ook bloed op de tegelvloer, tegen de muren, in de wasbak, aan de handdoeken. En beneden, in de zitkamer en de hal, overal sporen van voetstappen, vanwege het bloed. Er waren afdrukken van schoenen, die schoenen zijn aangetroffen bij de kleren, maar er waren ook afdrukken van laarzen. Grote laarzen.’ – ‘Nou,’ zei ik schouderophalend, ‘dan zal de moordenaar zich voordat hij wegging wel hebben omgekleed om geen aandacht te trekken.’ – ‘Zie je, Clemens, ik zei toch dat de Obersturmbannführer een intelligente man is. Je moet ook naar me luisteren.’ Hij draaide zich naar mij toe en keek me van onder de rand van zijn hoed aan. ‘Al die kledingstukken waren van Duitse herkomst, Obersturmbannführer.’ Weer bladerde hij in het aantekenboekje: Een tweedelig herenkostuum, bruin, wol, goede kwaliteit, met daarin het merk van een Duitse kleermaker. Een wit overhemd, Duits fabrikaat. Een zijden stropdas, Duits fabrikaat, een paar katoenen sokken, Duits fabrikaat, een onderbroek, Duits fabrikaat. Een paar nette schoenen van bruin leer, maat 42, Duits fabrikaat. Hij keek op: ‘Wat hebt u eigenlijk voor schoenmaat, Obersturmbannführer? Als ik zo vrij mag zijn. En wat hebt u voor kledingmaat?’ Ik glimlachte: ‘Meine Herren, ik weet niet uit welke holen u omhooggekropen bent, maar ik raad u aan daar als de bliksem weer in terug te keren. Ongedierte heeft in Duitsland geen bestaansrecht meer.’ Clemens fronste zijn wenkbrauwen: ‘Zeg eens, Weser, beledigt hij ons nu niet?’ – ‘Ja. Hij beledigt ons. En hij bedreigt ons. Uiteindelijk heb je misschien wel gelijk. Hij zou toch minder intelligent kunnen zijn dan hij eruitziet, de Obersturmbannführer.’ Weser bracht een vinger naar zijn hoed: ‘Goedenavond, Obersturmbannführer. Wie weet tot gauw.’

Ik keek hen na terwijl ze door de sneeuw naar de Zimmerstrasse liepen. Thomas, met wie ik had afgesproken, was intussen gearriveerd. ‘Wie zijn dat?’ vroeg hij met een hoofdbeweging naar de twee silhouetten. – ‘Dat zijn zeurpieten. Gekken. Kun je niet zorgen dat ze in een concentratiekamp worden opgeborgen, zodat ze wat inbinden?’ Hij haalde zijn schouders op: ‘Als je een geldige reden hebt, dan kan dat. Zullen we gaan eten?’ In feite had Thomas weinig belangstelling voor mijn problemen, maar des te meer voor die van Speer. ‘Het rommelt daar op het ministerie,’ zei hij in het restaurant. ‘En bij de ot ook. Het is lastig om er zicht op te krijgen, maar blijkbaar zijn er lieden die zijn verblijf in het ziekenhuis zien als een kans.’ – ‘Wat voor kans?’ – ‘Een kans om hem opzij te schuiven. Speer heeft veel vijanden gemaakt. Bormann is tegen hem, Sauckel ook, alle Gauleiter, behalve Kaufmann en misschien Hanke.’ – ‘En de Reichsführer?’ – ‘De Reichsführer heeft hem tot nu toe min of meer gesteund. Maar dat zou weleens kunnen veranderen.’ – ‘Ik moet je bekennen dat ik niet zo goed begrijp wat de bedoeling is van al dat geïntrigeer,’ zei ik traag. ‘Je hoeft alleen maar naar de cijfers te kijken: zonder Speer hadden we de oorlog al verloren, dat staat wel ongeveer vast. Op dit moment zitten we in een ronduit kritieke situatie. Tegen dat gevaar zou heel Duitsland zich eensgezind teweer moeten stellen.’ Thomas glimlachte: ‘Jij bent en blijft een idealist. Heel goed! Maar de meeste Gauleiter hebben alleen oog voor hun persoonlijke belangen, of hoogstens voor die van hun Gau.’ – ‘Me dunkt, in plaats van Speer tegen te werken in zijn pogingen om de productie op te voeren, kunnen ze beter tot het besef komen dat zij, als we de oorlog verliezen, ook allemaal zullen eindigen op het schavot. Dat mogen we toch wel een persoonlijk belang noemen?’ – ‘Zeker. Maar vergeet niet dat er bij dit alles nog iets anders meespeelt. Er is namelijk ook nog zoiets als politieke visie. De diagnose van Schellenberg wordt niet door iedereen onderschreven, en hetzelfde geldt voor de door hem bepleite oplossingen.’ Nu komen we tot de kern van de zaak, zei ik bij mezelf, en ik stak een sigaret op. ‘Hoe is dan de diagnose van jouw vriend Schellenberg? En hoe zien zijn oplossingen eruit?’ Thomas keek om zich heen. Voor zover ik me kon herinneren, was dit de eerste keer dat hij een lichte onrust toonde. ‘Schellenberg denkt dat, als we op dezelfde voet doorgaan, de oorlog verloren is, los van de industriële krachttoeren die Speer misschien nog gaat uithalen. In zijn ogen is de enig haalbare oplossing dat er apart vrede wordt gesloten met de westerse mogendheden.’ – ‘En jij? Hoe denk jij erover?’ Hij aarzelde even: ‘Hij heeft geen ongelijk. Dankzij deze kwestie beginnen sommigen bij de Gestapo trouwens nogal negatief over me te denken. Bij de Reichsführer vindt Schellenberg weliswaar gehoor, maar hij heeft hem nog niet overtuigd. En een heleboel anderen kunnen er volstrekt niet in meegaan, Müller bijvoorbeeld, en Kaltenbrunner. Kaltenbrunner zoekt toenadering tot Bormann. Als hij daarin slaagt, kan hij het de Reichsführer nog weleens moeilijk gaan maken. In die context is Speer een probleem van ondergeschikt belang.’ – ‘Ik wil niet beweren dat Schellenberg gelijk heeft. Maar wat zien de anderen dan voor oplossing? Gezien het industriële potentieel van de Amerikanen werkt de tijd tegen ons, wat Speer ook doet.’ – ‘Ik zou het niet precies weten,’ zei Thomas peinzend. ‘Waarschijnlijk geloven ze in die miraculeuze wapens. Jij hebt ze gezien. Wat denk je ervan?’ Ik haalde mijn schouders op: ‘Geen idee. Ik weet niet wat ze waard zijn.’ Het eten kwam, het gesprek nam een andere wending. Bij het dessert kwam Thomas met een ondeugende glimlach nog even op Bormann terug. ‘Moet je horen, Kaltenbrunner is bezig een dossier over Bormann aan te leggen. Ik lever daar ook een kleine bijdrage aan.’ – ‘Over Bormann? Je zei net dat Kaltenbrunner toenadering tot hem zoekt.’ – ‘Dat speelt geen rol. Bormann zelf heeft dossiers over iedereen, over de Reichsführer, over Speer, over Kaltenbrunner, misschien ook wel over jou.’ Hij had een tandenstoker in zijn mond en liet die met kennelijk plezier om zijn tong heen draaien. ‘Nou, wat ik je wilde vertellen... Het blijft onder ons, hè? Dat moet, hoor... Dus Kaltenbrunner heeft nogal wat brieven van Bormann en zijn vrouw onderschept. Er zitten juweeltjes tussen. Schitterende schrijfsels.’ Met spot in zijn ogen boog hij naar voren. ‘Bormann zat achter een actricetje aan. Je weet dat het een man is met een vurig temperament, de actiefste dekhengst van secretaresses die het Reich kent. Schellenberg noemt hem de tikjuffennaaier. Kortom, hij kreeg haar. Maar het mooie is dat hij daarover heeft geschreven aan zijn vrouw, de dochter van Buch, je weet wel, de hoogste rechter van de Partij. Zij heeft hem al, ik weet niet, negen of tien koters gebaard. En haar antwoord is in grote lijnen: het is in orde, ik ben niet boos, ik ben niet jaloers. Ze stelt voor het vrouwtje bij hen in huis te nemen. Vervolgens schrijft ze: Gezien de verschrikkelijke terugloop in de productie van kinderen, een uitvloeisel van de oorlog, zullen we een systeem van roulerende zwangerschap opzetten, zodat je altijd een inzetbare vrouw tot je beschikking hebt.’ Thomas zweeg met een glimlach, terwijl ik schaterlachte: ‘Ga weg! Heeft ze dat werkelijk geschreven?’ – ‘Ik zweer het je. Een inzetbare vrouw. Denk je eens in!’ Nu lachte hij ook voluit. ‘En weet je wat Bormann heeft geantwoord?’ vroeg ik. – ‘O, die heeft haar natuurlijk gecomplimenteerd. En haar vervolgens onthaald op ideologische gemeenplaatsen. Hij noemde haar, meen ik, een zuiver kind van het nationaal-socialisme. Maar dat zei hij duidelijk om haar een plezier te doen. Bormann zelf gelooft nergens in. Alleen in de noodzaak om alles wat er tussen de Führer en hem zou kunnen komen te staan, meteen definitief uit te schakelen.’ Ik wierp hem een ironische blik toe: ‘En jij, waar geloof jij in?’ Het antwoord stelde me niet teleur. Hij ging recht op zijn bankje zitten: ‘Laat ik citeren uit een jeugdwerk van onze illustere minister van Propaganda: Van belang is niet wát men gelooft, maar dát men gelooft.’ Ik moest erom glimlachen; soms imponeerde Thomas me. En dat zei ik hem trouwens: ‘Thomas, je imponeert me.’ – ‘Tja, hoe moet het anders? Het is echt niet mijn bedoeling om ergens in een kantoor te verstoffen. Ik ben een echte nationaal-socialist. En Bormann ook, op zijn manier. Van die Speer van jou weet ik het niet zeker. Hij heeft talenten, maar ik denk niet dat het regime dat hij dient er voor hem erg toe doet.’ Opnieuw glimlachte ik, denkend aan Schellenberg. Thomas vervolgde: ‘Hoe moeilijker de situatie wordt, des te meer zullen we genoodzaakt zijn om terug te vallen op de enige ware nationaal-socialisten. Alle ratten maken zich op om het zinkende schip te verlaten. Dat zul je zien.’

En in het scheepsruim van het Reich roerden zich inderdaad de ratten, krijsend, krioelend, voortgedreven door een enorme onrust. Sinds Italië het had laten afweten, maakten de spanningen met onze andere bondgenoten een patroon van fijne scheurtjes in de wederzijdse betrekkingen zichtbaar. Iedereen ging op zijn manier op zoek naar een vluchtweg, en dat waren nooit Duitse vluchtwegen. Volgens Thomas vermoedde Schellenberg dat de Roemenen in Stockholm in onderhandeling waren met de Sovjets. Maar de gesprekken gingen vooral over de Hongaren. De Russische troepen hadden Loetsk en Rovno ingenomen; als ze zich van Galicië meester maakten, stonden ze voor de poorten van Hongarije. Minister-president Kállay was al ruim een jaar naarstig bezig zich in diplomatieke kringen de reputatie te verwerven van een weinig betrouwbare vriend van Duitsland. Verder waren er problemen door de Hongaarse opstelling met betrekking tot de joodse kwestie; niet alleen weigerden ze daar om verder te gaan dan discriminerende wetsbepalingen die, gezien de omstandigheden, absoluut ontoereikend waren – Hongaarse joden bekleedden nog steeds belangrijke posities in het bedrijfsleven, en in de Hongaarse regering zaten halfjoden, of mannen die met een joodse vrouw waren getrouwd –, maar terwijl ze nog een aanzienlijk en grotendeels geschoold joods arbeidspotentieel hadden, wezen ze elk Duits verzoek van de hand om een deel van die arbeidskrachten beschikbaar te stellen voor de oorlogsindustrie. Al aan het begin van februari werden deze kwesties aan de orde gesteld op bijeenkomsten waar deskundigen van tal van afdelingen aan deelnamen: soms was ik erbij, soms ook stuurde ik een van mijn experts. Het rsha pleitte voor een andere regering; mijn inbreng beperkte zich tot studies over de mogelijke tewerkstelling van Hongaarse joden, mocht de situatie zich positief ontwikkelen. In dat verband had ik een serie besprekingen met medewerkers van Speer om advies in te winnen. Maar hun standpunten waren vaak op een eigenaardige manier tegenstrijdig en moeilijk met elkaar te verzoenen. Speer zelf bleef onbereikbaar; hij zou er bijzonder slecht aan toe zijn, zo werd verteld. Het was allemaal nogal bevreemdend: voor mijn gevoel was ik bezig plannen te maken in de leegte, studies af te ronden die niet veel meer waren dan verdichtsels. Desondanks breidde mijn kantoor zich uit, ik beschikte nu over drie officieren met specialistische kennis, en Brandt had me nog een vierde beloofd; maar het ongemakkelijke van mijn positie deed zich voelen; ik kreeg weinig steun om mijn voorstellen nader uit te werken, noch van de kant van het rsha, ondanks mijn banden met de sd, noch van het wvha, behalve soms van Maurer, als het hem zo uitkwam.

Begin maart kwamen de zaken in een stroomversnelling, al werden ze er nog niet duidelijker op. Eind februari had Thomas mij telefonisch gemeld dat Speer het ergste achter de rug had, en ook al bleef hij voorlopig in Hohenlychen, geleidelijk nam hij de teugels van zijn ministerie weer in handen. Samen met Feldmarschall Milch had hij besloten tot de oprichting van een Jägerstab, een speciale staf om de productie van de jachtvliegtuigen te coördineren; in zekere zin was dit een grote stap op weg naar het annexeren van de laatste sector van de oorlogsproductie waar zijn ministerie nog geen greep op had; anderzijds tierden de intriges welig, er werd verteld dat Göring zich tegen de totstandkoming van de Jägerstab had verzet, dat Saur, Speers adjudant, die er de leiding over had gekregen, niet de keuze van zijn minister was geweest, en nog meer. Bovendien spraken de mannen van Speers ministerie nu openlijk over een onwaarschijnlijk, krankzinnig idee: als bescherming tegen de Britse en Amerikaanse bommenwerpers wilden ze de hele vliegtuigproductie verplaatsen naar fabrieken onder de grond. Daartoe zouden honderdduizenden vierkante meters aan onderaardse voorzieningen moeten worden gebouwd. Kammler zou enthousiast zijn over dit plan, zo werd gezegd, en zijn medewerkers zouden de noodzakelijke studies al bijna hebben voltooid; voor iedereen was wel duidelijk dat in de bestaande situatie alleen de ss een dergelijk ongehoord project tot een goed einde zou weten te brengen. Maar zoiets ging de capaciteit van het beschikbare arbeidspotentieel verre te boven: er dienden nieuwe bronnen te worden aangeboord, en in de gegeven omstandigheden was er dan alleen nog Hongarije, temeer daar er op grond van de overeenkomst tussen Speer en minister Bichelonne niet opnieuw een beroep op Franse arbeidskrachten kon worden gedaan. Het werd dan ook des te urgenter dat het Hongaarse probleem tot een oplossing kwam. Geleidelijk begonnen de ingenieurs van Speer en Kammler in hun berekeningen en prognoses een plaats in te ruimen voor de Hongaarse joden, al was er nog geen enkel akkoord gesloten met de regering-Kállay. Bij het rsha werden alternatieve mogelijkheden onderzocht: ik kende niet veel details, maar Thomas vertelde me nu en dan hoe de planning zich ontwikkelde, zodat ik de mijne daaraan kon aanpassen. Schellenberg was nauw bij deze plannen betrokken. In februari had een duistere geschiedenis, waarin sprake was van deviezenhandel met Zwitserland, tot de val van admiraal Canaris geleid; op dat moment was de gehele Abwehr ingelijfd bij het rsha en met Amt vi samengevoegd tot Amt Mil, onder leiding van Schellenberg, die daarmee aan het hoofd kwam te staan van alle buitenlandse inlichtingendiensten van het Reich. Het ontbrak hem aan voldoende tijd om die positie uit te buiten: de beroepsofficieren van de Abwehr moesten niet veel hebben van de ss, en hij had hen niet goed in de hand. In dat opzicht kon Hongarije hem de mogelijkheid bieden zijn nieuwe organisatie uit te testen. Een politieke verandering zou de vooruitzichten met betrekking tot het arbeidspotentieel in hoge mate kunnen verbeteren: de optimisten hadden het over vierhonderdduizend beschikbare en snel inzetbare krachten, voor het grootste deel al gekwalificeerd of gespecialiseerd. Gezien onze behoeften zou dat een aanzienlijke versterking betekenen. Maar ik zag al wel dat er felle controversen zouden ontstaan over de manier waarop ze tewerkgesteld moesten worden; tegen Kammler en Saur in brachten tal van deskundigen, nuchtere, bedachtzame mannen, naar voren dat het idee van ondergrondse fabrieken, hoe aantrekkelijk ook, niet reëel was, want die fabrieken zouden nooit snel genoeg klaar zijn om de loop der gebeurtenissen nog te kunnen veranderen; en intussen betekende het een ontoelaatbare verspilling van arbeidskrachten, die veel beter konden worden benut wanneer ze in ploegen werden ingezet om de schade aan getroffen fabrieken te herstellen, om woonruimte te bouwen voor onze eigen werkmensen en de slachtoffers van bombardementen, of te helpen bij de decentralisatie van bepaalde vitale industrieën. Die mannen gaven me de verzekering dat ook Speer er zo over dacht; zelf kon ik Speer op geen enkele manier meer bereiken. De argumenten leken mij zinnig, maar eigenlijk ging dit allemaal buiten mij om.

In feite was het zo: naarmate mijn zicht op de maalstroom van intriges in de hoogste regionen van de staat duidelijker werd, kreeg ik steeds minder zin om eraan mee te doen. Voordat ik mijn huidige positie had bereikt, was ik er, waarschijnlijk uit pure naïviteit, van uitgegaan dat de grote beslissingen werden genomen op basis van ideologische zuiverheid en rationele overwegingen. En nu zag ik dat dit misschien voor een deel wel waar was, maar dat ook allerlei andere factoren een rol speelden, zoals conflicten over organisatorische bevoegdheden, persoonlijke ambities, privébelangen. De Führer was uiteraard niet bij machte om in alle gevallen zelf de knoop door te hakken; en buiten zijn directe invloedssfeer maakte een groot deel van de besluitvormingsprocessen een verwrongen of zelfs gebrekkige indruk. Thomas was in zulke situaties in zijn element, maar mij gaven ze een gevoel van onbehagen, en niet alleen omdat ik geen talent voor intrigeren had. Ik had altijd geloofd in de juistheid van de versregels van Coventry Patmore: The truth is great, and shall prevail, / When none cares whether it prevail or not. En ik had altijd geloofd dat het nationaal-socialisme niets anders kon zijn dan een gemeenschappelijk en oprecht zoeken naar die waarheid. Mijn behoefte daaraan was des te groter, omdat de omstandigheden van mijn ontregelde, tussen twee landen verdeelde leven mij buiten de collectiviteit plaatsten. Ook ik wilde mijn steentje bijdragen aan het gemeenschappelijke bouwwerk, ook ik wilde me een deel van een geheel voelen. Helaas waren er in onze nationaal-socialistische staat, vooral buiten sd-kringen, slechts weinigen die er net zo over dachten als ik. In die zin had ik bewondering voor de brute openhartigheid van iemand als Eichmann: hij had zijn eigen opvattingen over het nationaal-socialisme, over zijn eigen positie daarin, over wat er diende te worden gedaan, en aan die opvattingen hield hij vast, hij stelde al zijn talenten en al zijn doorzettingsvermogen in dienst daarvan, en zolang zijn chefs hem erin sterkten, waren het de goede opvattingen en bleef Eichmann een gelukkige, zelfverzekerde man, die zijn dienst leidde met vaste hand. Bij mij lag het heel anders. Het ongelukkige was misschien dat ik taken had gekregen die tegen mijn natuurlijke neigingen en behoeften indruisten. Al sinds Rusland voelde ik me als het ware gespleten: enerzijds in staat om te voldoen aan wat er van me werd gevraagd, anderzijds geblokkeerd in het nemen van initiatieven, want ik had die taken, eerst de politionele, daarna de economische, weliswaar aanvaard en geleerd ze te vervullen, maar ik had mezelf er nog niet van weten te overtuigen dat ze juist waren, ik slaagde er niet in mezelf volledig te doordringen van de diepe noodzaak ervan en dus met de zekerheid van een slaapwandelaar mijn weg te gaan, zoals de Führer, zoals alle collega’s en kameraden die daar meer aanleg voor hadden dan ik. Zou een ander werkterrein beter bij me hebben gepast, zou ik me daar meer thuis hebben gevoeld? Misschien, maar het is moeilijk te zeggen, want zo is het niet gegaan, en per slot van rekening telt alleen wat geweest is en niet wat had kunnen zijn. Van meet af aan waren de dingen niet zoals ik ze had gewild: daar had ik me al lang geleden bij neergelegd (en tegelijkertijd heb ik naar mijn gevoel de dingen toch nooit aanvaard zoals ze zijn, zo onzuiver en verkeerd, hoogstens heb ik uiteindelijk erkend dat ik niet bij machte was ze te veranderen). Daarnaast ben ik zelf veranderd. In mijn jonge jaren leefde ik in het heldere licht van mijn inzichten, ik had duidelijke ideeën over de wereld, over hoe ze moest zijn en hoe ze feitelijk was, over mijn eigen plaats daarin. Met de dwaasheid en hoogmoed eigen aan de jeugd had ik gedacht dat het altijd zo zou blijven, dat er nooit verandering zou komen in de levenshouding die ik op mijn analyses had gebaseerd. Maar ik was vergeten, of eigenlijk wist ik dat toen nog niet, wat de tijd vermag, wat een kracht de tijd en de vermoeidheid kunnen uitoefenen. Dat vooral ondermijnde me, dat vooral haalde de grond onder mijn voeten vandaan, meer nog dan mijn besluiteloosheid, mijn ideologische verwarring, mijn onvermogen om een duidelijke positie te bepalen ten aanzien van de kwesties waar ik mee bezig was en me daaraan te houden. Die vermoeidheid houdt nooit op, alleen de dood kan er een eind aan maken, ook nu nog is ze aanwezig en ik zal haar altijd bij me dragen.

Over al deze dingen praatte ik nooit met Hélène. Wanneer ik haar zag, ’s avonds of zondags, dan hadden we het over het laatste nieuws, de problemen van alledag, de bombardementen, of anders over kunst, literatuur, films. Ik vertelde haar weleens iets over mijn kinderjaren, over mijn leven, maar ik zei niet alles, de pijnlijke, moeilijke dingen liet ik weg. Soms kwam ik in de verleiding om openhartiger tegen haar te zijn, maar iets hield me tegen. Waarom? Ik weet het niet. Je zou kunnen denken dat ik bang was om haar te choqueren, afkeer bij haar op te roepen, maar dat was het niet. Ik kende deze vrouw nog niet zo goed, maar goed genoeg om te weten dat ze in staat zou zijn te luisteren zonder een oordeel te vellen (terwijl ik dit schrijf, denk ik aan de fouten die ik in mijn leven heb gemaakt; ik zou in die tijd absoluut niet in staat zijn geweest te voorspellen hoe ze had gereageerd als ze de volledige reikwijdte en alle gevolgen van mijn werkzaamheden te weten was gekomen, maar daarover praten was hoe dan ook uitgesloten, om te beginnen vanwege de verplichte geheimhouding, maar bovendien op grond van een stilzwijgende afspraak tussen ons beiden, denk ik, een soort kiesheid ook). Wat was het dan dat de woorden terugdrong in mijn keel wanneer ze ’s avonds, na het eten, in een vlaag van vermoeidheid en treurnis naar boven kwamen? Was het de angst, niet voor haar reactie maar gewoon de angst om me bloot te geven? Of anders misschien de angst dat ze nog dichter bij me in de buurt zou komen dan ze al was, nog dichterbij dan ik haar, eigenlijk tegen mijn zin, had toegelaten? Want we bleven wel met elkaar omgaan als goede zij het nog wat onwennige vrienden, maar het was nu wel duidelijk dat zich in haar langzaam iets aan het ontwikkelen was, de gedachte aan het bed en misschien aan nog meer. Soms werd ik daar verdrietig van, ging ik gebukt onder mijn onmacht om haar wat dan ook te kunnen bieden, of zelfs te kunnen aanvaarden wat zij mij te bieden had: zij keek me dan aan met die geduldige, volhardende blik, die zo’n diepe indruk op me maakte, en ik zei bij mezelf, in voortrazende heftigheid: ’s nachts, wanneer je in bed ligt, denk je aan mij, misschien raak je jezelf aan, raak je je borsten aan terwijl je aan me denkt, doe je je hand tussen je benen terwijl je aan me denkt, misschien ga je wel helemaal op in je gedachten aan mij, en ik, ik bemin slechts één persoon, de vrouw die voor mij het onbereikbaarst is van allemaal, de vrouw die altijd in mijn gedachten is en wier beeld mijn hoofd alleen verlaat om zich te nestelen in mijn merg, de vrouw die altijd tussen de wereld en mij in zal staan, en daardoor tussen jou en mij, de vrouw wier liefkozingen de jouwe altijd zullen bespotten, die er zelfs door te trouwen nog voor heeft gezorgd dat ik, als ik ooit in staat zal zijn om met jou te trouwen, dat alleen zal doen vanuit het verlangen te ervaren wat zij in het huwelijk ervaart, de vrouw die, louter door te bestaan, belet dat jij ooit ten volle voor mij zult bestaan, en wat de rest betreft, want er is ook nog een rest, laat ik me liever door een onbekende jongen in mijn reet neuken, desnoods tegen betaling, ook dat brengt me op mijn manier nader tot haar, en liever heb ik de angst en de leegte en schraalheid van mijn gedachten dan dat ik een zwakkeling word.

De plannen met betrekking tot Hongarije begonnen vaster vorm aan te nemen; begin maart werd ik bij de Reichsführer geroepen. De dag ervoor hadden de Amerikanen voor het eerst overdag een luchtaanval op Berlijn uitgevoerd; het was een bescheiden aanval geweest met niet meer dan een dertigtal bommenwerpers, en de door Goebbels gecontroleerde pers had zich vrolijk gemaakt over de geringe schade die er was aangericht, maar voor het eerst gingen de bommenwerpers vergezeld van langeafstandsjagers, een nieuw wapen met angstwekkende mogelijkheden; ze hadden onze eigen jagers verdreven en er heel wat neergehaald, en je moest wel een onbenul zijn om niet in te zien dat deze aanval nog maar een test was, een geslaagde test, en dat er voortaan geen respijt meer zou zijn, noch overdag noch ’s nachts bij volle maan, en dat het front nu altijd en overal was. Het falen van onze Luftwaffe, die geen doeltreffende tegenaanval had kunnen inzetten, was overduidelijk. Deze zienswijze werd voor mij bevestigd door de nuchtere, welgekozen woorden van de Reichsführer. ‘De situatie in Hongarije zal snel veranderen,’ verklaarde hij zonder in details te treden. ‘De Führer is vastbesloten om zo nodig in te grijpen. Er zullen nieuwe mogelijkheden ontstaan, waarvan krachtig gebruik moet worden gemaakt. Een van deze mogelijkheden heeft betrekking op het joodse vraagstuk. Op het geëigende moment zal Obergruppenführer Kaltenbrunner zijn mannen eropaf sturen. Zij weten wat hun te doen staat, u hoeft zich daar niet mee te bemoeien. Maar ik wil dat u met hen meegaat om de belangen van de Arbeitseinsatz te bewaken. Gruppenführer Kammler’ – die eind januari was bevorderd – ‘zal mankracht nodig hebben, zeer veel mankracht. De Britten en de Amerikanen komen met nieuwe wapens’ – hij wees omhoog – ‘en wij dienen snel te reageren. Het rsha moet hier rekening mee houden. Ik heb Obergruppenführer Kaltenbrunner dienovereenkomstig geïnstrueerd, maar u moet erop toezien dat zijn specialisten zich strikt aan deze aanwijzingen houden. Meer dan ooit zijn de joden ons hun werkkracht verschuldigd. Is dat duidelijk?’ Ja, dat was duidelijk. Na deze bijeenkomst legde Brandt mij de nadere details uit: het Sondereinsatzkommando zou onder leiding staan van Eichmann, die voor de aanpak van deze kwestie min of meer de vrije hand kreeg; zodra de Hongaren het uitgangspunt hadden aanvaard en er op hun medewerking kon worden gerekend, zouden de joden worden gedeporteerd naar Auschwitz, waar de arbeidsgeschikten zouden worden gescheiden van de arbeidsongeschikten: van daaruit zouden de arbeidsgeschikte joden afhankelijk van de behoeften tewerk worden gesteld. Het aantal potentiële arbeiders diende in elke fase te worden gemaximaliseerd.

Op het rsha vond een nieuwe ronde voorbereidende besprekingen plaats, waarin de plannen veel gedetailleerder werden doorgenomen dan de maand daarvoor; weldra ontbrak alleen nog de datum. De opwinding werd voelbaar; voor het eerst sinds lange tijd hadden de betrokken functionarissen weer het gevoel dat ze het initiatief naar zich toe konden trekken. Ik zag Eichmann een aantal keren, zowel tijdens de besprekingen als privé. Hij verzekerde me dat de instructies van de Reichsführer volstrekt duidelijk waren. ‘Ik ben blij dat u degene bent die zich met dat aspect van de zaak bezighoudt,’ zei hij, terwijl hij op de binnenkant van zijn linkerwang kauwde. ‘Met u valt te werken, als ik het zo mag zeggen. En dat geldt niet voor iedereen.’ De kwestie van de luchtoorlog hield de gemoederen bezig. Twee dagen na hun eerste aanval waren de Amerikanen met meer dan achthonderd bommenwerpers teruggekomen onder bescherming van ongeveer zeshonderdvijftig van hun nieuwe jagers, om Berlijn rond het middaguur te bestoken. Dankzij het slechte weer was het bombardement niet erg precies en bleef de schade beperkt; bovendien haalden onze eigen jagers en de Flak tachtig vijandelijke toestellen neer, een record; maar die jagers waren log en niet opgewassen tegen de nieuwe Mustangs, en aan onze kant gingen er zesenzestig toestellen verloren. Het was catastrofaal, want de gesneuvelde piloten waren nog moeilijker te vervangen dan de vliegtuigen. De Amerikanen lieten zich allerminst ontmoedigen en kwamen een aantal dagen achter elkaar terug; iedere keer moest de bevolking urenlang in de schuilkelders blijven en werd al het werk stilgelegd; ’s nachts stuurden de Engelsen hun Mosquito’s, die weinig schade aanrichtten maar de mensen opnieuw dwongen de schuilkelders in te gaan, waardoor hun nachtrust werd verstoord en ze uitgeput raakten. Het dodental was gelukkig een stuk lager dan in november: Goebbels had besloten een groot deel van het centrum te evacueren en het merendeel van het kantoorpersoneel kwam nu elke dag vanuit de voorsteden, maar dat vergde vermoeiende, urenlange reizen. De kwaliteit van het werk had eronder te lijden: de correspondentie van onze specialisten in Berlijn, die met ernstig slaapgebrek kampten, zat vol fouten; sommige brieven moest ik wel drie tot vijf keer over laten doen voordat ze verstuurd konden worden.

Op een avond bracht ik een bezoek aan Gruppenführer Müller. De uitnodiging hiervoor was na een luchtalarm aan me doorgegeven door Eichmann, in wiens kantoor die dag een belangrijke planningsvergadering werd gehouden. ‘Elke donderdag,’ vertelde hij, ‘nodigt de Amtschef een paar van zijn deskundigen uit om bij hem thuis van gedachten te wisselen. Hij zou het zeer op prijs stellen als u van de partij wilt zijn.’ Ik moest er mijn schermsessie voor afzeggen, maar ik nam de uitnodiging aan: ik kende Müller nauwelijks, het zou interessant zijn nader met hem in contact te komen. Müllers ambtswoning lag buiten het centrum en was van bommen gevrijwaard gebleven. De deur werd voor me opengedaan door een vrij onopvallende vrouw met een knot en dicht bij elkaar staande ogen; ik zag haar voor een dienstbode aan, maar het was Frau Müller, de enige vrouw in het gezelschap. Müller zelf was in burger en in plaats van mijn Duitse groet te beantwoorden drukte hij me de hand, een grote knuist met dikke, brede vingers; afgezien van dit vertoon van ongedwongenheid was de sfeer duidelijk minder gemütlich dan bij Eichmann. Ook Eichmann was in burger, maar de meeste officieren droegen net als ik hun uniform. Müller, een gedrongen man met vrij korte beentjes en een hoekige boerse kop, was niettemin smaakvol, haast verfijnd gekleed; hij droeg een gehaakt vest over een zijden overhemd met open kraag. Nadat hij me een glas cognac had ingeschonken, stelde hij me voor aan de andere gasten, vrijwel allemaal Gruppenleiter of Referenten van Amt iv: ik herinner me twee mannen van iv d die zich bezighielden met Gestapowerk in de bezette landen, en ook een zekere Berndorff, een Regierungsrat die aan het hoofd stond van het Schutzhaftreferat. Verder waren er nog een officier van de Kripo en Litzenberg, een collega van Thomas. Thomas zelf, die de tekenen van zijn nieuwe rang als Standartenführer met fraai gemak droeg, kwam iets later en werd hartelijk door Müller verwelkomd. Er werd vooral over de kwestie Hongarije gesproken: het rsha had aan Magyaarse zijde al enige kopstukken bereid gevonden om met Duitsland samen te werken; de grote vraag bleef op welke wijze de Führer de regering-Kállay ten val wilde brengen. Wanneer Müller zich niet actief in het gesprek mengde, nam hij zijn gasten met zijn beweeglijke, doordringende oogjes scherp op. Vervolgens plaatste hij dan zelf een korte, zakelijke opmerking, die door zijn zware Beierse accent werd uitgerekt en daarmee een schijn van hartelijkheid kreeg, zonder dat zijn fundamentele kilheid zich geheel liet verhullen. Maar van tijd tot tijd liet hij zich gaan. Met Thomas en Dr. Frey, die lang bij de sd had gewerkt en net als Thomas was toegevoegd aan de Geheime Staatspolizei, had ik een gesprek aangeknoopt over de intellectuele wortels van het nationaal-socialisme. Frey merkte op dat hij de benaming slecht gekozen vond, want de term ‘nationaal’ verwees zijns inziens naar de traditie van 1789, die door het nationaal-socialisme werd verworpen. ‘Wat zou u dan voorstellen?’ vroeg ik hem. – ‘Naar mijn mening zou het Völkischer Sozialismus moeten zijn. Dat is veel nauwkeuriger.’ De man van de Kripo had zich bij ons gevoegd. ‘Als we de ideeën van Möller van den Bruck volgen,’ stelde hij, ‘dan zou het Reichssozialismus kunnen zijn.’ – ‘Dat gaat wel erg in de richting van de deviationistische koers van Strasser, niet?’ reageerde Frey met een zuur gezicht. Ineens zag ik Müller: hij stond achter ons, een glas in zijn grove knuist, en luisterde met samengeknepen ogen toe. ‘We kunnen alle intellectuelen maar het beste in een kolenmijn samendrijven en die dan opblazen...’ stootte hij met scherpe, rauwe stem uit. – ‘De Gruppenführer heeft volkomen gelijk,’ zei Thomas. ‘Meine Herren, u bent nog erger dan de joden. Neem een voorbeeld aan hem: geen woorden maar daden!’ Zijn ogen fonkelden van plezier. Müller knikte, Frey leek in verwarring. ‘Daadkracht heeft bij ons altijd een grotere rol gespeeld dan getheoretiseer, dat is duidelijk...’ stamelde de man van de Kripo. Ik verliet het gezelschap en vulde bij het buffet een bord met salade en vleeswaren. Müller kwam achter me aan. ‘En hoe gaat het met minister Speer?’ vroeg hij. – ‘Eerlijk gezegd, Gruppenführer, weet ik dat niet. Sinds hij ziek is geworden, heb ik geen contact meer met hem gehad. Maar hij schijnt inmiddels aan de beterende hand te zijn.’ – ‘Binnenkort mag hij er weer uit, heb ik gehoord.’ – ‘Dat is mogelijk. Het zou mooi zijn. Als we erin slagen arbeidskrachten uit Hongarije te betrekken, opent dat snel nieuwe mogelijkheden voor onze wapenindustrie.’ – ‘Misschien,’ gromde Müller. ‘Maar het gaat vooral om joden, en voor joden is het grondgebied van het Altreich verboden.’ Ik werkte een worstje naar binnen en zei: ‘Dan moet die regel worden veranderd. We zitten nu op onze maximale capaciteit. Zonder die joden kunnen we niet verder vooruit.’ Eichmann was bij ons komen staan en had mijn laatste woorden gehoord, nippend van zijn cognac. Zonder Müller de kans te geven om te reageren zei hij: ‘Gelooft u nu werkelijk dat het verschil tussen overwinning en nederlaag afhangt van het werk van een paar duizend joden? En als dat al het geval zou zijn, acht u het dan wenselijk dat Duitsland zijn zege aan de joden te danken heeft?’ Eichmann had gedronken, zijn gezicht was rood aangelopen, zijn ogen glansden; hij was er trots op deze woorden ten overstaan van zijn superieur te kunnen uitspreken. Al luisterend prikte ik in de plakjes worst op het bord in mijn hand. Ik bleef kalm, maar ergerde me aan de onzin die hij uitkraamde. ‘Zoals u weet, Obersturmbannführer,’ antwoordde ik op neutrale toon, ‘hadden wij in 1941 het modernste leger ter wereld. Inmiddels zijn we ongeveer een halve eeuw achteropgeraakt. Al ons transport aan het front gebeurt met paarden, terwijl de Russen in Amerikaanse Studebakers rijden. En in de Verenigde Staten zijn miljoenen mannen en vrouwen dag en nacht bezig om zulke vrachtwagens te fabriceren. Ze bouwen ook de schepen waarop ze worden vervoerd. Volgens onze deskundigen produceren ze een scheepslading per dag. Dat is heel wat meer dan onze onderzeeërs tot zinken konden brengen, in de tijd dat ze er überhaupt nog opuit durfden te gaan. We zitten op dit moment in een slijtageslag. Maar onze vijanden hebben geen last van slijtage. Voor alles wat wij vernietigen, komt onmiddellijk nieuw materiaal in de plaats, de honderd toestellen die wij deze week hebben neergehaald, worden nu al vervangen. Terwijl onze materiële verliezen niet worden gecompenseerd, behalve misschien de tanks, en dan nog.’ Eichmann maakte zich extra gewichtig: ‘U bent vanavond wel in een defaitistische stemming!’ Müller keek zwijgend toe, zonder glimlach; zijn vlugge blik schoot tussen ons heen en weer. ‘Ik ben niet defaitistisch,’ repliceerde ik, ‘ik ben realistisch. We moeten zien waar onze belangen liggen.’ Maar de lichtelijk dronken Eichmann vertikte het om logisch na te denken: ‘U redeneert als een kapitalist, een materialist... Deze oorlog is geen kwestie van belangen. Als het louter een kwestie van belangen was, hadden we nooit Rusland aangevallen.’ Ik kon hem niet meer volgen, hij leek op hol geslagen en raasde achter zijn grillige gedachtensprongen aan. ‘We voeren geen oorlog om te zorgen dat elke Duitser een koelkast en een radio krijgt. We voeren oorlog om Duitsland te zuiveren, om een Duitsland te scheppen waarin het goed leven is. Gelooft u soms dat mijn broer Helmut voor een koelkast is gesneuveld? En u, hebt u in Stalingrad voor een koelkast gevochten?’ Ik haalde glimlachend mijn schouders op: in die toestand had een discussie met hem geen zin meer. Müller legde een hand op zijn schouder: ‘Eichmann, beste vriend, u hebt gelijk.’ Hij wendde zich naar mij: ‘Daarom is onze waarde Eichmann zo goed in zijn werk: hij concentreert zich op de essentie. Dat maakt hem tot zo’n begenadigd specialist. En dat is ook de reden dat ik hem naar Hongarije stuur: voor joodse kwesties is hij onze Meister.’ Bij deze complimenten bloosde Eichmann van plezier; ik persoonlijk vond hem op dat moment nogal geborneerd. Toch had Müller gelijk: Eichmann was inderdaad zeer efficiënt, en uiteindelijk zijn vaak de geborneerden het efficiëntst. Müller vervolgde: ‘Alleen, u moet niet uitsluitend aan de joden denken, Eichmann. De joden kunnen tot onze grote vijanden worden gerekend, zeker. Maar het joodse vraagstuk is in Europa al bijna opgelost. Na Hongarije zijn er niet veel meer over. We moeten aan de toekomst denken. En wij hebben vele vijanden.’ Hij praatte zacht, zijn monotone stem vloeide in het wiegende ritme van zijn boerse accent tussen zijn dunne, strakke lippen door. ‘We moeten gaan overwegen wat te doen met de Polen. De joden liquideren en de Polen in leven laten heeft geen enkele zin. En ook hier in Duitsland zijn we nog niet klaar. We hebben al een begin gemaakt, maar we mogen niet halverwege stoppen. Er moet ook een Endlösung der Sozialfrage komen, een definitieve oplossing voor het sociale vraagstuk. Nog steeds zijn er veel te veel criminelen, asocialen, landlopers, zigeuners, alcoholisten, hoeren, homoseksuelen. En vergeet de tuberculoselijders niet, die gezonde mensen besmetten. En de hartpatiënten, die hun aangetaste bloed aan de volgende generatie doorgeven en een fortuin kosten aan medische zorg: zij moeten op z’n minst worden gesteriliseerd. Al die categorieën verdienen stuk voor stuk onze aandacht. Daar zijn al onze brave Duitsers natuurlijk tegen, en altijd op goede gronden. Maar dat is de grote kracht van Stalin: hij zorgt ervoor dat hij wordt gehoorzaamd en hij gaat tot het einde toe door.’ Hij keek mij aan: ‘Ik ken de bolsjewieken heel goed. Sinds de executies van de gijzelaars in München, tijdens de Revolutie. Daarna heb ik ze veertien jaar lang bestreden, tot wij aan de macht kwamen, en ik bestrijd ze nog steeds. Maar weet u, ik heb wel respect voor ze. Het zijn mannen met een aangeboren gevoel voor organisatie en discipline, die nergens voor terugdeinzen. Wij kunnen nog wat van hen opsteken, denkt u ook niet?’ Müller wachtte het antwoord op zijn vraag niet af. Hij nam Eichmann bij de arm en loodste hem naar een lage tafel, waar hij een schaakspel opzette. Terwijl ik mijn bord leegat, bleef ik van een afstandje naar hen kijken. Hoewel Eichmann een goede schaker was, moest hij het tegen Müller afleggen: Müller schaakt zoals hij werkt, bedacht ik, methodisch, taai en met kille, weloverwogen hardheid. Ze speelden een paar partijen, ik kon hen op mijn gemak gadeslaan. Eichmann probeerde geniepige en uitgekiende combinaties, maar Müller liep nooit in de val, en zijn verdediging bleef even sterk als zijn systematisch opgebouwde aanvallen, waar Eichmann niets tegen kon beginnen. Müller won keer op keer.

De week daarop stelde ik voor de Einsatz in Hongarije een kleine groep samen: ik koos een specialist in de persoon van Obersturmführer Elias, verder enkele ambtelijke en secretariële medewerkers, ordonnansen en natuurlijk Piontek. De verantwoordelijkheid voor mijn kantoor liet ik over aan Asbach, die ik nauwkeurig instrueerde. Op bevel van Brandt begaf ik me op 17 maart naar kl Mauthausen, waar zich een Sondereinsatzgruppe van de Sipo en de sd verzamelde onder leiding van Oberführer Dr. Achamer-Pifrader, voorheen bds van het Ostland. Eichmann was er al, als leider van zijn eigen Sondereinsatzkommando. Ik meldde me bij Oberführer Dr. Geschke, de verantwoordelijke officier, die mij met mijn groep in enkele barakken inkwartierde. Al toen ik Berlijn verliet, had ik gehoord dat het Hongaarse staatshoofd, Horthy, op Schloss Klessheim bij Salzburg een ontmoeting zou hebben met de Führer. Na de oorlog werd bekend wat er op Klessheim precies was gebeurd: door Hitler en Ribbentrop botweg voor de keuze gesteld tussen de vorming van een nieuwe, pro-Duitse regering of de invasie van zijn land, kreeg Horthy eerst een lichte hartaanval, waarna hij, admiraal in een land zonder vloot, regent van een koninkrijk zonder koning, besloot het minste van twee kwaden te kiezen. Destijds wisten wij hier echter niets van: Geschke en Achamer-Pifrader beperkten zich ertoe op de avond van de achttiende de hogere officieren bijeen te roepen en ons mee te delen dat we de volgende dag naar Boedapest zouden vertrekken. Uiteraard werkte de geruchtenmachine op volle toeren; velen verwachtten Hongaars verzet bij de grens, we moesten ons velduniform aantrekken en er werden machinepistolen uitgedeeld. Er heerste een levendige sfeer: voor een groot aantal medewerkers van de Gestapo en de sd werd dit de eerste echte oorlogservaring. Na bijna een jaar in Berlijn, de eentonigheid van de bureaucratische sleur, de voortdurende spanning vanwege het stiekeme geïntrigeer, de slopende bombardementen die we hulpeloos hadden moeten ondergaan, liet zelfs ik me door de algehele opwinding meeslepen. Die avond dronk ik een paar glazen met Eichmann, die ik te midden van zijn officieren aantrof, waar hij stralend liep te pronken in gloednieuw feldgrau, even elegant van snit als een parade-uniform. Ik kende zijn collega’s slechts voor een deel; hij vertelde dat hij voor deze operatie uit heel Europa zijn beste specialisten had opgetrommeld – uit Italië, Kroatië, Litzmannstadt, Theresienstadt. Hij stelde me voor aan zijn vriend Hauptsturmführer Wisliceny, de peter van zijn zoon Dieter, een kalme, onverstoorbare dikzak die uit Slowakije was overgekomen. De stemming was opgewekt, er werd weinig gedronken, maar iedereen popelde van ongeduld. Ik ging terug naar mijn barak om wat te slapen, want we zouden tegen middernacht vertrekken, maar ik kon de slaap niet vatten. Ik dacht aan Hélène; twee dagen eerder had ik afscheid van haar genomen, waarbij ik had laten doorschemeren dat ik niet wist wanneer ik terug zou zijn in Berlijn; ik was nogal kortaf geweest, had weinig uitleg gegeven en geen enkele belofte gedaan; zij had het vriendelijk en ernstig geaccepteerd, zonder ongerustheid te tonen, en toch was het ons naar mijn idee allebei wel duidelijk dat we een band hadden opgebouwd, subtiel wellicht, maar toch stevig, een band die niet zomaar zou verdwijnen; we hadden al een geschiedenis samen.

Blijkbaar was ik weggedommeld: tegen middernacht schudde Piontek me wakker. Ik was met kleren en al in bed gaan liggen, mijn bagage stond klaar; terwijl de voertuigen werden gecontroleerd, ging ik naar buiten voor wat frisse lucht, at daarna een boterham en dronk de koffie die een ordonnans, Fischer, voor me gezet had. Het einde van de winter bracht ons een snijdende kou, zoals wel vaker, en welgemoed ademde ik de zuivere berglucht in. Iets verderop hoorde ik motoren ronken: het Vorkommando ging op weg, geleid door een adjudant van Eichmann. Ik had besloten me aan te sluiten bij het konvooi van het Sondereinsatzkommando, dat behalve Eichmann en zijn officieren meer dan honderdvijftig man telde, overwegend Orpo’s en sd- en Sipo-vertegenwoordigers, plus enkele Waffen-ss’ers. Het konvooi van Geschke en Achamer-Pifrader zou achteraan komen. Toen onze beide wagens gereed waren, stuurde ik ze naar het verzamelpunt en ging zelf te voet op zoek naar Eichmann. Deze had de stofbril van een tanksoldaat op zijn pet geschoven en hield een Steyr mp onder zijn arm: in combinatie met zijn rijbroek zag hij er bijna potsierlijk uit, alsof hij zich had vermomd. ‘Obersturmbannführer,’ riep hij zodra hij me zag, ‘zijn uw mannen gereed?’ Ik knikte en begaf me naar hen toe. Op het verzamelpunt heerste de gebruikelijke onrust van de laatste ogenblikken voor vertrek, vergezeld van de kreten en bevelen die nodig zijn voordat een stoet voertuigen zich ordelijk in beweging kan zetten. Ten slotte verscheen Eichmann, omringd door een aantal van zijn officieren, onder wie Regierungsrat Hunsche, die ik kende uit Berlijn, en na nog enkele tegenstrijdige bevelen te hebben gegeven stapte hij in zijn Schwimmwagen, een soort terreinwagen met amfibievoorzieningen, bestuurd door een Waffen-ss’er: ik vroeg me geamuseerd af of hij soms bang was dat de bruggen zouden zijn opgeblazen en verwachtte dat hij in zijn gemotoriseerde sloep de Donau moest oversteken, met zijn Steyr en zijn chauffeur, om in zijn eentje de Magyaarse horden te verdrijven. Piontek, achter het stuur van mijn wagen, was een en al nuchterheid en ernst. In het felle licht van de kampschijnwerpers, onder luid geraas van motoren en in grote stofwolken zette de colonne zich eindelijk in beweging. Ik had Elias en Fischer gezegd op de achterbank te gaan zitten en daar ook de ons toebedeelde wapens een plaats te geven; zelf stapte ik in naast Piontek, die de motor startte. De lucht was onbewolkt, de sterren fonkelden, maar er was geen maan; terwijl we over een kronkelige weg naar de Donau afdaalden, zag ik onder mij duidelijk het glanzende lint van de rivier. Het konvooi stak over naar de rechteroever en nam de weg naar Wenen. We reden dicht achter elkaar, de koplampen afgeschermd met het oog op vijandelijke jagers. Het duurde niet lang of ik sliep. Zo nu en dan werd ik wakker door een alarm, dat ons dwong te stoppen en de lichten te doven, maar niemand ging zijn auto uit, we wachtten in het donker. Er kwam geen aanval. In mijn onderbroken halfslaap had ik wonderlijke dromen, levendige, vluchtige dromen die als een zeepbel uit elkaar spatten zodra ik wakker schrok van een hobbel of een sirene. Toen we rond drie uur aan de zuidkant langs Wenen reden, rukte ik me los uit mijn gedoezel en nam wat koffie uit een door Fischer gevulde thermoskan. De maan was opgekomen, een smalle sikkel die het brede water van de Donau links van ons een zilveren glans gaf. Herhaaldelijk klonk het luchtalarm, waardoor er steeds opnieuw halt moest worden gehouden, een lange rij ongelijksoortige voertuigen, die nu goed zichtbaar waren in de maneschijn. In het oosten kleurde de hemel roze en de bergkammen van de Kleine Karpaten begonnen zich af te tekenen. Een zo’n oponthoud vond plaats boven de Neusiedler See, slechts enkele kilometers van de Hongaarse grens. De dikke Wisliceny kwam bij mijn auto staan en tikte tegen het raam. ‘Pak uw rum en kom mee.’ Er was wat rum aan ons uitgedeeld voor onderweg, maar ik had er nog niets van gedronken. Ik volgde Wisliceny, die langs de rij auto’s liep om andere officieren op te trommelen. De zon hing als een rode bol vlak boven de toppen vóór ons, de wolkenloze hemel was bleek, een lichtend blauw met een zweem geel. Toen ons groepje ter hoogte van Eichmanns Schwimmwagen was aangekomen, aan het hoofd van de colonne, gingen wij eromheen staan en vroeg Wisliceny ook Eichmann om uit te stappen. We waren daar met de officieren van iv b4 en met de commandanten van de gedetacheerde compagnies. Wisliceny hief zijn flesje, feliciteerde Eichmann en dronk op zijn gezondheid: Eichmann werd die dag achtendertig. Hij hikte van plezier: ‘Meine Herren, ik ben geraakt, diep geraakt. Het is vandaag mijn zevende verjaardag als ss-officier. Ik kan me geen mooier cadeau voorstellen dan uw gezelschap.’ Hij straalde, keek glimlachend en met een hoogrode kleur om zich heen en nam onder algeheel gejuich kleine slokjes van zijn rum.

We trokken zonder problemen de grens over: langs de weg stonden mannen van de douane en soldaten van de Honvéd nors of onverschillig naar ons te kijken, zonder verder iets te laten merken. De ochtend begon stralend. De colonne hield in een dorp halt voor een ontbijt met koffie, rum, wit brood en ter plekke gekochte Hongaarse wijn. Daarna gingen we weer door. We kwamen nu veel langzamer vooruit, de weg werd geblokkeerd door Duitse voertuigen, vrachtwagens voor het troepenvervoer en tanks, die kilometers lang stapvoets moesten worden gevolgd voordat we er voorbij konden. Toch leek het niet op een invasie, alles verliep rustig en ordelijk; langs de wegen stonden burgers te kijken terwijl wij langsreden, sommige zwaaiden zelfs vriendelijk naar ons.

Halverwege de middag waren we in Boedapest en we maakten kwartier aan de rechteroever, achter de burcht op de Schwabenberg, waar de ss de grote hotels had gevorderd. Ik kreeg voorlopig een suite in Astoria toegewezen, met twee bedden en drie divans geschikt voor acht man. De volgende ochtend ging ik op informatie uit. Het wemelde in de stad van de Duitsers: Wehrmacht- en Waffen-ss-officieren, diplomaten van het Auswärtiges Amt, politiefunctionarissen, ingenieurs van de ot, economen van het wvha, agenten van de Abwehr met steeds wisselende namen. In al die verwarring wist ik niet eens wie mijn rechtstreekse superieur was en ik ging bij Geschke langs, die me vertelde dat hij tot bds was benoemd, maar dat de Reichsführer ook een hsspf had aangewezen, Obergruppenführer Winkelmann, die mij volledig zou inlichten. Deze Winkelmann echter, een opgeklommen politieofficier met een vrij gezet postuur, borstelig haar en een geprononceerde kaak, bleek niet eens van mijn bestaan te weten. Hij legde me uit dat wij, al zag het er misschien anders uit, Hongarije niet hadden bezet, maar op uitnodiging van Horthy hierheen waren gekomen om de Hongaarse diensten te adviseren en te ondersteunen: ondanks de aanwezigheid van een hsspf, een bds, een bdo en alle bijbehorende organisaties hadden wij geen enkele uitvoerende functie en behielden de Hongaarse autoriteiten alle soevereine rechten. Elk serieus meningsverschil diende te worden voorgelegd aan de nieuwe ambassadeur, honorair ss-Brigadeführer Dr. Veesenmayer, of aan zijn collega’s van het Auswärtiges Amt. Volgens Winkelmann bevond ook Kaltenbrunner zich in Boedapest; hij was meegereisd in de speciale wagon van Veesenmayer, die bij zijn terugkeer uit Klessheim aan de trein van Horthy was gekoppeld, en was nu met luitenant-generaal Döme Sztójay, die jarenlang de Hongaarse ambassadeur in Berlijn was geweest, in onderhandeling over de vorming van een nieuwe regering (Kállay, de afgezette minister-president, was naar de Turkse ambassade gevlucht). Ik had geen enkele reden om Kaltenbrunner op te zoeken en maakte liever kennis met het Duitse gezantschap: Veesenmayer was bezet en ik werd ontvangen door zijn zaakgelastigde, ambassaderaad Feine, die zich over mijn missie liet inlichten, me suggereerde te wachten tot er meer duidelijkheid in de situatie kwam en adviseerde met de ambassade in contact te blijven. Het was wel een warboel.

In Astoria zag ik Obersturmbannführer Krumey, de adjudant van Eichmann. Hij had al een gesprek gehad met de leiders van de joodse gemeenschap en dat was naar tevredenheid verlopen. ‘Ze kwamen met koffers aanzetten,’ vertelde hij met een vette lach. ‘Maar ik heb ze gerustgesteld en gezegd dat er niemand zou worden opgepakt. Ze hadden zich doodsbang laten maken door de hysterie van extreem rechts. We hebben beloofd dat hun niets zal gebeuren zolang ze meewerken, en toen zijn ze gekalmeerd.’ Hij lachte opnieuw. ‘Ze zullen wel denken dat we ze tegen de Hongaren gaan beschermen.’ De joden zouden een raad vormen; om hen niet af te schrikken – de in Polen gehanteerde term Judenrat was ook hier bekend genoeg om een zekere angst teweeg te brengen – zou die als Zentralrat worden aangeduid. Terwijl in de daaropvolgende dagen de leden van de nieuwe raad matrassen en dekens naar het Sondereinsatzkommando brachten – waarvan ik er een aantal opeiste voor onze suite –, en vervolgens, afhankelijk van wat we vroegen, schrijfmachines, spiegels, eau de cologne, damesondergoed en enkele fraaie schilderijtjes van Watteau of minstens van een leerling, voerde ik een reeks besprekingen met hen, in het bijzonder met Dr. Samuel Stern, de voorzitter van de joodse gemeente, om me een idee te vormen van het beschikbare arbeidspotentieel. Er werkten joden in de Hongaarse wapenfabrieken, mannen zowel als vrouwen, en Stern kon me daar bij benadering de aantallen van noemen. Maar onmiddellijk diende er zich een groot probleem aan: alle gezonde joodse mannen die niet onmisbaar waren in hun functie en op grond van hun leeftijd in staat waren te werken, deden al verscheidene jaren dienst in de Honvéd, met name in arbeidsbataljons achter de linies. En inderdaad, ik herinnerde me dat ik van die joodse bataljons had gehoord toen we Zjitomir waren binnengetrokken, op dat moment nog in handen van de Hongaren, en dat mijn collega’s van Sk 4a zich daar vreselijk kwaad over hadden gemaakt. ‘Wij hebben niets met die bataljons te maken,’ zei Stern. ‘Dat moet u met de regering bespreken.’

Enkele dagen na de vorming van de regering-Sztójay nam het nieuwe kabinet in één enkele, elf uur durende zitting een reeks anti-joodse wetten aan, die de Hongaarse politie onmiddellijk ten uitvoer bracht. Eichmann zag ik weinig: hij was voortdurend in bespreking met officiële vertegenwoordigers of ging op bezoek bij joden, geïnteresseerd als hij volgens Krumey was in hun cultuur; hij bezichtigde hun bibliotheek, hun museum, de synagogen. Aan het eind van de maand sprak hij zelf met de Zentralrat. Kort tevoren was zijn complete sek naar hotel Majestic verhuisd; ik was in Astoria gebleven, waar ik twee extra kamers had kunnen bemachtigen die als kantoorruimte dienst konden doen. Voor de bijeenkomst zelf was ik niet uitgenodigd, maar ik sprak Eichmann na afloop: hij zag er uiterst zelfvoldaan uit en verzekerde me dat de joden bereid waren mee te werken en zich aan de Duitse eisen zouden onderwerpen. We bespraken de kwestie van de arbeidskrachten; dankzij de nieuwe wetten zouden de Hongaren de civiele arbeidsbataljons kunnen uitbreiden – alle joodse ambtenaren, journalisten, notarissen, advocaten en boekhouders die hun baan verloren, zouden kunnen worden opgeroepen. Eichmann grijnsde bij de gedachte: ‘Stel u voor, waarde Obersturmbannführer, joodse advocaten die tankgrachten graven!’ We hadden alleen geen idee hoeveel de Hongaren er ons ter beschikking zouden stellen; net als ik vreesde Eichmann dat ze de beste krachten voor zichzelf zouden houden. Eichmann had echter een bondgenoot gevonden, een functionaris van het comitaat Boedapest, Dr. László Endre, een fanatieke antisemiet voor wie hij nog een benoeming hoopte los te krijgen op het ministerie van Binnenlandse Zaken. ‘We mogen niet dezelfde fout maken als in Denemarken, ziet u,’ legde hij me uit, terwijl hij met zijn grote geaderde hand zijn hoofd ondersteunde en op zijn pink zoog. ‘De Hongaren moeten alles zelf doen, ze moeten ons hun joden op een dienblaadje presenteren.’ Bijgestaan door de Hongaarse politie en door mannen van de bds was het sek al begonnen joden op te pakken die de nieuwe regels overtraden; in Kistarcsa, vlak bij de hoofdstad, was een doorgangskamp ingericht, onder bewaking van de Hongaarse politie; daar waren al meer dan drieduizend joden geïnterneerd. Ook ik zat niet stil: door bemiddeling van de ambassade had ik contact opgenomen met de ministeries van Landbouw en Industrie om de aldaar levende ideeën te peilen; en ik bestudeerde de nieuwe wetgeving samen met Herr von Adamovic, de juridisch expert van de ambassade, een beminnelijke, intelligente man, die echter nagenoeg verlamd was door ischias en artritis. Intussen bleef ik in contact met mijn kantoor in Berlijn. Speer, die bij toeval op dezelfde dag jarig was als Eichmann, had Hohenlychen verruild voor het Italiaanse Merano met het oog op verder herstel; ik had hem per telegram gefeliciteerd en bloemen laten sturen, maar daar was geen antwoord op gekomen. Ik kreeg ook een uitnodiging voor een conferentie in Silezië over het joodse vraagstuk, geleid door Dr. Franz Six, mijn allereerste afdelingshoofd bij de sd. Hij werkte nu voor het Auswärtiges Amt, maar verleende van tijd tot tijd nog assistentie aan het rsha. Ook Thomas was uitgenodigd, evenals Eichmann met enkele van zijn specialisten. Ik regelde het zo dat ik met hen mee kon reizen. Onze groep ging met de trein via Pressburg naar Breslau, waar we op de trein naar Hirschberg stapten; de conferentie werd gehouden in Krummhübel, een bekend skioord in de Silezische Sudeten, dat nu grotendeels was overgenomen door kantoren van het aa, onder andere dat van Six, die vanwege de bombardementen uit Berlijn waren geëvacueerd. Wij werden ondergebracht in een overvol Gasthaus; het aa was bezig nieuwe barakken te bouwen, maar die waren nog niet klaar. Ik was blij Thomas weer te zien; hij was iets eerder aangekomen dan wij en maakte van de gelegenheid gebruik om te skiën met mooie jonge secretaresses en assistentes, van wie hij er één, een Russin, aan mij voorstelde; geen van deze vrouwen had blijkbaar veel te doen. Eichmann zag collega’s uit heel Europa terug en liep trots als een pauw rond. De conferentie begon de dag na onze aankomst. Six opende de besprekingen met een betoog over ‘De taken en doeleinden van de anti-joodse operaties in het buitenland’. Hij ging in op de politieke structuur van het internationale jodendom en stelde dat de politieke en biologische rol van het joodse gespuis in Europa was uitgespeeld. Hij laste een interessante beschouwing in over het zionisme, dat in die tijd in onze kringen nog weinig bekend was; naar de mening van Six diende de terugkeer van de in Palestina verblijvende joden te worden gezien als ondergeschikt aan de Arabische kwestie, die na de oorlog aan belang zou winnen, vooral als de Britten zich uit een deel van hun Empire zouden terugtrekken. Zijn bijdrage werd gevolgd door die van een specialist van het Auswärtiges Amt, een zekere Von Thadden, die een toelichting gaf op het standpunt van zijn ministerie aangaande ‘De politieke situatie van de joden in Europa en de situatie met betrekking tot de anti-joodse uitvoeringsmaatregelen’. Thomas sprak over de veiligheidsproblemen in samenhang met de joodse opstanden van het voorgaande jaar. Andere specialisten en adviseurs zetten uiteen hoe de zaak er in het land waar zij gestationeerd waren voor stond. Maar het hoogtepunt van de dag was de toespraak van Eichmann. De Hongaarse Einsatz leek hem te hebben geïnspireerd en hij gaf ons een nagenoeg volledig overzicht van de anti-joodse operaties zoals die vanaf het begin hadden plaatsgevonden. Hij wijdde een korte beschouwing aan het fiasco van de gettovorming, bekritiseerde de inefficiëntie en de chaos van de mobiele operaties: ‘Er zijn weliswaar successen mee geboekt, maar het blijven onsystematische acties, waarbij te veel joden de kans krijgen om te vluchten, de bossen te bereiken en zich bij de partizanen aan te sluiten, terwijl deze operaties bovendien het moreel van de manschappen ondermijnen.’ In het buitenland werd het succes volgens hem bepaald door twee factoren: de lokale autoriteiten dienden te worden ingeschakeld en de leiders van de joodse gemeenschap dienden met ons mee te werken of zelfs te collaboreren. ‘Om te zien wat er gebeurt wanneer we proberen zelf de joden op te pakken, in een land waarin het ons aan voldoende middelen ontbreekt, hoef ik alleen te verwijzen naar de volslagen mislukking in Denemarken, naar Zuid-Frankrijk, waar we zeer matige resultaten hebben geboekt, zelfs nadat we de voormalige Italiaanse zone hadden bezet, en naar Italië, waar de bevolking en de kerk duizenden joden verborgen houden die we niet kunnen vinden... De Judenräte daarentegen bieden ons de mogelijkheid om aanzienlijk op mankracht te besparen, aangezien ze de joden zelf inzetten voor hun vernietiging. Uiteraard hebben die joden hun eigen bedoelingen, hun eigen dromen. Maar de dromen van de joden komen ons goed uit. Zij dromen van grootschalige omkoping, ze bieden ons hun geld en goederen aan. Wij nemen dat geld en die goederen in ontvangst en gaan door met onze taak. Zij dromen van de economische behoeften van de Wehrmacht, van de bescherming die een werkvergunning biedt, wij buiten die dromen uit en bemannen onze wapenfabrieken, krijgen de benodigde arbeidskracht aangeboden voor de bouw van onze ondergrondse complexen, krijgen ook de zwakken en ouderen aangeleverd, de uitvreters. Maar vergeet dit niet: de eerste honderdduizend joden zijn gemakkelijker te elimineren dan de laatste vijfduizend. Kijk naar wat er gebeurd is in Warschau en tijdens de andere opstanden waarover Standartenführer Hauser ons heeft verteld. Toen de Reichsführer mij het rapport over de gevechten in Warschau opstuurde, verklaarde hij in een bijgevoegde notitie niet te kunnen geloven dat joden in een getto zo konden vechten. Toch had onze betreurde Chef, Obergruppenführer Heydrich, dit al veel eerder begrepen. Hij wist dat de krachtigste, stevigste, listigste, handigste joden aan elke selectie zouden ontsnappen, dat die het moeilijkst te vernietigen waren. Welnu, dat zijn precies degenen die de kiem vormen waaruit het jodendom opnieuw zou kunnen opbloeien, de bacteriële cel van de joodse regeneratie, om een uitdrukking van wijlen de Obergruppenführer te gebruiken. Onze strijd ligt in het verlengde van die van Koch en Pasteur, we moeten tot het einde toe doorgaan...’ Op die woorden volgde een stormachtig applaus. Geloofde Eichmann werkelijk wat hij zei? Het was voor het eerst dat ik hem zo hoorde praten, naar mijn indruk was zijn nieuwe rol hem naar het hoofd gestegen, had hij de smaak ervan zo te pakken dat hij ermee samenviel. Niettemin was zijn praktische commentaar niet bepaald onzinnig, het was te merken dat hij alle opgedane ervaringen zorgvuldig had geanalyseerd en geprobeerd had er belangrijke lessen uit te trekken. Bij het avondeten – uit hoffelijkheid en ter herinnering aan oude tijden had Six mij en Thomas voor een besloten maaltijd uitgenodigd – liet ik me positief over Eichmanns redevoering uit. Het oordeel van Six, met zijn onveranderlijk norse, sombere gezichtsuitdrukking, viel veel ongunstiger uit: ‘Intellectueel gezien van geen enkel belang. Het is een betrekkelijk simpele figuur, zonder speciale gaven. Natuurlijk, hij is daadkrachtig, en binnen de grenzen van zijn taakgebied heeft hij bepaalde vaardigheden.’ – ‘Daar ging het me om,’ zei ik, ‘het is een goede officier, gemotiveerd en op zijn manier getalenteerd. Volgens mij kan hij het nog ver brengen.’ – ‘Dat zou me verbazen,’ wierp Thomas kortaf tegen. ‘Hij is te koppig. Het is een terriër, goed in uitvoerende taken, maar zonder verbeeldingskracht. Hij is niet bij machte om in te spelen op gebeurtenissen die buiten zijn terrein liggen en zich verder te ontwikkelen. Hij heeft zijn loopbaan gegrondvest op de joden, op de jodenvernietiging, en dat gaat hem uitstekend af. Maar als we eenmaal klaar zijn met de joden – of als het tij keert en de jodenvernietiging niet meer zo hoog op de agenda staat –, dan zal hij zich niet weten aan te passen, dan is hij verloren.’

De volgende dag ging de conferentie verder met minder belangrijke sprekers. Eichmann bleef niet, hij had het druk: ‘Ik moet voor inspectie naar Auschwitz en dan terug naar Boedapest. Daar is van alles aan de hand.’ Zelf vertrok ik op 5 april. In Hongarije hoorde ik dat de Führer er inmiddels mee had ingestemd dat er binnen het grondgebied van het Reich joodse arbeiders tewerk werden gesteld: nu aan die onzekerheid een einde was gekomen, kwamen de mannen van Speer en van de Jägerstab voortdurend bij me langs om te vragen wanneer ze de eerste groepen konden verwachten. Ik zei dat ze geduld moesten hebben, de operatie vereiste nog enige voorbereiding. Eichmann kwam woedend uit Auschwitz terug, foeterend over de Kommandanten: ‘Stommelingen zijn het, prutsers. Er is niets geregeld om de transporten te ontvangen.’ Op 9 april... maar ach, wat heeft het voor zin om van dag tot dag gedetailleerd verslag te doen? Ik word er verschrikkelijk moe van, bovendien verveelt het me, en u waarschijnlijk ook. Hoeveel bladzijden heb ik al niet volgeschreven over die oninteressante bureaucratische verwikkelingen? Nee, zo kan ik niet doorgaan: de veer valt me uit de vingers of, liever gezegd, de vulpen. Misschien kan ik er een andere keer op terugkomen; maar waarom zou ik die morsige Hongaarse episode nog eens uit de doeken doen? Het hele verhaal is in de boeken uitvoerig gedocumenteerd, door historici met een veel samenhangender totaalbeeld dan ik. Per slot van rekening heb ik hierin slechts een ondergeschikte rol gespeeld. Weliswaar heb ik enkele hoofdrolspelers ontmoet, maar aan hun herinneringen heb ik niet veel toe te voegen. De grote intriges die hierna volgden, vooral de onderhandelingen tussen Eichmann, Becher en de joden, al die verhalen over het vrijkopen van joden in ruil voor geld, voor vrachtwagens, ja, van die hele geschiedenis was ik min of meer op de hoogte, ik heb erover gediscussieerd, ik heb zelfs een paar van de betrokken joden leren kennen, en ook Becher, een duistere figuur, die naar Hongarije was gekomen om paarden te kopen voor de Waffen-ss en toen plotseling in opdracht van de Reichsführer beslag wist te leggen op de grootste wapenfabriek van het land, de Manfred-Weiss-Werke, zonder iemand ervan te hebben verwittigd, Veesenmayer niet, Winkelmann niet en mij ook niet, en aan deze Becher vertrouwde de Reichsführer vervolgens taken toe die de mijne ofwel overlapten ofwel doorkruisten, en ook die van Eichmann, wat typisch een werkwijze van de Reichsführer was, zoals me ten slotte duidelijk werd, maar wat ter plekke alleen maar verdeeldheid en verwarring zaaide, niemand coördineerde, Winkelmann had geen invloed op Eichmann en Becher, die hem niets vertelden, en ik moet bekennen dat ik me nauwelijks beter gedroeg dan zij, ik onderhandelde met de Hongaren zonder dat Winkelmann ervan wist, vooral met het ministerie van Defensie, waarmee ik contact had gelegd via General Greiffenberg, de militaire attaché van Veesenmayer, om na te gaan of de Honvéd de joodse arbeidsbataljons misschien aan ons wilde uitlenen, indien nodig met uitdrukkelijke garanties aangaande een speciaal rantsoen, maar uiteraard weigerde de Honvéd categorisch, zodat wij als potentiële arbeiders slechts konden beschikken over de burgers die aan het begin van de maand waren geronseld, degenen die uit de fabrieken konden worden weggehaald en hun familieleden, kortom, een menselijk potentieel van weinig waarde; hier ligt een van de oorzaken van het feit dat ik deze missie uiteindelijk als volslagen mislukt moest beschouwen, maar het is zeker niet de enige oorzaak, ik kom er nog op terug, misschien kom ik zelfs nog even terug op de onderhandelingen met de joden, want dat raakte per slot toch ook wel min of meer aan mijn bevoegdheid of preciezer gezegd, ik gebruikte die onderhandelingen, nee, ik probeerde ze te gebruiken om mijn eigen doel dichterbij te brengen, met weinig succes overigens, dat geef ik grif toe, en daar kan een hele serie redenen voor worden aangevoerd, niet alleen de zojuist genoemde, maar ook de opstelling van Eichmann, die steeds moeilijker ging doen, en Becher, het wvha, de Hongaarse politie, iedereen bemoeide zich ermee, begrijpt u – hoe het ook zij, wat ik eigenlijk wilde zeggen is dat wie wil analyseren hoe het kwam dat de Hongaarse operatie zulke povere resultaten opleverde voor de Arbeitseinsatz, die per slot mijn primaire zorg was, dat zo iemand rekening dient te houden met al die mensen en al die organisaties, die elk hun eigen rol speelden, maar ook over en weer de schuld op elkaar afschoven, en ook ik kreeg de schuld, die kans liet niemand zich ontgaan, gelooft u me, kortom, het was een grote zooi, een regelrechte puinhoop, en zo kwam het dat het grootste deel van de gedeporteerde joden is gestorven, en dan bedoel ik onmiddellijk, vergast nog voor ze aan het werk konden worden gezet, want van degenen die in Auschwitz aankwamen, was slechts een minderheid arbeidsgeschikt, de verliezen beliepen wel zeventig procent, niemand weet de exacte cijfers, waardoor na de oorlog begrijpelijkerwijs het idee is ontstaan dat dit het eigenlijke doel van de operatie was: al die joden ombrengen, die vrouwen, die bejaarden, die popperige, gezonde kindertjes, en zodoende begreep men niet waarom de Duitsers, terwijl ze de oorlog aan het verliezen waren (al was het spook van de nederlaag op dat moment misschien niet zo duidelijk, vanuit Duits oogpunt althans), nog zo hardnekkig bezig bleven met het vermoorden van joden, met de inzet van aanzienlijke middelen, qua mankracht en vooral qua treinen, om vrouwen en kinderen te vernietigen, en omdat men het niet begreep, schreef men het toe aan de antisemitische waanzin van de Duitsers, aan een dolle moordlust die in het geheel niet correspondeerde met wat de meeste betrokkenen op dat moment dachten, want in feite ging het er mij en al die andere functionarissen en specialisten principieel en fundamenteel om dat er mankracht werd gevonden voor onze fabrieken, enkele honderdduizenden arbeiders, waardoor wij misschien in staat zouden zijn de loop der gebeurtenissen te keren, we wilden dus geen dode, maar levende, gezonde en bij voorkeur mannelijke joden, terwijl de Hongaren de mannen of althans een flink deel ervan wilden houden, zodat de hele zaak van meet af aan niet deugde, en daar kwamen dan de belabberde omstandigheden tijdens de transporten bij, God weet hoe vaak ik het daarover niet aan de stok heb gehad met Eichmann, die iedere keer hetzelfde antwoord gaf: ‘Dat is mijn verantwoordelijkheid niet, de treinen worden ingeladen en ingericht door de Hongaarse politie, niet door ons.’ Ik noem ook nog de halsstarrigheid van Höss in Auschwitz want die was intussen, misschien door Eichmanns rapport, weer als Standortälteste daar teruggekeerd, terwijl Liebehenschel was weggewerkt naar Lublin, en Höss dus met zijn taaie onvermogen om zijn aanpak te veranderen, maar daar kom ik later misschien nog wat uitvoeriger op terug; kortom, slechts weinigen van ons waren doelbewust uit op wat er is gebeurd en toch, zult u zeggen, is het wel zo gegaan, en dat is waar, en ook is waar dat al die joden naar Auschwitz werden gestuurd, niet alleen degenen die konden werken, maar allemaal, terwijl we toch wisten dat de ouderen en de kinderen zouden worden vergast, en zo zijn we weer terug bij de beginvraag: vanwaar dat verbeten streven om Hongarije van zijn joden te ontdoen, in het licht van de oorlogssituatie en van al het andere, en wat dat aangaat kan ik natuurlijk alleen maar hypothesen formuleren, want mijn persoonlijk doel was het niet of liever gezegd, ik druk me niet nauwkeurig genoeg uit, ik weet waarom men alle joden uit Hongarije wilde deporteren (destijds sprak men van evacueren) en waarom men de arbeidsongeschikte onmiddellijk wilde doden, dat was omdat onze gezagsdragers, de Führer, de Reichsführer, besloten hadden alle joden in Europa te vernietigen, dat is duidelijk, dat was bekend, zoals ook bekend was dat zelfs degenen die tewerk werden gesteld vroeg of laat eveneens zouden sterven, en het waarom van dat alles, dat is een vraag waarover ik al veel heb gezegd en waarop ik nog steeds geen antwoord heb, de mensen hielden er destijds allerlei denkbeelden over de joden op na, ik noem de bacillentheorie van de Reichsführer en Heydrich, die op de conferentie in Krummhübel nog werd aangehaald door Eichmann, voor wie dat naar mijn mening trouwens niet meer dan een abstractie was, en dan waren er de theorieën over het gevaar van joodse opstanden, spionage, een vijfde colonne ten dienste van de oprukkende vijanden, ideeën die rondspookten in de geest van veel rsha-medewerkers en waar zelfs mijn vriend Thomas zich zorgen over maakte, er was ook angst voor de joodse almacht waarin sommigen nog rotsvast geloofden en die soms tot komische verwikkelingen leidde, begin april bijvoorbeeld in Boedapest, toen een groot aantal joden uit hun huis gezet moest worden en de Sipo wilde dat er een getto werd gevormd, wat de Hongaren weigerden uit angst dat de geallieerden zo’n getto zouden sparen en het gebied eromheen zouden bombarderen (tijdens mijn verblijf in Krummhübel hadden de Amerikanen Boedapest al eens gebombardeerd), en daarom verspreidden de Hongaren de joden rond strategische doelwitten, zowel militair als industrieel, waardoor een aantal van onze verantwoordelijke functionarissen weer ernstig verontrust raakte, want als de Amerikanen die doelwitten toch bombardeerden, was daarmee bewezen dat het internationale jodendom niet zo machtig was als men dacht, en eerlijkheidshalve moet ik hieraan toevoegen dat de Amerikanen die doelwitten inderdaad hebben gebombardeerd, waarbij veel joodse burgers om het leven kwamen, maar zelf geloofde ik allang niet meer in de almacht van het internationale jodendom, anders hadden in 1937, 1938 en 1939 toch niet zo veel landen geweigerd joden op te nemen, terwijl we toen slechts één ding wilden, namelijk dat ze Duitsland verlieten, wat in wezen de enige redelijke oplossing was. Maar om terug te komen op de vraag die ik opwierp, want ik ben een beetje afgedwaald, wat ik wil zeggen is dat er weliswaar geen twijfel bestond over het einddoel op zich, maar dat de meeste betrokkenen niet met dat doel voor ogen hun werk deden, dat ze niet daaraan hun motivatie ontleenden, zich niet daarom zo energiek en volhardend inzetten, er was een heel scala aan motivaties, en zelfs Eichmann, daar ben ik van overtuigd, stelde zich dan wel buitengewoon hard op, maar in feite liet het hem onverschillig of de joden nu wel of niet werden gedood, het enige wat voor hem telde was dat hij kon laten zien waartoe hij in staat was, hij wilde zich bewijzen en de capaciteiten die hij had ontwikkeld optimaal benutten, de rest interesseerde hem geen klap, de industrie niet en de gaskamers ook niet, het enige wat hem interesseerde was dat anderen zich voor hem interesseerden, en daarom deed hij zo minachtend over de onderhandelingen met de joden, maar daar kom ik nog op terug want dat was een boeiende zaak, en voor de anderen gold hetzelfde, iedereen had zo zijn overwegingen, het Hongaarse bestuursapparaat hielp ons omdat het de joden uit Hongarije weg wilde hebben, maar het hoefde echt niet te weten wat er verder met hen gebeurde, en Speer en Kammler en de Jägerstab wilden arbeiders en zaten de ss flink achter de vodden om die arbeiders te krijgen, maar wat er met de arbeidsongeschikten gebeurde kon hun geen donder schelen, en dan waren er ook nog allerlei praktische overwegingen, zo concentreerde ik me bijvoorbeeld volledig op de Arbeitseinsatz, terwijl dat niet de enige economische factor van belang was, zoals mij duidelijk werd tijdens een ontmoeting met een deskundige van ons ministerie van Landbouw en Voedselvoorziening, jong en zeer intelligent, een gedreven werker die me op een avond in een oud café in Boedapest inlichtte over het voedingsaspect van de zaak, namelijk dat Duitsland door het verlies van de Oekraïne te kampen had met een ernstig provianderingstekort, vooral met een gebrek aan graan, en zich daarom naar grootproducent Hongarije had gewend, volgens hem lag daar de hoofdoorzaak van onze pseudo-invasie, want deze bron van graan moest veilig worden gesteld, en in 1944 vroegen we de Hongaren dus om 450.000 ton graan, 360.000 ton meer dan in 1942, ofwel een toename van tachtig procent, en al dat graan moesten de Hongaren ergens vandaan halen, ze moesten toch ook hun eigen bevolking voeden, en laat die 360.000 ton nu overeenkomen met de hoeveelheid die nodig is voor ongeveer een miljoen personen, iets meer dan het totale aantal Hongaarse joden, en dus beschouwden de deskundigen van het ministerie van Voedselvoorziening de evacuatie van de joden door het rsha als een maatregel met behulp waarvan Hongarije aan Duitsland het graanoverschot kon leveren dat voorzag in onze behoeften, en het verdere lot van de geëvacueerde joden, die in principe elders gevoed moesten worden als ze niet werden gedood, was geen punt van overweging voor deze jonge en al met al sympathieke, zij het enigszins door zijn cijfers geobsedeerde deskundige, want daar waren andere afdelingen van het ministerie van Voedselvoorziening voor, de voeding van gedetineerden en andere buitenlandse arbeiders in Duitsland was zijn zaak niet, voor hem was de evacuatie van de joden de oplossing voor zijn probleem, ook al riep dit voor iemand anders dan weer een probleem op. En deze man was niet de enige, iedereen was net zoals hij, ik ook, en als u in zijn schoenen had gestaan, zou u ook net zo zijn geweest als hij.

Maar misschien kan dit u allemaal totaal niet schelen. Misschien wilt u in plaats van mijn onfrisse, warrige overwegingen liever anekdotes, pikante verhaaltjes. Ik weet het niet meer zo goed. Ik wil best verhalen vertellen, maar dan door enigszins willekeurig te putten uit mijn herinneringen en aantekeningen; ik zei het al, ik word moe, ik moet gaan afronden. Als ik nu nog de rest van het jaar 1944 in detail zou moeten vertellen, min of meer zoals ik tot nu toe heb gedaan, dan komt er nooit een eind aan. U ziet, ik denk ook aan u, niet alleen aan mezelf, in ieder geval een beetje, want er zijn natuurlijk grenzen; dat ik me zo veel moeite getroost, is niet om u een plezier te doen, dat geef ik toe, ik doe het bovenal voor mijn eigen geestelijke hygiëne, zoals iemand die te veel gegeten heeft op zeker moment de afvalstoffen moet zien kwijt te raken, en of het nu lekker ruikt of niet, we hebben het niet altijd voor het kiezen; verder beschikt u over een absoluut machtsmiddel, want u kunt dit boek dichtslaan en het in de vuilnisbak gooien, een laatste toevlucht waartegen ik niets kan beginnen, dus waarom zou ik overdreven voorzichtig zijn. Toegegeven, wanneer ik mijn aanpak enigszins verander, doe ik dat vooral voor mezelf, los van de vraag of het u bevalt; alweer een bewijs van mijn egoïsme, dat geen grenzen kent en ongetwijfeld een gevolg is van mijn gebrekkige opvoeding. Misschien had ik beter iets anders kunnen gaan doen, zult u zeggen, en dat is waar, ik had dolgraag een instrument bespeeld, maar ik kan geen twee noten aan elkaar rijgen noch een g-sleutel herkennen, goed, mijn beperkingen op dat gebied heb ik al uiteengezet; ik had ook kunnen gaan schilderen, waarom niet, het lijkt me een aangename bezigheid, schilderen, een rustige bezigheid, je verliezen in vormen en kleuren, maar ja, in een ander leven misschien, want in dit leven heb ik nooit de keuze gehad, ach, wel een beetje natuurlijk, ik had een bepaalde speelruimte, maar die werd ingeperkt door de dwang van noodlottige gebeurtenissen, waarmee we weer terug zijn bij af. Dan maar liever terug naar Hongarije.

Over de officieren die Eichmann omringden, valt niet veel te vertellen. Het waren merendeels vreedzame mannen, brave, plichtsgetrouwe burgers die met trots en vreugde hun ss-uniform droegen, maar ze waren ook angstvallig en weinig initiatiefrijk, kwamen steeds met een ‘ja maar’ en bewonderden hun baas als was hij een groot genie. Van dat algemene beeld week Wisliceny enigszins af; hij was een Pruis van mijn leeftijd, die erg goed Engels sprak, historisch uitstekend onderlegd was, en met wie ik graag avonden lang van gedachten wisselde over de Dertigjarige Oorlog, de ommekeer in 1848 of het morele bankroet van het wilhelminische tijdperk. Zijn opvattingen waren niet altijd origineel, maar hij kon ze degelijk onderbouwen en wist ze te verwerken tot een samenhangend verhaal, en dat is een eerste vereiste voor het historisch voorstellingsvermogen. Vroeger was hij Eichmanns superieur geweest, in 1936 geloof ik, in elk geval in de tijd van het sd-Hauptamt, toen de afdeling joodse aangelegenheden nog Abteilung ii 112 heette; als gevolg van zijn luiheid en indolentie was hij al snel door zijn leerling voorbijgestreefd, zonder dat hij er een gevoel van wrok aan had overgehouden, ze waren goede vrienden gebleven, Wisliceny kwam ook bij het gezin thuis, ze tutoyeerden elkaar zelfs in het openbaar (niet veel later zouden ze om mij onbekende redenen gebrouilleerd raken. Als getuige in Neurenberg heeft Wisliceny een ongunstig portret van zijn vroegere kameraad geschetst, en mede daardoor bleef het beeld van Eichmann dat historici en schrijvers eropna hielden, lange tijd vertekend, sommigen beweerden zelfs in gemoede dat die arme Obersturmbannführer bevelen gaf aan Adolf Hitler. We mogen het Wisliceny niet kwalijk nemen: hij probeerde zijn eigen hachje te redden en Eichmann was verdwenen, het was in die tijd gebruikelijk de schuld op de afwezigen af te wentelen, wat die arme Wisliceny overigens niets heeft opgeleverd; hij is geëindigd met zijn hoofd in een strop in Pressburg, het Slowaakse Bratislava, en gezien zijn lichaamsomvang moet dat een stevig touw geweest zijn). Een andere reden waarom ik Wisliceny waardeerde, was dat hij het hoofd koel hield, en daarin onderscheidde hij zich gunstig van sommige anderen, vooral van de echte ambtenaren uit Berlijn, die voor het eerst van hun leven deelnamen aan een actie in den vreemde, plotseling merkten hoeveel macht ze hadden over de joodse leiders, ontwikkelde mannen, soms twee keer zo oud als zij, en dan prompt elk gevoel voor maat verloren. Sommigen voegden de joden de meest grove en ongepaste beledigingen toe; anderen konden de verleiding niet weerstaan en maakten misbruik van hun positie; allemaal, zonder uitzondering, legden ze een onverdraaglijke en in mijn ogen volkomen misplaatste arrogantie aan de dag. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Regierungsrat Hunsche, een echte ambtenaar, een jurist met de mentaliteit van een notaris, zo’n grijs mannetje dat nooit opvalt achter het bureau van een bankgebouw waar hij, wachtend op zijn pensionering, geduldig papier volschrijft, om dan, gekleed in een wollen vest dat zijn vrouw voor hem heeft gebreid, Hollandse tulpen te gaan kweken of tinnen soldaatjes uit de napoleontische tijd te beschilderen, die hij ter herinnering aan de ordelijkheid uit zijn kinderjaren, liefdevol in onberispelijke rijen zal opstellen voor een gipsmodel van de Brandenburger Tor, of weet ik waar zulke types van dromen; maar daar in Boedapest, grotesk uitgedost in een uniform waarvan de rijbroek extreem opbolde, rookte hij dure sigaretten, ontving hij de joodse notabelen met zijn smerige laarzen op het velours van een fauteuil, en gaf hij schaamteloos toe aan iedere gril die hem inviel. Meteen al nadat we waren gearriveerd, had hij de joden gevraagd hem een piano te leveren, met daarbij de achteloze mededeling: ‘Ik heb altijd al van een piano gedroomd.’ De bange joden brachten hem er acht; en ik was erbij toen Hunsche, stevig neergeplant op zijn hooggeschachte laarzen, hen op ironisch bedoelde toon terechtwees: ‘Maar, meine Herren! Ik wil geen winkel gaan beginnen, ik wil alleen pianospelen.’ Een piano! Duitsland zuchtte onder de bommen, onze soldaten aan het front waren met bevroren ledematen en verminkte handen aan het vechten, maar Hauptsturmführer Regierungsrat Dr. Hunsche, die altijd op zijn kantoor in Berlijn was blijven zitten, had behoefte aan een piano, misschien om zijn geteisterde zenuwen tot rust te brengen. Wanneer ik hem opdrachten zag schrijven voor de mannen in de doorgangskampen – de evacuaties waren begonnen –, leek het me niet onmogelijk dat hij onder de tafel, op het moment dat hij zijn handtekening zette, een stijve kreeg. Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat dit wel een erg erbarmelijk specimen van het Herrenvolk was: en als Duitsland moet worden beoordeeld aan de hand van dit soort mannen, die helaas niet zeldzaam waren, dan kan ik alleen maar beamen dat we ons lot, het oordeel van de geschiedenis, onze dikè, hebben verdiend.

En wat te zeggen van Obersturmbannführer Eichmann? Sinds ik hem kende, was hij nog nooit zo in zijn rol opgegaan. Wanneer hij de joden ontving, was hij van top tot teen de Übermensch, dan zette hij zijn bril af en richtte zich tot hen op gebiedende, afgemeten maar beleefde toon, nodigde hen uit plaats te nemen en sprak hen aan met ‘Meine Herren’, noemde Dr. Stern ‘Herr Hofrat’, begon dan plotseling te beledigen en te schelden, doelbewust, om hen te choqueren, waarna hij terugkeerde naar de ijzige beleefdheid die hen leek te hypnotiseren. Ook toonde hij zich uitermate bedreven in de omgang met de Hongaarse autoriteiten, amicaal en hoffelijk tegelijk, hij imponeerde hen en had trouwens met sommige van hen stevige vriendschapsbanden aangeknoopt, in het bijzonder met László Endre, die hem uitnodigde op kastelen, hem voorstelde aan gravinnen, hem aldus in Boedapest introduceerde in een tot dan toe voor hem onbekend sociaal leven, waar hij uiteindelijk door gefascineerd raakte. Dit alles, het feit dat iedereen zich door hem liet inpakken, joden zowel als Hongaren, kan verklaren hoe het kwam dat ook Eichmann tot buitensporigheid verviel (maar nooit op zo’n stompzinnige manier als een Hunsche) en uiteindelijk geloofde dat hij werkelijk der Meister was, de grote baas. Eigenlijk zag hij zichzelf als een condottiere, een Von dem Bach-Zelewski, waardoor hij vergat wat hij ten diepste was: een bekwame bureauman, op zijn beperkte werkterrein zelfs zeer bekwaam. Zodra je hem onder vier ogen sprak, op zijn kantoor of ’s avonds, wanneer hij wat had gedronken, was hij overigens weer de oude Eichmann, de man die in- en uitliep bij de bureaus van de Geheime Staatspolizei, een en al respect, altijd bedrijvig, geïmponeerd zodra hij een galon zag dat een hogere rang aangaf dan die van hemzelf, en tegelijkertijd gekweld door afgunst, brandend van ambitie, de Eichmann die zich voor elke actie en elke beslissing indekte door een schriftelijke opdracht te vragen van Müller, Heydrich of Kaltenbrunner, en al die opdrachten, zorgvuldig geordend, bewaarde in de kluis, de Eichmann die niet minder gelukkig – en niet minder efficiënt – zou zijn geweest als hij was belast met de aanschaf en het transport van paarden of vrachtwagens dan nu, nu hij tot taak had tienduizenden ten dode opgeschreven mensen bijeen te drijven en te evacueren. Wanneer ik hem in hotel Majestic opzocht om een informeel gesprek met hem te voeren over de Arbeitseinsatz, zat hij achter zijn fraaie bureau in zijn luxueuze kamer naar me te luisteren met een verveeld, vertrokken gezicht, spelend met zijn bril of een vulpotlood waar hij dwangmatig mee zat te klikken, en alvorens te antwoorden herschikte hij zijn papieren vol aantekeningen, blies het stof van zijn bureau en begon daarna, krabbend over zijn al wat kalende schedel, aan een van de bekende breedvoerige antwoorden, die zo ingewikkeld waren dat hij er zelf al gauw geen wijs meer uit werd. Nadat de Hongaren eind april hadden ingestemd met de evacuatie en de Einsatz echt was begonnen, was hij aanvankelijk bijna eufoor, blakend van energie; tegelijkertijd, en dat gold sterker naarmate de problemen zich opstapelden, werd hij steeds moeilijker, steeds onbuigzamer, zelfs tegenover mij, bij alle waardering die hij toch voor me had, en zag hij overal vijanden. Winkelmann, die alleen op papier zijn meerdere was, had een hekel aan hem, maar naar mijn idee was het toch deze strenge, norse politiefunctionaris, met het van zijn Oostenrijkse voorouders geërfde boerenverstand, die hem het beste inschatte. Hij kon ziedend worden over Eichmanns hooghartige, soms bijna impertinente opstelling, maar hij doorzag hem wel: ‘Hij heeft de mentaliteit van een ondergeschikte,’ zei hij, toen ik hem een keer kwam opzoeken om te vragen of hij kon ingrijpen, of in ieder geval druk kon uitoefenen om enige verbetering te brengen in de belabberde omstandigheden waaronder de joden werden vervoerd. ‘Hij gebruikt zijn gezag zonder voorbehoud, bij de uitoefening van zijn macht is elke morele of intellectuele remming hem vreemd. Ook zal hij zonder enige scrupule de grenzen van zijn bevoegdheden overschrijden, zolang hij maar meent te handelen in de geest van degene die hem zijn opdrachten geeft en hem in de rug dekt, mannen als Gruppenführer Müller en Obergruppenführer Kaltenbrunner.’ Winkelmann had het ongetwijfeld bij het juiste eind, temeer daar hij niets afdeed aan Eichmanns capaciteiten. Eichmann zelf woonde op dat moment niet meer in een hotel, maar in de fraaie villa van een jood, aan de Apostol-straat in de wijk Rosenberg, een huis van twee verdiepingen met een toren hoog boven de Donau, omringd door een schitterende boomgaard die helaas was verminkt door de daar aangelegde loopgraven ter bescherming tegen eventuele luchtaanvallen. Hij leefde op grote voet en bracht de meeste tijd door met zijn nieuwe Hongaarse vrienden. Er werd al volop geëvacueerd, zone voor zone, volgens een strak schema, en van alle kanten regende het klachten, van de Jägerstab, van Speers afdelingen, van Saur zelf, en die klachten gingen weer alle kanten uit, naar Himmler, Pohl, Kaltenbrunner, om ten slotte allemaal terecht te komen bij mij. Het was inderdaad een ramp, een regelrecht schandaal, op de bouwplaatsen arriveerden slechts tengere meisjes en halfdode mannen, terwijl er gehoopt was op een toestroom van gezonde, stevige kerels met ervaring in het werk dat moest worden gedaan. Ze waren daar woedend, niemand begreep wat er aan de hand was. Voor een deel, ik heb het al gemeld, was dit te wijten aan de Honvéd, die ondanks alle aansporingen weigerde zijn arbeidsbataljons af te staan. Onder de resterende groepen waren er niettemin mannen die kort tevoren nog een normaal leven hadden geleid, genoeg hadden gegeten en dus in goede gezondheid moesten verkeren. Maar de omstandigheden op de verzamelpunten, waar de joden soms dagen of weken vrijwel zonder eten moesten wachten, waarna ze werden vervoerd in overvolle veewagens, zonder water, zonder voedsel, met één toiletemmer per wagon – die omstandigheden sloopten hun krachten; ziekten grepen om zich heen, tallozen stierven er onderweg, en zij die de reis overleefden, arriveerden in een erbarmelijke toestand, slechts een beperkt aantal kwam door de selectie en zelfs die werden door de bedrijven en van de bouwplaatsen vervolgens geweigerd of al gauw weer teruggestuurd. Vooral de mannen van de Jägerstab raasden en tierden dat ze werden opgezadeld met zwakke vrouwen die nog geen houweel konden optillen. Wanneer ik die klachten aan Eichmann voorlegde, wuifde hij ze weg, ik vertelde het al, en stelde hij dat het niet onder zijn verantwoordelijkheid viel, dat alleen de Hongaren iets aan die omstandigheden konden veranderen. Daarom ging ik naar majoor Baky, de staatssecretaris voor politiezaken. Met één enkele zin veegde hij mijn klachten van tafel: ‘Dan moet u ze maar sneller weghalen.’ En hij verwees me door naar luitenant-kolonel Ferenczy, de officier die belast was met de technische uitvoering van de evacuaties, een bittere, nogal ontoegankelijke man, die er meer dan een uur over deed om me uit te leggen dat hij de joden graag beter te eten zou geven als hij maar eten kreeg geleverd, en dat hij de wagons graag minder vol zou maken als hij maar meer treinen kreeg toegewezen, maar dat het zijn voornaamste taak was ze te evacueren, niet ze te vertroetelen. Samen met Wisliceny ging ik bij zo’n verzamelpunt kijken, ik weet niet precies meer waar, misschien in de buurt van Kaschau. Het was een nare aanblik, de joden waren met hele families in een onoverdekte steenbakkerij gestald, waar de voorjaarsregen op hen neerviel, de kinderen speelden in korte broek in de plassen, de volwassenen bleven apathisch op hun koffers zitten of liepen te ijsberen. Wat mij trof was het contrast tussen deze joden en die uit Galicië en de Oekraïne, de enige die ik tot dan toe echt had meegemaakt; de joden die ik hier zag waren ontwikkelde mensen, vaak afkomstig uit de gegoede klasse; zelfs de handwerkslieden en boeren, van wie er ook vrij veel waren, zagen er schoon en verzorgd uit, de kinderen waren gewassen, hun haar was gekamd en ondanks de omstandigheden waren ze keurig gekleed, soms in de nationale dracht, groen met zwarte tressen en een mutsje op hun hoofd. Dit alles gaf het schouwspel iets extra beklemmends; ondanks hun gele ster hadden het Duitse of minstens Tsjechische dorpsbewoners kunnen zijn, en dat bracht me op sombere gedachten, ik stelde me voor dat die nette jongetjes, die meisjes met hun schuwe charme werden vergast, de beelden maakten me misselijk, maar wat was eraan te doen, ik keek naar de zwangere vrouwen en zag hen al in de gaskamer, hun handen op hun ronde buik, huiverend vroeg ik me af wat er gebeurde met de foetus van een vergaste vrouw, of hij samen met de moeder meteen stierf dan wel nog korte tijd doorleefde, gevangen in zijn dode omhulsel, in dat verstikkende paradijs, en zo drongen zich plotseling ook de herinneringen aan de Oekraïne op, en voor het eerst in lange tijd had ik zin om te braken, om mijn onmacht, mijn droefheid en mijn nutteloze leven uit te kotsen. Toevallig ontmoette ik daar Dr. Grell, een Legationsrat, door Feine belast met de opsporing van buitenlandse joden die bij vergissing door de Hongaarse politie waren gearresteerd, met name die uit verbonden en neutrale landen, om hen uit de doorvoercentra weg te halen en eventueel terug te sturen naar hun land van herkomst. Die arme Grell, een zogeheten ‘kapotte kop’, was misvormd als gevolg van een schot door zijn hoofd in combinatie met afgrijselijke brandwonden, waardoor hij de kinderen de stuipen op het lijf joeg en zij er brullend vandoor gingen; hij ploeterde door de modder van groep naar groep, terwijl het water van zijn hoed droop, vroeg beleefd of er mensen bij waren met een buitenlands paspoort, bestudeerde hun papieren, gaf de Hongaarse politieagenten opdracht om een aantal van hen af te zonderen. Eichmann en zijn collega’s hadden de pest aan hem, ze betichtten hem van toegeeflijkheid en gebrek aan onderscheidingsvermogen, en het was ook wel waar dat veel Hongaarse joden voor een paar duizend pengö een buitenlands paspoort kochten, meestal een Roemeens, want dat was het gemakkelijkst te krijgen, maar Grell deed alleen zijn werk, het was niet aan hem om te bepalen of een paspoort legaal in iemands bezit was gekomen of niet, en mochten de Roemeense attachés zich aan corruptie schuldig maken, dan was dat uiteindelijk het probleem van de autoriteiten in Boekarest, niet het onze; als zij al die joden wilden opnemen of gedogen, dan moesten ze het zelf maar weten. Ik kende Grell een beetje, want in Boedapest ging ik af en toe iets met hem drinken, we aten ook weleens samen; van de Duitse functionarissen ging bijna iedereen hem uit de weg, zelfs zijn eigen collega’s meden hem, waarschijnlijk vanwege zijn griezelige voorkomen, maar ook omdat hij soms ineens ten prooi viel aan een vlaag van zware neerslachtigheid; mij stoorde dat minder, misschien omdat zijn verwonding eigenlijk veel overeenkomst vertoonde met die van mij, ook hij had een kogel in zijn hoofd gekregen, maar met veel ernstiger gevolgen dan bij mij; volgens een stilzwijgende afspraak praatten we niet over de precieze toedracht, maar wanneer hij wat gedronken had, zei hij dat ik had geboft, en hij had gelijk, ik had enorm geboft dat ik een gaaf gezicht en een vrijwel ongeschonden hoofd had; als hij te veel dronk, en vaak dronk hij te veel, had hij uitbarstingen van verschrikkelijke razernij, een soort epileptische aanvallen, dan verschoot hij van kleur en begon te brullen, op een keer moest ik hem samen met een kelner met geweld in bedwang houden om te voorkomen dat hij al het vaatwerk zou verbrijzelen, de volgende dag kwam hij zich berouwvol en terneergeslagen verontschuldigen, en ik probeerde hem gerust te stellen, ik begreep het wel. Daar in dat doorvoercentrum kwam hij naar me toe, hij wierp een blik op Wisliceny, die hij ook kende, en zei tegen mij niet meer dan: ‘Ontzettend, niet?’ Hij had gelijk, maar het kon nog erger. Om beter te begrijpen wat er bij de selecties gebeurde, reisde ik naar Auschwitz. Ik arriveerde ’s nachts, met de trein van Wenen naar Krakau; een eind voor het station zag ik aan de linkerkant witte lichtstippen die een streep vormden, de zoeklichten in het prikkeldraad van Birkenau boven op de witgekalkte palen, en achter die streep weer het peilloze zwart waaruit zich de akelige geur van verbrand vlees verspreidde, die bij vlagen door onze wagon dreef. Mijn medepassagiers, veelal militairen en overheidsfunctionarissen die terugkeerden naar hun post, verdrongen zich voor de raampjes, vaak samen met hun vrouw. Er werd rijkelijk commentaar geleverd. ‘Dat brandt daar lekker,’ zei een man in burger tegen zijn echtgenote. Op het station werd ik opgewacht door een Untersturmführer, die me een kamer in het Haus der Waffen-ss bezorgde. De volgende ochtend zag ik Höss weer terug. Begin mei, na de inspectie door Eichmann, had het wvha de organisatie van het complex Auschwitz weer omgegooid, zoals ik al eerder schreef. Liebehenschel, zonder twijfel de beste Kommandant die het kamp ooit had gehad, was vervangen door een stuk onbenul, Sturmbannführer Bär, een voormalige banketbakker die enige tijd adjudant van Pohl was geweest; in Birkenau had Hartjenstein zijn plaats verruild met de Kommandant van Natzweiler, Hauptsturmführer Kramer; en Höss ten slotte hield voor de duur van de Hongaarse Einsatz toezicht op de anderen. Uit mijn gesprek met hem bleek me duidelijk dat hij naar zijn idee alleen benoemd was om de vernietiging in goede banen te leiden: terwijl de joden aankwamen in een tempo van soms vier treinen met elk drieduizend eenheden per dag, had hij niet één nieuwe barak laten bouwen voor de opvang maar zijn enorme energie volledig gericht op het herstel van de crematoria en de aanleg van spoorrails tot midden in Birkenau, iets waar hij bijzonder trots op was, om de wagons vlak bij de gaskamers te kunnen uitladen. Meteen al bij de aankomst van het eerste transport die dag nam hij me mee om te kijken naar de selectie en de verdere werkzaamheden. De nieuwe spoorlijn liep onder de wachttoren van het poortgebouw van Birkenau door en vertakte zich vervolgens in drieën tot voor de crematoria. Op het onbestrate perron was het een luidruchtig gekrioel van mensen, armoediger en kleuriger dan degenen die ik in het doorvoercentrum had gezien; deze joden kwamen waarschijnlijk uit Transsylvanië, de vrouwen en meisjes droegen bonte hoofddoeken, de mannen, nog in hun overjas, hadden een weelderige snor en ongeschoren wangen. Het ging allemaal vrij ordelijk toe, een hele tijd bleef ik de artsen observeren die de selectie deden (Wirths was er niet bij), per geval een seconde of drie, bij de geringste twijfel was het nee, ze leken ook veel vrouwen af te wijzen die in mijn ogen kerngezond waren; toen ik Höss daarop aansprak, was zijn antwoord dat dit gebeurde conform de instructies; de barakken puilden uit, hij had geen ruimte meer om die mensen onder te brengen, de bedrijven waren niet erg happig en namen de joden niet snel genoeg over, zodat het voller en voller werd, opnieuw staken er epidemieën de kop op, en aangezien Hongarije dagelijks nieuwe joden stuurde, was hij wel verplicht om plaats te maken, hij had onder de kampbewoners zelf ook al verscheidene selecties uitgevoerd en verder geprobeerd het zigeunerkamp te liquideren, maar dat had problemen opgeleverd zodat hij het had moeten uitstellen, hij had gevraagd of hij het familiekamp in Theresienstadt mocht opruimen maar daar nog steeds geen toestemming voor gekregen, dus intussen kon hij echt niets anders dan alleen de besten selecteren; hield hij er meer, dan zouden die toch snel aan een of andere ziekte sterven. Dit alles vertelde hij me rustig, zijn blauwe, lege ogen starend naar de mensenmassa en naar het perron. Ik was de wanhoop nabij, met deze man viel nog moeilijker te overleggen dan met Eichmann. Hij stond erop me de vernietigingsinstallaties te laten zien en me alles uit te leggen: hij had de Sonderkommando’s uitgebreid van 220 tot 860 man, maar de capaciteit van de Krema’s was te hoog ingeschat; het probleem lag niet zozeer bij het vergassen, maar de ovens waren overbelast, en om dat te verhelpen had hij sleuven laten graven waarin de lijken konden worden verbrand, als de Sonderkommando’s flink werden opgejaagd lukte het wel, hij haalde nu een gemiddelde van zesduizend eenheden per dag, wat inhield dat bij te grote drukte een aantal soms moest wachten tot de volgende dag. Het was angstaanjagend; de rook en de vlammen die uit de kuilen opstegen, brandend op petroleum en lichaamsvet, moesten tot kilometers in de omtrek van het kamp te zien zijn, ik vroeg of dat volgens hem geen narigheid kon veroorzaken: ‘Ach, de Kreis-autoriteiten maken zich ongerust, maar dat is mijn probleem niet.’ Als je hem moest geloven, was niets zijn probleem van wat dat in feite wel had moeten zijn. Geërgerd vroeg ik of ik de barakken kon zien. De nieuwe sector, een tijd geleden opgezet als doorgangskamp voor de Hongaarse joden, was onvoltooid gebleven; duizenden vrouwen, die er nog niet lang waren maar er toch al grauw en mager uitzagen, zaten in die langwerpige, stinkende stallen samengepakt; velen konden binnen geen plaats vinden en sliepen buiten in de modder; hoewel er niet genoeg gestreepte pakken waren, hadden ze hun eigen kleren niet mogen houden en vodden uit Kanada gekregen; ik zag ook vrouwen die volkomen naakt waren, of alleen gekleed in een hemd boven gele, slappe benen, waarop soms nog de vlekken van hun uitwerpselen zaten. Geen wonder dat de Jägerstab klaagde! Höss schoof in vage bewoordingen de schuld op de andere kampen, die naar zijn zeggen wegens ruimtegebrek geen transporten aannamen. De hele dag doorkruiste ik het kamp, sector voor sector, barak na barak; de mannen waren er nauwelijks beter aan toe dan de vrouwen. Ik keek de lijsten na: niemand had zich uiteraard gehouden aan de elementaire regel die voor elke vorm van opslag geldt: wat het eerst binnenkomt, moet ook het eerst weer weg; terwijl sommigen nog geen vierentwintig uur in het kamp bleven alvorens te worden doorgestuurd, moesten anderen er drie weken lang verkommeren, ze takelden af en bezweken dan vaak, waardoor de verliezen alleen maar groter werden. Maar voor ieder probleem waar ik Höss op wees, vond hij onvermoeibaar steeds weer een andere schuldige. Zijn mentaliteit, die gevormd was in de vooroorlogse jaren, paste absoluut niet bij zijn taak, dat was overduidelijk; maar de schuld lag niet alleen bij hem, ook bij degenen die hem hier hadden aangesteld om Liebehenschel te vervangen, want die zou het, voor zover ik hem kende, heel anders hebben aangepakt. Zo bleef ik tot het eind van de middag rondlopen. Het regende die dag een aantal keren, korte, verfrissende voorjaarsbuitjes, die het stof neersloegen maar het anderzijds ellendiger maakten voor de gedetineerden die in de open lucht moesten bivakkeren, al waren de meeste er vooral op gespitst een paar druppels op te vangen om iets te kunnen drinken. De achtergrond van het kamp bestond uit niets dan vuur en rook, tot zelfs voorbij de kalme uitgestrektheid van het Birkenwald. ’s Avonds trokken er nog steeds eindeloze rijen vrouwen, kinderen en oude mannen vanaf het perron via een lange, met prikkeldraad afgezette corridor naar de Krema’s iii en iv, waar ze onder de berken geduldig zouden wachten tot ze aan de beurt waren, en het mooie licht van de ondergaande zon streek over de toppen van het Birkenwald, rekte de schaduwen van de rijen barakken eindeloos uit, verleende het donkergrijs van de rookwolken de glans van een opaliserend geel, als op een Hollands schilderij, voorzag de plassen en waterbekkens van milde weerspiegelingen, kleurde de bakstenen muren van de Kommandantur oranje, fel en vrolijk, en ineens had ik er genoeg van, ik liet Höss staan en ging terug naar het Haus, waar ik de nacht besteedde aan het schrijven van een venijnig rapport over de tekortkomingen van het kamp. In één moeite door schreef ik een tweede rapport over de Hongaarse kant van de operatie, en in mijn woede schrok ik er niet voor terug Eichmanns opstelling als obstructionisme aan te duiden. (De onderhandelingen met de Hongaarse joden waren al twee maanden aan de gang, het aanbod van de vrachtwagens moest van een maand geleden dateren, want mijn bezoek aan Auschwitz was enkele dagen voor de landing in Normandië; Becher klaagde al een hele tijd over de weinig coöperatieve houding van Eichmann, die naar ons beider indruk alleen voor de vorm in onderhandeling bleef.) Het ontbreekt Eichmann aan een heldere kijk, omdat zijn prioriteit ligt bij de logistiek, schreef ik. Hij is niet bij machte complexe doelstellingen te begrijpen en deze in zijn aanpak te integreren. Uit betrouwbare bron weet ik dat Pohl, toen deze rapporten aan hem en via Brandt aan de Reichsführer waren verstuurd, Eichmann op het wvha ontbood en hem in grove, scherpe bewoordingen onderhield over de toestand waarin de transporten het kamp bereikten en over het onaanvaardbare aantal doden en zieken; maar in zijn halsstarrigheid had Eichmann slechts geantwoord dat dit onder de rechtsbevoegdheid van de Hongaren ressorteerde. Tegen zo veel inertie viel niets uit te richten. Ik voelde me steeds neerslachtiger worden, en dat had ook zijn uitwerking op mijn gestel: ik sliep slecht, mijn slaap werd verstoord door benauwde dromen en drie, vier keer per nacht onderbroken door dorst, of door een aandrang tot urineren die tot slapeloosheid leidde; geregeld kwam ik ’s ochtends uit bed met een doffe hoofdpijn, die me voor de hele dag van mijn concentratievermogen beroofde, me soms dwong het werk te onderbreken en een uur op de divan te gaan liggen met een koud kompres op mijn voorhoofd. Maar hoe moe ik ook was, ik vreesde de naderende nacht: perioden van slapeloosheid waarin ik mijn problemen vergeefs bleef herkauwen, of dromen die steeds beklemmender werden, ik weet niet wat me het meest kwelde. Hier volgt zo’n droom, die diepe indruk op me maakte: de rabbijn van Bremen was naar Palestina geëmigreerd. Hij hoorde echter vertellen dat de Duitsers de joden vermoordden, en weigerde dat te geloven. Hij ging naar het Duitse consulaat en vroeg een visum aan voor het Reich, om met eigen ogen te zien of de geruchten waar waren. Uiteraard liep het slecht met hem af. Daarna veranderde het decor: ik zat als specialist voor joodse aangelegenheden te wachten tot de Reichsführer me zou ontvangen, want hij wilde bepaalde dingen van mij horen. Ik voelde me nogal nerveus, het was duidelijk dat ik ten dode was opgeschreven als mijn antwoorden hem niet zouden bevallen. Deze scène speelde zich af in een groot, donker kasteel. In een van de vertrekken ontmoette ik Himmler; hij gaf me een hand, een kleine, kalme, onopvallende man in een lange jas, de onvermijdelijke knijpbril met de ronde glazen op zijn neus. Ik nam hem mee door een lange gang, waarvan de wanden bedekt waren met boeken. Die boeken waren blijkbaar van mij, want de Reichsführer toonde zich geïmponeerd en feliciteerde me. We waren ineens in weer een ander vertrek, pratend over dingen die hij wilde weten. Later schenen we buiten te zijn, in een brandende stad. Mijn angst voor Heinrich Himmler was over, ik voelde me volkomen veilig bij hem, maar nu was ik bang voor de bommen en voor het vuur. We moesten in looppas over de brandende binnenplaats van een groot gebouw. De Reichsführer pakte me bij de hand: ‘Vertrouw mij maar. Wat er ook gebeurt, ik laat u niet los. We komen er samen doorheen, of we gaan samen ten onder.’ Ik begreep niet waarom hij zich zo beschermend opstelde tegenover het Jüdlein, het kleine joodje dat ik was, maar ik vertrouwde hem, ik wist dat hij het eerlijk meende, ik zou zelfs liefde kunnen voelen voor deze eigenaardige man.

Niettemin moet ik u toch iets over die fameuze onderhandelingen gaan vertellen. Ik heb er niet rechtstreeks aan deelgenomen. Eén keer heb ik Kastner ontmoet in gezelschap van Becher, toen Becher onderhandelde over een van die officieuze overeenkomsten waar Eichmann zich zo over opwond. Maar ik was er zeer in geïnteresseerd, want een van de voorstellen hield in dat een aantal joden in de ijskast zou worden gezet, zo werd het genoemd, wat wil zeggen dat ze rechtstreeks en niet via Auschwitz tewerkgesteld zouden worden, wat mij heel goed zou zijn uitgekomen. Becher was de zoon van een zakenman uit de beste kringen van Hamburg, een cavalerist die uiteindelijk officier bij de Reiter-ss was geworden en zich in het Oosten verscheidene malen had onderscheiden, met name begin 1943 aan het Don-front, waar hij het Duitse Kruis in goud had verworven; sindsdien vervulde hij belangrijke logistieke functies op het ss-Führungshauptamt, het fha, dat toezicht hield op de hele Waffen-ss. Nadat hij de hand had weten te leggen op de Manfred-Weiss-Werke – hij heeft daar met mij nooit over gesproken en ik weet alleen uit de boeken hoe dat is gegaan, maar het schijnt met puur toeval te zijn begonnen – droeg de Reichsführer hem op de onderhandelingen met de joden voort te zetten, en tegelijkertijd gaf hij vergelijkbare instructies aan Eichmann, waarschijnlijk expres, om ze tegen elkaar uit te spelen. En Becher kon veel beloven, hij vond bij de Reichsführer een welwillend oor, maar hij was in principe niet verantwoordelijk voor joodse vraagstukken en had op dat punt geen enkele rechtstreekse zeggenschap, nog minder dan ik. Allerlei anderen waren ook bij deze zaak betrokken: een stel lawaaiige en ongedisciplineerde kerels van Schellenberg, sommige van het vroegere Amt vi, Höttl bijvoorbeeld, die zich Klages liet noemen en later onder weer een andere naam een boek heeft gepubliceerd, sommige afkomstig uit de Abwehr van Canaris, Gefrorener (alias Dr. Schmidt), Durst (alias Winniger), Laufer (alias Schröder), maar misschien haal ik nu namen en pseudoniemen door elkaar, en verder was er die vervelende Paul Karl Schmidt, de toekomstige Paul Carell, die ik al eerder heb genoemd en die ik denkelijk niet verwar met Gefrorener alias Dr. Schmidt, al weet ik dat niet zeker. En aan al die lui gaven de joden geld en juwelen, en die namen ze allemaal in ontvangst, ten behoeve van hun respectieve diensten of voor zichzelf, wie zal het zeggen; Gefrorener en zijn collega’s, die in maart Joel Brand in hechtenis hadden laten nemen om hem naar hun zeggen tegen Eichmann te ‘beschermen’, hadden duizenden dollars van hem verlangd voordat ze hem in contact wilden brengen met Wisliceny, en vervolgens hebben Wisliceny, Krumey en Hunsche veel geld van hem gekregen voordat er over de vrachtwagens gepraat kon gaan worden. Maar Brand zelf heb ik nooit ontmoet, Eichmann onderhandelde met hem, daarna is hij vrij snel naar Istanboel vertrokken en nooit meer teruggekomen. Zijn vrouw heb ik één keer gezien, in hotel Majestic samen met Kastner, jong en uitgesproken joods, niet echt mooi maar met karakter, Kastner stelde haar aan me voor als de vrouw van Brand. Het blijft onduidelijk wie op het idee van die vrachtwagens is gekomen, Becher heeft beweerd dat hij het was, maar naar mijn overtuiging heeft Schellenberg het de Reichsführer ingefluisterd, of als het inderdaad van Becher afkomstig was, dan heeft Schellenberg het verder uitgewerkt, in ieder geval is het zo dat de Reichsführer Becher en Eichmann begin april naar Berlijn heeft ontboden (ik heb dit van Becher, niet van Eichmann) en Eichmann heeft opgedragen de 8e en 22e divisie van de ss-cavalerie te motoriseren door ze van vrachtwagens te voorzien, tienduizend ongeveer, die hij los moest zien te krijgen van de joden. En dat is dus die beruchte geschiedenis van het voorstel dat Blut gegen Ware is gaan heten, ‘Bloed voor goederen’, tienduizend vrachtwagens, toegerust voor de winter, tegen een miljoen joden, een plan waarover veel is geschreven en nog veel geschreven zal worden. Ik heb er nauwelijks meer iets aan toe te voegen: alle hoofdrolspelers, Becher, Eichmann, het echtpaar Brand en Kastner, hebben de oorlog overleefd en getuigenis over deze zaak afgelegd (maar de ongelukkige Kastner is in 1957, drie jaar voordat Eichmann werd gearresteerd, door joodse extremisten in Tel Aviv vermoord – vanwege zijn ‘collaboratie’ met ons, o trieste ironie). In het aan de joden voorgelegde voorstel stond onder andere de clausule dat de vrachtwagens uitsluitend aan het oostfront zouden worden ingezet, tegen de Russen, en niet tegen de westerse machten; en die vrachtwagens hadden natuurlijk alleen door Amerikaanse joden kunnen worden geleverd. Eichmann, daar ben ik van overtuigd, heeft dit voorstel opgevat zoals het letterlijk was geformuleerd, daarbij gestimuleerd door zijn vriendschap met de commandant van de 22e divisie, ss-Brigadeführer August Zehender; hij heeft werkelijk gedacht dat motorisering van die divisies het doel was, en ook al stond het hem tegen om zo veel joden ‘te laten lopen’, hij wilde zijn vriend Zehender helpen. Alsof een paar vrachtwagens de oorlog een andere wending hadden kunnen geven. Hoeveel vrachtwagens, of tanks, of vliegtuigen, hadden er door een miljoen joden kunnen worden gebouwd, als er in de kampen een miljoen joden beschikbaar zou zijn geweest? Ik vermoed dat de zionisten, Kastner voorop, meteen hebben begrepen dat het een list was, maar dat ze langs die weg ook hun eigen belangen konden dienen, tijd konden winnen. Het waren realistische mannen met een scherpe blik, ze moeten net zo goed als de Reichsführer hebben geweten dat geen enkel vijandelijk land bereid zou zijn om Duitsland tienduizend vrachtwagens te leveren, en dat bovendien geen enkel land bereid was, zelfs niet in die fase, om een miljoen joden op te nemen. Zelf zie ik de hand van Schellenberg in de uitdrukkelijke bepaling dat de vrachtwagens niet in het Westen zouden worden gebruikt. Zoals Thomas me had verteld, was er voor Schellenberg nog maar één oplossing: het tegennatuurlijk verbond tussen de kapitalistische democratieën en de stalinisten tenietdoen en alles inzetten op de kaart Vesting Europa tegen het bolsjewisme. De naoorlogse geschiedenis heeft trouwens bewezen dat hij volkomen gelijk had en zijn tijd alleen ver vooruit was. Met dat vrachtwagenplan werd waarschijnlijk in verschillende richtingen gedacht. Natuurlijk, men wist maar nooit, er kon een wonder gebeuren, het was mogelijk dat de joden en geallieerden met de transactie instemden, en in dat geval was het niet moeilijk geweest om met behulp van die vrachtwagens conflicten tussen de Russen en de Anglo-Amerikanen uit te lokken, of zelfs een breuk te veroorzaken. Himmler droomde daar misschien van, maar Schellenberg was veel te realistisch om zijn hoop op dat scenario te vestigen. Voor hem moet het simpeler zijn geweest; het ging erom het diplomatieke signaal uit te zenden, via joden die nog een zekere invloed hadden, dat voor Duitsland alles bespreekbaar was, bijvoorbeeld een afzonderlijke vredesovereenkomst of onderbreking van het vernietigingsprogramma, om vervolgens af te wachten hoe de Engelsen en Amerikanen zouden reageren en dan nieuwe stappen te zetten: een proefballon dus eigenlijk. De geallieerden hebben het trouwens onmiddellijk zo geïnterpreteerd, dat blijkt wel uit hun reactie: het voorstel werd in hun kranten gepubliceerd en gehekeld. Misschien ook heeft Himmler gedacht dat een afwijzende reactie van de geallieerden zou aantonen dat het leven van de joden hun niets kon schelen, dat onze maatregelen misschien zelfs hun heimelijke goedkeuring genoten; op zijn minst zou daarmee een deel van de verantwoordelijkheid bij hen terechtkomen, zouden ze bezoedeld raken, zoals Himmler ook de Gauleiter en de andere hoogwaardigheidsbekleders van het regime al had bezoedeld. Hoe dan ook, Schellenberg en Himmler gaven de zaak niet op, zoals bekend werd er tot aan het eind van de oorlog onderhandeld, steeds met de joden als inzet; Becher wist zelfs dankzij joodse bemiddeling in Zwitserland een ontmoeting te organiseren met McClellan, de man van Roosevelt, waarmee de Amerikanen de akkoorden van Teheran schonden, zonder dat het ons iets opleverde. Al een hele tijd had ik er niets meer mee te maken: nu en dan bereikten mij via Thomas of Eichmann geruchten, maar dat was alles. Zelfs in Hongarije bleef mijn rol marginaal, zoals ik al heb toegelicht. Voor die onderhandelingen ben ik me vooral na mijn bezoek aan Auschwitz gaan interesseren, in de periode van de geallieerde landing begin juni. De burgemeester van Wenen, honorair ss-Brigadeführer Blaschke, had Kaltenbrunner gevraagd hem Arbeitsjuden te sturen voor zijn fabrieken, die schrikbarend veel arbeidskrachten tekortkwamen; ik zag daarin een kans om de onderhandelingen met Eichmann vooruit te helpen – ik kon ervan uitgaan dat de voor Wenen bestemde joden ‘in de ijskast’ zouden worden gezet – en tegelijk zelf arbeidskrachten te bemachtigen. Ik deed dan ook mijn best om de onderhandelingen die kant uit te sturen. In die fase stelde Becher me voor aan Kastner, een indrukwekkende figuur, altijd van een onberispelijke elegantie, die ons op voet van gelijkheid tegemoet trad en daarbij blijk gaf van een totale doodsverachting, wat zijn positie tegenover ons trouwens verstevigde: hij viel niet bang te maken (al werden er wel pogingen ondernomen, hij werd verscheidene malen opgepakt, door de Sipo en de Hongaren). Hij ging zitten zonder dat Becher hem daartoe uitnodigde, haalde een geurige sigaret uit een zilveren koker en stak die op zonder ons om toestemming te vragen en ook zonder ons er een aan te bieden. Eichmann verklaarde zich zeer onder de indruk van zijn koelbloedige houding en zijn ideologische rechtlijnigheid; naar zijn zeggen had Kastner, als hij een Duitser was geweest, een uitstekend officier van de Geheime Staatspolizei kunnen worden, wat in zijn ogen waarschijnlijk het mooist mogelijke compliment was. ‘Die Kastner denkt net als wij,’ merkte hij een keer op. ‘Het gaat hem uitsluitend om het biologisch potentieel van zijn ras, hij is bereid om alle ouderen op te offeren om de jongen, de sterken en de vruchtbare vrouwen te redden. Hij denkt aan de toekomst van zijn ras. Ik heb tegen hem gezegd: “Als ik jood was geweest, dan zou ik zionist zijn geworden, een fanatieke zionist, net als u.” ’ Kastner toonde interesse in de Weense aanvraag: hij was bereid om geld te fourneren, mits de veiligheid van de uitgezonden joden kon worden gegarandeerd. Ik bracht dit aanbod over aan Eichmann, die zich zat te verbijten omdat Joel Brand was verdwenen en er wat de vrachtwagens betrof geen enkel antwoord kwam. Intussen trof Becher zo zijn eigen regelingen, hij evacueerde joden in kleine groepen, vooral via Roemenië, uiteraard voor geld, goud, goederen, Eichmann was razend, hij verbood Kastner zelfs om nog met Becher te praten; natuurlijk trok Kastner zich daar niets van aan, Becher zorgde trouwens dat Kastners familie het land uit kon. In opperste verontwaardiging vertelde Eichmann me dat Becher hem een gouden halsketting had laten zien die hij de Reichsführer wilde aanbieden voor diens minnares, een secretaresse bij wie hij een kind had verwekt. ‘Becher heeft de Reichsführer in zijn greep, ik weet niet meer wat ik moet doen,’ jammerde hij. Ten slotte hadden mijn manoeuvres toch enig succes: Eichmann ontving 65.000 Reichsmark en ietwat ranzige koffie, in zijn ogen een voorschot op de vijf miljoen Zwitserse frank die hij had gevraagd, en 18.000 jonge joden vertrokken om in Wenen te gaan werken. Trots meldde ik dit aan de Reichsführer, maar er kwam geen antwoord. En hoe dan ook liep de Einsatz ten einde, al wisten we dat toen nog niet. Horthy, kennelijk geschrokken van bbc-uitzendingen en van telegrammen die door Amerikaanse diplomaten waren verzonden en door zijn diensten onderschept, had Winkelmann ontboden om te vragen wat er met de geëvacueerde joden gebeurde, want het bleven per slot van rekening Hongaarse burgers; Winkelmann wist niet wat hij moest antwoorden en had op zijn beurt Eichmann laten opdraven. Eichmann vond het een vermakelijk voorval en vertelde het ons op een avond in de bar van Majestic; Wisliceny en Krumey waren erbij, evenals Trenker, de kds van Boedapest, een beminnelijke Oostenrijker die bevriend was met Höttl. ‘Mijn antwoord aan hem was: we voeren ze weg om ze aan het werk te zetten,’ vertelde Eichmann lachend. ‘Verder heeft hij niets meer gevraagd.’ Met dit nogal ontwijkende antwoord nam Horthy geen genoegen: op 30 juni besloot hij tot opschorting van de evacuatie van Boedapest, die de volgende dag had moeten beginnen en die hij enkele dagen later definitief verbood. Ondanks dat verbod slaagde Eichmann er nog in Kistarcsa en Szarva te ontruimen: maar dat was om zijn gezicht te redden. Het was afgelopen met de evacuaties. Er gebeurde intussen nog van alles: Horthy ontsloeg Endre en Baky, maar zag zich onder Duitse druk genoodzaakt dat ontslag weer in te trekken; nog weer later, eind augustus, zette hij Sztójay af en verving hem door Lakatos, een conservatieve generaal. Maar toen was ik daar allang niet meer: ziek en uitgeput was ik teruggekeerd naar Berlijn, waar ik totaal instortte. Het was Eichmann en zijn collega’s gelukt 400.000 joden weg te voeren, van wie er slechts 50.000 waren ingezet in de industrie (plus de 18.000 van Wenen). Ik was kapot, ontsteld van zo veel incompetentie, onwil en dwarsdrijverij. Eichmann was er trouwens niet veel beter aan toe dan ik. Begin juli bezocht ik hem vlak voor mijn vertrek een laatste keer op zijn kantoor: hij maakte een geëxalteerde indruk en leek tegelijk gekweld door twijfel. ‘Hongarije, Obersturmbannführer, is mijn meesterstuk. Zelfs al moet het hierbij blijven. Weet u hoeveel landen ik al van joden heb ontdaan? Frankrijk, Holland, België, Griekenland, een deel van Italië, Kroatië. Ook Duitsland natuurlijk, maar dat ging gemakkelijk, dat was gewoon een technische transportkwestie. Mijn enige mislukking is Denemarken. Overigens heb ik nu meer joden aan Kastner gegeven dan me in Denemarken zijn ontglipt. En wat is dat nou helemaal, duizend joden? Niks niemendal. De joden zullen hier nooit van herstellen, dat weet ik nu zeker. Het ging hier zo prachtig, de Hongaren zijn ze ons op een presenteerblaadje komen aanbieden, we konden ze niet eens snel genoeg verwerken. Jammer dat we hebben moeten stoppen, misschien kunnen we ooit weer door.’ Ik luisterde zwijgend. Zijn gezicht werd nog heviger dan gewoonlijk geteisterd door tics, hij wreef over zijn neus, draaide met zijn nek. Zijn trotse uitspraken ten spijt leek hij diep terneergeslagen. Plotseling vroeg hij: ‘En ik, hoe moet het met mij? Wat gaat er met mij gebeuren? Wat gaat er met mijn familie gebeuren?’ Enkele dagen eerder had het rsha een radio-uitzending uit New York opgevangen waarin cijfers waren genoemd over de in Auschwitz vermoorde joden, cijfers die dicht in de buurt van de waarheid kwamen. Eichmann was ongetwijfeld op de hoogte, zoals hij ongetwijfeld ook wist dat zijn naam op alle lijsten prijkte die onze vijanden hadden opgesteld. ‘U wilt mijn eerlijke mening?’ vroeg ik zacht. – ‘Ja,’ antwoordde Eichmann. ‘U weet, ondanks onze geschillen heb ik uw mening altijd gerespecteerd.’ – ‘Nu dan: als we de oorlog verliezen, dan gaat u eraan.’ Hij hief het hoofd: ‘Dat weet ik. Ik ben niet van plan om dan door te leven. Als we overwonnen zijn, dan schiet ik een kogel door mijn hoofd, met het trotse gevoel dat ik mijn plicht als ss’er heb gedaan. Maar als we niet verliezen?’ – ‘Als we niet verliezen,’ zei ik nog zachter, ‘dan zult u zich in een nieuwe richting moeten ontwikkelen. U kunt niet altijd zo doorgaan. Het naoorlogse Duitsland zal anders zijn, veel dingen zullen evolueren, er zullen zich nieuwe taken aandienen. Daar moet u zich op instellen.’ Eichmann bleef zwijgen, ik nam afscheid en ging terug naar Astoria. Bij de slapeloosheid en de hoofdpijn voegden zich nu korte maar hevige koortsaanvallen, die kwamen en gingen. Mijn ellende bereikte een dieptepunt toen ik bezoek kreeg van de twee terriërs, Clemens en Weser, die onaangekondigd in mijn hotel opdoken. ‘Wat doet u hier?’ riep ik uit. – ‘Nou, Obersturmbannführer,’ zei Weser, of misschien Clemens, dat weet ik niet meer, ‘we komen met u praten.’ – ‘Maar wat valt er nog te praten?’ vroeg ik getergd. ‘De zaak is gesloten.’ – ‘Nee, helemaal niet,’ zei volgens mij Clemens. Ze hadden allebei hun hoed afgezet en waren onuitgenodigd gaan zitten, Clemens op een rococostoel die te klein was voor zijn postuur, Weser kaarsrecht op een lange sofa. ‘Goed, u wordt nergens van beticht. Dat accepteren we volledig. Maar het onderzoek naar die moorden gaat door. We zijn bijvoorbeeld nog steeds op zoek naar uw zuster en die tweeling.’ – ‘En verder, Obersturmbannführer, hebben de Fransen ons het merk gestuurd van de kleren die ze hadden aangetroffen, weet u nog? In de badkamer. Met behulp daarvan zijn we terechtgekomen bij een bekende kleermaker, een zekere Pfab. Hebt u ooit kostuums bij Herr Pfab laten maken, Obersturmbannführer?’ Ik glimlachte: ‘Natuurlijk. Dat is een van de beste kleermakers van Berlijn. Maar ik wil u wel waarschuwen: als u doorgaat met uw naspeuringen naar mij, dan vraag ik de Reichsführer u wegens insubordinatie uit uw functie te zetten.’ – ‘O!’ riep Weser uit. ‘U hoeft niet met dreigementen te komen, Obersturmbannführer. Heus, we hebben helemaal niks tegen u. We willen u alleen als getuige blijven horen.’ – ‘Zo is het precies,’ vulde Clemens aan met zijn zware stem. ‘Als getuige.’ – Hij reikte Weser zijn opschrijfboekje aan, die erin begon te bladeren en het aan hem teruggaf met zijn vinger bij een bepaalde pagina. Clemens las wat er stond en gaf het boekje weer aan Weser. ‘De Franse politie heeft het testament van wijlen Herr Moreau gevonden,’ murmelde laatstgenoemde. ‘Laat ik u meteen geruststellen, u wordt er niet in genoemd. Uw zuster ook niet. Herr Moreau laat alles, zijn vermogen, zijn bedrijven en zijn huis, aan de tweeling na.’ – ‘Wij vinden dat eigenaardig,’ bromde Clemens. – ‘Heel eigenaardig,’ ging Weser verder. ‘Per slot van rekening, zo hadden wij het althans begrepen, zijn het kinderen die daar in huis waren gekomen, misschien uit de familie van uw moeder, misschien ook niet, maar in ieder geval geen familie van hem.’ Ik haalde mijn schouders op: ‘Ik heb u al eerder gezegd dat Moreau en ik niet met elkaar konden opschieten. Het verbaast me niet dat hij me niets heeft nagelaten. Hij had zelf geen kinderen, geen familie. Hij zal zich uiteindelijk aan die tweeling hebben gehecht.’ – ‘Aangenomen dat het zo is,’ zei Clemens. ‘Dan blijft toch staan dat ze misschien getuigen zijn geweest van het misdrijf, dat ze de bezittingen erven en dat ze nu zijn verdwenen, door toedoen van uw zuster, die blijkbaar niet naar Duitsland is teruggekeerd. Zou u ons daar nu niet enige opheldering over kunnen verschaffen? Ook al hebt u met dit alles niets te maken?’ – ‘Meine Herren,’ antwoordde ik, mijn keel schrapend, ‘alles wat ik weet, heb ik u al verteld. Als u naar Boedapest bent gekomen om me dit te vragen, dan verdoet u uw tijd.’ – ‘Ach, moet u horen,’ zei Weser venijnig, ‘we verdoen onze tijd nooit helemaal. We vinden altijd wel iets nuttigs. Bovendien praten we graag met u.’ – ‘Ja ja,’ kwam het barse geluid van Clemens. ‘Dat is heel prettig. Daarom gaan we er ook mee door.’ – ‘Het zit namelijk zo,’ aldus Weser, ‘als je eenmaal aan iets begint, dan moet je het ook afmaken.’ – ‘Ja,’ zei Clemens instemmend, ‘anders zou het geen zin hebben.’ Ik zei niets, ik keek hen aan met een koude blik en was tegelijk vervuld van ontzetting, want deze vreemde snuiters, dat werd me nu wel duidelijk, waren overtuigd geraakt van mijn schuld, en ze zouden me blijven achtervolgen, ik moest iets doen. Maar wat? Ik voelde me te mismoedig om te reageren. Ze stelden nog een paar vragen over mijn zuster en haar man, die ik verstrooid beantwoordde. Daarna stonden ze op om weg te gaan. ‘Obersturmbannführer,’ zei Clemens met zijn hoed al op zijn hoofd, ‘een gesprek met u is een waar genoegen. U bent een verstandig man.’ – ‘Hopelijk is dit niet de laatste keer,’ zei Weser. ‘Bent u van plan om binnenkort terug te gaan naar Berlijn? Dan moet u niet schrikken: het is daar niet meer zoals het was.’