#

De brief werd me gebracht door Thomas, dat zal u niet verbazen. Ik was naar beneden gegaan om samen met een aantal officieren van de Wehrmacht in de hotelbar naar de nieuwsberichten te luisteren. Het zal midden mei zijn geweest: in Tunis waren onze troepen overgegaan tot een ‘vrijwillige inkorting van het front, volgens plan’; in Warschau werd de liquidatie van terroristische bendes ‘soepel voortgezet’. De officieren om mij heen zaten zwijgend en met een somber gezicht te luisteren; alleen een eenarmige Hauptmann liet bij de woorden freiwillige Frontverkürzung en planmässig een luid hoongelach horen, maar hij viel stil toen mijn bezorgde blik de zijne kruiste; net als hij en de andere aanwezigen wist ik genoeg om die eufemismen te kunnen duiden: de opstandige joden in het getto boden al een aantal weken met succes weerstand tegen onze keurtroepen, en Tunesië was verloren. Ik speurde naar de kelner, want ik wilde nog een cognac bestellen. Thomas kwam binnen. In krijgshaftige pas liep hij door de zaal, bracht me vormelijk een Duitse groet terwijl hij zijn hakken tegen elkaar klapte, nam me daarna bij een arm en trok me mee in een nis; hij liet zich op het bankje zakken, gooide nonchalant zijn pet op tafel en zwaaide met een envelop, die hij voorzichtig tussen twee gehandschoende vingers hield. ‘Weet jij wat hierin zit?’ vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen. Ik schudde mijn hoofd. Op de envelop, dat zag ik, stond de opdruk van de Persönlicher Stab des Reichsführer-ss. ‘Maar ik weet het wel,’ vervolgde hij op dezelfde toon. Zijn gezicht begon te stralen: ‘Gefeliciteerd, beste vriend. Je verstaat de kunst om je niet in de kaart te laten kijken. Ik heb altijd geweten dat je slimmer bent dan je lijkt.’ Nog steeds hield hij het couvert vast. ‘Hier, pak aan.’ Ik nam het in ontvangst, scheurde het open en haalde er een vel papier uit, een bevel om me zo spoedig mogelijk te melden bij Obersturmbannführer Dr. Rudolf Brandt, de persoonlijke adjudant van de Reichsführer-ss. ‘Het is een oproep,’ zei ik nogal stompzinnig. – ‘Ja, het is een oproep.’ – ‘Wat moet ik daaruit afleiden?’ – ‘Daar moet je uit afleiden dat de invloed van jouw vriend Mandelbrod buitengewoon ver strekt. Je gaat deel uitmaken van de persoonlijke staf van de Reichsführer, kerel. Dat gaan we vieren!’

Ik had niet veel zin om feest te vieren, maar ik liet me meeslepen. Tot diep in de nacht bleef Thomas me trakteren op de ene Amerikaanse whisky na de andere, en op geestdriftige verhalen over de taaie volharding van de joden in Warschau. ‘Denk je eens in! Joden!’ Mijn nieuwe aanstelling leek hij te zien als een meesterlijke zet van mijn kant, terwijl ikzelf geen idee had wat het inhield. De volgende ochtend meldde ik me in de Prinz-Albrecht-Strasse, waar pal naast de Geheime Staatspolizei het ss-Haus stond, ooit een statig woonhuis en nu een kantoorgebouw. Ik werd onmiddellijk ontvangen door Obersturmbannführer Brandt, een gebogen mannetje met een kleurloos, angstvallig voorkomen, zijn gezicht verborgen achter grote ronde glazen in een hoornen montuur: ik meende hem in Hohenlychen te hebben gezien, toen de Reichsführer me op mijn ziekbed had gedecoreerd. In kernachtige, precieze zinnen lichtte hij toe wat er van me werd verwacht. ‘De overgang van het systeem van concentratiekampen met een zuiver bestraffend doel naar de functie van arbeidskrachtenreservoir, die ruim een jaar geleden in gang is gezet, verloopt niet zonder strubbelingen.’ De problemen hadden te maken met de betrekkingen tussen de ss en de externe partijen, maar ook met de verhoudingen binnen de ss zelf. De Reichsführer wilde een nauwkeuriger inzicht krijgen in de oorzaken van de spanningen, teneinde die te kunnen verminderen en aldus het productievermogen van dit enorme arbeidspotentieel te maximaliseren. Derhalve had hij besloten een ervaren officier te benoemen als zijn persoonlijk gevolmachtigde voor de Arbeitseinsatz. ‘Na bestudering van de dossiers en op grond van verscheidene aanbevelingen is de keuze op u gevallen. De Reichsführer heeft het volste vertrouwen in uw vermogen om u naar tevredenheid te kwijten van deze taak, die veel analytisch inzicht zal vergen, een groot gevoel voor diplomatie en de initiatiefrijke instelling van een echte ss’er, waarvan u in Rusland al blijk hebt gegeven.’ De betrokken ss-bureaus zouden de opdracht krijgen om met mij samen te werken, maar ik zou er zelf voor moeten zorgen dat die samenwerking optimaal verliep. ‘Al uw vragen en ook uw rapporten dient u aan mij te richten,’ besloot Brandt. ‘De Reichsführer zal alleen contact met u opnemen als dat in zijn ogen noodzakelijk is. Vandaag zal hij u ontvangen om uit te leggen wat hij van u verwacht.’ Zonder een spier te vertrekken had ik naar hem geluisterd; ik begreep niet waar hij het over had, maar het leek me verstandiger om mijn vragen voorlopig voor me te houden. Brandt vroeg me beneden in een wachtkamer te gaan zitten; ik vond er tijdschriften, thee en taart, maar al gauw kreeg ik er genoeg van om in het gedempte licht van dit vertrek oude nummers van Das Schwarze Korps door te bladeren. Jammer genoeg mocht je nergens in het gebouw roken, dat had de Reichsführer verboden vanwege de onaangename geur, en ik kon ook niet naar buiten, want ik zou ieder moment opgeroepen kunnen worden. Laat in de middag werd ik gehaald. In het voorvertrek gaf Brandt me zijn laatste adviezen: ‘Geen commentaar leveren, geen vragen stellen, alleen tegen hem praten als hij een vraag stelt.’ Daarna nam hij me mee naar binnen. Heinrich Himmler zat achter zijn bureau; ik liep in militaire pas naar voren, gevolgd door Brandt, die me voorstelde; ik bracht de Hitlergroet, Brandt reikte de Reichsführer een dossier aan en trok zich terug. Himmler beduidde me te gaan zitten en raadpleegde het dossier. Zijn gezicht deed eigenaardig vaag, kleurloos aan, het snorretje en de lorgnet accentueerden slechts het wijkende karakter van zijn trekken. Met een lichte, vriendelijke glimlach keek hij me aan; toen hij zijn hoofd hief, werden de glazen van zijn lorgnet in het weerkaatsende licht ondoorzichtig, zodat zijn ogen schuilgingen achter twee ronde spiegels: ‘U lijkt er beter aan toe dan de laatste keer dat ik u zag, Sturmbannführer.’ Ik was stomverbaasd dat hij dat nog wist; misschien zat er een aantekening in het dossier. Hij vervolgde: ‘U bent volledig hersteld van uw kwetsuur? Goed zo.’ Hij bladerde een aantal pagina’s door. ‘Uw moeder is Française, zie ik?’ Dat leek me een vraag, en ik was dan ook zo vrij te antwoorden: ‘Ze is in Duitsland geboren, mein Reichsführer. In de Elzas.’ – ‘Ja, maar toch een Française.’ Opnieuw keek hij op, ditmaal kaatste zijn lorgnet het licht niet terug en zag ik twee kleine, te dicht bij elkaar staande ogen, waar een verbazingwekkend milde blik in lag. ‘Weet u, in principe wil ik nooit mannen met buitenlands bloed in mijn staf. Dat is een soort Russische roulette: te riskant. Je weet nooit wat er naar boven komt, zelfs bij voortreffelijke officieren. Maar Dr. Mandelbrod heeft mij ervan weten te overtuigen dat ik in dit geval een uitzondering moet maken. Hij is een zeer verstandig man, en ik respecteer zijn oordeel.’ Hij pauzeerde even. ‘Eigenlijk had ik voor deze functie een andere kandidaat op het oog. Sturmbannführer Gerlach. Helaas is hij een maand geleden om het leven gekomen. In Hamburg, tijdens een Engels bombardement. Hij kon niet tijdig genoeg een schuilplaats bereiken en kreeg een pot bloemen op zijn hoofd. Begonia’s, geloof ik. Of tulpen. Hij was op slag dood. Monsters zijn het, die Engelsen. Burgers bombarderen, zomaar, zonder onderscheid. Na de overwinning zullen we ze als oorlogsmisdadigers voor de rechter brengen. De verantwoordelijken zullen rekenschap voor deze gruweldaden moeten afleggen.’ Hij zweeg en verdiepte zich weer in mijn dossier. ‘U loopt tegen de dertig en u bent niet getrouwd,’ zei hij, weer opkijkend. ‘Hoe komt dat?’ Zijn toon was streng, belerend. Ik voelde mezelf blozen: ‘Daar heb ik nog geen gelegenheid voor gehad, mein Reichsführer. Ik ben net voor de oorlog afgestudeerd.’ – ‘U moet het ernstig overwegen, Sturmbannführer. Uw bloed is waardevol. Als u in deze oorlog sneuvelt, mag het niet voor Duitsland verloren gaan.’ De woorden welden als vanzelf in mij op: ‘Mein Reichsführer, neemt u mij niet kwalijk, maar mijn nationaal-socialistisch engagement en mijn dienstbaarheid jegens de ss berusten op een zo heilig plichtsgevoel, dat een huwelijk voor mij geen reële mogelijkheid is zolang mijn Volk de gevaren die het bedreigen niet heeft bedwongen. De liefde voor een vrouw kan een man alleen maar verzwakken. Ik moet me volledig geven en kan tot aan de eindoverwinning mijn toewijding niet delen.’ Terwijl hij luisterde bestudeerde Himmler mijn gezicht; zijn ogen hadden zich iets verwijd. ‘Sturmbannführer, ondanks uw buitenlandse bloed zijn uw Germaanse en nationaal-socialistische deugden indrukwekkend. Ik weet niet of ik uw redenering kan onderschrijven: ik blijf van mening dat elke ss-Mann de plicht heeft om zijn bijdrage te leveren aan de instandhouding van het ras. Maar ik zal nadenken over wat u hebt gezegd.’ – ‘Dank u, mein Reichsführer.’ – ‘Heeft Obersturmbannführer Brandt uitgelegd wat uw taak inhoudt?’ – ‘In grote lijnen, mein Reichsführer.’ – ‘Ik heb er niet veel aan toe te voegen. Gaat u vooral met tact te werk. Ik wil liever geen nutteloze conflicten uitlokken.’ – ‘Jawel, mein Reichsführer.’ – ‘Uw rapporten zijn uitstekend. U hebt een scherpe blik voor de grotere verbanden, gebaseerd op een solide Weltanschauung. Daarom is mijn keus op u gevallen. Maar opgepast! Ik wil praktische oplossingen, geen klaagzangen.’ – ‘Jawel, mein Reichsführer.’ – ‘Dr. Mandelbrod zal u ongetwijfeld vragen hem afschriften van uw rapporten te doen toekomen. Daar heb ik geen bezwaar tegen. Succes, Sturmbannführer. U kunt gaan.’ Ik stond op, bracht de groet en maakte aanstalten om te vertrekken. Plotseling zei Himmler nog met zijn afgemeten, zachte stem: ‘Sturmbannführer!’ – ‘Jawel, mein Reichsführer?’ Hij aarzelde: ‘Geen valse sentimenten, hè?’ Ik bleef stram in de houding staan: ‘Uiteraard niet, mein Reichsführer.’ Ik groette opnieuw en verliet de kamer. In het voorvertrek keek Brandt me vorsend aan: ‘Ging het goed?’ – ‘Ik geloof van wel, Obersturmbannführer.’ – ‘De Reichsführer heeft met veel belangstelling kennis genomen van uw rapport over de voedselproblemen van onze soldaten in Stalingrad.’ – ‘Dus dat rapport heeft hem bereikt, dat verbaast me.’ – ‘De Reichsführer interesseert zich voor veel zaken. Rapporten die hem zouden kunnen boeien, worden door Gruppenführer Ohlendorf en de andere Amtschefs vaak aan hem voorgelegd.’ Brandt overhandigde me namens de Reichsführer een boek getiteld Der jüdische Ritualmord, van Helmut Schramm. ‘De Reichsführer heeft exemplaren laten drukken voor alle ss-officieren vanaf de rang van Standartenführer. Maar hij heeft ook gevraagd exemplaren te verspreiden onder lagere officieren die bij de joodse kwestie betrokken zijn. U zult zien, het is bijzonder interessant.’ Ik bedankte hem: weer een boek om te lezen, terwijl ik bijna niet meer las. Brandt adviseerde me een paar dagen uit te trekken om me te installeren: ‘U zult tot niets goeds komen als uw persoonlijke zaken niet op orde zijn. Daarna kunt u zich weer bij me melden.’

Al snel werd me duidelijk dat mijn huisvesting het neteligste probleem was: ik kon niet eindeloos in een hotel blijven wonen. De Obersturmbannführer van het ss-Personalhauptamt had twee opties: een ss-logement voor ongehuwde officieren, heel goedkoop en met volpension; of een kamer bij een particulier, waarvoor ik huur zou moeten betalen. Wat Thomas betrof, die woonde in een ruim en zeer comfortabel driekamerappartement met hoge plafonds en kostbare oude meubelen. Gezien de ernstige woningnood in Berlijn – wie een kamer over had, was in principe verplicht een huurder in huis te nemen – was dit een luxueus appartement, vooral voor een ongehuwde Obersturmbannführer: een Gruppenführer met vrouw en kinderen zou het ook niet hebben versmaad. Lachend vertelde hij hoe hij het had gekregen: ‘Zo ingewikkeld is dat niet. Als je wilt kan ik je helpen er ook een te vinden, misschien niet even groot, maar in ieder geval met twee kamers.’ Dankzij een kennis bij de Generalbauinspektion van Berlijn had hij zich bij speciale maatregel een joods appartement laten toewijzen, dat was ontruimd met het oog op de reconstructie van de stad. ‘Het enige probleem was dat ik het kreeg op voorwaarde dat ik de renovatie zou betalen, zo’n vijfhonderd Reichsmark. Die had ik niet, maar het is me gelukt ze van Berger toegekend te krijgen, als uitzonderlijke tegemoetkoming.’ Ontspannen liggend op de canapé liet hij tevreden zijn blik ronddwalen: ‘Niet slecht hè?’ – ‘En de auto?’ vroeg ik lachend. Thomas had ook een kleine cabriolet, waar hij dolgraag in rondreed en waarmee hij me ’s avonds soms kwam ophalen. ‘Dat is weer een ander verhaal, m’n beste, dat ik je nog weleens zal vertellen. In Stalingrad heb ik je al gezegd dat ons, als we er heelhuids uit zouden komen, een mooi leven te wachten stond. We hoeven ons geen beperkingen op te leggen.’ Ik dacht na over zijn voorstel, maar koos uiteindelijk toch voor een gemeubileerde huurkamer bij een particulier. In een ss-huis wonen trok me niet, ik wilde zelf kunnen bepalen met wie ik buiten het werk omging; en de gedachte om op mezelf te wonen met alleen mezelf als gezelschap, schrikte me eerlijk gezegd een beetje af. Een hospita was in ieder geval een menselijke aanwezigheid, ik zou mijn maaltijden laten bereiden, er zou geluid zijn op de gang. Ik diende dan ook een verzoek in waarin ik preciseerde dat ik twee kamers wilde en dat er een vrouw moest zijn om te koken en schoon te maken. Er werd me iets aangeboden in de wijk Mitte, bij een weduwe, per u-Bahn zes haltes zonder overstappen verwijderd van de Prinz-Albrecht-Strasse, en voor een redelijke prijs; ik ging niet eens meer eerst kijken maar zei meteen ja en kreeg een brief mee. Frau Gutknecht, een dikke vrouw van boven de zestig met een hoogrood gezicht, een flinke boezem en geverfd haar, bleef me langdurig en met een geslepen blik bestuderen nadat ze voor me had opengedaan. ‘Dus u bent de officier?’ zei ze met een zwaar Berlijns accent. Ik ging naar binnen en gaf haar een hand: ze stonk naar goedkope parfum. Ze liep voor me uit door de lange gang en wees naar de verschillende deuren: ‘Dit is mijn woongedeelte, en dat daar is van u. Hier is de sleutel. Ik heb er natuurlijk ook een.’ Ze deed de deur voor me open en leidde me rond: goedkope meubels overladen met prullaria, vergeeld en golvend behang, een muffe lucht. Na de zitkamer kwam de slaapkamer, die niet verbonden was met de rest van het appartement. ‘De keuken en het toilet zijn achterin. Het warme water is op rantsoen, dus u kunt niet in bad.’ Aan de muur hingen twee portretten in zwarte lijsten: een man van rond de dertig met een ambtenarensnorretje, en een blonde, stevige jonge knul in Wehrmachtsuniform. ‘Is dat uw man?’ vroeg ik met het gepaste respect. Ze trok een grimas: ‘Ja. En dat is mijn zoon Franz, mijn kleine Franzi. Die is in Frankrijk gesneuveld, op de eerste gevechtsdag. Zijn Feldwebel heeft me geschreven dat hij als een held is gestorven, toen hij een kameraad wilde redden, maar een medaille heeft hij niet gekregen. Hij wilde zijn papa wreken, mijn Bubi hier, die is bij Verdun omgekomen door het gifgas.’ – ‘Mijn oprechte deelneming.’ – ‘Ach, weet u, dat Bubi dood is, daar ben ik nu wel aan gewend. Maar mijn kleine Franzi mis ik nog steeds.’ Ze wierp me een keurende blik toe. ‘Jammer dat ik geen dochter heb. Dan had u met haar kunnen trouwen. Dat had ik wel gewild, een officier als schoonzoon. Mijn Bubi was Unterfeldwebel en mijn Franzi nog niet meer dan Gefreiter.’ – ‘Ja, jammer,’ antwoordde ik beleefd. Ik wees naar de prulletjes: ‘Mag ik u vragen die weg te halen? Ik heb ruimte nodig voor mijn eigen spullen.’ Ze keek verontwaardigd: ‘En waar moet ik daar dan mee heen? Bij mij is nog minder plaats. Bovendien ziet het er toch aardig uit zo. U schuift ze maar een beetje opzij. Wel voorzichtig, hè! Wat u breekt moet u vergoeden.’ Ze wees naar de portretten: ‘Die kan ik wel meenemen, als u wilt. Ik wil u niet belasten met mijn verdriet.’ – ‘Dat geeft niet,’ zei ik. – ‘Goed, dan laat ik ze hangen. Dit was Bubi’s lievelingskamer.’ We werden het eens over de maaltijden en ik gaf haar een deel van mijn levensmiddelenbonnen.

Ik richtte me zo goed mogelijk in; ik had hoe dan ook maar weinig spullen. Door de prullaria en de kitschromans van vóór de vorige oorlog op een hoop te leggen, kon ik een paar planken vrijmaken voor mijn eigen boeken, die ik uit de kelder liet halen waar ik ze voor mijn vertrek naar Rusland had opgeslagen. Met plezier pakte ik ze uit en bladerde ze door, ook al waren er veel bij die te lijden hadden gehad van het vocht. Daarnaast zette ik de Nietzsche-uitgave die ik van Thomas had gekregen en nog nooit had opengeslagen, de drie boeken van Burroughs die ik uit Frankrijk had meegebracht, plus de Blanchot, die ik nooit had uitgelezen; de Stendhal-delen die ik had meegenomen naar Rusland, waren daar achtergebleven, zoals Stendhal zelf er indertijd, min of meer om dezelfde reden, zijn dagboeken uit 1812 had moeten achterlaten. Nu vond ik het wel jammer dat ik er in Parijs, toen ik daar op doortocht was, niet aan had gedacht nieuwe exemplaren te kopen, maar dat kon altijd nog, als ik tijd van leven had. Het werkje over de rituele moord bracht me in verlegenheid: de Festgabe kon ik gemakkelijk kwijt bij de verhandelingen over economie en politicologie, maar dit boekje was lastiger onder te brengen. Uiteindelijk zette ik het bij de geschiedenisboeken, tussen Treitschke en Gustav Kossinna. Die boeken en mijn kleren waren mijn enige bezittingen, afgezien van een grammofoon met een paar platen; ook de kinjal uit Naltsjik was helaas in Stalingrad achtergebleven. Nadat ik alles had ingeruimd, zette ik een aria van Mozart op en ging lui in een fauteuil een sigaret zitten roken. Frau Gutknecht kwam zonder kloppen binnen en viel meteen boos uit: ‘U mag hier niet roken! Daar gaan de gordijnen van stinken.’ Ik stond op en trok mijn uniformjasje recht: ‘Frau Gutknecht. Ik wil u verzoeken om voortaan te kloppen en mijn antwoord af te wachten voordat u binnenkomt.’ Ze werd knalrood: ‘Neemt u mij niet kwalijk, Herr Offizier, maar ik ben hier toch in mijn eigen huis? En verder zou ik, met alle respect, uw moeder kunnen zijn. Wat maakt het u uit dat ik binnenkom? Het is toch niet uw bedoeling om hier damesbezoek te ontvangen? Dit is een fatsoenlijk huis, waar nette burgers wonen.’ Ik besloot dat het dringend gewenst was om de zaken duidelijk te stellen: ‘Frau Gutknecht, ik huur twee kamers van u; dus hier ben ik thuis, en u niet meer. Ik ben absoluut niet van plan om, zoals u dat noemt, damesbezoek te ontvangen, maar ik hecht aan mijn privéleven. Als dat u niet aanstaat, pak ik mijn spullen weer op en mijn huur weer terug, en dan vertrek ik. Is dat duidelijk?’ Ze bond in: ‘Zo moet u het niet opvatten, Herr Offizier... Ik ben het niet gewend, dat is alles. U mag ook wel roken als u wilt. Alleen kunt u dan misschien de ramen opendoen...’ Ze bekeek mijn boeken: ‘Ik zie dat u een ontwikkeld iemand bent...’ Ik onderbrak haar: ‘Frau Gutknecht. Als u me verder niets te vragen hebt, zou ik graag alleen worden gelaten.’ – ‘O ja, pardon, ja.’ Ze verliet de kamer, ik deed de deur op slot en liet de sleutel in het slot zitten.

Nadat ik met de personeelsdienst de formaliteiten had afgehandeld, ging ik terug naar Brandt. Hij had een van de kleine, lichte kantoren op de zolderverdieping van het ss-Haus voor mij laten vrijmaken. Mijn ruimte bestond uit een voorvertrek met telefoon en een werkkamer met een divan, en ik kreeg de beschikking over een jonge secretaresse, Fräulein Praxa, een ordonnans die drie kantoren bediende, en een ploeg typistes die voor de hele verdieping werkte. Mijn chauffeur, Piontek genaamd, was een Volksdeutscher uit Opper-Silezië en zou op mijn dienstreizen tevens als ordonnans fungeren; ik kon vrijelijk over de wagen beschikken, maar de Reichsführer had verordonneerd dat alle privéritten afzonderlijk moesten worden geadministreerd en dat de benzinekosten op mijn salaris werden ingehouden. Dit alles kwam mij haast als extravagant voor. ‘Het is niets bijzonders. U moet toch fatsoenlijk kunnen werken,’ verzekerde Brandt me met een glimlachje. Het hoofd van de Persönlicher Stab, Obergruppenführer Wolff, kon ik nog niet ontmoeten; hij was herstellende van een ernstige ziekte en Brandt nam al maanden zijn taken waar. Brandt gaf me nog enige aanvullende informatie over wat er precies van mij werd verwacht: ‘Allereerst is het van belang dat u zich terdege op de hoogte stelt van het systeem en van de problemen die zich erin voordoen. Alle rapporten daarover aan de Reichsführer zijn hier gearchiveerd: laat die bij u boven brengen en neemt u ze door. Hier hebt u een lijst met de ss-officieren aan het hoofd van de verschillende afdelingen die met uw opdracht te maken hebben. Regelt u afspraken met hen en ga bij hen informeren; ze verwachten u en zullen vrijuit met u praten. Wanneer u eenmaal voldoende overzicht hebt gekregen, kunt u een inspectieronde doen.’ Ik bekeek de lijst: het waren vooral officieren van het Wirtschafts-Verwaltungshauptamt (het centrale ss-kantoor voor economie en bestuur) en van het rsha. ‘De inspectie van de kampen valt toch onder het wvha, nietwaar?’ vroeg ik. – ‘Ja,’ antwoordde Brandt, ‘sinds ruim een jaar. Kijkt u maar op uw lijst, dat is nu Amtsgruppe d. Op de lijst staan Brigadeführer Glücks, hoofd inspectie, zijn plaatsvervanger Obersturmbannführer Liebehenschel, die onder ons gezegd en gezwegen vast veel nuttiger voor u zal zijn dan zijn superieur, en enkele afdelingshoofden. Maar de kampen zijn slechts één facet van het probleem; er zijn ook nog de ss-bedrijven. Obergruppenführer Pohl, die het wvha leidt, zal u hierover informeren. Als u andere officieren wilt ontmoeten om bepaalde punten nader uit te diepen, dan hoeft u uiteraard niet te schromen: maar zorg dat u allereerst de officieren die op deze lijst staan te spreken krijgt. Op het rsha zal Obersturmbannführer Eichmann het systeem van de speciale transporten verduidelijken en u tevens inlichten over de vorderingen die zijn geboekt met betrekking tot de oplossing van het joodse vraagstuk en de plannen dienaangaande voor de toekomst.’ – ‘Mag ik u iets vragen, Obersturmbannführer?’ – ‘Gaat uw gang.’ – ‘Als ik u goed begrijp, heb ik toegang tot alle documenten met betrekking tot de definitieve oplossing van het joodse vraagstuk?’ – ‘Voor zover de oplossing van het joodse vraagstuk rechtstreeks samenhangt met de maximale benutting van het arbeidspotentieel, ja. Maar ik wil u er uitdrukkelijk op wijzen dat dit u tot een Geheimnisträger maakt, en zulks in veel sterkere mate dan tijdens uw werkzaamheden in Rusland het geval was. Het is streng verboden hier met wie dan ook van buiten de dienst over te spreken, ook niet met de ambtenaren op de ministeries en de Partijfunctionarissen met wie u in contact treedt. De Reichsführer kent voor elke schending van deze regel slechts één vonnis: de doodstraf.’ Hij wees opnieuw naar de lijst die hij me had gegeven. ‘Met alle officieren op deze lijst kunt u vrijuit spreken; waar het gaat om hun ondergeschikten, dient u zich eerst terdege te informeren.’ – ‘Goed.’ – ‘Voor uw rapporten heeft de Reichsführer Sprachregelungen laten opstellen, taalregels. Neemt u daar kennis van en houdt u zich er strikt aan. Elk rapport waarin deze regels worden geschonden, wordt naar u teruggestuurd.’ – ‘Zu Befehl, Obersturmbannführer.’

Ik stortte me op het werk als in een verkwikkend bad, als in zo’n zwavelhoudende bron bij Pjatigorsk. In mijn kantoor, zittend op de kleine divan, verslond ik dagen achtereen rapporten, briefwisselingen, bevelen, organisatieschema’s; ik stond alleen nu en dan op om bij het raam stiekem een sigaret te roken. Fräulein Praxa, een wat oppervlakkige Sudeten-Duitse, die haar dagen ongetwijfeld liever kletsend aan de telefoon had doorgebracht, moest voortdurend op en neer naar het archief en klaagde over opgezette enkels. ‘Dank u,’ zei ik zonder haar aan te kijken wanneer ze mijn kamer binnenkwam met een nieuwe stapel documenten. ‘Legt u die daar maar neer, en deze hier kunt u mee terugnemen, daar ben ik mee klaar.’ Dan slaakte ze een diepe zucht en ging met zo veel mogelijk gestommel opnieuw naar beneden. Frau Gutknecht bleek al snel een belabberde kokkin, die hooguit drie gerechten kende, alle drie met kool, die ze vaak nog wist te verpesten ook; derhalve ontwikkelde ik de gewoonte om Fräulein Praxa ’s avonds naar huis te sturen, in de kantine even snel iets te eten en tot laat door te werken in mijn kantoor, zodat ik alleen naar huis ging om te slapen. Om niet zo laat nog een beroep op Piontek te hoeven doen nam ik de u-Bahn; rond die tijd was lijn c haast leeg en met genoegen bekeek ik de schaarse reizigers, hun verfrommelde, vermoeide gezichten – dat leidde me wat af van mezelf en mijn werk. Een aantal keren zat ik met dezelfde man in een wagon, een ambtenaar die blijkbaar net als ik tot laat doorwerkte; mij zag hij nooit, want hij was altijd verdiept in een boek. Deze voor het overige vrij onopvallende man had een opvallende manier van lezen: terwijl zijn ogen over de regels gingen, bewogen zijn lippen alsof ze de woorden uitspraken, maar zonder dat er iets te horen was, zelfs geen gefluister; en ik voelde hierbij iets van de verbazing van Augustinus toen hij voor het eerst zag hoe Ambrosius van Milaan in stilte las, alleen met zijn ogen, terwijl hij als provinciaaltje niet wist dat zoiets mogelijk was, omdat hij niet anders kon lezen dan hardop, luisterend naar zichzelf.

Tijdens het doornemen van al die stukken stuitte ik op het rapport dat eind maart aan de Reichsführer was gestuurd door Dr. Korherr, de chagrijnige statisticus die onze cijfers in twijfel had getrokken; de zijne, moet ik bekennen, joegen me schrik aan. Op basis van een statistische redenering die voor een niet-deskundige moeilijk te volgen was, concludeerde hij dat er, Rusland en Servië niet meegerekend, tot en met 31 december 1942 1.873.549 joden waren gestorven, ‘getransporteerd naar het Oosten’ of ‘doorgesluisd naar de kampen’ (durchgeschleust, een wonderlijke term die waarschijnlijk door de Sprachregelungen van de Reichsführer was opgelegd). Zijn conclusie was dat, sinds de nazi’s aan de macht waren, de Duitse invloed had bewerkstelligd dat de joodse bevolking van Europa in totaal met vier miljoen was verminderd, een aantal waarin, als ik het goed begreep, ook de emigranten van voor de oorlog waren meegerekend. Zelfs na alles wat ik in Rusland had meegemaakt, was ik hiervan onder de indruk: de ambachtelijke aanpak van de Einsatzgruppen behoorde nu lang en breed tot het verleden. Aan de hand van een hele reeks orders en instructies kon ik me ook een voorstelling maken van de inspanningen die het de Inspectie van de concentratiekampen had gekost om zich aan te passen aan de eisen van de totale oorlog. Terwijl de oprichting van het wvha zelf en de integratie hierin van de ikl – bedoeld om de overgang naar de grootst mogelijk oorlogsproductie in gang te zetten en te verwezenlijken – dateerden van maart 1942, waren er pas in oktober serieuze maatregelen genomen om de sterfte onder de gedetineerden te verminderen en hun rendement te verhogen; nog in december gaf Glücks, die de leiding had over de ikl, de artsen van de Konzentrationslager opdracht om de sanitaire voorzieningen te verbeteren, het sterftecijfer omlaag te brengen en de productiviteit te verhogen, maar zulks opnieuw zonder concrete maatregelen te noemen. Volgens de door mij geraadpleegde statistieken van d ii was de sterfte, uitgedrukt in maandelijkse percentages, fors afgenomen; het sterftepercentage voor alle kl’s was van 10 procent in december gedaald naar 2,8 procent in april. Deze daling was echter zeer betrekkelijk, want de bevolking van de kampen groeide gestaag, en in absolute zin bleven de sterftecijfers nagenoeg gelijk. Een halfjaarsrapport van d ii gaf aan dat van juli tot en met december 1942 57.503 van de 96.770 gedetineerden, ofwel 60 procent van het totaal, waren gestorven; sinds januari bleven de verliezen rond de zes- à zevenduizend per maand schommelen. Geen van de getroffen maatregelen leek tot een verlaging van deze aantallen te leiden. Bovendien bleken bepaalde kampen duidelijk slechter dan andere; het sterftepercentage over maart in Auschwitz, een kl in Opper-Silezië waar ik toen voor het eerst van hoorde, was 15,4 procent. Ik begon te begrijpen wat de Reichsführer voor ogen stond.

Toch voelde ik me erg onzeker. Was dit een gevolg van de recente gebeurtenissen of was het simpelweg mijn gebrek aan bureaucratisch instinct? In ieder geval besloot ik, nadat ik me aan de hand van de documenten een globaal beeld van de problematiek had gevormd, eerst nog eens mijn licht op te steken bij Thomas alvorens af te reizen naar Oranienburg, waar de ikl was gevestigd. Ik mocht Thomas graag, maar over persoonlijke problemen zou ik nooit met hem hebben gesproken; over mijn beroepsmatige twijfels was er echter niemand die ik beter in vertrouwen kon nemen dan hij. Ooit had hij me een zeer verhelderende uiteenzetting gegeven over het functioneren van het systeem (dat moet in 1939 geweest zijn, of misschien zelfs eind 1938, tijdens de interne conflicten waaraan de beweging na de Kristallnacht ten prooi was gevallen): ‘Dat de bevelen altijd vaag blijven, is normaal, dat gebeurt zelfs met opzet; het vloeit rechtstreeks voort uit de logica van het Führerprinzip. Wanneer iemand een bevel krijgt, moet hij de bedoelingen hiervan zelf onderkennen en dienovereenkomstig te werk gaan. Wie aandringt op expliciete orders of wettelijke maatregelen, heeft niet begrepen dat het gaat om de wil van de leider en niet om zijn orders, en dat de ontvanger van de orders verplicht is deze wil eruit te destilleren en er zelfs op te anticiperen. Wie zo te werk gaat, is een uitstekende nationaal-socialist en zal nooit het verwijt van overmatige geestdrift krijgen, zelfs als hij fouten begaat; de anderen zijn degenen die, zoals de Führer zegt, bang zijn om over hun eigen schaduw heen te springen.’ Ik had dit wel begrepen, maar daarnaast begreep ik dat ik het talent niet had om door zulke façades heen te kijken en te raden wat er zich daarachter bevond. Thomas had dit talent echter in hoge mate, en dat was ook de reden dat hij in een sportwagen rondreed terwijl ik ’s avonds laat met de u-Bahn naar huis ging. Ik ontmoette hem in de Neva Grill, een van de goede restaurants waar hij graag kwam. Hij vertelde me met geamuseerd cynisme over het moreel van de bevolking, zoals dat naar voren kwam uit de vertrouwelijke rapporten van Ohlendorf, waarvan hij afschriften ontving. ‘Het is opvallend hoe goed de mensen op de hoogte zijn van de zogenaamde geheimen, het euthanasieprogramma, de vernietiging van de joden, de kampen in Polen, het gas, alles. Toen jij in Rusland zat, had je nog nooit gehoord over de kl’s in Lublin of in Silezië, terwijl de eerste de beste trambestuurder in Berlijn of Düsseldorf weet dat daar gevangenen worden verbrand. En al worden de mensen aanhoudend met Goebbels’ propaganda bestookt, ze zijn nog steeds in staat zich een mening te vormen. De buitenlandse radiozenders zijn niet de enige verklaring, want daar durven veel mensen niet eens naar te luisteren. Nee, heel Duitsland is vandaag de dag een enorm weefsel van geruchten, een spinnenweb dat alle gebieden onder ons gezag omspant, het Russische front, de Balkanstaten, Frankrijk. De informatie gaat razendsnel rond. En de slimsten zijn in staat al die informatie te combineren en zo tot soms verbazingwekkend precieze conclusies te komen. Weet je wat we laatst hebben gedaan? We hebben in Berlijn een gerucht verspreid, een volstrekt vals gerucht, gebaseerd op authentieke maar verdraaide informatie, om te kijken hoe snel en via welke wegen het de ronde deed. Binnen 24 uur had het München, Wenen, Königsberg en Hamburg bereikt, binnen 48 uur Linz, Breslau, Lübeck en Jena. Ik zou dit experiment graag herhalen, maar dan vanuit de Oekraïne, om te zien wat er gebeurt. Toch is het bemoedigend dat de mensen de Partij en de staat ondanks alles blijven steunen, ze hebben nog steeds vertrouwen in de Führer en geloven in de Endsieg. En wat bewijst dat? Dat de nationaal-socialistische geest nauwelijks tien jaar na de machtsovername in het dagelijks leven van het Volk de functie van de waarheid bij uitstek heeft gekregen. Die geest is tot in alle hoeken en gaten doorgedrongen. En zelfs als wij de oorlog zouden verliezen, blijft die geest bestaan.’ – ‘Laten we het er liever over hebben hoe we de oorlog gaan winnen, wil je?’ Onder het eten vertelde ik hem welke instructies ik had gekregen en hoe ik de situatie in grote lijnen zag. Terwijl hij van zijn wijn dronk en zijn perfect gegrilde biefstuk aansneed, die van binnen roze en sappig was, hoorde hij me aan. Toen hij zijn bord leeg had schonk hij zijn glas opnieuw vol en antwoordde: ‘Jij hebt een bijzonder interessante post in de wacht gesleept, maar ik benijd je niet. Ik heb de indruk dat je in een slangenkuil bent gegooid en dat je, als je niet goed uit je doppen kijkt, nog lelijk kunt worden gebeten. Wat weet je van de politieke situatie? En dan bedoel ik de binnenlandse.’ Ook ik was klaar met eten. ‘Niet veel.’ – ‘Dat zou anders wel moeten. Die is namelijk sinds het begin van de oorlog compleet veranderd. Primo: de Reichsmarschall is out, voorgoed volgens mij. Het volslagen gebrek aan verweer van zijn Luftwaffe tegen de bombardementen, gevoegd bij zijn kolossale corruptie en mateloze gebruik van verdovende middelen, maakt dat niemand Göring nog serieus neemt; hij is een figurant geworden, hij wordt uit de kast gehaald als er iemand nodig is om in plaats van de Führer het woord te voeren. En ook die brave Dr. Goebbels is op een zijspoor gezet, ondanks zijn moedige inspanningen na Stalingrad. De rijzende ster is momenteel Speer. Toen de Führer hem benoemde gaf iedereen hem hooguit zes maanden; intussen heeft hij onze wapenproductie verdrievoudigd en krijgt hij alles van de Führer gedaan. Die kleine architect, die niemand echt serieus nam, heeft zich bovendien ontpopt als een opmerkelijk politicus, en hij heeft zich machtige bondgenoten verworven: Milch, die voor Göring het ministerie van Rijksluchtvaart leidt, en Fromm, de bevelhebber van het Ersatzheer. Wat zijn de belangen van Fromm? Fromm moet mannen aan de Wehrmacht leveren; elke Duitse arbeider die wordt vervangen door een buitenlandse arbeider of een gedetineerde, betekent één soldaat meer voor Fromm. Speer zelf streeft uitsluitend naar het opvoeren van de productie, en Milch wil hetzelfde voor de Luftwaffe. Ze vragen allemaal maar één ding: mankracht, meer mankracht. En op dat punt zit de Reichsführer met een probleem. Uiteraard kan niemand de Endlösung op zichzelf bekritiseren: het is een rechtstreeks bevel van de Führer, en de ministeries kunnen dus hooguit wat aan de marges morrelen, door een deel van de joden voor de tewerkstelling te bestemmen. Maar sinds Thierack zich bereid heeft verklaard om zijn gevangenissen leeg te halen ten behoeve van de kl’s, zijn de kampen gevuld met een niet te onderschatten arbeidspotentieel. Het is natuurlijk niets vergeleken met het reservoir van buitenlandse arbeiders, maar het heeft toch enige betekenis. Terwijl de Reichsführer angstvallig waakt over de autonomie van de ss, maakt Speer daar nu juist inbreuk op. Toen de Reichsführer bedrijven in de kl’s zelf wilde vestigen, ging Speer bij de Führer langs en ja hoor, in plaats daarvan vertrokken de gedetineerden naar de fabrieken. Je ziet wat de kern is van het probleem: de Reichsführer voelt dat hij in een zwakke positie zit en moet concessies doen aan Speer, zijn goede wil tonen. Als hij er werkelijk in zou slagen meer mankracht voor de industrie te leveren, is iedereen natuurlijk tevreden. Maar daar steekt naar mijn mening het interne probleem de kop op: de ss is namelijk een soort Reich in het klein, de belangen lopen erg uiteen. Neem het rsha: Heydrich was een genie, een sterke persoonlijkheid en een bewonderenswaardige nationaal-socialist; maar ik ben ervan overtuigd dat de Reichsführer stilletjes opgelucht was bij zijn dood. Het was al een briljante zet om hem naar Praag te sturen: Heydrich vatte het als een promotie op, maar hij besefte donders goed dat zijn invloed op het rsha hierdoor zou verzwakken, eenvoudigweg omdat hij niet meer in Berlijn zat. Hij had zich altijd autonoom opgesteld, daarom wilde de Reichsführer hem niet vervangen. Maar vervolgens begonnen de Amtschefs allemaal een eigen koers te varen. De Reichsführer heeft toen Kaltenbrunner tot hun chef benoemd, in de hoop dat hij die uitgesproken domkop wel in de hand zou kunnen houden. Maar je zult zien, het begint allemaal weer van voren af aan: dat ligt aan de functie, veel meer dan aan de persoon in kwestie. Hetzelfde geldt voor alle andere afdelingen en diensten. In de ikl zitten veel alte Kämpfer: die moet zelfs de Reichsführer met fluwelen handschoentjes aanpakken.’ – ‘Als ik het goed begrijp, wil de Reichsführer de hervormingen doorvoeren zonder de ikl al te zeer in opschudding te brengen?’ – ‘Of hij heeft maling aan die hervormingen maar wil ze gebruiken als instrument om dwarsliggers onder de duim te houden. En tegelijkertijd moet hij Speer laten zien dat hij met hem samenwerkt, maar zonder hem de mogelijkheid te geven om zijn invloed op de ss te doen gelden of haar privileges aan te tasten.’ – ‘Lastig inderdaad.’ – ‘Ah! Brandt heeft het jou duidelijk gezegd: ga analytisch en diplomatiek te werk.’ – ‘Hij zei ook dat ik zelf initiatieven moest nemen.’ – ‘Natuurlijk! Als je oplossingen vindt, al is het voor problemen die niet direct onder jouw verantwoordelijkheid vallen, maar die wel te maken hebben met de vitale belangen van de Reichsführer, dan is je carrière verzekerd. Maar als je de grote idealist gaat uithangen en het hele bestuursapparaat overhoop wilt halen, beland je binnen de kortste keren als plaatsvervanger op een armetierige sd-Stelle ergens achter in Galicië. Pas dus op je tellen: wanneer je me dezelfde streek levert als destijds in Frankrijk, zal ik het mezelf kwalijk nemen dat ik je uit Stalingrad heb laten ontsnappen. Wie in leven wil blijven, moet dat verdienen.’

Deze ironische en tegelijk verontrustende waarschuwing werd pijnlijk onderstreept door een korte brief die ik van mijn zuster kreeg. Zoals ik al vermoedde was ze meteen na ons telefoongesprek afgereisd naar Antibes:

Max, bij de politie hadden ze het over een psychopaat of een dief of zelfs over een afrekening. In feite weten ze niets. Ze zeiden dat ze de zakelijke besognes van Aristide aan het onderzoeken waren. Het was vreselijk. Ze vroegen me van alles over de familie: ik heb hun over jou verteld, maar – waarom weet ik eigenlijk niet – ik heb niet gezegd dat jij daar was. Ik weet niet wat me precies bezielde, maar ik was bang om jou narigheid te bezorgen. En wat zou het ook voor nut hebben gehad? Meteen na de begrafenis ben ik vertrokken. Ik wilde dat je erbij was en tegelijkertijd zou ik het vreselijk hebben gevonden als je er was geweest. Het was treurig en armzalig en gruwelijk. Ze liggen nu bij elkaar op de gemeentelijke begraafplaats. Behalve ik en iemand van de politie die kwam kijken wie de begrafenis bijwoonden, waren er alleen een paar oude vrienden van Aristide en een pastoor. Na afloop ben ik meteen vertrokken. Ik weet niet wat ik je verder moet schrijven. Ik ben ontzettend aangeslagen. Pas goed op jezelf.

Geen woord over de tweeling: gezien haar heftige reactie aan de telefoon verbaasde me dat wel. Wat me nog meer verbaasde was dat ik zelf helemaal niets voelde: die geschokte en bedroefde brief raakte me niet meer dan een vergeeld herfstblad, dat losraakt van de tak en sterft nog voor het op de grond ligt. Een paar minuten later werd ik alweer door mijn werk in beslag genomen. De vragen die me enkele weken eerder nog kwelden en me toen niet met rust lieten, waren nu een reeks gesloten en zwijgende deuren; de gedachte aan mijn zuster was een uitgewoed vuur dat rook naar koude as, en de gedachte aan mijn moeder een stil, sinds lang verwaarloosd graf. Deze vreemde apathie strekte zich ook uit over alle andere aspecten van mijn leven: de pesterijen van mijn hospita lieten me koud, seksuele begeerte leek een oude, vervluchtigde herinnering, angst voor de toekomst een frivole, loze luxe. Dat is trouwens zo’n beetje de staat waarin ik me nu ook bevind, en daar voel ik me goed bij. Mijn werk was voor mij het enige. Ik overpeinsde Thomas’ adviezen: hij had waarschijnlijk nog meer gelijk dan hij zelf besefte. Aan het eind van de maand – Tiergarten stond in bloei, bomen overdekten de nog grauwe stad met hun uitbundige groen – bracht ik een bezoek aan het kantoor van Amtsgruppe d, de voormalige ikl, in Oranienburg vlak bij kl Sachsenhausen: langgerekte gebouwen, wit en netjes, lijnrechte paden, bloemperken die zorgvuldig werden omgespit en gewied door gevangenen in schone kampkleding, zo te zien behoorlijk gevoed, dynamische, bedrijvige, gemotiveerde officieren. Ik werd hoffelijk ontvangen door Brigadeführer Glücks. Hij praatte veel en snel, en die vage woordenstroom vormde een treffend contrast met de sfeer van efficiëntie die zijn kleine koninkrijk kenmerkte. Het ontbrak hem volledig aan overzicht en hij beet zich langdurig en hardnekkig vast in onbeduidende administratieve details, noemde lukraak wat statistische gegevens, die dikwijls onjuist waren en die ik uit beleefdheid noteerde. Op elke iets concretere vraag luidde zijn antwoord onveranderlijk: ‘O, dat kunt u beter aan Liebehenschel vragen.’ Tussendoor serveerde hij Franse cognac met koekjes. ‘Mijn vrouw heeft ze zelf gebakken. Ondanks de rantsoenering weet zij zich uitstekend te redden, het is een ware tovenares.’ Het was duidelijk dat hij, zonder de Reichsführer voor het hoofd te stoten, zo snel mogelijk van mij af wilde, om zich weer ongestoord aan zijn versuffing en zijn koekjes te kunnen wijden. Ik besloot mijn bezoek kort te houden; zodra ik een stilte liet vallen, riep hij zijn adjudant en schonk me nog een laatste glas cognac in: ‘Op het welzijn van onze geliefde Reichsführer.’ Ik nipte ervan, zette het glas neer, groette en ging met mijn gids mee. ‘U zult zien,’ riep Glücks me nog na, ‘Liebehenschel kan al uw vragen beantwoorden.’ Hij had gelijk: zijn plaatsvervanger, een kleine man met een treurig, vermoeid gezicht, die ook de leiding had over het Zentralamt van Amtsgruppe d, gaf een bondig, helder en realistisch overzicht van de situatie en de voortgang van de ondernomen hervormingen. Ik wist al dat de meeste orders die door Glücks waren ondertekend, in feite van Liebehenschel stamden, dus het verraste me niet. Volgens Liebehenschel werden de problemen grotendeels veroorzaakt door de Kommandanten: ‘Het ontbreekt hun aan verbeeldingskracht en ze weten niet hoe ze onze orders moeten uitvoeren. Zodra er een Kommandant is die enig initiatief toont, verandert de situatie volkomen. Maar we kampen met een ernstig personeelstekort en het ziet er volstrekt niet naar uit dat we het huidige kader kunnen vervangen.’ – ‘En kunnen de medische voorzieningen die tekortkomingen niet compenseren?’ – ‘Straks zult u kennismaken met Dr. Lolling, dan wordt het wel duidelijk.’ Het uur dat ik met Standartenführer Dr. Lolling doorbracht maakte me niet veel wijzer over de problemen van de medische eenheden in de kl’s, maar ondanks mijn ergernis werd me wel duidelijk waarom deze eenheden gedwongen waren zelfstandig te werk te gaan. Lolling, die met zijn afdeling de leiding had over alle sanitaire voorzieningen in de kampen, was een oude man met vochtige ogen en een warrige geest; hij was niet alleen alcoholist maar putte ook, zoals algemeen bekend was, dagelijks uit zijn morfinevoorraad. Ik begreep niet hoe zo’n man binnen de ss kon aanblijven, laat staan hoe hij een zo verantwoordelijke post kon bekleden. Klaarblijkelijk had hij beschermers binnen de Partij. Ik wist hem niettemin een stapel nuttige rapporten te ontfutselen: bij gebrek aan beter en om zijn incompetentie te verhullen liet Lolling zijn ondergeschikten voortdurend rapporten schrijven; het waren niet allemaal mannen zoals hij, en er zat beslist interessant materiaal bij.

Restte alleen nog Maurer, bedenker en hoofd van de Arbeitseinsatz, in het organisatieschema van het wvha aangeduid als afdeling d ii. Eerlijk gezegd had ik me die andere bezoekjes, zelfs dat aan Liebehenschel, wel kunnen besparen. Standartenführer Gerhard Maurer, een nog jonge man, zonder diploma’s maar met een grondige ervaring in boekhouding en bedrijfsvoering, was door Oswald Pohl uit een obscure functie in de vroegere ss-administratie weggehaald en had zich al snel onderscheiden door zijn organisatorische vaardigheden, zijn voortvarend optreden en zijn scherpe inzicht in de bureaucratische realiteit. Toen Pohl de ikl weer onder zijn hoede had genomen, had hij Maurer aangezocht om d ii op te zetten teneinde de exploitatie van de arbeidskrachten in de kampen te centraliseren en te rationaliseren. Na mijn eerste kennismaking zou ik hem nog een aantal keren bezoeken en brieven met hem wisselen, steeds tot mijn volle tevredenheid. In zekere zin was hij voor mij de verpersoonlijking van een bepaald nationaal-socialistisch ideaal: een man die niet alleen wordt gedreven door een Weltanschauung, maar die tevens gericht is op concrete resultaten. En concrete, meetbare resultaten waren Maurers leven. Hoewel niet alle maatregelen die in het kader van de Arbeitseinsatz werden doorgevoerd van hem afkomstig waren, had hij wel helemaal alleen het indrukwekkende systeem bedacht waarmee intussen alle kampen van het wvha hun statistische gegevens indienden. Dit systeem deed hij me geduldig uit de doeken: hij liet me de gestandaardiseerde formulieren zien die elk kamp ingevuld moest terugsturen, maakte me attent op de belangrijkste cijfers en legde uit hoe deze moesten worden geïnterpreteerd: op die manier werden de cijfers veel leesbaarder dan een verhalend rapport; doordat ze onderling vergelijkbaar waren en aldus uiterst informatief, kon Maurer aan de hand daarvan, zonder zijn bureau te verlaten, heel precies nagaan in hoeverre zijn orders werden uitgevoerd en succesvol waren. Op basis van deze gegevens kon hij de diagnose van Liebehenschel bevestigen. Hij hield een ernstig betoog over de reactionaire houding van de Kommandanten, die ‘nog gevormd waren volgens de methode-Eicke’, dat wil zeggen competent in de oude repressieve en politionele functies, maar over het geheel genomen geborneerd en incapabel, niet in staat zich aan te passen aan de technieken van de moderne bedrijfsvoering, die waren toegesneden op de nieuwe vereisten. ‘Het zijn geen kwaaie kerels, maar ze kunnen niet aan de huidige verwachtingen voldoen.’ Maurer zelf had slechts één doel voor ogen: het arbeidspotentieel van de kl’s maximaal benutten. Hij bood me geen cognac aan maar bij het afscheid schudde hij me hartelijk de hand: ‘Ik ben blij dat de Reichsführer zich eindelijk om deze problemen bekommert. Mijn kantoor staat tot uw beschikking, Sturmbannführer, u kunt altijd een beroep op me doen.’

Ik keerde terug naar Berlijn en maakte een afspraak met mijn oude kennis Adolf Eichmann. Hij verwelkomde me persoonlijk in de grote entreehal van zijn afdeling aan de Kurfürstenstrasse, liep in zijn zware rijlaarzen met kleine passen over de geboende marmeren tegels en feliciteerde me hartelijk met mijn bevordering. ‘U ook,’ feliciteerde ik hem op mijn beurt, ‘u hebt ook promotie gemaakt. In Kiev was u nog Sturmbannführer.’ – ‘Inderdaad,’ zei hij vergenoegd, ‘dat is waar, maar u bent intussen wel twee keer bevorderd... Komt u mee.’ Ondanks zijn hogere rang vond ik hem opvallend toeschietelijk, welwillend; misschien was hij geïmponeerd door het feit dat ik namens de Reichsführer kwam. Op zijn kantoor plofte hij in een stoel, sloeg zijn benen over elkaar, legde zijn pet achteloos op een stapel dossiers, nam zijn bril van zijn neus en begon met een zakdoek de dikke glazen schoon te poetsen, terwijl hij tegen zijn secretaresse riep: ‘Frau Werlmann! Koffie, alstublieft.’ Geamuseerd zag ik het allemaal aan. Sinds Kiev was Eichmann een stuk zelfverzekerder geworden. Hij hield zijn brillenglazen omhoog naar het raam, inspecteerde ze nauwkeurig, wreef er nog eens over en zette de bril weer op. Uit een blikje dat hij onder een ordner vandaan haalde, bood hij me een Hollandse sigaret aan. Met de aansteker in zijn hand gebaarde hij naar mijn borst: ‘U hebt heel wat onderscheidingen gekregen, nogmaals gefeliciteerd. Dat is het voordeel als je aan het front bent. Hier, ver van de vuurlinie, maken we geen enkele kans op een onderscheiding. Mijn Amtschef heeft me het IJzeren Kruis laten toekennen, maar dat was eigenlijk alleen om te zorgen dat ik in elk geval íets had. Ik heb me destijds als vrijwilliger aangemeld voor de Einsatzgruppen, wist u dat? Maar c.’ – zoals Heydrich zich graag door zijn getrouwen liet noemen om zich een Engels air aan te meten – ‘beval me hier te blijven. U bent onmisbaar voor me, zei hij. Zu Befehl, zei ik, ik had geen andere keus.’ – ‘Toch hebt u een goede positie. Uw Referat is een van de belangrijkste binnen de Geheime Staatspolizei.’ – ‘Jawel, maar de promotiekansen zijn minimaal. Een Referat moet worden geleid door een Regierungsrat of een Oberregierungsrat, of door een ss’er met een dienovereenkomstige rang. In deze positie kan ik in principe dus niet hoger komen dan Obersturmbannführer. Ik heb me hierover bij mijn Amtschef beklaagd: hij antwoordde dat ik een bevordering verdiende, maar dat hij geen problemen wilde met zijn andere diensthoofden.’ Hij kneep zijn lippen samen, waardoor zijn mond krampachtig vertrok. Zijn kale voorhoofd glom in het schijnsel van de plafondlamp, die brandde hoewel het klaarlichte dag was. Een al wat oudere secretaresse kwam binnen met een dienblad waarop twee dampende kopjes stonden, die ze voor ons neerzette. ‘Melk? Suiker?’ vroeg Eichmann. Ik schudde van nee en snoof de geur op: het was echte koffie. Terwijl ik in het kopje blies vroeg Eichmann abrupt: ‘U bent onderscheiden vanwege de Einsatzaktion?’ Zijn klaagzangen begonnen me te ergeren; ik wilde nu wel eens ter zake komen. ‘Nee,’ antwoordde ik. ‘Ik ben daarna naar Stalingrad overgeplaatst.’ Eichmanns gezicht betrok en met een snelle handbeweging zette hij zijn bril af. ‘Ach so,’ zei hij, terwijl hij recht ging zitten. ‘U was in Stalingrad. Daar is mijn broer Helmut gevallen.’ – ‘Dat spijt me. Mijn innige deelneming. Was hij ouder dan u?’ – ‘Nee, jonger. Drieëndertig. Mijn moeder is er nog steeds niet overheen. Hij is gesneuveld als een held, terwijl hij zijn plicht deed voor Duitsland. Ik betreur het zeer,’ voegde hij er plechtig aan toe, ‘dat ik zelf die kans niet heb gehad.’ Ik greep deze opening aan: ‘Jawel, maar Duitsland vraagt van u andere offers.’ Hij zette zijn bril weer op zijn neus, nam een slok koffie en doofde zijn sigaret in een asbak. ‘U hebt gelijk. Een soldaat kiest zijn post niet zelf. Nu, wat kan ik voor u doen? Als ik de brief van Obersturmbannführer Brandt goed begrepen heb, bent u belast met de bestudering van de Arbeitseinsatz, is dat juist? Ik begrijp niet helemaal wat dat met mijn Referat te maken heeft.’ Ik pakte wat papieren uit mijn kunstleren aktentas. (Telkens als ik die tas aanraakte, bekroop me een onaangenaam gevoel; maar ik had niets anders kunnen vinden, omdat er steeds minder te krijgen was. Toen ik Thomas hierover had geraadpleegd, had hij me vierkant uitgelachen: ‘Ik wilde graag een complete bureauset van leer, je weet wel, met zo’n map en een pennenhouder. Ik heb een vriend in Kiev geschreven, een knaap die in de Groep zat en bij de bds is gebleven, om te vragen of hij zoiets voor me kon laten maken. Hij antwoordde dat je in de hele Oekraïne nog geen paar laarzen meer kon laten verzolen, sinds alle joden daar waren opgeruimd.’) Eichmann keek me met gefronste wenkbrauwen aan. ‘De joden waarmee u zich bezighoudt, vormen voor de Arbeitseinsatz momenteel een van de belangrijkste reservoirs om zijn mankracht aan te vullen,’ legde ik uit. ‘Verder zijn er eigenlijk alleen nog maar de buitenlandse arbeiders die vanwege kleine vergrijpen zijn veroordeeld, en politieke gevangenen uit de landen onder ons gezag. Alle andere mogelijke bronnen, zoals krijgsgevangenen of door het ministerie van Justitie te leveren criminelen, zijn vrijwel uitgeput. Wat ik zou willen is dat u me een overzicht geeft van het verloop van uw operaties en vooral ook van uw verwachtingen voor de toekomst.’ Terwijl hij naar me luisterde, trok hij met zijn linkermondhoek – een vreemde tic, alsof hij op zijn tong kauwde. Hij leunde weer achterover in zijn stoel, zijn lange, geaderde handen verenigd tot een driehoek, beide wijsvingers omhoog: ‘Juist ja, juist. Ik zal het u uitleggen. Zoals u weet kent elk land dat betrokken is bij de Endlösung, een vertegenwoordiger van mijn Referat, die ondergeschikt is hetzij aan de bds, indien het om een bezet land gaat, hetzij aan de attaché voor politionele zaken, waar het een bondgenootschappelijk land betreft. Ik wil u er meteen op wijzen dat de ussr niet onder mijn bevoegdheid valt; en wat betreft mijn vertegenwoordiger in het Generalgouvernement, die speelt slechts een zeer ondergeschikte rol.’ – ‘Hoe komt dat?’ – ‘In het gg valt de joodse kwestie onder de verantwoordelijkheid van de sspf van Lublin, Gruppenführer Globocnik, die rechtstreeks onder de Reichsführer ressorteert. Globaal gesproken ligt daar dus geen taak voor de Geheime Staatspolizei.’ Weer kneep hij zijn lippen samen: ‘Enkele uitzonderingen daargelaten, die nog dienen te worden afgehandeld, kan het Reich zelf als judenrein worden beschouwd. Wat de andere landen betreft, hangt alles af van de mate waarin de nationale gezagdragers begrip kunnen opbrengen voor de oplossing van het joodse vraagstuk. Dientengevolge vormt elk land in zekere zin een geval apart, waarover ik u graag de nodige opheldering zal verschaffen.’ Zodra hij over zijn werk begon te praten viel me zijn bijzonder omslachtige, ambtelijke zinsbouw op, die het er niet eenvoudiger op maakte het toch al wonderlijke mengsel van zijn Oostenrijkse accent met Berlijns dialect te verstaan. Hij praatte rustig, articuleerde goed en koos zijn woorden met zorg, maar het kostte me soms de grootste moeite om zijn zinnen tot het eind toe te volgen. Ook zelf leek hij af en toe de draad kwijt. ‘Neemt u bij wijze van voorbeeld Frankrijk, waar we de afgelopen zomer met onze werkzaamheden konden beginnen, zal ik maar zeggen, zodra de Franse autoriteiten, daartoe overreed door onze specialist alsmede door de adviezen en wensen van het Auswärtiges Amt, zich tot medewerking bereid hadden verklaard en bovenal toen de Reichsbahn ermee had ingestemd ons de benodigde transportmiddelen ter beschikking te stellen. Zodoende konden we aan de slag, en aanvankelijk was het zelfs een succes, want de Fransen toonden veel begrip, en mede dankzij de ondersteuning van de Franse politie, bij ontstentenis waarvan wij uiteraard niets hadden kunnen beginnen, aangezien wij daartoe de middelen niet hebben, en de Militärbefehlshaber zou hierin beslist niet hebben willen voorzien, zodat dus de hulp van de Franse politie-instanties een onontbeerlijke factor was, want zij waren het immers die de joden arresteerden en vervolgens aan ons overdroegen, ze waren zelfs overijverig, want ons officiële verzoek gold slechts de joden van boven de zestien – om mee te beginnen uiteraard –, maar zij wilden niet de zorg op zich nemen voor de kinderen die dan ouderloos zouden zijn geraakt, hetgeen begrijpelijk is, en daarom werden ze allemaal aan ons overgedragen, zelfs de weeskinderen – om kort te gaan, het werd ons al gauw duidelijk dat ze alleen hun buitenlandse joden aan ons uitleverden, ik heb zelfs een transport uit Bordeaux moeten annuleren omdat deze buitenlandse joden onvoldoende talrijk waren om de betreffende wagons te vullen, een grof schandaal, want waar het ging om hun eigen joden, degenen dus die Frans staatsburger waren, en dan bedoel ik reeds gedurende een beduidende periode, op dat punt, ziet u, gaven ze niet thuis. Ze wilden niet en daar viel niets tegen te ondernemen. Volgens het Auswärtiges Amt werkte maarschalk Pétain een en ander persoonlijk tegen, en ongeacht hoe dikwijls de zaak ook aan hem werd uitgelegd, het had geen enkele zin. Na november is de situatie uiteraard volkomen veranderd, omdat we toen niet meer absoluut gebonden waren aan al die overeenkomsten noch ook aan de Franse wetten, maar zelfs toen was er, zoals ik u al zei, het probleem met de Franse politie, die niet meer wilde meewerken; het is geenszins mijn bedoeling om me te beklagen over Herr Bousquet, maar ook hij had zijn orders en we konden evenmin de Duitse politie inschakelen om overal aan de deur te gaan kloppen, zodat er dus in Frankrijk geen vorderingen meer worden geboekt. Bovendien hebben veel joden zich naar de Italiaanse sector begeven en dat is werkelijk een probleem, aangezien de Italianen geen enkel begrip hebben – en dat probleem doet zich eigenlijk overal voor waar zij de verantwoordelijkheid dragen, ook in Griekenland en Kroatië, daar beschermen ze de joden en niet alleen hun eigen joden, maar allemaal. En dat is een ernstig probleem, dat mijn bevoegdheden verre te buiten gaat, en ik meen trouwens te weten dat deze kwestie op het hoogste niveau is besproken, en dan bedoel ik op het allerhoogste dat er is, en naar verluidt zou Mussolini hebben geantwoord dat hij zich met dit vraagstuk zou bezighouden, maar klaarblijkelijk heeft het geen prioriteit, nietwaar, en in de lagere echelons, waarmee wij van doen hebben, daar worden voortdurend ambtelijke belemmeringen in gang gezet, vertragingsmanoeuvres, en daar weet ik alles van, ze zeggen nooit nee, maar het is net drijfzand en intussen gebeurt er niets. Zo liggen de zaken dus voor wat betreft de Italianen.’ – ‘En in de andere landen?’ vroeg ik. Eichmann stond op, zette zijn pet op en gebaarde me hem te volgen. ‘Komt u mee. Ik laat het u zien.’ Ik liep achter hem aan naar een ander kantoor. Voor het eerst zag ik dat hij o-benen had, als een ruiter. ‘Rijdt u paard, Obersturmbannführer?’ Opnieuw trok hij met zijn mond. ‘In mijn jonge jaren. Tegenwoordig krijg ik nog maar zelden de kans.’ Hij klopte op een deur en ging naar binnen. Enkele officieren stonden op en salueerden; hij beantwoordde hun groet, liep het vertrek door, klopte op een andere deur en ging naar binnen. Achter in deze ruimte zat een Sturmbannführer aan een bureau; verder waren er een secretaresse en een subalterne officier. Zodra we binnenkwamen stonden ze alle drie op; de Sturmbannführer, een knappe blonde vent, lang en gespierd, in een strak gesneden uniform, hief zijn arm en stootte een krijgshaftig ‘Heil Hitler!’ uit. Wij beantwoordden zijn groet en liepen naar hem toe. Eichmann stelde mij voor, zei toen tegen mij: ‘Sturmbannführer Günther is mijn vaste plaatsvervanger.’ Günther keek me met een strakke blik aan en vroeg vervolgens aan Eichmann: ‘Wat kan ik voor u doen, Obersturmbannführer?’ – ‘Het spijt me dat ik u moet storen, Günther. Ik wou uw overzicht laten zien.’ Zwijgend kwam Günther achter zijn bureau vandaan. Aan de muur achter hem hing een groot, veelkleurig schema. ‘Ziet u,’ legde Eichmann uit, ‘het is per land geordend, en de gegevens worden eens per maand bijgewerkt. Links ziet u de streefgetallen en daarachter de bereikte doelen in de vorm van de opgetelde totalen. U kunt meteen zien dat het doel in Holland al bijna bereikt is en in België voor 50 procent, terwijl we in Hongarije, Roemenië en Bulgarije nog dicht bij de nul zitten. In Bulgarije zijn er wel een paar duizend opgepakt, maar dat is bedrieglijk: ze hebben ons toegestaan de gebieden te zuiveren die ze in 1941 hebben bezet, Thracië en Macedonië; maar de joden uit het oude Bulgarije blijven gevrijwaard. Een paar maanden geleden, in maart meen ik, hebben we opnieuw een officieel verzoek doen uitgaan, het aa heeft zich ermee bemoeid, maar ze blijven weigeren. Omdat het een kwestie van soevereiniteit is, wil iedereen de garantie dat zijn buurland hetzelfde doet, nietwaar, dat wil zeggen: de Bulgaren willen dat de Roemenen beginnen, en de Roemenen dat de Hongaren beginnen, en de Hongaren dat de Bulgaren beginnen of iets dergelijks. Weet u, sinds Warschau hebben we hun tenminste kunnen uitleggen hoe gevaarlijk het is om zo veel joden in een land te hebben, het is een broeinest voor partizanen, en ik geloof dat ze daarvan wel onder de indruk waren. Maar het eind van onze problemen is nog niet in zicht. In Griekenland zijn we in maart begonnen, ik heb daar een Sonderkommando zitten, op dit moment in Thessaloniki, en daar vordert het tamelijk snel, ze zijn nu bijna klaar. Daarna hebben we nog Kreta en Rhodos, geen probleem, maar wat de Italiaanse zone, Athene en de rest aangaat, dat heb ik u al uitgelegd. Verder zijn er uiteraard nog alle mogelijke technische problemen, en dan moet u niet slechts aan diplomatieke strubbelingen denken, dat zou te gemakkelijk zijn, nee, het gaat vooral om transportproblemen, dat wil zeggen het rollend materieel, en zodoende tevens de bezetting van de wagons en ook om, hoe zal ik het zeggen, de verblijftijd op het spoornet, zelfs als er wagons beschikbaar zijn. Het komt bijvoorbeeld wel voor dat we met een regering tot een akkoord zijn gekomen en dat we de joden disponibel hebben, en dan hup! Transportsperre! – de hele zaak wordt geblokkeerd vanwege een offensief in het Oosten of iets anders, en dan kan er niets meer naar Polen worden getransporteerd. Wanneer het daarentegen rustig is, moeten we onze inspanningen juist verdubbelen. In Holland en in Frankrijk worden ze allemaal in doorgangskampen bijeengebracht en geleidelijk aan doorgesluisd, al naar gelang het beschikbare vervoer en ook naar gelang de opnamecapaciteit, die eveneens beperkt is. Anderszins is met betrekking tot Thessaloniki besloten het gehele transport in één keer af te handelen – één, twee, drie, klaar. Sinds februari hebben we het werkelijk druk, de transportmiddelen zijn beschikbaar en ik heb bevel gekregen om de zaak te bespoedigen. De Reichsführer wil dat het nog dit jaar klaar is en dan praten we er niet meer over.’ – ‘En is dat haalbaar?’ – ‘Voor zover het van ons afhangt wel. Maar zoals ik al zei, het vervoer is altijd een probleem, de financiën ook, aangezien wij de Reichsbahn immers voor elke passagier moeten betalen, weet u, en daar heb ik geen budget voor, ik moet me maar zien te redden. We brengen de joden de transportkosten in rekening, en dat is heel mooi, nietwaar, maar de Reichsbahn accepteert alleen betalingen in Reichsmarken of desnoods in zloty’s, als ze naar het gg worden gestuurd, maar in Thessaloniki hebben ze drachmen en die kunnen niet ter plekke worden omgewisseld. Het blijft dus lastig, maar dat lukt allemaal nog wel. Daarnaast zijn er uiteraard de diplomatieke kwesties, maar als de Hongaren nee zeggen, dan kan ik verder niets doen, dan is dat niet mijn zaak maar is het aan Herr Minister von Ribbentrop om met de Reichsführer tot een oplossing te komen.’ – ‘Ik begrijp het.’ Ik liet mijn blik nog even over het schema gaan. ‘Als ik het goed begrijp, staat het verschil tussen de cijfers in de kolom van april en de cijfers links voor het potentieel waaruit voor de tewerkstelling kan worden geput, zij het beïnvloed door de complicaties die u ter sprake hebt gebracht.’ – ‘Dat is juist. Maar bedenkt u wel dat dit globale cijfers zijn, dat wil zeggen dat een groot deel hoe dan ook niet interessant is voor de Arbeitseinsatz, omdat het hierbij namelijk om ouderen gaat of kinderen of ik weet niet wat, en van dat aantal kunt u dus gevoeglijk een fors deel aftrekken.’ – ‘Hoeveel denkt u?’ – ‘Dat weet ik niet. Daarvoor zou u naar het wvha moeten, ontvangst en selectie is hun zaak, nietwaar. Mijn verantwoordelijkheid houdt op bij het vertrek van de trein, over de rest kan ik niets zeggen. Wat ik u wel kan vertellen is dat het rsha van mening is dat het aantal joden dat tijdelijk voor tewerkstelling wordt achtergehouden zo beperkt mogelijk zou moeten zijn: de vorming van grote concentraties kan namelijk al snel leiden tot een herhaling van Warschau, en dat is uitermate riskant. Ik meen te kunnen zeggen dat dit het standpunt is van Gruppenführer Müller, mijn Amtschef, en van Obergruppenführer Kaltenbrunner.’ – ‘Ik begrijp het. Zou u mij een afschrift van deze getallen kunnen bezorgen?’ – ‘Allicht, allicht. Ik zal het u morgen sturen. Maar voor de ussr en het gg heb ik geen cijfers, zoals ik al zei.’ Wij maakten aanstalten om te vertrekken en Günther, die al die tijd geen woord had gezegd, galmde opnieuw: ‘Heil Hitler!’ Ik ging met Eichmann terug naar zijn kantoor en liet me over nog enkele punten opheldering verschaffen. Na afloop van het gesprek liep hij met me mee. In de entreehal maakte hij een kleine buiging: ‘Sturmbannführer, ik zou u deze week graag een avond bij mij thuis willen uitnodigen. Wij brengen soms kamermuziek ten gehore. Mijn Hauptscharführer Boll speelt eerste viool.’ – ‘Dat is mooi. En wat speelt u?’ – ‘Ik?’ Hij strekte zijn hals en hoofd, als een vogel. ‘Ook viool, de tweede. Ik speel helaas niet zo goed als Boll, daarom heb ik mijn plaats aan hem afgestaan. C., ik bedoel Obergruppenführer Heydrich – niet Obergruppenführer Kaltenbrunner, die ik ook goed ken, we zijn landgenoten en hij is degene die me bij de ss heeft gehaald, dat weet hij nog wel –, nee, de Chef was een geweldige violist. Ja, werkelijk, heel goed, hij was uitzonderlijk begaafd. Het was een heel bijzondere man, voor wie ik veel respect had. Heel... hoffelijk, meevoelend. Ik mis hem.’ – ‘Ik heb hem amper gekend. En wat speelt u?’ – ‘Op dit moment? Vooral Brahms. En een beetje Beethoven.’ – ‘Geen Bach?’ Hij kneep zijn lippen opnieuw samen. ‘Bach? Daar ben ik niet zo dol op. Ik vind het droog, te... berekend. Steriel, zo u wilt, wel heel mooi natuurlijk, maar zielloos. Ik geef de voorkeur aan romantische muziek, die raakt me soms diep, ja, daar kan ik volkomen in opgaan.’ – ‘Ik weet niet of ik uw mening over Bach deel, maar ik neem uw uitnodiging graag aan.’ In feite vond ik het een vervelend vooruitzicht, maar ik wilde hem niet voor het hoofd stoten. ‘Mooi zo,’ zei hij terwijl hij me de hand drukte. ‘Ik zal het met mijn vrouw bespreken en dan bel ik u. En maakt u zich geen zorgen over die documenten. Die hebt u morgen, op mijn woord van ss-officier.’

Nu moest ik alleen Oswald Pohl nog spreken, de grote baas van het wvha. Hij ontving me met uitbundige hartelijkheid in zijn kantoor aan Unter den Eichen, begon met me over Kiel, waar hij vele jaren in de Kriegsmarine had gediend. In de zomer van 1933 had de Reichsführer in het casino aldaar zijn oog op hem laten vallen en hem gerekruteerd. Het was Pohls eerste taak geweest om de financiële en administratieve afdelingen van de ss te centraliseren, waarna hij stapsgewijs zijn netwerk van ss-bedrijven had opgebouwd. ‘Zoals iedere internationale onderneming hebben we ons veelzijdig ontwikkeld. We zitten in bouwmaterialen, hout, aardewerk, meubels, het uitgeverswezen en zelfs mineraalwater.’ – ‘Mineraalwater?’ – ‘Jazeker! Dat is erg belangrijk. Zo kunnen we de Waffen-ss in al onze gebieden in het Oosten van drinkwater voorzien.’ Hij toonde zich bijzonder trots op een van zijn meest recente scheppingen: de Osti, de Ostindustrie gmbh, een bedrijf dat hij in het district Lublin had opgericht om de arbeidskracht van de resterende joden ten dienste te stellen van de ss. Ondanks zijn amicale gedrag werd hij echter vaag zodra ik de Arbeitseinsatz in het algemeen aan de orde stelde; volgens hem waren de meeste nuttige maatregelen al doorgevoerd, ze moesten simpelweg de tijd krijgen om effect te sorteren. Ik vroeg hem naar de selectiecriteria, maar hij verwees me naar de verantwoordelijken in Oranienburg: ‘Zij zijn beter op de hoogte van de details. Ik kan u overigens verzekeren dat alles heel soepel verloopt sinds de selectie is gemedicaliseerd.’ Hij zei dat de Reichsführer uit en te na over al deze problemen was geïnformeerd. ‘Daar twijfel ik niet aan, Obergruppenführer,’ antwoordde ik. ‘Maar de Reichsführer heeft mij opdracht gegeven om na te gaan wat de knelpunten zijn en welke verbeteringen er zouden kunnen worden doorgevoerd. Het feit dat ons stelsel van nationaal-socialistische kampen is geïntegreerd in het door u geleide wvha heeft ingrijpende aanpassingen met zich meegebracht, en de door u opgelegde of gestimuleerde maatregelen alsook uw personele beleid hebben een uitermate positieve uitwerking gehad. Ik denk dat de Reichsführer nu eenvoudigweg een overzicht van de stand van zaken wil hebben. Uw suggesties voor de toekomst zijn enorm belangrijk, dat betwijfel ik geen moment.’ Voelde Pohl zich door mijn missie bedreigd? Na mijn korte, sussende toelichting veranderde hij van onderwerp; even later werd hij weer wat enthousiaster en nam hij me zelfs mee om enkele van zijn medewerkers aan me voor te stellen. Hij nodigde me uit om na mijn inspectiereis nogmaals bij hem langs te komen (ik zou weldra naar Polen vertrekken en ook enkele kampen in het Reich bezoeken); hij vergezelde me naar de entree, waarbij hij vertrouwelijk zijn hand op mijn schouder legde; buiten draaide ik me nog even om, hij stond glimlachend naar me te zwaaien: ‘Goede reis!’

Eichmann had woord gehouden: toen ik aan het eind van de middag terugkwam uit Lichterfelde lag er een grote verzegelde envelop op mijn bureau met het stempel: geheime reichssache! Er zat een bundel documenten in, vergezeld van een getikte brief; ook was er een handgeschreven briefje van Eichmann bij, waarin hij me voor die avond bij hem thuis uitnodigde. Piontek reed me erheen, onderweg stopte ik om bloemen te kopen – een oneven aantal, zoals ik dat in Rusland had geleerd – en chocola. Daarna liet ik me afzetten in de Kurfürstenstrasse. Eichmanns appartement was gelegen in een zijvleugel van zijn kantoor, waarin zich ook tijdelijke onderkomens voor ongetrouwde officieren bevonden. Hij deed zelf de deur open, in burgerkleding. ‘Ah! Sturmbannführer Aue. Ik had u moeten zeggen dat u niet in uniform hoefde te komen. Het is een heel informeel avondje. Maar het doet er niet toe. Komt u binnen.’ Hij stelde mij voor aan zijn echtgenote, Vera, een kleine, onopvallende Oostenrijkse, die echter bloosde van plezier en charmant glimlachte toen ik haar met een buiginkje de bloemen aanreikte. Eichmann liet twee van zijn kinderen opdraven: Dieter, die zes moest zijn, en Klaus. ‘De kleine Horst slaapt al,’ zei Frau Eichmann. – ‘Dat is onze jongste,’ voegde haar man eraan toe. ‘Hij is nog geen jaar oud. Komt u mee, dan ga ik u voorstellen.’ Hij bracht me naar een salon waar al verschillende mannen en vrouwen waren, die waren blijven staan of op canapés zaten. Als ik me goed herinner was daar Hauptsturmführer Novak, een Oostenrijker van Kroatische origine, met een hoekig, lang gezicht, niet onknap maar met een merkwaardig geringschattende blik; verder Boll, de violist, en nog een paar anderen van wie ik de naam helaas vergeten ben – allemaal collega’s van Eichmann, samen met hun echtgenotes. ‘Günther komt ook even langs, maar alleen voor een kop thee. Hij is zelden van de partij.’ – ‘Ik merk dat u op uw afdeling een geest van kameraadschap nastreeft.’ – ‘Ja, ja. Ik hecht aan een vriendschappelijke omgang met mijn ondergeschikten. Wat wilt u drinken? Een kleine schnaps? Krieg ist Krieg...’ Ik lachte en hij ook. ‘U hebt een goed geheugen, Obersturmbannführer.’ Ik pakte het glas en hief het. ‘Dit keer drink ik op het welzijn van uw lieftallige gezin.’ Hij sloeg zijn hakken tegen elkaar en neigde het hoofd: ‘Dank u.’ We praatten nog wat en Eichmann troonde me mee naar het dressoir, waar hij me een in een zwarte lijst gestoken foto van een nog jonge man in uniform liet zien. ‘Uw broer?’ vroeg ik. – ‘Ja.’ Hij keek me met zijn wonderlijke vogelkop aan, een associatie die in dit licht nog werd versterkt door zijn haviksneus en zijn wijd uitstaande oren. ‘Ik neem aan dat u hem daarginds niet bent tegengekomen?’ Hij noemde een divisie en ik schudde mijn hoofd: ‘Nee. Ik arriveerde vrij laat, na de omsingeling. En ik heb maar weinig mensen gezien.’ – ‘Juist ja. Helmut is gesneuveld tijdens een van de offensieven die in het najaar hebben plaatsgevonden. Wij zijn niet op de hoogte van de precieze omstandigheden, maar we hebben een officiële kennisgeving ontvangen.’ – ‘Het is allemaal een zwaar offer geweest,’ zei ik. Hij wreef over zijn lippen: ‘Ja. Laten we hopen dat het niet vergeefs was. Ik geloof in het genie van de Führer.’

Frau Eichmann ging rond met koekjes en thee; Günther maakte zijn opwachting, nam een kop thee en ging ergens apart staan, zonder met iemand een woord te wisselen. Terwijl de anderen met elkaar in gesprek waren, sloeg ik hem heimelijk gade. Het was duidelijk een zeer trotse man, die een ongenaakbare, gesloten indruk maakte en dat beeld van zichzelf zorgvuldig cultiveerde, het aan zijn praatlustiger collega’s voorhield als een stilzwijgend verwijt. Er werd gezegd dat hij de zoon was van Hans F. K. Günther, de nestor van de Duitse rassenantropologie, wiens werk in die periode zeer invloedrijk was; als dat klopte, kon de vader trots zijn op zijn telg, die van de theorie was overgestapt naar de praktijk. Na een klein half uur mompelde hij een vage groet en verdween. Het muzikale gedeelte van de avond begon. ‘Altijd voor het diner,’ aldus Eichmann. ‘Daarna heeft iedereen het te druk met de spijsvertering om nog goed te kunnen spelen.’ Vera Eichmann nam haar altviool ter hand, een van de officieren pakte zijn cello uit. Ze speelden twee van de drie strijkkwartetten van Brahms, aangename muziek, die mij echter niet erg kon boeien; de uitvoering was behoorlijk, zonder grote verrassingen: alleen de cellist was bijzonder begaafd. Eichmann speelde bedachtzaam, methodisch, zijn blik strak op de noten gericht; hij maakte geen fouten, maar leek niet te begrijpen dat dit niet genoeg was. Ik moest denken aan wat hij twee dagen eerder had gezegd: ‘Boll speelt beter dan ik en Heydrich speelde nog beter.’ Misschien begreep hij het uiteindelijk toch, aanvaardde hij zijn eigen beperkingen en beleefde hij plezier aan het weinige dat hij kon.

Ik applaudisseerde enthousiast; vooral Frau Eichmann leek daardoor zeer gevleid. ‘Ik breng de kinderen naar bed,’ zei ze. ‘Daarna gaan we aan tafel.’ Intussen dronken wij nog een glas; de vrouwen praatten over de rantsoenering en namen geruchten door, de mannen bespraken het laatste nieuws, dat niet erg interessant was, want het front bleef stabiel en sinds de val van Tunis was er niets gebeurd. De sfeer was informeel, gemütlich op zijn Oostenrijks, iets te uitbundig. Eichmann vroeg ons naar de eetkamer te komen. Hij wees de gasten zelf een plaats en zette mij aan zijn rechterhand, aan het hoofd van de tafel. Hij opende een paar flessen rijnwijn en Vera Eichmann serveerde gebraad met jeneverbessensaus en sperziebonen. Na de oneetbare gerechten van Frau Gutknecht en de alledaagse kantinekost in het ss-Haus was dit een welkome afwisseling ‘Heerlijk,’ complimenteerde ik Frau Eichmann. ‘Uw kookkunst is onovertroffen.’ – ‘O, maar ik bof ook wel. Dolfi tikt vaak levensmiddelen op de kop die bijna niet meer te krijgen zijn. De winkels zijn haast leeg.’ Geïnspireerd schilderde ik een boosaardig portret van mijn hospita, waarbij ik begon met haar kookkunst en vervolgens andere eigenaardigheden de revue liet passeren. ‘Stalingrad?’ zei ik en bootste haar accent en stemgeluid na. ‘Maar wat had u daar in godsnaam te zoeken? Is het hier soms niet goed genoeg? En waar ligt dat trouwens?’ Eichmann lachte en verslikte zich in zijn wijn. Ik vervolgde: ‘Op een ochtend ging ik tegelijk met haar de deur uit. We zien een sterdrager voorbijkomen, vermoedelijk een Mischling met speciale voorrechten. Ze roept uit: O, moet u toch zien, Herr Offizier, een jood! Hebt u die dan nog niet vergast?’ Iedereen lachte, Eichmann had tranen in zijn ogen en hield zijn servet voor zijn gezicht. Alleen Frau Eichmann bleef ernstig: ik zag het en stokte. Het leek alsof ze iets wilde vragen, maar zich inhield. Om me een houding te geven schonk ik Eichmann bij: ‘Drinkt u wat!’ Hij lachte nog steeds. Het gesprek nam een andere wending en ik concentreerde me op het eten; een van de gasten vertelde een komisch verhaal over Göring. Eichmann werd ernstig en wendde zich naar mij: ‘Sturmbannführer Aue, u bent een gestudeerd man. Ik wil u een vraag voorleggen, een serieuze kwestie.’ Met mijn vork beduidde ik hem verder te gaan. ‘U hebt Kant gelezen, veronderstel ik? Momenteel,’ zo vervolgde hij terwijl hij over zijn lippen wreef, ‘ben ik de Kritik der praktischen Vernunft aan het lezen. Allicht kan iemand als ik, ik bedoel iemand zonder universitaire opleiding, niet alles doorgronden. Toch valt er wel iets van te begrijpen. Ik heb vooral veel nagedacht over de kantiaanse imperatief. U zult het ongetwijfeld met mij eens zijn dat elk fatsoenlijk mens volgens deze imperatief dient te leven.’ Ik nam een slok wijn en wachtte af. Eichmann ging verder: ‘Zoals ik het begrijp, is dit de strekking van de imperatief: het principe dat ten grondslag ligt aan mijn individuele wil, moet van dien aard zijn dat het kan dienen tot principe van de algemene morele wet. Al handelend stelt de mens de wet.’ Ik veegde mijn mond af. ‘Ik begrijp geloof ik waar u heen wilt. U vraagt zich af of ons werk strookt met de categorische imperatief.’ – ‘Dat is het niet helemaal. Maar een van mijn vrienden, die ook in dit soort vragen geïnteresseerd is, beweert dat de kantiaanse imperatief in oorlogstijd, vanwege de, laten we zeggen, uitzonderlijke toestand als gevolg van het heersende gevaar, is opgeheven, want we willen natuurlijk niet dat de vijand ons aandoet wat wij de vijand willen aandoen, en derhalve kan hetgeen wij doen niet de grondslag vormen van een algemene wet. Dat is zijn mening, welteverstaan. Persoonlijk heb ik het idee dat hij zich vergist, en dat we juist door onze plichtsgetrouwheid, in zekere zin door gehoorzaamheid aan de bevelen van onze superieuren... dat we onze wil moeten inzetten om de bevelen des te beter te kunnen uitvoeren. Om er op een positieve manier vorm aan te geven. Maar ik heb nog geen onweerlegbaar argument gevonden om te bewijzen dat hij ongelijk heeft.’ – ‘Volgens mij is het toch vrij eenvoudig. We zijn het er allemaal over eens dat in een nationaal-socialistische staat de laatste grondslag van het positieve recht wordt gevormd door de wil van de Führer. Conform het welbekende principe Führerworte haben Gesetzeskraft. We weten natuurlijk wel dat de Führer zich in de praktijk niet overal mee kan bezighouden en dat dus ook anderen in zijn naam handelend en wetgevend dienen op te treden. In beginsel zou deze gedachte moeten worden gedragen door het gehele Volk. Zo heeft bijvoorbeeld Dr. Frank, in zijn verhandeling over het constitutionele recht, de definitie van het Führerprinzip als volgt uitgebreid: Handel zodanig dat de Führer, als hij uw handeling zou kennen, deze zou goedkeuren. Tussen dit uitgangspunt en de imperatief van Kant bestaat geen strijdigheid.’ – ‘Juist, ja. Frei sein ist Knecht sein, zoals het oude Duitse gezegde luidt.’ – ‘Precies. Dit principe geldt voor ieder lid van de Volksgemeinschaft. We dienen aan ons nationaal-socialisme vorm te geven door de wil van de Führer te ervaren als onze eigen wil en dus, in de termen van Kant, als het fundament van het Volksrecht. Wie als een automaat aan bevelen gehoorzaamt, zonder ze kritisch op hun intrinsieke noodzaak te onderzoeken, die werkt niet in de geest van de Führer; meestal zal hij zich juist van hem verwijderen. Uiteraard is de eigenlijke grondslag van het völkische constitutionele recht het Volk zelf: buiten het Volk is dat recht niet van toepassing. Uw vriend maakt de fout dat hij zich beroept op een volstrekt mythisch, supranationaal recht, een bizar verzinsel van de Franse Revolutie. Ieder recht behoort te rusten op een fundament. Door de geschiedenis heen is dat fundament altijd een fictie of abstractie geweest: God, koning, natie. Onze grote vooruitgang is dat wij het juridisch concept van de natie hebben gefundeerd op een concreet en onaantastbaar gegeven: het Volk, waarvan de collectieve wil tot uitdrukking wordt gebracht door de Führer, als vertegenwoordiger van dat volk. U zegt Frei sein ist Knecht sein, maar dan moet duidelijk zijn dat juist de Führer de grootste knecht is van allemaal, want hij is louter dienstbaarheid. Wanneer wij de Führer dienen, is hij niet de Führer maar de vertegenwoordiger van het Volk, wij dienen het Volk en moeten het dienen zoals de Führer het dient, in totale zelfverloochening. En daarom moeten we ons schikken wanneer we pijnlijke taken krijgen opgedragen, moeten we onze gevoelens bedwingen en die taken vastberaden volbrengen.’ Eichmann luisterde aandachtig, zijn hals gestrekt, een starre blik achter zijn dikke brillenglazen. ‘Ja, ja,’ zei hij gretig, ‘ik begrijp u volkomen. Onze plicht, het volbrengen van onze plicht, is de hoogste uitdrukking van onze menselijke vrijheid.’ – ‘Absoluut. Als het onze wil is om onze Führer en ons Volk te dienen, dan zijn we per definitie ook dragers van het beginsel van de wet van het Volk zoals deze door de Führer tot uitdrukking wordt gebracht of van zijn wil wordt afgeleid.’ – ‘Als ik even mag,’ kwam een van de tafelgenoten, ‘Kant was toch zelf een antisemiet?’ – ‘Jazeker,’ antwoordde ik. ‘Maar zijn antisemitisme bleef zuiver religieus en vloeide voort uit zijn geloof in een leven na de dood. Dat soort denkbeelden hebben we al lang en breed achter ons gelaten.’ Geholpen door een van de vrouwelijke gasten ruimde Frau Eichmann de tafel af. Eichmann schonk schnaps voor ons in en stak een sigaret op. Een paar minuten werd er doorgebabbeld. Ik dronk mijn schnaps en had ook een sigaret opgestoken. Frau Eichmann serveerde koffie. Eichmann wenkte me: ‘Komt u even mee. Ik wil u iets laten zien.’ Ik volgde hem naar de slaapkamer. Hij deed het licht aan, wees me een stoel, diepte uit zijn zak een sleutel op en terwijl ik plaatsnam, deed hij een bureaula open en haalde er een tamelijk dik album uit, gebonden in zwart korrelleer. Met glinsterende ogen reikte hij het me aan en ging zelf op bed zitten. Ik sloeg de bladen om: het was een reeks rapporten, sommige op bristol, andere op gewoon papier, met foto’s erbij, alles gebundeld in eenzelfde soort album als ik na de Grosse Aktion in Kiev had laten maken. Op de titelpagina stond, gekalligrafeerd in gotische letters: de jodenwijk van warschau bestaat niet meer! ‘Wat is dit?’ vroeg ik. – ‘Dit zijn de rapporten van Brigadeführer Stroop over het neerslaan van de joodse opstand. Hij heeft dit album aangeboden aan de Reichsführer, die het ter bestudering aan mij heeft doorgegeven.’ Hij straalde van trots. ‘Kijk, moet u kijken, het is heel bijzonder.’ Ik bestudeerde de foto’s: er waren treffende beelden bij. Extra verstevigde bunkers, brandende gebouwen, joden die van de daken sprongen om aan de vlammen te ontkomen; je zag ook de puinhopen die na de gevechten in de wijk resteerden. De Waffen-ss en de hulptroepen hadden zich genoodzaakt gezien om de verzetshaarden in gevechten van man tegen man neer te maaien. ‘Dat heeft bijna een maand geduurd,’ fluisterde Eichmann terwijl hij op een nagelriempje beet. ‘Een maand! Met meer dan zes bataljons. Kijkt u eens voorin, naar de lijst met verliezen.’ Op de eerste pagina werden zestien doden opgesomd, onder wie een Poolse politieman. Daarna volgde een lange lijst van gewonden. ‘Wat voor wapens hadden zij?’ vroeg ik. – ‘Niet veel bijzonders, gelukkig maar. Een paar mitrailleurs, plus granaten, pistolen, brandflessen.’ – ‘Waar hadden ze die vandaan?’ – ‘Die moeten door Poolse partizanen zijn geleverd. Ze hebben gevochten als leeuwen, ziet u? Joden, drie jaar lang uitgehongerd. De Waffen-ss’ers waren geschokt.’ Het was bijna dezelfde reactie als van Thomas, maar bij Eichmann zat er meer schrik dan bewondering in. ‘Brigadeführer Stroop beweert dat de vrouwen zelfs granaten onder hun rokken stopten om zich, wanneer ze zich overgaven, samen met een Duitser op te blazen.’ – ‘Dat is begrijpelijk,’ zei ik. ‘Die vrouwen wisten wat hun te wachten stond. Is de wijk nu helemaal ontruimd?’ – ‘Ja. Alle levend opgepakte joden zijn naar Treblinka overgebracht. Dat is een van de centra waarover Gruppenführer Globocnik de leiding heeft.’ – ‘Zonder selectie.’ – ‘Natuurlijk! Veel te gevaarlijk. Want Obergruppenführer Heydrich had ook op dit punt gelijk, weet u. Hij vergeleek het met een ziekte: het laatste restant is altijd het moeilijkst te vernietigen. De zwakken, de ouderen, die zijn meteen weg; aan het eind blijven alleen nog de jongeren, de sterken, de slimmen over. Dat is heel zorgwekkend, want die zijn het product van natuurlijke selectie, een taaier biologisch substraat bestaat niet: als die overleven, moeten we over vijftig jaar weer opnieuw beginnen. Ik heb u al verteld dat die opstand ons erg heeft verontrust. Als het nog eens gebeurt, zouden de gevolgen rampzalig kunnen zijn. We mogen ze geen enkele kans geven. Stelt u zich eens voor, een vergelijkbare opstand in een concentratiekamp! Ik moet er niet aan denken.’ – ‘Toch hebben we arbeidskrachten nodig, dat weet u ook.’ – ‘Uiteraard, de beslissingen daarover zijn niet aan mij. Ik wil alleen de risico’s benadrukken. Ik zei u al, die arbeidskwestie ligt volledig buiten mijn terrein, en ieder heeft zo zijn eigen ideeën. Maar goed, waar gehakt wordt vallen spaanders, zoals mijn Amtschef vaak zegt. En daar wil ik het bij laten.’ Ik gaf hem het album terug. ‘Bedankt dat ik het heb mogen inzien, het was heel interessant.’ We gingen terug naar de anderen; de eerste gasten namen al afscheid. Eichmann hield me tegen met een laatste glas, waarna ik me verontschuldigde en Frau Eichmann bedankte met een handkus. Bij de voordeur gaf Eichmann me een vriendschappelijk klopje op mijn schouder: ‘Als ik zo vrij mag zijn, Sturmbannführer, u bent een goeie kerel. Niet zo’n deftige sd-figuur met suède handschoenen aan, maar een fatsoenlijke vent.’ Hij moest iets te veel hebben gedronken, daar werd hij sentimenteel van. Ik bedankte, gaf hem een hand en liet hem achter in de deuropening, zijn handen in zijn zakken, een glimlach in één mondhoek.

Dat ik mijn ontmoetingen met Eichmann zo uitvoerig beschrijf, is niet omdat ik me die beter herinner dan mijn contacten met anderen: maar die kleine Obersturmbannführer is nadien in zekere zin een beroemdheid geworden en ik denk dat mijn herinneringen, die enig licht op zijn persoonlijkheid werpen, het lezerspubliek wellicht interesseren. Er is over hem allerlei onzin geschreven: hij was zeker geen vijand van de mensheid, zoals hij in Neurenberg werd afgeschilderd (hij was daar zelf niet aanwezig en het was dan ook niet moeilijk om hem alles in de schoenen te schuiven, temeer daar de rechters nauwelijks begrepen hoe onze diensten functioneerden); hij was evenmin de belichaming van de banaliteit van het kwaad, hij was geen robot zonder ziel en zonder gezicht, het beeld dat men na zijn proces van hem heeft willen uitdragen. Hij was een zeer getalenteerde ambtenaar, die zijn functies bijzonder efficiënt vervulde; hij was vrij snel van begrip en geneigd tot persoonlijk initiatief, zij het alleen binnen het kader van afgebakende taken: op een verantwoordelijke post, waar hij beslissingen had moeten nemen, bijvoorbeeld op de post van zijn Amtschef Müller, zou hij verloren zijn geweest; maar in het middenkader had hij de trots van ieder Europees bedrijf kunnen worden. Ik heb nooit gemerkt dat hij de joden echt haatte: hij had simpelweg zijn carrière op hen gebouwd, ze waren niet alleen zijn specialisme maar in zekere zin ook zijn eigen onderneming geworden, en toen later werd gepoogd hem ervan te beroven heeft hij dat eigen bedrijfje van hem angstvallig verdedigd, wat te begrijpen is. Maar hij had evengoed iets anders kunnen doen, en zijn uitspraak tegenover de rechters dat de vernietiging van de joden volgens hem een fout was geweest, was ongetwijfeld oprecht; velen binnen het rsha en vooral binnen de sd dachten er net zo over, dat heb ik al gemeld; als er eenmaal een besluit was genomen, diende dat echter goed te worden uitgevoerd, daarvan was hij zich terdege bewust; bovendien hing zijn carrière ervan af. Overigens was hij niet het soort persoon met wie ik graag omging, zijn vermogen tot zelfstandig denken was uiterst beperkt; die avond, onderweg naar huis, vroeg ik me af waarom ik zo mededeelzaam was geweest, waarom ik me zo gemakkelijk had ondergedompeld in die sfeer van familie en sentiment, die ik over het algemeen verfoeide. Misschien had ik ook een beetje het gevoel nodig ergens bij te horen. In zijn geval was het belang duidelijk, ik was een potentiële bondgenoot in hoge kringen waar hij normaal nooit toegang zou krijgen. Maar ondanks al zijn hartelijkheid wist ik dat ik voor hem iemand bleef die niet bij zijn afdeling hoorde en daardoor iemand die een potentiële bedreiging vormde voor zijn bevoegdheden. En ik vermoedde dat hij listig en volhardend de confrontatie zou aangaan met elk obstakel dat hem in de weg stond bij de verwezenlijking van wat hij als zijn doel beschouwde, en dat hij er niet de man naar was om zich vlot te laten tegenwerken. Ik kon me wel indenken dat hij beducht was voor het risico dat grote groepen joden konden vormen, maar in mijn ogen kon dat risico indien nodig sterk worden gereduceerd; dat was simpelweg een kwestie van nadenken en de adequate maatregelen treffen. Vooralsnog bleef ik de zaak onbevangen tegemoet treden, ik had nog geen enkele conclusie getrokken en schortte mijn oordeel op totdat mijn analyse zou zijn afgerond.

En de categorische imperatief? Eerlijk gezegd wist ik daar niet al te veel van, ik had die arme Eichmann zomaar wat zitten vertellen. In de Oekraïne en de Kaukasus raakten dergelijke kwesties me nog, tilde ik er zwaar aan en begon ik er serieuze discussies over, in de overtuiging dat het ging om problemen van vitaal belang. Maar die overtuiging leek te zijn verdwenen. Waar, wanneer? In Stalingrad? Daarna? Een poos lang had ik gedacht dat ik ten onder zou gaan, overspoeld als ik werd door gebeurtenissen die zich vanuit een ver verleden kwamen opdringen. Maar de absurde, onverklaarbare dood van mijn moeder had aan die angsten een eind gemaakt: inmiddels was mijn overheersende stemming er een van onmetelijke onverschilligheid, niet beklemmend, maar licht en precies. Het enige wat nog telde was mijn werk, ik voelde me gemotiveerd door de mij opgedragen taak, die de inzet van al mijn capaciteiten zou vergen, en ik wilde slagen – niet met het oog op promotie of vanwege hogere ambities, want die had ik niet, maar gewoon om de voldoening te smaken dat ik behoorlijk werk had geleverd. In die gemoedsgesteldheid reisde ik af naar Polen, vergezeld van Piontek en met achterlating van Fräulein Praxa, die zich in Berlijn zou blijven bekommeren om mijn post, mijn huur en haar nagels. Ik had een gunstig moment gekozen om aan die reis te beginnen: Walter Bierkamp, onder wie ik in de Kaukasus had gewerkt, volgde Oberführer Schöngarth op als bds van het Generalgouvernement; toen ik dit via Brandt had gehoord, had ik me laten uitnodigen voor de installatieplechtigheid. Het was midden juni 1943. De ceremonie vond plaats in Krakau, op de binnenplaats van de Wawelburcht, een schitterend bouwwerk, ook nu de hoge, slanke zuilenrijen voor de gelegenheid achter vaandels schuilgingen. Generalgouverneur Hans Frank hield een lange redevoering, staande op een aan het eind van de binnenplaats opgericht podium en omringd door hoogwaardigheidsbekleders en een erewacht; in zijn bruine sa-uniform met de hoge cilindervormige pet waarvan de riempjes door zijn hangwangen sneden, zag hij er ietwat lachwekkend uit. Ik was verrast, dat herinner ik me nog, over de brute openhartigheid van zijn toespraak, want er was behoorlijk wat publiek, niet alleen vertegenwoordigers van de Sipo en de sd, maar ook Waffen-ss’ers, functionarissen van het gg en officieren van de Wehrmacht. Frank feliciteerde Schöngarth, die stram achter hem stond en een hoofd groter was dan Bierkamp, met zijn successen bij het in gang zetten van moeilijke onderdelen van het nationaal-socialisme. De toespraak is in de archieven bewaard gebleven, en om een indruk te geven van de toon volgt hier een fragment: In een oorlogssituatie, waarin de overwinning op het spel staat, waarin we de eeuwigheid in de ogen kijken, is dit een buitengewoon moeilijk probleem. Vaak wordt gevraagd hoe de noodzaak om met een vreemde cultuur samen te werken, te verzoenen valt met de ideologische doelstelling om, laten we zeggen, het Poolse Volkstum te elimineren. En hoe is de noodzaak om een industriële productie in stand te houden verenigbaar met, bijvoorbeeld, de noodzaak om de joden te vernietigen? Het waren zinnige vragen, maar ik vond het verbazingwekkend dat ze zo openlijk werden geformuleerd. Naderhand gaf een gg-functionaris me de verzekering dat Frank zich altijd zo onverbloemd uitte, en dat het hoe dan ook voor niemand in Polen een geheim was dat de joden werden vernietigd. Frank, die een knappe man moest zijn geweest voordat zijn gelaatstrekken door het vet waren opgeslokt, sprak met een krachtige maar schrille stem, die een beetje hysterisch klonk; voortdurend verhief hij zich op zijn tenen, spande zijn buikje boven het spreekgestoelte en maakte brede armgebaren. Schöngarth, iemand met een hoog, hoekig voorhoofd en een bedachtzame, enigszins pedante stem, hield eveneens een toespraak, en na hem kwam Bierkamp, wiens nationaal-socialistische geloofsverklaringen ik wel wat hypocriet vond (maar waarschijnlijk kon ik hem moeilijk vergeven wat voor streek hij mij geleverd had). Toen ik hem tijdens de receptie kwam feliciteren, leek hij opgetogen me te zien: ‘Sturmbannführer Aue! Ik heb gehoord van uw heldhaftig optreden in Stalingrad. Mijn gelukwensen! Ik heb nooit aan u getwijfeld.’ De glimlach op zijn smalle ottergezicht zag eruit als een grimas; maar het was heel goed mogelijk dat hij inderdaad was vergeten wat hij in Vorosjilovsk het laatst tegen me had gezegd; die woorden pasten nu niet goed meer bij mijn nieuwe positie. Hij stelde me een paar vragen over mijn opdracht, gaf me de verzekering dat zijn diensten hun volledige medewerking zouden verlenen en beloofde me een aanbevelingsbrief voor zijn ondergeschikten in Lublin, waar ik van plan was mijn onderzoek te beginnen; tussen twee glazen door vertelde hij ook nog hoe hij Groep d had teruggevoerd door Wit-Rusland, waar zijn inmiddels tot Kampfgruppe Bierkamp omgedoopte Groep was ingeschakeld in de strijd tegen de partizanen, vooral aan de noordkant van de Pripjat-moerassen; ze hadden daar meegedaan aan omvangrijke uitkammingsacties, bijvoorbeeld aan Operatie Cottbus, die net was afgelopen op het moment dat hij naar Polen was overgeplaatst. En Korsemann, fluisterde hij me vertrouwelijk toe, die had fout gehandeld en zou binnenkort zijn post verliezen; er was sprake van een veroordeling wegens lafheid, maar hij zou minstens worden gedegradeerd en naar het front gestuurd om zich te rehabiliteren. ‘Hij had een voorbeeld moeten nemen aan iemand als u. Hij betaalt nu een hoge prijs voor zijn inschikkelijkheid jegens de Wehrmacht.’ Bij die woorden moest ik glimlachen: voor een man als Bierkamp was succes blijkbaar het enige dat van belang was. Zelf had hij het er helemaal niet slecht afgebracht; bds was een belangrijke functie, zeker in het Generalgouvernement. Ook ik verwees met geen woord naar het verleden. Wat telde was het heden, en als Bierkamp me kon helpen, des te beter.

Ik bleef nog een paar dagen in Krakau, om aan vergaderingen deel te nemen en ook nog wat te genieten van die prachtige stad. Ik bezocht de vroegere jodenwijk Kazimierz, inmiddels bewoond door magere, ziekelijke, haveloze Polen, hiernaar overgeplaatst op grond van de germanisering van de ‘ingelijfde gebieden’. De synagogen waren intact gebleven: Frank, zo werd gezegd, hechtte aan de instandhouding van enkele materiële restanten van het Poolse jodendom, tot stichting van de toekomstige generaties. Sommige fungeerden als pakhuis, andere waren gewoon dicht; ik liet de twee oudste, aan het langwerpige Szeroka-plein, voor me openmaken. De zogeheten Oude Synagoge, uit de vijftiende eeuw, in de zestiende of begin zeventiende eeuw ten behoeve van de vrouwen uitgebreid met een langgerekt bijgebouw waarop een rij puntdakjes stond, diende de Wehrmacht tot opslagruimte voor levensmiddelen en onderdelen; de menigmaal gerenoveerde bakstenen gevel met zijn blinde vensters, bogen van wit kalksteen en zandstenen elementen die wat willekeurig waren ingevoegd, had een bijna Venetiaanse charme; hier sprak de invloed van de Italiaanse architecten die in Polen en Galicië hadden gewerkt. De Remuh Synagoge, aan de andere kant van het plein, was een smal en beroet bouwsel zonder architecturaal belang; van de grote joodse begraafplaats eromheen, die voorheen zeker de moeite van een bezoek waard was geweest, restte nu niet meer dan een kaal, troosteloos terrein; de oude grafstenen waren als bouwmateriaal weggehaald. De jonge officier van de Gestapostelle die me begeleidde, was uitstekend op de hoogte van de geschiedenis van de joodse gemeenschap in Polen en wees me de plaats waar rabbijn Mozes Isserles, een beroemd talmoedist, begraven lag. ‘Toen vorst Mieszko in de tiende eeuw begon het katholieke geloof in Polen dwingend op te leggen,’ vertelde hij, ‘kwamen de joden om te gaan handelen in zout, graan, bont, wijn. Omdat ze de heersers rijker maakten, kregen ze het ene na het andere privilege. In die tijd was het volk nog heidens, onbedorven en ontvankelijk, afgezien van wat orthodoxen in het oosten. Zo hebben de joden geholpen het katholicisme op Poolse bodem te vestigen, en in ruil daarvoor beschermde het katholicisme de joden. Nog lang nadat het volk was bekeerd, bleven de joden de handlangers van de machthebbers en hielpen ze de pans door de kleine boeren op alle mogelijke manieren uit te zuigen en voor de pans als rentmeesters en woekeraars op te treden, terwijl ze de handel stevig in hun greep hielden. Dit verklaart het taaie en krachtige antisemitisme van de Polen: voor het Poolse volk is de jood altijd een uitbuiter geweest, en ook al koesteren ze jegens ons een grondeloze haat, met onze oplossing voor het joodse vraagstuk kunnen ze van harte instemmen. De partizanen van het Armia Krajowa, die allemaal katholiek en zeer vroom zijn, denken er hetzelfde over, de communistische partizanen iets minder, want die zijn verplicht om, soms met tegenzin, de lijn van de Partij en van Moskou te volgen.’ – ‘Toch heeft het ak wapens aan de joden in Warschau verkocht.’ – ‘Hun slechtste wapens, in belachelijk kleine hoeveelheden, en tegen exorbitante prijzen. Volgens onze inlichtingen waren ze uiteindelijk slechts tot verkoop bereid door een rechtstreeks bevel uit Londen, waar de joden hun zogenaamde regering in ballingschap onder druk hadden gezet.’ – ‘En hoeveel joden zijn er nu nog over?’ – ‘Het exacte cijfer ken ik niet. Maar ik kan u verzekeren dat aan het eind van het jaar alle getto’s zullen zijn ontruimd. Buiten onze kampen, en afgezien van een handvol partizanen, zijn er dan in Polen geen joden meer. En op dat moment kunnen we ons eindelijk serieus met de Poolse kwestie gaan bezighouden. Ook die zullen zich moeten schikken in een aanzienlijke bevolkingsvermindering.’ – ‘Een totale?’ – ‘Totaal, dat weet ik niet. De economische bureaus denken erover na en zijn aan het rekenen. Maar gezien de overbevolking wordt het een flinke afname. Anders zal deze streek nooit voorspoed kennen, nooit tot bloei kunnen komen.’

Polen zal nooit een mooi land kunnen worden genoemd, maar sommige Poolse landschappen hebben een melancholieke charme. De reis van Krakau naar Lublin vergde ongeveer een halve dag. Langs de weg lagen uitgestrekte, eentonige aardappelvelden, doorsneden met slootjes en afgewisseld met bossen van sparren en berken die op een kale bodem stonden, zonder struikgewas, donker en stil, ontoegankelijk als het ware voor het fraaie junilicht. Piontek chauffeerde met zekere hand en hield de snelheid gelijkmatig. Deze zwijgzame huisvader was een voortreffelijke reisgenoot: hij zei alleen iets als ik het woord tot hem richtte en voerde zijn taken kalm en methodisch uit. Iedere ochtend vond ik mijn laarzen gepoetst, mijn uniform geborsteld en gestreken; ging ik naar buiten dan stond de Opel te wachten, ontdaan van het stof en de modder van de vorige dag. Wanneer er gegeten werd, at Piontek met smaak en dronk hij weinig, tussen de maaltijden door hoefde hij nooit iets. Ik had hem meteen onze reiskas toevertrouwd en hij hield nauwgezet het rekeningenschrift bij, iedere uitgegeven pfennig noterend met een potlood waarvan hij de punt eerst tussen zijn lippen had bevochtigd. Zijn Duits was ongepolijst en met een sterk accent, maar correct, en ook in het Pools kon hij zich goed verstaanbaar maken. Hij was geboren in de buurt van Tarnowitz; na de splitsing in 1919 waren hij en zijn familie ineens Poolse burgers, maar ze hadden ervoor gekozen daar te blijven om hun lapje grond niet te verliezen; vervolgens was zijn vader om het leven gekomen in een opstootje, tijdens de woelige dagen vlak voor de oorlog: Piontek bezwoer me dat het een ongeluk was geweest en legde de schuld niet bij zijn voormalige Poolse buurtgenoten, van wie het merendeel was verdreven of in hechtenis genomen toen dat deel van Opper-Silezië weer bij Duitsland was ingelijfd. Na opnieuw burger van het Reich te zijn geworden was hij gemobiliseerd, bij de politie beland en vandaar, om hem onduidelijke redenen, toegewezen aan de Persönlicher Stab in Berlijn. Zijn vrouw, zijn twee dochtertjes en zijn oude moeder woonden nog steeds op de boerderij en hij zag ze niet vaak, maar hij stuurde ze het grootste deel van zijn inkomen; zij op hun beurt stuurden hem aanvullingen op de soldatenkost, een kip, een halve gans, genoeg om zich samen met een paar kameraden te goed te doen. Ik had hem een keer gevraagd of hij zijn familie niet miste. Vooral de meisjes, had hij geantwoord, hij vond het jammer ze niet te zien opgroeien; maar hij klaagde niet; hij wist dat hij geluk had en dat dit veel beter was dan in Rusland je kont te laten bevriezen. ‘Vergeef me de uitdrukking, Sturmbannführer.’

In Lublin nam ik, net als in Krakau, mijn intrek in het Deutsches Haus. Bij onze aankomst was het in de bar al een levendige bedoening; ik had mijn komst tevoren gemeld, er was een kamer voor me gereserveerd; Piontek werd ondergebracht in een slaapzaal voor militairen. Ik bracht mijn bagage naar boven en vroeg om warm water, om me te wassen. Twintig minuten later werd er geklopt, en er kwam een Pools dienstmeisje binnen met twee dampende emmers. Ik wees naar de badkamer en zij liep erheen om de emmers neer te zetten. Omdat ze niet meer tevoorschijn kwam, ging ik kijken wat ze aan het doen was: ik trof haar halfnaakt, ontkleed tot aan haar middel. Verbluft staarde ik naar haar rode wangen, naar haar kleine maar fraaie borsten; met haar handen op haar heupen keek ze me strak aan en glimlachte uitnodigend. ‘Wat moet dat?’ vroeg ik op strenge toon. – ‘Ik... wassen... jij,’ antwoordde ze in onbeholpen Duits. Ik pakte haar bloes van het krukje en gaf die aan haar: ‘Trek maar weer aan en ga naar buiten.’ Ze gehoorzaamde op een even vanzelfsprekende manier. Het was de eerste keer dat me zoiets overkwam: in de mij tot nu toe bekende Deutsche Häuser golden strikte regels; maar hier was de gangbare praktijk duidelijk anders, en ik twijfelde er niet aan of je mocht rustig meer dan een wasbeurt verlangen. Het meisje ging weg en ik trok mijn kleren uit, waste me, deed mijn uitgaansuniform aan (op lange reizen droeg ik vanwege de stoffige wegen het feldgrau) en ging naar beneden. In de bar en de eetzaal was het intussen vol en lawaaiig geworden. Ik liep de achterplaats op om een sigaret te roken en trof daar Piontek, die met een peuk in zijn mond stond te kijken hoe twee jonge jongens onze auto wasten. ‘Waar heb je die opgedoken?’ vroeg ik. – ‘Ik niet, Sturmbannführer, maar het Haus. Wel tegen de zin van de garageman, die me vertelde dat hij gratis joden kan krijgen, maar dat de officieren kwaad worden als een jood hun auto aanraakt. Daarom moet hij Polen als deze hier één Reichsmark per dag betalen.’ (Zelfs in Polen was dat belachelijk weinig. Een nacht plus drie maaltijden in het Deutsches Haus, dat bovendien gesubsidieerd werd, kostte me ongeveer twaalf Reichsmark; een mokka in Krakau was anderhalve Reichsmark.) Samen met Piontek bleef ik even naar de jonge Polen bij de auto staan kijken. Daarna nodigde ik hem voor het avondeten uit. We moesten ons door het gewoel heen dringen om ergens aan een tafel een vrij plekje te vinden. De mannen dronken, schreeuwden naar het scheen alleen om het genoegen hun eigen stem te horen. Er waren daar ss’ers, Orpo’s, mannen van de Wehrmacht en van de Organisation Todt; bijna iedereen droeg een uniform, ook verscheidene vrouwen, waarschijnlijk typistes en secretaresses. Poolse serveersters bewogen zich moeizaam voort met bladen vol bier en eten. De maaltijd was overvloedig: gebraden vlees in plakken, bieten, gekruide aardappels. Al etend sloeg ik de drukte gade. Velen deden niets dan drinken. De serveersters hadden het moeilijk: overal waar ze voorbijkwamen, werden hun borsten en billen betast door de dronken mannen, en ze konden zich niet verweren omdat hun handen een dienblad vasthielden. Aan de lange tapkast stond een groep in het uniform van de ss-Totenkopf, vermoedelijk personeel van het kamp in Lublin, met twee vrouwen erbij, waarschijnlijk ook Aufseherinnen. Een van die twee dronk cognac, haar gezicht had iets mannelijks en ze lachte veel; ze hield een rijzweep in de hand, waarmee ze tikjes tegen haar hoge laarzen gaf. Op een bepaald moment kwam een van de serveersters vlak bij hen klem te staan: de Aufseherin stak haar zweep uit en tilde langzaam, onder het gelach van haar kameraden, de rok van de serveerster van achteren tot aan haar billen op. ‘Dat vind jij wel leuk, Erich!’ schreeuwde ze. ‘Toch heeft ze een vieze reet, dat hebben al die Poolse wijven.’ De anderen lachten des te harder: zij liet de rok terugvallen en sloeg met de zweep op de billen van het meisje, dat een kreet slaakte en met moeite de glazen bier overeind hield. ‘Vort jij, sloerie!’ brulde de Aufseherin. ‘Je stinkt.’ De tweede vrouw lachte kirrend en wreef haar lichaam schaamteloos tegen dat van een onderofficier. Achter in de zaal, onder een gewelf, stonden Orpo’s joelend te biljarten; vlak bij hen zag ik het dienstmeisje dat mij warm water had gebracht, ze zat op schoot bij een ingenieur van de ot, die een hand in haar bloes had gestopt en aan haar frunnikte, terwijl zij lachte en zijn kalende hoofd streelde. ‘Nou, het is echt gezellig hier in Lublin,’ zei ik tegen Piontek. – ‘Ja, daar staat het om bekend.’ Na het eten nam ik een cognac en een Hollands sigaartje: het Haus had daar bij de tapkast een hele uitstalling van, je kon kiezen uit verschillende uitstekende merken. Piontek was gaan slapen. Er werd muziek gedraaid, een aantal paren was aan het dansen; de tweede Aufseherin was duidelijk dronken en hield haar danspartner vast bij zijn billen; een ss-secretaresse liet haar boezem kussen door een Leutnant van de intendance. De verstikkende, grove sfeer, gedrenkt in geilheid en lawaai, werkte op mijn zenuwen en vergalde het plezier dat ik ervoer omdat ik op reis was, deed afbreuk aan het vreugdevolle vrijheidsgevoel dat me die dag op de lange, vrijwel verlaten wegen had vergezeld. En ontsnappen aan die wrange vunzigheid was onmogelijk, zelfs op de plee werd je erdoor achtervolgd. Toch was de grote toiletruimte opmerkelijk schoon, tot aan het plafond wit betegeld, met deuren van massief eikenhout, spiegels en mooie porseleinen wasbakken met messing kranen, waar stromend water uit kwam; ook de hokjes zelf waren wit en schoon, blijkbaar werden de hurkclosetten regelmatig geschrobd. Ik deed mijn broek naar beneden en liet me zakken; toen ik klaar was zocht ik naar papier, maar ik kon het niet vinden; op dat moment voelde ik iets tegen mijn achterste; ik maakte een sprong en draaide me om, trillend, tastend naar mijn dienstwapen, mijn onderbroek lachwekkend op mijn hielen: door een gat in de muur stak een wachtende mannenhand met de palm naar boven. De vingertoppen waren al besmeurd met een beetje verse stront, daar waar ze me hadden aangeraakt. ‘Rot op!’ schreeuwde ik. ‘Rot op!’ Langzaam trok de hand zich door het gat terug. Ik kreeg een nerveuze lachbui: dit was zo goor, ze waren in Lublin echt krankzinnig geworden. Gelukkig bewaarde ik in mijn uniformjasje altijd wat krantenpapier, een goede voorzorgsmaatregel voor onderweg. Haastig veegde ik me af en zonder door te trekken maakte ik me uit de voeten. Bij mijn terugkomst in de zaal beeldde ik me in dat iedereen naar me keek, maar niemand besteedde aandacht aan me, ze dronken en rumoerden door elkaar heen, lachten ruw of hysterisch, teugelloos als aan een middeleeuws hof. Ontdaan ging ik naar de bar om nog een cognac te bestellen; terwijl ik dronk keek ik naar de dikke Spiess van het kl met zijn Aufseherin, en ik stelde mij voor hoe hij – een weerzinwekkende gedachte – in zittende positie met welbehagen zijn kont liet afvegen door een Poolse hand. Ook vroeg ik me af of de wc’s van de vrouwen met een soortgelijke voorziening waren uitgerust: als ik die vrouwen zo bekeek, dan dacht ik van wel. Met een grote slok leegde ik mijn glas en ik zocht mijn bed op; door het lawaai sliep ik slecht, maar in ieder geval beter dan de arme Piontek: een paar Orpo’s hadden Poolse vrouwen mee naar zijn slaapzaal genomen en waren de hele nacht in de bedden om hem heen ongegeneerd blijven neuken, met elkaar van vrouwen wisselend en hem op stang jagend omdat hij niet meedeed. ‘Die vrouwen worden betaald met conservenblikken,’ vertelde hij mij onder het ontbijt laconiek.

Vanuit Krakau had ik telefonisch al een afspraak gemaakt met Gruppenführer Globocnik, de sspf van het district Lublin. Globocnik had in feite twee kantoren: het ene was voor zijn sspf-staf en vanuit het andere, in de Pieradzki-straat, werd leiding gegeven aan de Aktion Reinhard; op dat laatste kantoor had hij mij uitgenodigd. Globocnik was een machtig man, nog machtiger dan uit zijn rang kon worden afgeleid; zijn directe superieur, de hsspf van het Generalgouvernement, Obergruppenführer Krüger, had vrijwel geen controlerende bevoegdheid over de Einsatz, die alle joden van het gg betrof en derhalve tot ver over de grenzen van Lublin reikte; in dit opzicht viel Globocnik rechtstreeks onder de Reichsführer. Daarnaast bekleedde hij belangrijke functies binnen het zogeheten Reichskommissariat voor de versterking van de Duitse volksaard. Het hoofdkwartier van de Einsatz bleek gevestigd in een voormalige school voor geneeskunde, een okergeel, robuust gebouw met een rood schuin dak, kenmerkend voor die streek waar de Duitse invloed altijd sterk was geweest. Dat gebouw betrad ik via een grote dubbele deur onder een halvemaanvormige boog, met daarboven nog altijd het opschrift collegium anatomicum. Ik werd ontvangen door een ordonnans, die me naar Globocnik bracht. De Gruppenführer, ingesnoerd in een strak uniform dat een maat te klein leek voor zijn imposante gestalte, nam mijn groet verstrooid in ontvangst en wuifde met mijn opdracht: ‘Zo, dus de Reichsführer stuurt een spion op me af!’ Hij lachte schallend. Odilo Globocnik was een Karinthiër, geboren in Triëst en vermoedelijk van Kroatische herkomst; als Altkämpfer van de Oostenrijkse nsdap was hij na de Anschluss korte tijd Gauleiter van Wenen geweest, waarna hij onderuit was gegaan vanwege een deviezenhandelkwestie. Ten tijde van Dollfuss had hij in de gevangenis gezeten wegens moord op een joodse juwelier: officieel maakte dat hem tot een martelaar uit de Kampfzeit, maar boze tongen beweerden dat de diamanten van de jood een grotere rol hadden gespeeld dan de ideologie. Nog steeds wuifde hij met mijn papier: ‘Geeft u het maar toe, Sturmbannführer! De Reichsführer vertrouwt me niet meer, dat is het toch?’ Terwijl ik in de houding bleef staan, probeerde ik me te verdedigen: ‘Gruppenführer, mijn opdracht...’ Opnieuw begon hij bulderend te lachen: ‘Ik maak maar gekheid, Sturmbannführer! De Reichsführer heeft alle vertrouwen in mij, dat weet ik als geen ander. Hij noemt me toch niet voor niets zijn oude Globus? En het is niet alleen de Reichsführer! De Führer is me persoonlijk komen feliciteren met ons grote werk. Gaat u zitten. Het waren zijn eigen woorden, een groot werk. “Globocnik,” zei hij tegen me, “u bent een van de miskende helden van Duitsland. Ik zou willen dat alle kranten uw naam en uw heldendaden konden publiceren! Over honderd jaar, wanneer over dit alles gesproken zal kunnen worden, zullen uw grootse verrichtingen al op de lagere school aan de kinderen worden onderricht! U bent een koene held, en ik heb bewondering voor het feit dat u desondanks zo bescheiden, zo op de achtergrond hebt weten te blijven.” En toen zei ik, de Reichsführer was er ook bij: “Mein Führer, ik heb slechts mijn plicht gedaan.” Maar gaat u zitten, gaat u zitten.’ Ik nam de fauteuil die hij me aanwees; hij liet zich naast mij neerploffen en gaf een tikje op mijn dij, waarna hij achter zich een doos sigaren pakte en mij er een aanbood. Ik weigerde, maar hij hield aan: ‘Bewaart u ’m dan voor later.’ Zelf stak hij er een op. Zijn vollemaansgezicht straalde van voldoening. Aan de hand die de aansteker vasthield, leek de dikke gouden ss-ring als het ware ingelegd in het vetkussentje van zijn vinger. Met een grimas van welbehagen blies hij de rook uit. ‘Als ik de brief van de Reichsführer goed begrijp, bent u zo’n zeikerd die de joden wil redden onder het voorwendsel dat we ze nodig hebben als arbeidskrachten?’ – ‘Volstrekt niet, Gruppenführer,’ antwoordde ik hoffelijk. ‘Ik heb van de Reichsführer opdracht gekregen om de problemen van de Arbeitseinsatz uitvoerig te analyseren, met het oog op de toekomstige ontwikkelingen.’ – ‘Ik neem aan dat u onze installaties wilt zien?’ – ‘Als u de vergassingsinstallaties bedoelt, Gruppenführer: dat ligt niet op mijn terrein. Mij gaat het veeleer om de selecties en om het inzetten van de Arbeitsjuden. Daarom zou ik willen beginnen met de Osti en de daw.’ – ‘De Osti! Nog zo’n geweldig idee van Pohl! Er worden hier miljoenen binnengehaald voor het Reich, miljoenen, en Pohl wil dat ik me met vodden ga bezighouden, als een jood. Ostindustrie, laat me niet lachen! De zoveelste rotstreek die ze me geleverd hebben.’ – ‘Dat zal misschien zo zijn, Gruppenführer, maar...’ – ‘Geen gemaar! De joden zullen hoe dan ook moeten verdwijnen, allemaal, industrie of geen industrie. Natuurlijk kunnen we er een paar in leven houden, tot er genoeg Polen zijn opgeleid om ze te vervangen. Polen zijn rotzakken, maar ze kunnen met vodden werken, als dat nuttig is voor de Heimat. Als het wat opbrengt, zal ik er niet tegen zijn. Nou, u mag het gaan bekijken. Ik vertrouw u zo meteen toe aan mijn tweede man, Sturmbannführer Höfle. Hij zal u uitleggen hoe het hier allemaal werkt, de rest kunt u met hem bespreken.’ Hij stond op, zijn sigaar tussen twee vingers geklemd, en drukte me de hand. ‘Uiteraard kunt u bekijken wat u wilt. Dat de Reichsführer u heeft gestuurd, betekent dat u uw mond kunt houden. Wie kletst, die fusilleer ik. Het is iedere week raak. Maar over u maak ik me geen zorgen. Als u een probleem hebt, kom dan naar me toe. Goedendag.’

Ook Höfle, plaatsvervangend commandant van Aktion Reinhard, was een Oostenrijker, maar duidelijk een bedaarder type dan zijn baas. Hij ontving me met een grimmige, vermoeide uitdrukking op zijn gezicht: ‘Bent u flink aangepakt? Trek het u niet aan, zo doet hij tegen iedereen.’ Hij beet op zijn lip en schoof een vel papier naar me toe: ‘Ik moet u vragen dit te tekenen.’ Ik nam de tekst door: het was een verklaring van geheimhouding, die verschillende punten omvatte. ‘Volgens mij ben ik toch krachtens mijn positie al tot geheimhouding verplicht,’ zei ik. – ‘Dat weet ik, maar het is een voorschrift van de Gruppenführer. Iedereen moet tekenen.’ Ik haalde mijn schouders op: ‘Als hij dat prettig vindt.’ En ik tekende. Höfle borg het papier in een map en vouwde zijn handen op het bureau. ‘Waar wilt u mee beginnen?’ – ‘Ik weet het niet. Legt u eerst eens uit hoe het systeem werkt.’ – ‘Het is in feite vrij simpel. We beschikken over drie voorzieningen, twee aan de Boeg en de derde aan de grens met Galicië, in Belzec, waar we overigens binnenkort gaan sluiten omdat Galicië, afgezien van de werkkampen, nagenoeg judenrein is. Ook Treblinka, dat hoofdzakelijk bedoeld was voor de aanvoer uit Warschau, wordt binnenkort gesloten. Maar we hebben net van de Reichsführer bevel gekregen om Sobibor om te vormen tot een kl, tegen het eind van het jaar zijn we zover.’ – ‘En alle joden gaan via die drie centra?’ – ‘Nee. Op logistieke gronden was het niet mogelijk, of in ieder geval niet praktisch, om alle kleine stadjes in de regio te evacueren. Met het oog daarop heeft de Gruppenführer de beschikking gekregen over enkele Orpo-bataljons, die de joden ter plaatse hebben behandeld, groepje voor groepje. Ik heb de dagelijkse leiding over de Aktion, samen met Sturmbannführer Wirth, mijn kampinspecteur, die er al vanaf het begin bij is. Ook hebben we een trainingskamp voor Hiwi’s, Oekraïners en vooral Letten, in Trawniki.’ – ‘En de rest van uw personeel bestaat uit ss’ers?’ – ‘Nee, verre van dat. Los van de Hiwi’s zijn het er ongeveer vierhonderdvijftig, en daarvan zijn er tegen de honderd bij ons gedetacheerd door de Führer-kanselarij. Inclusief bijna al onze kampcommandanten. Wat de praktische uitvoering betreft vallen ze onder de Einsatz, maar administratief gezien onder de kanselarij. Daar ligt de supervisie over alles wat te maken heeft met salarissen, verloven, promoties enzovoorts. Het schijnt een speciale afspraak te zijn tussen de Reichsführer en Reichsleiter Bouhler. Sommigen zijn niet eens lid van de Allgemeine-ss of van de Partij. Maar ze zijn wel stuk voor stuk actief geweest in de euthanasiecentra van het Reich; toen vrijwel al die centra eenmaal dicht waren, is een deel van dat personeel, onder aanvoering van Wirth, naar hier overgeplaatst, zodat de Einsatz van hun ervaring kon profiteren.’ – ‘Juist, ja. En de Osti?’ – ‘De Osti is een betrekkelijk nieuwe organisatie, het resultaat van een overeenkomst tussen de Gruppenführer en het wvha. Toen Aktion Reinhard van start ging, moesten we ook centra inrichten voor de verwerking van de in beslag genomen goederen; geleidelijk zijn die centra opgesplitst in allerlei werkplaatsen, die materiaal leverden voor de oorlogvoering. De Ostindustrie is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, afgelopen november opgericht om al die werkplaatsen te hergroeperen en te stroomlijnen. De raad van bestuur heeft de directie in handen gegeven van een administratief-bestuurlijk ambtenaar van het wvha, Dr. Horn, alsmede van de Gruppenführer. Horn is een nogal pietepeuterige bureaucraat, maar ik acht hem wel competent.’ – ‘En het kl?’ Höfle maakte een wegwerpgebaar: ‘Het kl heeft met ons niets te maken. Dat is een gewoon kamp van het wvha; natuurlijk draagt de Gruppenführer er als ss- und Polizeiführer verantwoordelijkheid voor, maar dat staat helemaal los van de Einsatz. Ze beheren er ook bedrijven, met name een daw-werkplaats, maar dat is weer de verantwoordelijkheid van de ss-econoom die onder de sspf valt. Uiteraard werken we nauw samen; we hebben hun een deel van onze joden geleverd, hetzij voor arbeid hetzij voor Sonderbehandlung; en sinds kort hebben zij, omdat wij overbelast zijn, hun eigen installaties voor speciale behandeling gebouwd. Verder heb je alle wapenfabrieken van de Wehrmacht, die ook gebruikmaken van door ons geleverde joden; maar dat is de verantwoordelijkheid van de bewapeningsinspectie van het gg, die onder leiding staat van Generalleutnant Schindler en gevestigd is in Krakau. Ten slotte is er dan nog het burgerlijk economisch netwerk, onder toezicht van de nieuwe districtsgouverneur, Gruppenführer Wendler. Misschien kunt u hem opzoeken, maar wees op uw hoede, hij kan met Gruppenführer Globocnik absoluut niet overweg.’ – ‘De plaatselijke economie interesseert me niet; waar het mij om gaat is langs welke wegen de gedetineerden worden ingezet voor de economie in het algemeen.’ – ‘Ik begrijp geloof ik wel wat u bedoelt. In dat geval moet u Horn hebben. Hij is er niet altijd met zijn gedachten bij, maar u kunt vast wel iets van hem te weten komen.’

Deze Horn maakte op mij een nerveuze, gejaagde indruk; de ijver maar ook de frustraties straalden van hem af. Hij was accountant, opgeleid aan de universiteit van Stuttgart; bij het uitbreken van de oorlog was hij opgeroepen voor de Waffen-ss, maar in plaats van hem naar het front te sturen hadden ze hem bij het wvha geplaatst. Pohl had hem gekozen om de Osti te komen opzetten, een dochteronderneming van de Deutsche Wirtschaftsbetriebe, de holding die het wvha in het leven had geroepen om de ss-bedrijven te hergroeperen. Hij was buitengewoon gemotiveerd, maar niet opgewassen tegen een man als Globocnik, en dat wist hij. ‘Toen ik kwam was het een chaos... onvoorstelbaar,’ vertelde hij. ‘Je had van alles: in Radom een paar timmerwerkplaatsen en een mandenfabriek, hier in Lublin een borstelfabriek, een glasfabriek. Meteen al wilde de Gruppenführer per se een werkkamp voor zichzelf, voor de eigen bevoorrading, zoals hij zei. Mij best, er was toch al genoeg te doen. Het werd allemaal slordig beheerd. De cijfers waren niet bijgewerkt. En de productie was vrijwel nihil. Wat volkomen begrijpelijk was, gezien de toestand waarin de arbeidskrachten verkeerden. Ik ben aan de slag gegaan, maar ze werken me hier aan alle kanten tegen. Leid ik vaklui op, dan worden ze bij me weggehaald en verdwijnen ze, God mag weten waarheen. Vraag ik of de arbeiders beter te eten kunnen krijgen, dan is het antwoord dat er voor de joden geen extra voedsel beschikbaar is. Vraag ik of ze dan in ieder geval niet meer te pas en te onpas worden geslagen, dan krijg ik te horen dat ik me niet moet bemoeien met zaken die me niet aangaan. Hoe kan ik in zulke omstandigheden behoorlijk mijn werk doen?’ Ik begreep waarom Höfle geen al te hoge dunk had van Horn: met klagen viel zelden iets te bereiken. Toch had Horn wel een goede analyse van het dilemma: ‘Het probleem is ook dat ik geen steun krijg van het wvha. Ik stuur Obergruppenführer Pohl het ene rapport na het andere. Steeds vraag ik hem: welke factor heeft prioriteit? Is dat de politiek-politionele factor? In dat geval is het hoofddoel natuurlijk het concentreren van de joden, en komen de economische aspecten op de tweede plaats. Of is het de economische factor? Als dat zo is, dan is het zaak om de productie te optimaliseren, de kampen zodanig flexibel te organiseren dat goed kan worden ingespeeld op de bestellingen die worden geplaatst, en vooral: de arbeiders te voorzien van het minimum dat ze nodig hebben om in leven te blijven. Het antwoord van Obergruppenführer Pohl is dan: beide. Om je de haren uit het hoofd te trekken.’ – ‘En u denkt met joodse dwangarbeiders moderne en winstgevende bedrijven te kunnen opzetten, mits u daarvoor de middelen krijgt?’ – ‘Zeker wel. Uiteraard zijn de joden minderwaardig, en ze hebben volkomen archaïsche werkmethoden. Ik heb bestudeerd hoe het werk in het getto van Litzmannstadt is georganiseerd, en dat is een ramp. Het toezicht, vanaf de aankomst van de grondstoffen tot en met de aflevering van het eindproduct, is daar volledig in handen van de joden zelf. Er is dus geen enkele kwaliteitscontrole. Maar met goed opgeleide Arische opzichters, plus een rationele, moderne verdeling en organisatie van de arbeid, valt er veel te bereiken. In die richting zou de besluitvorming moeten gaan. Hier kom ik nu alleen maar obstakels tegen, en ik merk dat ik geen enkele steun heb.’

En die zocht hij, dat was duidelijk. Hij leidde me rond in enkele van zijn bedrijven, maakte geen geheim van de staat van ondervoeding en slechte hygiëne waarin de hem toevertrouwde gedetineerden verkeerden, maar daarnaast wees hij me op de vooruitgang die hij had weten te boeken, op de verbeterde kwaliteit van de producten, die voornamelijk bedoeld waren voor de Wehrmacht, en ook op de kwantitatieve groei. Ik moest erkennen dat zijn presentatie volkomen overtuigend was: hier leek een mogelijkheid te liggen om aan de eisen van de oorlog tegemoet te komen door verhoogde productiviteit. Horn was natuurlijk niet op de hoogte van de Einsatz, althans niet van de reikwijdte daarvan, en ik paste er wel voor op om het onderwerp aan te snijden; ik kon hem dus moeilijk uitleggen waarom Globocnik hem zo dwarszat; de Gruppenführer had ongetwijfeld moeite om Horns wensen te verzoenen met wat hijzelf als zijn voornaamste taak zag. Toch had Horn in wezen gelijk: door joden te selecteren op kracht of scholing, ze op één plaats samen te brengen en ze adequaat te bewaken, was er beslist een niet onaanzienlijke bijdrage te leveren aan de oorlogseconomie.

Daarna bracht ik een bezoek aan het kl. Het kamp strekte zich uit langs een golvende heuvel net buiten de stad, westelijk van de weg naar Zamosc. Het was een enorm complex van eindeloze rijen lange barakken binnen afrasteringen van prikkeldraad en omgeven door wachttorens. De Kommandantur bevond zich buiten het kamp, naast de weg, aan de voet van de heuvel. Ik werd er ontvangen door Kommandant Florstedt, een Sturmbannführer met een opvallend smal en lang gezicht, die met zichtbaar wantrouwen mijn instructies bestudeerde: ‘Hier staat niet gepreciseerd dat u toegang hebt tot het kamp.’ – ‘Mijn opdracht geeft mij toegang tot alle voorzieningen onder toezicht van het wvha. Als u mij niet gelooft kunt u contact opnemen met de Gruppenführer, die zal het bevestigen.’ Hij bleef in de papieren bladeren. ‘Wat wilt u zien?’ – ‘Alles,’ zei ik met een vriendelijke glimlach. Uiteindelijk kreeg ik van hem een Untersturmführer mee. Het was de eerste keer dat ik een concentratiekamp bezocht en ik wilde alles bekijken. Onder de gedetineerden of Häftlinge bevonden zich allerlei nationaliteiten: Russen, Polen uiteraard, joden, maar ook uit Duitsland afkomstige criminelen en politieke gevangenen, Fransen, Hollanders, weet ik wat nog meer. De barakken waren lange veestallen van de Wehrmacht die door ss-architecten waren aangepast, ze zagen zwart, stonken en waren overvol; de gevangenen, veelal gehuld in lompen, zaten met drie of vier bij elkaar op de bedbodems, die zich in verscheidene etages aaneenregen. Met de chef-arts had ik een gesprek over de problemen op het gebied van hygiëne en gezondheid: nog steeds met de Untersturmführer in ons kielzog, nam hij me mee naar de barak Bad en Desinfectie, waar aan de ene kant de nieuwaangekomenen werden gedoucht en aan de andere de arbeidsongeschikten werden vergast. ‘Tot afgelopen voorjaar stelde het bijna niks voor,’ lichtte de Untersturmführer toe. ‘Maar sinds de Einsatz een deel van zijn taak aan ons heeft overgedragen, hebben we onze handen vol.’ Het kamp wist niet meer waar het de lijken moest laten en had een crematorium besteld, voorzien van vijf ovens met elk één laadruimte, ontworpen door Kori, een gespecialiseerd bedrijf in Berlijn. ‘Het concurreert met Topf und Söhne in Erfurt,’ vervolgde hij. ‘In Auschwitz werken ze alleen met Topf, maar wij vonden de voorwaarden van Kori aantrekkelijker.’ Merkwaardig genoeg werd er niet vergast met behulp van koolmonoxide, zoals in de vrachtwagens die we in Rusland hadden gebruikt en ook, naar ik had gelezen, in de vaste installaties van Aktion Reinhard; hier werd gebruikgemaakt van waterstofcyanide, in de vorm van korrels die het gas begonnen te verspreiden zodra ze met de lucht in aanraking kwamen. ‘Het is veel efficiënter dan koolmonoxide,’ verzekerde de arts me. ‘Het gaat snel, de patiënten lijden minder en het resultaat is honderd procent.’ – ‘Waar komt dit product vandaan?’ – ‘Eigenlijk is het een industrieel ontsmettingsmiddel, voor de bestrijding van luizen en ander ongedierte. In Auschwitz schijnen ze op het idee te zijn gekomen om het bij wijze van proef voor de speciale behandeling te gebruiken. En het werkt heel goed.’ Ook inspecteerde ik de keuken en de voorraad levensmiddelen; anders dan werd beweerd door de leidinggevende ss’ers, en zelfs door de gedetineerden die de soep uitdeelden, leken de rantsoenen me ontoereikend; die indruk werd trouwens in bedekte termen door de chef-arts bevestigd. Een paar dagen achter elkaar kwam ik terug om de gegevens over de Arbeitseinsatz te bestuderen; elke Häftling had een eigen systeemkaart, ordelijk opgeborgen in een kantoortje dat werd aangeduid als de Arbeitsstatistik; voor zover niet ziek werd hij ingedeeld bij een Arbeitskommando, waarvan sommige zich binnen het kamp met onderhoud bezighielden en andere buiten het kamp werkten; de belangrijkste Kommando’s woonden waar ze werkten, bijvoorbeeld bij de daw, de wapenfabriek in Lipowa. Op papier leek het een solide systeem, maar het aantal arbeidskrachten liep aanhoudend terug, en de kritische opmerkingen van Horn sterkten me in mijn opvatting dat de meesten van de tewerkgestelde gedetineerden, ondervoed, vuil en onderworpen aan geregelde mishandeling als ze waren, geen productie van enig belang tot stand konden brengen.

Ik bleef een aantal weken in Lublin en keek intussen ook rond in de streek. Zo ging ik naar Himmlerstadt, het vroegere Zamosc, een excentriek kleinood uit de Renaissance, aan het eind van de zestiende eeuw uit het niets opgetrokken door een enigszins megalomane Poolse kanselier. De stad was tot bloei gekomen dankzij haar gunstige ligging op de handelsroutes tussen Lublin en Lemberg en tussen Krakau en Kiev. Ze vormde nu het hart van het meest ambitieuze project van het rkf, de ss-organisatie die in 1939 tot taak had gekregen om de Volksdeutschen vanuit de ussr en de Banaat te repatriëren en vervolgens te gaan werken aan de germanisering van het Oosten, door een Germaans protectoraat te creëren aan de grens met de Slavische gebieden, ten westen van Oost-Galicië en Wolhynië. Ik besprak de details met de vertegenwoordiger van Globocnik, een medewerker van het rkf die kantoor hield in het stadhuis, een hoge baroktoren aan het vierkante stadsplein met een ingang op de eerste verdieping, waar je kwam via een majestueuze dubbele trap in halvemaanvorm. Tussen november en maart, vertelde hij, waren er ruim honderdduizend personen verdreven – de arbeidsgeschikte Polen waren door de organisatie van Sauckel naar Duitse fabrieken gestuurd, de andere Polen naar Auschwitz, en alle joden naar Belzec. Het rkf wilde hier in hun plaats Volksdeutschen zien te krijgen; maar ondanks alle propaganda, ondanks de natuurlijke rijkdom van de bodem, bleek het aantrekken van voldoende kolonisten een moeilijke opgave. Op mijn vraag of ze misschien ontmoedigd werden door de tegenslagen die we in het Oosten te verduren kregen – dit gesprek voerde ik begin juli en de grote slag om Koersk was net begonnen – keek de nauwgezette administrateur me verbaasd aan en verzekerde me dat zelfs de Volksdeutschen niet geneigd waren tot defaitisme, dat ons luisterrijke offensief de situatie hoe dan ook weldra zou doen keren en Stalin op de knieën zou dwingen. Bij al zijn optimisme verloor de man zich vervolgens toch in een moedeloos betoog over de economische toestand ter plaatse; ondanks de subsidies was dit gebied nog lang niet in staat zichzelf te bedruipen, in plaats daarvan was het volledig afhankelijk van de voedsel- en geldinjecties van het rkf: de meeste kolonisten, zelfs zij die compleet ingerichte boerderijen hadden gekregen, met alles erop en eraan, waren niet bij machte hun gezin te voeden; en voor degenen die zelf een onderneming wilden gaan opzetten, zou het jaren duren voordat ze zich staande zouden kunnen houden. Na dit bezoek reed Piontek me naar het gebied ten zuiden van Himmlerstadt: het was inderdaad een mooie streek, met lieflijke heuvels, weiden, bosschages, fruitbomen, een gebied dat er al meer Galicisch dan Pools uitzag en waar weelderige akkers zich uitstrekten onder een egaal lichtblauwe lucht, spaarzaam opgefleurd met witte wolkjes. Uit nieuwsgierigheid reed ik door naar Belzec, een stadje vlak bij de grens van het district. Ik stopte bij het station, waar een zekere drukte heerste: auto’s en karren bewogen zich door de hoofdstraat, officieren van verschillende legeronderdelen en kolonisten in versleten kleren wachtten op een trein, aan de rand van de weg boden boerinnen met een meer Roemeens dan Duits uiterlijk appels te koop aan, die op omgedraaide kisten waren gelegd. Voorbij de spoorlijn verrezen de bakstenen bouwsels van een soort fabriekje; precies daarachter, een paar honderd meter verder, steeg uit een berkenbos dikke, zwarte rook op. Ik liet mijn papieren zien aan een ss-onderofficier die daar stond, en vroeg hem waar het kamp was: hij wees naar het bos. Ik stapte weer in de auto en we reden ongeveer driehonderd meter over de hoofdweg langs de spoorbaan, in de richting van Rava-Russkaja en Lemberg; het kamp lag aan de andere kant van de rails, tussen hoge sparren en berken. In de omheining van prikkeldraad waren takken en twijgen gestoken om het kamp zelf aan het oog te onttrekken; maar een deel daarvan was alweer verdwenen, en door de gaten zag je ploegen gedetineerden die als nijvere mieren in de weer waren, barakken en stukken omheining sloopten; de rook kwam van een onzichtbaar terrein dat iets hoger lag, achter in het kamp; het was windstil, maar toch werd de lucht verpest door een weeë, akelige stank, die zelfs tot in de auto drong. Na alles wat me was verteld en wat ik te zien had gekregen, had ik eigenlijk gedacht dat de kampen van Aktion Reinhard op onbewoonde en moeilijk toegankelijke plaatsen waren; maar dit kamp bevond zich vlak bij een stadje, waar het wemelde van de Duitse kolonisten en hun familieleden; de treinen over deze voornaamste spoorverbinding tussen Galicië en de rest van het gg, waarin zich dagelijks burgers en militairen verplaatsten, reden vlak langs het prikkeldraad, dwars door de afschuwelijke stank en de rook: en al die mensen, handelaars, reizigers, zwermden in beide richtingen uit, kletsten, gaven commentaar, schreven brieven, verspreidden geruchten en grappen.

En hoe dan ook, ondanks het verbod, ondanks de geheimhoudingsverklaringen en Globocniks dreigementen, bleven de mannen van de Einsatz praten. Je hoefde alleen maar een ss-uniform te dragen, geregeld in de bar van het Deutsches Haus te komen en daar nu en dan een drankje aan te bieden om snel overal van op de hoogte te raken. De neiging om te praten werd extra bevorderd door de duidelijk merkbare moedeloosheid, teweeggebracht door het nieuws van het front dat zich dwars door het stralende optimisme van de officiële communiqués heen moeiteloos liet ontcijferen. Wanneer werd rondgeschetterd dat op Sicilië onze Italiaanse bondgenoten met steun van onze strijdkrachten dapper standhouden, begreep iedereen dat de vijand zich niet had laten terugdrijven in zee, maar eindelijk in Europa een tweede front had geopend; over Koersk groeide de ongerustheid met de dag, want na de eerste triomfen bleef de Wehrmacht hardnekkig en ongewoon stil: uiteindelijk werd melding gemaakt van een geplande strategie van flexibele tactieken rondom Orjol, maar op dat moment was de situatie ook de meest geborneerde geesten al wel enige tijd duidelijk. Velen tobden over deze ontwikkelingen, en het was nooit moeilijk om tussen de schreeuwlelijken die avond aan avond de beest uithingen, iemand te vinden die in zijn eentje zwijgend zat te drinken en dan met hem in gesprek te gaan. Zo raakte ik een keer aan de praat met een man in het uniform van Untersturmführer, die met een pul bier voor zich op de bar leunde. Döll, zo heette hij, leek gevleid dat een hogere officier hem informeel benaderde; overigens was hij ruim tien jaar ouder dan ik. Hij wees naar mijn ‘Orde van het bevroren vlees’ en vroeg waar ik die winter was geweest; ik noemde Charkov, en dat stelde hem op zijn gemak. ‘Daar was ik ook, tussen Charkov en Koersk. Speciale operaties.’ – ‘Maar u was toch niet bij de Einsatzgruppe?’ – ‘Nee, het ging om iets anders. Eigenlijk ben ik niet van de ss.’ Hij bleek zo’n beruchte medewerker van de Führer-kanselarij. ‘Onder elkaar noemen we het t-4. Zo heette die actie.’ – ‘En wat deed u daar in de buurt van Charkov?’ – ‘U moet weten ik was in Sonnenstein, zo’n centrum voor zieken, waar...’ Ik knikte om te laten weten dat ik wist waar hij het over had, en hij ging door. ‘In de zomer van ’41 was het daar voorbij. Een deel van ons werd als specialisten beschouwd, die wilden ze behouden en die hebben ze naar Rusland gestuurd. We waren een hele delegatie, Oberdienstleiter Brack zelf voerde het bevel, er waren ziekenhuisartsen bij, alles, en ja, we deden speciale acties. Met vergassingswagens. In ons soldijboekje hadden we allemaal een speciale notitie, een rood papier ondertekend door het okw, waarop stond dat het verboden was ons te dicht naar het front te sturen: ze waren bang dat we in handen van de Russen vielen.’ – ‘Ik begrijp het niet goed. De speciale maatregelen in die streek, alle maatregelen van de Sipo, vielen onder verantwoordelijkheid van mijn Kommando. U zegt dat u vergassingswagens had, maar hoe kunt u belast zijn geweest met dezelfde taken als wij, zonder dat wij het wisten?’ Op zijn gezicht verscheen een verbeten, bijna cynische uitdrukking: ‘We waren niet met dezelfde taken belast. De joden en bolsjewieken die daar zaten, die lieten we ongemoeid.’ – ‘Wat dan?’ Hij aarzelde, nam nog een paar grote slokken, veegde met de rug van zijn hand het schuim van zijn lippen. ‘Wij hielden ons bezig met de gewonden.’ – ‘De Russische gewonden?’ – ‘U begrijpt het niet. Met onze eigen gewonden. Die zo zwaar waren toegetakeld dat ze geen nuttig leven meer konden leiden; die werden naar ons gestuurd.’ Het werd me duidelijk, en toen hij dat zag glimlachte hij: het gewenste effect was bereikt. Ik draaide me naar de bar en bestelde nog een rondje. ‘Dus u bedoelt Duitse gewonden,’ zei ik ten slotte zacht. – ‘Zo is het. Een ongelofelijke klerestreek. Mannen als u en ik, die alles hadden gegeven voor de Heimat, en dan pssst! Zo werden ze bedankt. Ik mag wel zeggen dat ik blij was toen ik hierheen werd gestuurd. Erg vrolijk is het hier ook niet, maar het is tenminste niet zoals daar.’ Onze glazen werden voor ons neergezet. Hij vertelde me over zijn jeugd: hij had een technische opleiding gevolgd, hij had boer willen worden maar was door de crisis bij de politie terechtgekomen: ‘Mijn kinderen hadden honger, alleen zo wist ik zeker dat er iedere dag eten op tafel zou staan.’ Eind 1939 was hij ingezet op Sonnenstein, voor de Aktion Gnadentod. Hij had geen idee waarom ze hem hadden gekozen. ‘Aan de ene kant was het niet zo prettig, maar aan de andere kant hoefde ik niet naar het front, het werd behoorlijk betaald, mijn vrouw was tevreden. Dus ik heb niets gezegd.’ – ‘En Sobibor?’ Want daar werkte hij op dit moment, had hij me verteld. Hij haalde zijn schouders op: ‘Sobibor? Ach, alles went.’ Hij maakte een eigenaardige beweging, die mij trof: met de punt van zijn laars wreef hij over de vloer, alsof hij iets vermorzelde. ‘Kleine mannen en kleine vrouwen, ’t maakt allemaal niet uit. Het is of je een kakkerlak vertrapt.’

Toen men na de oorlog probeerde te begrijpen wat er was gebeurd, is veelvuldig gesproken van ‘onmenselijkheid’. Maar neemt u me niet kwalijk, onmenselijkheid bestaat niet. Er is alleen het menselijke, niets dan het menselijke, en deze Döll was daar een goed voorbeeld van. Wat was Döll anders dan een degelijke huisvader, die zijn kinderen te eten wilde geven en gehoorzaamde aan de regering van zijn land, ook al was hij het er diep van binnen niet helemaal mee eens? Als hij in Frankrijk of in Amerika was geboren, dan was hij een steunpilaar van de samenleving en een patriot genoemd; maar hij werd geboren in Duitsland en dus is het een misdadiger. Zoals de Grieken al wisten is Anankè, de godin van de Noodzaak, niet alleen blind maar ook wreed. Waarmee ik niet wil zeggen dat het in die jaren aan misdadigers ontbrak. Zoals ik al probeerde te laten zien, was heel Lublin ondergedompeld in een louche sfeer van corruptie en uitspattingen; door de Einsatz, maar ook door de kolonisatie en de economische exploitatie van dit geïsoleerde gebied, raakte menigeen van slag. Naar aanleiding van wat mijn vriend Voss erover had gezegd, heb ik nadien veel nagedacht over het verschil tussen het Duitse kolonialisme zoals dat in die jaren in het Oosten werd gepraktiseerd, en het kolonialisme van de Britten en de Fransen, dat ogenschijnlijk beschaafder was. Het gaat daarbij, zoals Voss benadrukte, om objectieve feiten: toen Duitsland in 1919 zijn koloniën verloor, moest het zijn leidinggevende ambtenaren terugroepen en zijn kantoren voor koloniaal bestuur sluiten; de opleidingsinstituten bleven uit principe open, maar wegens gebrek aan beroepsperspectieven meldde zich daar niemand meer; twintig jaar later was er een schat aan kennis verloren gegaan. Anderzijds had het nationaal-socialisme een nieuwe impuls gegeven aan een hele generatie, vervuld van nieuwe ideeën en hongerig naar nieuwe ervaringen, die misschien wel opwogen tegen de vroegere ervaringen in de koloniën. Wat de excessen betreft – en dan noem ik de absurde uitspattingen waaraan men zich in het Deutsches Haus te buiten ging of, stelselmatiger, het kennelijke onvermogen van ons bestuursapparaat om de gekoloniseerde volken anders dan met geweld en minachting tegemoet te treden, terwijl een aantal van die volken bereid zou zijn geweest ons terwille te zijn als ze daar iets voor teruggekregen hadden – mogen we niet vergeten dat ons kolonialisme, zelfs in Afrika, een fenomeen van recente datum was, en dat de andere landen het er in het begin nauwelijks beter van hadden afgebracht: men denke aan de massale uitroeiingsactiviteiten van de Belgen in Congo, aan hun politiek van systematische verminking, of aan het Amerikaanse beleid, voor ons een voorloper en een voorbeeld, aangezien het door moord en gedwongen verhuizing levensruimte schiep – men is vaak geneigd het te vergeten, maar Amerika was allesbehalve een ‘maagdelijk continent’, het verschil is alleen dat de Amerikanen geslaagd zijn waar wij hebben gefaald. Zelfs de Engelsen, die zo vaak als voorbeeld worden genoemd en voor wie Voss zo’n grote bewondering koesterde, hadden het trauma van 1858 nodig om wat elegantere bestuursmethoden te gaan ontwikkelen; en ook al hebben ze het spel van de afwisseling van de wortel en de zweep gaandeweg virtuoos leren beheersen, toch mag niet worden vergeten dat juist de zweep een belangrijke rol is blijven spelen, zie bijvoorbeeld het bloedbad van Amritsar, het bombardement van Kaboel en nog talloze andere voorvallen, die in vergetelheid zijn geraakt.

Inmiddels ben ik wel ver van mijn uitgangspunt afgedwaald. Wat ik eigenlijk wilde zeggen is dat de mens weliswaar niet van nature goed is, zoals sommige dichters en filosofen hebben beweerd, maar evenmin van nature slecht: goed en kwaad zijn categorieën waarmee het effect van de handelingen van de ene mens op de ander kan worden gekwalificeerd; naar mijn mening zijn ze echter volledig ongeschikt en zelfs onbruikbaar om te beoordelen wat er omgaat in het hart van die ene mens. Döll doodde mensen of gaf daartoe opdracht, dat is dus het Kwaad; maar op zich was het een man die goed was voor de mensen in zijn naaste omgeving, die tegenover anderen neutraal stond en die bovendien de wet respecteerde. Wat kan men meer verlangen van de gemiddelde mens in onze beschaafde, democratische steden? En hoeveel filantropen, waar ook ter wereld, die befaamd zijn om hun bijzondere vrijgevigheid, zijn aan de andere kant monsters van egoïsme en gevoelloosheid, hongerend naar publieke roem, opgeblazen van ijdelheid, tirannen voor hun naaste omgeving? Ieder mens wil zijn eigen behoeften bevredigen en blijft onverschillig voor die van de anderen. En om de mensen in staat te stellen met elkaar samen te leven, om de door Hobbes beschreven situatie van ‘allen tegen allen’ te vermijden maar, juist door wederzijdse hulpvaardigheid en de daaruit voortvloeiende verhoogde productiviteit, in ruimere mate aan hun wensen te voldoen, zijn regulerende instanties nodig, die grenzen stellen aan die verlangens en die conflicten beslechten: dat is het mechanisme van de wet. Het is echter ook noodzakelijk dat de mensen, egoïstisch en zwak als ze zijn, de dwang van de wet aanvaarden, en daarom dient de wet te verwijzen naar een instantie buiten de mens, gebaseerd te zijn op een macht die door de mens ervaren wordt als boven hem gesteld. Zoals ik Eichmann tijdens het etentje bij hem thuis had geschetst, is deze hoogste en denkbeeldige autoriteit lange tijd gelijkgesteld met de idee van God; van die onzichtbare en almachtige God is ze overgegaan op de fysieke persoon van de koning, heerser bij de gratie Gods; en toen de koning werd onthoofd, ging de soevereiniteit over op het Volk of de Natie en werd ze gegrondvest op een fictief ‘contract’, zonder historisch of biologisch fundament en dus even abstract als de idee van God. Het Duitse nationaal-socialisme wilde de soevereiniteit verankeren in het Volk, een historische realiteit: het Volk is soeverein, en de Führer brengt deze soevereiniteit tot uitdrukking, is er de belichaming of personificatie van. De wet is een afgeleide van deze soevereiniteit, en voor de meeste mensen in alle landen vallen de wet en de moraal samen: in die zin is de categorische imperatief, waar Eichmann zich zo druk om maakte, die gegrondvest is op de rede en voor alle mensen geldt, een fictie zoals alle wetten (maar misschien een nuttige fictie). De bijbelse wet zegt: gij zult niet doden, en staat geen enkele uitzondering toe; elke jood en christen begrijpt echter dat deze wet in oorlogstijd wordt opgeschort, dat het gerechtvaardigd is om de vijand van het eigen volk te doden, dat daarin geen zonde ligt; is de oorlog eenmaal afgelopen, zijn de wapens weer opgeborgen, dan kiest de oude wet weer zijn vreedzame koers, alsof er nooit een onderbreking is geweest. Daarom is een Duitser een goede Duitser wanneer hij gehoorzaamt aan de wetten en dus aan de Führer: een andere moraal is niet mogelijk, want er is niets waarop deze zou kunnen berusten. (Het is dan ook geen toeval dat de weinigen die zich tegen de macht hebben verzet, overwegend godsdienstig waren: zij hadden een ander moreel referentiekader, ze konden voor zichzelf bepalen wat goed en kwaad was door zich te beroepen op een andere macht dan de Führer, ze gebruikten God als rechtvaardiging om hun leider en hun land te verraden: zonder God zouden ze dit niet gekund hebben, want hoe hadden ze dit verraad dan moeten billijken? Wie kan in zijn eentje, louter op grond van zijn eigen wil, de scheidslijn trekken tussen goed en kwaad? Wat een bandeloosheid en ook wat een chaos zou er ontstaan als iedereen zich zo’n eigenmachtige houding zou aanmeten: als elke mens zou leven volgens zijn privéwet, hoe kantiaans ook – dan zouden we binnen de kortste keren weer terug bij Hobbes zijn.) Wil men het Duitse optreden tijdens de oorlog als crimineel bestempelen, dan moet men dus heel Duitsland om rekenschap vragen en niet alleen Döll. Dat Döll in Sobibor verzeild is geraakt en zijn buurman niet, is louter toeval, en Döll draagt geen zwaardere verantwoordelijkheid voor Sobibor dan zijn fortuinlijker buurman; tegelijkertijd is zijn buurman even verantwoordelijk voor Sobibor als hij, want beiden stellen zij zich oprecht en toegewijd ten dienste van hetzelfde land, het land dat Sobibor heeft gecreëerd. Wanneer een soldaat naar het front wordt gestuurd, protesteert hij niet; hij zet niet alleen zijn leven op het spel, hij wordt gedwongen te doden, ook al wil hij dat niet; zijn wil heeft afgedaan; blijft hij op zijn post, dan wordt hij deugdzaam genoemd, maar slaat hij op de vlucht, dan is hij een deserteur, een verrader. De man die naar een concentratiekamp wordt gestuurd, en ook degene die bij een Einsatzkommando of bij een politiebataljon wordt ingedeeld, redeneert het grootste deel van de tijd niet anders: hij weet dat zijn eigen wil niets betekent en dat alleen het toeval bepaalt of hij een held wordt, een moordenaar, of een dode. Er is ook een benadering mogelijk vanuit een morele invalshoek die niet joods-christelijk is (of niet-confessioneel en democratisch, wat strikt genomen op hetzelfde neerkomt) maar Grieks: de Grieken gaven het toeval een plaats in het menselijk bestaan (een toeval dat, het dient gezegd, vaak vermomd was als goddelijk ingrijpen); ze waren echter geenszins van oordeel dat dit toeval ook maar iets aan hun persoonlijke verantwoordelijkheid afdeed. Het misdrijf heeft betrekking op de daad, niet op de wil. Wanneer Oedipus zijn vader doodt, weet hij niet dat hij een vadermoord begaat; onderweg een vreemdeling doden die je heeft beledigd, is volgens het Griekse geweten en de Griekse wet een legitieme daad, waar geen enkele schuld aan kleeft; de vreemdeling in kwestie was echter Laïus, en onwetendheid doet niets aan de misdaad af: dat erkent Oedipus, en als hij uiteindelijk de waarheid te weten komt, kiest hij zelf zijn straf en voltrekt hij die ook zelf. Het verband tussen wil en misdaad is een christelijke notie, die voortleeft in het moderne recht; zo wordt onopzettelijke moord of dood door nalatigheid in het strafrecht wel als een misdaad beschouwd, maar is de straf hiervoor minder zwaar dan voor moord met voorbedachten rade; hetzelfde geldt voor het juridische concept van de ontoerekeningsvatbaarheid, die ter vermindering van de schuld kan worden aangevoerd; in de negentiende eeuw raakten criminaliteit en geestesziekte definitief met elkaar verbonden. Voor de Grieken is het niet van belang dat Heracles zijn kinderen in een vlaag van waanzin doodt of dat Oedipus zijn vader per ongeluk vermoordt: dat verandert niets aan de feiten, het is een misdaad, ze zijn schuldig; men kan hen beklagen, maar vrijspraak is onmogelijk – zelfs wanneer het vaak niet aan de mensen maar aan de goden is om de straf te voltrekken. In die zin was het een juist uitgangspunt dat er in de naoorlogse processen werd geoordeeld op grond van concrete daden, zonder dat de toevalsfactor in aanmerking werd genomen; niettemin is men onhandig te werk gegaan: omdat de rechtspraak werd uitgeoefend door vreemdelingen van wie zij de waarden niet erkenden (wél hun rechten als overwinnaar), konden de Duitsers zich van die last ontheven voelen en zichzelf dus als onschuldig beschouwen; omdat de niet-veroordeelde de veroordeelde beschouwde als het slachtoffer van een ongelukkig toeval, sprak hij hem vrij en sprak hij tegelijk zichzelf vrij; en degene die wegkwijnde in een Engelse gevangenis of in een Russische goelag, redeneerde net zo. Hoe zou het ook anders kunnen? Hoe valt het voor een gewone man te begrijpen dat iets wat de ene dag nog juist is, de volgende dag als een misdaad wordt bestempeld? Mensen hebben behoefte aan leiding, daar kunnen ze niets aan doen. Dit zijn complexe vraagstukken en simpele antwoorden bestaan niet. Wie weet waar de wet is? Iedereen moet ernaar zoeken, maar dat is niet eenvoudig, en het is normaal dat je je voegt naar de consensus van het moment. We kunnen niet allemaal wetgever zijn. Het was waarschijnlijk mijn ontmoeting met een rechter die mij tot nadenken over al deze kwesties stemde.

Voor iemand die niet gediend was van de drinkgelagen in het Deutsches Haus, had Lublin weinig afleiding te bieden. In mijn vrije uren had ik de oude stad en het kasteel bezichtigd; ’s avonds liet ik mijn eten op mijn kamer brengen en las ik. Ik had de Festgabe van Best en het boek over de rituele moord op mijn boekenplank in Berlijn achtergelaten; de verzameling opstellen van Maurice Blanchot die ik in Parijs had gekocht, had ik meegenomen en ik was er weer van voren af aan in begonnen; na dagen vol moeilijke gesprekken vond ik het plezierig om me te laten meevoeren naar die andere wereld vol licht en ideeën. Kleine voorvallen bleven echter mijn rust verstoren: dat kon hier in het Deutsches Haus blijkbaar niet anders. Op een avond, ik was enigszins onrustig, te verstrooid om te kunnen lezen, ging ik naar de bar om een schnaps te drinken en wat te praten (de meeste stamgasten kende ik inmiddels). Toen ik weer naar boven ging was het donker, en ik vergiste me in de kamer; de deur stond open, ik liep naar binnen: op het bed waren twee mannen met een vrouw aan het neuken, de een lag op zijn rug, de ander zat op zijn knieën en de vrouw, eveneens geknield, zat tussen beiden in. Het duurde even voordat ik begreep wat ik zag; nadat, als in een droom, de dingen tot een begrijpelijk geheel waren samengevoegd, mompelde ik een excuus en wilde weggaan. Maar de geknielde man, die op zijn laarzen na naakt was, trok zich terug en stond op. Terwijl hij zijn stijve lid in zijn hand hield en er zacht over wreef, wees hij met de andere hand, als om me uit te nodigen zijn plaats in te nemen, naar haar billen, waarin de roze omkranste anus als een kluisgat tussen de twee witte bollen openstond. Van de andere man zag ik alleen de harige benen, de ballen en het lid, dat in de kroezige vagina verdween. De vrouw liet een zwak gekreun horen. Met een glimlach schudde ik zwijgend mijn hoofd, liep weg en trok zachtjes de deur achter me dicht. Hierna was ik nog minder geneigd om mijn kamer te verlaten. Wel ging ik grif in op Höfles uitnodiging voor een openluchtontvangst die door Globocnik werd gegeven vanwege de verjaardag van de garnizoenscommandant. Het feest vond plaats op het terrein van de Julius-Schreck-Kaserne, het hoofdkwartier van de ss: achter een lomp, oud gebouw strekte zich een mooi park uit, met een groen grasveld omzoomd door bloembedden en op de achtergrond hoge bomen; voorbij die bomen waren nog enkele huizen te zien en daarna begon het akkerland. Er waren houten schraagtafels neergezet en de gasten stonden in groepjes op het gazon te drinken; voor de bomen, boven speciaal daarvoor gegraven kuilen, werden een heel hert en twee varkens gebraden aan het spit, dat werd bediend door een paar manschappen. De Spiess die me bij mijn aankomst had opgevangen, bracht me rechtstreeks naar Globocnik, die stond te praten met zijn eregast, Generalleutnant Moser, en met enkele burgerfunctionarissen. Het was amper twaalf uur, maar Globocnik was al aan de cognac en rookte een dikke sigaar, het zweet droop van zijn rode gezicht over de kraag van zijn dichtgeknoopte uniformjas. Bij het groepje aanbeland sloeg ik mijn hakken tegen elkaar en salueerde, waarna Globocnik me de hand schudde en aan de anderen voorstelde; ik feliciteerde de generaal met zijn verjaardag. ‘Zo, Sturmbannführer,’ begon Globocnik, ‘willen uw onderzoekingen een beetje vlotten? Wat hebt u zoal ontdekt?’ – ‘Het is nog wat vroeg om conclusies te trekken, Gruppenführer. Bovendien gaat het om vrij technische problemen. Maar het is duidelijk dat het beschikbare arbeidspotentieel beter kan worden benut.’ – ‘Alles kan altijd beter! Voor de ware nationaal-socialist bestaat er enkel beweging en vooruitgang. U zou de Generalleutnant hier eens moeten spreken: die beklaagde zich er zojuist nog over dat we een paar joden uit fabrieken van de Wehrmacht hebben weggehaald. Legt u hem maar ’s uit dat hij ze alleen maar door Polen hoeft te vervangen.’ – ‘Waarde Globocnik,’ kwam de generaal, ‘ik beklaag me niet; ik begrijp die maatregelen net zo goed als ieder ander. Ik zeg alleen dat de belangen van de Wehrmacht ook moeten worden overwogen. Veel Polen zijn elders in het Reich tewerkgesteld, en de Polen die hier zijn gebleven, moeten eerst worden omgeschoold, dat kost tijd; door zonder overleg zulk soort maatregelen te treffen belemmert u de oorlogsproductie.’ Globocnic lachte bulderend: ‘Wat u bedoelt, waarde Generalleutnant, is dat die Polski’s te stom zijn om fatsoenlijk te leren werken en dat de Wehrmacht liever joden heeft. En inderdaad: de joden zijn slimmer dan de Polen. Daarom zijn ze ook gevaarlijker.’ Hij zweeg even en wendde zich naar mij: ‘Maar, Sturmbannführer, ik wil u niet ophouden. Op de tafels staat drank, bedien uzelf, veel genoegen!’ – ‘Dank u, Gruppenführer.’ Ik salueerde en liep naar een van de tafels, die vol stond met flessen wijn, bier, schnaps, cognac. Ik schonk een glas bier in en keek om me heen. Nieuwe gasten stroomden toe, ik herkende vrijwel niemand. Er waren wat vrouwen in uniform, medewerksters van de sspf, maar de meeste vrouwen droegen burgerkleren, het waren officiersvrouwen. Florstedt was in gesprek met zijn collega’s van het kamp; Höfle zat in zijn eentje op een bank te roken, zijn ellebogen op een tafel geplant, een open bierflesje voor zich, in gedachten verzonken. Kort geleden had ik gehoord dat hij in het voorjaar zijn beide kinderen had verloren, een tweeling die aan difterie was gestorven; in het Deutsches Haus werd verteld dat hij tijdens de begrafenis jankend was ingestort, omdat hij zijn ongeluk beschouwde als een straf van God, en dat hij sindsdien niet meer de oude was geworden (twintig jaar later zou hij trouwens in het huis van bewaring in Wenen zelfmoord plegen, zonder het oordeel van de Oostenrijkse rechter af te wachten, dat toch beslist milder zou zijn uitgevallen dan dat van God). Ik besloot hem niet te storen en voegde me bij Johannes Müller, de kds van Lublin, die met twee anderen in gesprek was. Van gezicht kende ik kdo Kintrup; Müller stelde me voor aan zijn andere gesprekspartner: ‘Dit is Sturmbannführer Dr. Morgen. Net als u staat hij onder rechtstreeks bevel van de Reichsführer.’ – ‘Juist ja. In welke functie?’ – ‘Dr. Morgen is als ss-rechter aan de Kripo verbonden.’ Morgen zelf lichtte toe: ‘Momenteel leid ik een commissie die speciaal door de Reichsführer is benoemd om onderzoek te doen in de concentratiekampen. En u?’ Ik vertelde hem kort wat mijn opdracht behelsde. ‘Ah, u houdt zich dus ook met de kampen bezig,’ merkte hij op. Kintrup was weggelopen. Müller tikte me op de schouder: ‘Meine Herren, als u over het werk wilt praten, dan laat ik u. Het is zondag.’ Ik groette en wendde me weer naar Morgen. Hij nam me op met zijn alerte, intelligente ogen, die licht versluierd werden door de glazen van zijn haast randloze bril. ‘Wat doet uw commissie precies?’ vroeg ik. – ‘Het is in feite een ss- en politierechtbank “voor bijzondere taken”. Ik heb een directe volmacht van de Reichsführer om onderzoek te doen naar de corruptie in de kl’s.’ – ‘Heel interessant. Zijn er veel problemen?’ – ‘Dat is zacht uitgedrukt. Er is sprake van grootschalige corruptie.’ Hij gebaarde met zijn hoofd naar iemand achter mij en glimlachte fijntjes: ‘Wanneer Sturmbannführer Florstedt u met mij samen ziet, zal dat uw eigen werk niet vergemakkelijken.’ – ‘Doet u onderzoek naar Florstedt?’ – ‘Onder anderen.’ – ‘En dat weet hij?’ – ‘Uiteraard. Het is een officieel onderzoek, ik heb hem al verscheidene malen ondervraagd.’ Hij had een glas witte wijn in zijn hand; hij dronk wat, ook ik nam een slok. ‘Wat u vertelt interesseert me bijzonder,’ ging ik verder toen mijn glas leeg was. Ik vertelde hem van mijn indrukken omtrent de verschillen tussen de officiële voedingsnormen en wat de gedetineerden feitelijk kregen. Terwijl hij luisterde knikte hij zo nu en dan: ‘Ja, en hoogstwaarschijnlijk worden er ook levensmiddelen gestolen.’ – ‘Door wie?’ – ‘Door iedereen. Van hoog tot laag. De koks, de kapo’s, de ss-Führer, de depotchefs en ook de hogere gelederen.’ – ‘Als dat waar is, is het een schandaal.’ – ‘Absoluut. De Reichsführer is er persoonlijk zeer door geraakt. Een ss-man moet een idealist zijn: hij kan zijn werk niet doen als hij intussen met vrouwelijke gedetineerden neukt en zijn zakken vult. Toch gebeurt dat.’ – ‘En vordert uw onderzoek?’ – ‘Het gaat moeizaam. Iedereen houdt elkaar de hand boven het hoofd en de weerstand is enorm.’ – ‘Maar als u toch de volle steun hebt van de Reichsführer...’ – ‘Dat is pas sinds kort. Deze speciale rechtbank is nog geen maand geleden in het leven geroepen. Ik ben al meer dan twee jaar met mijn onderzoek bezig en ondervind veel tegenwerking. Toen we begonnen, was ik verbonden aan ss- en Politierechtbank xii in Kassel; het eerste kamp waar we onderzoek naar deden was kl Buchenwald, vlak bij Weimar, preciezer gezegd naar de Kommandant van dat kamp, een zekere Koch. Maar het werd ons onmogelijk gemaakt om tot gerechtelijke vervolging over te gaan: Obergruppenführer Pohl heeft Koch toen een felicitatiebrief gestuurd, waarin hij onder andere schreef dat hij hem bescherming aanbood telkens wanneer een of andere werkloze jurist opnieuw zijn beulshanden naar de onschuldige Koch zou uitstrekken. Dat weet ik, omdat Koch die brief in brede kring heeft laten circuleren. Maar ik heb het niet opgegeven. Koch werd als kampcommandant overgeplaatst naar hier, en ik ben hem gevolgd. Ik heb een netwerk van corruptie ontdekt, dat zich over de verschillende kampen uitstrekte. Vorige zomer is Koch dan eindelijk geschorst. Maar hij had er alvast voor gezorgd dat de meeste getuigen waren vermoord, onder wie een Hauptscharführer in Buchenwald, een van zijn handlangers. Hier heeft hij alle joodse getuigen laten ombrengen; daar zijn we ook een onderzoek naar begonnen, maar toen werden alle joden van het kl geëxecuteerd; toen we daar iets tegen wilden doen, beriep men zich op bevelen van hogerhand. – ‘Zulke bevelen zijn er, dat zult u toch weten.’ – ‘Dat is me op dat moment pas duidelijk geworden. En uiteraard hebben wij in zo’n geval geen enkele bevoegdheid. Toch is er wel een onderscheid: wanneer een ss’er een jood ter dood laat brengen omdat hem dat van hogerhand is bevolen, dan is dat één ding; maar als hij een jood ter dood laat brengen om zijn eigen malversaties toe te dekken of zijn eigen perverse lusten te bevredigen, zoals ook wel gebeurt, dan ligt de zaak anders, dat is een misdaad. Ook al zou de jood hoe dan ook zijn gestorven.’ – ‘Ik ben het volledig met u eens, maar het onderscheid is lastig te maken.’ – ‘Juridisch gezien valt dat inderdaad niet mee: je kunt je verdenkingen koesteren, maar om iemand in staat van beschuldiging te stellen moet je bewijzen hebben en zoals ik al zei, die figuren helpen elkaar allemaal, en ze laten getuigen verdwijnen. Uiteraard is er soms geen twijfel mogelijk: zo doe ik ook onderzoek naar de echtgenote van Koch, een seksueel gestoorde vrouw die getatoeëerde gevangenen ter dood heeft laten brengen om hun huid af te stropen; van de gelooide huiden liet ze lampenkappen en dergelijke maken. Zodra de bewijsvoering rond is, wordt ze gearresteerd, en ik twijfel er niet aan of ze wordt ter dood veroordeeld.’ – ‘En hoe is uw onderzoek naar Koch zelf afgelopen?’ – ‘Dat is nog gaande; als ik hier klaar ben met mijn werk en alle bewijzen in handen heb, verwacht ik hem opnieuw te kunnen aanhouden. Ook hij verdient de doodstraf.’ – ‘Dus hij is nu weer op vrije voeten? Ik kan u niet helemaal volgen.’ – ‘In februari is hij vrijgesproken. Maar op dat moment was ik niet meer met die zaak belast. Ik had problemen met iemand anders, niet uit een kamp maar een officier van de Waffen-ss, een zekere Dirlewanger. Een dolle idioot, die de leiding heeft over een eenheid van misdadigers en stropers aan wie gratie is verleend. In 1941 kwam mij ter ore dat hij samen met zijn kornuiten hier in het gg zogenaamd wetenschappelijke experimenten deed: hij diende jonge vrouwen strychnine toe en bleef dan al sigaretten rokend kijken hoe ze stierven. Maar toen ik hem wilde vervolgen, werd hij met zijn eenheid naar Wit-Rusland overgeplaatst. Ik kan u zeggen dat hij binnen de ss op zeer hoog niveau bescherming geniet. Uiteindelijk werd ik van mijn functie ontheven, tot ss-Sturmmann gedegradeerd en naar Rusland gestuurd, waar ik eerst bij een marsbataljon terechtkwam en daarna bij de ss-Viking Divisie. In die periode is de procedure tegen Koch vastgelopen. Maar in mei ben ik door de Reichsführer teruggeroepen, tot Sturmbannführer van de reserve benoemd en bij de Kripo aangesteld. Na een nieuwe klacht van het bestuur van het district Lublin over diefstal van goederen die aan gedetineerden hadden toebehoord, gaf hij mij opdracht om deze commissie te vormen.’ Ik knikte bewonderend: ‘U laat u niet afschrikken door tegenslag.’ Morgen lachte kort: ‘Niet echt. Al voor de oorlog, ik was toen rechter bij het Landgericht van Stettin, ben ik ontslagen omdat ik het niet eens was met een bepaald vonnis. Zo ben ik bij het ss-Gericht terechtgekomen.’ – ‘Mag ik vragen waar u hebt gestudeerd?’ – ‘O, ik heb nogal rondgezworven. Ik heb gestudeerd in Frankfurt, Berlijn en Kiel, daarna ook nog in Rome en in Den Haag.’ – ‘Kiel! Aan het Instituut voor Wereldeconomie? Daar heb ik ook een deel van mijn studie gedaan. Bij professor Jessen.’ – ‘Die ken ik goed. Bij professor Ritterbusch heb ik volkenrecht gestudeerd.’ We wisselden nog wat herinneringen uit aan Kiel; Morgen, zo ontdekte ik, sprak uitstekend Frans, en nog vier andere talen. Daarna kwam ik terug op ons eerste onderwerp: ‘Waarom bent u in Lublin begonnen?’ – ‘In eerste instantie om Koch te pakken te krijgen. Dat is nu bijna zover. En de klacht van het districtsbestuur vormde een goed excuus. Maar er gebeuren hier allerlei bizarre dingen. Voordat ik hier was, kreeg ik een rapport van de kds over een joodse bruiloft in een werkkamp. Er zouden daar meer dan duizend bruiloftsgasten zijn geweest.’ – ‘Ik begrijp het niet helemaal.’ – ‘Een jood, een belangrijke kapo, is in dat Judenlager getrouwd. Er waren onvoorstelbare hoeveelheden eten en drank. ss-bewakers feestten mee. Het kan niet anders of er zijn strafbare feiten gepleegd.’ – ‘Waar was dat?’ – ‘Dat weet ik niet. Na mijn aankomst in Lublin heb ik Müller ernaar gevraagd. Hij hield zich erg op de vlakte. Hij stuurde me naar het kamp van de daw, maar daar wisten ze nergens van. Daarna werd me aangeraden Wirth te bezoeken, een Kriminalkommissar, weet u wie ik bedoel? En Wirth zei dat het waar was en dat dit zijn methode was om de joden uit te roeien: aan sommige gaf hij bepaalde privileges, die hem dan hielpen de andere te doden; vervolgens werden ook de handlangers gedood. Ik wilde hier meer van weten, maar de Gruppenführer heeft me verboden de kampen van de Einsatz te betreden, en de Reichsführer heeft dat verbod bekrachtigd.’ – ‘U hebt met betrekking tot de Einsatz dus geen enkele juridische bevoegdheid?’ – ‘Voor zover het om de vernietigingsactie gaat niet, nee. Niemand heeft me echter verboden na te gaan wat er gebeurt met de in beslag genomen goederen. De Einsatz levert enorme bedragen op, in goud, deviezen en kostbaarheden. Dat alles behoort toe aan het Reich. Ik ben hier in de Chopin-straat al in hun depots gaan kijken, en ik verwacht mijn onderzoek te kunnen voortzetten.’ – ‘Alles wat u vertelt,’ zei ik geestdriftig, ‘is voor mij geweldig interessant. Ik hoop dat we een en ander nader kunnen bespreken. In zekere zin vullen onze opdrachten elkaar aan.’ – ‘Ja, ik begrijp wat u bedoelt: de Reichsführer wil orde op zaken stellen. Omdat ze u minder wantrouwen, kunt u misschien dingen boven tafel krijgen die voor mij verborgen blijven. We zien elkaar nog wel.’

Globocnik was al een paar minuten bezig de gasten aan tafel te nodigen. Ik zat tegenover Kurt Claasen, een collega van Höfle, en naast een praatlustige ss-secretaresse. Ze wilde mij onmiddellijk deelgenoot maken van haar amoureuze perikelen, maar gelukkig begon Globocnik een toespraak ter ere van generaal Moser, zodat ze nog even geduld moest oefenen. Globocnik hield het kort, waarna alle aanwezigen opstonden om op Mosers gezondheid te klinken; vervolgens sprak de generaal zelf nog enkele woorden van dank. Het eten werd opgediend: het aan het spit gebraden gedierte was vakkundig in stukken gesneden en werd op houten bladen over de tafels verdeeld, zodat iedereen er zich naar believen van kon bedienen. Verder waren er salades en verse groenten – een heerlijke maaltijd. De secretaresse naast mij knabbelde aan een wortel en stak meteen weer van wal; ik concentreerde me op het eten en luisterde met een half oor. Ze had het over haar verloofde, een Hauptscharführer die in Drohobycz, in Galicië, was gestationeerd. Het was een tragische geschiedenis: om hem had zij haar verloving met een Weense soldaat verbroken, en de man was nog getrouwd met een vrouw van wie hij niet hield. ‘Hij wilde scheiden, maar ik heb iets stoms uitgehaald, ik heb de soldaat met wie ik gebroken had toch weer ontmoet, hij had er zelf om gevraagd, maar ik heb erin toegestemd en Lexi’ – dat was de nieuwe verloofde – ‘kwam erachter en werd daardoor afgeschrikt, want hij was niet zeker meer van mijn liefde, en toen is hij teruggegaan naar Galicië. Toch houdt hij gelukkig nog steeds van me.’ – ‘En wat doet hij in Drohobycz?’ – ‘Hij zit bij de Sipo, hij speelt voor generaal over de joden van de Durchgangsstrasse.’ – ‘Ik snap het. En ziet u elkaar vaak?’ – ‘Als we verlof hebben. Hij wil dat ik bij hem intrek, maar ik weet het niet. Het schijnt daar een vieze bedoening te zijn. Hij zegt wel dat ik de joden niet hoef te zien, dat hij een mooi huis voor ons kan vinden. Maar zolang we niet getrouwd zijn, ik weet niet, hij moet eerst scheiden. Wat vindt u?’ Ik had mijn mond vol hertenvlees en beperkte me tot een schouderophalen. Daarna praatte ik wat met Claasen. Aan het eind van de maaltijd verscheen er een orkestje, dat zich opstelde op de treden die naar het park leidden en vervolgens een wals inzette. Verscheidene paren stonden op en liepen naar het gazon om te gaan dansen. De jonge secretaresse, die vast teleurgesteld was over mijn gebrek aan belangstelling voor haar liefdesverwikkelingen, danste met Claasen. Aan een andere tafel zag ik Horn, die later gekomen was, en ik stond op om een praatje met hem te maken. Enige tijd geleden had hij bij het zien van mijn kunstleren aktentas voorgesteld er een van echt leer voor me te laten maken, zogenaamd om me te kunnen laten zien dat zijn joden kwaliteitswerk leverden; en die tas had ik net gekregen, een fraai exemplaar van marokijnleer met een geelkoperen ritssluiting. Ik bedankte hem hartelijk, maar drong er ook op aan het leer en de arbeidstijd te mogen betalen, om elk misverstand te voorkomen. ‘Geen enkel probleem,’ zei Horn. ‘Ik zorg dat u een rekening krijgt.’ Morgen was blijkbaar vertrokken. Ik dronk nog een glas bier, rookte wat en keek naar de dansende paren. Het was warm en door dat machtige vlees en de alcohol begon ik flink te zweten. Ik keek om me heen: verscheidene mannen hadden hun uniformjasje van boven of zelfs helemaal opengeknoopt; ik deed mijn kraag los. Globocnik liet geen dans voorbijgaan, telkens vroeg hij een van de officiersvrouwen of een secretaresse; ook mijn tafeldame belandde in zijn armen. Maar bijna niemand had zijn uithoudingsvermogen; na enkele walsen en andere dansen werd het orkestje om andere muziek gevraagd, en een koor van Wehrmacht- en ss-officieren verzamelde zich om Drei Lilien, kommt ein Reiter, bringt die Lilien en andere liederen ten gehore te brengen. Claasen was met een glas cognac bij me komen staan; hij was in hemdsmouwen, zijn gezicht was rood en opgeblazen; hij lachte grimmig en terwijl het orkestje Es geht alles vorüber speelde, zong hij zacht de cynische variant:

Es geht alles vorüber

Es geht alles vorbei

Zwei Jahre in Russland

Und nix ponimai.

‘Als de Gruppenführer jou hoort, Kurt, dan beland je binnen de kortste keren als Sturmmann in Orjol en daar is het ook nix ponimai.’ Wippern, een andere afdelingsleider van de Einsatz, was bij ons komen staan en sprak Claasen berispend toe. ‘Goed, we gaan zwemmen, kom je?’ Claasen keek mij aan. ‘Komt u ook? Achter in het park is een zwembad.’ Ik pakte nog een biertje uit een koeler en volgde hen tussen de bomen door. Een eind verderop hoorde ik gelach en gespetter. Links achter de dennenbomen liep prikkeldraad. ‘Wat is daar?’ vroeg ik aan Claasen. – ‘Een klein kamp voor Arbeitsjuden die door de Gruppenführer voor onderhoudswerkzaamheden worden gebruikt – de tuin, de auto’s, dat soort dingen.’ Het zwembad was door een lichte terreinplooi van het kamp gescheiden; verscheidene mensen, onder wie twee vrouwen in badpak, zwommen of lagen in het gras te zonnen. Claasen kleedde zich tot zijn onderbroek uit en sprong in het water. ‘Komt u?’ riep hij toen hij weer opdook. Ik nam nog een paar slokken en kleedde me uit, legde mijn uniform opgevouwen naast mijn laarzen en ging het water in. Het was koel en had een soort theekleur; ik trok een paar baantjes en bleef toen middenin op mijn rug drijven, mijn blik naar de hemel en de wuivende boomkruinen. Achter mij hoorde ik de twee jonge vrouwen babbelen, ze zaten op de rand van het zwembad en lieten hun voeten in het water bungelen. Plotseling ontstond er een schermutseling: een paar officieren hadden Wippern, die zich niet wilde uitkleden, in het water geduwd; vloekend en tierend probeerde hij in zijn doorweekte uniform het zwembad uit te komen. Terwijl ik de anderen zag lachen en zelf in het midden van het zwembad bleef rondpeddelen, doken er van achter de terreinplooi twee gehelmde Orpo’s op met een geweer over hun schouder, die twee magere mannen in gestreepte pakken voor zich uit duwden. Claasen, die nog steeds in zijn onderbroek druipend aan de rand van het zwembad stond, riep: ‘Franz! Wat heeft dat te betekenen?’ De beide Orpo’s salueerden; de gedetineerden, met hun muts in de hand, hun blik op de grond gericht, bleven staan. ‘Deze jidden zijn betrapt toen ze aardappelschillen stalen, Herr Sturmbannführer,’ legde een van de Orpo’s uit met het zware accent van de Volksdeutscher. ‘Onze Scharführer heeft ons opgedragen ze te fusilleren.’ Claasens gezicht betrok: ‘Goed, maar dan toch hopelijk niet hier. De Gruppenführer heeft gasten.’ – ‘Nee, nee, Herr Sturmbannführer, we gaan een stuk verder, naar de kuil daarginds.’ Plotseling overviel me een dwaze angst: de Orpo’s gingen die joden hier ter plekke doodschieten en in het zwembad gooien, en dan moesten we in het bloed zwemmen, tussen de op hun buik drijvende lijken. Ik bekeek de joden; de een, rond de veertig, wierp een steelse blik op de vrouwen, de ander, jonger, met een gelige huid, hield zijn ogen strak op de grond gericht. Allesbehalve gerustgesteld door de laatste woorden van de Orpo voelde ik een enorme spanning, mijn angst werd alleen maar groter. Terwijl de Orpo’s doorliepen, bleef ik in het midden van het zwembad, ik dwong mezelf om diep in te ademen en te blijven drijven. Maar het water leek nu zwaar en verstikkend tegen me aan te drukken. Deze vreemde toestand duurde tot ik een eind verder, zwak waarneembaar, als het plop! plop! van champagnekurken, de twee geweerschoten had gehoord. Langzaam nam mijn angst af, om helemaal te verdwijnen toen ik de Orpo’s zag terugkomen, nog steeds met hun zware, bedachtzame tred. In het voorbijgaan groetten ze opnieuw en ze liepen door naar het kamp. Claasen was met een van de vrouwen in gesprek, Wippern probeerde zijn uniform uit te wringen. Ik draaide me op mijn rug en liet me drijven.