#

In Minvody nam ik de trein en begon ik aan de moeizame tocht naar het noorden. Het treinverkeer was sterk ontregeld en ik moest een aantal keren overstappen. In de smerige wachtruimten hielden zich honderden soldaten op, die staand of neergeploft op hun bepakking wachtten tot ze soep of een bekertje surrogaatkoffie kregen uitgereikt, voordat ze werden ingeladen op weg naar het onbekende. Op een bank werd een hoekje voor me vrijgemaakt en daar bleef ik apathisch zitten, totdat ik door een oververmoeide stationschef wakker werd geschud. In Salsk ten slotte werd ik in een trein gezet die afkomstig was uit Rostov, met manschappen en materieel voor het leger van Hoth. Deze heterogene eenheden waren inderhaast en nogal willekeurig geformeerd; ze bestonden uit verlofgangers die langs de hele route naar het Reich, tot aan Lublin en zelfs Posen, waren tegengehouden en weer naar Rusland teruggestuurd, uit overjarige dienstplichtigen die een versnelde training hadden gekregen, uit convalescenten die uit de lazaretten waren gehaald, uit losse soldaten van het Zesde Leger die na het debacle buiten de Kessel waren teruggevonden. Slechts weinigen leken de ernst van de situatie te beseffen; dat was niet zo vreemd, want in de militaire communiqués werd hardnekkig over het onderwerp gezwegen, hoogstens was er sprake van activiteiten in de sector Stalingrad. Ik zei niets tegen die mannen, zette mijn bagage weg en installeerde me in de hoek van een coupé, in mezelf teruggetrokken, turend naar de grote, plantaardige vormen, vertakt en verfijnd, die door de rijp op het raampje waren getekend. Ik wilde niet denken maar werd toch overspoeld door gedachten, bitter en vol zelfmedelijden. Bierkamp had me beter voor een vuurpeloton kunnen zetten, raasde een innerlijk stemmetje, dat zou menselijker zijn geweest dan die huichelachtige verhandelingen over de educatieve waarde van een omsingelde positie in de Russische winterkou. Goddank heb ik in ieder geval mijn pelsjas en mijn laarzen, zeurde een ander stemmetje. Ik kon mij in alle oprechtheid moeilijk voorstellen wat de educatieve waarde was van gloeiendhete metaalsplinters in mijn vlees. Wanneer een jood of een bolsjewiek werd gefusilleerd was de educatieve waarde nihil, die gingen dood, meer niet, al hadden we ook daarvoor tal van aardige eufemismen. Wanneer de Russen iemand wilden straffen, stuurden ze hem naar een sjtrafbat, waar de levensverwachting zelden verder reikte dan een paar weken: die methode was bruut maar eerlijk, zoals het meeste wat ze deden. Dit was in mijn ogen trouwens een van hun grote voordelen ten opzichte van ons (afgezien nog van hun schijnbaar ontelbare divisies en tanks): bij hen wist je in ieder geval waar je aan toe was.

De spoorlijnen waren overbelast, uren stonden we op zijsporen te wachten, overgeleverd aan ondoorgrondelijke, door mysterieuze en verre instanties opgestelde voorrangsregels. Soms dwong ik mezelf naar buiten te gaan om daar de snijdende lucht in te ademen en mijn benen te strekken: om de trein heen was niets, een weidse vlakte, wit en leeg, waar de wind overheen joeg en alle leven uit was geweken. Onder mijn voeten kraakte de harde, droge sneeuwkorst; wanneer ik mijn gezicht recht in de wind hield, sprongen er kloofjes in mijn wangen; dan keerde ik de wind mijn rug toe en keek naar de steppe, naar de trein met de witberijpte raampjes, naar de paar andere mannen die net als ik naar buiten waren gedreven, omdat ze zich verveelden of last hadden van diarree. Er kwamen dwaze verlangens in me op: gaan liggen in de sneeuw, opgerold in mijn pelsjas, en als de trein weer vertrok daar blijven liggen, op dat moment al toegedekt met een wit laagje, in een cocon die in mijn verbeelding zacht was, warm, week als de schoot waaruit ik ooit zo wreed was verdreven. Die vlagen van neerslachtigheid verontrustten me; wanneer ik mezelf weer in de hand had, vroeg ik me af hoe die sombere buien te verklaren waren. Ik was er niet aan gewend. Angst misschien, was mijn uiteindelijke idee. Goed, angst dus, maar angst waarvoor? De dood meende ik innerlijk te hebben bedwongen, niet pas sinds de bloedbaden in de Oekraïne maar al veel eerder. Was dit misschien een illusie, een gordijn dat mijn geest had neergelaten voor het primitieve, dierlijke instinct dat daarachter weggedoken zat? Ja, misschien was dat het, maar misschien ook was het de gedachte dat ik zou worden ingesloten, dat ik levend zou binnengaan in die onmetelijke openluchtgevangenis, als in een ballingsoord waaruit geen terugkeer mogelijk was. Ik had de wens gekoesterd om dienstbaar te zijn; vanuit die dienstbaarheid had ik voor mijn land en volk moeilijke, afschuwelijke dingen gedaan, die tegen mijn aard ingingen; en nu werd ik verbannen, weg van mezelf en van het collectieve leven, en moest ik me voegen bij mensen die al dood waren, die waren opgegeven. Het offensief van Hoth? Stalingrad was geen Demjansk, en al vóór 19 november snakten we uitgeput naar adem, waren we aan het eind van onze krachten, wij die zo machtig waren en meenden nog maar aan het begin te staan. Stalin, de sluwe Osseet, had tegen ons de tactiek van zijn Scythische voorouders ingezet: de eindeloze terugtocht, steeds dieper het binnenland in, ‘het kleine spel’, zoals Herodotus het noemde, ‘de helse achtervolging’; een spel spelen, de leegte benutten. ‘Toen de Perzen de eerste tekenen van uitputting en ontmoediging begonnen te vertonen, bedachten de Scythen een manier om hun moed weer wat te doen groeien en hen zo de kelk tot de bodem te laten ledigen. Ze offerden doelbewust enkele kuddes, die ze goed zichtbaar lieten ronddwalen en waar de Perzen zich gretig op stortten. Zo verbeterde de stemming van de Perzen weer enigszins. Een aantal malen liep Darius aldus in de val, maar uiteindelijk werd hij uitgeleverd aan de hongersnood.’ Op dat moment, zo verhaalt Herodotus, stuurden de Scythen Darius hun mysterieuze boodschap in de vorm van een aantal geschenken: een vogel, een rat, een kikker en vijf pijlen. Voor ons was er geen geschenk, geen boodschap, maar in plaats daarvan dood en vernietiging, de teloorgang van alle hoop. Is het mogelijk dat ik dat indertijd allemaal heb gedacht? Zouden die ideeën niet veel later bij me zijn opgekomen, toen het einde naderde, of toen het allemaal afgelopen was? Dat kan, maar ik kan het ook al hebben gedacht tussen Salsk en Kotelnikovo, want de bewijzen waren voorhanden, je hoefde alleen maar je ogen open te doen om ze te zien, en misschien had mijn somberheid mij de ogen geopend. Het valt moeilijk uit te maken, zoals bij een droom die ’s ochtends slechts vage, wrange sporen achterlaat, zoals de cryptische tekeningen die ik op een kinderlijke manier, met mijn nagel, in de rijp op de treinraampjes kraste.

In Kotelnikovo, het startpunt voor het offensief van Hoth, moest eerst een andere trein worden uitgeladen, pas enkele uren daarna konden wij uitstappen. Het was een landelijk stationnetje van verweerde bakstenen, met wat perrons van gestort beton tussen de sporen; de wagons, waar het Duitse embleem op was aangebracht, droegen aan weerskanten ook Tsjechische, Franse, Belgische, Deense, Noorse aanduidingen: het materieel en de manschappen werden op dit moment uit alle uithoeken van Europa bij elkaar geharkt. Al rokend leunde ik tegen het geopende portier van mijn wagon en nam het chaotische gekrioel op het station in ogenschouw. Er waren Duitse militairen van alle legeronderdelen, Russische en Oekraïense Polizisten, om hun arm een band met het hakenkruis en verder toegerust met een oud geweer, Hiwi’s met ingevallen gezichten, boerinnen die rood zagen van de kou, naar het station gekomen om iets te verkopen of te ruilen: wat armzalige gepekelde groenten of een magere kip. De Duitsers droegen lange mantels of pelzen; de Russen waren in korte, met molton gevoerde jassen, vaak met scheuren, waar plukken stro of stukken krant uit staken; en die bonte menigte praatte, rumoerde, verdrong zich ter hoogte van mijn laarzen in een breed, hortend gewoel. Precies onder mij hielden twee lange, treurige soldaten elkaar bij een arm; wat verder weg liep over het perron een uitgeteerde Rus, vuil, trillend, gekleed in niet meer dan een dun jasje, een accordeon tussen zijn handen: hij begaf zich naar groepjes soldaten en Polizisten, die hem met een botte opmerking of een duw te kennen gaven dat hij moest ophoepelen, of hem in het gunstigste geval de rug toekeerden. Toen hij voor me langs liep, haalde ik wat kleingeld uit mijn zak en reikte hem dat aan. Ik dacht dat hij door zou lopen, maar hij bleef staan en vroeg in een mengelmoes van Russisch en gebrekkig Duits: ‘Wat wil je? Volks, traditioneel, Kozak?’ Ik begreep niet wat hij precies bedoelde en haalde mijn schouders op: ‘Net wat je wilt.’ Hij liet dat antwoord even bezinken en zette vervolgens een Kozakkenlied in, dat ik kende omdat ik het in de Oekraïne vaak had gehoord, met dat refrein dat zo vrolijk gaat van Oj, ti Galja, Galja molodaja...en waarin het gruwelijke verhaal wordt verteld van een jong meisje dat door de Kozakken wordt ontvoerd, met haar lange blonde vlechten wordt vastgebonden aan een spar en dan levend verbrand. Het was schitterend. De man zong, zijn gezicht naar mij opgeheven: in zijn vaalblauwe ogen lag een zachte glans, die door de alcohol en de vuiligheid heen brak; zijn wangen, overwoekerd door een rossige baard, trilden licht; zijn door drank en slechte tabak aangevreten basstem klonk helder, zuiver, vast, en hij zong het ene couplet na het andere, alsof hij nooit meer zou stoppen. De toetsen van de accordeon klikten onder zijn vingers. Op het perron was het gewoel vertraagd, lichtelijk verbaasd stonden de mensen naar hem te kijken en te luisteren, zelfs degenen die hem net nog zo bot hadden bejegend, gegrepen als ze waren door de simpele schoonheid van dit lied, die zo schril tegen de omgeving afstak. Van de andere kant kwamen achter elkaar drie dikke kolchozvrouwen aangelopen, als drie vette ganzen in een dorpsstraat, voor hun gezicht een gebreide wollen sjaal in de vorm van een grote witte driehoek. De accordeonist belemmerde hun de doorgang en ze bogen langs hem heen als zeewater langs een rots; zonder zijn lied te onderbreken zwenkte hij licht naar de andere kant, waarna de vrouwen hun weg langs de trein vervolgden, terwijl de menigte zich al luisterend herschikte; verscheidene soldaten waren de coupés uit gelopen en stonden achter mij in de deuropening te luisteren. Er leek geen eind aan te komen, na elk couplet begon hij aan een nieuw, en de mensen wilden ook niet dat er een eind aan kwam. Ten slotte was dat einde er dan toch; zonder op geld te wachten liep hij door naar de volgende wagon en aan mijn voeten verspreidden de mensen zich, gingen door met hun bezigheden of met wachten.

Eindelijk mochten wij de trein verlaten. Op het perron bekeken Feldgendarmen de papieren en dirigeerden de soldaten naar de verschillende verzamelpunten. Mij stuurden ze naar een stationsgebouw dat als kantoor diende en waar een afgetobde medewerker me met doffe ogen aankeek: ‘Stalingrad? Ik heb geen idee. Hier is het leger van Hoth.’ – ‘Er is me verteld dat ik hierheen moest en dan naar een van de vliegvelden zou worden gebracht.’ – ‘De vliegvelden, die zijn aan de andere kant van de Don. U moet naar het hoofdkwartier.’ Een Feldgendarm liet me instappen in een vrachtwagen die naar het aok moest. Daar trof ik eindelijk een operatieofficier die iets wist: ‘De vluchten naar Stalingrad gaan vanaf Tatsinskaja. Maar officieren die zich bij het Zesde Leger moeten voegen, vertrekken normaal vanaf Novotsjerkassk, daar is het hoofdkwartier van de Legergroep Don. Wij hier hebben ongeveer elke drie dagen een verbinding met Tatsinskaja. Ik begrijp niet waarom ze u hierheen hebben gestuurd. Nou ja, we proberen wel iets voor u te regelen.’ Hij bracht me onder in een slaapzaal met verscheidene stapelbedden. Een paar uur later was hij weer terug. ‘Het is in orde. Tatsinskaja stuurt u een Storch. Komt u maar mee.’ Een chauffeur reed me de stad uit naar een provisorische startbaan in de sneeuw. Ik wachtte nog een tijdje in een hut met een brandende kachel, waar ik met een aantal onderofficieren van de Luftwaffe surrogaatkoffie dronk. Over de luchtbrug naar Stalingrad waren ze somber: ‘We verliezen vijf tot tien toestellen per dag en in Stalingrad schijnen ze te vergaan van de honger. Mocht generaal Hoth geen doorbraak kunnen forceren, dan gaan ze daar allemaal kapot.’ – ‘Als ik u was, zou ik niet zo’n haast maken om erheen te gaan,’ voegde een ander er vriendschappelijk aan toe. – ‘Kunt u niet zorgen dat u een beetje verdwaalt?’ zei de eerste weer. Op dat moment landde slingerend de kleine Fieseler Storch. De piloot nam niet eens de moeite om de motor af te zetten, hij maakte aan het eind van de baan een draai en bracht het toestel in startpositie. Een van de mannen van de Luftwaffe hielp mee mijn bagage te dragen. ‘In ieder geval bent u warm gekleed,’ schreeuwde hij boven het gebrom van de propeller uit. Ik klom aan boord en nam plaats achter de piloot. ‘Bedankt dat u bent gekomen!’ riep ik naar hem. – ‘Geen dank, we doen vaak taxiwerk,’ antwoordde de piloot luidkeels, om zich verstaanbaar te maken. Nog voordat ik kans had gezien mijn riemen te bevestigen, steeg hij al op en zette koers naar het noorden. De avond viel maar het was onbewolkt, en voor het eerst zag ik het gebied van bovenaf. Tot aan de horizon strekte zich eenvormig een witte vlakte uit; hier en daar trok een nietig spoor een povere, rechte streep door het weidse land. De balka’s zagen eruit als langwerpige, donkere gaten, weggedoken onder het tanende licht dat over de steppe streek. Waar verschillende sporen elkaar kruisten, stonden de restanten van half verzwolgen dorpen, met huizen zonder dak en vol sneeuw. Vervolgens kwam de Don, een witte reuzenslang die zich door de witte steppe kronkelde en te onderscheiden was aan de naar blauw zwemende oevers en de schaduw van de heuvels rechts van de rivier. Op de achtergrond rustte de zon als een dikke rode bol op de horizon, maar dat rood gaf nergens kleur aan, de sneeuw bleef wit en blauw. Na het opstijgen was de Storch rustig en vrij laag blijven doorvliegen, als een bedaarde hommel; plotseling zwenkte het toestel naar links, het begon te duiken en onder mij zag ik twee rijen transporttoestellen, toen raakten de wielen de grond en stuiterde de Storch op de bevroren sneeuw, reed door en kwam aan het eind van het vliegveld tot stilstand. De piloot zette de motor af en wees naar een lang, laag gebouw: ‘Daar moet u heen. Ze verwachten u.’ Ik bedankte en liep snel met mijn bagage naar een deur, waar aan een stuk elektriciteitsdraad een lampje boven hing. Op de baan landde log een Junker. Nu de dag ten einde liep, daalde de temperatuur razendsnel, de kou trof me als een klap in mijn gezicht en brandde in mijn longen. Binnen vroeg een onderofficier me mijn bagage neer te zetten en hij nam me mee naar een commandozaal, waar het gonsde als in een bijenkorf. Een Oberleutnant van de Luftwaffe groette en keek mijn papieren na. ‘Helaas zijn de vluchten van vanavond al vol,’ zei hij. ‘Ik kan u op een ochtendvlucht plaatsen. Er is nog een passagier die moet wachten.’ – ‘Vliegt u ’s nachts?’ Hij keek me verbluft aan: ‘Uiteraard. Hoezo?’ Ik schudde mijn hoofd. Hij gaf opdracht me met mijn spullen naar een slaapzaal in een ander gebouw te brengen. – ‘Probeer wat te slapen,’ zei hij bij wijze van afscheid. De slaapzaal was leeg, maar op een van de bedden lag al bagage. ‘Van de officier die tegelijk met u vertrekt,’ zei de Spiess die met me meegelopen was. ‘Hij zal in de kantine zijn. Wilt u wat eten, Herr Hauptsturmführer?’ Ik volgde hem naar een andere zaal met een paar tafels en banken in het gelige licht van een gloeilamp, waar piloten en grondpersoneel zaten te eten en op gedempte toon gesprekken voerden. Aan de hoek van een tafel zat Hohenegg, alleen; toen hij me zag begon hij hard te lachen: ‘Mijn waarde Hauptsturmführer! Wat hebt u nu weer voor stomme streek uitgehaald?’ Ik kreeg een kleur van vreugde, haalde een bord stevige erwtensoep met brood en een kop ersatz en nam tegenover hem plaats. ‘Ik heb het genoegen van uw gezelschap toch niet te danken aan dat mislukte duel?’ was de volgende vraag die hij stelde, met zijn montere, aangename stem. ‘Dat zou ik mezelf niet vergeven.’ – ‘Hoe bedoelt u?’ Hij keek verlegen en geamuseerd tegelijk: ‘Ik moet bekennen dat ik degene was die uw plan heeft verraden.’ – ‘U!’ Ik wist niet of ik kwaad moest worden of in lachen zou uitbarsten. Hohenegg zag eruit als een betrapte schooljongen. ‘Ja. Om te beginnen wil ik u zeggen dat het werkelijk een idioot idee was, misplaatste Duitse romantiek. En bovendien, weet u nog, wilden ze ons in de val laten lopen. Ik was absoluut niet van zins om me samen met u te laten afslachten.’ – ‘Herr Oberstarzt, u mist het nodige vertrouwen. Samen zouden we die val hebben omzeild.’ Ik gaf een beknopt verslag van mijn conflicten met Bierkamp, Prill en Turek. ‘U hoeft niet te klagen,’ was zijn conclusie. ‘Het wordt een heel interessante ervaring, dat weet ik zeker.’ – ‘Dat heeft mijn Oberführer me ook voorgehouden. Maar ik heb mijn twijfels.’ – ‘Dan hebt u nog niet de juiste filosofische instelling. Ik had u anders ingeschat.’ – ‘Misschien ben ik veranderd. En u, Herr Oberstarzt? Wat brengt u hier?’ – ‘Een geneeskundige pennenlikker in Duitsland heeft beslist dat dit de aangewezen gelegenheid was om studie te doen naar de effecten van ondervoeding op onze soldaten. Volgens aok 6 was het de moeite niet waard, maar het okh heeft het doorgedrukt. En mij is dus gevraagd die boeiende studie te verrichten. Ik moet bekennen dat mijn nieuwsgierigheid wel gewekt is, ondanks de omstandigheden.’ Met mijn lepel wees ik naar zijn ronde buik: ‘Laten we hopen dat u niet uzelf hoeft te gaan bestuderen.’ – ‘Hauptsturmführer, u wordt grof. Wacht maar met lachen tot u zo oud bent als ik. Hoe gaat het trouwens met onze jonge vriend de linguïst?’ Ik keek hem ernstig aan: ‘Die is dood.’ Zijn gezicht betrok: ‘Ach. Dat spijt me zeer.’ – ‘Mij ook.’ Ik at mijn soep en dronk thee. Die was vies en bitter, maar goed voor de dorst. Ik stak een sigaret op. ‘Ik mis uw riesling, Herr Oberstarzt,’ zei ik met een glimlach. – ‘Ik heb nog een fles cognac,’ antwoordde hij. ‘Maar laten we die bewaren. Die drinken we in de Kessel samen op.’ – ‘Herr Oberstarzt, zeg nooit dat u morgen dit of dat gaat doen zonder eraan toe te voegen: zo God het wil.’ Hij schudde zijn hoofd: ‘U bent uw roeping misgelopen, Hauptsturmführer. Laten we gaan slapen.’

Rond zes uur in de ochtend haalde een onderofficier me uit een onrustige slaap. De kantine was koud en vrijwel verlaten, ik negeerde de bittere smaak van de thee en probeerde vooral de warmte in me op te nemen, mijn handen om de blikken mok geklemd. Daarna werden we met onze spullen naar een ijskoude hangar gebracht waar we een hele tijd moesten wachten, kleumend tussen dik ingevette machines en kisten met onderdelen. Mijn adem vormde een dikke damp die voor mijn gezicht bleef hangen in de klamme lucht. Eindelijk kwam de piloot aanlopen. ‘Ze zijn bijna klaar met tanken en dan gaan we,’ meldde hij. ‘Jammer genoeg heb ik voor u geen parachutes.’ – ‘Hebben die dan enig nut?’ vroeg ik. Hij lachte: ‘Wie door een sovjetjager wordt neergehaald, heeft in theorie nog de tijd om te springen. In de praktijk gebeurt dat nooit.’ Hij nam ons mee naar een kleine vrachtauto, waarin we naar een Junker 52 reden die aan het uiteinde van de startbaan stond. In de loop van de nacht was de lucht dichtgetrokken; aan de oostkant begon het dikke wolkendek op te lichten. Een paar mannen laadden de laatste van een aantal kleine kisten in, de piloot hielp ons met instappen en liet zien hoe we ons op een smal bankje moesten vastsnoeren. Een kleine, stevig gebouwde mecanicien kwam tegenover ons zitten; hij schonk ons een licht spottende glimlach en had verder geen aandacht meer voor ons. Uit de radio kwamen krakende geluiden en harde stemmen. De piloot ging nog eens de cabine door om achterin het een en ander te controleren, klauterend over de stapel kisten en zakken die in een stevig net waren vastgesjord. ‘Goed dat u vandaag vertrekt,’ liet hij ons in het voorbijgaan weten. ‘De Roden zitten bijna in Skassirskaja, vlak ten noorden hiervan. Binnenkort sluiten we de tent.’ – ‘Gaat u het vliegveld evacueren?’ vroeg ik. Hij trok een grimas en keerde terug naar zijn plaats. ‘U kent onze tradities, Hauptsturmführer,’ was Hoheneggs commentaar. ‘Wij evacueren pas als iedereen is gesneuveld.’ Een voor een kwamen de motoren kuchend op gang. Een doordringend geronk vulde de cabine; alles trilde, het bankje onder me, de wand achter mijn rug; op de vloer danste een vergeten bahco. Langzaam zette het toestel zich in beweging in de richting van de startbaan, het draaide, maakte snelheid; de staart ging omhoog; daarna rukte het gevaarte zich volledig los van de grond. Onze tassen, die niet waren vastgezet, gleden naar achteren; Hohenegg viel tegen mij aan. Ik keek door het raampje: we waren opgeslokt door de mist en de wolken, ik kon nauwelijks de motor zien. Het getril zette zich op een onaangename manier voort in mijn lichaam. Vervolgens verliet het vliegtuig de wolkenlaag, de hemel werd metaalblauw en de opkomende zon spreidde een kil licht uit over het onmetelijke wolkendek dat, net als de steppe, was doorgroefd met balka’s. De lucht was bijtend, de cabinewand ijskoud, ik trok mijn pelsjas dicht om me heen en dook zo veel mogelijk in elkaar. Hohenegg leek te slapen, zijn handen in zijn zakken, zijn hoofd naar voren; het trillen en schudden van het vliegtuig hinderde me, ik was niet bij machte zijn voorbeeld te volgen. Eindelijk begon het toestel te dalen; het gleed over de top van het wolkendek, dook, en opnieuw werd alles donkergrijs. Door het monotone gebrom van de propellers heen meende ik een doffe knal te horen, maar ik wist het niet zeker. Een paar minuten later schreeuwde de piloot vanuit de cockpit: ‘Pitomnik!’ Ik stootte Hohenegg aan, die kalm wakker werd en de wasem van het raampje veegde. We vlogen nu onder de wolken en beneden strekte zich de witte, eenvormige steppe uit. Voor ons uit werd een wanordelijk terrein zichtbaar: bruine kraters vormden grote vuile vlekken in de sneeuw; er lagen hopen verwrongen schroot, wit bepoederd. Het toestel daalde snel, maar nog steeds zag ik geen landingsbaan. Toen raakte het ruw de grond, stuitte terug en kwam weer neer. De mecanicien was al bezig zich uit zijn riemen te werken. ‘Snel, snel!’ schreeuwde hij. Ik hoorde een explosie, uitwaaierende sneeuw sloeg tegen het raampje en tegen de cabinewand. Koortsachtig maakte ik me los. Het vliegtuig was een beetje scheef terechtgekomen, de mecanicien deed de deur open en gooide de ladder uit. De piloot had de motoren niet afgezet. De mecanicien pakte onze tassen, smeet ze door de deuropening naar buiten en gebaarde heftig dat we eruit moesten. Een fluitende wind sloeg fijne, harde sneeuw in mijn gezicht. Rondom het vliegtuig waren dik ingepakte mannen in de weer, ze plaatsten stutten en maakten de vrachtruimte open. Ik gleed langs de ladder omlaag en pakte mijn bagage. Een Feldgendarm met een machinepistool groette en beduidde me hem te volgen. ‘Wacht, wacht!’ schreeuwde ik naar hem. Nu kwam ook Hohenegg naar beneden. Enkele tientallen meters verder ontplofte een granaat in de sneeuw, maar niemand scheen er aandacht aan te besteden. Weggeruimde sneeuw vormde langs de landingsbaan een wal; er stond daar een groep mannen te wachten, bewaakt door een aantal gewapende Feldgendarmen met hun sinistere metalen ringkraag over hun lange jas. Achter onze begeleider aan liepen Hohenegg en ik die kant uit; dichterbij gekomen zag ik dat de meeste van die mannen een of ander verband droegen of op primitieve krukken steunden; twee lagen er op een brancard; allemaal hadden ze, duidelijk zichtbaar op hun kapotjas gespeld, een gewondenkaartje. Op een teken haastten ze zich naar het vliegtuig. Achter hen was een hevig gedrang: Feldgendarmen blokkeerden een opening in een prikkeldraadversperring waarachter dicht opeengepakt een menigte verwilderde mannen stond, die brulden, smeekten, met omzwachtelde ledematen zwaaiden, opdrongen naar de Feldgendarmen, die op hun beurt brulden en hun machinepistool in de aanslag hielden. Een nieuwe knal, dichterbij, joeg een regen van sneeuw omhoog; gewonden hadden zich op de grond geworpen, maar de Feldgendarmen gaven geen krimp; achter ons werd geschreeuwd, enkele van de mannen die bezig waren het vliegtuig uit te laden, leken te zijn getroffen, ze lagen op de grond, anderen trokken hen opzij, de doorgelaten gewonden verdrongen zich om de ladder op te gaan, weer anderen gooiden de laatste zakken en kisten uit het vliegtuig. De Feldgendarm die ons vergezelde, schoot een kort salvo in de lucht en stortte zich daarna, druk met zijn ellebogen werkend, in de hysterische, smekende massa; ik volgde hem zo goed en zo kwaad als het ging en trok Hohenegg achter me aan. Verderop stonden rijen berijpte tenten, daar waren ook de donkere openingen van bunkers; nog iets verder stonden in een woud van masten, antennes en draden dicht op elkaar enkele vrachtwagens geparkeerd, voorzien van een radioverbinding; aan het eind van de landingsbaan begon een enorme stortplaats vol schroot, met opengereten of in stukken gescheurde vliegtuigen, verbrande vrachtwagens, tanks, vermorzelde machines, alles op elkaar gestapeld, half verborgen onder de sneeuw. Een aantal officieren kwam ons tegemoet; er werd wederzijds gegroet. Twee legerartsen begonnen een gesprek met Hohenegg; mij werd een jonge Leutnant van de Abwehr toegewezen, die zich voorstelde en me welkom heette: ‘Ik heb opdracht u te begeleiden en u een voertuig te bezorgen dat u naar de stad kan brengen.’ Hohenegg maakte aanstalten om zich te verwijderen. ‘Herr Oberstarzt!’ Ik gaf hem een hand. ‘We zien elkaar ongetwijfeld terug,’ zei hij vriendelijk. ‘Zo groot is de Kessel niet. Als u zich treurig voelt, kom dan naar me toe, dan drinken we die fles cognac.’ Ik gebaarde om me heen. ‘Naar mijn idee, Herr Oberstarzt, is die cognac van u geen lang leven beschoren.’ Ik volgde de Leutnant. In de buurt van de tenten zag ik hoge stapels liggen, verscheidene naast elkaar, bedekt met sneeuw. Af en toe klonk over het vliegveld een doffe knal. De Junker die ons had gebracht, koerste alweer langzaam naar het eind van de baan. Ik bleef staan om het toestel te zien opstijgen en de Leutnant keek mee. Er stond een stevige wind, je moest je ogen bijna dichtknijpen om niet te worden verblind door de fijne sneeuw die van de grond opdwarrelde. Op het goede punt aangekomen maakte het vliegtuig een draai en begon onmiddellijk zijn snelheid op te voeren. Het slingerde even naar opzij, en nog een keer, gevaarlijk dicht langs de sneeuwwal; toen kwamen de wielen los van de grond en steeg het toestel op, kreunend en hevig schommelend, alvorens in de dichte wolkenmassa te verdwijnen. Opnieuw keek ik naar de besneeuwde bult waar ik naast stond en zag nu dat het een hoop lijken was, gestapeld als omgezaagde boomstammen, hun bevroren gezichten bronskleurig met iets van groen erin en hier en daar dik baardhaar, sneeuwkristallen in hun mondhoeken, neusgaten en oogkassen. Het moesten er honderden zijn. Ik vroeg aan de Leutnant: ‘Begraaft u die niet?’ Hij stampte met een voet op de bodem: ‘Hoe wilt u ze begraven? De grond is keihard. Explosieven mogen niet worden verspild. We kunnen niet eens loopgraven maken.’ We liepen door; waar voertuigen hadden gereden was de grond glanzend en glad, je kon beter aan de kant blijven, in de opgewaaide sneeuw. De Leutnant voerde me naar iets langgerekts en laags, waar sneeuw op lag. Ik zag het aan voor een rij bunkers, maar toen ik dichterbij kwam ontdekte ik dat het half ingegraven treinwagons waren, met zandzakken tegen de wanden en op de daken, en met in de grond uitgehakte treden die naar de portieren voerden. De Leutnant liet me naar binnen; in de gang liepen officieren bedrijvig heen en weer, de coupés waren omgevormd tot kantoren; zwakke peertjes verspreidden een goorgeel licht en ergens moest een kachel branden, want het was niet zo koud. Na de papieren te hebben weggehaald waar de bank mee was bezaaid, nodigde de Leutnant me uit om in een coupé te gaan zitten. Ik zag kerstversieringen, primitieve knipsels van gekleurd papier die voor het raampje hingen, met daarachter de opeenhoping van aarde, sneeuw en bevroren zandzakken. ‘Wilt u thee?’ vroeg de Leutnant. ‘Iets anders kan ik u niet aanbieden.’ Ik wilde wel, en hij verliet de coupé. Ik zette mijn tsjapka af, trok mijn pelsjas uit en plofte neer op de bank. De Leutnant kwam terug met twee koppen surrogaatthee en gaf er een aan mij; de zijne dronk hij staande in de deuropening van de coupé. ‘U treft het niet,’ begon hij schuchter, ‘dat u net voor Kerstmis hierheen bent gestuurd.’ Ik haalde mijn schouders op en blies in de hete thee: ‘Ach, weet u, Kerstmis kan me niet zo veel schelen.’ – ‘Voor ons hier is het heel belangrijk.’ Hij wees naar de versieringen. ‘De mannen hechten er veel waarde aan. Hopelijk laten de Roden ons met rust. Maar daar mogen we niet op rekenen.’ Dat vond ik eigenaardig: in principe was Hoth toch bezig aan zijn opmars om de Kessel open te breken; volgens mij zouden de officieren dus hun terugtocht moeten voorbereiden in plaats van een kerstviering. De Leutnant keek op zijn horloge: ‘De verplaatsingen hier zijn aan strikte beperkingen onderhevig, we kunnen u niet meteen naar de stad brengen. Vanmiddag is er een verbinding.’ – ‘Uitstekend. Weet u waar ik heen moet?’ Hij keek verbaasd: ‘Naar de Kommandantur van de stad, veronderstel ik. Daar zijn alle officieren van de Sipo.’ – ‘Ik moet bij Feldpolizeikommissar Möritz zijn.’ – ‘Juist, ja.’ Hij aarzelde: ‘Gaat u wat rusten. Ik kom u straks halen.’ En hij vertrok. Even later kwam er een andere officier binnen, die me verstrooid groette en hard op een schrijfmachine begon te hameren. Ik ging de gang op, maar daar was te veel geloop. Ik kreeg honger, er was me niets aangeboden en ik wilde er ook niet om vragen. Ik rookte buiten een sigaret, daar hoorde je het geronk van de vliegtuigen en ook explosies, met onregelmatige tussenpozen. Daarna ging ik weer de coupé in om in het monotone geratel van de schrijfmachine verder te wachten.

Halverwege de middag kwam de Leutnant terug. Ik had een enorme honger. Hij wees op mijn bagage en zei: ‘De verbinding vertrekt zo meteen.’ Ik volgde hem naar een Opel die voorzien was van sneeuwkettingen en merkwaardig genoeg werd bestuurd door een officier. ‘Succes,’ zei de Leutnant nog, terwijl hij salueerde. – ‘Prettige Kerst,’ antwoordde ik. We moesten ons met vijf man in die auto proppen; door onze dikke jassen was er nauwelijks plaats en ik had het gevoel dat ik stikte. Ik legde mijn hoofd tegen het koude glas en probeerde met blazen de wasem weg te krijgen. De auto startte en kwam hobbelend op gang. Het was glad op de weg, waarlangs borden met aanwijzingen voor de militairen stonden, vastgespijkerd aan palen, planken en zelfs bevroren paardenpoten met een hoef in de lucht; ondanks de sneeuwkettingen slipte de Opel vaak in de bochten; meestal slaagde de officier erin het voertuig weer recht op de weg te krijgen, maar soms dook het de sneeuwhopen in en dan moesten we uitstappen om het weer vlot te duwen. Pitomnik, dat wist ik, lag ergens in het centrum van de Kessel, maar we gingen niet rechtstreeks naar Stalingrad; de auto volgde een grillige route en stopte bij verscheidene commandoposten; steeds stapten er officieren uit en namen andere hun plaats in; de wind was weer opgestoken en ontaardde nu in een sneeuwstorm: langzaam, als op de tast, kwamen we vooruit. Ten slotte waren daar de eerste ruïnes, schoorstenen van baksteen, restanten van muren langs de weg. Tussen twee sneeuwvlagen door zag ik een bord: stalingradverboden toeganglevensgevaarlijk. Ik wendde me naar mijn buurman: ‘Is dit een grap?’ Met een doffe blik keek hij me aan: ‘Nee. Hoezo?’ De weg slingerde zich omlaag; onderaan begon de verwoeste stad: kapotte, verbrande gebouwen met de holle, gapende gaten van de ramen. De weg was bezaaid met puin, dat soms slordig aan de kant was geschoven om de voertuigen een smalle doorgang te bieden. De dichtgesneeuwde gaten, ontstaan door granaatinslagen, stelden de schokbrekers zwaar op de proef. Aan weerszijden zag je in wanordelijke rijen de wrakken van auto’s, vrachtwagens, tanks, Duitse en Russische door elkaar heen, soms zelfs met elkaar verstrengeld. Hier en daar kruisten we een patrouille of ook wel, tot mijn verrassing, haveloze burgers, voornamelijk vrouwen, die emmers of zakken droegen. Met rammelende kettingen reed de Opel over een lange brug, die door de genie met geprefabriceerde elementen was gerepareerd en waaronder zich een spoorlijn bevond: in de diepte stonden honderden besneeuwde wagons, roerloos, sommige nog intact, andere zwaar beschadigd door de explosies. Terwijl het op de steppe stil was geweest, afgezien van het geluid van de motor, de sneeuwkettingen en de wind, was het hier een en al lawaai: luide en meer gedempte knallen, het korte geblaf van de Panzerabwehrkanonen, de ratelende mitrailleurs. Voorbij de brug ging de auto linksaf, langs de spoorlijn en de aan hun lot overgelaten goederentreinen. Rechts van ons tekende zich een langwerpig, kaal park af waarin niet één boom stond; daarachter weer zwarte, levenloze ruïnes, de gevels neergestort op straat of als decorstukken oprijzend in de lucht. De weg maakte een bocht rond het station, een groot bouwsel uit de tsarentijd, dat vroeger waarschijnlijk geel en wit was geweest; op het plein stond een wirwar van voertuigen die waren verbrand of door directe treffers vermorzeld, verwrongen vormen waarvan de contouren nauwelijks werden verzacht door de sneeuw. De auto reed schuin een lange, brede laan in: het schieten werd heviger, we reden in de richting van vlagen zwarte rook, maar ik had geen flauw idee waar de frontlijn kon zijn. De laan kwam uit op een groot, leeg, met brokstukken bezaaid plein, dat zich uitstrekte rondom een met lantaarnpalen afgegrensd plantsoen. De officier zette de auto voor een groot gebouw, met op de hoek een halfronde zuilengang waarvan de zuilen beschadigd waren door de beschietingen; daarboven gaapten leeg en zwart grote openingen waar ramen moesten hebben gezeten, en helemaal boven hing een vlag met een hakenkruis futloos aan een stok. ‘U bent er,’ zei hij tegen me, terwijl hij een sigaret opstak. Ik wurmde me naar buiten, deed de kofferbak open en pakte mijn bagage. In de galerij stonden een paar soldaten met machinepistolen, maar ze kwamen niet op de auto af. Zodra ik de kofferbak had gesloten zette de Opel zich weer in beweging, keerde snel en reed met luid rinkelende sneeuwkettingen over de laan terug in de richting van het station. Ik wierp een blik op het naargeestige plein: de omringende ruïnes leken te worden uitgedaagd door stenen of gipsen kinderen die in het midden een rondedans uitvoerden, waarschijnlijk de restanten van een fontein. De soldaten groetten toen ik bij de galerij kwam, maar lieten me niet door; verbaasd zag ik dat ze allemaal de witte mouwband van de Hiwi’s droegen. Een van hen vroeg in gebrekkig Duits naar mijn papieren en ik reikte hem mijn soldijboekje aan. Hij bekeek het, salueerde terwijl hij het teruggaf en richtte een kort bevel, in het Oekraïens, tot een van zijn kameraden. Deze beduidde mij hem te volgen. Ik beklom de treden tussen de zuilen, terwijl de glassplinters en het kapotte stucwerk kraakten onder mijn laarzen, en betrad het donkere gebouw via een brede opening zonder deuren. Vlak achter deze ingang stond een rij etalagepoppen van roze kunststof, in de meest uiteenlopende kledij: japonnen, overalls, keurige herenkostuums; de poppen, sommige met een door kogels verbrijzelde schedel, stonden nog onnozel te lachen, de handen geheven of naar voren wijzend als in een jeugdig, wanordelijk gebarenspel. In de duisternis daarachter doemden winkelkasten op, nog gevuld met huishoudelijke artikelen, verbrijzelde of omgevallen vitrines, toonbanken overdekt met gruis en puin, kledingstandaards met stippeltjesjurken en beha’s. Ik volgde de jonge Oekraïner door de paden van dit spookachtige warenhuis naar een trap waar wederom twee Hiwi’s de wacht hielden; op een woord van mijn begeleider stapten ze opzij om ons door te laten. De man voerde me naar een souterrain waar het gele, zwakke licht hing van karig gevoede gloeilampen: gangen, vertrekken die wemelden van de officieren en soldaten van de Wehrmacht met als uniform de meest uiteenlopende kledingstukken, de officiële lange jassen, maar ook grijze, met molton gevoerde jasjes, Russische kapotjassen met daarop Duitse insignes. Hoe verder we kwamen, hoe warmer, klammer en drukkender het werd. Ik liep in mijn pelsjas heftig te zweten. We gingen nog dieper, liepen door een grote, hoge coördinatiekamer, waar een met glaswerk overladen kroonluchter brandde, Louis Seize-meubels stonden en ook, her en der tussen de kaarten en mappen, kristallen glazen; uit een slingergrammofoon die op twee kisten Franse wijn stond opgesteld, kwam krakend een aria van Mozart. De officieren werkten in trainingsbroek, op pantoffels en zelfs in shorts; niemand besteedde aandacht aan mij. Aan de andere kant van de zaal begon weer een gang en eindelijk zag ik een ss-uniform: daar liet de Oekraïner me achter en een Untersturmführer bracht me naar Möritz.

De Feldpolizeikommissar, een gedrongen buldog met ronde brillenglazen en een uniform dat uit niet meer dan een broek met bretels en een morsig hemd bestond, ontving me vrij onvriendelijk: ‘Dat had ook wel wat eerder gemogen. Het is zowat drie weken geleden dat ik om iemand heb gevraagd. Nou ja, Heil Hitler.’ Aan zijn hand, die hij bijna tot de gloeilamp boven zijn grove hoofd uitstrekte, glansde een zware zilveren ring. De man kwam me vaag bekend voor: in Kiev werkte het Kommando samen met de Feldpolizei, daar was ik hem waarschijnlijk weleens op een gang tegengekomen. ‘Ik heb pas vier dagen geleden het bevel gekregen om me hier te melden. Eerder komen was onmogelijk.’ – ‘U neem ik niets kwalijk. Het zijn die ellendige kantoorlui met al hun procedures. Gaat u zitten.’ Ik trok mijn jas uit en zette mijn tsjapka af, legde alles op mijn bagage en zocht in het overvolle kantoor een zitplaats. ‘Zoals u weet ben ik geen ss-officier, mijn groep van de Feldpolizei valt onder het aok. Maar als Kriminalrat van de Kripo heb ik de verantwoordelijkheid voor alle politiediensten in de Kessel. De regeling ligt wat gevoelig, maar we kunnen goed met elkaar overweg. Het uitvoerende werk doen de Feldgendarmen, of anders mijn Oekraïners. Ik had er in totaal achthonderd, maar ja, er zijn verliezen geleden. Ze zijn verdeeld over de twee Kommandanturen, deze hier en nog een ten zuiden van de Tsaritsa. U bent de enige sd-officier in de Kessel, dus u zult uiteenlopende taken krijgen. Mijn Leiter iv zal het u precies uitleggen. Hij zal zich ook met uw intendanceproblemen bezighouden. Hij is ss-Sturmbannführer, dus u kunt aan hem verslag uitbrengen, tenzij er zich iets urgents voordoet, en dan geeft hij mij er een samenvatting van. Succes.’

Met mijn jas en bagage onder de arm stond ik weer in de gang, waar ik opnieuw de Untersturmführer trof: ‘Leiter iv, alstublieft.’ – ‘Dat is deze kant uit.’ Ik volgde hem naar een klein vertrek dat was volgestouwd met bureaus, papieren, kisten, mappen, en op elk vrij plekje een kaars. Een officier keek op: het was Thomas. ‘Zo, dat werd tijd,’ begroette hij me vrolijk. Hij stond op, liep om de tafel heen en drukte me hartelijk de hand. Zwijgend bleef ik een poos naar hem kijken. Ten slotte zei ik: ‘Wat doe jij hier?’ Zoals altijd was hij onberispelijk gekleed, gladgeschoren, brillantine in zijn haar, het uniformjasje tot bovenaan gesloten met al zijn onderscheidingen erop. Breed spreidde hij zijn armen: ‘Ik heb me als vrijwilliger gemeld, m’n beste. Wat heb je voor eetbaars bij je?’ Ik zette grote ogen op: ‘Eetbaars? Niets, hoezo?’ Op zijn gezicht verscheen een uitdrukking van afgrijzen: ‘Jij komt van buiten Stalingrad en je hebt niets eetbaars meegebracht? Je moest je schamen. Hebben ze je niet verteld hoe de toestand hier is?’ Ik beet zacht op mijn lip, het was me niet duidelijk of hij gekheid maakte: ‘Eerlijk gezegd heb ik er niet aan gedacht. Ik ging ervan uit dat de ss zelf wel het nodige zou hebben.’ Abrupt ging hij weer zitten en zijn toon werd spottend: ‘Neem plaats, kijk maar waar een kistje vrij is. De ss, dat zou je toch moeten begrijpen, heeft niets te zeggen over de vliegtuigen, noch over wat ze komen brengen. Wij krijgen alles van het aok, en dat geeft ons rantsoenen volgens de normen, dat wil zeggen op dit moment...’ – hij rommelde in de stapels op zijn bureau en haalde er een papier uit – ‘... tweehonderd gram vlees, meestal paardenvlees, per man per dag, tweehonderd gram brood en twintig gram margarine of vet. Ik hoef je niet te vertellen dat je daar zwaar aan tekortkomt,’ vervolgde hij terwijl hij het papier neerlegde.’ – ‘Toch zie je er niet beroerd uit,’ merkte ik op. – ‘Ja, gelukkig kijken sommigen verder vooruit dan jij. En verder weten onze Oekraïentjes altijd wel weer wat op te duikelen, vooral als je ze niet te veel vragen stelt.’ Ik haalde sigaretten uit de zak van mijn jasje en stak er een op. ‘In ieder geval heb ik genoeg te roken meegebracht,’ zei ik. – ‘Ah! Dus zo onnozel ben je nou ook weer niet. Vertel, je schijnt moeilijkheden met Bierkamp te hebben gehad?’ – ‘In zekere zin, ja. Een misverstand.’ Thomas boog licht naar voren en stak een vermanende vinger op: ‘Max, ik vertel je nu al jaren dat je je contacten in ere moet houden. Dat loopt nog eens slecht af.’ Ik maakte een vaag gebaar naar de deur: ‘Het lijkt al slecht te zijn afgelopen. Ik wil je trouwens erop wijzen dat jij hier ook bent.’ – ‘Maar hier zit je heel goed, behalve dan dat je slecht te bikken krijgt. Hierna komen de promoties, de decoraties e tutto il resto. We zullen als helden worden binnengehaald en in de beste salons met onze medailles kunnen pronken. Zelfs aan die strubbelingetjes van jou denkt dan niemand meer.’ – ‘Aan een klein detail ga je zo te horen voorbij: tussen jou en die salons staan een paar Russische legers. Der Manstein kommt, maar hij is er nog niet.’ Thomas keek misprijzend: ‘Jij bent weer zo defaitistisch. Bovendien ben je slecht geïnformeerd: der Manstein komt niet meer; al een aantal uren geleden heeft hij Hoth bevel gegeven om zich terug te trekken. Nu het Italiaanse front instort, hebben ze hem elders nodig. Anders gaat Rostov verloren. Hoe dan ook, zelfs al had hij ons weten te bereiken, dan zou er toch geen evacuatiebevel zijn gegeven. En zonder bevelen zou Paulus niet van zijn plaats gekomen zijn. Als je het mij vraagt, was dat hele Hoth-verhaal bedoeld voor de buitenwacht. Om Manstein een goed geweten te bezorgen. En de Führer ook, trouwens. Dit om je duidelijk te maken dat ik nooit op Hoth heb gerekend. Geef me een sigaret.’ Dat deed ik, en hij stak op. Hij blies een lange rooksliert uit, waarna hij achterover leunde in zijn stoel: ‘De onmisbare mannen, de specialisten, zullen kort voor het einde worden geëvacueerd. Op die lijst staat Möritz, en ik ook, uiteraard. Het spreekt vanzelf dat sommigen tot het einde zullen moeten blijven om op de winkel te passen. Dat is dan wat je noemt pech hebben. Het is als met onze Oekraïners: ze zijn reddeloos verloren en dat weten ze. Ze worden er kwaadaardig van en wreken zich bij voorbaat.’ – ‘Maar jij kunt eerst nog sneuvelen. Of zelfs als je weggaat: ik heb gezien dat nogal wat vliegtuigen het loodje leggen.’ Op zijn gezicht verscheen een brede glimlach: ‘Dat, m’n waarde, zijn de risico’s van het vak. Je kunt ook op de Prinz-Albrecht-Strasse door een auto worden geschept.’ – ‘Het doet me genoegen te merken dat je nog steeds even cynisch bent.’ – ‘Beste Max, ik heb je al zo vaak uitgelegd dat het nationaal-socialisme een jungle is die volgens strikt darwinistische principes functioneert. De sterksten en sluwsten overleven. Jij wilt dat maar niet begrijpen.’ – ‘Laten we het erop houden dat ik een andere kijk heb op de zaak.’ – ‘Ja, met als resultaat dat je nu in Stalingrad zit.’ – ‘En jij, heb jij echt gevraagd hierheen te mogen?’ – ‘Uiteraard waren we op dat moment nog niet omsingeld. In het begin leek het ook allemaal niet zo slecht te gaan. Bovendien, binnen de groep kwam ik niet verder. Ik voelde er niets voor om in een gat ergens diep in de Oekraïne kds te worden. Stalingrad bood interessante mogelijkheden. En als ik me eruit weet te redden, is het de moeite waard geweest. In het andere geval...’ – hij lachte breeduit – ‘c’est la vie,’ besloot hij. – ‘Je optimisme is bewonderenswaardig. En ik, wat zijn mijn toekomstperspectieven?’ – ‘Jij? Dat ligt wat gecompliceerder, vrees ik. Dat ze je hierheen hebben gestuurd, betekent dat ze je niet als onmisbaar beschouwen: dat zul je met me eens zijn. Wat de evacuatielijsten betreft zal ik zien wat ik voor je doen kan, maar ik garandeer niets. En anders kun je altijd nog een Heimatschuss oplopen. In dat geval kan worden geregeld dat je met voorrang wordt afgevoerd. Maar pas op! De wond mag niet te ernstig zijn; voor repatriëring kom je alleen in aanmerking als je nog zodanig kunt worden opgekalefaterd dat je weer dienst kunt doen. In dat opzicht beginnen ze verdomd veel ervaring te krijgen met zelfverwondingen. Je zou eens moeten zien wat die kerels allemaal verzinnen, het is soms uiterst ingenieus. Sinds eind november worden er minder Russen gefusilleerd dan mannen uit onze eigen gelederen. “Om de anderen aan te moedigen”, zoals Voltaire schreef over admiraal Byng.’ – ‘Je wilt toch niet suggereren dat ik...’ Thomas wuifde met beide handen: ‘Welnee, welnee! Niet zo overgevoelig. Dat zei ik zomaar. Heb je gegeten?’ Sinds mijn aankomst in de stad had ik daar niet meer aan gedacht; nu begon mijn maag te knorren. Thomas moest erom lachen. ‘Eerlijk gezegd al niet meer sinds vanochtend. In Pitomnik hebben ze me niets aangeboden.’ – ‘Het gevoel voor gastvrijheid gaat verloren. Kom, dan gaan we je spullen opbergen. Ik heb opdracht gegeven om je bij mij op de kamer te plaatsen, dan kan ik je goed in de gaten houden.’

Toen ik eenmaal gegeten had, voelde ik me beter. Terwijl ik een soort bouillon naar binnen werkte waar sliertjes onduidelijk vlees in dreven, had Thomas me verteld wat in hoofdzaak mijn taken zouden worden: verhalen, geruchten en Latrinenparolen verzamelen, verslag uitbrengen over het moreel van de manschappen; strijden tegen de defaitistische propaganda van de Russen; contacten onderhouden met een aantal informanten, burgers, kinderen vaak, die van de ene naar de andere linie slopen. ‘Het mes snijdt min of meer aan twee kanten,’ zei hij, ‘want ze leveren de Russen evenveel inlichtingen als ze voor ons mee terugbrengen. Bovendien liegen ze vaak. Maar soms kunnen we er iets mee.’ In de slaapkamer, een smal vertrek met een metalen stapelbed, een lege munitiekist, een emaillen teiltje plus een gebarsten scheerspiegel, had hij me een winteruniform gebracht dat aan twee kanten draagbaar was, typisch een product van het Duitse vernuft, aan de ene kant wit, aan de andere kant feldgrau. ‘Trek dit aan als je naar buiten gaat,’ zei hij. ‘Je pelsjas is geschikt voor de steppe, maar in de stad veel te lastig.’ – ‘Kunnen we dan naar buiten?’ – ‘Je zult wel moeten. Maar ik zal je een gids geven.’ Hij nam me mee naar een ruimte die bestemd was voor de wachten, waar mannen van de Oekraïense hulptroepen zaten te kaarten en thee te drinken. ‘Ivan Vassiljevitsj!’ Er keken er drie op; Thomas wees naar een van hen, die met ons de gang op liep. ‘Dit is Ivan, een van mijn beste krachten. Hij zal voor je zorgen.’ Hij keerde zich naar hem toe en gaf uitleg in het Russisch. Ivan, een jonge blonde knul, vrij spichtig, met geprononceerde jukbeenderen, luisterde aandachtig. Thomas wendde zich weer naar mij: ‘Qua discipline is Ivan geen ster, maar hij kent alle hoeken en gaten van de stad en is uiterst betrouwbaar. Ga nooit zonder hem naar buiten, doe buiten alles wat hij zegt, ook al zie je niet in waarom. Hij spreekt een beetje Duits, jullie zullen elkaar wel kunnen begrijpen. Capisce? Ik heb hem gezegd dat hij van nu af aan jouw persoonlijke lijfwacht is en met zijn leven borg staat voor het jouwe.’ Ivan groette me en ging terug de kamer in. Ik voelde me uitgeput. ‘Kom, ga slapen,’ zei Thomas. ‘Morgenavond hebben we kerstfeest.’

Tijdens mijn eerste nacht in Stalingrad, dat herinner ik me nog, had ik opnieuw een metrodroom. Het was op een station van verscheidene niveaus die onderling met elkaar verbonden waren, een gigantisch labyrint van stalen balken, loopbruggen, steile metalen ladders, wenteltrappen. De treinen kwamen aan op de perrons en reden dan met oorverdovend geraas weer verder. Ik had geen kaartje en was bang voor controle. Ik daalde een paar niveaus en glipte een trein in die, na het station te hebben verlaten, vrijwel verticaal over de rails voorovertuimelde, in duikvlucht; beneden remde hij, begon in de tegenovergestelde richting te rijden, passeerde zonder te stoppen het perron, dook aan de andere kant in een onmetelijke afgrond van licht en woest lawaai. Bij het wakker worden voelde ik me leeg, ik moest me er echt toe zetten om mijn gezicht te wassen en me te scheren. Ik had jeuk en hoopte maar dat ik geen last van luizen zou krijgen. In de uren daarna bestudeerde ik een stadsplattegrond en een aantal dossiers. Thomas maakte me verder wegwijs: ‘De Russen hebben nog een smalle strook langs de rivier in handen. Eerst waren zij omsingeld, vooral in de tijd dat de rivier ijs meevoerde en nog niet helemaal bevroren was; nu staan ze weliswaar met hun rug naar de rivier, maar omsingelen zij ons. Daar bovenaan is het Rode Plein; vorige maand is het ons gelukt om hier, iets lager, hun front in tweeën te splitsen, en we staan dus min of meer met één been in de Wolga, daar, ter hoogte van hun vroegere aanlegplaats. Als we munitie hadden, zouden we hun bevoorrading nagenoeg kunnen stilleggen, maar er mag bijna alleen worden geschoten bij een aanval, en zij verplaatsen zich vrijelijk over de ijsroutes, zelfs overdag. Hun hele logistiek, hun hospitalen, hun artillerie, alles ligt aan de overkant. Nu en dan sturen we een paar Stuka’s op ze af, maar dat zijn niet meer dan speldenprikken. Hier dichterbij hebben ze zich in een paar huizenblokken langs de rivier verschanst, verder houden ze de grote raffinaderij helemaal bezet, tot aan de voet van heuvel 102, dat is een oude Tataarse koergan die al tientallen malen is ingenomen en weer prijsgegeven. Die sector is in handen van de 100e Jägerdivision, Oostenrijkers, die trouwens worden ondersteund door een Kroatisch regiment. Voorbij de raffinaderij loopt het terrein schuin af naar de rivier, de Russen hebben daar beneden uitgebreide voorzieningen, die we ook al niet kunnen treffen, omdat onze granaten eroverheen vliegen. We hebben geprobeerd de zaak plat te leggen door een aantal oliereservoirs op te blazen, maar zodra het vuur was gedoofd, bouwden de Russen alles weer op. Verderop hebben ze dan ook nog een flink deel van de chemische fabriek Lazur, plus het hele gebied dat wordt aangeduid als “de tennisracket”, vanwege de vorm van het spoorwegemplacement. Meer naar het noorden toe zijn de meeste fabrieken van ons, behalve een deel van de ijzergieterij Rode Oktober. Op dat punt komen we bij de rivier, tot aan Spartakovka, aan de noordgrens van de Kessel. De stad zelf is in handen van het 51e legerkorps van generaal Seydlitz; maar over de sector met de fabrieken gaat het 11e korps. In het zuiden dezelfde situatie: de Roden hebben ook daar niet meer dan een smalle strook, zo’n honderd meter breed. Het is ons nooit gelukt die honderd meter te verkleinen. De stad wordt min of meer in tweeën gesplitst door de kloof van de Tsaritsa; we hebben daar aardige voorzieningen geërfd, uitgegraven in de rotswand, waar nu ons voornaamste ziekenhuis is. Achter het station is een Stalag dat beheerd wordt door de Wehrmacht; wijzelf hebben een klein kl in de kolchoz Vertjasji, voor burgers die worden opgepakt maar niet meteen geëxecuteerd. Wat valt er verder nog te melden? Er zijn bordelen in de kelders, maar die kun je in je eentje wel vinden als je geïnteresseerd bent. Ivan kent ze goed. Overigens, die hoeren zijn niet vrij van luizen.’ – ‘Over luizen gesproken...’ – ‘Ja, daar zul je aan moeten wennen. Kijk.’ Hij knoopte zijn jasje los, stak zijn hand eronder, ging zoekend rond en haalde hem weer tevoorschijn: de hand was gevuld met grijze beestjes en hij gooide ze in de kachel, waar ze begonnen te knisteren. Onverstoorbaar ging Thomas verder: ‘We hebben enorme brandstofproblemen. Schmidt, de stafchef, die in de plaats is gekomen van Heim, weet je nog, die Schmidt gaat over alle reserves, zelfs over de onze, en stelt ze maar mondjesmaat beschikbaar. En je zult het nog wel merken: Schmidt controleert hier alles. Paulus is alleen nog een marionet. Het gevolg is dat verplaatsingen per voertuig verboden zijn. Tussen heuvel 102 en station Zuid doen we alles te voet; willen we verder, dan moeten we meeliften met de Wehrmacht. Die onderhoudt min of meer geregelde verbindingen tussen de sectoren.’ Ik moest nog veel meer informatie verwerken, maar Thomas was geduldig. Halverwege de ochtend kwam het bericht dat Tatsinskaja bij het aanbreken van de dag was gevallen; de Luftwaffe had met evacueren gewacht tot de Russische tanks aan de rand van de landingsbaan stonden en had 72 toestellen verloren, bijna tien procent van de totale luchtvloot. Thomas had me de bevoorradingscijfers laten zien: die waren rampzalig. De vorige zaterdag, 19 december, hadden 154 vliegtuigen kans gezien om te landen, met 289 ton bij zich; maar er waren ook dagen van 15 of 20 ton; in het begin had aok 6 minimaal 700 ton per dag geëist, en Göring had er 500 beloofd. ‘Voor hem zou een paar weken Kessel-dieet geen kwaad kunnen,’ merkte Möritz droog op, tijdens de bijeenkomst waarin hij zijn officieren de val van Tatsinskaja meedeelde. De Luftwaffe wilde zich nu gaan installeren in Salsk, op driehonderd kilometer van de Kessel, de actieradius van de Junkers 52. Het beloofde een vrolijke Kerst te worden.

Aan het eind van de ochtend, na een bord soep en een paar droge kaakjes, zei ik tegen mezelf: zo, tijd om aan de slag te gaan. Maar waarmee te beginnen? Het moreel van de troepen? Waarom niet, het moreel van de troepen. Ik kon me heel goed indenken dat het daarmee niet best gesteld was, maar het was mijn plicht om mijn denkbeelden te staven. Het moreel van de soldaten van de Wehrmacht peilen betekende naar buiten gaan; Möritz hoefde waarschijnlijk geen rapport over het moreel van onze Oekraïense Askari’s, de enige soldaten die ik binnen handbereik had. Ik vond het een beangstigende gedachte om de zeer voorlopige veiligheid van de bunker te moeten verlaten, maar het kon niet anders. Bovendien moest ik toch ook de stad zien. Misschien zou ik eraan wennen en zou het op den duur beter gaan. Toen ik mijn uniform aantrok aarzelde ik even; ik koos voor de grijze kant, maar aan Ivans grimas zag ik dat ik de verkeerde keuze had gemaakt. ‘Het sneeuwt vandaag. Je moet de witte doen.’ Ik gaf geen commentaar op het ongepaste tutoyeren, ging terug en kleedde me om. Ik pakte ook nog een helm, want Thomas had daar sterk op aangedrongen: ‘Je zult zien, dat is van groot nut.’ Ivan gaf me een machinepistool; ik bekeek het ding weifelend, niet erg zeker of ik ermee om zou kunnen gaan, maar hing het toch aan mijn schouder. Buiten stond nog steeds een harde wind, die de sneeuwvlokken in brede spiralen voortjoeg: bij de ingang van het Univermag kon je zelfs de fontein met de kinderen niet zien. Na de verstikkende klamheid van de bunker knapte ik op van de koude, prikkelende lucht. ‘Koeda?’ vroeg Ivan. Ik had geen idee. ‘Naar de Kroaten,’ zei ik op goed geluk; die morgen had Thomas het immers over Kroaten gehad. ‘Is dat ver?’ Ivan liet een gegrom horen en ging naar rechts, een lange straat in die waarschijnlijk naar het station leidde. Het leek betrekkelijk rustig in de stad; af en toe klonk er door de sneeuw een doffe knal en daarvan werd ik al nerveus; zonder aarzelen deed ik hetzelfde als Ivan, die dicht langs de gebouwen liep; ik schuurde bijna tegen de muren aan. Ik voelde me verschrikkelijk naakt en kwetsbaar, als een krab die zijn pantser heeft afgelegd; ik was me er scherp van bewust dat ik weliswaar al achttien maanden in Rusland was, maar dat ik me nu voor het eerst werkelijk in de vuurlinie bevond; een bange beklemming verzwaarde mijn ledematen, verdoofde mijn brein. Ik heb het al eerder over angst gehad; wat ik daar voelde wil ik geen angst noemen, in ieder geval geen directe, duidelijk als zodanig ervaren angst; het schrijnde bijna fysiek, als jeuk waar je niet bij kunt, en het concentreerde zich in de blinde lichaamsdelen, nek, rug, billen. Om mezelf af te leiden keek ik naar de gebouwen aan de overkant van de straat. Verscheidene gevels waren ingestort, zodat ik in de huizen kon kijken, een reeks van diorama’s over het gewone leven, met sneeuw bepoederd en soms bizar: op de derde verdieping een fiets die aan de muur hing, op de vierde bloemetjesbehang, een nog gave spiegel en een ingelijste reproductie van Kramskoj, de hooghartige Onbekende vrouw in het blauw, op de vijfde een groene divan waar een lijk op lag, de vrouwelijke hand hangend in het niets. De illusie van vreedzaamheid werd verstoord door een granaat die een dak trof: ik dook in elkaar en begreep waarom Thomas had aangedrongen op de helm: een regen van puin, dakpannen en bakstenen daalde op me neer. Toen ik mijn hoofd weer ophief, zag ik dat Ivan niet eens had gebukt, hij had alleen met een hand zijn ogen afgeschermd. ‘Kom,’ zei hij, ‘niks aan de hand.’ Ik schatte waar de rivier en het front moesten liggen en concludeerde dat de gebouwen waar we langs liepen ons in elk geval gedeeltelijk bescherming boden: voordat er in deze straat granaten konden inslaan, moesten ze eerst over de daken heen, er was dus weinig kans dat ze hier op de grond zouden ontploffen. Toch stelde die gedachte me niet echt gerust. De straat kwam uit op een terrein met ingestorte loodsen en vernield spoorwegmateriaal. Ivan, die voor me uit liep, rende naar de overkant van het langgerekte terrein en ging een van de loodsen binnen via een ijzeren deur die was opgerold als het deksel van een sardineblikje. Ik aarzelde, holde toen achter hem aan. Binnen baande ik me moeizaam een weg tussen hoog opgetaste kisten die al een tijd geleden moesten zijn leeggeroofd, liep om een deel van het ingestorte dak heen en kroop via een gat in een bakstenen muur weer naar buiten. De sneeuw hier was bezaaid met voetafdrukken en dat spoor liep verder langs de muren van de andere loodsen; op het talud, dat hoog oprees, stond de lange rij goederenwagons die ik de vorige dag ook al vanaf de brug had gezien, de wanden bezaaid met kogel- en granaatinslagen en volgeklad met Russische en Duitse leuzen, variërend van komisch tot obsceen. Op een zeer geslaagde kleurenspotprent zag je Stalin en Hitler met elkaar neuken, terwijl Roosevelt en Churchill zich erbij stonden af te trekken; maar uit de tekening kon ik niet opmaken of de maker tot ons kamp of dat van de vijand behoorde, waardoor het weinig zin had er in mijn rapport melding van te maken. Iets verderop kwam een patrouille onze kant op gelopen en passeerde zwijgend, zonder te groeten. De mannen hadden uitgemergelde, gelige, ongeschoren gezichten; ze hielden hun handen diep in hun zakken en zeulden moeizaam voort op laarzen die omwikkeld waren met lappen of die in vormeloze overschoenen van gevlochten stro staken. Ze verdwenen achter ons in de sneeuw. Hier en daar, in een wagon of op de rails, lag een bevroren lijk van onbestemde nationaliteit. Er klonken geen ontploffingen meer en alles leek rustig. Maar plotseling begon het weer, vóór ons: explosies, geweerschoten en mitrailleursalvo’s. We hadden de laatste loodsen achter ons gelaten en waren opnieuw door bewoond gebied gelopen. We keken uit op een besneeuwd landschap met links een geweldige heuvel, rond als een kleine vulkaan, waaruit met tussenpozen de zwarte rook van explosies opsteeg. Ivan wees ernaar en zei: ‘Mamajev Koergan’, waarna hij naar links afboog en een gebouw inging.

In lege ruimten zaten een paar soldaten met hun rug tegen de muur, hun knieën opgetrokken. Ze staarden ons met lege ogen aan. Via binnenplaatsen en kleine straatjes voerde Ivan me door enkele andere gebouwen. Vervolgens – we moesten nu al wat verder van de gevechtslinie verwijderd zijn – konden we gewoon over straat. De woningen hier waren laag, hoogstens twee verdiepingen, misschien waren het slaapverblijven voor fabrieksarbeiders. Daarna kwamen we langs kapotgeschoten, ingestorte, verwoeste huizen, die toch als zodanig herkenbaarder waren dan wat ik gezien had toen ik de stad was binnengereden. Zo nu en dan wees een beweging of een geluid erop dat sommige van die ruïnes nog bewoond waren. Er stond nog steeds een felle wind; ik hoorde nu het lawaai van de ontploffingen op de koergan, die zich rechts van ons achter de huizen verhief. Ivan loodste me door de tuintjes, die onder het dikke pak sneeuw herkenbaar waren aan de restanten van schuttingen en hekken. De hele omgeving maakte een uitgestorven indruk, maar de weg die we volgden, was kennelijk al vaak gebruikt, de sneeuw was platgestampt. Ivan ging een balka in en klom langs de helling omlaag. De koergan verdween uit het zicht; beneden waaide het minder hard, de sneeuw dwarrelde zachtjes neer, en plotseling waren we tussen de mensen. Twee Feldgendarmen versperden ons de weg, achter hen liepen soldaten af en aan. Ik liet de Feldgendarmen mijn papieren zien; ze salueerden en lieten ons door; en toen zag ik dat de oostflank van de balka, die aan de koergan en het front grensde, was volgebouwd met bunkers, zwarte, smalle gangen, gestut door balken en planken, waaruit kleine rokende schoorstenen staken, gefabriceerd van in elkaar geschoven conservenblikjes. Op handen en voeten kropen de mannen deze holenstad in en uit, vaak ook achterwaarts. Op de bodem van het ravijn waren twee soldaten bezig met een bijl op een houten aambeeld een bevroren paard in stukken te hakken; de lukraak afgehouwen stukken werden in een pan heet water gegooid. Een minuut of twintig later kwam onze weg uit bij een andere balka, die soortgelijke bunkers herbergde; op onregelmatige afstanden voerden provisorische loopgraven omhoog naar de koergan waar wij omheen liepen; hier en daar diende een tot aan de pantserkoepel ingegraven tank als vast stuk artilleriegeschut. Aan de randen van deze ravijnen sloegen soms Russische granaten in, waardoor dan enorme sneeuwmassa’s werden opgestuwd; ik hoorde ze fluiten, een snerpend geluid dat door merg en been ging; steeds weer had ik de neiging om meteen plat op de grond te gaan liggen, maar ik dwong mezelf een voorbeeld te nemen aan Ivan, die ze volkomen negeerde. Na een tijdje begon ik mijn vertrouwen te herwinnen: ik probeerde te doen alsof het allemaal één groot kinderspel was, zo’n avonturenpark waarvan je droomt als je acht bent, met geluidsdecors, lichteffecten en geheimzinnige gangen, en ik moest bijna lachen van plezier, zozeer werd ik meegesleept door dit idee, dat me terugvoerde naar de spelletjes van mijn kindertijd, maar net op dat moment wierp Ivan zich zonder enige waarschuwing boven op me en drukte me tegen de grond. Een oorverdovende ontploffing verscheurde de wereld, zo dichtbij dat ik de lucht tegen mijn trommelvliezen voelde slaan, en we werden bedolven onder een regen van sneeuw en aarde. Ik probeerde me zo klein mogelijk te maken, maar Ivan pakte me al bij een schouder en trok me overeind: zo’n dertig meter verder steeg een zwarte rooksliert loom op van de bodem van de balka, het omgewoelde stof daalde langzaam op de sneeuw neer; de lucht was doortrokken van de scherpe geur van cordiet. Mijn hart bonsde, mijn bovenbenen voelden zo zwaar dat het pijn deed en ik wilde me weer op de grond laten zakken. Maar Ivan leek niet onder de indruk. IJverig klopte hij zijn uniform af; daarna moest ik hem mijn rug toedraaien en begon hij ook daar energiek op te kloppen, terwijl ik zelf mijn mouwen schoonveegde. We vervolgden onze weg. Ik begon het een bizar uitstapje te vinden: wat kwam ik hier ook eigenlijk doen? Blijkbaar kon ik het maar moeilijk bevatten dat ik niet meer in Pjatigorsk was. Inmiddels hadden we de balka’s achter ons gelaten en kwamen we op een langgerekte hoogvlakte, leeg, verlaten, waar de achterzijde van de koergan boven uitrees. De frequentie van de explosies op de top, die ik in handen wist van onze troepen, fascineerde me: hoe konden mensen het daar uithouden, overgeleverd als ze waren aan die regen van vuur en metaal? Ik was er één à twee kilometer van verwijderd, en dat maakte me bang. Onze weg slingerde tussen de sneeuwhopen, die hier en daar door de wind waren afgevlakt en dan een naar de hemel gericht kanon toonden, het verwrongen portier van een vrachtwagen, de wielen van een gekantelde auto. Vóór ons lag weer de spoorlijn die, leeg ditmaal, in de steppe verdween. Hij kwam van achter de koergan en ik werd overvallen door de irrationele angst langs die spoorlijn een colonne van t-34’s te zien opdoemen. Opnieuw werd het plateau doorsneden door een ravijn; snel klauterde ik achter Ivan aan de helling af, alsof ik onderdook in de warme veiligheid van een huis uit mijn kindertijd. Ook hier waren bunkers, verkleumde en angstige soldaten. Ik had willekeurig waar halt kunnen houden om een gesprek met die mannen aan te knopen en dan weer terug te keren, maar ik bleef mak achter Ivan aanlopen, alsof hij wist wat ik moest doen. Eindelijk kwamen we deze langgerekte balka weer uit en opnieuw lag daar een woonwijk; maar de huizen waren met de grond gelijkgemaakt, volledig afgebrand, zelfs de schoorstenen waren ingestort. De straatjes waren met wrakstukken overdekt: tanks, gevechtswagens, artillerie, zowel van de Sovjets als van ons. Daartussen lagen paardenkarkassen in groteske houdingen, soms nog verstrikt in het tuig van hun wagen, die als een veertje was weggeblazen; onder de sneeuw waren nog meer lijken te onderscheiden, eveneens vaak in wonderlijk verwrongen houdingen door de dood overvallen, verstard in de kou tot de volgende dooi. Zo nu en dan kruisten we een patrouille; er waren ook controleposten, waar Feldgendarmen die het iets beter hadden getroffen dan de soldaten, uitgebreid onze papieren bestudeerden voordat we door mochten naar de volgende sector. Ivan ging een bredere straat in; een vrouw kwam onze kant op, dik ingepakt in twee mantels en een sjaal en met een kleine, vrijwel lege zak over haar schouder. Ik bekeek haar gezicht: ze kon twintig zijn, maar ook vijftig. Verderop was de bodem van een ravijn bezaaid met de brokstukken van een ingestorte brug; meer oostwaarts, naar de rivier toe, werd datzelfde ravijn overspannen door een andere, zeer hoge brug, die verbazingwekkend genoeg ongeschonden was gebleven. Bij de afdaling moesten we ons vastklampen aan het puin, waarna we langs en over de stukken verbrijzeld beton aan de andere kant weer omhoogklauterden. Onder een afdak gevormd door een hoek van het ingestorte brugdek hadden Feldgendarmen een post ingericht. ‘Chorvati?’ vroeg Ivan. ‘De Kroaten?’ Een van de Feldgendarmen wees ons de weg; het was niet ver meer. We kwamen opnieuw in een woonwijk; overal zag je oude geschutstellingen, rode waarschuwingsborden met: achtung! minen, resten prikkeldraadversperring, en tussen de gebouwen loopgraven half gevuld met sneeuw – dit was frontgebied geweest. Ivan ging me voor door een reeks straatjes en bleef opnieuw dicht tegen de muren lopen; ergens op een hoek gebaarde hij naar me en vroeg: ‘Wie wil jij zien?’ Ik kon maar moeilijk wennen aan dat familiaire ‘jij’. ‘Ik weet het niet. Een officier.’ – ‘Wacht.’ Hij ging een eindje verderop een gebouw in en kwam naar buiten met een soldaat die hem op straat iets aanwees. Hij wenkte me en ik liep naar hem toe. Ivan wees in de richting van de rivier, vanwaar het scherpe geratel van mortieren en mitrailleurs klonk. ‘Daar, Krasnyj Oktjabr. Roesskij.’ We moesten een flinke afstand hebben afgelegd: we waren vlak bij een van de laatste fabrieken die deels nog in handen van de Sovjets waren, aan de andere kant van de koergan en van de ‘tennisracket’. De gebouwen moesten als collectieve huisvesting voor de fabrieksarbeiders hebben gediend. Bij een van deze barakken liep Ivan de drie treden van het trapje op en wisselde enkele woorden met de dienstdoende wacht. De soldaat salueerde en ik ging naar binnen. In elk van de duistere vertrekken – de ramen waren provisorisch gedicht met planken, stapels losse bakstenen en dekens – was een groep soldaten ondergebracht. De meesten sliepen, dicht tegen elkaar aan, soms met twee of drie man onder één deken. Hun adem vormde kleine condenswolkjes. Er hing een afgrijselijke stank, de uitwaseming van alle afscheidingen van het menselijk lichaam, waarin urine en de weeë lucht van diarree overheersten. In een lange ruimte, waarschijnlijk de voormalige eetzaal, verdrong een aantal mannen zich rond een kachel. Ivan wees me een officier die op een bankje zat; net als de anderen droeg hij op zijn Duitse feldgrau een rood-wit geblokte mouwband. Verscheidene mannen kenden Ivan: ze praatten met elkaar in een mengelmoes van Oekraïens en Kroatisch, doorspekt met schuttingtaal (pitsjka, pizda, pizdjets – dat is in alle Slavische talen bruikbaar, je pikt het heel snel op). Ik liep naar de officier, die opstond om te salueren. ‘Spreekt u Duits?’ vroeg ik, nadat ik mijn hakken tegen elkaar had geslagen en mijn arm had geheven. – ‘Ja, ja.’ Hij monsterde me nieuwsgierig, want op mijn nieuwe uniform zat geen enkel insigne. Ik stelde me voor. Op de muur achter hem waren wat armzalige kerstversieringen aangebracht: een houtskooltekening van een boom, met daaromheen slingers van krantenpapier, uit blik geknipte sterren en andere producten van soldatenvernuft. Er was ook een grote, fraaie tekening van het kindeke Jezus in de kribbe; die stond alleen niet in een stal, maar in een ingestort huis te midden van afgebrande ruïnes. Ik ging bij de officier zitten. Het was een jonge Oberleutnant, die het bevel had over een van de compagnieën van deze Kroatische eenheid, het 369e regiment infanterie. Een deel van zijn mannen bewaakte de frontsector vóór de ijzergieterij Rode Oktober, de anderen rustten hier uit. Sinds enkele dagen hielden de Russen zich betrekkelijk stil; nu en dan voerden ze mortierbeschietingen uit, maar het was de Kroaten duidelijk dat het alleen was om hen te pesten. Ook hadden de Russen tegenover de loopgraven luidsprekers opgesteld, waaruit ze de hele dag afwisselend trieste en vrolijke muziek lieten schallen, onderbroken door propagandapraatjes die onze soldaten opriepen te deserteren of zich over te geven. ‘De propaganda zegt de mannen niet veel, want die hebben ze laten inspreken door een Serviër, maar de muziek deprimeert hen wel erg.’ Ik vroeg hem of er desertiepogingen waren gedaan. Hij antwoordde nogal vaag: ‘Die komen wel voor... maar we doen er alles aan om ze te verhinderen.’ Over de voorbereidingen voor het kerstfeest was hij een stuk spraakzamer; de commandant van de divisie, een Oostenrijker, had hun een extra rantsoen beloofd; zelf was hij erin geslaagd een fles lozavitsa te bewaren, die door zijn eigen vader was gestookt en die hij met zijn manschappen wilde opdrinken. Maar hij was vooral geïnteresseerd in nieuws over Manstein. ‘Hij is dus in aantocht?’ Uiteraard was het mislukte offensief van Hoth niet aan de troepen bekendgemaakt en nu was het mijn beurt om ontwijkend te reageren: ‘Houd u gereed,’ zei ik stompzinnig. Deze officier moest een elegante en sympathieke jongeman zijn geweest; nu was hij zo deerniswekkend als een geslagen hond. Hij sprak langzaam, koos zorgvuldig zijn woorden, alsof zijn denken vertraagd was. We praatten nog een tijdje over de bevoorradingsproblemen, toen stond ik op om weg te gaan. Opnieuw vroeg ik me af wat ik hier in godsnaam uitvoerde: wat kon deze ene, van alles afgesneden officier me vertellen dat ik niet al in een rapport had gelezen? Ja, ik zag met eigen ogen de ellende van de soldaten, hun uitputting, hun ontreddering, maar ook dat was niets nieuws. Toen ik hier kwam, had ik toch vaag het idee gehad iets te zullen horen over de politieke betrokkenheid van de Kroatische soldaten die aan de kant van de Duitsers vochten, over de Ustaša-beweging: nu besefte ik dat dit geen enkele zin had, het was erger dan vergeefs, en deze Oberleutnant had me er waarschijnlijk niets over kunnen vertellen; er was in zijn hoofd alleen nog maar ruimte voor eten, thuis, zijn gezin, de krijgsgevangenschap of de naderende dood. Ineens werd ik overvallen door vermoeidheid en weerzin, ik voelde me een huichelaar, een idioot. ‘Gelukkig kerstfeest,’ zei de officier en gaf me glimlachend een hand. Enkele van zijn mannen zaten zonder de geringste nieuwsgierigheid naar me te staren. ‘U ook gelukkig kerstfeest,’ dwong ik mezelf te antwoorden. Ik waarschuwde Ivan en ging naar buiten, waar ik gretig de koude lucht inzoog. ‘En nu?’ vroeg Ivan. Ik dacht even na: nu ik eenmaal tot hier was gekomen, moest ik toch ook een van de voorposten bezoeken. ‘Kunnen we tot aan het front komen?’ Ivan haalde zijn schouders op. ‘Als je wil, baas. Maar vraag het eerst aan de officier.’ Ik ging terug naar de zaal. De officier had zich intussen niet verroerd, nog steeds staarde hij met een afwezige blik naar de kachel. ‘Oberleutnant? Zou ik een van uw vooruitgeschoven stellingen kunnen bezoeken?’ – ‘Als u dat wilt.’ Hij riep een van zijn mannen en gaf hem in het Kroatisch een bevel. Daarna zei hij tegen mij: ‘Dit is Oberfeldwebel Nišić. Hij brengt u erheen.’ In een opwelling bood ik hem een sigaret aan. Zijn gezicht klaarde op en hij strekte langzaam zijn hand uit om er een te pakken. Ik schudde met het pakje: ‘Neemt u er maar een paar.’ – ‘Dank u, dank u. Nogmaals gelukkig kerstfeest.’ Ik gaf er ook een aan de Oberfeldwebel, die ‘Hvala’ zei en de sigaret zorgvuldig in een koker opborg. Ik wierp nogmaals een blik op de jonge officier: hij stond daar nog steeds met de drie sigaretten in zijn hand, glunderend als een kind. Hoe lang zou het duren, vroeg ik me af, voor ik net zo was als hij? Bij die gedachte kon ik wel huilen. Ik ging met de Oberfeldwebel naar buiten. Hij liep voor ons uit en voerde ons door de straat en via enkele binnenplaatsen naar een pakhuis. We waren blijkbaar op het fabrieksterrein; ik had geen muur gezien, maar alles was dermate overhoopgehaald en aan puin geschoten dat er vaak niets meer te herkennen viel. In de bodem van het pakhuis was een diepe sleuf uitgegraven, waarin we ons na een wenk van de Hauptfeldwebel lieten neerzakken. De muur ertegenover zat vol gaten, licht en sneeuw verspreidden in die grote, lege ruimte een grijsgroen schijnsel. Vanuit de middelste sleuf liepen smallere zijsleuven naar de hoeken van het pakhuis. In die kleinere, kromme sleuven zag ik niemand. Achter elkaar kropen we onder een muur van het pakhuis door: de sleuf ging verder dwars over een binnenplaats en verdween in de ruïnes van een kantoorgebouw van rode baksteen. Nišić en Ivan liepen gebukt om in de beschutting van de sleuf te blijven, en ik volgde hun voorbeeld nauwgezet. Vóór ons heerste een vreemde stilte; verderop rechts hoorde je korte salvo’s, losse geweerschoten. In het kantoorgebouw was het donker en het stonk er nog erger dan in het gebouw waar de soldaten sliepen. ‘We zijn er,’ zei Nišić kalm. We stonden in een kelder, waar alleen door enkele raampjes en gaten in de muur wat licht naar binnen viel. Er dook een man uit de duisternis op, die Nišić in het Kroatisch aansprak. ‘Ze hebben een schermutseling gehad. Er probeerden Russen naar binnen te komen. Ze hebben er een paar gedood,’ vertaalde Nišić in nogal moeizaam Duits. Omstandig zette hij hun positie uiteen: waar de granaatwerper zich bevond, waar de Spandau, waar de lichte mitrailleurs, welk schootsveld daarmee bestreken werd, waar de dode hoeken waren. Dit interesseerde me allemaal niet erg, maar ik liet hem praten; ik wist hoe dan ook niet goed wat me wél interesseerde. ‘En hun propaganda?’ vroeg ik. Nišić richtte zich tot de soldaat. ‘Na het vuurgevecht zijn ze ermee opgehouden.’ We bleven een tijdje stil. ‘Kan ik hun linies zien?’ vroeg ik ten slotte, waarschijnlijk om mezelf het idee te geven dat ik niet helemaal voor niets was gekomen. – ‘Gaat u maar mee.’ Ik liep de kelder door naar een trap, die bezaaid lag met pleisterkalk en brokken baksteen. Ivan, zijn machinepistool onder de arm, liep achter ons aan de trap op. Boven was een gang, die leidde naar een ruimte achterin. Alle ramen daar waren met stenen en planken gebarricadeerd, maar het licht drong door tal van kieren naar binnen. In die achterste ruimte stonden twee soldaten met een Spandau tegen de muur geleund. Nišić wees me op een gat met zandzakken eromheen, die door planken op hun plaats werden gehouden. ‘Daar kunt u naar buiten kijken. Maar niet te lang. Ze hebben heel goede scherpschutters. Vrouwen, schijnt het.’ Ik ging op mijn knieën bij het gat zitten en bracht langzaam mijn hoofd ernaartoe; het was een smalle spleet, het enige wat ik zag, was een haast abstract landschap van vormeloze puinhopen. Op dat moment hoorde ik een kreet, links van me: een langgerekt, rauw geschreeuw, dat ineens weer ophield. Toen begon het opnieuw. Er waren geen andere geluiden en ik hoorde het heel duidelijk. Het kwam van een jonge man en het waren lange, schelle kreten, die angstwekkend hol klonken; hij was in zijn buik geraakt, vermoedde ik. Ik boog me voorover en keek schuin naar beneden: ik zag zijn hoofd en een deel van zijn bovenlichaam. Hij schreeuwde zijn longen leeg, haalde dan even adem en begon opnieuw. Zonder Russisch te kennen begreep ik wat hij riep: ‘Mama! Mama!’ Het was niet te harden. ‘Wat is dat?’ vroeg ik onnozel aan Nišić. – ‘Een van die gasten van daarnet.’ – ‘Kunt u hem niet afmaken?’ Nišić wierp me een felle, verachtelijke blik toe. ‘We kunnen geen munitie verspillen,’ zei hij uiteindelijk. Ik ging tegen de muur zitten, net als de soldaten. Ivan leunde tegen de deurpost. Niemand zei een woord. Buiten was die knul nog steeds aan het schreeuwen: ‘Mama! Ja nje chatsjoe! Ja nje chatsjoe! Mama! Ja chatsjoe domoj!’, en andere woorden, die ik niet allemaal kon thuisbrengen. Ik trok mijn knieën op en sloeg mijn armen eromheen. Nišić, gehurkt, bleef me aanstaren. Ik wilde mijn handen voor mijn oren houden, maar zijn loden blik verlamde me. De kreten van de jongen doorboorden mijn hersens, als een mes dat wroet in een poel van dikke, kleffe modder waarin de wormen en het ongedierte rondkrioelen. En ik, vroeg ik me af, zou ik om mijn moeder smeken als het ogenblik daar was? Maar de gedachte aan die vrouw vervulde me met haat en weerzin. Ik had haar al jaren niet meer gezien, en dat wilde ik zo houden; haar naam, haar hulp aan te roepen leek me onvoorstelbaar. Niettemin besefte ik dat achter die moeder nog een andere schuilging, de moeder van het kind dat ik was geweest voordat er iets onherroepelijk kapot was gegaan. In doodsnood zou ook ik vast en zeker om die moeder roepen. En zo niet om haar, dan om haar schoot, die schuilplaats van vóór het licht, het verderfelijke, smerige, zieke daglicht. ‘U had hier niet moeten komen,’ zei Nišić plotseling. ‘Het heeft geen enkele zin. En het is gevaarlijk. Er gebeuren veel ongelukken.’ Hij blikte me met onverholen woede aan. Hij hield zijn machinepistool in de aanslag, een vinger aan de trekker. Ik keek naar Ivan: die hield zijn wapen net zo vast, gericht op Nišić en de twee soldaten. Nišić volgde mijn blik, monsterde Ivans wapen en zijn gezicht, spuwde op de grond: ‘U kunt maar beter teruggaan.’ Een droge knal joeg een schok door me heen; dat was een kleine explosie, waarschijnlijk een granaat. Het geschreeuw hield even op, ging toen weer door, monotoon, schrijnend. Ik kwam overeind. ‘Ja. Ik moet terug naar het centrum. Het wordt al laat.’ Ivan stapte opzij en volgde ons op de voet, zonder de beide soldaten uit het oog te verliezen, totdat hij in de gang was. Zwijgend gingen we via dezelfde sleuf weer terug; bij het huis waarin de compagnie bivakkeerde, verdween Nišić zonder me zelfs te groeten. Het sneeuwde niet meer en de lucht klaarde op, ik zag een witte, gezwollen maan aan een hemel die snel donker werd. ‘Kunnen we bij avond nog terug?’ vroeg ik Ivan. – ‘Ja, dat gaat zelfs sneller. Anderhalf uur.’ Blijkbaar konden we een kortere weg nemen. Ik voelde me leeg, oud, misplaatst. De Oberfeldwebel had in wezen gelijk gehad.

Onder het lopen kwam de gedachte aan mijn moeder in volle hevigheid terug, als een dronken vrouw stommelde ze in mijn hoofd rond. Het was lang geleden dat ik zulke gedachten had gehad. Op de Krim, toen ik Partenau over haar had verteld, had ik me beperkt tot de feiten die er het minst toe deden. Mijn gedachten van nu waren van een andere orde, bitter, vol haat en ook met een zweem van schaamte. Wanneer was dat begonnen? Bij mijn geboorte? Had ik haar misschien nooit vergeven dat ik was geboren, dat ze zich met dwaze hoogmoed het recht had aangematigd om mij op de wereld te zetten? Wonderlijk genoeg bleek ik een levensgevaarlijke allergie te hebben voor de melk uit haar borsten; zoals ze me zelf veel later luchthartig vertelde, mocht ik alleen melk uit de fles drinken en had ik vol bitterheid toegekeken als mijn tweelingzusje de borst kreeg. Toch moet ik in mijn vroegste jeugd van haar hebben gehouden, zoals alle kinderen van hun moeder houden. Ik herinner me nog de lieflijke vrouwengeur in haar badkamer, die me bedwelmde, in een staat van lome verrukking bracht, als keerde ik terug in de verloren schoot: het moet, bedenk ik nu, een mengeling zijn geweest van de vochtige damp uit het bad, van parfums, zeep, misschien ook de geur van haar geslacht en van haar stront; zelfs al mocht ik niet samen met haar in bad, ik kon eindeloos lang op de closetpot blijven zitten, vlak bij haar, in een gelukzalige stemming. En ineens was alles veranderd. Maar wanneer precies, en waarom? Dat mijn vader was verdwenen, had ik haar niet meteen kwalijk genomen: dat idee drong zich pas later aan me op, toen ze de hoer ging uithangen bij die Moreau. Maar ook al voordat ze hem ontmoette, kon haar gedrag me razend maken. Kwam dat door het vertrek van mijn vader? Het is moeilijk te zeggen, maar soms leek het of het verdriet haar gek maakte. In Kiel was ze op een avond in haar eentje naar een kroeg bij de haven gegaan, en omringd door buitenlanders, dokwerkers, zeelui had ze zich daar bedronken. Misschien is ze zelfs op een tafel gaan zitten en heeft ze haar rok opgetrokken, zodat haar geslacht te zien was. Hoe het ook zij, de zaak liep op een schandelijke manier uit de hand en die keurige dame werd op straat gezet, waar ze onderuitging in een regenplas. Een politieman bracht haar thuis, drijfnat en met losgeknoopte, vieze kleren; ik stierf bijna van schaamte. Hoe klein ik ook was – ik zal tien geweest zijn –, ik wilde haar slaan en ze zou zich niet eens hebben kunnen verweren, maar mijn zuster greep in: ‘Je moet medelijden met haar hebben. Ze is zielig. Ze verdient je woede niet.’ Het duurde lang voordat ik gekalmeerd was. Maar zelfs op dat moment zal ik haar nog niet hebben gehaat, ik voelde me alleen vernederd. De haat moet van latere datum zijn, toen ze haar man vergat en haar kinderen opofferde om zich in de armen van een vreemde te werpen. Dat gebeurde natuurlijk niet van de ene op de andere dag, maar in fasen. Zoals ik al zei, was Moreau geen slechte vent, en in het begin deed hij erg zijn best om door ons geaccepteerd te worden; maar hij was bekrompen, zat gevangen in zijn lompe liberaal-burgerlijke opvattingen, was de slaaf van zijn verlangen naar mijn moeder, die al gauw virieler bleek dan hij; zodoende werd hij vrijwillig haar handlanger. Er was die grote catastrofe, waarna ik naar het internaat was gestuurd. Er waren ook de meer traditionele conflicten, zoals vlak voor mijn eindexamen, toen besloten moest worden wat ik daarna zou gaan doen. Ik wilde filosofie en letterkunde studeren, maar daar was mijn moeder faliekant tegen: ‘Je moet een vak leren. Geloof je soms dat we altijd op de zak van anderen kunnen teren? Daarna kun je doen wat je wilt.’ En Moreau zei spottend: ‘Wat nou? Tien jaar schoolmeester in een of ander provinciegat? Een prulschrijver, een armoedzaaier? Je bent geen Rousseau, jochie, word wakker!’ God, wat haatte ik die twee. ‘Je moet eerst een behoorlijke baan hebben,’ zei Moreau. ‘Als je vervolgens in je eigen tijd gedichten wilt schrijven, is dat jouw zaak. Maar dan verdien je in elk geval genoeg om je gezin te onderhouden.’ Zo ging dat ruim een week lang; vluchten had geen enkele zin, ik zou toch wel gevonden zijn, zoals toen ik eerder geprobeerd had weg te lopen. Ik moest door de knieën. Samen hadden ze besloten dat ik toelatingsexamen moest doen voor de elsp, waarna ik aan het werk zou kunnen bij een belangrijke overheidsinstantie als de Raad van State, de Rekenkamer, de Inspectie der Financiën. Ik zou een hoge ambtenaar worden, macht uitoefenen, tot de elite gaan behoren, zo hoopten zij. ‘Het zal niet gemakkelijk zijn,’ verklaarde Moreau, ‘je zult flink moeten aanpakken.’ Maar hij had connecties in Parijs, hij zou me helpen. Ach, de dingen zijn niet zo gegaan als zij zich hadden voorgesteld: de hoge overheidsambtenaren van Frankrijk dienden intussen mijn land; en ik was hier gestrand, in de ijzige puinhopen van Stalingrad, waar ik naar alle waarschijnlijkheid de dood zou vinden. Mijn zuster had het beter getroffen: zij was een meisje, wat zij deed was minder belangrijk: voor haar was een opleiding alleen bedoeld om de puntjes op de i te zetten, tot genoegen van haar toekomstige echtgenoot. Zij kon vrijelijk naar Zürich vertrekken om psychologie te gaan studeren bij een zekere Dr. Carl Jung, die nadien behoorlijk bekend is geworden.

Het allerergste was toen al gebeurd. Ergens in de lente van 1929, ik zat nog op het internaat, kreeg ik een brief van mijn moeder. Daarin liet ze me weten dat ze, aangezien er nooit meer een levensteken van hem was gekomen en herhaalde navraag bij verscheidene Duitse consulaten niets had opgeleverd, een verzoek had ingediend om mijn vader officieel dood te laten verklaren. Sinds zijn verdwijning was er zeven jaar verstreken, de rechtbank had de gewenste uitspraak gedaan; nu ging ze trouwen met Moreau, een goede, gulle man, die als een vader voor ons was. Door die afgrijselijke brief raakte ik buiten mezelf van woede. Onmiddellijk stuurde ik haar een brief terug vol heftige aantijgingen: mijn vader, zo schreef ik, was niet dood, en hoe diep zij beiden daar ook naar verlangden, dat was niet voldoende om hem te doden. Als zij zich wilde verkopen aan een miezerig Frans zakenmannetje, dan moest ze dat maar doen; persoonlijk beschouwde ik hun huwelijk als onwettig en als bigamie. Wel hoopte ik dat ze mij niet zouden opzadelen met een bastaard, die ik alleen maar zou verachten. Mijn moeder reageerde wijselijk niet op deze filippica. Ik zorgde dat ik die zomer bij de ouders van een rijke vriend werd uitgenodigd en zette geen voet in Antibes. Ze trouwden in augustus; ik verscheurde de uitnodiging en spoelde die door de wc; ook de volgende schoolvakantie weigerde ik naar huis te gaan; uiteindelijk slaagden ze er toch nog in mij terug te halen, maar dat is weer een ander verhaal. Intussen was de haat in mij gerijpt tot iets vols en bijna smakelijks, dat op het punt stond open te barsten, een brandstapel die wachtte op de lucifer. Maar ik was tot niets anders in staat dan een laaghartige, beschamende wraakoefening: ik had nog een foto van mijn moeder en terwijl zij vanaf die foto toekeek, trok ik me af en pijpte ik mijn minnaars, die er hun zaad op moesten lozen. En ik deed ergere dingen. In Moreaus grote huis gaf ik me over aan bizarre, zeer gedetailleerd uitgewerkte erotische spelletjes. Geïnspireerd door de Mars-romans van Burroughs (de auteur van de Tarzan-boeken uit mijn jeugd), die ik even gretig verslond als de Griekse klassieken, sloot ik me op in de grote badkamer boven, zette de kraan open om geen argwaan te wekken, en ensceneerde extravagante taferelen uit mijn fantasiewereld. Een legertje vierarmige, groene mannen van Barsoom nam mij gevangen, kleedde me uit en bracht me geboeid naar een beeldschone Mars-prinses met koperkleurige huid, die hooghartig en ongenaakbaar op haar troon zat. Daar lag ik dan te kronkelen op de koude tegelvloer, terwijl een zestal van haar potige lijfwachten mij zwijgend en om de beurt voor haar ogen verkrachtte, waarbij ik als leren knevel een riem gebruikte en het eind van een bezemsteel of een flessenhals in mijn anus duwde. Maar zo’n bezemsteel of fles deed soms pijn, ik zocht naar iets geschikters. Moreau was dol op dikke Duitse worsten; ’s nachts pakte ik er een uit de koelkast, rolde die tussen mijn handen om hem op te warmen en smeerde hem in met olijfolie; na afloop waste ik hem zorgvuldig, droogde hem af en legde hem terug waar ik hem gevonden had. De volgende ochtend zag ik hoe Moreau en mijn moeder hem met smaak in stukjes sneden en opaten, en sloeg dan glimlachend – ‘nee, ik heb niet zo’n trek’ – mijn portie af: voor het genoegen hen te zien eten nam ik een lege maag graag op de koop toe. Dit gebeurde overigens voordat ze getrouwd waren, toen ik nog geregeld bij hen in huis kwam. Hun huwelijk was dus niet de enige oorzaak. Maar het waren niet meer dan de povere, treurige wraakoefeningen van een machteloos kind. Later, toen ik meerderjarig werd, verbrak ik het contact, vertrok naar Duitsland en liet de brieven van mijn moeder onbeantwoord. Maar de geschiedenis bleef heimelijk in me smeulen en de geringste aanleiding, de kreet van een stervende, was voldoende om alles weer naar boven te halen; want het was er al die tijd geweest, het kwam van elders, uit een andere wereld, niet uit die van de mensen en het werk van alledag, een wereld die onder normale omstandigheden was afgesloten, maar waarvan de oorlog plotseling alle deuren kon opengooien om er met een rauwe, ongearticuleerde kreet de afgronden van te openen, een stinkend moeras bloot te leggen waarin de gevestigde orde met alle gewoonten en wetten wegzonk, zodat de mensen gedwongen werden elkaar te doden en werden teruggeplaatst onder het juk waarvan ze zich zo moeizaam hadden bevrijd, onder de last van het verleden. We liepen opnieuw langs de spoorlijn en kwamen langs de verlaten goederenwagons. Ik was in gedachten verzonken geweest en had nauwelijks gemerkt dat we alweer bijna helemaal om de koergan heen waren gelopen. De harde sneeuw knerpte onder mijn laarzen en nam blauwige tinten aan in het vale schijnsel van de maan, die ons pad verlichtte. Een kwartier later waren we terug bij het Univermag. De lange tocht had me nauwelijks vermoeid, ik voelde me juist opgeknapt. Ivan groette me onverschillig, nam het machinepistool mee en voegde zich weer bij zijn landgenoten. In de commandozaal, onder de enorme kroonluchter die ergens uit een theater was meegenomen, zaten de officieren van de Stadtkommandantur te drinken en zongen in koor O du fröhliche en Stille Nacht, heilige Nacht. Een van hen reikte me een glas rode wijn aan, dat ik in één teug leegdronk, ook al was het goede Franse wijn. Op de gang kwam ik Möritz tegen, die me verbluft aankeek. ‘Bent u weg geweest?’ – ‘Ja, Herr Kommissar. Ik heb een deel van onze stellingen bezocht om een indruk van de stad te krijgen.’ Zijn gezicht betrok. ‘Neem geen onnodige risico’s. Het heeft me verdomd veel moeite gekost om u hierheen te halen, en als u zich nu meteen laat doodschieten, krijg ik geen vervanger meer.’ – ‘Zu Befehl, Herr Kommissar.’ Ik salueerde en ging me omkleden. Wat later nodigde Möritz zijn officieren uit om iets te komen drinken; speciaal voor deze gelegenheid had hij twee flessen cognac achtergehouden. Hij stelde me voor aan mijn nieuwe collega’s: Leibbrandt, Dreyer, Vopel, de inlichtingenofficier, Hauptsturmführer von Ahlfen, Herzog, Zumpe. Zumpe en Vopel, de Untersturmführer die ik de dag daarvoor al had ontmoet, werkten voor Thomas. Ook Weidner was van de partij, de Gestapoleiter van de stad (Thomas zelf was Leiter iv voor de hele Kessel en dus Weidners superieur). We dronken op de Führer en op de Endsieg en wensten elkaar een gelukkig kerstfeest. De sfeer bleef rustig en kameraadschappelijk, wat ik veel prettiger vond dan de sentimentele en religieuze uitbarstingen van de soldaten. Uit nieuwsgierigheid gingen Thomas en ik naar de nachtmis, die werd opgedragen in de grote zaal. In volmaakte oecumenische eendracht leidden de priester en de dominee van een van de divisies beurtelings de dienst en zeiden de aanhangers van de beide godsdiensten gezamenlijk de gebeden. Generaal von Seydlitz-Kurbach, bevelhebber van het 51e legerkorps, woonde met enkele Divisionskommandeure en hun stafchefs de dienst bij; Thomas wees me Sanne aan, de commandant van de 100e Jägerdivision, en Korfes, Hartmann. Een aantal van onze Oekraïners bad mee; dat waren, legde Thomas me uit, uniaten uit Galicië, die anders dan hun orthodoxe verwanten tegelijk met ons Kerstmis vierden. Ik liet mijn blik over de groep gaan, maar zag Ivan er niet tussen. Na de mis gingen we weer aan de cognac. Ineens voelde ik me volkomen uitgeput en ik ging naar bed. Opnieuw droomde ik over metro’s: deze keer liepen er twee spoorlijnen parallel aan elkaar tussen schitterend verlichte perrons door; een eind verderop in de tunnel verenigden ze zich, achter een paar stevige betonnen zuilen die als afscheiding dienden; maar de wissel weigerde en een ploeg vrouwen in oranje uniform, onder wie een negerin, was nog koortsachtig met de reparatie bezig toen de trein het station al verliet, propvol reizigers.

Eindelijk zette ik me dan op een wat meer systematische en gedetailleerde manier aan mijn taak. Op Kerstochtend deed een hevige sneeuwstorm elke hoop op extra rantsoenen teniet; tegelijkertijd zetten de Russen een aanval in op de noordoostelijke sector en ook in de richting van de fabrieken, waarbij ze een paar kilometer terrein op ons terugveroverden en meer dan twaalfhonderd van onze mannen doodden. De Kroaten, noteerde ik in een rapport, hadden het zwaar te verduren gehad, en Oberfeldwebel Nišić stond op de lijst van gesneuvelden. Carpe diem! Ik hoopte dat hij in elk geval nog de tijd had gehad om zijn sigaret op te roken. Ik werkte rapporten door en schreef er zelf ook een aantal. Ik had niet de indruk dat de Kerst het moreel van de manschappen al te zeer ondermijnde: uit de rapporten en uit door de censuur geopende brieven viel op te maken dat de meesten hun geloof in de Führer en in de overwinning behielden; niettemin werden er dagelijks deserteurs geëxecuteerd, en ook mannen die zich aan zelfverwonding schuldig hadden gemaakt. Sommige divisies fusilleerden hun eigen veroordeelden; andere leverden hen aan ons uit; de executies vonden plaats op een binnenplaats achter de Gestapostelle. Er werden ook gewone burgers aan ons overgedragen die door de Feldgendarmen waren betrapt op plunderen, of ervan werden verdacht informatie aan de Russen door te spelen. Een paar dagen na Kerstmis kwam ik op de gang twee groezelige jochies tegen die waren verhoord en nu door de Oekraïners werden weggevoerd om gefusilleerd te worden: bij verschillende commandoposten hadden ze de laarzen van officieren gepoetst en daarbij hun ogen en oren goed de kost gegeven; ’s nachts waren ze via het riool naar de Sovjets gekropen om de aldus vergaarde informatie aan hen door te geven. Een van beiden bleek een Russische medaille bij zich te dragen: hij beweerde dat hij deze onderscheiding zelf gekregen had, maar misschien had hij hem gewoon gestolen of van een dode weggepakt. Ze moesten een jaar of twaalf, dertien zijn, maar ze zagen eruit als nog geen tien, en terwijl Zumpe, die het bevel zou voeren over het vuurpeloton, me vertelde wat er aan de hand was, staarden ze me allebei met grote ogen aan, alsof ik hen kon redden. Dat maakte me razend en ik had zin om ze toe te roepen: wat willen jullie van me? Jullie gaan sterven, nou en? Ik ga hier ook nog wel een keer dood, iedereen hier gaat dood. Dat is de prijs die we moeten betalen. Het duurde enige minuten voordat ik gekalmeerd was; later vertelde Zumpe dat ze hadden gehuild, maar toch ook hadden geroepen: ‘Leve Stalin!’ en ‘Oerra pobjeda!’, voordat ze waren neergeschoten. ‘Wordt dit geacht een stichtelijk verhaal te zijn?’ vroeg ik hem; hij ging er enigszins beteuterd vandoor.

Inmiddels kwamen de contacten met mijn zogeheten informanten op gang; ze werden me gebracht door Ivan of een andere Oekraïner, of ze kwamen uit zichzelf. Deze mannen en vrouwen waren er erbarmelijk aan toe, ze stonken, zaten onder het vuil en de luizen; luizen had ik zelf ook al, maar de stank van die mensen maakte me misselijk. Het leken eerder bedelaars dan agenten: hun inlichtingen waren zonder uitzondering nutteloos of oncontroleerbaar; als beloning moest ik hun een ui geven of een bevroren aardappel die ik voor dit doel in een kist had liggen, een heuse ‘zwarte kas’ in plaatselijke valuta. Ik had geen idee wat ik aan moest met de tegenstrijdige geruchten die ze me overbrachten; als ik ze aan de Abwehr had doorgegeven, zou die ons hebben uitgelachen; uiteindelijk besloot ik een apart dossier aan te leggen onder de titel Diverse inlichtingen, niet bevestigd, dat ik om de twee dagen aan Möritz liet lezen.

Wat me vooral interesseerde, was informatie over de provianderingsproblemen, omdat die het moreel ondermijnden. Zonder dat erover werd gepraat, wist iedereen dat de sovjetgevangenen in onze Stalag, die sinds enige tijd nauwelijks meer te eten kregen, tot kannibalisme vervallen waren. ‘Daarmee tonen ze hun ware aard,’ had Thomas me toegevoegd toen ik probeerde er met hem over te praten. Er werd zonder meer van uitgegaan dat de Duitse Landser zich ook in opperste nood zou weten te gedragen. Des te groter was in de hogere echelons de schok toen er een geval van kannibalisme aan het licht kwam dat zich had voorgedaan in een compagnie aan de westelijke rand van de Kessel. De omstandigheden maakten de zaak extra gruwelijk. Toen de hongersnood zo groot was dat ze besloten hiertoe hun toevlucht te nemen, hadden de soldaten van deze compagnie, nog steeds bekommerd om hun Weltanschauung, gediscussieerd over de vraag of ze een Rus of een Duitser moesten opeten. Het ging hierbij om de ideologische vraag of het geoorloofd was om een Slaaf, een bolsjewistische Untermensch, op te eten. Zou zulk vlees hun Duitse magen niet aantasten? Maar een dode kameraad opeten zou oneervol zijn; zelfs al konden ze niet meer begraven worden, men was nog wel respect verschuldigd aan degenen die waren gevallen voor het Vaterland. Ze kwamen dus overeen een van hun Hiwi’s op te eten, gezien de uitgangspunten van de discussie een alleszins redelijk compromis. De man werd gedood, waarna een Obergefreiter, voorheen slager in Mannheim, het lijk in stukken sneed. De nog levende Hiwi’s raakten in paniek: drie van hen werden bij een desertiepoging gedood, maar een ander had de commandopost van het regiment weten te bereiken, waar hij een officier van het gebeuren had verwittigd. Niemand had hem willen geloven; na onderzoek moest men zich echter door de feiten laten overtuigen, want de compagnie was er niet in geslaagd de resten van het slachtoffer te laten verdwijnen en zijn hele borstkas werd teruggevonden, alsmede een deel van het orgaanvlees, dat niet voor consumptie geschikt was geacht. De soldaten werden gearresteerd en hadden alles bekend; het vlees had volgens hen naar varken gesmaakt en was minstens zo lekker geweest als paardenvlees. De slager en vier aanstichters waren zonder veel vertoon geëxecuteerd en vervolgens was het geval in de doofpot gestopt, maar bij de staven had het veel onrust veroorzaakt. Möritz vroeg me een globaal rapport op te stellen over de voedselsituatie van de troepen sinds de Kessel zich had gesloten; hij had de cijfers van aok 6, maar vermoedde dat die grotendeels theoretisch waren. Het leek me goed om Hohenegg op te zoeken.

Deze keer bereidde ik mijn uitstapje iets beter voor. Ik was met Thomas al op bezoek geweest bij de ic/ao’s van de divisies; na mijn Kroatische escapade had Möritz me bevolen om voortaan, als ik er in mijn eentje op uit wilde, te zorgen dat ik in bezit was van een reisbriefje. Ik belde naar Pitomnik, naar het kantoor van Generalstabsarzt Dr. Renoldi, hoofd medische dienst van aok 6, en kreeg te horen dat Hohenegg in het centrale veldhospitaal in Goemrak was gestationeerd: daar vertelde men dat hij in verband met zijn onderzoekingen in de Kessel rondreisde; uiteindelijk wist ik hem te traceren in Rakotino, een stanitsa in het zuiden van de Kessel, in de sector van de 376e divisie. Vervolgens moest ik naar verschillende commandoposten bellen om de nodige verbindingen te regelen. De tocht zou een halve dag in beslag nemen, en ik zou zeker in Rakotino zelf of in Goemrak moeten overnachten; maar Möritz ging met mijn expeditie akkoord. Het was nog een paar dagen voor het nieuwe jaar, sinds Kerstmis lag de temperatuur rond 25 graden onder nul, en ik besloot mijn pelsjas tevoorschijn te halen, ondanks het risico dat de luizen zich erin zouden nestelen. Ik zat toch al onder, hoe zorgvuldig ik ’s avonds mijn kleding ook afzocht: mijn buik, oksels, de binnenkant van mijn bovenbenen zagen rood van de beten, waaraan ik tot bloedens toe krabde. Verder had ik last van diarree, ongetwijfeld door het slechte water en het onregelmatige eten, dat al naar gelang de dag bestond uit ham uit blik of Franse paté, in combinatie met Wassersuppe waarin wat paardenvlees dreef. Op de commandopost was dat nog wel te doen, de officierslatrines waren vies maar in ieder geval gemakkelijk bereikbaar; onderweg kon het echter al snel problematisch worden.

Ik vertrok zonder Ivan: in de Kessel had ik hem niet nodig; het aantal plaatsen in de verbindingsvoertuigen was trouwens strikt beperkt. Een eerste auto bracht me naar Goemrak, een volgende naar Pitomnik; daar moest ik enkele uren op een aansluiting naar Rakotino wachten. Het sneeuwde niet, maar de lucht bleef melkachtig grauw, betrokken, en de vliegtuigen, die nu vanuit Salsk opstegen, arriveerden erg onregelmatig. Op de landingsbaan heerste een nog grotere chaos dan de week ervoor; op elk vertrekkend vliegtuig ontstond een stormloop; gewonden kwamen ten val en werden door de anderen onder de voet gelopen, de Feldgendarmen moesten salvo’s in de lucht afvuren om de wanhopige meute terug te dringen. Ik wisselde een paar woorden met een piloot van een Heinkel 111, die op een afstand van zijn toestel een sigaret stond te roken; hij was bleek, bezag het tafereel met een verwilderde blik en mompelde: ‘Dit kan toch niet, dit kan toch niet... Weet u,’ zei hij ten slotte rechtstreeks tegen mij voordat hij terugliep, ‘elke avond als ik levend in Salsk aankom, huil ik als een kind.’ Dat simpele zinnetje deed me duizelen: ik draaide de piloot en de verbeten massa de rug toe en begon te snikken, de tranen bevroren op mijn gezicht – ik huilde om mijn jeugd, om de tijd dat sneeuw nog iets plezierigs was waaraan geen einde kwam, de tijd dat een dorp nog een wonderbaarlijke plek was om in te leven en een bos nog iets anders dan een geschikte locatie om mensen te doden. Achter mij brulden de gewonden als bezetenen, als dolle honden, hun kreten overstemden bijna het geronk van de motoren. De Heinkel steeg in elk geval nog zonder problemen op; dat gold niet voor de Junker daarna. Het vliegveld werd opnieuw met granaten bestookt, en misschien was er slordig getankt, of misschien was een van de motoren defect geraakt door de kou, hoe het ook zij: enkele seconden nadat de wielen van de grond waren gekomen, viel de linkermotor uit; het toestel, dat nog niet genoeg snelheid had ontwikkeld, zwenkte; de piloot probeerde het weer recht te krijgen, maar het was al te zeer uit balans geraakt; het kantelde plotseling op een vleugel en stortte enkele honderden meters buiten de startbaan neer als een reusachtige vuurbal, die de steppe een ogenblik deed oplichten. Vanwege de granaataanval was ik een bunker in gevlucht, maar bij de ingang sloeg ik alles gade; opnieuw stroomden mijn ogen vol tranen, maar ik wist me te beheersen. Ten slotte werd ik opgehaald omdat het verbindingsvoertuig was gearriveerd, maar eerst kwam er nog een artilleriegranaat neer op een van de tenten met gewonden, vlak bij de startbaan, waardoor er over het hele laad- en losterrein ledematen en flarden vlees werden geslingerd. Omdat ik in de buurt was, moest ik helpen de bloederige resten op te ruimen en naar overlevenden te zoeken. Ik betrapte me erop dat ik aandachtig bleef staan kijken naar de ingewanden uit de opengereten buik van een jonge soldaat, die als een kronkelige massa op de roodgekleurde sneeuw lagen, om sporen van mijn verleden of aanwijzingen over mijn toekomst te ontdekken, en ik zei bij mezelf dat dit alles nu onmiskenbaar het karakter kreeg van een wrange klucht. Ik bleef ontdaan, rookte ondanks mijn beperkte voorraad de ene sigaret na de andere en rende om het kwartier naar de latrines om een iel straaltje dunne poep te lozen. Tien minuten nadat de auto was vertrokken, moest ik hem laten stoppen om snel achter een sneeuwhoop neer te hurken; mijn pelsjas zat in de weg en kwam onder de strontspatten te zitten. Ik probeerde hem met sneeuw schoon te wrijven, met als enig resultaat dat mijn vingers bevroren; weer in de auto ging ik tegen het portier zitten en deed mijn ogen dicht in een poging alles te vergeten. Ik doorzocht de beelden van mijn verleden als een beduimeld kaartspel en probeerde er een uit te vissen dat enkele ogenblikken voor mij tot leven kon komen; maar ze weken terug, vervlogen of bleven doods. Zelfs de beeltenis van mijn zuster, mijn laatste redmiddel, bleef een houten pop. Alleen de aanwezigheid van de andere officieren belette me opnieuw in tranen uit te barsten.

Tegen de tijd dat we onze bestemming bereikten, was het weer gaan sneeuwen, vrolijk en licht dansten de vlokken door de grijze lucht. Bijna had je kunnen geloven dat de onafzienbaar lege en witte steppe in werkelijkheid een land was van kristallijnen feeën, vrolijk en licht als die sneeuwvlokken, wier lach versmolt met het ruisen van de wind; maar het besef dat die witte leegte door de mensen met al hun ellende en laffe angsten bezoedeld was, deed de illusie teniet. In Rakotino trof ik Hohenegg uiteindelijk in een kleine, haveloze, half ingesneeuwde isba. Bij het schijnsel van een kaars, die was vastgezet in de patroonhuls van een pak, zat hij te typen op een draagbare schrijfmachine. Hij keek op, maar toonde zich niet in het minst verrast: ‘Kijk ’s aan. De Hauptsturmführer. Wat voert u hierheen?’ – ‘U.’ Hij streek over zijn kale schedel. ‘Ik wist niet dat ik zo gewild was. Maar ik waarschuw even: bent u ziek, dan komt u voor niets. Ik bemoei me enkel met degenen voor wie het al te laat is.’ Ik probeerde me te vermannen en een snedig antwoord te vinden: ‘Dokter, ik heb maar één ziekte, die seksueel overdraagbaar is en onherroepelijk de dood tot gevolg heeft: het leven.’ Hij trok een pruilmondje: ‘Ik vind u niet alleen een tikje pips, nu verlaagt u zich ook nog tot een gemeenplaats. Ik heb u in betere vorm gekend. De staat van beleg doet u geen goed.’ Ik trok mijn pelsjas uit, hing hem aan een spijker en nam zonder daartoe te zijn uitgenodigd plaats op een grofhouten bank, met mijn rug tegen de muur. Het vertrek was karig verwarmd, net genoeg om de ergste kou te verdrijven; Hoheneggs vingers zagen blauw. ‘Hoe gaat het met uw werk, dokter?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Het gaat. Generalstabsartzt Renoldi heeft me niet bepaald vriendelijk ontvangen; blijkbaar vond hij deze hele missie zinloos. Ik heb me er niet door van de wijs laten brengen, maar had toch liever gehad dat hij zijn mening kenbaar had gemaakt toen ik nog in Novotsjerkassk zat. Hij vergist zich trouwens: ik ben nog wel niet klaar, maar de voorlopige uitkomsten zijn al opmerkelijk.’ – ‘Dat is nu precies de kwestie die ik met u wilde bespreken.’ – ‘Is de sd ineens in voeding geïnteresseerd?’ – ‘De sd heeft overal belangstelling voor, Herr Oberstarzt.’ – ‘Laat me dan eerst mijn rapport afmaken, daarna haal ik een zogeheten soep in de zogeheten kantine, en dan kunnen we praten terwijl we doen alsof we eten.’ Hij klopte op zijn ronde buik: ‘Voorlopig is het voor mij nog een heilzame kuur. Maar het moet niet al te lang gaan duren.’ – ‘U hebt in elk geval nog wat reserves.’ – ‘Dat zegt niets. Pezige, magere types als u blijken het beduidend langer vol te houden dan stevige dikkerds. Maar laat me nu even werken. U bent niet te gepresseerd?’ Ik hief mijn handen: ‘U begrijpt natuurlijk, Herr Oberstarzt, dat met het oog op het vitale belang van mijn activiteiten voor de toekomst van Duitsland en het Zesde Leger...’ – ‘Dat dacht ik al. In dat geval blijft u hier overnachten en reizen we morgenochtend samen terug naar Goermak.’

In het dorp Rakotino bleef het wonderlijk stil. Het front begon nog geen kilometer verderop, maar sinds mijn komst had ik alleen wat losse geweerschoten gehoord. Het getik op de schrijfmachine weerklonk in een stilte die daardoor nog beklemmender werd. Gelukkig waren mijn darmen gekalmeerd. Ten slotte borg Hohenegg zijn paperassen in een aktentas, stond op en zette een versleten tsjapka op zijn ronde schedel. ‘Mag ik uw soldijboekje,’ zei hij, ‘dan ga ik soep halen. Naast de kachel ligt wat hout: doe nog wat op het vuur, maar gebruik zo weinig mogelijk. We moeten hier tot morgen mee toe.’ Hij vertrok. Ik ging in de weer bij de kachel. De houtvoorraad was inderdaad schamel: een paar vochtige paaltjes, nog met resten prikkeldraad eraan. Pas nadat ik zo’n paaltje in stukken had gehakt, slaagde ik erin het vlam te laten vatten. Hohenegg kwam terug met een keteltje soep en een grote homp Kommissbrot. ‘Het spijt me,’ zei hij, ‘maar ze weigeren u een rantsoen te geven zonder schriftelijke opdracht van het hoofdkwartier van het pantserkorps. We zullen het delen.’ – ‘Maak u geen zorgen,’ antwoordde ik, ‘zoiets had ik al voorzien.’ Ik liep naar mijn pelsjas en diepte uit de zakken een stuk brood op, droge kaakjes en een blikje vlees. ‘Geweldig!’ riep hij uit. ‘Bewaar dat blikje voor vanavond, ik heb nog een ui: dat wordt een feestmaal. Voor de lunch heb ik dit.’ Uit zijn schoudertas haalde hij een stuk spek dat in een Russische krant was verpakt. Met een zakmes verdeelde hij het brood in een aantal sneden en ook het spek deelde hij in twee dikke repen; hij legde alles zo op de kachel, naast het keteltje soep. ‘Helaas heb ik geen pan.’ Terwijl het spek lag te knisperen, schoof hij zijn kleine schrijfmachine aan de kant en spreidde het krantenpapier op tafel uit. We aten het spek op de warme sneden boekweitbrood: het enigszins gesmolten vet trok in het dikke brood, het was heerlijk. Hohenegg bood me zijn soep aan; die sloeg ik af, wijzend op mijn buik. Hij trok zijn wenkbrauwen op: ‘Rodeloop?’ Ik schudde van nee. ‘Zorg dat u geen dysenterie krijgt. In normale tijden kun je daar goed van genezen, maar hier gaan de mensen er binnen een paar dagen aan dood. Ze lopen helemaal leeg en sterven.’ Hij legde uit wat voor hygiënische maatregelen ik moest treffen. ‘Dat kan hier weleens lastig zijn,’ zei ik. – ‘Dat is waar,’ beaamde hij treurig. Terwijl we onze boterhammen met spek aten, vertelde hij over luizen en tyfus: ‘Er zijn al wat gevallen, die we zo goed mogelijk proberen te isoleren. Maar een epidemie is onvermijdelijk. En dat wordt een ramp. De manschappen zullen bij bosjes sterven.’ – ‘Naar mijn mening sterven ze nu ook al behoorlijk snel.’ – ‘Weet u wat onze tovaritsji nu doen, in de frontsector van de divisie? Via luidsprekers laten ze het tik-tak-tik-tak van een klok horen, heel hard, en dan een grafstem die in het Duits zegt: “Om de zeven seconden sterft er in Rusland een Duitser!” En dan begint weer dat tik-tak-tik-tak. En dat duurt zo urenlang. Het gaat door merg en been.’ Ik kon me voorstellen dat dit angstaanjagend was voor de mannen die daar lagen te creperen van de kou en de honger, opgevreten door het ongedierte, diep weggekropen in hun bunkers van sneeuw en bevroren aarde, ook al was het getal – zoals men kan opmaken uit mijn berekeningen aan het begin van deze memoires – een beetje overdreven. Op mijn beurt vertelde ik Hohenegg over de kannibalen met hun Salomonsdilemma. Zijn enige commentaar was: ‘Afgaand op de Hiwi’s die ik heb onderzocht, hebben ze hun honger niet kunnen stillen.’ Dat bracht ons op het doel van mijn bezoek. ‘Ik ben nog niet bij alle divisies langs geweest,’ vertelde hij, ‘en voor een aantal verschillen heb ik nog geen verklaring kunnen vinden. Maar ik heb nu al wel zo’n dertig autopsieën verricht, en de resultaten zijn overduidelijk: meer dan de helft vertoont symptomen van ernstige ondervoeding, te weten: een vrijwel volledige afbraak van het vetweefsel onder de huid en rond de interne organen; gelatineuze vloeistof in het mesenterium; congestie van de lever; bleke bloedeloze organen; in plaats van het rode en gele beenmerg een glazige substantie; atrofie van de hartspier, maar een vergroting van het ventrikel en het rechter-aurikel. In gewone taal gezegd: omdat het lichaam te weinig voedingsstoffen krijgt om zijn vitale functies te kunnen vervullen, eet het zichzelf op om de benodigde calorieën te krijgen; als er niets meer is, komt alles tot stilstand, als een auto zonder benzine. Dat is een bekend verschijnsel; maar hier is het wonderlijke dat het, ondanks de drastische vermindering van de rantsoenen, eigenlijk nog te vroeg is voor zo’n groot aantal gevallen. Alle officieren verzekeren me dat de voedseldistributie centraal door het aok geregeld wordt en dat de soldaten wel degelijk het officiële rantsoen krijgen. Dat is momenteel net iets minder dan duizend calorieën per dag. Het is veel te weinig, maar het is nog wel iets; je zou verwachten dat de mannen verzwakt zijn, vatbaarder voor ziekten en opportunistische infecties, maar niet dat ze al zouden sterven van de honger. Mijn collega’s zoeken dan ook een andere verklaring: ze spreken van uitputting, stress, psychische shock. Maar dat klinkt allemaal vaag en weinig overtuigend. Mijn autopsieën liegen niet.’ – ‘Hoe zit het dan volgens u?’ – ‘Ik weet het niet. Er moet een heel complex van oorzaken zijn, die zich in deze omstandigheden moeilijk laten isoleren. Ik vermoed dat het vermogen van bepaalde organismen om het voedsel behoorlijk af te breken – te verteren, zo u wilt – wordt aangetast door andere factoren, zoals spanning of slaaptekort. Er zijn uiteraard volkomen evidente gevallen: mannen met een zo ernstige diarree dat het weinige dat ze binnenkrijgen, niet lang genoeg in hun maag blijft en in zekere zin precies zo weer naar buiten komt; dat is vooral het geval bij de soldaten die vrijwel niets anders eten dan die Wassersuppe. Bepaalde levensmiddelen zijn zelfs schadelijk; ingeblikt vlees bijvoorbeeld, zoals dat van u, is erg vet en kan daardoor dodelijk zijn voor iemand die al weken niets dan brood en soep heeft gegeten; het organisme kan de schok niet verwerken, het hart gaat te snel pompen en begeeft het ineens. En neem de boter, die nog steeds wordt aangevoerd: die boter wordt geleverd in bevroren blokken, maar in de steppe hebben de Landser niets om vuur mee te maken, dus hakken ze zo’n blok met een bijl in kleinere stukken en zuigen daarop. Dat veroorzaakt vreselijke diarree, waardoor ze binnen de kortste keren dood zijn. En als u dan echt alles wilt weten: een groot deel van de lijken die ik te zien krijg, heeft een broek vol stront, die gelukkig bevroren is: op het laatst zijn ze te zwak om hun broek omlaag te trekken. En besef wel dat dit lijken zijn die van het front komen, niet uit de lazaretten. Kortom, die theorie van mij zal moeilijk te bewijzen zijn, maar lijkt me wel plausibel. De stofwisseling wordt rechtstreeks aangetast door de kou en uitputting en functioneert niet meer naar behoren.’ – ‘En de angst?’ – ‘Die speelt allicht ook een rol. Dat hebben we kunnen zien in de Grote Oorlog: tijdens een extreem hevig bombardement kan het hart bezwijken; dan worden jonge, goed gevoede, gezonde mannen dood gevonden, zonder ook maar enige kwetsuur. Maar hier zou ik eerder zeggen dat het een extra factor is, niet de eigenlijke oorzaak. Nogmaals, ik moet nog nader onderzoek doen. Voor het Zesde Leger heeft het waarschijnlijk niet veel nut meer, maar ik vlei me met de gedachte dat de wetenschap ermee gediend zal zijn, die gedachte helpt me om ’s ochtends op te staan; dat, plus het onvermijdelijke saljoet van onze vrienden aan de overkant. Deze Kessel is in feite een reusachtig laboratorium. Voor de onderzoeker een waar paradijs. Ik heb de beschikking over zo veel lichamen als ik maar wil, uitstekend geconserveerde lijken, ook al zijn ze soms wat lastig te ontdooien. Ik moet mijn arme assistenten verplichten om de hele nacht met die lijken bij de kachel te zitten, zodat ze regelmatig kunnen worden gekeerd. Onlangs is in Baboerkin een assistent van me in slaap gevallen; de volgende ochtend bleek mijn onderzoeksobject aan de ene kant bevroren en aan de andere kant geroosterd. Maar komt u mee, het is bijna zover.’ – ‘Wat is bijna zover?’ – ‘Dat merkt u nog wel.’ Hohenegg pakte zijn aktentas, zijn schrijfmachine en trok zijn jas aan; voordat hij naar buiten ging, blies hij de kaars uit. Buiten was het donker. Ik volgde hem naar een balka voorbij het dorp waar hij zich met zijn voeten vooruit liet zakken in een bunker, die onder de sneeuw vrijwel niet te zien was. Daar zaten drie officieren op krukjes met een kaars in het midden. ‘Goedemiddag, meine Herren,’ zei Hohenegg. ‘Dit is Hauptsturmführer Dr. Aue, die zo vriendelijk is ons een bezoek te brengen.’ Ik gaf de officieren een hand en ging, omdat er geen krukje meer vrij was, op de bevroren grond zitten, mijn pelsjas onder mijn zitvlak. Door het bont heen voelde ik de kou. ‘De sovjetcommandant tegenover ons is opmerkelijk punctueel,’ vertelde Hohenegg me. ‘Sinds het midden van de maand bestookt hij deze sector drie keer per dag, en wel stipt om vijf uur dertig, om elf uur en om zestien uur dertig. Tussendoor niets, afgezien van een paar mortierschoten. Voor het werk is dat erg praktisch.’ Inderdaad hoorde ik drie minuten later een snerpend gehuil, gevolgd door een reeks ontploffingen vlak na elkaar; dat was het salvo van een zogeheten Stalinorgel. De bunker trilde, sneeuw bedekte een deel van de ingang, aardkluiten regenden uit het plafond. Het zwakke licht van de kaars flakkerde en wierp grillige schaduwen op de afgematte, ongeschoren gezichten van de officieren. Er volgden nog meer salvo’s, afgewisseld met de drogere knallen van tank- of artilleriegranaten. Het lawaai was uitgegroeid tot iets waanzinnigs, iets bezetens dat een eigen leven leidde, de lucht vulde en zich tegen de deels afgesloten ingang van de bunker perste. Ik werd door ontzetting overmand bij de gedachte levend te worden begraven, het scheelde niet veel of ik had geprobeerd te vluchten, maar ik bedwong me. Na tien minuten was dat heftige bombardement abrupt afgelopen, zij het dat de echo en de druk van het geluid zich nog niet meteen terugtrokken, er langer over deden om op te lossen. De scherpe lucht van cordiet prikte in mijn neus en ogen. Een van de officieren maakte de ingang van de bunker vrij en we kropen naar buiten. Het dorp boven, aan de rand van de balka, leek vermorzeld, als door een storm weggevaagd; er stonden isba’s in brand, maar ik zag al gauw dat er slechts een paar huizen waren getroffen; de meeste granaten waren waarschijnlijk voor de stellingen bedoeld geweest. ‘Het enige probleem is dat ze nooit op precies dezelfde plek richten,’ merkte Hohenegg op, terwijl hij de aarde en de sneeuw van mijn jas klopte. ‘Dat zou nog praktischer zijn. Laten we gaan kijken of ons nederig stulpje het heeft overleefd.’ De hut stond er nog; er kwam zelfs nog wat warmte van de kachel. ‘Wilt u niet een kop thee komen drinken?’ opperde een officier die ons had vergezeld. We liepen met hem mee naar een andere isba, die door een tussenschot in tweeën was gedeeld; in het voorste stuk, waar de twee anderen al zaten, stond ook een kachel. ‘Hier in het dorp gaat het wel,’ vertelde de officier. ‘Na elk bombardement is er hout genoeg. Maar de mannen in de gevechtsstelling hebben niets. Ze hoeven maar een klein wondje te krijgen en ze gaan dood, door de shock en de bevriezing die het gevolg zijn van het bloedverlies. Er is bijna nooit tijd om ze nog naar een lazaret te brengen.’ Een andere officier zette thee, dat wil zeggen Schlüter-ersatz. Ze waren alle drie nog erg jong, Leutnant of Oberleutnant; ze bewogen en praatten traag, apathisch bijna. De man die de thee zette droeg het IJzeren Kruis. Ik bood sigaretten aan: ze reageerden net als de Kroatische officier. Een van hen haalde een beduimeld kaartspel tevoorschijn: ‘Speelt u mee?’ Ik schudde van nee, maar Hohenegg wilde wel en de man deelde de kaarten rond voor een partijtje skat. ‘Kaarten, sigaretten, thee...’ grinnikte de derde, die nog niets had gezegd. ‘Het lijkt wel of we thuis zijn.’ – ‘In het begin schaakten we,’ zei de eerste tegen me, ‘maar daar hebben we de energie niet meer voor.’ De officier met het IJzeren Kruis gaf ons de thee in gedeukte kroezen. ‘Het spijt me, er is geen melk meer. Ook geen suiker.’ We namen een slok en zij begonnen te spelen. Er kwam een onderofficier binnen, die op gedempte toon iets zei tegen de officier met het IJzeren Kruis. ‘Vier doden en dertien gewonden in het dorp,’ meldde deze grimmig. ‘De tweede en derde compagnie zijn ook stevig te pakken genomen.’ Hij wendde zich naar mij met een blik waaruit woede sprak, maar ook ontreddering: ‘Herr Hauptsturmführer, u houdt zich met inlichtingen bezig, kunt u mij iets uitleggen? Waar hebben ze al die wapens vandaan, die granaten en kanonnen? Al anderhalf jaar belagen we ze en zitten we ze achterna. We hebben ze van de Boeg naar de Wolga gejaagd, hun steden verwoest, hun fabrieken met de grond gelijkgemaakt... Waar halen ze dan al die verrekte tanks en kanonnen vandaan?’ Hij barstte bijna in tranen uit. ‘Met dat soort inlichtingen houd ik me niet bezig,’ antwoordde ik rustig. ‘Het vijandelijk militair potentieel is een zaak voor de Abwehr en voor de afdeling Fremde Heere Ost. Naar mijn mening is dat potentieel aanvankelijk onderschat. Bovendien is het hun gelukt veel fabrieken te verplaatsen. Ze beschikken kennelijk over een aanzienlijke productiecapaciteit in de Oeral.’ De officier leek het gesprek te willen voortzetten, maar hij was duidelijk te moe. Zwijgend ging hij verder met kaarten. Even later stelde ik een vraag over de demoraliserende Russische propaganda. Degene die ons had uitgenodigd stond op, verdween achter het schot en bracht me twee vellen papier. ‘Dit sturen ze ons.’ Op het ene stond een simpel, in het Duits geschreven gedicht, getiteld Denk aan je kind! en ondertekend door een zekere Erich Weinert. Het andere eindigde met een citaat: Als Duitse soldaten en officieren zich overgeven, moet het Rode Leger hen gevangennemen en hun leven sparen (order nr. 55 van de volkscommissaris van Defensie J. Stalin). Het zag er goed verzorgd uit; taal en typografie waren voortreffelijk. ‘En werkt het?’ vroeg ik. De officieren keken elkaar aan. ‘Helaas, ja,’ zei de derde ten slotte. – ‘We kunnen onmogelijk verhinderen dat de manschappen dit lezen,’ zei de officier met het IJzeren Kruis. Nummer drie hernam: ‘Toen we onlangs werden aangevallen, heeft een hele sectie zich zonder een schot te lossen overgegeven. Gelukkig kon een andere sectie ingrijpen en de aanval tot staan brengen. Uiteindelijk zijn de Roden teruggedreven zonder hun gevangenen mee te nemen. Een aantal van hen was al in het gevecht gesneuveld; de anderen zijn gefusilleerd.’ De Leutnant met het IJzeren Kruis wierp hem een vuile blik toe, waarop hij zweeg. ‘Mag ik dit houden?’ vroeg ik, wijzend op de biljetten. – ‘Als u wilt. Wijzelf gebruiken ze alleen voor bepaalde doeleinden.’ Ik vouwde ze op en borg ze in de zak van mijn uniformjasje. Hohenegg maakte het potje af en kwam overeind: ‘Zullen we gaan?’ We bedankten de drie officieren en liepen terug naar de isba van Hohenegg, waar ik met mijn blikvlees en geroosterde schijven ui een kleine maaltijd bereidde. ‘Het spijt me, Herr Aue, maar mijn cognac heb ik in Goemrak achtergelaten.’ – ‘Ah, die is dan voor een andere keer.’ We praatten over de officieren; Hohenegg vertelde over de vreemde obsessies die van sommigen bezit namen; een Oberstleutnant van de 44e divisie had een isba die beschutting bood aan een tiental van zijn soldaten, tot de grond toe laten afbreken om warm water te kunnen stoken voor een bad, en na langdurig te hebben liggen weken en zich te hebben geschoren, had hij zijn uniform weer aangetrokken en een kogel door zijn mond geschoten. ‘U weet ongetwijfeld, dokter,’ merkte ik op, ‘dat het Latijnse obsidere betekent: belegeren. Stalingrad is een geobsedeerde stad, belegerd én bezeten.’ – ‘Ja. We moesten maar gaan slapen. De wekker laat nogal ruw van zich horen.’ Hohenegg zelf had een stromatras en een slaapzak; voor mij vond hij twee dekens en ik rolde me in mijn pelsjas. ‘U zou mijn onderkomen in Goemrak moeten zien,’ zei hij terwijl hij zich uitstrekte. ‘Ik heb daar een bunker met houten muren, verwarming, schone lakens. Luxueus.’ Schone lakens: dat klinkt geweldig, zei ik in mezelf. Een warm bad en schone lakens. Zou het kunnen dat ik stierf zonder ooit nog een bad te hebben genomen? Ja, dat kon, en hier, in de isba van Hohenegg, leek het me zelfs waarschijnlijk. Opnieuw voelde ik een hevige aanvechting om te gaan huilen. Dat gebeurde tegenwoordig wel vaker.

Terug in Stalingrad schreef ik met behulp van de door Hohenegg verstrekte cijfers een rapport dat, aldus Thomas, op Möritz een verpletterende indruk had gemaakt: hij had het in één ruk uitgelezen, vertelde Thomas, en hem vervolgens zonder commentaar weggestuurd. Thomas wilde het rechtstreeks naar Berlijn verzenden. ‘Mag dat, zonder toestemming van Möritz?’ vroeg ik verbaasd. Thomas haalde zijn schouders op: ‘Ik ben officier van de Geheime Staatspolizei, niet van de Geheime Feldpolizei. Ik doe wat ik wil.’ Ik bedacht dat wij inderdaad allemaal min of meer autonoom opereerden. Möritz gaf me zelden precieze instructies, over het algemeen moest ik zelf maar zien wat ik deed. Ik vroeg me af waarom hij me eigenlijk had laten komen. Thomas had nog steeds rechtstreeks contact met Berlijn, ik had geen idee via welk kanaal, en hij leek altijd precies te weten wat er in de nabije toekomst te gebeuren stond. In de eerste maanden na de inname van de stad had de Sipo, samen met de Feldgendarmerie, de joden en communisten geliquideerd; daarna waren ze overgegaan tot het evacueren van de meeste burgers, waarbij de mannen die daarvoor de geschikte leeftijd hadden, in totaal bijna vijfenzestigduizend, als arbeidskrachten naar Duitsland waren gestuurd, in het kader van de Sauckel-Aktion. Maar ook de Sipo en de Feldgendarmerie hadden nu in feite weinig te doen. Thomas daarentegen maakte een bedrijvige indruk; dag na dag was hij bezig om met behulp van sigaretten en blikken conserven de betrekkingen met zijn Ic’s op orde te houden. Bij gebrek aan beter besloot ik tot een reorganisatie van het netwerk van civiele informanten dat aan mij was overgedragen. Wie in mijn ogen nutteloos was, kreeg eenvoudigweg geen levensmiddelen meer, en tegen de anderen zei ik dat ik meer van ze verwachtte. Op voorstel van Ivan bezocht ik samen met een Dolmetscher de kelders van de verwoeste huizenblokken in het centrum: daar zaten oude vrouwen die veel wisten, maar zich niet verplaatsten. De meesten haatten ons en keken ongeduldig uit naar de terugkeer van nasji, ‘de onzen’; maar een paar aardappels, en vooral het genoegen met iemand te kunnen praten, maakten hun tongen los. Uit militair oogpunt waren ze voor ons van geen enkel nut, maar ze hadden maandenlang vlak achter de sovjetlinies geleefd en spraken met verve over het moreel van de soldaten, hun moed, hun geloof in Rusland, over de intense gevoelens van hoop die de oorlog bij het volk had gewekt en die de soldaten openlijk tot uitdrukking brachten, zelfs tegenover de officieren: liberalisering van het regime, opheffing van de sovchozen en kolchozen, afschaffing van het arbeidsboekje, dat het vrije verkeer belemmerde. Een van die oude vrouwen, Masja genaamd, gaf me een emotionele beschrijving van hun generaal Tsjoejkov, door haar al aangeduid als ‘de held van Stalingrad’: sinds de gevechten waren begonnen, had hij de rechteroever niet verlaten; op de avond dat wij de oliereservoirs in brand hadden gestoken, had hij nog net weten te vluchten naar de punt van een rots, waar hij tussen de vuurzeeën de nacht had doorgebracht, met ijzige kalmte; de manschappen vereerden hem; voor mij was het de eerste keer dat ik zijn naam hoorde. Van deze vrouwen hoorde ik ook veel over onze eigen Landser: velen van hen zochten hier geregeld voor een paar uur hun toevlucht om wat te eten, te praten, te slapen. Dit frontgebied was een onvoorstelbare chaos van ingestorte gebouwen, voortdurend ten prooi aan fijnmazige beschietingen van de Russische artillerie, waarvan het afvuren aan de andere oever van de Wolga soms tot hier te horen was; geleid door Ivan, die het gebied tot in alle uithoeken leek te kennen, verplaatste ik me vrijwel uitsluitend onder de grond, van kelder naar kelder, soms zelfs via de riolen. Elders gingen we juist weer via de hogere verdiepingen, om onnaspeurlijke redenen vond Ivan dat dan veiliger. We kwamen door appartementen met flarden verbrande gordijnen, geblakerde plafonds vol gaten, kale bakstenen achter gescheurd behang en verbrokkeld pleisterwerk, en al die kamers stonden nog vol met karkassen van bedden, opengereten divans, keukenkasten, kinderspeelgoed; soms ook waren er planken over gapende gaten gelegd, gangen die naar buiten toe open waren en waar we moesten kruipen, en overal de doorzeefde stenen die eruitzagen als kantwerk. Van de artilleriebeschietingen leek Ivan zich niets aan te trekken, maar voor de sluipschutters had hij een bijgelovige angst; bij mij was het andersom, de explosies joegen me de stuipen op het lijf, iedere keer weer moest ik me dan vermannen om niet helemaal in elkaar te duiken; op de sluipschutters lette ik niet, maar dat was uit onwetendheid, vaak moest Ivan me snel wegtrekken van een plek waar ik waarschijnlijk een duidelijker doelwit was, maar die naar mijn gevoel niets extra gevaarlijks had. Ook hij beweerde dat die sluipschutters meestal vrouwen waren, ook hij hield vol dat hij met eigen ogen het lijk had gezien van de beroemdste onder hen, een kampioene van de Spartakiade van 1936; hij had overigens nog nooit gehoord van de Sarmaten uit het gebied van de Beneden-Wolga, volgens Herodotus de afstammelingen van met elkaar gehuwde Scythen en Amazonen, die hun vrouwen uitstuurden om met mannen de strijd aan te gaan en koergans bouwden die even reusachtig waren als de Mamajev. In deze troosteloze, verwoeste omgeving kwam ik ook soldaten tegen; sommige sloegen een vijandige toon tegen me aan, andere praatten vriendelijk, weer andere onverschillig; ze vertelden over de Rattenkrieg, de rattenoorlog die ze moesten voeren om het bezit van deze ruïnes, waar een gang, een plafond of muur de frontlijn was, waar ze elkaar in het stof en de rook blindelings met granaten bestookten, waar de levenden in de hitte van de omringende branden snakten naar adem, waar de doden de doorgang belemmerden op trappen, overlopen, bij de entree van een appartement, waar elk besef van tijd en ruimte verloren ging en de oorlog bijna veranderde in een abstract, driedimensionaal schaakspel. Op die manier waren onze strijdkrachten de Wolga soms tot drie, twee straten genaderd, maar verder waren ze niet gekomen. Nu was het de beurt aan de Russen: iedere dag, meestal ’s ochtends vroeg en in het begin van de avond, zetten ze een verbeten aanval op onze stellingen in, vooral in de sector van de fabrieken, maar ook in het centrum; de strikt gerantsoeneerde munitie van de compagnieën raakte op, na de aanval zonken de overlevenden uitgeput neer; overdag liepen de Russen duidelijk zichtbaar rond, in de wetenschap dat onze mannen toch niet mochten schieten. De onzen leefden in de kelders, dicht op elkaar, onder een tapijt van ratten die alle angst voorbij waren en over de doden rondrenden, maar evengoed over de levenden, ’s nachts kwamen knagen aan de oren, neuzen en tenen van de afgematte slapers. Op een dag, ik stond op de tweede verdieping van een huizenblok, ontplofte er op straat een kleine mortiergranaat; even later hoorde ik iemand lachen, hij had werkelijk de slappe lach. Ik keek uit het raam en zag tussen het puin iets wat op een menselijke torso leek: een Duitse soldaat van wie beide benen door de ontploffing waren weggerukt, zat daar te schaterlachen. Ik keek en hij bleef lachen, midden in een plas bloed die zich tussen de brokstukken door steeds verder verbreidde. De aanblik schokte me en sloeg op mijn darmen; ik stuurde Ivan weg en liet midden in de kamer mijn broek zakken. Kreeg ik onderweg darmkrampen, dan kakte ik waar dan ook, in gangen, keukens, slaapkamers of soms, al naar gelang de staat van de ruïne, gehurkt op een closetpot, die overigens niet altijd op een rioolbuis was aangesloten. Die grote, ingestorte huizenblokken, waar de afgelopen zomer duizenden gezinnen nog een gewoon gezinsleven hadden geleid, zonder te vermoeden dat weldra soldaten met zes tegelijk hun echtelijk bed zouden beslapen, hun kont zouden afvegen aan hun gordijnen of lakens, in hun keuken met spades op elkaar zouden inhakken en in hun badkamer de lijken zouden opstapelen, die huizenblokken gaven me een hol en bitter angstgevoel; en die angst bracht steeds vaker beelden uit het verleden omhoog, als drenkelingen na een schipbreuk, het een na het ander. Het waren vaak deerniswekkende herinneringen. Bijvoorbeeld, twee maanden nadat we onze intrek hadden genomen bij Moreau, kort voor mijn elfde verjaardag, had mijn moeder me aan het begin van het nieuwe schooljaar naar een internaat in Nice gestuurd, onder het voorwendsel dat er in Antibes geen goede school was. Het was helemaal niet zo’n verschrikkelijk instituut, de docenten waren gewone mensen (wat zou ik later, bij de paters, naar dat oord terugverlangen!); elke donderdagmiddag en elk weekend ging ik naar huis; desalniettemin haatte ik dat internaat. Ik had een ferm besluit genomen: anders dan in Kiel was gebeurd, zou ik niet toelaten dat de andere kinderen hun jaloezie en kwaadaardigheid op mij konden botvieren; ik was daar extra beducht voor vanwege het lichte Duitse accent dat de eerste tijd nog doorklonk in mijn Frans; onze moeder had thuis altijd al Frans tegen ons gesproken, maar voordat we naar Antibes kwamen, hadden we niet zelf kunnen oefenen. Verder was ik tenger en klein voor mijn leeftijd. Om dit alles te compenseren nam ik, deels onbewust, tegenover de leraren een sarcastische, weerspannige en beslist ook geforceerde houding aan. Ik werd de clown van de klas; ik onderbrak de lessen met droge opmerkingen en spottende vragen, waar mijn kameraden om moesten brullen van boosaardig plezier; ik verzon listige, soms gemene grappen. Eén leraar in het bijzonder werd mijn slachtoffer, een goedaardige, enigszins verwijfde man, die lesgaf in Engels, een vlinderdasje droeg en zich volgens de geruchten overgaf aan praktijken die ik in die tijd, net als alle anderen, als verachtelijk beschouwde, al kon ik me er niets bij voorstellen. Om die redenen, en omdat hij een zwakkeling was, werd hij mijn mikpunt, en geregeld vernederde ik hem ten overstaan van de klas, totdat hij me een keer in dolle, machteloze woede een oorvijg gaf. Na al die jaren bezorgt de herinnering me nog een wurgende schaamte, want inmiddels is me al een hele tijd duidelijk dat ik met die arme man net zo ben omgegaan als die botte schoften mij hadden behandeld, zonder me te generen, alleen om het verfoeilijke genoegen een bedrieglijke superioriteit te kunnen tonen. Dat is ongetwijfeld het enorme voordeel van de zogenaamd sterken op de zwakken: zwak of sterk, iedereen wordt ondermijnd door angst, zorgen en twijfel, maar de zwakken weten het en gaan eronder gebukt, terwijl de anderen het niet zien en zich, om de muur die hen tegen deze bodemloze leegte beschermt nog steviger te stutten, tegen de zwakken keren, die met hun al te zichtbare broosheid hun eigen broze zelfvertrouwen bedreigen. De zwakken vormen op die manier een bedreiging voor de sterken en roepen over zichzelf het geweld en de moorddadigheid af die hen altijd weer meedogenloos treffen. Pas als het blinde, onontkoombare geweld zich tegen de sterksten keert, gaat de muur van hun zekerheid scheuren vertonen, pas dan merken ze wat er voor hen in het verschiet ligt en zien ze dat het met hen afgelopen is. Dit overkwam al deze soldaten van het Zesde Leger, die zo fier en arrogant waren geweest toen ze de Russische divisies verpletterden, de burgers plunderden, verdachte personen elimineerden zoals je vliegen doodslaat: nu bedreigde de dood hen niet alleen in de vorm van de Russische artillerie en de Russische sluipschutters, of in de vorm van kou, ziekte en honger, maar evenzeer door een innerlijke vloed die traag in hen omhoogkwam. Ook in mij was dat water aan het stijgen, met een doordringende stank, als de zoetig ruikende stront die uit mijn darmen gutste. Dat werd me meer dan duidelijk tijdens een opmerkelijke ontmoeting die Thomas voor me regelde. ‘Ik zou graag willen dat je met iemand praat,’ was zijn verzoek, en hij stak zijn hoofd naar binnen in het hokje dat mij tot kantoor diende. Dit speelde zich af op oudejaarsdag 1942, dat weet ik nog precies. ‘Met wie?’ – ‘Een politroek, die gisteren ergens bij de fabrieken is opgepakt. Alles wat we konden, hebben we er al uitgeperst, de Abwehr ook, maar het leek mij interessant als jij eens een gesprek met hem had om te praten over ideologie, om een beetje uit te vinden wat er op dit moment in die koppen van ze omgaat, daar aan de overkant. Jij hebt een scherp verstand, jij kunt dat beter dan ik. Hij spreekt voortreffelijk Duits.’ – ‘Als jij denkt dat het van nut kan zijn.’ – ‘Verdoe geen tijd met militaire kwesties, daar zijn wij al mee bezig geweest.’ – ‘Heeft hij gepraat?’ Met een lichte glimlach haalde Thomas zijn schouders op: ‘Niet echt. Hij is niet piepjong meer, maar het is een taaie. Misschien gaan we daarna nog met hem door.’ – ‘Ah, het is me duidelijk: jij wilt dat ik hem week maak.’ – ‘Zo is het helemaal. Geef hem een preek, praat over de toekomst van zijn kinderen.’

Een Oekraïner bracht de geboeide man binnen. Hij droeg het korte, gele jasje van een tanksoldaat, dat er vettig uitzag en waarvan de rechtermouw op de naad was gescheurd; zijn gezicht was aan de ene kant volkomen ontveld, alsof de huid eraf was geschraapt; het oog aan de andere kant zat door een paarsblauwe kneuzing vrijwel dicht; maar op het moment dat hij gevangengenomen was, moest hij gladgeschoren zijn geweest. De Oekraïner smakte hem neer op een schoolstoeltje voor mijn bureau. ‘Maak zijn boeien los,’ beval ik. ‘En blijf op de gang wachten.’ De Oekraïner schokschouderde, ontdeed de man van zijn handboeien en ging weg. De commissaris masseerde zijn polsen. ‘Sympathiek, zulke verraders uit eigen land, niet?’ zei hij ironisch. Ondanks zijn accent sprak hij goed verstaanbaar Duits. ‘Tegen de tijd dat u weer weggaat, mag u ze meenemen.’ – ‘Wij gaan niet weg,’ reageerde ik koel. – ‘Ah, des te beter. Dan hoeven wij er niet achteraan om ze te fusilleren.’ – ‘Ik ben Hauptsturmführer Dr. Aue,’ zei ik. ‘En wie bent u?’ Hij maakte op zijn stoel een lichte buiging: ‘Pravdin, Ilja Semjonovitsj, om u te dienen.’ Ik haalde een van mijn laatste pakjes sigaretten tevoorschijn: ‘Rookt u?’ Hij glimlachte, in zijn mond ontbraken twee tanden: ‘Waarom komen die figuren van de politie altijd met sigaretten op de proppen? Bij elke arrestatie kreeg ik sigaretten aangeboden. Overigens zeg ik geen nee.’ Ik gaf hem er een en hij boog naar voren om een vuurtje te krijgen. ‘En uw rang?’ vroeg ik. Met een zucht van voldoening blies hij een lange rooksliert uit: ‘Terwijl uw soldaten sterven van de honger, constateer ik dat de officieren nog goeie sigaretten hebben. Ik ben regimentscommissaris. Maar onlangs hebben ze ons militaire rangen toegekend en daarbij heb ik de rang van luitenant-kolonel gekregen.’ – ‘Maar u bent lid van de Partij, geen officier van het Rode Leger.’ – ‘Dat is juist. En u? Bent u ook van de Gestapo?’ – ‘Van de sd. Dat is niet helemaal hetzelfde.’ – ‘Ik ken het verschil. Ik heb al genoeg van uw mensen ondervraagd.’ – ‘En hoe komt het dat een communist als u zich gevangen heeft laten nemen?’ Zijn gezicht betrok: ‘Tijdens een aanval is er vlak bij mij in de buurt een granaat ontploft en kreeg ik brokstukken tegen mijn hoofd.’ Hij wees naar het ontvelde deel van zijn gezicht. ‘De klap heeft me verdoofd. Mijn kameraden moeten hebben gedacht dat ik dood was. Toen ik weer bijkwam, was ik in handen van de Duitsers. Er was niets meer aan te doen,’ besloot hij treurig. – ‘Een politroek met een tamelijk hoge rang die in de voorste linie vecht, dat komt toch niet vaak voor?’ – ‘De commandant was gesneuveld en ik moest de soldaten hergroeperen. Maar in z’n algemeenheid ben ik het met u eens: de soldaten zien niet genoeg partijfunctionarissen die zich in het vuur begeven. Sommigen maken misbruik van hun privileges. Maar dat misbruik zal worden rechtgezet.’ Behoedzaam betastte hij met zijn vingertoppen het paarsige, gekneusde vlees rond zijn gezwollen oog. ‘Is dat ook van de explosie?’ vroeg ik. Weer was daar die tandeloze glimlach: ‘Nee, dat is van uw collega’s. U zult dat soort aanpak wel kennen.’ – ‘Uw nkvd gebruikt dezelfde methoden.’- ‘Absoluut. Ik klaag ook niet.’ Ik liet een korte pauze vallen, waarna ik zei: ‘Hoe oud bent u, als ik vragen mag?’ – ‘Tweeënveertig. Ik ben tegelijk met de eeuw geboren, net als uw eigen Himmler.’ – ‘Dus u hebt de Revolutie meegemaakt?’ Hij lachte: ‘Natuurlijk! Op mijn vijftiende was ik een militante bolsjewist. Ik hoorde bij een arbeiderssovjet in Petrograd. U kunt zich niet voorstellen wat voor tijd dat was! We voelden de wind van de vrijheid waaien.’ – ‘Dat is dan wel veranderd.’ Hij dacht na: ‘Ja. Dat is waar. Waarschijnlijk was het Russische volk nog niet klaar voor zo’n onmetelijke vrijheid, die zich zo plotseling aandiende. Maar het komt, gaandeweg. Eerst moet het volk worden opgevoed.’ – ‘En waar hebt u Duits geleerd?’ Opnieuw een glimlach: ‘Helemaal in m’n eentje, ik was zestien, van krijgsgevangenen. Daarna heeft Lenin zelf mij naar Duitsland gestuurd, om daar communisten te ontmoeten. Denk u eens in, ik heb Liebknecht gekend, Luxemburg! Mensen van groot kaliber. En na de burgeroorlog ben ik nog een aantal malen clandestien naar Duitsland teruggekeerd om contacten met Thälmann en anderen te onderhouden. U hebt geen idee van het leven dat achter mij ligt. In 1929 diende ik als tolk voor uw officieren, die naar Sovjet-Rusland kwamen om te trainen, om hier die nieuwe wapens en tactieken van u uit te proberen. We hebben veel van u geleerd.’ – ‘Ja, maar profijt hebt u daar niet van gehad. Alle officieren die onze denkbeelden hadden overgenomen, zijn door Stalin geliquideerd, te beginnen met Toechatsjevski.’ – ‘De dood van Toechatsjevski betreur ik zeer. Ik bedoel, persoonlijk. Politiek gezien kan ik niet over Stalin oordelen. Misschien was het een vergissing. Ook bolsjewieken maken vergissingen. Maar wat telt, is dat wij het vermogen hebben om onze eigen gelederen regelmatig te zuiveren, om hen die afdwalen, of die ontvankelijk zijn voor corruptie, te elimineren. En dat vermogen ontbreekt bij u: uw Partij rot van binnenuit weg.’ – ‘Natuurlijk zijn er bij ons ook problemen. Wij van de sd weten dat beter dan wie ook, en we werken aan een verbetering van de Partij en van het Volk.’ Hij glimlachte vriendelijk: ‘Uiteindelijk verschillen onze beide systemen niet zo sterk van elkaar. Althans qua beginsel.’ – ‘Dat is een merkwaardige uitspraak voor een communist.’ – ‘Toch niet, als u er wat langer over nadenkt. Wat is eigenlijk het verschil tussen nationaal-socialisme en het socialisme in één land?’ – ‘Waarom zijn we dan in een strijd op leven en dood gewikkeld?’ – ‘Dat hebt u gewild, wij niet. Wij stonden open voor het compromis. Maar het is net als vroeger met de christenen en de joden: in plaats van zich te verenigen met het volk van God, waarmee ze zo veel gemeen hadden, en gezamenlijk een front tegen de heidenen te vormen, lieten de christenen zich liever naar de kant van de heidenen trekken, waarschijnlijk uit jaloezie, en hebben ze zich tegen de getuigen van de waarheid gekeerd, waar ze alleen maar nadeel van hebben ondervonden. Wat een verspilling is dat geweest.’ – ‘In die vergelijking van u staan de joden waarschijnlijk voor de Russen?’ – ‘Uiteraard. Per slot van rekening hebt u alles van ons overgenomen, ook al hebt u er vervolgens een karikatuur van gemaakt. En dan heb ik het niet alleen over de symbolen, zoals de rode vlag en de eerste mei. Ik heb het over de ideeën waar in uw Weltanschauung de hoogste waarde aan wordt toegekend.’ – ‘Hoe bedoelt u dat?’ Hij begon op de Russische manier te tellen, door zijn vingers vanaf de pink een voor een om te buigen: ‘Waar het communisme een klasseloze maatschappij beoogt, predikt u de Volksgemeinschaft, en dat is strikt genomen hetzelfde, zij het beperkt tot het gebied binnen uw grenzen. Waar Marx de proletariër zag als drager van de waarheid, hebt u besloten dat het zogeheten Duitse ras een proletarisch ras is, de belichaming van het goede en van de morele waarden; derhalve hebt u de klassenstrijd vervangen door de Duitse proletarische oorlog tegen de kapitalistische staten. Ook op economisch vlak zijn uw denkbeelden niets anders dan een vervorming van onze waarden. Ik ken uw economische opvattingen goed, want voor de oorlog vertaalde ik ten behoeve van de Partij artikelen uit uw vakbladen. Waar Marx een theorie heeft ontwikkeld van waarde gebaseerd op arbeid, verklaart uw Hitler: “Onze Duitse mark wordt niet door goud gedekt, maar is meer waard dan goud.” Deze enigszins duistere uitspraak is becommentarieerd door Dietrich, Goebbels’ rechterhand; het nationaal-socialisme had begrepen, aldus Dietrich, dat de beste basis voor de waarde van een munt gevormd wordt door vertrouwen in het productievermogen van de natie en in de richting waarin de staat zich ontwikkelt. Met als resultaat dat geld voor u een fetisj is geworden die het productievermogen van de natie symboliseert, en dat is dus volkomen fout gezien. Met de grootkapitalisten in uw land onderhoudt u ronduit hypocriete betrekkingen, vooral sinds de hervormingen van minister Speer: uw leiders blijven de vrijheid van ondernemen ophemelen, maar al uw bedrijven dienen zich te richten naar een plan, en hun winst mag niet boven de zes procent uitkomen; de staat eigent zich de rest plus de productie toe.’ Hij zweeg. ‘Ook het nationaal-socialisme heeft zijn deviaties,’ antwoordde ik ten slotte. Ik gaf hem kort uitleg over de stellingen van Ohlendorf. ‘Ja,’ zei hij, ‘ik ken zijn artikelen. Maar hij zit toch ook op een dwaalspoor. Omdat u het marxisme niet hebt geïmiteerd, hebt u het geperverteerd. Het is absurd en onzinnig om het begrip klasse te vervangen door het begrip ras en daar, zoals bij u gebeurt, een proletarisch racisme uit af te leiden.’ – ‘Niet onzinniger dan het door u gehanteerde begrip van de permanente klassenstrijd. De klassen zijn een historisch gegeven; op een bepaald moment hebben ze hun intrede gedaan en zo zullen ze ook weer verdwijnen, door harmonieus te versmelten tot een Volksgemeinschaft in plaats van elkaar af te maken. Terwijl het ras een biologisch, natuurlijk en dus onontkoombaar gegeven is.’ Hij hief een hand: ‘Moet u horen, hier ga ik niet op door, want dit is een kwestie van geloof, dus verstand en logische bewijsvoering dienen in dit verband nergens toe. Maar op één punt zult u het toch met mij eens kunnen zijn: al verschilt de analyse van de categorieën die in het geding zijn, onze ideologieën hebben in die zin iets fundamenteels met elkaar gemeen dat ze beide in essentie deterministisch zijn; in uw geval is dat een raciaal determinisme, in het onze is het economisch, maar het is hoe dan ook determinisme. Wij geloven allebei dat de mens zijn lot niet vrijelijk kiest, maar dat het hem door de natuur of de geschiedenis wordt opgelegd. En daaruit trekken we allebei de conclusie dat er objectieve vijanden bestaan, dat bepaalde categorieën mensen met recht kunnen en moeten worden geëlimineerd, niet om wat ze hebben gedaan of desnoods gedacht, maar om wat ze zijn. We verschillen alleen in onze omschrijving van die categorieën: voor u zijn het de joden, de zigeuners, de Polen en zelfs, meen ik te weten, de geesteszieken; voor ons zijn het de koelakken, de bourgeoisie en degenen die er andere opvattingen op na houden dan de Partij. In feite komt dit op hetzelfde neer; allebei keren we ons tegen de homo economicus van de kapitalisten, tegen de zelfzuchtige, individualistische mens, die in de val zit van zijn vrijheidsillusie, en verkiezen we de homo faber. Not a self-made man but a made man, zou je in het Engels kunnen zeggen, of eigenlijk een mens die nog moet worden gemaakt, want de communistische mens moet permanent worden gevormd en opgevoed, net als uw volmaakte nationaal-socialist. En die te maken mens rechtvaardigt het meedogenloos uitroeien van alles wat niet valt op te voeden, rechtvaardigt dus de nkvd en de Gestapo, de tuinlieden van de samenleving, die het onkruid uitrukken en de goede gewassen streng onderwerpen aan hun verzorging.’ Ik gaf hem opnieuw een sigaret en stak er zelf ook een op: ‘Voor een bolsjewistische politroek hebt u een brede visie.’ Hij lachte, enigszins bitter: ‘Dat komt doordat mijn oude contacten, de Duitse en ook wel andere, uit de gratie zijn geraakt. Wanneer je aan de kant wordt geschoven, krijg je de tijd en vooral een vruchtbaar perspectief om na te denken.’ – ‘Komt het daardoor dat een man met uw verleden een alles bij elkaar toch bescheiden functie heeft?’ – ‘Dat zal zo zijn. Weet u, in een bepaalde periode stond ik dicht bij Radek – niet bij Trotski, anders zat ik hier nu niet. Maar begrijp me goed, het stoort me niet dat ik nauwelijks ben opgeklommen. Persoonlijke ambitie is mij totaal vreemd. Ik dien mijn Partij en mijn land, en ik ben blij daarvoor te kunnen sterven. Desondanks denk ik wel na.’ – ‘Maar als u meent dat onze beide systemen identiek zijn, waarom strijdt u dan tegen ons?’ – ‘Ik heb nooit gezegd dat ze identiek zijn! En u bent veel te intelligent om het zo te hebben begrepen. Ik heb geprobeerd u te laten zien dat onze ideologieën op vergelijkbare wijze functioneren. Uiteraard is er qua inhoud een verschil: klasse en ras. In mijn visie is uw nationaal-socialisme een ketters marxisme.’ – ‘In welke zin is de bolsjewistische ideologie volgens u superieur aan die van het nationaal-socialisme?’ – ‘In die zin dat ze het goede wil voor de hele mensheid, terwijl de uwe zelfzuchtig is en alleen het goede wil voor de Duitsers. Als niet-Duitser kan ik me er onmogelijk bij aansluiten, al zou ik willen.’ – ‘Ja, maar als u was geboren in de burgerklasse, zoals ik, dan zou u onmogelijk bolsjewiek kunnen worden: ongeacht uw innerlijke overtuiging zou u een objectieve vijand blijven.’ – ‘Dat is waar, maar dat komt dan door de opvoeding. Een kind of kleinkind van burgerlijke afkomst, dat vanaf zijn geboorte in een socialistisch land wordt grootgebracht, ontwikkelt zich tot een ware, goede communist, die boven alle verdenking is verheven. Wanneer de klasseloze maatschappij eenmaal een feit is, zullen alle klassen opgaan in het communisme. Dit kan zich in theorie uitstrekken tot de hele wereld, terwijl dat niet geldt voor het nationaal-socialisme.’ – ‘In theorie misschien. Maar dat kunt u niet bewijzen, en de realiteit is dat u in naam van die utopie gruwelijke misdaden begaat.’ – ‘Laat ik nu niet antwoorden dat uw misdaden nog gruwelijker zijn. Laat ik alleen zeggen dat wij aan iemand die weigert in de waarheid van het marxisme te geloven, niet het bewijs kunnen leveren dat onze verwachtingen gerechtvaardigd zijn, maar dat we u wel concreet kunnen bewijzen, en het ook gaan doen, dat uw eigen verwachtingen ongefundeerd zijn. Uw biologisch racisme gaat ervan uit dat de rassen onderling niet gelijk zijn, dat sommige sterker en waardevoller zijn dan andere, en dat het Duitse ras het sterkst en het waardevolst is van allemaal. Maar tegen de tijd dat Berlijn eruit zal zien als deze stad’ – hij wees naar het plafond – ‘en onze dappere soldaten bij u aan Unter den Linden hun bivak zullen opslaan, kunt u uw racistische overtuiging alleen maar in stand houden door te erkennen dat het Slavische ras sterker is dan het Duitse.’ Ik liet me niet van mijn stuk brengen: ‘Gelooft u oprecht dat u Berlijn gaat innemen, terwijl u nauwelijks in staat bent geweest Stalingrad in handen te houden? Laat me niet lachen.’ – ‘Het is geen kwestie van geloven, maar van weten. Kijk alleen maar naar het militair potentieel van beide partijen. Nog afgezien van het tweede front dat onze bondgenoten binnenkort in Europa gaan openen. U staat er werkelijk beroerd voor.’ – ‘Wij zullen blijven vechten tot de laatste man.’ – ‘Zeker, maar toch zult u ten onder gaan. En Stalingrad zal het symbool van uw nederlaag blijven. Ten onrechte, overigens. Naar mijn mening hebt u vorig jaar de oorlog al verloren, toen u voor Moskou tot staan bent gebracht. Wij hebben grondgebied, steden en mensen verloren; die zijn allemaal vervangbaar. Maar de Partij is overeind gebleven en dat, dat was het enige waar we op hoopten. Dus zelfs al had u Stalingrad ingenomen, dan zou dat niets hebben uitgemaakt. En u zou trouwens werkelijk in staat zijn geweest Stalingrad in te nemen, als u niet zo veel fouten had gemaakt, ons niet zo had onderschat. Uw nederlaag hier, de ondergang van het Zesde Leger, dat was allemaal nog wel te vermijden geweest. Maar al zou u hier in Stalingrad hebben gezegevierd, wat dan nog? Dan hadden wij altijd nog in Oeljanovsk gezeten, en in Koejbysjev, in Moskou, in Sverdlovsk. En uiteindelijk zouden we op dezelfde manier hebben teruggeslagen, maar dan een beetje verderop. Natuurlijk, de symboliek zou anders zijn geweest, het zou niet om de stad van Stalin zijn gegaan. Maar wie is Stalin eigenlijk? En wat betekenen voor ons bolsjewieken zijn buitensporigheid en zijn glorie? Wat doet het ons, hier, waar de dood dagelijks slachtoffers maakt, dat hij iedere dag met Zjoekov belt? De moed waarmee onze soldaten op uw mitrailleurs afstormen, die komt niet van Stalin. Natuurlijk, er is een leider nodig, er is iemand nodig om alles te coördineren, maar dat had elke andere man van verdienste kunnen zijn. Stalin is even vervangbaar als Lenin, of als ik. Wij hebben hier de strategie van het gezonde verstand toegepast. En in Koejbysjev zouden onze soldaten, onze bolsjewieken, zich net zo moedig hebben gedragen. In militair opzicht hebben we veel nederlagen geleden, maar onze Partij en ons volk zijn nooit overwonnen. En nu nemen de zaken een keer. In de Kaukasus maken uw landgenoten al een begin met de evacuatie. Het lijdt geen twijfel, de eindoverwinning is aan ons.’ – ‘Misschien,’ was mijn reactie. ‘Maar welke prijs moet het communisme daar niet voor betalen? Sinds het begin van de oorlog verwijst Stalin voortdurend naar de nationale waarden, de enige die werkelijk in staat zijn de mensen te mobiliseren, en niet naar de communistische waarden. Hij heeft de ordes van Soevorov en Koetoezov, uit de tsarentijd, opnieuw ingevoerd, net als de vergulde epauletten die uw kameraden in Petrograd, in 1917, met spijkers in de schouders van de officieren dreven. Op de lichamen van uw doden, zelfs van hogere officieren, treffen we iconen aan, verstopt in hun kleding. Sterker nog, uit de verhoren die wij afnemen, blijkt dat er in de hoogste kringen van de Partij en van het leger openlijk racistische denkbeelden worden verkondigd, dat Stalin en de partijleiders een groot-Russisch, antisemitisch klimaat proberen te scheppen. Ook u begint de joden te wantrouwen; en toch vormen zij geen klasse.’ – ‘Wat u zegt is zeker waar,’ gaf hij mistroostig toe. ‘Onder druk van de oorlog komen de atavismen weer naar boven. Maar laten we niet vergeten hoe het Russische volk er vóór 1917 voor stond, hoe onwetend en achterlijk het was. We hebben nog geen twintig jaar de tijd gehad om het op te voeden en bij te sturen, dat is weinig. Na de oorlog zullen we die taak weer op ons nemen en dan zullen al die fouten gaandeweg worden rechtgezet.’ – ‘Naar mijn mening ziet u het verkeerd. Het probleem ligt niet bij het volk, maar bij uw leiders. Het communisme is een masker op het gezicht van Rusland, en dat gezicht is hetzelfde gebleven. Uw Stalin is een tsaar, het Politburo bestaat uit hebzuchtige, egoïstische bojaren en edelen, uw partijkader verschilt niet van de tsjinovniki van Peter of Nicolaas. Het is nog steeds dezelfde Russische autocratie, dezelfde permanente onveiligheid, dezelfde paranoia jegens het buitenland, hetzelfde fundamentele onvermogen om een behoorlijk bestuur te voeren, dezelfde terreur in plaats van algemene consensus, dus in plaats van echte macht, dezelfde ongebreidelde corruptie, alleen in een andere vorm, dezelfde incompetentie, dezelfde drankzucht. Lees de briefwisseling tussen Koerbski en Ivan, lees Karamzin, lees Custine. Aan het centrale element van uw geschiedenis is nooit iets veranderd, en dat centrale element is de vernedering, van vader op zoon. Vanaf het begin, maar vooral sinds de Mongolen, bent u voortdurend vernederd, en het beleid van uw bestuurders is niet bedoeld om die vernederingen en hun oorzaken weg te nemen, maar om ze voor de rest van de wereld te verhullen. Het Petersburg van Peter is net zo’n schijndorp als de dorpen van Potemkin: het is geen raam dat openstaat naar Europa, maar een toneeldecor, opgebouwd om ten opzichte van het Westen de eindeloze armoe en viezigheid erachter te maskeren. Welnu, slechts wie vernederingen aanvaardt, kan daadwerkelijk worden vernederd; en alleen de vernederden vernederen op hun beurt. De vernederden van 1917, van Stalin tot de moezjieks, doen sindsdien niets anders dan hun eigen angst en vernedering aan anderen opleggen. Want in dit land van vernederden is de tsaar machteloos, hoe krachtig zijn greep ook mag zijn, en gaat zijn wil verloren in de drabbige moerassen van het bestuursapparaat; al snel ziet hij zich genoodzaakt om, net als Peter, te bevelen dat aan zijn bevelen dient te worden gehoorzaamd; in zijn gezicht maakt iedereen onderdanige buigingen, achter zijn rug wordt hij bestolen of wordt er tegen hem samengespannen; stuk voor stuk vleien ze hun superieuren en onderdrukken ze hun ondergeschikten, stuk voor stuk hebben ze een slavenziel, u spreekt van raby, en die slavenmentaliteit werkt door tot aan de top; de grootste slaaf van allemaal is de tsaar, die niets kan uitrichten tegen de lafheid en vernedering van zijn slavenvolk en daarom, in zijn machteloosheid, zijn onderdanen doodt, terroriseert en nog dieper vernedert. En iedere keer als zich in uw geschiedenis een wezenlijke breuk voordoet, als er een reële kans is om u uit die helse kringloop los te werken en een nieuwe geschiedenis in gang te zetten, dan grijpt u mis: voor de vrijheid, die vrijheid van 1917 waarnaar u verwees, deinst iedereen terug, zowel het volk als de leiders, en dan zoeken ze het liever weer bij de oude, beproefde reflexen. Het einde van de nep en de beperking van het socialisme tot één land kan ik niet anders zien dan zo. En omdat de hoop toch nog niet volledig was gedoofd, waren vervolgens de zuiveringen nodig. De huidige groot-Russische gedachte is niet meer dan de logische uitkomst van dat proces. De Rus, de eeuwig vernederde, heeft maar één manier om zich ergens doorheen te slaan, namelijk door zich te vereenzelvigen met de abstracte glorie van Rusland. Hij kan vijftien uur per dag werken in een ijskoude fabriek, zijn leven lang enkel boekweitbrood en kool eten, in dienst zijn bij een welgedane baas die zich marxistisch-leninistisch noemt maar intussen rondrijdt in een limousine, met sjieke minnaressen en Franse champagne, het maakt hem allemaal weinig uit, zolang er maar een Derde Rome komt. En of het Derde Rome zich christelijk of communistisch noemt, ook dat is van geen enkel belang. Wat de fabrieksdirecteur betreft, die zal voortdurend vrezen voor zijn positie, hij zal zijn superieur vleien en hem kostbare cadeaus aanbieden, en als hij onttroond is, zal er in zijn plaats een ander worden benoemd, die eigenlijk hetzelfde is, even inhalig, stompzinnig en vernederd als de vorige, vol minachting voor zijn arbeiders, omdat hij per slot van rekening een proletarische staat dient. Ooit zal de communistische façade worden neergehaald, met of zonder geweld. En dan zullen we ontdekken dat het oude Rusland intact is gebleven. Als u deze oorlog ooit wint, dan zult u er nationaal-socialistischer en imperialistischer uit tevoorschijn komen dan wij, maar anders dan het onze zal uw socialisme een loze term zijn, en zult u zich uitsluitend aan het nationalisme kunnen vastklampen. In Duitsland en in de kapitalistische landen wordt beweerd dat het communisme Rusland te gronde heeft gericht; volgens mij is het juist andersom: Rusland heeft het communisme te gronde gericht. Het had een mooi idee kunnen zijn, en wie weet hoe het zou zijn gegaan als de Revolutie zich niet in Rusland maar in Duitsland had voltrokken? Als ze tot stand was gebracht door zelfverzekerde Duitsers, Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht bijvoorbeeld, uw vrienden? Persoonlijk denk ik dat het een ramp zou zijn geweest, want onze binnenlandse conflicten, die het nationaal-socialisme probeert op te lossen, zouden daardoor juist zijn aangescherpt. Maar wie weet? In ieder geval staat vast dat het communistisch experiment hier alleen maar kon mislukken. Het is te vergelijken met een medisch experiment in een besmette omgeving: de resultaten zijn waardeloos.’ – ‘U bent een voortreffelijk dialecticus, mijn complimenten, het lijkt wel of u een communistische vorming hebt genoten. Maar ik ben moe, ik ga niet met u in discussie. Dit is hoe dan ook louter een woordenspel. Noch u noch ik zal de door u beschreven toekomst meemaken.’ – ‘Wie weet. U bent commissaris, met een hoge rang. Misschien sturen we u wel naar een kamp, om informatie uit u los te krijgen.’ – ‘U moet niet proberen mij voor de gek te houden,’ antwoordde hij grimmig. ‘In uw vliegtuigen is het aantal plaatsen zo beperkt dat u een kleine vis niet gaat evacueren. Ik weet heel goed dat ik zal worden gefusilleerd, straks of anders morgen. Daar zit ik niet over in.’ Op montere toon vervolgde hij: ‘Kent u de Franse schrijver Stendhal? Dan komt dit citaat u ongetwijfeld bekend voor: Volgens mij is er maar één ding dat iemand werkelijk onderscheidt, en wel een terdoodveroordeling: dat is het enige wat niet te koop is.’ Ik schoot in de lach; hij lachte ook, maar minder uitbundig. ‘Waar hebt u dat vandaan?’ vroeg ik ten slotte. Hij haalde zijn schouders op: ‘Ach, weet u, ik heb wel wat meer gelezen dan alleen Marx.’ – ‘Jammer dat ik niets te drinken heb,’ zei ik. ‘Ik zou u graag een glas hebben aangeboden.’ Waarna ik weer ernstig werd: ‘Jammer ook dat we vijanden zijn. In andere omstandigheden hadden we goed met elkaar kunnen opschieten.’ – ‘Misschien,’ zei hij nadenkend, ‘maar misschien ook niet.’ Ik stond op en liep naar de deur om de Oekraïner te roepen. Daarna ging ik terug naar mijn bureau. De commissaris was overeind gekomen en probeerde zijn gescheurde mouw te fatsoeneren. Nog terwijl ik stond, gaf ik hem de rest van mijn pakje sigaretten. ‘Ha, bedankt,’ zei hij. ‘Hebt u ook lucifers?’ Ik gaf hem het doosje lucifers. De Oekraïner stond in de deuropening te wachten. ‘Sta mij toe u niet de hand te drukken,’ zei de commissaris met een ironisch glimlachje. – ‘Zoals u wilt,’ antwoordde ik. De Oekraïner pakte hem bij een arm en hij liep de gang op, terwijl hij de sigaretten en de lucifers in zijn jaszak stopte. Ik had hem niet dat hele pakje moeten geven, zei ik bij mezelf; hij krijgt niet de tijd om ze allemaal op te roken en dan pakken de Oekraïners het restant.

Ik schreef over dit gesprek geen rapport; wat had ik moeten rapporteren? Die avond kwamen de officieren bijeen om elkaar gelukkig nieuwjaar te wensen en de flessen leeg te drinken die sommigen nog hadden bewaard. Maar het bleef een troosteloos feestje: na de gebruikelijke heildronken zeiden mijn collega’s verder maar weinig, ieder bleef in zichzelf gekeerd, drinkend en peinzend; weldra was het voorbij. Ik had een poging gedaan om aan Thomas te beschrijven hoe mijn gesprek met Pravdin was verlopen, maar hij had mijn verhaal onderbroken: ‘Ik begrijp wel dat je dit interessant vindt, maar die theoretische scherpslijperijen zijn niet mijn voornaamste zorg.’ Een eigenaardige kiesheid weerhield me ervan hem te vragen wat er verder met de commissaris was gebeurd. Toen ik de volgende ochtend wakker werd, ruim voor een dageraad die hier onder de grond onzichtbaar was, had ik last van koortsrillingen. Onder het scheren bestudeerde ik aandachtig mijn ogen, maar daarin was niets te bespeuren dat naar roze zweemde; in de kantine moest ik mezelf dwingen de soep en de thee door te slikken; mijn brood liet ik liggen. Al snel kon ik onmogelijk meer blijven zitten, lezen, rapporten opstellen; ik had het gevoel dat ik stikte; zonder Möritz om toestemming te vragen besloot ik de frisse lucht in te gaan: Vopel, de adjudant van Thomas, was gewond geraakt en ik kon hem een bezoek gaan brengen. Zonder morren hing Ivan net als anders zijn wapen over zijn schouder. Buiten was het opvallend zacht en vochtig, op de grond veranderde de sneeuw in drab, de zon ging schuil achter een dikke laag wolken. Vopel lag waarschijnlijk in het ziekenhuis dat in het theater was ingericht, in een wat lager deel van de stad. Granaten hadden de traptreden verbrijzeld en de zware houten deuren weggeblazen; in de grote foyer, tussen stukken marmer en fragmenten van versplinterde zuilen, lagen tientallen lijken opgestapeld, door verpleeghulpen uit de kelders gedragen en in rijen neergelegd om later te worden verbrand. Vanuit de toegangen tot het ondergrondse gedeelte dreef een verschrikkelijke stank omhoog die de hal vulde. ‘Ik wacht hier,’ meldde Ivan, en hij posteerde zich bij de uitgang om een sigaret te rollen. Ik nam hem eens aandachtig op en plotseling sloeg mijn verbazing over zijn flegma om in vlijmende droefheid: zelf liep ik weliswaar ook grote kans om hier te blijven, maar hij had geen enkele kans om eruit te komen. Hij stond daar kalm en onverschillig te roken. Ik begaf me naar de kelderverdieping. ‘Niet te dicht bij de lijken komen,’ zei een passerende verpleger. Hij wees en ik keek: over de opgestapelde lijken rende iets krioelends, donker en vaag, dat zich ervan verwijderde en het puin in schoot. Ik keek nauwkeuriger en mijn maag draaide om; massaal verlieten de luizen de afgekoelde lichamen, op zoek naar nieuwe gastheren. Behoedzaam liep ik om die stapels heen naar beneden; de verpleger achter mij grinnikte. In het onderaardse gedeelte omhulde de stank me als een nat laken, als iets levends en veelvormigs dat zich nestelde in mijn neusgaten en in mijn keel, bestaande uit bloed, koudvuur, rottende wonden, rook van vochtig brandend hout, klamme of van urine doortrokken wol, zoetige diarree, braaksel. Ik ademde met een fluitend geluid door mijn mond en probeerde niet te kokhalzen. De gewonden en zieken waren naast elkaar gelegd, op dekens of soms zo op de grond, door het hele complex van die betonnen, koude schouwburgkelders heen; de gewelven galmden van het gekerm en geschreeuw; op de bodem lag een dikke laag modder. Enkele artsen of verplegers, in jassen die ooit wit waren geweest, bewogen zich traag tussen de rijen stervenden, voorzichtig hun voeten neerzettend om te voorkomen dat ze op een arm of been trapten. Ik had geen idee hoe ik in deze chaos Vopel moest vinden. Uiteindelijk kwam ik bij wat een operatiekamer leek te zijn, en zonder kloppen ging ik naar binnen. De tegelvloer was met slijk en bloed besmeurd; links van me zat een eenarmige man op een bank met een lege blik in zijn ogen. Op de tafel lag een blonde vrouw – het moest iemand zijn uit de burgerbevolking, want al onze verpleegsters waren al geëvacueerd –, naakt, met afschuwelijke brandwonden op haar buik en aan de onderkant van haar borsten, en beide benen boven de knieën afgekapt. De aanblik had op mij een verlammende uitwerking; ik moest me dwingen om mijn blik af te wenden, niet te blijven staren naar dat gezwollen geslacht tussen de stompen van haar benen. Er kwam een arts binnen en ik vroeg naar de gewonde ss’er. Hij beduidde me hem te volgen en bracht me naar een klein vertrek, waar Vopel half ontkleed op een veldbed zat. Een granaatscherf had hem aan zijn arm verwond, hij leek overgelukkig, want hij wist dat hij nu weg mocht. Afgemat en jaloers keek ik naar zijn verbonden schouder, zoals ik vroeger moest hebben gekeken hoe mijn zuster dronk aan de borst van onze moeder. Vopel zat te roken en te kletsen, hij had zijn Heimatschuss te pakken; dat hij zo had geboft, maakte hem euforisch als een kind en dat kon hij maar moeilijk verheimelijken, het was onverdraaglijk. Voortdurend betastte hij, als was het een fetisj, het kaartje dat aan een knoopsgat van het over zijn schouders gedrapeerde uniformjasje bevestigd zat en waarop stond: verwundeter. Bij het weggaan beloofde ik hem dat ik met Thomas over zijn evacuatie zou praten. Hij had waanzinnig veel geluk: gezien zijn rang mocht hij niet de minste hoop koesteren dat hij op een evacuatielijst voor onmisbare specialisten was geplaatst; en we wisten allemaal dat ons zelfs geen krijgsgevangenkamp wachtte; de Russen zouden ons, ss’ers, behandelen zoals wij de commissarissen en de mannen van de nkvd behandelden. Terwijl ik naar buiten liep, dacht ik opnieuw aan Pravdin en vroeg ik me af of ik even flegmatiek zou zijn als hij; zelfmoord leek me nog wel te verkiezen boven wat de bolsjewieken met me zouden doen. Maar ik wist niet of ik de moed zou hebben om mezelf van het leven te beroven. Meer dan ooit voelde ik me als een rat in de val; en ik kon niet aanvaarden dat het zo zou eindigen, in deze viezigheid en ellende. De koortsrillingen kwamen weer opzetten, met afschuw bedacht ik dat er maar weinig voor nodig was om zelf ook in die stinkende kelder te belanden, gevangengenomen door mijn eigen lichaam, tot ze me op mijn beurt, eindelijk verlost van mijn luizen, naar boven zouden dragen. Weer terug in de foyer ging ik niet naar de uitgang om me bij Ivan te voegen, in plaats daarvan nam ik de grote trap naar de schouwburgzaal. Het moest een mooie zaal zijn geweest, met balkons en fluwelen zitplaatsen; nu was het plafond bijna volledig ingestort, zwaar beschadigd door de granaten, en de kroonluchter was te pletter gevallen tussen de stoelen, die met een laag gruis en sneeuw waren bedekt. Gedreven door nieuwsgierigheid, maar misschien ook door een plotselinge angst om weer naar buiten te gaan, nam ik de trappen naar de hoger gelegen gedeelten. Ook hier was gevochten: in de muren waren gaten aangebracht van waaruit veiliger kon worden geschoten, de gangen waren bezaaid met patroonhulzen en lege munitiekisten; op een balkon zaten twee Russische lijken ineengezakt op de stoelen; niemand had zich de moeite getroost om ze naar beneden te dragen, en nu leken ze te wachten op de aanvang van een voorstelling die voortdurend werd uitgesteld. Via een ingeslagen deur aan het eind van een gang kwam ik op een loopbrug boven het podium: de meeste schijnwerpers en toneelmachines waren neergestort, maar sommige hingen nog. Ik bereikte de zolder; daar waar in de diepte de zaal lag, was niets dan een gapende leegte, maar boven het toneel was de vloer intact en het doorzeefde dak rustte nog op de balkenconstructie. Ik waagde een blik door een van de gaten: ik zag zwartgeblakerde ruïnes, hier en daar steeg rook op; wat meer noordwaarts was een heftige aanval gaande, en daarachter hoorde ik het karakteristieke gehuil van onzichtbare Sturmoviks. Ik zocht naar de Wolga, die ik toch graag minstens één keer zou hebben aanschouwd, maar de ruïnes benamen me het zicht; het theater was niet hoog genoeg. Ik draaide me om en liet mijn blik dwalen over de verlaten zolder, die me herinnerde aan de zolder van het grote huis van Moreau in Antibes. Iedere keer als ik terug was uit het internaat in Nice, verkende ik samen met mijn zuster, van wie ik in die dagen onafscheidelijk was, alle uithoeken van het grillig gebouwde huis, en steevast eindigden we op zolder. We sjouwden er een slingergrammofoon uit de zitkamer heen, en ook een poppenspel van mijn zus met verschillende dieren, een kat, een kikker, een egel; tussen twee balken spanden we een laken en we gaven toneel- en operavoorstellingen, alleen voor onszelf. Ons lievelingsstuk was Die Zauberflöte van Mozart: Papageno werd gespeeld door de kikker, Tamino door de egel, Pamina door de kat, en een pop in mensengedaante speelde voor Koningin van de Nacht. Staande in deze puinhoop, mijn ogen wijd opengesperd, meende ik de muziek te horen, het sprookjesachtige poppenspel te zien. Een heftige buikkramp overviel me en ik liet mijn broek zakken, hurkte neer, en terwijl de stront naar buiten stroomde, was ik al ver weg, dacht ik aan de golven, de zee onder de kiel van de boot, twee kinderen zittend op de voorplecht tegenover die zee, ikzelf en mijn tweelingzuster Una, een blik die wordt gewisseld, twee handen die elkaar raken zonder dat iemand het merkt, en een liefde die op dat moment nog verder reikte, nog eindelozer was dan die blauwe zee, eindelozer ook dan de bitterheid, de smart van de verwoeste jaren, een schittering als van de zon, een zelfgekozen afgrond. Mijn krampen, mijn diarree, mijn aanvallen van koude koorts, mijn angst ook – het was allemaal vervlogen, opgelost in deze verpletterende herinneringen. Zonder nog de moeite te nemen om mijn broek weer op te trekken ging ik in het stof en gruis liggen, en het verleden ontvouwde zich als een bloem in de lente. Wat wij aan die zolder zo prettig vonden, was dat het er anders dan in een kelder altijd licht was. Ook al zal het dak niet altijd doorzeefd zijn met schrapnels, het is op een zolder nooit helemaal donker, want er dringt bijvoorbeeld licht naar binnen door kleine raampjes en langs spleten tussen de dakpannen, of het komt naar boven via het luik dat naar de benedenverdiepingen voert. En in dat diffuse, onzekere, gefragmenteerde licht speelden we en leerden we de dingen die we moesten leren. Wie zal zeggen hoe het is gebeurd? Misschien hadden we verboden boeken gevonden, verstopt achter andere boeken in de kast van Moreau, of misschien werden we er door onze spelletjes en ontdekkingen als vanzelf toe gebracht. Die zomer bleven we in Antibes, maar ’s zaterdags en ’s zondags gingen we naar een huis dat Moreau bij Saint-Jean-Cap-Ferrat had gehuurd, een huis aan zee. Daar voerde ons spel ons door de velden, door de bossen vol donkere pijnbomen, door de nabije maquis die zinderde van het gesjirp van de cicaden en het gezoem van de bijen in de lavendel; de lavendelgeur was indringender dan de aroma’s van rozemarijn, tijm en hars, die zich aan het eind van de zomer nog vermengden met het aroma van de vijgen, waar we van aten tot we niet meer konden; en verder van huis speelden we in zee, op de grillige rotsen die de kust daar zo rafelig maken, zelfs op een glooiend eilandje waar we zwemmend of in een bootje naartoe gingen. Naakt als inboorlingen doken we daar met een ijzeren lepel naar de grote zwarte zee-egels die onder water aan de rotswanden kleefden; wanneer we er een stel hadden verzameld, maakten we ze met een zakmes open en slurpten de feloranje massa van de aan elkaar geklonterde eitjes zo uit de schelp naar binnen; de restanten gooiden we terug in zee en geduldig trokken we de splinters van de stekels uit onze vingers, na eerst met de punt van het mes de huid te hebben geopend, en dan urineerden we in de wond. Soms, vooral bij een sterke mistral, zwollen de golven aan en sloegen ze fel stuk op de rotsen; dan werd het een gevaarlijk spel om terug te keren naar de kust, een spel dat alle behendigheid en inzet vergde die een kind maar kan opbrengen; op een keer, ik had op het wijken van het water gewacht om de rots te kunnen bereiken, hees ik me omhoog toen een onverwachte golf me tegen het steen smakte en ik mijn huid openhaalde aan de scherpe uitsteeksels, zodat het bloed in dunne straaltjes begon te stromen, aangelengd met zeewater; mijn zuster vloog op me af, vlijde me neer in het gras en kuste een voor een de schaafwonden, likte het bloed en het zout op als een gretige kleine kat. In onze soevereine vervoering hadden we een code verzonnen waarmee we elkaar openlijk, in het bijzijn van onze moeder en Moreau, konden uitnodigen tot bepaalde handelingen, tot concrete daden. Het was de leeftijd van de zuivere onschuld, zegenrijk en schitterend. Onze smalle, slanke, gebruinde lijfjes waren bezeten van vrijheid, we zwommen als zeeleeuwen, schoten als vossen door het bos, wentelden ons samen door het stof, onze naakte lichamen onscheidbaar, geen van beiden duidelijk het meisje of de jongen, maar een koppel verstrengelde slangen.

Die nacht liep de koorts op; ik lag te rillen in mijn bed boven dat van Thomas, weggekropen onder de dekens, geteisterd door de luizen, in de ban van die beelden uit een ver verleden. Toen de school na de zomer weer begon, veranderde er bijna niets. Van elkaar gescheiden droomden we van elkaar, we wachtten op het moment dat we weer samen zouden zijn. We hadden ons openbare leven, voor iedereen zichtbaar, als dat van alle kinderen, en ons privéleven, dat alleen ons toebehoorde, een ruimte die veel groter was dan de wereld en alleen werd begrensd door de mogelijkheden van onze gezamenlijke verbeeldingskracht. In de loop van de tijd veranderden de decors, maar de pavane van onze liefde behield haar ritme, een gestage afwisseling van statige elegantie en uitbundige vervoering. In de kerstvakantie nam Moreau ons mee op wintersport; dat was in die tijd ongebruikelijker dan tegenwoordig. Hij huurde een chalet dat aan een Russische aristocraat had toebehoord: deze Moskoviet had een aanbouw als sauna ingericht, iets wat wij geen van allen ooit hadden gezien, maar de eigenaar legde uit hoe het werkte, en vooral Moreau maakte enthousiast gebruik van deze nieuwe vinding. Aan het eind van de middag, als we terug waren van het skiën, sleeën of wandelen, zat hij daar zeker een uur te zweten; toch had hij niet de moed om tussendoor naar buiten te gaan en door de sneeuw te rollen, zoals wij dat deden, op last van onze moeder helaas in badkleding gehuld. Zelf moest zij niets van die sauna hebben en ze kwam er nooit. Maar wanneer wij alleen thuis waren, overdag, als zij naar het dorp gingen, of ’s avonds laat, als ze sliepen, dan namen wij die inmiddels afgekoelde ruimte weer in bezit en trokken eindelijk al onze kleren uit, en onze jonge lichamen werden voor elkaar een spiegel. Ook verdwenen we geregeld in de lange lege bergruimten onder het grote, schuine dak van het chalet, waar we niet rechtop konden staan, maar zaten of lagen, rondkropen en ons innig tegen elkaar aan vlijden, huid aan huid, slaaf van elkaar en samen heer en meester over alles.

Overdag probeerde ik in die verwoeste stad mijn wankel evenwicht te hervinden; maar de koorts en de diarree ondermijnden me, creëerden een afstand tot de zware en pijnlijke werkelijkheid om me heen. Ik had ook last van mijn linkeroor, een dof, drukkend gevoel vlak onder mijn huid, in de oorschelp. Tevergeefs probeerde ik de pijn te verlichten door met mijn pink over die plek te wrijven. Verstrooid bracht ik zo lange, eentonige uren door in mijn kantoor, mijn groezelige pelsjas om me heen geslagen en eindeloos dezelfde korte, fantasieloze melodie neuriënd, terwijl ik probeerde de verloren paden van vroeger terug te vinden. De engel opende de deur van mijn kantoor en trad binnen; hij droeg de gloeiende kool, die alle zonden verbrandt; maar in plaats van er mijn lippen mee te beroeren duwde hij hem mijn mond in; en als ik dan de straat op ging en in aanraking kwam met de frisse buitenlucht, werd ik levend verbrand. Ik bleef staan, glimlachte niet, maar mijn blik – dat weet ik – bleef rustig, zelfs terwijl de vlammen aan mijn wimpers vraten, mijn neusgaten uitholden, mijn kaken vulden en mijn ogen versluierden. Als die branden waren uitgewoed, zag ik verbijsterende, ongelofelijke dingen. Op een licht hellende straat, met aan weerszijden verwoeste auto’s en vrachtwagens, zag ik een man op de stoep staan die zich met zijn ene hand aan een lantaarnpaal vasthield. Het was een soldaat, onder het vuil, ongeschoren, gehuld in lompen die met touwtjes en spelden bij elkaar werden gehouden, zijn rechterbeen was tot onder de knie afgehouwen, een verse, open wond, waaruit het bloed neergutste; onder die stomp hield de man een conservenblik of een tinnen beker, hij probeerde het bloed daarin op te vangen en het dan snel op te drinken, zodat hij niet te veel zou verliezen. Hij voerde deze bewegingen methodisch en nauwgezet uit, een gruwelijk schouwspel, dat me de keel dichtsnoerde. Ik ben geen arts, hield ik mezelf voor, ik kan niets voor hem doen. Gelukkig waren we vlak bij het theater en ik rende door de donkere, overvolle kelders, zodat de ratten die over de lichamen van de gewonden scharrelden op de vlucht sloegen: ‘Een arts! Ik heb een arts nodig!’ riep ik; de verplegers keken me met doffe, uitgedoofde ogen aan, niemand zei iets. Uiteindelijk vond ik een arts, die op een krukje bij een kachel zat en traag van zijn thee dronk. Het duurde even voordat hij reageerde op mijn opgewonden geroep; hij leek moe, enigszins geërgerd door mijn vasthoudendheid; toch ging hij mee. Toen we op straat waren, bleek de man met het afgehouwen been te zijn gevallen. Hij bleef rustig en onbewogen liggen, maar verzwakte zienderogen. Uit de stomp welde nu een wittige substantie op die zich vermengde met het bloed, misschien was het etter; ook het andere been bloedde en leek zich deels van het lichaam te willen losmaken. De arts knielde neer en begon met koelbloedige, professionele gebaren de wonden te onderzoeken; ik stond versteld van zijn beheerste gedrag, van het feit dat hij niet alleen in staat was die gruwelijke verwondingen aan te raken, maar ze ook zonder emotie of afgrijzen te verzorgen; zelf werd ik al misselijk bij het zien ervan. Zonder zijn werkzaamheden te onderbreken wierp de arts mij een blik toe, en ik wist wat die blik betekende: de man had niet lang meer te leven, we konden niets anders dan hem in de waan laten dat we hem hielpen, om iets van zijn angst weg te nemen en de laatste ogenblikken van zijn verdwijnende leven enigszins te verzachten. Dit is allemaal echt gebeurd, gelooft u me maar. Een andere keer had Ivan me meegenomen naar een groot huizenblok op de Respublikanski Prospekt, niet ver van het front, waarin zich een Russische deserteur zou schuilhouden. Ik kon hem niet vinden; ik doorzocht allerlei vertrekken en had al spijt dat ik erheen was gegaan, toen ineens de schelle lach van een kind door de gang schalde. Ik liep de woning uit en zag niets; maar even later werd de trap bestormd door een wilde horde losgeslagen meisjes, die rakelings langs me heen renden, tussen mijn benen door schoten, vervolgens hun rokjes optrokken om me hun vieze billen te laten zien en toen snel weer weghuppelden naar de volgende verdieping; even later kwam het stel weer schaterlachend naar beneden tuimelen. Het leken net kleine, gretige ratten, in de greep van een seksuele razernij; een van hen ging ter hoogte van mijn hoofd op een trede zitten en deed haar benen wijd, zodat haar naakte, gladde vulva zichtbaar werd; een ander beet in mijn vingers; ik greep het haar van die meid beet en trok haar naar me toe om haar een tik te geven, maar een derde meisje schoof van achteren een hand tussen mijn benen terwijl het kind dat ik beethield, zich loswrong en in een gang verdween. Ik rende achter haar aan, maar de gang was alweer leeg. Even liet ik mijn blik dwalen langs de gesloten huisdeuren, waarna ik vlug naar voren stapte en een deur openrukte: ik deinsde achteruit om niet in de gapende leegte te storten, achter die deur was niets en ik sloeg hem snel weer dicht, waarna hij onmiddellijk door een Russisch machinepistool werd doorzeefd. Ik wierp me op de grond: een antitankgranaat explodeerde tegen de muur, ik was verdoofd en lag bedolven onder pleisterkalk, stukken hout en oude kranten. In wilde paniek kroop ik weg en liet me aan de andere kant van de gang een woning zonder voordeur inrollen. Terwijl ik nog uithijgde in de woonkamer, hoorde ik duidelijk pianoklanken; met mijn machinepistool in de aanslag opende ik de slaapkamerdeur: op het ordeloze bed lag het lijk van een sovjetsoldaat, en een Hauptmann met een tsjapka op zat met zijn benen over elkaar op een krukje te luisteren naar een grammofoon die op de grond stond. Ik herkende de melodie niet en vroeg wat het was. Hij bleef luisteren tot het stuk was afgelopen, een gracieus rondo met een kort, pakkend ritornello; daarna nam hij de plaat van de grammofoon en las het etiket: ‘Daquin, Le coucou.’ Hij haalde een andere plaat uit een hoes van oranje papier, bracht de arm van de grammofoon in de juiste positie en zette de naald neer. ‘Dit kent u vast wel.’ Het was dan ook het Rondo alla Turca van Mozart, in een snelle, opgewekte vertolking, die tegelijkertijd doortrokken was van romantische ernst; vast een Slavische pianist. ‘Wie speelt dat?’ vroeg ik. – ‘Rachmaninov, de componist. Kent u hem?’ – ‘Een beetje. Ik wist niet dat hij zelf ook speelde.’ Hij reikte me een stapel platen aan. ‘Onze vriend hier moet wel een bezeten muziekliefhebber geweest zijn,’ zei hij terwijl hij naar het bed wees. ‘En hij moet ook goede contacten hebben gehad met de Partij, als je ziet waar deze platen vandaan komen.’ Ik bekeek de etiketten: de opschriften waren in het Engels, de platen kwamen uit de Verenigde Staten; Rachmaninov speelde Gluck, Scarlatti, Bach, Chopin en een van zijn eigen stukken; de opnamen dateerden uit de eerste helft van de jaren twintig, maar waren blijkbaar recentelijk uitgebracht. Er waren ook Russische platen bij. Het stuk van Mozart was afgelopen en de officier zette Gluck op, de pianobewerking van een melodie uit Orfeo ed Euridice, teder, smartelijk, intens treurig. Ik gebaarde naar het bed. ‘Waarom haalt u hem niet weg?’ – ‘Waarom zou ik? Hij ligt daar goed.’ Ik wachtte tot het eind van het stuk en vroeg: ‘Zeg, hebt u soms een klein meisje gezien?’ – ‘Nee, hoezo? Hebt u er een nodig? Muziek is beter.’ Ik draaide me om en verliet de woning. Ik opende de volgende deur: het meisje dat me had gebeten, zat gehurkt op het tapijt te plassen. Toen ze me zag, keek ze me met glinsterende ogen aan, wreef met haar hand tussen haar benen, sprong voordat ik iets kon doen tussen mijn benen door en verdween weer lachend naar het trappenhuis. Ik ging op de divan zitten en tuurde naar de vochtige plek op het gebloemde tapijt; ik was nog steeds versuft van de granaatexplosie, de pianomuziek tingelde pijnlijk in mijn ontstoken oor. Ik betastte het voorzichtig met een vinger, keek ernaar en zag dat die bedekt was met gelig pus, dat ik verstrooid aan de bekleding van de divan afveegde. Ik snoot mijn neus in de gordijnen en vertrok; jammer van dat meisje, iemand anders zou haar het pak slaag moeten geven dat ze verdiende. In de kelder van het Univermag ging ik bij een arts langs; hij bevestigde dat het een ontsteking was, maakte het oor zo goed mogelijk schoon en legde er een verband om, maar kon me verder niets geven, want hij had niets meer. Ik had geen idee wat voor dag het was, ik had zelfs niet kunnen zeggen of het grote Russische offensief in het westelijk deel van de Kessel al was begonnen; ik had alle besef van tijd verloren en wist ook niets meer over de technische details van onze collectieve doodsstrijd. Als er iets tegen me werd gezegd, leken die woorden van heel ver te komen, van een stem onder water, en ik begreep niet wat ze me wilden overbrengen. Het ontging Thomas blijkbaar niet dat ik snel elk houvast aan het verliezen was en hij probeerde me terug te voeren naar minder bizarre wegen, waar mijn verwarde toestand minder in het oog zou springen. Maar het kostte ook hem moeite om het gevoel voor de continuïteit en het belang der dingen vast te houden. Om me af te leiden nam hij me mee uit: van de Ic’s met wie hij omging, had er soms nog een een fles Armeense cognac of schnaps, en terwijl hij met de man praatte, nipte ik van een glas en daalde nog verder af in mijn inwendige gegons. Op de terugweg van zo’n uitstapje zag ik op de hoek van een straat een metro-ingang: ik wist niet dat er een metro was in Stalingrad. Waarom had ik daar nooit een plattegrond van gezien? Ik pakte Thomas bij zijn mouw, wees naar de treden die in het donker verdwenen en zei: ‘Kom, Thomas, we gaan die metro eens van dichterbij bekijken.’ Vriendelijk maar beslist antwoordde hij: ‘Nee Max, nu niet. Kom mee.’ Ik hield aan: ‘Alsjeblieft. Ik wil kijken.’ Mijn stem werd klaaglijk, een doffe angst maakte zich van me meester, die ingang trok me onweerstaanbaar aan, maar Thomas bleef weigeren. Ik stond op het punt te gaan huilen als een klein kind waarvan een speeltje wordt afgepakt. Op dat moment ontplofte er vlak bij ons een artilleriegranaat, en ik werd door de kracht van de explosie tegen de grond gesmeten. Toen de rook optrok, ging ik zitten en schudde met mijn hoofd; ik zag dat Thomas bleef liggen in de sneeuw, zijn lange jas was besmeurd met bloed en aarde; zijn darmen puilden dampend, als kleverige, glibberige slangen uit zijn buik. Terwijl ik ontzet naar hem keek, richtte hij zich met schokkerige, onbeholpen bewegingen op, als een kind dat net leert lopen; met een gehandschoende hand tastte hij in zijn buik om de scherpe schrapnelstukjes te verwijderen, die hij in de sneeuw gooide. Die stukjes waren nog gloeiend heet, en ondanks de handschoen brandde hij zijn vingers, waar hij na elk verwijderde stukje treurig op zoog; zodra ze de sneeuw raakten, zonken ze er sissend in weg en verscheen op die plaats een dampend wolkje. De laatste paar scherven waren blijkbaar diep naar binnen gedrongen, want Thomas moest zijn hele hand in de holte steken om ze eruit te halen. Terwijl hij zijn ingewanden bij elkaar haalde, ze voorzichtig naar zich toe trok en om een hand wikkelde, zei hij met een scheve grijns: ‘Er zitten nog wel wat stukjes, geloof ik. Maar die zijn te klein.’ Hij duwde de darmstrengen terug in de holte en trok de huidplooien van zijn buik eroverheen. ‘Zou ik jouw sjaal mogen lenen?’ vroeg hij; als eeuwige dandy droeg hij alleen een coltrui. Al het bloed was uit mijn gezicht weggetrokken, zonder iets te zeggen gaf ik hem mijn sjaal. Hij haalde hem onder zijn gescheurde jasje door, trok hem zorgvuldig over zijn buik en legde er van voren een knoop in. Terwijl hij met zijn ene hand stevig zijn buik omklemde, greep hij met zijn andere hand mijn schouder en hees zich onzeker overeind. ‘Verdomme,’ mompelde hij wankelend, ‘dat doet pijn.’ Hij ging op zijn tenen staan en veerde een paar keer op en neer, probeerde toen wat te huppelen. ‘Goed, dat blijft zo wel zitten.’ Met alle waardigheid waartoe hij nog in staat was, sloeg hij de flarden van zijn uniform om zich heen en trok ze over zijn buik. Het kleverige bloed hield ze min of meer op hun plaats. ‘Meer heb ik niet nodig. Dat we hier ergens naald en draad vinden, kunnen we natuurlijk wel vergeten.’ Zijn hese lachje veranderde in een grimas van pijn. ‘Wat een klerezooi,’ verzuchtte hij. ‘Goeie hemel,’ voegde hij eraan toe toen hij mijn gezicht zag, ‘jij ziet er ook niet helemaal lekker uit.’

De metro hoefde van mij niet meer en ik vergezelde Thomas naar het Univermag, op het ergste voorbereid. Het Russische offensief in het westen van de Kessel had ons front volledig opengebroken. Een paar dagen later werd Pitomnik ontruimd; het was een onbeschrijfelijke chaos, waarin duizenden gewonden verspreid achterbleven op de bevroren steppe; troepen en commandoposten trokken zich samen in de stad, zelfs het aok in Goemrak bereidde de aftocht voor, de Wehrmacht stuurde ons de bunker van het Univermag uit en bracht ons provisorisch onder in de voormalige vestiging van de nkvd, ooit een fraai gebouw met een glimmende granietvloer en een grote glazen koepel, die nu verbrijzeld was; de kelderverdieping was al door een medische eenheid in gebruik genomen, zodat wij ons moesten behelpen met de onttakelde kantoren op de eerste verdieping, waar we overigens nog met de staf van Seydlitz om moesten twisten (zoals in een hotel met uitzicht op zee, waarvan alleen de kamers aan de zeekant in trek zijn). Maar al die drukte liet me koud en ik registreerde die laatste veranderingen van een afstand, want ik had een geweldige vondst gedaan: een bundel met werken van Sophocles. Het boek was in tweeën gescheurd, iemand had het blijkbaar met een ander willen delen, en het waren helaas alleen vertalingen, maar Electra, mijn lievelingsstuk, was behouden gebleven. Ik vergat de koortsrillingen die mijn lichaam teisterden, de etter die onder mijn verband door sijpelde, en liet me verzaligd meevoeren door de verzen. Op het internaat waarin ik door mijn moeder was opgesloten had ik, om me aan de boosaardigheid om me heen te onttrekken, mijn toevlucht gezocht in de studie, en vooral voor het Grieks ontwikkelde ik in die tijd een grote voorliefde, dankzij onze docent, de jonge priester die ik al eerder noemde. Ik was nog geen vijftien, maar bracht al mijn vrije tijd door in de bibliotheek, waar ik met eindeloos geduld en enthousiasme regel voor regel de Ilias ontcijferde. Ter afsluiting van het schooljaar voerde onze klas een tragedie op, diezelfde Electra, in de gymzaal van de school die voor de gelegenheid was omgebouwd, en de titelrol werd aan mij toebedeeld. Ik droeg een lang wit gewaad, sandalen en een pruik waarvan de zwarte lokken op mijn schouders dansten: een blik in de spiegel gaf mij het idee of ik Una zag; de schok was zo groot dat ik bijna flauwviel. Inmiddels waren we al bijna een jaar van elkaar gescheiden. Toen ik op het toneel kwam, was ik zozeer bezeten van haat en liefde en de gewaarwording van mijn lichaam als dat van een jonge maagd, dat ik niets zag, niets hoorde; en terwijl ik verzuchtte Liefste Orestes, jouw dood doet ook mij teniet, liepen de tranen uit mijn ogen. En bij de terugkeer van Orestes, die bezeten was door de wraakgodinnen, brulde ik mijn bevelen in die prachtige, verheven taal. Ga dan, sla nogmaals toe, als je de kracht ervoor hebt! riep ik; ik moedigde hem aan, dreef hem opnieuw tot moord: Dood hem, nu meteen, en laat het lijk aan de doodgravers die hij verdient, zodat wij hem nooit meer hoeven te zien! Na afloop hoorde ik het applaus niet, noch de woorden waarmee pater Labourie me gelukwenste, ik stond te snikken, de slachting in het paleis der Atriden was het bloed in mijn eigen huis.

Thomas, die volledig van zijn ongeluk leek te zijn hersteld, bleef vriendschappelijk op me mopperen, maar ik schonk er geen aandacht aan. De zoveelste keer dat hij me bij mijn Sophocles-lectuur kwam storen citeerde ik, om hem te plagen, Joseph de Maistre: Wat is een verloren slag? Dat is een slag die men méént te hebben verloren. Thomas was er zo enthousiast over dat hij deze uitspraak op een stuk karton liet schilderen dat bij ons in de gang werd opgehangen: hiervoor kreeg hij blijkbaar de complimenten van Möritz, en het nieuwe motto werd zo populair dat het ook generaal Schmidt ter ore kwam, die het als devies voor het leger wilde gebruiken; maar Paulus was ertegen, hoorden we. Als bij wederzijdse afspraak had Thomas noch ik het over een eventuele evacuatie; toch wist iedereen dat het nog maar een kwestie van dagen was, de gelukkige uitverkorenen van de Wehrmacht vertrokken al. Ik verzonk in een lamlendige onverschilligheid; alleen het spookbeeld van de tyfus schudde me nu en dan wakker; en omdat een inspectie van mijn lippen en ogen naar mijn idee niet volstond, kleedde ik me dan uit om mijn bovenlichaam af te speuren naar zwarte vlekken. Aan de diarree schonk ik geen aandacht meer, integendeel, neerhurkend in de stinkende latrines hervond ik een zekere rust, net als in mijn kinderjaren had ik me er graag urenlang opgesloten om te lezen, maar er was geen licht, noch een deur, en ik moest genoegen nemen met een sigaret, een van mijn allerlaatste. Mijn intussen vrijwel permanente koorts was een warme cocon waarin ik me kon verschuilen, ik genoot met dwaze vreugde van mijn eigen vuiligheid, mijn zweet, mijn uitgedroogde huid, mijn brandende ogen. Al dagen schoor ik me niet meer en een dunne rossige baard versterkte het sensuele genot van vunzigheid en verwaarlozing. Mijn ontstoken oor etterde en soms hoorde ik een geluid als van een klok of een gedempte sirene; soms ook was ik helemaal doof. Na de val van Pitomnik was het enkele dagen rustig gebleven; tegen de twintigste januari werd het systematisch vermorzelen van de Kessel hervat. (Deze data heb ik uit boeken, niet uit mijn geheugen, want de kalender was voor mij een abstract begrip geworden, de vluchtige herinnering aan een verdwenen wereld.) Na de korte, iets warmere periode aan het begin van het jaar was de temperatuur catastrofaal gezakt, het moest zo’n 25 of 30 graden onder nul zijn. De schamele vuurtjes die in lege petroleumvaten werden gestookt, waren te klein om de gewonden warm te krijgen; zelfs in de stad moesten de soldaten om te kunnen pissen hun lid omwikkelen met een lap, een stinkend vod, dat na gebruik zorgvuldig in een broekzak werd weggestopt; anderen maakten dan van de gelegenheid gebruik om hun gezwollen winterhanden onder het lauwe stroompje te houden. Al deze details werden mij gerapporteerd door de als in halfslaap verkerende mechanismen van het leger; in een soortgelijke halfslaap las en ordende ik de rapporten, na er een dossiernummer aan te hebben toegekend; maar het was al enige tijd geleden dat ik er zelf een had geschreven. Wanneer Möritz om inlichtingen vroeg, griste ik op goed geluk enkele rapporten van de Abwehr bij elkaar en bracht die naar hem toe; hij keek me dan bevreemd aan, maar zei niets: misschien had Thomas hem uitgelegd dat ik ziek was. Thomas, om nog even op hem terug te komen, had me nooit meer mijn sjaal teruggegeven, en als ik naar buiten ging om wat frisse lucht te krijgen, kreeg ik een koude nek: toch ging ik naar buiten, de verstikkende stank in de gebouwen was niet te harden. Het intrigeerde me dat Thomas zo snel was hersteld: hij zag er alweer volkomen gezond uit, en wanneer ik hem vroeg of het wel een beetje met hem ging, terwijl ik veelbetekenend mijn wenkbrauwen optrok en een blik op zijn buik wierp, dan keek hij me verbaasd aan en antwoordde: ‘Ja, het gaat uitstekend, waarom niet?’ Met mijn eigen wonden en koortsaanvallen ging het intussen niet beter; ik had graag zijn geheim geweten. Op een van die dagen, de twintigste of de eenentwintigste waarschijnlijk, ging ik de straat op om te roken, en even later kwam Thomas bij me staan. De hemel was helder, onbewolkt, de kou snijdend, het zonlicht, dat overal door de gaten van de muren brak, weerkaatste op de droge sneeuw, schitterend, verblindend, en waar de zon geen openingen vond, vertoonden zich staalblauwe schaduwen. ‘Hoor je dat?’ vroeg Thomas, maar mijn dolle oor gonsde, ik hoorde niets. ‘Kom mee.’ Hij trok me aan mijn mouw. We liepen om het gebouw heen en stuitten op een ongewoon schouwspel: stevig ingepakt in mantels en dekens, stonden enkele Landser midden in het straatje bij een piano. Op een stoeltje zat een soldaat te spelen, terwijl de anderen aandachtig naar hem leken te luisteren, maar zelf hoorde ik niets, dat was vreemd en het maakte me treurig: ik had die muziek ook willen horen, ik vond dat ik daar evenveel recht op had als ieder ander. Er kwamen een paar Oekraïners naar ons toe; ik herkende Ivan, die een kort handgebaar naar me maakte. Mijn oor jeukte verschrikkelijk, ik hoorde niets meer: zelfs de woorden van Thomas, die vlak naast me stond, bereikten mij als niet meer dan een vaag gemurmel. Ik had de gruwelijke en beklemmende gewaarwording in een stomme film te zijn beland. Getergd trok ik het verband los en stak mijn pink in de gehoorgang; er week iets, een straal etter spoot over mijn hand en stroomde over de kraag van mijn pelsjas. De pijn werd hierdoor wel enigszins verlicht, maar nog steeds hoorde ik vrijwel niets; als ik mijn oor naar de piano gekeerd hield, leek deze een waterig geluid voort te brengen; het andere oor functioneerde al niet beter; teleurgesteld draaide ik me om en liep langzaam weg. Het zonlicht was werkelijk schitterend, elk detail van de gehavende gevels tekende zich haarscherp af. Achter mij meende ik enige beroering waar te nemen; ik draaide me om, Thomas en Ivan stonden wild naar me te gebaren, de anderen staarden me aan. Ik wist niet wat ze wilden, maar ik schaamde me om zo de aandacht te trekken; ik maakte een sussend gebaar en liep verder. Ik wierp nog even een blik achterom: Ivan kwam naar me toe gerend, maar ik werd afgeleid door een lichte tik tegen mijn voorhoofd: een steentje misschien of een insect, want toen ik eraan voelde, zat er een druppel bloed op mijn vinger. Ik veegde hem af en vervolgde mijn weg naar de Wolga, die hier ergens in de buurt moest zijn. Ik wist dat onze manschappen in deze sector de oever bezet hielden; ik had die befaamde Wolga nog steeds niet gezien en liep vastberaden die kant op om er ten minste één blik op te werpen voor ik de stad verliet. De straten waren grotendeels verdwenen onder het puin van de kapotgeschoten huizen, die er kalm en verlaten bij stonden, beschenen door de kille januarizon; er heerste een grote rust en dat vond ik buitengewoon aangenaam; als er al werd geschoten, hoorde ik het niet. De ijzige lucht verkwikte me. Mijn oor etterde niet meer, zodat ik mocht hopen dat de infectiehaard nu definitief opengebroken was; ik voelde me opgeruimd en vol energie. Voorbij de laatste huizenblokken, die boven op de steile oever van de brede rivier stonden, liep nog een spoorlijn, die al lang niet meer was gebruikt en waarvan de rails lagen te roesten. Daarachter lag de witte uitgestrektheid van de bevroren rivier, en daarachter was de andere oever, die wij nooit hadden bereikt, helemaal vlak en eveneens wit en schijnbaar levenloos. Om mij heen was niemand, ik zag geen loopgraven of stellingen; de frontlijn bevond zich blijkbaar meer noordwaarts. Driester geworden klauterde ik het steile, zandige talud af, tot ik aan de oever van de rivier stond. Eerst aarzelend, daarna zekerder zette ik een voet op het besneeuwde ijs, toen nog een: ik liep op de Wolga en voelde me gelukkig als een kind. De door een lichte bries opdwarrelende sneeuwvlokken dansten in de zon en dartelden als dwaallichtjes rond mijn voeten. In het ijs vóór mij opende zich een donker, tamelijk groot wak, waarschijnlijk geslagen door een te vroeg ontplofte granaat van zwaar kaliber; het water in het wak stroomde snel, leek in het zonlicht haast groen, koel, verlokkend; ik bukte en doopte er een hand in, het voelde niet koud aan; met beide handen schepte ik wat water op en bevochtigde daarmee mijn gezicht, mijn oor, mijn hals, ook dronk ik een paar slokken. Ik trok mijn pelsjas uit, vouwde hem zorgvuldig op en legde hem met mijn pet op het ijs, ademde diep in en sprong. Het water was helder en aangenaam, moederlijk lauw. Door de snelle stroming ontstonden er kolkingen, die me al snel meetrokken onder het ijs. Er dreef van alles langs me heen, in dat groene water was het allemaal duidelijk herkenbaar: paarden waarvan de poten door de stroom bewogen werden alsof ze galoppeerden, grote, bijna platte vissen, die zich voedden met afval, Russische lijken met opgezwollen gezichten, in hun wonderlijke bruine schoudermantels gewikkeld, flarden van kledingstukken en uniformen, doorzeefde vaandels die voortdreven aan hun stok, een waarschijnlijk met petroleum overgoten wagenwiel dat onder water vlammend ronddraaide. Een lijk stootte tegen me aan en vervolgde zijn weg; het droeg een Duits uniform; terwijl het voortgleed, herkende ik het gezicht en de dansende blonde lokken: het was Voss, hij glimlachte. Ik probeerde hem in te halen, maar een draaikolk dreef ons nog verder uit elkaar, en toen ik mijn evenwicht hervonden had, was hij verdwenen. Het ijs boven mij vormde een ondoordringbaar scherm, maar ik had nog voldoende lucht in mijn longen, ik maakte me geen zorgen en zwom verder, langs gezonken schuiten vol mooie jonge mannen die in het gelid zaten, hun wapen nog in de hand, terwijl er visjes door hun golvende haren krioelden. Vóór mij werd het water langzaam helderder, zuilen groen licht vielen door de gaten in het ijs, vormden een woud en raakten meer met elkaar versmolten naarmate de ijsschollen verder uit elkaar dreven. Ten slotte zwom ik naar boven om adem te halen. Ik stootte tegen een ijsschots, werd de diepte in gezogen, worstelde om mijn evenwicht te herwinnen en kwam weer boven. De rivier voerde hier bijna geen ijs meer mee. Iets verderop, links van me, dreef een Russische veerboot mee op de stroom; hij lag op zijn kant en brandde langzaam uit. Hoewel de zon scheen, vielen er wat dikke, glinsterende sneeuwvlokken, die smolten zodra ze het water raakten. Peddelend met mijn handen draaide ik me om: de stad, die zich langs de oever uitstrekte, lag verscholen achter een dik, zwart rookgordijn. Boven mijn hoofd cirkelden zeemeeuwen krijsend rond, ze monsterden me belangstellend of misschien ook gulzig, daalden toen op een ijsschots neer; toch was de zee nog ver; zouden ze helemaal uit Astrachan zijn gekomen? Ook mussen fladderden rond en scheerden rakelings over het water. Kalm zwom ik naar de linkeroever. Ten slotte voelde ik grond onder mijn voeten en waadde ik het water uit. De licht hellende oever bestond hier uit fijn zand dat kleine duinen vormde; daarachter was alles vlak. Logischerwijs zou ik me ter hoogte van Krasnaja Sloboda moeten bevinden, maar ik zag niets, geen artilleriebatterijen, geen loopgraven, geen dorp, geen soldaten, niemand. Een enkele boom verkwijnde op de duintoppen of boog zich over naar de Wolga, die achter mij krachtig voortstroomde; ergens zong een kneu; een veldslang kronkelde tussen mijn voeten door en verdween in het zand. Ik liep een duin op en keek om me heen: vóór mij strekte zich een haast kale steppe uit, askleurige aarde met een dun laagje sneeuw, hier en daar wat pollen bruin gras, kort en stevig, en enkele bosjes bijvoet; in het zuiden werd de horizon afgedekt door een rij populieren, die vermoedelijk langs een irrigatiekanaal stonden; verder was er niets te zien. Ik tastte in de zak van mijn uniformjasje en diepte mijn pakje sigaretten op, maar dat was doorweekt. Mijn natte kleren plakten aan mijn huid, toch had ik het niet koud, de lucht was zacht en mild. Ineens voelde ik een grote uitputting, waarschijnlijk als gevolg van de zwemtocht: ik knielde neer en groef met mijn vingers in de droge, nog bevroren aarde. Uiteindelijk wist ik een paar kluitjes los te wroeten, die ik gulzig in mijn mond stak. Het smaakte een beetje scherp, naar ijzer, maar vermengd met mijn speeksel kreeg die aarde haast iets plantachtigs, een vezelig leven, en toch was ik teleurgesteld: ik had gewild dat het zacht was, warm en vet, dat het smolt in mijn mond en dat ik er met mijn hele lichaam in kon verzinken, me erin kon laten wegglijden als in een graf. In de Kaukasus hebben de bergvolken een opmerkelijke manier om een graf te delven: eerst maken ze een loodrechte sleuf van twee meter diep; dan graven ze op de bodem aan één zijde een lange nis uit met een schuine bovenkant; de dode wordt, zonder kist, in een witte lijkwade, op zijn zij in die nis gelegd, met zijn gezicht naar Mekka; dan wordt de nis afgesloten met een laag stenen of, als de familie arm is, met planken. Vervolgens wordt het graf dichtgegooid, en de overgebleven aarde vormt een langwerpige heuvel; de dode rust echter niet onder die heuvel, maar vlak ernaast. Dat is nou een graf naar mijn hart, had ik bij mezelf gezegd toen deze gewoonte mij was beschreven – de pure gruwelijkheid van de zaak werd in elk geval niet verhuld, en ook zou het zo comfortabeler zijn, intiemer misschien. Maar hier was niemand die me kon helpen graven en ik had ook geen gereedschap, niet eens een mes: ik begon dus te lopen, min of meer in oostelijke richting. Het was een eindeloze vlakte waar zich niets bevond, niets levends boven de grond, niets doods onder de grond; lange tijd liep ik voort onder een kleurloze hemel, zodat ik niet kon bepalen hoe laat het was (mijn horloge, zoals alle klokken van de Wehrmacht afgesteld op Berlijnse tijd, had de zwempartij niet goed doorstaan en stond nu voor eeuwig op dertien voor twaalf). Hier en daar bloeide een rode klaproos, de enige kleurige toets in dit eentonige landschap; maar toen ik probeerde er een te plukken, verschoot hij naar grijs en verschrompelde tot een vleugje as. Eindelijk kon ik in de verte wat vage vormen ontwaren. Dichterbij komend zag ik dat het een lange witte zeppelin was, die boven een grote koergan zweefde. Over de flanken van de heuvel wandelden verscheidene figuren: drie maakten zich los uit de groep en liepen mijn richting op. Toen ze nog dichterbij waren, zag ik dat ze alle drie een witte jas droegen over een pak met een enigszins ouderwetse opstaande kraag en een zwarte stropdas; een van hen droeg bovendien een bolhoed. ‘Guten Tag, meine Herren,’ sprak ik beleefd toen ze voor me stonden. – ‘Bonjour, monsieur,’ antwoordde de man met de bolhoed. Hij vroeg me wat ik daar deed en ik legde het hem zo goed mogelijk uit, eveneens in het Frans. De andere twee luisterden en knikten. Na mijn relaas zei de man met de bolhoed: ‘In dat geval moet u met ons mee; de doctor zal u willen spreken.’ – ‘Zoals u wilt. Wie is die doctor?’ – ‘Dr. Sardine, de leider van onze expeditie.’ Ze namen me mee naar de koergan; aan de voet daarvan werd het luchtschip verankerd door drie dikke kabels, de zeppelin zelf schommelde ruim vijftig meter boven ons in het briesje traag heen en weer; onder de lange ovale romp hing een metalen gondel van twee verdiepingen. Een andere, dunnere kabel was waarschijnlijk voor de telefoonverbinding: een van de mannen sprak enkele woorden in een apparaat dat op een klaptafeltje stond. Intussen waren de andere mannetjes op de koergan druk aan het graven, peilen, meten. Ik keek nogmaals omhoog: langzaam werd er uit de gondel een soort mand neergelaten, die flink slingerde in de wind. Vlak bij de grond grepen twee mannen hem vast en trokken hem verder omlaag. Deze grote mand bestond uit ronde houten spijlen waar wilgentenen tussen gevlochten waren; de man met de bolhoed opende een deurtje en gebaarde mij plaats te nemen; daarna stapte hij zelf ook in en deed het deurtje dicht. Het touw werd weer opgehaald en de mand kwam met een heftige ruk van de grond los; door de ballast van ons gewicht schommelde hij minder, maar toch werd ik een beetje zeeziek, en ik klemde me stevig aan de rand vast; mijn metgezel hield met zijn hand zijn hoed tegen. Ik keek uit over de steppe: nergens een boom of een huis te bekennen, alleen aan de horizon een soort bult, waarschijnlijk nog een koergan.

Door een luik werd de mand in een zaal van de gondel getrokken; mijn metgezel nam me eerst mee een wenteltrap op en daarna door een lange gang. Alles hier was van aluminium, tin, messing en glanzend hardhout: al met al een bijzonder fraai geheel. Bij een gecapitonneerde deur drukte de man op een knopje. De deur ging open, hij gebaarde me naar binnen te gaan, maar ging zelf niet mee.

Ik stond in een ruim vertrek met een groot raam en daaronder een bank, verder waren er boekenkasten en in het midden een lange tafel waarop een onwaarschijnlijke diversiteit aan spullen lag: boeken, kaarten, wereldbollen, opgezette dieren, modellen van fantastische voertuigen, astronomische, optische en nautische instrumenten. Een witte kat met ogen in verschillende kleuren liep geruisloos tussen die voorwerpen door. Een kleine man, ook al in een witte jas, zat in elkaar gedoken op een stoel aan het uiteinde van de tafel. Bij mijn binnenkomst draaide hij zijn stoel een halve slag, zodat hij met zijn gezicht naar me toe zat. Zijn haar, met strepen grijs en naar achteren gekamd, zag er vuil en warrig uit en werd in bedwang gehouden door een breedgerande bril, die op zijn voorhoofd was geschoven. Op zijn ongeschoren en enigszins weke gezicht lag een grimmige, onaangename uitdrukking. ‘Komt u binnen! Komt u binnen!’ zei hij met schorre stem. Hij wees naar de lange bank: ‘Gaat u zitten.’ Ik liep om de tafel heen, ging zitten en sloeg mijn benen over elkaar. Terwijl hij sprak spetterde het speeksel rond; zijn witte jas zat onder de etensresten. ‘U bent nog erg jong!’ riep hij uit. Ik wendde mijn hoofd een beetje af en keek door het raam naar de kale steppen, richtte mijn blik daarna weer op de man. ‘Ik ben Hauptsturmführer Dr. Maximilien Aue, tot uw dienst,’ zei ik uiteindelijk en boog hoffelijk het hoofd. – ‘Ah!’ kraste hij. ‘Een doctor! Een doctor! Doctor waarin?’ – ‘In de rechten, meneer.’ – ‘Een advocaat!’ Hij sprong uit zijn stoel. ‘Een advocaat! Vervloekt gespuis! Nog erger dan de joden! Erger dan woekeraars! Erger dan royalisten!’ – ‘Ik ben geen advocaat, meneer. Ik ben jurist, gespecialiseerd in staatsrecht, en officier van de Schutzstaffel.’ Prompt kalmeerde hij en ging met een sprongetje weer zitten: zijn benen, te kort voor de stoel, bungelden een paar centimeter boven de vloer. ‘Dat is niet veel beter...’ Hij dacht na. ‘Ik ben zelf ook doctor. Maar... in nuttige zaken. Sardine, de naam is Sardine, Dr. Sardine.’ – ‘Aangenaam, doctor.’ – ‘Dat staat te bezien. Wat komt u hier doen?’ – ‘In uw luchtschip? Uw collega’s hebben me hier uitgenodigd.’ – ‘Uitgenodigd... uitgenodigd... een groot woord. Maar ik bedoel hier, in dit gebied.’ – ‘Wel, ik liep.’ – ‘U liep... dat zal best! Maar wat was uw doel?’ – ‘Ik liep zomaar wat. Eerlijk gezegd ben ik een beetje verdwaald.’ Hij boog zich argwanend naar me toe, terwijl hij met beide handen de armleuningen vastgreep. ‘Weet u dat wel zeker? Had u niet een speciaal doel?!’ – ‘Ik moet bekennen van niet.’ Maar hij bleef mompelen: ‘Beken het maar, beken het maar... U zocht iets... Zat u eigenlijk niet... achter mij aan? In opdracht van mijn jaloerse concurrenten!’ Hij wond zich steeds meer op. ‘Hoe hebt u ons dan precies gevonden?’ – ‘Op deze vlakte hier is uw luchtschip van verre zichtbaar.’ Maar hij hield niet op: ‘U bent een trawant van Finkelstein! Van Krasschild! Die jaloerse joden... Verwaande blaaskaken... Windbuilen! Nietsnutten! Hielenlikkers! Vervalsers van diploma’s en resultaten...’ – ‘Sta mij toe op te merken, doctor, dat u blijkbaar niet vaak de krant leest. Anders zou u weten dat een Duitser, en zeker een jonge ss-officier, zich hoogst zelden ten dienste stelt van joden. Ik ken de door u genoemde heren niet, maar als ik hen zou tegenkomen, zou het juist mijn plicht zijn om hen te arresteren.’ – ‘Ja... ja...’ zei hij, terwijl hij over zijn onderlip wreef, ‘dat zou inderdaad wel kunnen...’ Hij tastte in de zak van zijn witte jas en haalde een leren buideltje tevoorschijn; met geelbruine vingers van de nicotine nam hij er een plukje tabak uit en begon een sigaret te rollen. Omdat hij blijkbaar niet van plan was mij ook wat aan te bieden, haalde ik opnieuw mijn eigen pakje voor de dag: het was inmiddels droog, met rollen en samendrukken slaagde ik erin een van de sigaretten te fatsoeneren. Mijn lucifers daarentegen waren onbruikbaar; ik liet mijn blik over de tafel gaan, maar kon tussen alle spullen geen doosje ontdekken. ‘Hebt u vuur, doctor?’ vroeg ik. – ‘Even geduld, jongeman, even geduld...’ Hij rolde zijn sigaret, pakte een flinke tinnen kubus van de tafel, stak de sigaret in een opening en drukte op een knopje. Toen wachtte hij. Na enkele minuten, die me nogal lang vielen, was er een kort ping te horen; hij pakte de sigaret, waarvan het uiteinde rood opgloeide, en nam snel een paar trekjes. ‘Geniaal, vindt u niet?’ – ‘Zeer. Maar misschien een beetje langzaam.’ – ‘Dat ligt aan de weerstand, die heeft tijd nodig om op te warmen. Geef mij uw sigaret.’ Ik reikte hem aan en hij herhaalde de procedure, terwijl hij wolkjes rook uitblies; deze keer klonk het ping iets eerder. ‘Dit is mijn enige zonde...’ mompelde hij, ‘de enige! Alle andere – afgelopen! Alcohol... dat is gif... En de vleselijke lusten... Al die gretige wijfjes... opgeschilderd, syfilitisch! Nergens anders op uit dan de geest van de man leeg te zuigen... zijn ziel te besnijden!... Om nog maar te zwijgen van het gevaar van de voortplanting dat overal loert... Wat je ook doet, je ontsnapt er niet aan, ze krijgen het altijd weer voor elkaar... een verschrikking! Die weerzinwekkende wijven met hun opdringerige tieten! Geile sloeries! Wulpse joodse teven, die wachten tot ze je de genadeslag kunnen geven! Die eeuwige loopsheid! Die stank! Het hele jaar door! Een wetenschapsman moet in staat zijn dat hele gedoe de rug toe te keren. Een pantser van onverschilligheid... van wilskracht om zich heen bouwen... Noli me tangere.’ Al rokend liet hij de as op de grond vallen; omdat ik geen asbak zag, deed ik dat zelf ook. De witte kat wreef met zijn nek tegen een sextant. Plotseling zette Sardine zijn bril op zijn neus en boog zich naar me toe om me eens goed te bekijken. ‘U bent dus ook op zoek naar het einde van de wereld?’ – ‘Pardon?’ – ‘Het einde van de wereld! Doe maar niet zo onnozel. Waarom bent u anders hierheen gekomen?’ – ‘Ik weet niet waar u het over hebt, doctor.’ Hij maakte een grimas, sprong op uit zijn stoel, liep om de tafel, pakte een voorwerp en gooide het naar mijn hoofd. Ik kon het nog net opvangen. Het was een kegel, bevestigd op een voetstuk en als een globe beschilderd met de werelddelen; het basisvlak was grijs en droeg het opschrift: terra incognita. ‘Ga me nu niet vertellen dat u dit nog nooit hebt gezien!’ Sardine was weer gaan zitten en rolde nog een sigaret. ‘Nooit, doctor,’ antwoordde ik. ‘Wat is het?’ – ‘Dat is de aarde! Stuk onbenul! Gluiperd! Draaikont!’ – ‘Het spijt me echt, doctor. Op school heb ik geleerd dat de aarde rond is.’ Hij stootte een woedend gegrom uit: ‘Beuzelpraat! Kletsica!... Middeleeuwse theorieën... Achterhaalde kolder... Bijgeloof! Kijk dan!’ riep hij en wees met zijn sigaret naar de kegel, die ik nog steeds vasthield. ‘Kijk dan! Dat is de waarheid. En dat ga ik bewijzen! Op dit moment zetten we koers naar de Rand.’ Ik merkte inderdaad dat de cabine enigszins trilde. Ik keek door het raam: het luchtschip had zijn anker gelicht en ging langzaam omhoog. ‘En als we daar aankomen,’ vroeg ik behoedzaam, ‘gaat uw toestel daar dan overheen?’ – ‘Hang nu niet de imbeciel uit! De onnozelaar. U bent toch een gestudeerd man, zegt u... Gebruik dan uw hersens! Het spreekt vanzelf dat er aan de andere kant van de Rand geen zwaartekrachtsveld meer is. Anders was het bewijs al lang geleverd!’ – ‘Maar hoe wilt u dat dan gaan doen?’ – ‘Dat is nu juist het geniale van mijn vinding,’ antwoordde hij met een malicieuze grijns. ‘In dit toestel zit nog een ander toestel verborgen.’ Hij stond op en kwam naast me zitten. ‘Ik zal het u vertellen, u blijft toch bij ons. U, de Ongelovige, zult onze Getuige zijn. Als we aan de Rand van de wereld zijn, zullen we daar landen, we laten de ballon boven ons leeglopen, die wordt dan opgevouwen en weggeborgen in een speciaal daartoe bestemd compartiment. Hieronder zijn uitklapbare, gelede poten, acht in totaal, met aan elk uiteinde een krachtige tang.’ Al pratend maakte hij met zijn vingers een knijpbeweging. ‘Die tangen kunnen zich aan elke bodemsoort vastklemmen. Zo zullen we als een insect, als een spin, de Grote Rand overschrijden. Maar we komen eroverheen! Ik ben trots, en niet zo’n klein beetje ook... Kunt u het zich voorstellen?! Hebt u enig idee hoe moeilijk het is om zo’n machine te bouwen, en dat in oorlogstijd?... Eindeloze onderhandelingen met de bezetter! Met die uilskuikens van Vichy, dronken van het mineraalwater! Met al die verschillende groeperingen... Die hele bliksemse santenkraam, bevolkt door louter idioten, garnalenbreinen, arrivisten! Zelfs bij de joden heb ik moeten soebatten! Jawel, meneer de Duitse officier, ook bij de joden! Een wetenschapsman kan zich geen scrupules veroorloven... Hij moet bereid zijn om zo nodig een pact met de duivel te sluiten.’ Ergens uit het binnenste van het luchtschip klonk een sirene, die hem even tot zwijgen bracht. Hij stond op: ‘Ik word geroepen. Wacht hier op me.’ Bij de deur draaide hij zich om: ‘Nergens aankomen!’ Eenmaal alleen stond ik ook op en deed een paar stappen. Ik wilde de kat met de verschillend gekleurde ogen aaien, maar hij zette een hoge rug op, ontblootte zijn tanden en blies naar me. Ik keek nog eens naar de voorwerpen die op de lange tafel lagen, betastte er een paar, bladerde in een boek, ging op mijn knieën op de bank zitten en liet mijn blik over de steppe dwalen. Er kronkelde zich een rivier doorheen, die schitterde in de zon. Op het water meende ik iets te zien bewegen. Wat verder in het vertrek stond voor het raam een statief met daarop een telescoop. Ik hield een oog voor het oculair, draaide aan het wieltje om het beeld scherp te krijgen en zocht de rivier; toen ik die had gelokaliseerd, volgde ik de loop om het bewegende ding te vinden. Het was een bootje met gestalten erin. Ik stelde de brandpuntsafstand nauwkeuriger af. Midden in de boot zat een jonge naakte vrouw, ze had bloemen in het haar; voor en achter haar peddelden twee afzichtelijke schepsels, die eruitzagen als mensen en eveneens naakt waren. De vrouw had lang zwart haar. Mijn hart begon plotseling wild te bonken, ik probeerde haar gezicht scherper in beeld te krijgen, maar ik kon haar trekken niet goed onderscheiden. Langzaam maar zeker verdween alle twijfel: het was Una, mijn zuster. Waar ging ze heen? Andere, met bloemen versierde bootjes voeren achter haar boot aan; het leek wel een bruiloftsstoet. Ik moest naar haar toe. Maar hoe? Ik rende de cabine uit, stormde de wenteltrap af; in de ruimte met de mand was een man. ‘De doctor,’ hijgde ik. ‘Waar is hij? Ik moet hem spreken.’ Hij gebaarde me hem te volgen en bracht me naar het voorste deel van het luchtschip, loodste me de controlecabine binnen, waar voor een groot, rond raam mannen in witte jassen in de weer waren. Sardine troonde op een verhoogde stoel voor een bedieningspaneel. ‘Wat wilt u?’ vroeg hij bars toen hij me zag. – ‘Doctor... ik moet hier weg. Het is een kwestie van leven of dood.’ – ‘Uitgesloten,’ riep hij met een snerpende stem. ‘Uitgesloten! Ik heb het wel door. U bent een spion! Een trawant!’ Hij wendde zich naar de man die me had gebracht. ‘Arresteer hem! Sla hem in de boeien!’ De man greep me bij mijn arm. Zonder na te denken gaf ik hem een flinke kaakslag en stormde naar de deur. Verscheidene mannen renden achter me aan, maar de deur was zo smal dat ze er niet allemaal tegelijk door konden en dat gaf me een voorsprong. Met drie treden tegelijk rende ik de wenteltrap weer op en wachtte bovenaan: toen het eerste hoofd opdook, getooid met een bolhoed, gaf ik er een schop tegen, waardoor de man naar achteren werd gesmakt; hij tuimelde de treden af en sleepte met een geweldig kabaal zijn collega’s mee. Ik hoorde Sardine schreeuwen. Op goed geluk trok ik wat deuren open: er waren cabines, een kaartenhut, een eetzaal. Aan het eind van de gang stuitte ik op een opslagruimte, waar ook een ladder stond; het luik aan de top van die ladder bood waarschijnlijk toegang tot het binnenste van de romp en maakte het mogelijk daar reparaties te verrichten; er stonden in die ruimte stalen kasten, ik maakte ze open, er lagen parachutes in. Mijn achtervolgers naderden; snel bond ik een parachute om en begon de ladder te beklimmen; het luik ging gemakkelijk open: daarboven was een immense cilindervormige koker, die zich in het midden van de romp verhief en gevormd werd door over ronde bogen gespannen wasdoek. Door het doek viel een wazig licht en hier en daar hing ook een gloeilamp; door de raampjes zag ik de ronde vormen van de kleine waterstofballonnen. Ik begon te klimmen. De koker, op zijn plaats gehouden door een stevig geraamte, was wel enkele tientallen meters hoog, en al gauw raakte ik buiten adem. Ik waagde een blik naar beneden: de eerste bolhoed verscheen in het gat van het luik, gevolgd door het bijbehorende lichaam. Ik zag dat hij met een pistool zwaaide en klom snel verder omhoog. Hij schoot niet, waarschijnlijk vreesde hij een waterstofballon te raken. Andere mannen kwamen na hem; ze vorderden even langzaam als ik. In de koker was om de vier meter een klein plateau aangebracht waarop je even kon uitrusten, maar ik had geen tijd te verliezen en bleef hijgend klimmen, sport na sport. Ik keek niet omhoog en het leek alsof er nooit een einde aan de ladder kwam. Eindelijk raakte mijn hoofd het luik bovenaan. Onder mij weerklonken de metalen geluiden van de klimmende mannen. Ik draaide aan de hendel van het luik, duwde het omhoog en stak mijn hoofd naar buiten: een koude wind sloeg in mijn gezicht. Ik was nu boven op de romp van het luchtschip, een groot, hellend vlak, dat behoorlijk stevig leek. Ik hees me naar buiten en ging staan; helaas was het niet mogelijk het luik van buiten te sluiten. Door de wind en de trillingen van het luchtschip kon ik maar moeilijk mijn evenwicht bewaren. Terwijl ik de bevestiging van de parachute controleerde, liep ik wankel in de richting van de staart. Er verscheen een hoofd in het gat van het luik en ik begon te rennen. Het oppervlak van de romp was een beetje elastisch en veerde onder mijn voeten; er klonk een schot en een kogel floot langs mijn oor; ik struikelde en viel, maar in plaats van me te verzetten liet ik me meevoeren. Weer klonk er een schot. De helling werd steeds steiler, ik gleed snel naar beneden, probeerde mijn voeten voor me uit te houden; toen ging het vrijwel loodrecht omlaag en stortte ik als een ledenpop de diepte in, wild met mijn armen en benen zwaaiend. De bruingrijze steppe kwam als een muur op me af. Ik had nog nooit een parachutesprong gemaakt, maar ik wist dat je aan een koord moest trekken om het scherm te openen; met enige moeite kreeg ik mijn armen in bedwang, vond de handgreep en trok; de schok was zo heftig dat ik een felle pijn in mijn nek voelde. Ik daalde nu veel langzamer, met mijn voeten naar beneden; ik greep de hangriemen vast en keek omhoog; het witte doek van het scherm vulde mijn blikveld en onttrok het luchtschip aan mijn zicht. Ik tuurde omlaag op zoek naar de rivier: zo te zien lag die enkele kilometers verderop. De stoet van bootjes schitterde in het zonlicht, ik schatte welke weg ik moest nemen om er te kunnen komen. De grond naderde en ietwat ongerust strekte ik mijn aaneengesloten benen. Ik voelde een geweldige schok die door mijn hele lichaam ging, verloor mijn evenwicht en werd nog een eindje meegesleept door de parachute, die de wind voorttrok. Eindelijk lukte het me mijn evenwicht te hervinden en te gaan staan; ik maakte de riemen los en liet de parachute daar achter, het scherm bolde op in de wind en rolde over de kale grond. Ik tuurde omhoog: het luchtschip dreef onverstoorbaar verder. Nadat ik me had georiënteerd, ging ik op weg in de richting van de rivier.

Het luchtschip verdween. De steppe leek licht te stijgen: ik was moe, maar dwong mezelf te blijven lopen. Ik struikelde over dorre graspollen. Hijgend kwam ik bij de rivier; pas op dat moment zag ik dat ik boven op een steile klip stond, met een meter of twintig lager de rivier die in snelle wervelingen voortstroomde; het was onmogelijk om erin te springen en al evenzeer onmogelijk om langs die helling naar beneden te klimmen. Ik had aan de overkant moeten landen, waar de oever zacht glooiend naar het water afdaalde. Stroomopwaarts, links van mij, zag ik de stoet bootjes naderen. Met guirlandes getooide muzikanten volgden de sierlijk bewerkte gondel van mijn zuster en brachten op fluiten, snaarinstrumenten en trommels schrille, plechtige muziek ten gehore. Mijn zuster kon ik nu duidelijk zien, in kleermakerszit hooghartig tussen de beide roeiende creaturen, haar lange zwarte haar over haar borsten. Ik zette mijn handen aan mijn mond en riep een paar keer haar naam. Ze lichtte haar hoofd op en keek me aan, maar zonder van gezichtsuitdrukking te veranderen of iets te zeggen, haar blik verklonken in de mijne, terwijl de gondel traag langsvoer. Als een bezetene schreeuwde ik haar naam, maar ze reageerde niet. Ten slotte keerde ze me de rug toe. Traag verwijderde de processie zich stroomafwaarts, terwijl ik ontredderd bleef staan. Ik wilde haar snel achterna, maar ineens werd mijn buik geteisterd door heftige krampen; koortsachtig maakte ik mijn broek los en hurkte neer; in plaats van stront spoten er levende bijen, spinnen en schorpioenen uit mijn anus. Het brandde verschrikkelijk, maar ik moest ze kwijt zien te raken; ik perste, de spinnen en schorpioenen liepen snel weg, de bijen vlogen op, ik moest mijn kaken op elkaar klemmen om het niet uit te schreeuwen van de pijn. Op dat moment hoorde ik iets en ik keek om: twee kleine jongens, een eeneiige tweeling, stonden zwijgend naar me te kijken. Waar waren die verdomme vandaan gekomen? Ik kwam overeind en trok mijn broek omhoog; maar ze hadden zich al omgedraaid en liepen weg. Ik stormde roepend achter hen aan, maar kon ze niet inhalen. Ik bleef ze nog een hele tijd achtervolgen.

In de steppe was nog een andere koergan. De twee jongens klommen langs de ene kant omhoog en langs de andere kant weer omlaag. Ik rende eromheen, maar ze waren al verdwenen. ‘Hé, jongens, waar zijn jullie?’ Ik besefte dat ik, zelfs vanaf de top van de koergan, de rivier niet meer kon zien. De zon ging schuil achter een grauw wolkendek, ik wist niet hoe ik me moest oriënteren; ik had me dus als een idioot laten afleiden! Ik moest en zou die jongens terugvinden. Ik liep nogmaals om de koergan heen en ontdekte een oneffen gedeelte, waar de grond leek te zijn uitgediept; ik betastte het en stuitte op een deur. Ik klopte, de deur ging open en ik kon naar binnen; een lange gang strekte zich voor me uit, met aan het eind weer een deur. Ik klopte opnieuw, en ook die deur ging open. Ik kwam in een grote, hoge zaal, verlicht door olielampen: van buiten had deze koergan lang niet zo groot geleken. Achter in de zaal was een soort baldakijn, overvloedig voorzien van kleden en kussens, waar een dikbuikige dwerg een spelletje zat te doen; daarnaast stond een lange, magere man met een zwarte driehoek voor een van zijn ogen; een gerimpelde oude vrouw met een hoofddoek roerde in een enorme, fraai gedecoreerde ketel, die in een hoek afhing van het plafond. Geen spoor van de twee kinderen. ‘Goedendag,’ zei ik beleefd. ‘Hebt u toevallig twee jongens gezien? Een tweeling,’ preciseerde ik. – ‘Ah!’ riep de dwerg uit. ‘Een bezoeker! Kun jij nardi spelen?’ Ik liep naar het baldakijn en zag dat hij aan het triktrakken was, zijn linkerhand speelde tegen zijn rechter: beurtelings wierpen ze de dobbelstenen en verplaatsten ze de rode of witte schijven. ‘Ik ben eigenlijk op zoek naar mijn zuster,’ zei ik. ‘Een heel mooie jonge vrouw met zwart haar. Ze is meegenomen in een bootje.’ Zonder het spel te onderbreken keek de dwerg naar de eenoog, wendde zich toen weer naar mij: ‘Dat meisje wordt hierheen gebracht. Wij gaan met haar trouwen, mijn broer en ik. Ik hoop dat ze even mooi is als men zegt.’ Hij glimlachte wellustig en stak snel een hand in zijn broek. ‘Als jij haar broer bent, dan worden wij zwagers. Ga zitten en drink een kop thee.’ Met gekruiste benen nam ik plaats op een van de kussens, bij het speelbord; de oude vrouw bracht me een kom hete thee, echte thee en geen ersatz, die ik met smaak opdronk. ‘Ik heb liever niet dat u met haar trouwt,’ zei ik uiteindelijk. De dwerg bleef met zijn ene hand tegen de andere spelen. ‘Als je niet wilt dat wij met haar trouwen, speel dan met me. Niemand wil met me spelen.’ – ‘Waarom niet?’ – ‘Vanwege mijn voorwaarden.’ – ‘En wat zijn uw voorwaarden?’ vroeg ik vriendelijk. ‘Vertelt u eens, ik ken ze niet.’ – ‘Als ik win, maak ik jou dood; als ik verlies, maak ik jou dood.’ – ‘Goed, vooruit dan maar, laten we spelen.’ Ik keek hoe hij speelde: het leek niet op het triktrak dat ik kende. Aan het begin van het spel waren de schijven niet in rijtjes van twee, drie en vijf over de punten verdeeld, maar lagen ze allemaal aan de randen van het bord; en tijdens het spel konden ze niet worden geslagen, maar blokkeerden ze de plek waar ze lagen. ‘Dit zijn niet de regels van triktrak,’ zei ik. – ‘Zeg eens, jongen, je bent hier niet meer in München.’ – ‘Ik kom niet uit München.’ – ‘Berlijn dan. We spelen nardi.’ Ik keek nog eens goed: het principe leek niet zo moeilijk te snappen, maar er kwam natuurlijk de nodige tactiek bij te pas. ‘Oké, laten we beginnen.’ Het was inderdaad gecompliceerder dan het leek, maar ik had het snel door en won het spelletje. De dwerg kwam overeind, haalde een lang mes tevoorschijn en zei: ‘Goed, nu maak ik je dood.’ – ‘Rustig aan. Als ik had verloren, had u me kunnen doden, maar ik heb gewonnen, dus waarom zou u me doden?’ Hij dacht even na en ging weer zitten. ‘Je hebt gelijk. Nog een potje.’ Ditmaal won de dwerg. ‘Wat heb je nu te zeggen? Ik maak je dood.’ – ‘Goed, ik zeg niets meer, ik heb verloren, doodt u me maar. Vindt u alleen niet dat we eerst nog een derde potje zouden moeten spelen om de eindstand te bepalen?’ – ‘Je hebt gelijk.’ We speelden nog een keer en ik won. ‘Nu moet u me mijn zuster teruggeven,’ zei ik. De dwerg sprong op, keerde me de rug toe, bukte en liet een keiharde scheet in mijn gezicht. ‘Wat walgelijk!’ riep ik uit. De dwerg maakte een aantal sprongetjes, liet bij elke sprong een scheet en neuriede intussen: ‘Ik ben een god, doe wat ik wil, ik ben een god, doe wat ik wil. En nu,’ zo onderbrak hij zichzelf, ‘maak ik je dood.’ – ‘Er valt met u werkelijk niets te beginnen, u bent te slecht opgevoed.’ Ik stond op, draaide me om en vertrok. In de verte zag ik een grote stofwolk opdoemen. Ik beklom de koergan om een beter zicht te hebben: het waren ruiters. Ze kwamen dichterbij, vormden twee rijen en stelden zich op aan weerszijden van de toegang tot de koergan, zodat ze een lange doorgang vormden. De ruiters en paarden die zich het dichtst bij de koergan bevonden, kon ik heel duidelijk zien: het leek wel alsof de paarden op wielen stonden. Ik keek nauwkeuriger en zag dat ze van voren en van achteren waren vastgespietst op dikke balken, die rustten op een van wielen voorzien onderstel, en de poten hingen vrij; ook de ruiters waren vastgespietst; ik zag de paalpunten uit hun hoofd of mond steken – het zag er eerlijk gezegd nogal slordig uit. Elk van die wagens of onderstellen werd voortgeduwd door een paar naakte slaven die, als ze zo’n voertuig in de juiste positie hadden gezet, een eindje verderop bij elkaar op de grond gingen zitten. Ik bekeek de ruiters en meende de Oekraïners van Möritz te herkennen. Zij waren dus ook hierheen gekomen en hadden het hun beschoren lot ondergaan? Maar misschien vergiste ik me wel. De lange magere eenoog was bij me komen staan. ‘Het geeft geen pas,’ berispte ik hem, ‘om te zeggen dat je, of je nu wint of verliest, je tegenspeler zult doden.’ – ‘Je hebt gelijk. We hebben alleen niet vaak gasten. Maar ik zal zorgen dat mijn broer hiermee ophoudt.’ Er was weer een lichte bries opgestoken, die al het door de wagens opgeworpen stof verdreef. ‘Wat is dat?’ vroeg ik en wees naar de rijen ruiters. – ‘Dat is de erewacht. Voor onze bruiloft.’ – ‘Ja, maar ik heb twee van de drie spelletjes gewonnen. U moet me dus mijn zuster teruggeven.’ Met zijn onbedekte oog wierp de man me een treurige blik toe: ‘Je krijgt je zuster nooit meer terug.’ Een kwaadaardige angst maakte zich van me meester. ‘Waarom niet?’ riep ik uit. – ‘Dat geeft geen pas,’ zei hij. In de verte zag ik gestalten naderen; ze waren te voet en deden veel stof opwaaien, dat snel werd meegevoerd door de wind. In het midden liep mijn zuster, nog steeds naakt, geëscorteerd door die twee afzichtelijke creaturen en de muzikanten. ‘En geeft het dan wel pas dat ze daar zo loopt, naakt, terwijl iedereen haar kan zien?’ vroeg ik woedend. Zijn onbedekte oog bleef me aanstaren: ‘Waarom niet? Ze is toch geen maagd meer. Maar we nemen haar niettemin.’ Ik wilde de koergan af, naar haar toe, maar de tweeling was weer opgedoken en versperde me de weg. Ik probeerde erlangs te komen, maar ze gingen steeds weer zo staan dat het niet lukte. Kokend van woede hief ik mijn hand naar hen op. ‘Sla ze niet!’ blafte de eenoog. Buiten mezelf wendde ik me naar hem: ‘Wat kunnen ze mij schelen?’ vroeg ik razend. Hij gaf geen antwoord. Tussen de rijen van de op hun paarden gespietste ruiters naderde mijn zuster met gelijkmatige tred.