#

Waarom was alles zo wit? Zo wit was de steppe niet geweest. Ik rustte in een wijde, witte vlakte. Misschien had het gesneeuwd, misschien lag ik als een gevelde soldaat, als een gestreken vaandel languit in de sneeuw. Ik had het in ieder geval niet koud. Of eigenlijk kon ik dat moeilijk beoordelen, ik voelde me volkomen los van mijn lichaam. Van een afstand probeerde ik een concrete gewaarwording nader te preciseren: in mijn mond, een moddersmaak. Maar die mond zweefde ergens, miste zelfs de steun van een kaak. En mijn borst leek verpletterd onder een vracht stenen; ik probeerde naar die stenen te kijken, maar ik kon ze niet zien. Ik ben werkelijk uit elkaar gevallen, zei ik bij mezelf. Ach, mijn arme lichaam. Ik wilde me eroverheen vlijen, zoals je je over een kind vlijt dat je innig liefhebt, ’s nachts, in de kou.

Door dat witte, eindeloze landschap wentelde een vuurbol, die zich in mijn blik boorde. Maar merkwaardig genoeg verleenden de vlammen geen warmte aan al dat wit. Het was onmogelijk om naar die vuurbol te blijven kijken, maar het was ook onmogelijk om mijn blik ervan af te wenden, de bol achtervolgde me met zijn onaangename aanwezigheid. Ik was in paniek; stel dat ik mijn voeten nooit meer terugvond, hoe zou ik die bol dan kunnen bedwingen? Wat was het moeilijk allemaal. Hoe lang ik zo bleef liggen? Ik zou het niet kunnen zeggen, minstens een hele zwangerschap. Het gaf me de tijd om de dingen te observeren, en zo begon ik langzaam te merken dat het wit niet overal even wit was; er waren gradaties, waarvan geen enkele de benaming lichtgrijs zou hebben verdiend maar toch, schakeringen; voor een beschrijving daarvan zou een nieuw vocabulaire nodig zijn geweest, even genuanceerd en precies als dat van de eskimo’s wanneer ze de verschillende toestanden van het ijs beschrijven. Het was waarschijnlijk ook een kwestie van textuur; maar mijn gezichtsvermogen leek even weinig in staat om verschillen waar te nemen als mijn vingers om zich te bewegen. Uit de verte drong iets van een geronk tot mij door. Ik besloot me vast te klampen aan een detail, een gradatie in het wit, totdat het detail zich aan mij zou prijsgeven. Aan deze enorme inspanning wijdde ik nog minstens een eeuw of twee, maar uiteindelijk werd me duidelijk waar het om ging: het was een rechte hoek. Kom op, de volgende inspanning. Door de hoek aan één kant te verlengen ontdekte ik ten slotte nog een tweede hoek, en toen een derde; aldus bleek het te gaan, eureka, om een rand, een lijst, en nu ging het sneller, ik ontdekte nog meer lijsten, maar al die lijsten waren wit, en buiten de lijsten was het wit, en binnen de lijsten ook: er was weinig hoop op, dacht ik moedeloos, dat ik hier gauw mee klaar zou zijn. Blijkbaar moest ik aan de hand van hypothesen te werk gaan. Zou het moderne kunst zijn? Maar die strakke lijsten werden soms vertroebeld door andere vormen, die ook wel wit waren maar wazig, week. Ach, wat een moeizaam geïnterpreteer, wat een eindeloos karwei. Maar ik hield vol en boekte voortdurend nieuwe resultaten: het witte vlak dat zich in de verte uitstrekte was eigenlijk gegroefd, heuvelachtig, misschien een steppe gezien vanuit een vliegtuig (maar niet vanuit een zeppelin, dan zou het anders zijn geweest). Wat een succes! Ik was behoorlijk trots op mezelf. Nog een laatste inspanning, dacht ik, en de mysteries zijn ontraadseld. Maar een onvoorziene ramp maakte abrupt een einde aan mijn onderzoekingen: de vuurbol doofde en ik belandde in het donker, in een dichte, verstikkende duisternis. Ertegen vechten had geen zin; ik schreeuwde, maar uit mijn geplette longen kwam geen geluid. Ik wist dat ik niet dood was, want zelfs de dood kon niet zo zwart zijn; het was veel erger dan de dood, het was een beerput, een wurgend moeras; en in vergelijking met de tijd die ik daarin doorbracht, leek de eeuwigheid niet meer dan een moment.

Ten slotte werd het vonnis opgeheven: langzaam loste het eindeloze zwart van de wereld op. En dankzij de magische terugkeer van het licht ging ik alles duidelijker zien; aan mij, nieuwe Adam, werd het vermogen om de dingen te benoemen teruggegeven (of misschien simpelweg gegeven): de muur, het raam, de melkwitte lucht achter de ruiten. Vol verrukking aanschouwde ik dat buitengewone tafereel; vervolgens bekeek ik uitvoerig alles wat zich binnen mijn gezichtsveld bevond: de deur, de deurkruk, het flauwe schijnsel van een gloeilamp in een lampenkap, het voeteneinde, de lakens, geaderde handen, dat moesten de mijne zijn. De deur ging open en er verscheen een vrouw, in het wit gekleed; maar tegelijk met haar drong een kleur de wereld in, een rode vorm, helder als bloed in de sneeuw, ik werd er bovenmatig door getroffen en barstte in snikken uit. ‘Waarom huilt u?’ vroeg ze met welluidende stem en haar bleke, koele vingers streken over mijn wang. Geleidelijk kalmeerde ik. Ze zei nog iets anders, dat ik niet verstond; ik voelde dat ze met mijn lichaam in de weer was; in paniek sloot ik mijn ogen, waardoor ik eindelijk een beetje macht kreeg over dat verblindende wit. Later verscheen er ook nog een man van rijpere leeftijd, dit heette ongetwijfeld binnenkomen, kwam er dus ook nog een man van rijpere leeftijd binnen, met grijs haar: ‘Zo, u bent wakker!’ riep hij vrolijk. Waarom zei hij dat? Ik was al een eeuwigheid wakker; van slapen wist ik niet eens meer hoe het heette. Maar misschien bedoelden hij en ik niet hetzelfde. Hij ging vlak bij me zitten, trok onbarmhartig een ooglid omhoog en priemde met een lampje in mijn oog. ‘Heel goed, heel goed,’ zei hij een paar keer achter elkaar, voldaan over zijn wrede truc. Uiteindelijk vertrok ook hij.

Het duurde nog wel even voordat ik deze fragmentarische indrukken met elkaar in verband kon brengen en begreep dat ik in handen van vertegenwoordigers van de medische wetenschap was gevallen. Ik moest geduld oefenen en leren me te laten betasten en kneden: niet alleen de vrouwen, in de gedaante van verpleegsters, veroorloofden zich met mijn lichaam ongehoorde vrijheden, ook de artsen, strenge, serieuze mannen met vaderlijke stemmen, liepen in en uit, omzwermd door jongelui in witte jassen, tilden me schaamteloos op, draaiden aan mijn hoofd en weidden langdurig over me uit, alsof ik een ledenpop was. Ik vond dat buitengewoon onsympathiek, maar protesteren kon niet: tot een heleboel was ik al in staat, maar niet tot het uitbrengen van klanken. Toen ik eindelijk zover was dat ik een van de heren duidelijk verstaanbaar voor ‘smeerlap’ uit kon maken, werd de aangesprokene niet kwaad; integendeel, hij glimlachte en applaudisseerde: ‘Bravo, bravo.’ Daardoor aangemoedigd werd ik nog brutaler en bij de volgende visites begon ik opnieuw: ‘Schoft, misbaksel, stinkerd, jood, klootzak.’ De artsen knikten ernstig, de jongelui maakten aantekeningen op vellen papier die op plankjes lagen; ten slotte gaf een verpleegster me een standje: ‘U zou wel wat beleefder mogen zijn.’ – ‘Ja, dat is waar, u hebt gelijk. Zal ik u meine Dame noemen?’ Ze wuifde met een aantrekkelijke, kleine, naakte hand voor mijn ogen. ‘Mein Fräulein,’ antwoordde ze luchtig en verdween. Voor een jong meisje had deze verpleegster een ferme, vaardige aanpak: wanneer ik moest poepen draaide ze me, hielp me, veegde me grondig en bedreven af, met de zekere, plezierige, van elke vorm van afkeer gespeende gebaren van een moeder die de billen van haar kind afveegt; alsof ze, terwijl ze misschien nog maagd was, dit al haar leven lang had gedaan. Ik vond het natuurlijk plezierig en vroeg haar graag om die dienst. Zij of anderen gaven me ook te eten door lepels bouillon in mijn mond te laten glijden; ik had liever een sappige biefstuk gehad, maar daar durfde ik niet om te vragen, het was hier per slot van rekening geen hotel maar, dat had ik eindelijk begrepen, een ziekenhuis: en een patiënt, het woord zegt het al, moet patiëntie betrachten.

Mijn gezondheid moest dus averij hebben opgelopen, in omstandigheden die me nog niet duidelijk waren; en naar de schone lakens te oordelen, de rust en de netheid van de omgeving, kon ik niet meer in Stalingrad zijn, of de situatie moest wel erg drastisch zijn veranderd. Inderdaad was ik niet meer in Stalingrad maar, zoals ik uiteindelijk te weten kwam, in Hohenlychen, ten noorden van Berlijn, in het ziekenhuis van het Duitse Rode Kruis. Hoe ik daar was gekomen kon niemand me vertellen; ik was afgeleverd door een legerwagen met de mededeling dat ik zorg nodig had, en zij stelden geen vragen, ze zorgden voor me, en ook ik moest geen vragen stellen, ik moest er weer bovenop komen.

Op een dag hoorde ik geroezemoes: de deur ging open, mijn kleine kamer raakte gevuld met mannen, de meeste ditmaal niet in het wit, maar in het zwart. Na enige inspanning herkende ik de kleinste van hen, mijn herinnering kwam weer helemaal terug: het was de Reichsführer-ss, Heinrich Himmler. Hij werd omringd door andere ss-officieren; naast hem stond een reus die ik niet kende, met een hoekig paardengezicht dat doorgroefd was met littekens. Himmler stelde zich dicht in mijn buurt op en hield met zijn nasale, docerende stem een korte rede; aan de andere kant van het bed stonden mannen het tafereel te fotograferen en te filmen. Ik begreep weinig van wat de Reichsführer zei: losse woorden spartelden aan de oppervlakte van zijn verhaal, heldhaftige officier, eer van de ss, heldere rapporten, dapper, maar die vormden bij elkaar geen relaas dat ik met mezelf in verband kon brengen; toch was de strekking van wat er gaande was duidelijk, er werd gesproken over mij, voor mij waren al die officieren en fonkelende hoogwaardigheidsbekleders hier in deze smalle kamer bijeen. Achter in de groep herkende ik Thomas; hij zwaaide vriendschappelijk, maar jammer genoeg kon ik niets tegen hem zeggen. Aan het einde van zijn toespraak wendde de Reichsführer zich naar een officier met ronde, vrij grote brillenglazen in een zwart montuur, die hem gedienstig iets aanreikte; vervolgens boog hij zich naar me toe en met groeiende paniek zag ik de knijpbril, het potsierlijke snorretje, de dikke korte vingers met de vuile nagels dichterbij komen; hij wilde iets op mijn borst deponeren, ik zag een speld, de gedachte dat hij me zou prikken maakte me ontzettend bang; vervolgens kwam zijn gezicht nog lager, hij bekommerde zich totaal niet om mijn angst, zijn naar verveine geurende adem verstikte me, en hij drukte een vochtige kus op mijn gezicht. Hij richtte zich weer op en gooide bulkend een arm in de lucht; alle andere aanwezigen volgden zijn voorbeeld, mijn bed was omringd met een woud van geheven armen, zwart, wit, bruin; schuchter, om niet op te vallen, hief ook ik mijn arm; het had effect, want iedereen draaide zich om en haastte zich naar de deur; de groep verdween vlot en ik lag daar alleen, uitgeput, niet in staat dat rare koude ding dat op mijn borst drukte, weg te halen.

Ik kon inmiddels een paar stappen zetten, mits iemand mij ondersteunde; dat was handig, nu kon ik naar de wc. Als ik me concentreerde voegde mijn lichaam zich weer naar mijn opdrachten, eerst tegenstribbelend maar daarna gewilliger; alleen mijn linkerhand onttrok zich aan de algehele eensgezindheid; ik kon mijn linkervingers wel heen en weer bewegen, maar ze waren absoluut niet bereid om zich te buigen en een vuist te vormen. In een spiegel zag ik voor het eerst na lange tijd mijn gezicht: eigenlijk herkende ik er niets van, ik kon niet doorgronden hoe dat samenraapsel van gelaatstrekken een geheel vormde, en hoe meer ik ernaar keek, hoe vreemder het werd. De witte windsels rond mijn schedel hielden de zaak in ieder geval bij elkaar, dat was toch iets, iets belangrijks zelfs, maar het hielp me niet verder bij mijn bespiegelingen, dat gezicht leek op een stel puzzelstukjes die wel goed in elkaar pasten, maar allemaal afkomstig waren uit andere puzzels. Een arts kwam me vertellen dat ik het ziekenhuis ging verlaten: ik was genezen, legde hij uit, ze konden niets meer voor me doen, ik werd nu ergens anders heen gestuurd om aan te sterken. Genezen! Wat een verbazingwekkend woord, ik wist niet eens dat ik een verwonding had opgelopen. Maar er bleek een kogel dwars door mijn hoofd te zijn gegaan. Door een toeval dat minder zeldzaam was dan meestal wordt gedacht, zo werd me geduldig uitgelegd, was ik niet alleen in leven gebleven, maar zou ik er ook geen nare gevolgen aan overhouden; de stijfte van mijn linkerhand was een lichte neurologische stoornis die nog een tijd zou blijven, maar dan toch ook zou verdwijnen. Ik vond het verbluffend, die precieze, wetenschappelijke informatie: mijn ongewone gewaarwordingen, die me zo mysterieus hadden toegeschenen, konden dus worden verklaard en rationeel toegelicht; maar zelfs al deed ik mijn best, het lukte me niet die gewaarwordingen te koppelen aan de rationele verklaring, die een nietszeggende, gezochte indruk op me maakte; als dit de rationaliteit was dan had ik haar, net als Luther had gedaan, willen uitschelden voor Hure; door de kalme, geduldige voorschriften van de artsen te volgen tilde de rationaliteit voor mij inderdaad haar rok omhoog en liet ze zien dat daaronder niets was. Ik had over haar hetzelfde kunnen zeggen als over mijn arme hoofd: een gat is een gat is een gat. De gedachte dat een gat ook een geheel kan zijn, zou niet in me zijn opgekomen. Nadat het verband was verwijderd, kon ik zelf constateren dat er bijna niets te zien was: een minuscuul rond litteken op mijn voorhoofd, net boven mijn rechteroog; achter op mijn schedel, nauwelijks zichtbaar naar men mij verzekerde, een bult; tussen het litteken en de bult waren nog wel sporen van het operatief ingrijpen, maar die werden aan het oog onttrokken door mijn haar, dat weer aan het groeien was. Volgens de artsen, die zo vertrouwden op hun wetenschap, liep er een gat dwars door mijn hoofd, een smalle, ronde schacht, een put als uit een fabel, gesloten, ontoegankelijk voor het denken, maar als dat waar was, dan kon toch niets meer hetzelfde zijn? Mijn denken over de wereld moest nu, rondom dat gat, opnieuw worden geordend. Maar het enige concrete dat ik kon zeggen was: ik ben wakker geworden, en niets zal ooit meer hetzelfde zijn. Terwijl ik over dit grote vraagstuk nadacht, kwamen ze me halen, ze legden me op een brancard in een ziekenwagen; een van de verpleegsters was zo vriendelijk geweest om het doosje met de medaille in mijn zak te stoppen, de medaille die ik van de Reichsführer had gekregen. Ze brachten me naar Pommeren, naar het eiland Usedom, waar ik terechtkwam in de buurt van Swinemünde; daar vlak langs het strand stond een rusthuis van de ss, een mooi, ruim gebouw; ik had een heel lichte kamer met uitzicht op zee en overdag kon ik me door een verpleegster in een rolstoel naar een groot raam laten duwen, om te kijken naar het trage, grijze water van de Oostzee, het schrille spel van de meeuwen, het koude natte zandstrand, dat bespikkeld was met steentjes. De gangen en zalen werden regelmatig schoongemaakt met fenol, ik hield van die scherpe, dubbelzinnige lucht, die me indringend herinnerde aan de pikante misstappen uit mijn puberteit; naar fenol roken ook de lange, bijna doorschijnend-blauwe handen van de verpleegsters, slanke blondines uit het Noorden, onder elkaar noemden de patiënten hen de Karbolmäuschen. Van die sterke geuren en gewaarwordingen kreeg ik weleens een erectie, die niets met mijzelf te maken leek te hebben en me daarom erg verbaasde; de verpleegster die me waste moest erom glimlachen en behandelde mijn gezwollen lid met dezelfde afstandelijkheid als de rest van mijn lichaam; soms hield de erectie aan, met berustend geduld; ik had niet de kracht om me af te trekken. Dat iedere dag de zon opging, vond ik al iets onverwachts en ongerijmds, iets volstrekt ondoorgrondelijks; een lichaam was voor mij nog veel te complex, ik moest stapje voor stapje vooruit.

Het beviel me uitstekend, zo’n geregeld leven op dat fraaie eiland, waar het koud en kaal was en de enige kleuren bestonden uit bleke grijs-, geel- en blauwtinten; de rotsen hadden net genoeg uitsteeksels om houvast te bieden tegen de wind, maar er waren er niet te veel, je liep niet het risico er je huid aan open te halen. Thomas kwam me opzoeken; hij bracht cadeaus voor me mee, een fles Franse cognac en een mooie gebonden uitgave van Nietzsche; maar ik mocht niet drinken en tot lezen was ik echt niet in staat geweest, de betekenis week terug, het alfabet lachte me uit; ik bedankte hem en borg zijn cadeaus in een la. Op de ene kraagspiegel van zijn elegante zwarte uniform prijkten nu behalve de vier van zilverdraad geborduurde ruiten ook twee strepen, en een chevron sierde het midden van zijn epauletten: hij was bevorderd tot ss-Obersturmbannführer, en ook ik was bevorderd, vertelde hij, de Reichsführer had het me bij het uitreiken van de medaille meegedeeld, maar dat detail was me ontgaan. Ik was nu een Duitse held, in Das Schwarze Korps was een artikel over mij verschenen; mijn onderscheiding, die ik nog nooit had bekeken, bleek het IJzeren Kruis, eerste klasse (ik had dus met terugwerkende kracht ook de tweede klasse gekregen). Ik had geen idee waaraan ik dit kon hebben verdiend, maar Thomas, monter en spraakzaam, was al volop aan het vertellen en nieuwtjes aan het debiteren: eindelijk was het zover dat Schellenberg, na Jost, hoofd van Amt vi was geworden, in Frankrijk had de Wehrmacht zich ontdaan van Best, die overigens door de Führer tot gevolmachtigde in Denemarken was benoemd; en de Reichsführer had na lange tijd besloten een opvolger van Heydrich te benoemen, namelijk Obergruppenführer Kaltenbrunner, de gekerfde reus die ik in mijn ziekenkamer aan zijn zijde had gezien. Zijn naam zei me hoegenaamd niets, ik wist dat hij hsspf-Donau was geweest en dat hij algemeen als een onbeduidende figuur werd beschouwd; Thomas daarentegen was opgetogen over deze keuze, Kaltenbrunner was een streekgenoot, sprak hetzelfde dialect als hij en had hem al uitgenodigd om samen te dineren. Thomas zelf was inmiddels benoemd tot plaatsvervangend Gruppenleiter van iv a, onder Panzinger, de plaatsvervanger van Müller. In feite interesseerden die details me nauwelijks, maar ik had weer geleerd beleefd te zijn en dus feliciteerde ik hem, want hij leek uiterst tevreden, zowel over zijn positie als over zichzelf. Met veel humor vertelde hij over de indrukwekkende manier waarop het Zesde Leger ten grave was gedragen; officieel had iedereen, van Paulus tot de laagste Gefreiter, gestreden tot de laatste ademtocht; in feite was er slechts één generaal, Hartmann, gesneuveld in de strijd, en had slechts één (Stempel) het raadzaam geacht om zelfmoord te plegen; de tweeëntwintig anderen, onder wie Paulus, waren uiteindelijk in sovjethanden gevallen. ‘Die worden gehersenspoeld,’ zei Thomas opgewekt. ‘Je zult het zien.’ Drie dagen lang hadden alle radiozenders van het Reich hun gebruikelijke programma’s gestaakt en alleen treurmuziek uitgezonden. ‘Het ergste was nog wel Bruckner. De Zevende. Voortdurend. Er was geen ontkomen aan. Ik dacht dat ik gek werd.’ Ook vertelde hij, maar dat deed hij bijna terloops, hoe ik hier terechtgekomen was: ik luisterde aandachtig en ben dus in staat het verhaal te reproduceren, maar nog minder dan de rest kon ik het in enig verband plaatsen, het bleef een verhaal, ongetwijfeld waar gebeurd maar toch een verhaal, niet veel meer dan een reeks van mysterieus en willekeurig geordende zinnen, geregeerd door een heel andere logica dan die welke me de mogelijkheid gaf om de zilte lucht van de Oostzee in te ademen, om als ik naar buiten werd gereden de wind op mijn gezicht te voelen, om lepels met soep van de kom naar mijn mond te brengen en om daarna, als het zover was dat de afvalstoffen weg moesten, mijn anus te openen. Volgens dat verhaal, dat ik hier ongewijzigd weergeef, zou ik me van Thomas en de anderen hebben verwijderd in de richting van de Russische linies, naar een gevaarlijke zone, zonder enige aandacht te besteden aan hun geschreeuw; voordat ze de mogelijkheid hadden om me terug te halen, klonk er een schot, niet meer dan één, en stortte ik neer. Ivan was zo dapper geweest zijn dekking te verlaten om mijn lichaam in veiligheid te stellen, en ook hij was beschoten, maar de kogel was door zijn mouw gegaan zonder hem te raken. Mij had het schot getroffen in mijn hoofd, en in dat opzicht stemde Thomas’ verhaal overeen met de verklaring van de arts in Hohenlychen; maar ik ademde nog, tot verbazing van degenen die zich om mij heen hadden verzameld. Ze hadden me naar een hulppost gedragen; de arts daar verklaarde dat hij niets voor me kon doen, maar omdat ik met taaie volharding bleef ademen, stuurde hij me door naar Goemrak, want daar was het beste operatieblok van de Kessel. Thomas had een voertuig gevorderd, me er zelf in gelegd en me vervolgens achtergelaten met het idee dat hij al het mogelijke had gedaan. Diezelfde avond was hem te verstaan gegeven dat hij zijn vertrek moest voorbereiden. Maar de volgende dag moest ook Goemrak, sinds de val van Pitomnik het voornaamste vliegveld, vanwege de Russische opmars worden ontruimd. Daarom ging hij naar Stalingradski, vanwaar nog een paar vliegtuigen vertrokken; hij moest wachten, bezocht om de tijd te doden het in tenten ondergebrachte noodlazaret, en daar vond hij mij, bewusteloos, met een verband om mijn hoofd, maar nog steeds luidruchtig ademend. In ruil voor een sigaret vertelde een verpleger hem dat ze me in Goemrak hadden geopereerd, het fijne wist hij er niet van, er was een woordenwisseling geweest en kort daarna was de chirurg trouwens gedood door een mortiergranaat die op het blok was gevallen, maar ik leefde nog steeds, en als officier had ik recht op een voorkeursbehandeling; bij de evacuatie hadden ze me in een auto gelegd en hierheen gebracht. Thomas had erop aangedrongen dat ik bij hem in het vliegtuig zou worden gelegd, maar daar waren de Feldgendarmen niet toe bereid, want mijn kaartje met daarop verwundeter was omrand met rood en dat betekende ‘ongeschikt voor vervoer’. ‘Ik kon niet wachten, mijn vliegtuig ging vertrekken. En ze begonnen ook weer te knallen. Op dat moment zag ik een kerel die flink was toegetakeld, maar die een gewoon kaartje droeg, en dat kaartje heb ik omgewisseld met het jouwe. Hij zou het hoe dan ook niet hebben gered. Daarna heb ik je met de andere gewonden aan de rand van de startbaan achtergelaten en ben vertrokken. Ze hebben je ingeladen in het volgende toestel, een van de allerlaatste. Je had in Melitopol hun gezichten moeten zien, toen ik daar aankwam. Niemand wilde me de hand drukken, uit angst voor luizen. Op Manstein na, die gaf iedereen een hand. Afgezien van mij waren er bijna alleen officieren van tankeenheden. En zo raar was dat niet, want de lijsten voor Milch waren opgesteld door Hube. Je kunt niemand vertrouwen.’ Ik zonk neer in de kussens en sloot mijn ogen. ‘Wie is er, behalve jij en ik, nog meer uit gekomen?’ – ‘Behalve jij en ik? Alleen Weidner, weet je nog? Van de Gestapostelle. Möritz had ook een evacuatiebevel gekregen, maar die is spoorloos verdwenen. We weten niet eens zeker of hij weg heeft kunnen komen.’ – ‘En die kleine? Die medewerker van jou, die door een granaatscherf was geraakt en daar zo blij om was?’ – ‘Vopel? Die was al geëvacueerd voordat jij gewond raakte, maar zijn Heinkel is bij het opstijgen neergeschoten door een Sturmovik.’ – ‘En Ivan?’ Hij haalde een zilveren sigarettenkoker tevoorschijn: ‘Mag ik roken? Ja? Ivan? Nou, die is daar gebleven uiteraard. Je denkt toch niet dat ze de plaats van een Duitser aan een Oekraïner zouden hebben afgestaan?’ – ‘Weet ik niet. Hij vocht toch ook aan onze kant.’ Hij nam een trek van zijn sigaret en zei glimlachend: ‘Jij doet aan misplaatst idealisme. Ik kan wel merken dat het schot in je hoofd je er niet verstandiger op heeft gemaakt. Je mag blij zijn dat je nog leeft.’ Blij dat ik nog leefde? Dat leek me even ongepast als het feit dat ik was geboren.

Dagelijks werden er in een gestage stroom gewonden binnengebracht: ze kwamen uit Koersk, Rostov, Charkov, uit alle steden die de Sovjets achtereenvolgens heroverden, en ook uit Kasserine; een kort gesprek met de nieuwkomers maakte veel meer duidelijk dan alle militaire communiqués. Die communiqués kwamen tot ons via kleine luidsprekers in de gemeenschappelijke ruimten, en werden altijd voorafgegaan door de opening van Bachs cantate Ein feste Burg ist unser Gott; maar de Wehrmacht gebruikte daarvoor de bewerking van Wilhelm Friedemann, de losbollige zoon van Johann Sebastian, die aan de verfijnde orkestpartij van zijn vader drie trompetten en een pauk had toegevoegd; ruim voldoende aanleiding, leek mij, om iedere keer als het stuk begon de zaal te ontvluchten, zodat ik me ook niet hoefde onder te dompelen in de vloed van sussende eufemismen die soms ruim twintig minuten aanhield. Ik was niet de enige die blijk gaf van een zekere weerzin tegen die communiqués; van een verpleegster die op zulke momenten vaak demonstratief in de weer was op een terras, had ik gehoord dat de omsingeling van het Zesde Leger bij de meeste Duitsers pas bekend was geworden toen ze hoorden dat het was vernietigd, hetgeen het geschokte moreel niet bijster had weten op te vijzelen. Voor de Volksgemeinschaft was dit niet zonder gevolgen gebleven; de mensen praatten erover en leverden openlijk kritiek; in München was zelfs een soort studentenrevolte uitgebroken. Dat laatste had ik natuurlijk niet op de radio gehoord en ook niet van de verpleegsters of patiënten, maar van Thomas, die in zijn nieuwe functie veel wist over dergelijke gebeurtenissen. Er waren subversieve pamfletten verspreid, defaitistische slogans op de muren gekalkt; de Gestapo had zich genoodzaakt gezien tot een krachtig ingrijpen en de raddraaiers, voor het merendeel jongeren die het niet erg helder meer zagen, waren al gevonnist en geëxecuteerd. Een van de neveneffecten van de catastrofe was ook, helaas, dat Dr. Goebbels weer rumoerig op de voorgrond van het politieke toneel stond; zijn oproep tot een totale oorlog, in het Sportpalast, had ons via de radio integraal bereikt, daar was geen ontkomen aan geweest; in een rusthuis van de ss werd dit soort zaken jammer genoeg serieus genomen.

De knappe jongemannen van de Waffen-ss die de slaapzalen vulden, waren er doorgaans deerniswekkend aan toe: vaak misten ze een stuk arm of been, soms zelfs een kaak; de stemming was niet altijd even vrolijk. Maar bijna allemaal hadden ze hun geloof in de Endsieg en hun verering voor de Führer behouden, zoals ik met belangstelling vaststelde, hoewel ze de feiten maar onder ogen hoefden te zien of een kaart hoefden te bestuderen om te gaan twijfelen. Zo waren niet alle Duitsers: op basis van feiten en kaarten begonnen sommigen heldere, objectieve conclusies te trekken; ik had daarover gepraat met Thomas, die me zelfs in bedekte termen te kennen had gegeven dat mensen als Schellenberg al nadachten over de logische consequenties van hun conclusies, en overwogen daarnaar te gaan handelen. Over dit alles praatte ik natuurlijk niet met mijn onfortuinlijke medepatiënten: het zou geen enkele zin hebben gehad hen te demoraliseren, hen lichtvaardig te beroven van wat het fundament van hun gehavende leven vormde. Mijn krachten keerden terug: ik kon me intussen zelf aankleden en alleen op het strand gaan wandelen, omgeven door de wind en de rauwe kreten van de meeuwen; mijn linkerhand voegde zich eindelijk weer naar mijn wil. Tegen het eind van de maand (dit alles speelde zich af in februari 1943) vroeg de geneesheer-directeur, na me te hebben onderzocht, of ik me in staat voelde het herstellingsoord te verlaten: de aanvoer was zo groot dat ze plaatsgebrek hadden, en ik zou toch ook bij familie kunnen herstellen. Ik legde vriendelijk uit dat een terugkeer in de schoot van mijn familie niet aan de orde was maar dat ik, als hij dat wenste, zou vertrekken om naar een hotel in de stad te gaan. Hij gaf me papieren mee waarin stond dat ik nog drie maanden verlof had. Ik nam dus de trein en reed naar Berlijn. Daar huurde ik een kamer in een goed hotel, hotel Eden in de Budapester Strasse: een ruime suite bestaande uit een zitkamer, een slaapkamer en een mooie betegelde badkamer; hier was het warme water niet op rantsoen en dagelijks liet ik me in bad glijden, waar ik een uur later knalrood uit stapte om me naakt en met een hevig kloppend hart op bed te laten vallen. Er was ook een openslaande deur naar een smal balkon met uitzicht op de Zoo: ’s morgens, wanneer ik opstond en mijn thee dronk, keek ik hoe de verzorgers hun ronde deden en de beesten te eten gaven, een ritueel dat ik met veel genoegen gadesloeg. Natuurlijk, het was een dure manier van wonen, maar ik had in één keer mijn soldij van de afgelopen eenentwintig maanden ontvangen; met de toeslagen erbij was dat een leuk bedrag, en ik mocht wel wat uitgeven om mezelf plezierige omstandigheden te verschaffen. Bij Thomas’ kleermaker bestelde ik een prachtig zwart uniform, waarop ik mijn nieuwe Sturmbannführer-galons liet naaien en mijn eretekenen bevestigde (naast het IJzeren Kruis en het Kruis voor Oorlogsverdienste had ik ook een paar minder belangrijke gekregen: voor mijn verwonding, voor de veldtocht in de winter van ’41-’42, met enige vertraging dus, en een medaille van de nsdap die vrijwel iedereen kreeg); ofschoon ik niet zo’n fanatieke liefhebber van uniformen was, moest ik toch toegeven dat ik er piekfijn uitzag, en het was een plezier om zo te flaneren door de stad, mijn pet een beetje schuin, mijn handschoenen achteloos in de hand; wie zou bij mijn aanblik hebben gedacht dat ik eigenlijk maar een kantoormannetje was? Sinds mijn vertrek was het aanzicht van de stad wel wat veranderd. Overal werd ze ontsierd door de beschermende maatregelen die tegen de luchtaanvallen van de Engelsen waren getroffen: over de Oost-West-As was vanaf de Brandenburger Tor tot aan het eind van Tiergarten een reusachtige circustent gespannen, bestaande uit camouflagenetten vol lappen stof en sparrentakken, die de laan zelfs midden op de dag verduisterden; het bladgoud van de Overwinningszuil was vervangen door lelijke bruine verf en netten; op de Adolf-Hitler-Platz en ook elders waren namaakgebouwen neergezet, reusachtige toneeldecors waar de auto’s en trams onderdoor reden; en in de buurt van mijn hotel verhief zich boven de Zoo een fantastische constructie, die afkomstig leek uit een nachtmerrie: een immens middeleeuws fort van beton, waar vuurmonden uit staken bedoeld om mens en dier te beschermen tegen de Britse Luftmörder: ik wilde dat wanstaltige gevaarte weleens in actie zien. Overigens dient te worden gezegd dat de luchtaanvallen de bevolking in die periode al wel behoorlijk beangstigden, maar in het niet vielen bij wat er daarna nog zou komen. Vrijwel alle goede restaurants waren wegens algehele mobilisatie gesloten; Göring had weliswaar geprobeerd Horcher, zijn favoriete eetgelegenheid, te beschermen, en er bewaking bij laten zetten, maar Goebbels had, in zijn kwaliteit van Gauleiter van Berlijn, een spontane demonstratie van volkswoede georganiseerd, waarbij alle ruiten waren verbrijzeld; en Göring had moeten zwichten. Thomas en ik waren niet de enigen die ons over dit voorval vrolijk maakten: bij gebrek aan een ‘Stalingrad-dieet’ zou enige soberheid de Reichsmarschall geen kwaad doen. Gelukkig kende Thomas besloten clubs waar de nieuwe voorschriften niet op van toepassing waren: je kon je daar uitgebreid te goed doen aan kreeft en oesters, die duur moesten worden betaald, maar niet gerantsoeneerd waren, en er champagne bij drinken, die in Frankrijk zelf aan beperkende maatregelen onderworpen was, maar in Duitsland niet; jammer genoeg waren vis en bier niet te krijgen. Soms heerste er in zo’n gelegenheid, tegen de achtergrond van de algehele toestand, een opmerkelijke sfeer: in het Vergulde Hoefijzer stond een zwarte vrouw achter de bar en konden de vrouwelijke gasten op een kleine piste paardrijden om hun benen te laten zien; in de Jockey Club speelde het orkest Amerikaanse muziek; dansen kon niet, maar de bar was er nog steeds getooid met foto’s van Hollywoodsterren, waaronder zelfs een van Leslie Howard.

Al gauw merkte ik dat de vrolijkheid die me bij aankomst in Berlijn had overvallen, aan de oppervlakte bleef steken; daaronder brokkelde alles af. Ik was naar mijn gevoel veranderd in een brosse substantie, die bij het minste zuchtje uit elkaar kon vallen. Waar ik ook keek, overal drong het schouwspel van het gewone leven zich pijnlijk aan me op, de mensenmassa in de tram, de lach van een elegante vrouw, het tevreden gefrommel aan een krant, steeds was het of ik me sneed aan een scherp stuk glas. Het gat dat zich in mijn voorhoofd had geboord, was naar mijn gevoel een derde oog geworden, een pineaal oog dat zich niet naar de zon wendde, niet in staat was om het verblindend licht van de zon te aanschouwen maar op de duisternis was gericht, begiftigd met het vermogen om de dood recht in het gezicht te kijken en dat gezicht ook te ontwaren onder elk gezicht van vlees, onder de glimlach, dwars door een volledig blanke en gezonde huid, diep in de vrolijkste ogen. De ramp was al gaande en ze merkten het niet, want een ramp is de gedachte aan de naderende ramp, die alles voortijdig vernietigt. Rust ken je eigenlijk alleen in de eerste negen maanden, bleef ik mezelf met vergeefse verbittering voorhouden, en na die negen maanden jaagt de aartsengel met het vlammende zwaard je voorgoed door de poort waarop staat Lasciate ogni speranza en dan wil je nog maar één ding, achteruit, terug, terwijl de tijd je juist onbarmhartig voorwaarts drijft en er aan het eind niets maar dan ook niets meer is. Deze gedachten waren verre van origineel, ze konden opkomen bij de eenvoudigste soldaat, die ergens op de besneeuwde vlakten van het Oosten, luisterend naar de stilte, weet dat de dood nabij is, en de onmetelijke kostbaarheid beseft van elke ademtocht, elke hartenklop, van de koude, snijdende geur van de lucht, het wonder van het daglicht. Maar de afstand ten opzichte van het front is als een morele vetlaag, en de aanblik van die zelfvoldane mensen benam me soms de adem, dan wilde ik het uitschreeuwen. Ik ging naar de kapper: en daar voor de spiegel, plotseling en onverklaarbaar, kwam de angst. De salon was een witte ruimte, schoon, steriel, modern, ingehouden chic: op de andere stoelen zaten nog een paar klanten. De kapper had een lange, zwarte mantel om mij heen gedrapeerd en daaronder klopte mijn hart als een razende, zonken mijn ingewanden weg in een klamme kou, verspreidde de paniek zich door mijn lichaam, prikten mijn vingertoppen. Ik bestudeerde mijn gezicht: het zag er rustig uit, maar achter die rust had de angst alles weggevaagd. Ik sloot mijn ogen. ‘Snip, snip’, klonk in mijn oren de kleine schaar van de geduldig knippende kapper. Op de terugweg dacht ik: ja, blijf tegen jezelf zeggen dat alles goed komt, je weet nooit, misschien kun je jezelf uiteindelijk nog overtuigen. Maar het lukte niet, ik wankelde zonder houvast rond. Overigens had ik geen van de lichamelijke symptomen die me in de Oekraïne en in Stalingrad hadden geplaagd: ik had geen last van misselijkheid, hoefde niet te braken, mijn spijsvertering functioneerde goed. Alleen liep ik op straat naar mijn gevoel over glas, dat ieder moment onder mijn voeten kon barsten. Het leven vergde een ononderbroken aandacht voor de dingen om me heen, en dat putte me uit. In een rustig straatje bij het Landwehrkanal zag ik op de vensterbank van een benedenraam een lange vrouwenhandschoen van blauw satijn liggen. Zonder nadenken pakte ik de handschoen in het voorbijgaan op. Ik wilde hem passen; hij was natuurlijk te klein, maar het satijn voelde opwindend aan. Ik stelde me de hand voor die de handschoen had gedragen: de gedachte maakte me onrustig. Ik wilde die handschoen niet bij me houden, maar om me ervan te ontdoen had ik een ander raam nodig, met een smeedijzeren staaf boven de vensterbank en bij voorkeur in een oud appartementengebouw; in deze straat waren echter alleen winkeltjes, met zwijgende, in zichzelf gekeerde voorgevels. Uiteindelijk vond ik vlak voor mijn hotel het geschikte raam. De luiken waren dicht; als een offergave deponeerde ik de handschoen voorzichtig midden op de vensterbank. Twee dagen later waren de luiken nog steeds dicht en lag daar nog steeds de handschoen, als een duister, heimelijk teken, dat ongetwijfeld probeerde mij iets duidelijk te maken, maar wat?

Thomas moest wel iets vermoeden van de stemming waarin ik verkeerde, want na de eerste dagen belde ik hem niet meer op en ging ik niet meer met hem uit eten; eerlijk gezegd dwaalde ik liever door de stad, keek vanaf mijn balkon naar de leeuwen, giraffen en olifanten in de Zoo of lag in mijn luxueuze badkuip schaamteloos het warme water te verspillen. In een prijzenswaardig streven om mij wat afleiding te bezorgen stelde Thomas voor dat ik eens uit zou gaan met een jonge vrouw, een secretaresse van de Führer die haar verlof doorbracht in Berlijn en er maar weinig mensen kende; uit hoffelijkheid wilde ik niet weigeren. Ik nam haar mee naar hotel Kempinski om daar te dineren: ook al waren de gerechten met idiote, patriottische namen getooid, de keuken was nog steeds uitstekend, en vanwege mijn onderscheidingen werd ik niet lastiggevallen met rantsoeneringsverhalen. De jonge vrouw, een zekere Grete V., stortte zich gulzig op de oesters en liet de ene na de andere tussen haar tanden naar binnen glijden: blijkbaar was het eten in Rastenburg niet geweldig. ‘Dat mag u rustig zeggen!’ riep ze uit. ‘Gelukkig hoeven we niet hetzelfde te eten als de Führer.’ Ik schonk wijn voor haar bij en intussen vertelde ze dat Zeitzler, de nieuwe stafchef van het okh, uit verontwaardiging over Görings grove leugens aangaande de bevoorrading van de Kessel vanuit de lucht, in december was begonnen zich in het casino, voor het oog van alle aanwezigen, hetzelfde rantsoen te laten voorzetten als de soldaten van het Zesde Leger kregen toebedeeld. Hij was zienderogen vermagerd en de Führer had hem moeten dwingen om ‘dat ziekelijke vertoon’ te staken; wel was er een verbod gekomen op champagne en cognac. Terwijl zij aan het woord was, sloeg ik haar gade: ze zag er nogal vreemd uit. Haar kaak was krachtig en langgerekt; haar gezicht wilde graag normaal zijn maar leek een zwaar en verborgen verlangen te maskeren, dat naar buiten drong in de bloedrode streep van haar lippenstift. Ze gebaarde druk met haar handen, de vingers rood door een slechte bloedsomloop; ze had fijne, knokige, spitse gewrichten als van een vogel; in de linkerpols waren vreemde tekens gekerfd, als de sporen van een armband of snoer. Ik vond haar elegant en levendig, maar een gedempte onoprechtheid hing als een sluier om haar heen. Toen de wijn haar spraakzaam maakte, begon ik vragen te stellen over het leven dat de Führer in zijn kleine kring van vertrouwelingen leidde, en die vragen beantwoordde ze met een verrassend gebrek aan schroom. Iedere avond voerde hij urenlang het woord en zijn monologen zaten zo vol herhalingen, waren zo vervelend, zo steriel, dat de secretaresses, de adjudanten en andere personeelsleden een rouleersysteem hadden opgezet om er niet altijd naar te hoeven luisteren: wie aan de beurt was, kon pas in de vroege ochtend naar bed. ‘Hij is natuurlijk een genie,’ vervolgde ze, ‘hij is de redder van Duitsland, maar die oorlog put hem uit.’ ’s Avonds rond vijf uur, na de serieuze besprekingen maar vóór het diner, de films en de avondthee, dronk hij koffie met de secretaresses, en dan, met alleen vrouwen om zich heen, was hij veel hartelijker, althans vóór Stalingrad; dan schertste hij, plaagde hij de meisjes en werd er niet over politiek gepraat. ‘Flirt hij met jullie?’ vroeg ik geamuseerd. Ze keek ernstig: ‘O nee, nooit!’ Ze vroeg mij naar Stalingrad; ik gaf een brute, sarcastische beschrijving, waar ze zich eerst tranen om lachte, maar vervolgens zo slecht van op haar gemak raakte dat ze het verhaal afkapte. Ik vergezelde haar terug naar haar hotel in de buurt van het Anhalter Bahnhof; ze nodigde me uit om op haar kamer nog een glas te drinken, maar ik bedankte vriendelijk; er waren grenzen aan mijn hoffelijkheid. Nauwelijks had ik afscheid genomen of een koortsige onrust overviel me: wat had het voor zin om zo mijn tijd te verdoen? Wat interesseerden mij die kletspraatjes over onze Führer, dat geklep uit zijn naaste omgeving? Wat had het voor zin om zo op te scheppen tegenover een beschilderd mokkel dat eigenlijk maar één ding van me wilde? Rust was voor mij beter. Maar zelfs in mijn hotel, hoe chic ook, was de rust ver te zoeken: op de verdieping onder mij werd luidruchtig gefeest, de muziek, het geschreeuw en gelach drongen door het plafond heen en bestookten me. Terwijl ik in het donker op mijn bed lag, gingen mijn gedachten uit naar de soldaten van het Zesde Leger: het was op dat moment begin maart, de laatste eenheden hadden zich al ruim een maand geleden overgegeven; de overlevenden, gesloopt door het ongedierte en de koorts, moesten nu, terwijl ik moeizaam de nachtlucht van Berlijn inademde, op weg zijn naar Siberië of Kazachstan, en voor hen was er geen muziek, geen gelach, en een heel ander soort geschreeuw. En zij waren niet de enigen, overal was het zo, de hele wereld kronkelde van de pijn, en dan konden de mensen toch geen lol gaan maken, althans niet meteen, ze moesten fatsoenshalve nog even wachten totdat er enige tijd verstreken was. Een walmende, boosaardige angst steeg in me omhoog en verstikte me. Ik kwam overeind, zocht in de la van het bureau, pakte mijn dienstpistool, controleerde of het geladen was, borg het weer weg. Ik keek op mijn horloge: twee uur in de nacht. Ik trok mijn uniformjasje aan (ik had me nog niet uitgekleed) en liep zonder het dicht te knopen naar beneden. Bij de receptie vroeg ik of ik de telefoon mocht gebruiken en ik belde naar Thomas, in zijn huurappartement: ‘Het spijt me dat ik je zo laat nog stoor.’ – ‘Geeft niet. Wat is er?’ Ik vertelde hem van mijn moordneigingen. Tot mijn verbazing reageerde hij niet ironisch maar uiterst serieus: ‘Het is normaal dat je zo reageert. Rotzakken zijn het, die lui, profiteurs. Maar als je ze overhoopschiet, krijg je problemen.’ – ‘Wat moet ik dan doen, volgens jou?’ – ‘Ga met ze praten. Als ze lawaai blijven maken, doen we aangifte. Ik haal er vrienden bij.’ – ‘Goed, ik ga erheen.’ Ik legde de hoorn neer en liep de trap op tot de etage onder die van mij; moeiteloos vond ik de goede deur en ik klopte. Een knappe, rijzige vrouw deed open, haar ogen schitterden, haar avondkleding zat wat slordig: ‘Ja?’ Achter haar schalde de muziek, ik hoorde klinkende glazen, uitbundig gelach. ‘Is dit uw kamer?’ vroeg ik met kloppend hart. – ‘Nee. Een ogenblikje.’ Ze draaide zich om: ‘Dicky! Dicky! Een officier wil je spreken.’ Er kwam een aangeschoten man naar me toe, in smoking; met onverholen nieuwsgierigheid bleef de vrouw naar ons staan kijken. ‘Ja, Herr Sturmbannführer,’ zei hij. ‘Wat kan ik voor u doen?’ Zijn geaffecteerde, vriendelijke stem, die slecht te verstaan was, verried de aristocraat van oude familie. Ik maakte een lichte buiging en begon op zo neutraal mogelijke toon: ‘Ik zit in de kamer boven die van u. Ik ben net terug uit Stalingrad, waar ik zwaar gewond ben geraakt en waar vrijwel al mijn kameraden zijn gesneuveld. Dat feestelijk gedoe van u stoort mij. Aanvankelijk wilde ik naar u toe om u te vermoorden, maar ik heb gebeld met een vriend, die me adviseerde eerst met u te gaan praten. Dus hier ben ik, om met u te praten. Het zou voor ons allemaal beter zijn als ik niet nog eens hoef te komen.’ De man was bleek geworden: ‘Nee, nee...’ Hij draaide zich om: ‘Gofi! Zet de muziek af! Afzetten!’ Toen keek hij weer naar mij: ‘Neemt u ons niet kwalijk. We stoppen meteen.’ – ‘Dank u.’ Terwijl ik met een vaag gevoel van voldoening naar boven liep, hoorde ik hem roepen: ‘Iedereen eruit! Dit was het. Opgehoepeld!’ Ik had bij hem een zenuw geraakt, en dat was geen kwestie van angst: ook hij had het ineens begrepen en zich geschaamd. In mijn kamer heerste nu volkomen rust; het enige wat ik af en toe nog hoorde was een passerende auto en het getrompetter van een slapeloze olifant. Toch bleef ik onrustig: mijn optreden van daarnet zag ik als een soort toneelstuk voor me, voortgekomen uit een oprecht, verborgen gevoel, maar vervolgens vervormd geraakt, afgezwenkt naar een zucht tot vertoon, naar een banale actie. En daar lag juist het probleem: als ik voortdurend zo naar mezelf bleef kijken, met die blik van buiten, die kritische camera, hoe zou ik dan ooit nog een authentieke opmerking kunnen maken, een waarachtige daad kunnen verrichten, hoe klein ook? Alles wat ik deed werd voor mezelf een schouwspel; zelfs deze bespiegelingen waren alleen maar weer een manier om mezelf te bestuderen, als een arme Narcissus die aanhoudend tegenover zichzelf een mooie rol speelde en daar maar niet in wilde trappen. Dit was de impasse waarin ik aan het eind van mijn kindertijd terechtgekomen was: daarvóór was alleen Una in staat geweest me uit mezelf te trekken, te zorgen dat ik mezelf een beetje vergat, en sinds ik haar kwijt was bleef ik maar naar mezelf kijken, met een blik die in gedachte versmolt met de hare, maar in feite onherroepelijk de mijne bleef. Zonder jou ben ik niet ik: en dat, dat was pure, dodelijke ontzetting, die niets te maken had met de verrukkelijke gevoelens van ontzetting uit de kinderjaren, het was een vonnis waartegen geen beroep mogelijk was en waarover zelfs geen rechter zich had uitgesproken.

Het was ook in die eerste dagen van maart 1943 dat ik door Dr. Mandelbrod werd uitgenodigd op de thee. Mandelbrod en zijn compagnon, Herr Leland, kende ik al geruime tijd. Vroeger, na de Eerste Wereldoorlog – en misschien zelfs al eerder, maar dat kan ik op geen enkele manier nagaan –, had mijn vader voor hen gewerkt (ook mijn oom was blijkbaar weleens voor hen actief geweest). De verstandhouding, dat was mij gaandeweg duidelijk geworden, ging verder dan de simpele betrekkingen tussen werkgever en werknemer: nadat mijn vader was verdwenen, hadden Dr. Mandelbrod en Herr Leland mijn moeder geholpen bij haar naspeuringen, en misschien hadden ze haar ook financieel gesteund, maar dat is minder zeker. Ze waren in mijn leven een rol blijven spelen; toen ik in 1934 op het punt stond om met mijn moeder te breken en naar Duitsland te gaan, had ik contact gezocht met Mandelbrod, die al een hele tijd een gerespecteerde figuur was binnen de Beweging; hij moedigde mij aan, bood aan me te helpen; hij was ook degene die me stimuleerde mijn studie voort te zetten, maar dan in Duitsland, niet meer in Frankrijk, en hij zorgde dat ik ingeschreven werd in Kiel en tevens bij de ss. Ondanks zijn joods klinkende naam was hij, net als minister Rosenberg, een zuivere Duitser van oude, Pruisische oorsprong, met misschien een druppel Slavisch bloed; Herr Leland was van Britse herkomst, maar vanwege zijn germanofiele overtuigingen had hij zijn vaderland lang voor mijn geboorte vaarwel gezegd. Het waren industriëlen, maar hun precieze positie was moeilijk te omschrijven. Ze zaten in verscheidene raden van bestuur, met name in die van ig Farben, en participeerden financieel in nog andere ondernemingen, al werden hun namen met geen daarvan in het bijzonder in verband gebracht; ze zouden grote invloed hebben binnen de chemie (beiden bekleedden hoge posten in de Reichsgruppe voor de chemische industrie) alsook in de metaalsector. Bovendien hadden ze al sinds de Kampfzeit nauwe contacten met de Partij, waaraan ze van meet af aan hun financiële steun hadden gegeven; volgens Thomas, met wie ik voor de oorlog een keer over hen had gepraat, bekleedden ze functies binnen de Führer-kanselarij, maar zonder volledig ondergeschikt te zijn aan Philipp Bouhler; ook hadden ze toegang tot de hoogste regionen van de Partijkanselarij. De Reichsführer-ss ten slotte had hen beiden tot honorair ss-Gruppenführer benoemd en hen opgenomen in de Freundeskreis Himmler; maar, zo beweerde Thomas raadselachtig, daarmee had de ss nog volstrekt geen vat op hen; als er al van invloed sprake was, dan ging die veeleer in omgekeerde richting. Hij had zich erg geïmponeerd getoond toen ik over mijn contact met die twee had verteld, hij leek zelfs lichtelijk jaloers dat ik zulke beschermers had. Overigens was hun belangstelling voor mijn carrière niet altijd even groot geweest: nadat ik vanwege mijn rapport uit 1939 min of meer op een zijspoor was gezet, had ik pogingen ondernomen om hen te ontmoeten; maar dat was in een stormachtige periode, het duurde maanden voor ik antwoord kreeg en pas ten tijde van de inval in Frankrijk nodigden ze me uit voor een diner: Herr Leland had zoals gewoonlijk niet veel gezegd en Dr. Mandelbrod had zich vooral op de politieke situatie gericht; mijn werk was niet ter sprake gebracht en zelf had ik het onderwerp niet durven aanroeren. Daarna had ik hen niet meer gezien. De uitnodiging van Mandelbrod overviel me dus: wat zou hij van me willen? Voor de gelegenheid hulde ik me in mijn nieuwe uniform met al mijn onderscheidingstekens. Hun privékantoor lag op de bovenste twee verdiepingen van een fraai gebouw langs Unter den Linden, naast de Academie van Wetenschappen en het hoofdkantoor van de Reichsvereinigung Kohle, de kolenorganisatie waar ze ook al een rol in speelden. Bij de ingang hing geen naambord. In de hal werden mijn papieren gecontroleerd door een jonge vrouw die haar lange, kastanjebruine haar strak naar achteren had getrokken en antracietkleurige kleding droeg, zonder insignes, maar gemodelleerd als een uniform, met een mannenbroek en laarzen in plaats van een rok. Mijn papieren werden blijkbaar in orde bevonden, ik mocht met haar meelopen naar een privélift, die ze in werking stelde met een sleuteltje dat aan een lang snoer om haar hals hing, en zonder iets te zeggen vergezelde ze me naar de bovenste etage. Hier was ik nog nooit geweest: in de jaren dertig hadden ze een ander adres en bovendien ontmoette ik hen meestal in een restaurant of in een van de grote hotels. De lift kwam uit in een grote ontvangstruimte met meubels van hout en donker leer en hier en daar, elegant en onopvallend, decoratieve elementen van glanzend tin en ondoorschijnend glas. Daar liet de vrouw me achter; een andere vrouw, eender gekleed, nam mijn jas aan en hing die in een vestiaire. Ook verzocht ze me om mijn dienstwapen, dat ze met verbazende vanzelfsprekendheid in haar mooie, zorgvuldig gemanicuurde vingers hield en opborg in een la, die ze op slot deed. Ik hoefde niet te wachten, ze leidde me naar binnen via een gecapitonneerde dubbele deur. Aan de andere kant van een immens vertrek zat Dr. Mandelbrod, achter een breed bureau van roodglanzend mahoniehout, zijn rug naar een hoog raam waarvan het glas eveneens ondoorschijnend was en dat een bleek, melkachtig schijnsel binnenliet. Hij leek nog corpulenter dan bij onze laatste ontmoeting. Verscheidene katten bewogen zich over de tapijten, lagen te slapen op de leren meubels en op zijn bureau. Met zijn worstvingers wees hij naar een sofa links, die naast een lage tafel stond: ‘Dag, dag. Ga zitten, ik kom.’ Ik had nooit begrepen hoe uit al die vetlagen zo’n mooie, melodieuze stem kon opklinken; iedere keer weer verbaasde me dat. Met mijn pet onder de arm liep ik het vertrek door en ging zitten op de aangewezen plaats, daarbij een deels witte, deels cyperse kat verdrijvend, die me dat niet euvel duidde maar onder de tafel glipte om zich ergens anders te installeren. Ik keek om me heen: alle muren waren met leer gecapitonneerd, en afgezien van een paar decoratieve elementen, vergelijkbaar met die in de ontvangstruimte, was er geen enkele opsmuk: geen schilderijen of foto’s, zelfs geen portret van de Führer. Wel bestond het blad van de lage tafel uit een schitterend mozaïek, een complex labyrint van kostbaar hout, beschermd door een dikke glasplaat. Alleen de kattenharen op de meubels en tapijten ontsierden deze ingetogen, gedempte entourage. Er hing een enigszins onaangename lucht. Een van de katten wreef zich spinnend en met zijn staart omhoog tegen mijn laarzen; ik probeerde het dier met mijn voet weg te duwen, maar dat haalde niets uit. Mandelbrod moest intussen op een verborgen knop hebben gedrukt: in de muur rechts van zijn bureau ging een vrijwel onzichtbare deur open en daar was een derde vrouw, net zo gekleed als de andere twee, maar met helblond haar. Ze posteerde zich achter Mandelbrod, trok hem weg van zijn bureau, draaide hem een kwartslag en duwde hem in mijn richting. Ik stond op. Mandelbrod was inderdaad nog dikker geworden; terwijl hij voorheen een gewone rolstoel had, bevond hij zich nu op een ontzaglijke, ronde zetel die op een klein platform stond, waar hij troonde als een enorme oosterse god, een kalme kolos. De vrouw duwde de zware constructie zonder zichtbare inspanning voort, waarschijnlijk dankzij een elektrische aandrijving die ze bediende. Ze zette het gevaarte voor de lage tafel, waar ik omheen liep om hem de hand te drukken; hij beroerde licht mijn vingertoppen, terwijl de vrouw vertrok zoals ze was gekomen. ‘Ga zitten alsjeblieft,’ prevelde hij met zijn fraaie stem. Hij droeg een bruin kostuum van dikke wollen stof; zijn stropdas verdween onder een plastron van vlees dat van zijn hals naar beneden hing. Onder hem klonk een onbeschaafd geluid en een weerzinwekkende geur bereikte me; ik deed mijn best om geen spier te vertrekken. Tegelijkertijd sprong er een kat op zijn knieën en hij niesde, begon de kat te aaien en niesde weer: elke nies kwam als een kleine explosie, waar de kat iedere keer weer van overeind schoot. ‘Ik ben allergisch voor die arme schepseltjes,’ snoof hij, ‘maar ik heb ze zo graag.’ Daar was de vrouw weer, nu met een dienblad: met een gelijkmatige, vaste pas liep ze naar ons toe, zette een theestel op de lage tafel, bevestigde een plateautje aan de armleuning van Mandelbrods zetel, schonk ons ieder een kopje in en verdween weer, en dat alles deed ze even onnadrukkelijk, even geluidloos als de katten. ‘Daar is suiker en melk,’ zei Mandelbrod. ‘Bedien jezelf, ik hoef niet.’ Even nam hij me onderzoekend op: in zijn kleine, bijna in de vetplooien verzonken oogjes fonkelden olijke lichtjes. ‘Je bent veranderd,’ stelde hij vast. ‘Het Oosten heeft je goedgedaan. Je bent gerijpt. Je vader zou trots zijn geweest.’ Die woorden raakten me: ‘Denkt u?’ – ‘Zeker. Je hebt voortreffelijk werk geleverd: zelfs de Reichsführer heeft nota genomen van je rapporten. Hij heeft ons het album laten zien dat je in Kiev hebt laten maken: je superieur wilde de totstandkoming daarvan geheel op zijn eigen conto schrijven, maar wij wisten dat het idee van jou afkomstig was. Goed, dat was een kleinigheid, maar de rapporten die je hebt geschreven, vooral in de laatste maanden, waren uitstekend. Naar mijn mening heb je een prachtige toekomst voor je.’ Hij zweeg en bekeek me aandachtig. ‘Hoe gaat het me je verwonding?’ vroeg hij na een poos. – ‘Goed, Herr Doktor. Die is genezen, ik moet alleen nog wat rust houden.’ – ‘En daarna?’ – ‘Dan hervat ik mijn werk, uiteraard.’ – ‘En wat denk je te gaan doen?’ – ‘Ik weet het nog niet precies. Het hangt ervan af wat me wordt voorgesteld.’ – ‘Het hangt alleen van jou af, je hebt de voorstellen voor het kiezen. Als je de juiste keuze maakt, zullen de deuren voor je opengaan, wees daarvan overtuigd.’ – ‘Wat hebt u in gedachte, Herr Doktor?’ Traag hief hij zijn kopje, blies in de thee en begon te slurpen. Ook ik nam een slok. ‘Ik meen te weten dat je je in Rusland vooral hebt beziggehouden met de joodse kwestie, zo is het toch?’ – ‘Ja, Herr Doktor,’ antwoordde ik, lichtelijk gegeneerd. ‘Maar ook wel met andere dingen.’ Mandelbrod praatte al door, met zijn gelijkmatige, melodieuze stem: ‘In de positie waarin je je bevond, was je ongetwijfeld niet in staat je een idee te vormen van de reikwijdte van het probleem, noch van de reikwijdte van de oplossing die daarvoor is uitgewerkt. Je zult wel geruchten hebben gehoord: die zijn waar. Sinds eind 1941 is de oplossing van toepassing verklaard op alle landen van Europa, binnen de grenzen van het mogelijke. In het voorjaar van 1942 is het programma in gang gezet. We hebben al aanzienlijke successen geboekt, maar we zijn nog lang niet klaar. Daarvoor hebben we energieke, toegewijde mannen nodig zoals jij.’ Ik voelde dat ik een kleur kreeg: ‘Ik dank u voor uw vertrouwen, Herr Doktor. Maar ik moet u zeggen: dat aspect van mijn werk heb ik als buitengewoon moeilijk ervaren, het ging mijn krachten te boven. Ik zou mij nu graag willen wijden aan een taak die beter past bij mijn talenten en kennis, het constitutionele recht bijvoorbeeld, of anders de juridische betrekkingen met de andere Europese landen. De opbouw van het nieuwe Europa vind ik als werkterrein buitengewoon aantrekkelijk.’ Terwijl ik me zo liet meeslepen, had Mandelbrod zijn thee opgedronken; de blonde amazone was weer verschenen en door het vertrek gelopen, had opnieuw thee voor hem ingeschonken en was vertrokken. Mandelbrod dronk van zijn tweede kopje. ‘Ik begrijp je aarzelingen,’ zei hij ten slotte. ‘Waarom zou je onaangename taken op je nemen als er anderen zijn die dat kunnen doen? Het is de geest van de tijd. In de vorige oorlog was dat anders. Hoe moeilijker of gevaarlijker een opdracht was, hoe meer mannen zich verdrongen om die uit te voeren. Je vader, bijvoorbeeld, huldigde de opvatting dat de moeilijkheidsgraad al reden genoeg was om iets te doen, en het perfect te doen. Je grootvader was een man van hetzelfde kaliber. De Duitsers van nu zinken weg in weekheid, besluiteloosheid en compromissen, ondanks alle inspanningen van de Führer.’ De verkapte belediging kwam aan als een oorvijg; maar iets anders wat hij had gezegd vond ik belangrijker: ‘Neemt u mij niet kwalijk, Herr Doktor, maar mag ik hieruit opmaken dat u mijn grootvader hebt gekend?’ Mandelbrod zette zijn kopje neer: ‘Natuurlijk. Ook hij heeft voor ons gewerkt, toen we pas begonnen waren. Een opmerkelijke man.’ Hij strekte een papperige hand uit naar het bureau. ‘Ga daar eens kijken.’ Ik gehoorzaamde. ‘Zie je die leren aktentas? Breng maar hier.’ Ik liep naar hem terug en overhandigde hem de tas. Hij zette het ding op zijn knieën, maakte het open en haalde er een foto uit, die hij mij aangaf. ‘Kijk.’ Het was een oude, enigszins verschoten sepiafoto: drie figuren naast elkaar, tegen de achtergrond van tropische bomen. De vrouw in het midden had een poppengezichtje met ronde, meisjesachtige trekken; de twee mannen waren in lichte zomerpakken: de linker had een smal, wijkend gezicht en een lok over zijn voorhoofd, hij droeg een stropdas; de boord van de man rechts stond open en zijn gezicht was hoekig, als gegraveerd in kostbare steen; zelfs de getinte brillenglazen slaagden er niet in de vrolijke en tegelijk wrede intensiteit van zijn blik te verbergen. ‘Welk van de twee is mijn grootvader?’ vroeg ik, gefascineerd en ook beklemd. Mandelbrod wees op de man met de stropdas. Nog eens bestudeerde ik zijn voorkomen: in tegenstelling tot zijn metgezel had hij een ontoegankelijke, bijna doorschijnende blik. ‘En de vrouw?’ vroeg ik nog, al kon ik het wel raden. – ‘Dat is je grootmoeder. Ze heette Eva. Een geweldige, prachtige vrouw.’ Zelf kende ik geen van beiden: mijn grootmoeder was lang voor mijn geboorte gestorven, en van de schaarse bezoeken die ik als klein jongetje aan mijn grootvader had gebracht, kon ik me niets herinneren. Hij was gestorven kort nadat mijn vader was verdwenen. ‘En wie is dan de andere man?’ Mandelbrod schonk me een engelachtige glimlach. ‘Je hebt geen idee?’ Ik keek naar hem. ‘Dat kan toch niet!’ riep ik uit. Hij bleef glimlachen: ‘Hoezo? Je denkt toch niet dat ik er altijd zo uitgezien heb?’ Verward stamelde ik: ‘Nee, nee, dat bedoelde ik niet, Herr Doktor! Maar uw leeftijd... Op de foto lijkt u even oud als mijn grootvader.’ Een andere kat die over het tapijt scharrelde, sprong ineens soepel op de rugleuning van de zetel, klauterde op Mandelbrods schouder en wreef zich tegen zijn enorme hoofd. Mandelbrod niesde opnieuw. ‘Ik was zelfs ouder dan hij,’ zei hij tussen het niesen door. ‘Maar ik ben goed geconserveerd.’ Nog steeds tuurde ik nieuwsgierig naar de foto: wat kon die mij niet allemaal vertellen! Bedeesd vroeg ik: ‘Mag ik hem houden, Herr Doktor?’ – ‘Nee.’ Teleurgesteld gaf ik hem terug; hij stopte hem in zijn aktentas en vroeg me die weer op zijn bureau te zetten. Ik ging weer zitten. ‘Jouw vader was een echte nationaal-socialist,’ verklaarde Mandelbrod, ‘zelfs toen de Partij nog moest worden opgericht. In die tijd waren de mensen in de ban van valse ideeën. Nationalisme was voor hen een blind en benepen patriottisme, een provinciaals patriottisme, dat bovendien mank ging aan een geweldige interne onrechtvaardigheid; voor hun tegenstanders betekende het socialisme een schijnbare internationale gelijkheid tussen de klassen en binnen elk land afzonderlijk de klassenstrijd. In Duitsland was jouw vader een van de eersten die inzagen dat alle leden van de natie, in wederzijds respect, een gelijkwaardige rol moesten hebben, maar dan alleen binnen hun eigen natie. In zekere zin waren alle machtige volken in de geschiedenis zowel nationalistisch als socialistisch. Neem Temoedjin, de Uitgestotene: pas toen hij dit uitgangspunt kon doorvoeren en alle stammen op die grondslag kon verenigen, waren de Mongolen in staat de wereld te veroveren – uit naam van die verstotene, die het schopte tot Universeel Heerser: Dzjengis Chan. Ik heb de Reichsführer een boek over hem te lezen gegeven, hij was er diep van onder de indruk. Met grote, onverschrokken wijsheid hebben de Mongolen alles wat hun voor de voeten kwam met de grond gelijkgemaakt, om vervolgens op een gezonde basis een nieuw rijk te bouwen. De hele infrastructuur van het Russische tsarenrijk, alle fundamenten waarop de Duitsers daarna in hun land hebben voortgebouwd, onder tsaren van Duitse snit – dat alles hebben ze aan de Mongolen te danken: het wegennet, het geld, de posterijen, de douane, de bestuurlijke organisatie. Pas toen de Mongolen toelieten dat de zuiverheid van hun ras werd aangetast door van generatie op generatie vreemde vrouwen te huwen, die bovendien vaak behoorden tot de nestorianen, dus de meest joodse van alle christenen, is hun rijk in verval geraakt en tenietgegaan. Een tegengesteld maar even leerzaam voorbeeld zijn de Chinezen: zij begeven zich niet buiten de grenzen van hun Rijk van het Midden, maar nemen elk volk dat hun rijk binnendringt, hoe machtig ook, onherroepelijk op en maken het Chinees, ze dompelen het onder in de grenzeloze oceaan van Chinees bloed. Ze zijn buitengewoon sterk. Als we eenmaal met de Russen hebben afgerekend, krijgen we de Chinezen nog. De Japanners kunnen hen nooit verslaan, ook al lijken ze op dit moment aan de winnende hand. Misschien niet meteen, maar ooit, over honderd, tweehonderd jaar, zullen we de Chinezen het hoofd moeten bieden. We kunnen dus maar beter zorgen dat ze niet te machtig worden, zo mogelijk beletten dat ze inzicht krijgen in de aard van het nationaal-socialisme en het op hun eigen situatie toepassen. Wist je trouwens dat het begrip nationaal-socialisme bedacht is door een jood, een wegbereider van het zionisme, Moses Hess? Lees zijn boek maar eens: Rom und Jerusalem, dan zul je het zien. Het is bijzonder leerzaam. En dat is geen toeval: want wat is meer völkisch dan het zionisme? Net als wij hebben zij ingezien dat er op aarde geen Volk en Blut kan zijn zonder Boden, en dat de joden dus zonder zich met andere rassen te vermengen moeten worden teruggevoerd naar hun land: Eretz Israel. Dit zijn natuurlijk oeroude joodse denkbeelden. De joden zijn de eerste ware nationaal-socialisten, al drieduizend jaar lang, sinds Mozes hun een wet gaf om hen voor altijd van de andere volkeren te scheiden. Al onze grote ideeën zijn afkomstig van joden, en wij moeten zo verstandig zijn dat te erkennen: het Land als belofte en als vervulling, het idee van het uitverkoren volk, van de zuiverheid van het bloed. Dat is ook de reden dat de Grieken – dat bastaardvolk van democraten, reizigers, kosmopolieten – hen zo hebben gehaat en eerst hebben geprobeerd hen te vernietigen; vervolgens hebben ze, met behulp van Paulus, getracht hun godsdienst van binnenuit te verzwakken door hem los te maken van bloed en bodem en hem katholiek te maken, dat wil zeggen universeel; alle wetten die dienden om de zuiverheid van het joodse bloed te waarborgen, schaften ze daartoe af: de spijswetten, de besnijdenis. En om die reden zijn de joden ook onze ergste, gevaarlijkste vijanden, de enige die werkelijk onze haat waard zijn. Het zijn in feite onze enige echte concurrenten. Onze enige serieuze rivalen. De Russen zijn zwak, een dolende horde, ondanks alle pogingen van die arrogante Georgiër om hun een “nationaal-communisme” op te leggen. En de eilandbewoners, de Britten en Amerikanen, zijn verdorven, gedegenereerd, ontaard. Maar de joden! Wie heeft in het tijdperk van de wetenschap de waarheid van het ras herontdekt, voortbouwend op de duizenden jaren oude intuïtie van zijn vernederde maar onverslagen volk? Dat was Disraeli, een jood. Gobineau heeft alles van hem geleerd. Geloof je me niet? Ga maar kijken.’ Hij wees naar de boekenkast naast zijn bureau. ‘Daar, kijk maar.’ Ik stond weer op en liep naar de boekenkast: er stonden verscheidene boeken van Disraeli naast werken van Gobineau, Vacher de Lapouge, Drumont, Chamberlain, Herzl en anderen. ‘Welk boek precies, Herr Doktor? Ik zie er verschillende.’ – ‘Maakt niet uit. Ze beweren allemaal hetzelfde. Pak Coningsby maar. Je kunt toch Engels lezen? Bladzijde 203. Begin bij: But Sidonia and his brethren... En lees hardop voor.’ Ik vond de bedoelde passage en las: ‘Maar Sidonia en zijn broeders konden zich laten voorstaan op een kenmerk dat de Saksen en de Grieken en de overige Kaukasische volkeren waren kwijtgeraakt. De Hebreeërs zijn een onvermengd ras... Een onvermengd ras met een voortreffelijke organisatie is de aristocratie van de Natuur.’ – ‘Heel goed. Nu bladzijde 231. The fact is, you cannot destroy... Hij heeft het natuurlijk over de joden.’ – ‘Ja. Feit is dat men een zuiver ras van de Kaukasische stam niet kan vernietigen. Dat is een fysiologisch gegeven, een simpele natuurwet die de plannen van de Egyptische en Assyrische koningen, van de Romeinse keizers en van de christelijke inquisiteurs heeft doorkruist. Geen strafwet, geen lichamelijke foltering kan bewerkstelligen dat een superieur ras in een inferieur ras opgaat of erdoor wordt vernietigd. De gemengde rassen van de vervolgers verdwijnen; het zuivere, vervolgde ras houdt stand.’ – ‘Zo! En vergeet niet dat deze man, deze jood, premier is geweest onder koningin Victoria! Hij heeft het Britse imperium gegrondvest! De man die, toen hij nog onbekend was, dit soort stellingen verkondigde in een christelijk parlement! Kom maar weer hier. Schenk nog eens bij.’ Ik liep naar hem terug en schonk hem nog een kop thee in. ‘Uit liefde en respect voor je vader, Max, heb ik jou geholpen; ik heb je carrière gevolgd, ik heb je gesteund waar ik kon. Jij bent het niet alleen aan jezelf verplicht zijn nagedachtenis hoog te houden, maar ook aan zijn en jouw ras. Er is op deze aarde slechts plaats voor één uitverkoren volk, dat geroepen is om de andere volken te overheersen: ofwel dat zijn zij, zoals de jood Disraeli en de jood Herzl willen, ofwel dat zijn wij. En daarom moeten wij ze tot op de laatste telg afmaken, ze met wortel en tak verdelgen. Want ook al blijven er maar tien over, een compleet quorum, of zelfs maar twee, een man en een vrouw, dan zitten we over honderd jaar met precies hetzelfde probleem en kunnen we weer van voren af aan beginnen.’ – ‘Mag ik u iets vragen, Herr Doktor?’ – ‘Ga je gang, jongen.’ – ‘Welke rol speelt u eigenlijk in dit alles?’ – ‘Leland en ik, bedoel je? Dat is niet zo eenvoudig uit te leggen. We hebben geen officiële functie. Wij... wij staan de Führer terzijde. De Führer heeft namelijk de moed en het inzicht gehad om deze historische, allesbepalende beslissing te nemen; maar de praktische uitvoering is uiteraard niet zijn zaak. Tussen de beslissing en de verwezenlijking ervan, die is toevertrouwd aan de Reichsführer-ss, gaapt een diepe kloof. Het is onze taak om die kloof te dichten. In die zin geldt onze eerste verantwoordelijkheid ook niet de Führer, maar die kloof.’ – ‘Ik weet niet zeker of ik het helemaal begrijp. Maar wat verwacht u van mij?’ – ‘Niets, behalve dat je de weg volgt die je zelf al hebt gekozen, en tot het einde toe.’ – ‘Ik weet niet zo zeker of het werkelijk mijn weg is, Herr Doktor. Ik moet erover nadenken.’ – ‘O, denk gerust na! En bel me dan op. Dan zullen we het nog eens bespreken.’ Weer een andere kat probeerde op mijn knieën te gaan zitten en liet witte haartjes op de zwarte stof achter voordat ik hem wegjoeg. Zonder een spier te vertrekken liet Mandelbrod, nog even onverstoorbaar, bijna knikkebollend, opnieuw een knetterharde scheet. De stank sloeg op mijn keel en ik probeerde met kleine teugjes in te ademen. De dubbele deur ging open en de jonge vrouw van de receptie kwam binnen, schijnbaar immuun voor de stank. Ik stond op: ‘Bedankt, Herr Doktor. Groet u Herr Leland van mij. Tot binnenkort dus.’ Maar Mandelbrod scheen al ingedommeld; dat het niet zo was, bleek alleen uit het feit dat hij met een van zijn kolossale handen zachtjes een kat aaide. Ik wachtte even, maar hij wilde blijkbaar niets meer zeggen en ik ging de kamer uit, gevolgd door de jonge vrouw, die geruisloos de deur sloot.

Toen ik Dr. Mandelbrod vertelde over mijn belangstelling voor de problematiek van de Europese betrekkingen, had ik niet gelogen, maar ik had ook niet het hele verhaal verteld: ik had namelijk een idee, een duidelijk idee over wat ik wilde. Ik weet niet meer wanneer het precies bij me was opgekomen, waarschijnlijk in hotel Eden, tijdens een nacht waarin ik niet goed had geslapen. Het wordt tijd, had ik bij mezelf gezegd, dat ik ook eens iets voor mezelf doe, dat ik aan mijn eigen belangen denk. En wat Mandelbrod me had voorgesteld, strookte niet met het idee dat bij me was opgekomen. Maar ik wist niet goed hoe ik te werk moest gaan om mijn plan te verwezenlijken. Twee of drie dagen na mijn gesprek in het kantoor aan Unter den Linden belde ik Thomas op, die me uitnodigde bij hem langs te komen. Hij sprak echter niet met me af op zijn kantoor in de Prinz-Albrecht-Strasse maar op het hoofdbureau van de Sipo en de sd in de naburige Wilhelmstrasse. Het Prinz-Albrecht-Palais lag op een steenworp afstand van Görings ministerie van Rijksluchtvaart – een hoekige, betonnen kolos in steriel en pompeus neoclassicisme –, maar was in alles het tegendeel: een klein achttiende-eeuws palazzo, elegant en classicistisch, in de negentiende eeuw smaakvol door Schinkel gerenoveerd en sinds 1934 door de staat aan de ss verhuurd. Ik kende het gebouw goed; voor mijn vertrek naar Rusland was daar mijn kantoor geweest en ik had heel wat uurtjes rondgewandeld in de tuinen, een klein meesterwerk van Lenné, asymmetrisch en met harmonische variaties. Vanaf de straatkant ging de gevel schuil achter een grote zuilenrij en bomen; de wachtposten in hun rood-witte wachthuisjes salueerden toen ik langskwam, maar een andere, onopvallender ploeg bekeek mijn papieren in een klein kantoortje naast het bloemperk en liet me vervolgens onder geleide naar de receptie brengen. Thomas stond me op te wachten. ‘Zullen we het park in gaan? Het is lekker weer.’ De tuin, waarin we terechtkwamen via enkele treden met aan weerskanten aarden bloempotten, strekte zich uit van het Palais tot aan het Europahaus, een grote modernistische kubus aan de Askanischer Platz, die een opvallend contrast vormde met de stille, kronkelige paden tussen omgespitte bloemperken, ronde vijvertjes en nog kale bomen, waaraan echter al de eerste knoppen zaten. Er was verder niemand. ‘Kaltenbrunner komt hier nooit,’ zei Thomas, ‘daarom is het zo rustig.’ Heydrich ging hier graag wandelen, maar in zijn tijd mocht er verder niemand in, behalve wie hij zelf uitnodigde. Terwijl we daar zo tussen de bomen slenterden, deed ik Thomas in grote lijnen verslag van mijn gesprek met Mandelbrod. ‘Hij overdrijft,’ oordeelde Thomas toen ik klaar was. ‘De joden vormen daadwerkelijk een probleem en dat moet worden opgelost, maar dat is geen doel op zich. Het doel is niet om mensen te doden, het gaat om bevolkingsbeheer; fysieke eliminatie is een van de werktuigen waarmee aan dat beheer vorm kan worden gegeven. Het mag geen obsessie worden, er zijn andere, even ernstige problemen. Denk je werkelijk dat hij alles gelooft wat hij zegt?’ – ‘Die indruk had ik wel. Hoezo?’ Thomas dacht even na; het grind knerpte onder onze laarzen. ‘Je moet goed begrijpen,’ vervolgde hij uiteindelijk, ‘dat het antisemitisme voor veel mensen een instrument is. Omdat dit onderwerp de Führer na aan het hart ligt, is het een succesvol middel geworden om toegang tot hem te krijgen: als het je lukt een rol te spelen in de oplossing van het joodse vraagstuk, zul je veel sneller carrière maken dan wanneer je je bezighoudt met, laten we zeggen, Jehova’s getuigen of homoseksuelen. In die zin kun je stellen dat antisemitisme hét middel is geworden om hogerop te komen in de nationaal-socialistische staat. Weet je nog wat ik in november ’38 zei, na de Reichskristallnacht?’ Ja, dat wist ik nog. De dag na die door de sa georganiseerde geweldsuitbarsting had ik een ontmoeting met Thomas, die in een staat van kille woede verkeerde. ‘Die idioten!’ had hij gebriest toen hij het café binnenkwam waar ik op hem zat te wachten. ‘Die zwakzinnige idioten!’ – ‘Wie, de sa?’ – ‘Doe niet zo dom. De sa heeft dit toch niet alleen gedaan.’ – ‘Wie heeft dan de opdracht gegeven?’ – ‘Goebbels, die ellendige kleine mankepoot. Hij zit al jaren te popelen om zijn neus in de joodse kwestie te steken. Maar hiermee heeft hij het grandioos verpest.’ – ‘Denk je dan niet dat het tijd werd dat er iets concreets gebeurde? Per slot...’ Hij lachte kort en bitter: ‘Natuurlijk moet er iets gebeuren, de joden zullen de kelk ledigen, en wel tot op de bodem. Maar niet op deze manier. Dat is gewoon oerstom. Heb je enig idee wat dit gaat kosten?’ Mijn lege blik moedigde hem blijkbaar aan, want hij vervolgde bijna zonder onderbreking: ‘Van wie denk jij dat al die verbrijzelde ruiten zijn? Van de joden? De joden huren hun winkelpanden. En het is nog altijd de eigenaar die voor de schade opdraait. En vergeet ook de verzekeringsmaatschappijen niet. Duitse maatschappijen, die de Duitse huizenbezitters en zelfs de joodse eigenaars schadeloos moeten stellen. Gebeurt dat niet, dan betekent dat het eind van het Duitse verzekeringswezen. En dan ook nog al dat glas. Dat soort glas wordt namelijk niet in Duitsland gemaakt. Het komt allemaal uit België. Ze zijn nog bezig de schade op te nemen, maar het is nu al meer dan de helft van hun jaarlijkse productie. En dat moet in deviezen worden betaald. Terwijl ons volk zich nu met al zijn kracht concentreert op zelfvoorziening en herbewapening. O ja, er zijn in dit land werkelijk onverbeterlijke imbecielen.’ Zijn ogen fonkelden terwijl hij de woorden uitspuugde: ‘Maar ik zal je dit zeggen: dat is nu allemaal afgelopen. De Führer heeft de afhandeling van deze kwestie officieel aan de Reichsmarschall toevertrouwd, maar die dikkerd zal alles aan ons delegeren, aan Heydrich en aan ons. En dan kan geen van die sukkels van de Partij zich er nog mee bemoeien. Voortaan zullen de zaken correct worden geregeld. Al jaren maken we ons sterk voor een totale oplossing. Die kan nu dan worden verwezenlijkt. Ordelijk, doeltreffend. Rationeel. Eindelijk kunnen we de zaken zo aanpakken als het hoort.’

Thomas zat met zijn benen over elkaar geslagen op een bank en hield mij zijn zilveren koker voor om me een luxesigaret met gouden mondstuk aan te bieden. Ik pakte er een en gaf hem ook vuur, maar ik bleef staan. ‘Die totale oplossing waar jij het destijds over had, dat was emigratie. De ontwikkelingen hebben sindsdien niet stilgestaan.’ Voordat hij antwoordde, blies hij een lange sliert rook uit. ‘Dat is waar. En het is ook waar dat je met je tijd mee moet gaan. Maar dat wil niet zeggen dat je je verstand niet meer hoeft te gebruiken. De retoriek is grotendeels bestemd voor het tweede of zelfs het derde echelon.’ – ‘Daar heb ik het niet over. Wat ik wil zeggen is dat je er niet per se bij betrokken hoeft te zijn.’ – ‘Zou je dan iets anders willen doen?’ – ‘Ja. Ik begin hier genoeg van te krijgen.’ Nu was het mijn beurt om een lange trek van de sigaret te nemen. De tabak had een volle, pittige smaak, een heerlijke sigaret was het. ‘Ik ben altijd onder de indruk geweest van jouw ontstellende gebrek aan ambitie,’ zei Thomas uiteindelijk. ‘Ik ken er wel tien die hun vader en moeder zouden vermoorden voor een persoonlijk gesprek met iemand als Mandelbrod. Die man luncht met de Führer! En jij gaat moeilijk doen. Weet je dan ten minste wat je wilt?’ – ‘Ja. Ik zou terug willen naar Frankrijk.’ – ‘Frankrijk!’ Hij dacht na. ‘Inderdaad, met jouw contacten en kennis van de taal is dat geen slecht idee. Maar dat zal niet vanzelf gaan. Knochen is daar bds, ik ken hem goed, maar het aantal posten bij hem is beperkt en ze zijn erg gewild.’ – ‘Ik ken Knochen ook. Maar ik wil niet bij de bds. Ik wil een positie waarin ik me bezig kan houden met de politieke betrekkingen.’ – ‘Dat betekent een post bij de ambassade of bij de Militärbefehlshaber. Maar ik heb gehoord dat de ss sinds het vertrek van Best niet zo goed ligt bij de Wehrmacht, en bij Abetz evenmin. Misschien zou er bij Oberg, de hsspf, iets voor je te vinden zijn. Maar daarbij kan Amt i niet veel voor je betekenen: daarvoor moet je rechtstreeks bij het ss-Personal Hauptamt zijn, en daar ken ik niemand.’ – ‘Zou het niet helpen als er een voorstel kwam van Amt i?’ – ‘Wie weet.’ Hij nam een laatste trek van zijn sigaret en gooide de peuk achteloos in een bloemperk. ‘Als Streckenbach daar nog gezeten had, was het geen enkel probleem geweest. Maar die is zoals jij, hij denkt te veel na en kreeg er genoeg van.’ – ‘Waar zit hij tegenwoordig?’ – ‘Bij de Waffen-ss. Hij voert het commando over een Letse divisie aan het front, de 15e divisie.’ – ‘En wie is er voor hem in de plaats gekomen? Dat weet ik niet eens.’ – ‘Schulz.’ – ‘Schulz? Welke Schulz?’ – ‘Weet je niet meer? De Schulz die een Kommando van Groep c leidde en meteen al om overplaatsing vroeg. Die schijterd, met dat idiote snorretje.’ – ‘O, die! Maar die heb ik nooit ontmoet. Het schijnt wel een geschikte vent te zijn.’ – ‘Vast wel, maar ik ken hem niet persoonlijk, en tussen de Gruppenstab en hem boterde het niet. Hij was vroeger bankier, je kent dat soort wel. Met Streckenbach ligt het anders, met hem heb ik in Polen gezeten. Bovendien is Schulz nog maar net benoemd en zal hij dus extra ijverig zijn. Vooral omdat hij nog iets goed te maken heeft. Ergo: als je een officieel verzoek indient, word je God weet waarheen gestuurd, maar niet naar Frankrijk.’ – ‘Wat raad je me dan aan?’ Thomas was opgestaan en we wandelden verder. ‘Luister, ik zal zien wat ik kan doen. Maar het zal niet meevallen. Kun jij zelf ook niet iets proberen? Je kent Best goed: hij is geregeld in Berlijn, vraag hem wat hij ervan vindt. Via het Auswärtiges Amt kun je gemakkelijk contact met hem opnemen. Maar als ik jou was, zou ik andere mogelijkheden overwegen. En het is natuurlijk wel oorlog. Je hebt het niet altijd voor het kiezen.’

Voordat we afscheid namen, had Thomas me nog om een dienst gevraagd. ‘Ik wil graag dat je bij iemand langsgaat. Een statisticus.’ – ‘Van de ss?’ – ‘Officieel is hij inspecteur voor de statistiek bij de Reichsführer-ss. Maar het is een ambtenaar, hij is niet eens lid van de Allgemeine ss.’ – ‘Dat is toch vreemd?’ – ‘Niet zo. De Reichsführer wilde ongetwijfeld iemand van buiten.’ – ‘En wat moet ik die statisticus vertellen?’ – ‘Hij is momenteel bezig aan een nieuw rapport voor de Reichsführer. Een overzicht van de afname van de joodse bevolking. Maar hij heeft zijn twijfels over de cijfers die genoemd worden in de rapporten van de Einsatzgruppen. Ik heb hem al gesproken, maar het zou goed zijn als jij eens met hem praat. Jij hebt er meer met je neus bovenop gezeten dan ik.’ Hij krabbelde een adres en telefoonnummer in een notitieboekje en scheurde het blaadje eruit. ‘Zijn kantoor is hier vlak naast, in het ss-Haus, maar hij zit eigenlijk aldoor op iv b4, bij Eichmann – je weet wie dat is? Daar wordt alles gearchiveerd wat met deze kwestie te maken heeft. Ze hebben intussen al een heel gebouw.’ Ik las het adres, het was in de Kurfürstenstrasse. ‘Ah, dat is vlak bij mijn hotel. Uitstekend.’ Het gesprek met Thomas had me gedeprimeerd, ik had het gevoel weg te zakken in een moeras. Maar ik wilde daar niet in ten onder gaan, ik moest weer greep op mezelf krijgen, dus zette ik me ertoe die statisticus, een zekere Dr. Korherr, op te bellen. Zijn assistent maakte een afspraak voor me. Afdeling iv b4 was gevestigd in een fraai natuurstenen gebouw van vier verdiepingen, dat stamde uit het eind van de negentiende eeuw. Geen enkele andere afdeling van de Staatspolizei beschikte bij mijn weten over zo’n ruim kantoor, het werkterrein moest kolossaal zijn. Via een brede marmeren trap kwam je in de ontvangsthal, een grot-achtige, slecht verlichte ruimte. Hofmann, de assistent, wachtte me op om me naar Korherr te brengen. ‘Wat een enorm gebouw,’ zei ik, terwijl ik met hem een andere trap opliep. – ‘Ja. Het is een voormalige joodse vrijmetselaarsloge, die uiteraard is onteigend.’ Hij bracht me naar het kantoor van Korherr, een klein vertrek, volgestouwd met dozen en dossiermappen. ‘Excuses voor de wanorde, Herr Sturmbannführer. Dit is een tijdelijk onderkomen.’ Dr. Korherr, een kleine norse man, was in burgerkleding en schudde me de hand in plaats van de Hitlergroet te brengen. ‘Gaat u zitten alstublieft,’ zei hij, terwijl Hofmann zich terugtrok. Hij probeerde een deel van de paperassen op zijn bureau opzij te schuiven, maar al gauw gaf hij het op en liet alles zoals het was. ‘De Obersturmbannführer is erg gul geweest met zijn documentatie,’ prevelde hij, ‘maar er zit werkelijk geen enkele ordening in.’ Hij staakte het gerommel in zijn papieren, zette zijn bril af en wreef in zijn ogen. ‘Is Obersturmbannführer Eichmann er ook?’ vroeg ik. – ‘Nee, die is op reis. Hij komt over een paar dagen terug. Obersturmbannführer Hauser heeft u uitgelegd wat ik doe?’ – ‘In grote lijnen.’ – ‘Hoe dan ook komt u wel een beetje laat. Ik heb mijn rapport haast klaar en moet het binnen enkele dagen afleveren.’ – ‘Wat kan ik dan voor u doen?’ reageerde ik enigszins geërgerd. – ‘U was toch bij de Einsatz?’ – ‘Ja. Eerst bij een Kommando...’ – ‘Welk?’ onderbrak hij me. – ‘4a.’ – ‘Juist ja. Blobel. Een mooi resultaat.’ Ik kwam er niet achter of hij dit serieus of ironisch bedoelde. ‘Daarna zat ik bij Gruppenstab d, in de Kaukasus.’ Zijn gezicht vertrok: ‘Ja, maar dat interesseert me minder. Die cijfers zijn te verwaarlozen. Vertelt u me liever over 4a.’ – ‘Wat wilt u weten?’ Hij bukte zich achter zijn bureau en haalde een doos tevoorschijn, die hij voor me neerzette. ‘Dit zijn de rapporten van Groep c. Die heb ik met mijn assistent Dr. Plate grondig doorgenomen. En daarbij is ons iets merkwaardigs opgevallen: soms zijn de cijfers zeer exact: 281, 1.472 of 33.771, zoals in Kiev; soms ook zijn ze afgerond. En dat zelfs binnen één Kommando. Ook vonden we tegenstrijdige getallen. Bijvoorbeeld een stad waarin 1.200 joden zouden wonen, maar waarin volgens de rapporten 2.000 personen aan de speciale behandeling zijn onderworpen. Enzovoorts. Wat me dus interesseert, is de wijze van tellen. Ik bedoel de concrete werkwijze, ter plekke.’ – ‘Hiervoor had u zich rechtstreeks tot Standartenführer Blobel moeten wenden. Ik denk dat hij u hierover beter kan informeren dan ik.’ – ‘Helaas is Standartenführer Blobel alweer naar het Oosten vertrokken en niet bereikbaar. Maar ik heb wel zo mijn vermoedens. Ik denk dat uw getuigenis die alleen maar zal bevestigen. Vertelt u eens over Kiev bijvoorbeeld. Een zo groot en toch zo nauwkeurig getal, dat is opmerkelijk.’ – ‘Helemaal niet. Integendeel, hoe omvangrijker de Aktion was en hoe uitgebreider de middelen waarover we beschikten, hoe gemakkelijker het was om de exacte cijfers vast te stellen. In Kiev waren de kordons zeer degelijk georganiseerd. Vlak voor de plek waar de eigenlijke actie plaatsvond werden de... de patiënten of nee, de veroordeelden opgesplitst in even grote groepen, steeds een afgerond getal – twintig of dertig, dat weet ik niet meer. Een daartoe aangestelde onderofficier telde het aantal groepen dat langs zijn tafel kwam en noteerde dat. De eerste dag zijn we opgehouden bij exact 20.000.’ – ‘En iedereen die langs die tafel kwam, werd aan de speciale behandeling onderworpen?’ – ‘In principe wel. Natuurlijk is het weleens gebeurd dat een enkeling bij wijze van spreken deed alsof, om dan ’s nachts in het donker te vluchten. Maar dat waren er hoogstens een handvol.’ – ‘En de kleine acties?’ – ‘Die vielen onder verantwoordelijkheid van een Teilkommandoführer, die tot taak had de telling bij te houden en de cijfers aan de Kommandostab door te geven. Standartenführer Blobel hamerde altijd op precieze tellingen. Voor het geval dat u zojuist noemde, dus dat er meer joden werden opgepakt dan er oorspronkelijk woonden, kan ik u geloof ik wel een verklaring geven. Bij onze aankomst vluchtten veel joden de bossen in of de steppe op. Het Teilkommando behandelde degenen die het ter plekke aantrof op de gebruikelijke manier, en vertrok. Maar de joden konden zich niet blijven verstoppen: de Oekraïners verdreven hen uit de dorpen, soms ook werden ze door partizanen gedood. De overigen keerden geleidelijk, door honger gedreven, naar hun stad of dorp terug, dikwijls samen met andere vluchtelingen. Als dit ons ter ore kwam, werd er een tweede operatie ondernomen, waarbij nogmaals een bepaald aantal werd geëlimineerd. Maar daarna kwamen er weer anderen terug. Sommige dorpen zijn wel drie, vier of zelfs vijf keer judenfrei verklaard, en telkens doken er weer nieuwe op.’ – ‘Juist ja. Dat is een interessante verklaring.’ – ‘Als ik het goed begrijp,’ zei ik enigszins gepikeerd, ‘gelooft u dat de Groepen hun aantallen hebben overdreven?’ – ‘Eerlijk gezegd wel. Om verschillende redenen natuurlijk, bijvoorbeeld de hoop op promotie. Maar er zijn ook bureaucratische mechanismen. In de statistiek zien we vaak dat organisaties aan een bepaald cijfer vasthouden, waarom weet eigenlijk niemand, en vervolgens wordt dat cijfer dan herhaald en doorgegeven als een feit, zonder dat het in de loop van de tijd nog eens kritisch onder de loep wordt genomen of aangepast. Dat noemen wij hier een “cijfer van het huis”. Maar dat verschilt van Groep tot Groep en van Kommando tot Kommando. Het ergste geval is duidelijk dat van Einsatzgruppe b. Er zijn ook grove onregelmatigheden gesignaleerd bij bepaalde Kommando’s van Einsatzgruppe d.’ – ‘In ’41 of in ’42?’ – ‘Vooral in 1941. In het begin, en daarna ook op de Krim.’ – ‘Ik ben korte tijd op de Krim geweest, maar ik had niets te maken met de acties die er toen plaatsvonden.’ – ‘En uw ervaringen bij 4a?’ Ik dacht even na voordat ik antwoordde: ‘Ik meen dat de officieren allemaal eerlijk waren. Maar aanvankelijk liet de organisatie te wensen over, en bepaalde cijfers uit die tijd zijn misschien enigszins willekeurig.’ – ‘Het is hoe dan ook niet ernstig,’ zei Korherr plechtstatig. ‘De Einsatzgruppen staan slechts voor een fractie van de totale aantallen. Zelfs een afwijking van tien procent zou de totaalcijfers nauwelijks beïnvloeden.’ Ik voelde ter hoogte van mijn middenrif iets verkrampen. ‘Hebt u de cijfers voor heel Europa, Herr Doktor?’ – ‘Jazeker. Tot en met 31 december 1942.’ – ‘Kunt u mij het totaal noemen?’ Door zijn kleine brillenglazen keek hij me onderzoekend aan. ‘Geen sprake van. Dat is geheim, Herr Sturmbannführer.’ We spraken nog wat over de werkzaamheden van het Kommando; Korherrs vragen waren precies en gedetailleerd. Ten slotte bedankte hij me. ‘Mijn rapport gaat rechtstreeks naar de Reichsführer,’ verklaarde hij. ‘Als uw bevoegdheden zulks vereisen, zult u er vervolgens kennis van nemen.’ Hij liep met me mee tot aan de uitgang. ‘Succes! En Heil Hitler!’

Waarom had ik hem die idiote en zinloze vraag gesteld? Wat ging mij dat aan? Het was louter morbide nieuwsgierigheid geweest en ik had er spijt van. Ik wilde me alleen nog voor positieve zaken interesseren: in het nationaal-socialisme moest nog veel worden opgebouwd, daar wilde ik mijn krachten op richten. De joden, unser Unglück, achtervolgden me echter als een boze droom in de vroege ochtend, die in je hoofd blijft hangen. Toch waren er in Berlijn niet veel meer over: alle zogenaamd ‘beschermde’ joodse arbeiders in de wapenfabrieken waren op transport gesteld. Maar het lot wilde dat ik ze onder de meest onwaarschijnlijke omstandigheden zou terugzien.

Op 21 maart, Heldengedenkdag, hield de Führer een toespraak. Het was zijn eerste openbare optreden sinds de nederlaag in Stalingrad, en net als iedereen wachtte ik met ongeduld en spanning zijn woorden af: wat zou hij gaan zeggen, hoe zou hij eruitzien? De schokgolf van de catastrofe was nog duidelijk te voelen, de meest uiteenlopende geruchten deden de ronde. Ik wilde die redevoering bijwonen. Ik had de Führer nog maar één keer in levenden lijve aanschouwd, inmiddels een jaar of tien geleden (sindsdien had ik hem wel vaak op de radio gehoord en in het bioscoopjournaal gezien); het was geweest in de zomer van 1930, vóór de machtsovername, toen ik voor het eerst weer terug was in Duitsland. Ik had mijn moeder en Moreau die reis afgetroggeld; als tegenprestatie had ik beloofd dat ik de door hen verlangde studie zou gaan doen. Nadat ik mijn einddiploma had gehaald (maar zonder speciale vermelding, waardoor ik gedwongen was de voorbereidende klas te volgen om toelatingsexamen voor de elsp te kunnen doen), lieten ze me gaan. Het was een geweldige reis, waarvan ik enthousiast, betoverd terugkwam. Ik was met twee schoolkameraden op pad gegaan, Pierre en Fabrice; en hoewel we nog nooit van de Wandervögel hadden gehoord, volgden we haast instinctief hun sporen; we trokken de bossen in, maakten overdag wandeltochten en voerden ’s avonds bij het kampvuur lange gesprekken, waarna we op de dennennaalden gingen liggen om te slapen. We bezochten de steden langs de Rijn en onze reis eindigde in München, waar ik vele uren doorbracht in de Pinacotheek en door de straatjes zwierf. In Duitsland ging het er die zomer weer roerig aan toe: de gevolgen van de Amerikaanse beurskrach van het jaar daarvoor waren nog pijnlijk voelbaar; de verkiezingen voor de Reichstag, die in september gehouden zouden worden, zouden beslissend zijn voor de toekomst van de natie. Alle politieke partijen voerden een felle campagne, met toespraken en parades, soms ook met handgemeen of heftige knokpartijen. In München onderscheidde één partij zich duidelijk van alle andere: de nsdap, waar ik toen voor het eerst over hoorde. Ik had al eens Italiaanse fascisten in het bioscoopjournaal gezien, en deze nationaal-socialisten leken door hun stijl te zijn geïnspireerd, maar hun boodschap was specifiek Duits en hun leider, die frontsoldaat was geweest in de Grote Oorlog, sprak over een nieuw Duitsland, de Duitse glorie, een rijke en zinderende Duitse toekomst. Hiervoor, zo zei ik bij mezelf terwijl ik hen voorbij zag marcheren, had mijn vader vier jaar lang gevochten, om uiteindelijk met al zijn kameraden te worden verraden en zijn land, zijn huis, ons huis te moeten verliezen. Ook vertegenwoordigde dit alles wat Moreau verafschuwde, Moreau, die brave Franse radicaalsocialist en patriot, die elk jaar dronk op de gezondheid van Clemenceau, Foch en Pétain, ter gelegenheid van hun verjaardag. Ergens in een Münchener Braukeller zou de leider van de nsdap een toespraak houden: ik liet mijn Franse vrienden achter in ons kleine hotel. De zaak was mudvol, ik stond ergens achterin en kon de sprekers nauwelijks horen; van de Führer herinner ik me alleen zijn opgewonden gebaren, waaruit een heftige bezetenheid sprak, en ook de haarlok die steeds weer over zijn voorhoofd viel. Maar hij zei – dat wist ik absoluut zeker – de dingen die mijn vader zou hebben gezegd als hij erbij was geweest; had hij nog geleefd, dan zou hij beslist daar op dat podium hebben gestaan, als een van de vertrouwelingen van deze man, een van zijn eerste kameraden; als het lot het zo had gewild, zou hij misschien, wie weet, zelfs op zijn plaats hebben kunnen staan. Trouwens, als de Führer even verstarde, leek hij zelfs op hem. Toen ik van deze reis terugkwam, had ik voor het eerst het idee dat ik niet veroordeeld was tot de smalle, nederige weg die mijn moeder en haar man voor mij hadden uitgestippeld, en dat mijn toekomst hier lag, bij dat ongelukkige volk, het volk van mijn vader, dat ook mijn volk was.

Sindsdien was er veel veranderd. Het Volk had nog steeds het volste vertrouwen in de Führer, maar bij de massa begon het vaste geloof in de eindzege te wankelen. De mensen gaven de schuld aan de legerleiding, aan de Pruisische aristocraten, aan Göring en zijn luchtmacht; maar ik wist ook dat er binnen de Wehrmacht afkeurend gesproken werd over de ingrepen van de Führer. Bij de ss werd gefluisterd dat hij sinds Stalingrad ten prooi was aan een zenuwinzinking en met niemand meer sprak; dat hij wezenloos had geluisterd toen Rommel aan het begin van de maand had geprobeerd hem ervan te overtuigen dat Noord-Afrika moest worden ontruimd. De geruchten die in de trein, de tram, de rijen wachtenden de ronde deden, werden met de dag krankzinniger: volgens de sd-rapporten die Thomas kreeg, werd er gezegd dat de Führer door de Wehrmacht in Berchtesgaden was opgesloten, dat hij zijn verstand had verloren, zwaar bewaakt en onder de medicijnen in een ss-ziekenhuis lag; dat de Führer die zich in het openbaar vertoonde slechts een dubbelganger was. De toespraak zou worden gehouden in het Zeughaus, de voormalige wapenopslagplaats aan het eind van Unter den Linden, vlak naast het Spreekanal. Als gewonde en gedecoreerde Stalingradveteraan kreeg ik moeiteloos een uitnodiging; ik stelde Thomas voor om samen te gaan, maar hij zei lachend: ‘Ik ben hier niet met verlof, ik heb werk te doen.’ Ik ging dus alleen. Er waren degelijke veiligheidsmaatregelen getroffen; op de uitnodiging stond dat het dragen van een dienstwapen verboden was. Sommigen werden afgeschrikt door de mogelijkheid van een Britse luchtaanval; in januari, op de verjaardag van de machtsovername, hadden de Engelsen met boosaardig genoegen een aanval met Mosquito’s ondernomen die tal van slachtoffers had geëist. Niettemin waren er onder de grote glazen koepel op de binnenplaats van het Zeughaus stoelen neergezet. Ik zat ergens in het midden, tussen een zwaar gedecoreerde Oberstleutnant en een burger met het gouden Partij-insigne op zijn revers. Na de inleidende woorden maakte de Führer zijn opwachting. Ik sperde mijn ogen wijd open: over zijn hoofd en schouders, over zijn simpele feldgrau uniform, meende ik hem het lange blauw-wit gestreepte kleed van de rabbijnen te zien dragen. Met zijn snelle, monotone stem was de Führer onmiddellijk losgebrand. Ik bekeek het glazen dak: kon het een speling van het licht zijn? Ik zag heel duidelijk zijn pet, maar daaronder meende ik peies te ontwaren, die langs zijn slapen over zijn revers liepen, en op zijn voorhoofd de tefilin: de gebedsriemen met het leren doosje dat enkele regels uit de Thora bevat. Toen hij zijn arm ophief, leek het alsof er ook om zijn mouw een leren gebedsriem was gebonden; en onder zijn uniformjasje, zag ik daar niet de witte franjes van wat de joden de kleine talit noemen? Ik wist niet wat ik ervan moest denken. Ik keek naar mijn buren: ze luisterden met plechtige aandacht naar de redevoering, de man met het gouden Partij-insigne knikte instemmend. Was hun dan niets opgevallen? Was ik de enige die dat ongelofelijke schouwspel zag? Ik liet mijn blik langs de tribune met de officiële genodigden gaan: achter de Führer herkende ik Göring, Goebbels, Ley, de Reichsführer, Kaltenbrunner, andere bekende leiders, hoge Wehrmacht-officieren; allemaal keken ze onbewogen naar de rug van de Führer of naar de toehoorders. Misschien, dacht ik onthutst, was het net zoiets als in dat sprookje, de nieuwe kleren van de keizer: iedereen ziet wat er aan de hand is, maar laat het niet merken en rekent erop dat zijn buurman hetzelfde doet. Maar nee, hield ik mezelf voor, dat kan niet, ik ben aan het hallucineren, dat is goed mogelijk met zo’n verwonding als ik heb opgelopen. Niettemin had ik het gevoel bij mijn volle verstand te zijn. Ik zat vrij ver van het podium en het licht viel zijdelings op de Führer; misschien was het gewoon gezichtsbedrog. Toch veranderde het beeld niet. Misschien spiegelde mijn ‘pineale oog’ me iets voor? Maar dit had niets van een droom. Misschien was ik wel gek geworden. Het was een korte redevoering, al gauw stond ik weer in de menigte die naar de uitgang drong en mijn gedachten verstoorde. De Führer moest nu in het Zeughaus zijn om een tentoonstelling te bezoeken van oorlogstrofeeën die waren buitgemaakt op de bolsjewieken, waarna hij langs een erewacht zou lopen en een krans zou leggen bij de Neue Wache; eigenlijk had ik hem moeten volgen, volgens mijn uitnodiging mocht dat, maar ik voelde me te geschokt en verward. Ik maakte me zo snel mogelijk uit de menigte los en liep over de laan terug in de richting van de s-Bahn. Ik stak de trambaan over en zocht een plaatsje in een café, onder de arcaden van de Kaisergalerie, waar ik een schnaps bestelde die ik in één teug achteroversloeg, en meteen daarna nog een. Ik moest goed nadenken, maar kon me niet concentreren en haalde moeizaam adem; ik maakte mijn kraag los en dronk nog een glas. Er was wel een manier om uitsluitsel te krijgen: die avond zouden er in het bioscoopjournaal fragmenten van de redevoering worden vertoond; dan zou ik het zeker weten. Ik vroeg om een krant met het filmprogramma: om zeven uur draaide niet ver hiervandaan Ohm Krüger. Ik bestelde een broodje en ging daarna wat in Tiergarten wandelen. Het was nog koud en er liepen weinig mensen tussen de kale bomen. De verschillende verklaringen raasden door mijn hoofd en ik kon niet wachten tot het journaal begon, ook al was het vooruitzicht eventueel niets te zullen zien even verontrustend als het tegendeel. Om zes uur liep ik naar de bioscoop en ging in de rij staan om een kaartje te kopen. Een groepje wachtenden vóór mij sprak over de redevoering, die ze blijkbaar op de radio hadden gehoord; ik luisterde gretig. ‘Hij heeft de joden weer alles in hun schoenen geschoven,’ zei een vrij magere man met een hoed op. ‘Ik snap het niet. Er zijn in Duitsland toch geen joden meer, hoe kan het dan hun schuld zijn?’ – ‘Ach nee, Dummkopf,’ reageerde een vrij ordinaire vrouw met geblondeerd en ingewikkeld gepermanent haar, ‘dat is het internationale jodendom.’ – ‘Jawel,’ vervolgde de man, ‘maar als dat internationale jodendom zo machtig is, waarom hebben ze hun rasgenoten hier dan niet kunnen redden?’ – ‘Ze straffen ons door ons te bombarderen,’ zei een wat grauwe, pezige vrouw. ‘Hebben jullie gezien wat ze laatst in Münster hebben aangericht? Dat is alleen om ons te laten lijden. Alsof we het nog niet zwaar genoeg hebben met al onze mannen aan het front.’ – ‘Waar ik me nou zo aan erger,’ poneerde een man met een hoogrood gezicht en een dikke buik die uit een grijs streepjespak puilde, ‘is dat hij geen woord over Stalingrad zegt. Dat is een schande.’ – ‘Praat me niet van Stalingrad,’ zei de geblondeerde vrouw. ‘Mijn arme zus had haar zoon Hans daar zitten, in de 76e divisie. Ze wordt bijna gek van angst, ze weet niet eens of hij nog leeft.’ – ‘Op de radio zeiden ze dat ze allemaal gesneuveld zijn,’ aldus de pezige vrouw. ‘Dat ze hebben gevochten tot de laatste man, zeiden ze.’ – ‘En u gelooft alles wat ze op de radio vertellen, arm mens?’ aldus de man met de hoed. ‘Mijn neef is Oberst en die zegt dat er veel gevangen zijn genomen. Duizenden. Misschien wel honderdduizend.’ – ‘Dus Hansi is misschien gevangengenomen?’ vroeg de blondine. – ‘Dat is goed mogelijk.’ – ‘Waarom schrijven ze dan niet?’ vroeg de dikke man. ‘Onze gevangenen in Engeland en Amerika schrijven wel, dat gaat gewoon via het Rode Kruis.’ – ‘Ja, zo is het,’ zei de vrouw met het muizengezicht. – ‘Hoe moeten ze schrijven als ze allemaal officieel dood zijn verklaard? Ze schrijven wel, alleen worden die brieven door ons leger achtergehouden.’ – ‘Het spijt me dat ik het zeg,’ kwam een ander tussenbeide, ‘maar dat is inderdaad waar. Mijn schoonzus, de zus van mijn vrouw, heeft een brief van het front gekregen met als enige ondertekening: Een Duitse patriot. En in die brief stond dat haar man, Leutnant in een pantserdivisie, nog leefde. De Russen hebben vlak bij Smolensk strooibiljetten boven onze stellingen uitgeworpen, met lijsten van namen en adressen, heel klein gedrukt, en boodschappen aan hun familie. De soldaten die de biljetten oprapen, schrijven dan een anonieme brief of sturen gewoon het strooibiljet zelf door.’ Een man met een militair kapsel mengde zich in het gesprek: ‘Hoe dan ook, zelfs al zijn er soldaten gevangengenomen, die maken het niet lang. Ze worden door de bolsjewieken naar Siberië gestuurd en daar moeten ze kanalen graven tot ze erbij neervallen. Er zal er niet een terugkomen. En na alles wat wij ze hebben aangedaan, is dat niet meer dan rechtvaardig.’ – ‘Wat wilt u daarmee zeggen: na alles wat wij ze hebben aangedaan?’ zei de dikke fel. De blondine had mij opgemerkt en bekeek mijn uniform. Nog voordat de militair uitziende man kon antwoorden, zei de man met de hoed: ‘De Führer heeft gezegd dat er sinds het begin van de oorlog 542.000 doden zijn gevallen. Gelooft u dat? Volgens mij is dat een regelrechte leugen.’ De blondine gaf hem een por en keek ondertussen veelbetekenend mijn kant op. De man volgde haar blik, kreeg een kleur en stamelde: ‘Nou ja, misschien geven ze hem niet alle cijfers...’ Ook de anderen keken nu naar mij en deden er het zwijgen toe. Ik bleef neutraal, afwezig voor me uit staren. De dikke wilde het gesprek over een andere boeg gooien, maar de rij had zich al in beweging gezet naar de kassa. Ik kocht een kaartje en zocht een plaats. Al snel gingen de lichten uit en het journaal begon, met als opening de redevoering van de Führer. Het beeld was erg korrelig, schokkerig en soms werd het zwart; de film was blijkbaar in allerijl ontwikkeld en gekopieerd. Nog steeds meende ik over het hoofd en de schouders van de Führer de brede gestreepte sjaal te zien, maar verder kon ik niets onderscheiden; behalve zijn snor was alles even onduidelijk. Mijn gedachten schoten alle kanten op, als een school vissen die is opgeschrikt door een duiker; de hoofdfilm, een anti-Britse draak, ging grotendeels langs me heen; ik bleef maar denken aan wat ik had gezien, ik had er geen enkele verklaring voor. Dat het werkelijk zo was geweest, leek me onmogelijk, maar ik kon ook niet geloven dat ik hallucineerde. Wat had die kogel met mijn hoofd gedaan? Had hij de wereld onherstelbaar voor mij vertroebeld, of had hij inderdaad een derde oog voor mij geopend, het oog dat door de duisterheid der dingen heen kijkt? Toen ik weer buiten stond, was het donker, het was etenstijd, maar ik had geen trek. Ik ging terug naar mijn hotel en sloot me in mijn kamer op. Drie dagen bleef ik binnen.

Er werd geklopt en ik deed open: een loopjongen kwam melden dat Obersturmbannführer Hauser een boodschap voor me had achtergelaten. Ik liet hem de resten weghalen van de maaltijd die ik de dag daarvoor had laten bezorgen, nam ruim de tijd om te douchen en verzorgde me op mijn gemak, waarna ik naar de receptie ging om Thomas te bellen. Werner Best was in Berlijn, vertelde hij, en hij was bereid me te ontmoeten, diezelfde avond nog in de bar van hotel Adlon. ‘Kom je?’ Ik ging weer naar boven om het bad vol te laten lopen, zo heet mogelijk, en daarin dompelde ik me onder tot ik het gevoel had dat mijn longen barstten. Vervolgens bestelde ik een kapper, die me kwam scheren. Op het afgesproken tijdstip was ik in Adlon, nerveus spelend met de voet van een glas martini terwijl ik mijn blik over de gasten liet gaan: Gauleiter, diplomaten, hoge ss’ers en rijke aristocraten, die elkaar daar ontmoetten of er overnachtten op doorreis in Berlijn. Ik dacht na over Best. Hoe zou een man als Werner Best reageren als ik zei dat ik meende de Führer te hebben gezien met een rabbijnenkleed om? Hij zou me vast het adres van een goede arts geven. Maar misschien ook zou hij me koeltjes uitleggen waarom dit zo moest zijn. Het was een wonderlijke vent. Ik had hem ontmoet in de zomer van 1937, nadat hij me, dankzij Thomas’ tussenkomst, had geholpen toen ik in Tiergarten was gearresteerd; hij had er vervolgens nooit meer enige toespeling op gemaakt. Hoewel ik minstens tien jaar jonger was dan hij, leek hij zich na mijn rekrutering voor mij te interesseren, en hij had me een paar keer voor een etentje uitgenodigd, meestal in gezelschap van Thomas en enkele andere medewerkers van de sd, een keer ook met Ohlendorf, die veel koffie dronk en weinig zei, een enkele keer met hem alleen. Het was een uitermate nauwgezette man, kil en gericht op de feiten, die tegelijkertijd hartstochtelijk zijn idealen was toegedaan. Ik kende hem nog nauwelijks, maar het leek me duidelijk dat Thomas zijn manier van doen nabootste, en later zag ik dat dit voor de meeste jonge sd-officieren gold, die voor Best onmiskenbaar een grotere bewondering koesterden dan voor Heydrich. In die tijd predikte Best nog graag het heroïsch realisme, zoals hij dat noemde: ‘Waar het om gaat,’ stelde hij met een citaat van Jünger, wiens geschriften hij verslond, ‘is niet waarvoor je strijdt, maar de manier waarop je strijdt.’ Voor deze man was het nationaal-socialisme geen politieke overtuiging, maar veeleer een harde, radicale levenswijze, waarin het vermogen tot objectieve analyse gepaard ging met daadkracht. De hoogste morele waarde, zo legde hij ons uit, houdt in dat bij het nastreven van het welzijn van het Volk de traditionele remmingen worden overwonnen. De Kriegsjugendgeneration waartoe hij evenals Ohlendorf, Six, Knochen en ook Heydrich behoorde, onderscheidde zich op dit punt duidelijk van de voorgaande generatie, de junge Frontgeneration, die zelf de Grote Oorlog nog had meegemaakt. De meeste Gauleiter en Partijbonzen, zoals Himmler en Hans Frank, Goebbels en ook Darré, behoorden tot die generatie, maar Best vond hen te idealistisch, te sentimenteel, naïef en onrealistisch. De Kriegsjungen, te jong om de oorlog of zelfs de knokpartijen van de Freikorps te hebben meegemaakt, waren opgegroeid in de roerige jaren van Weimar, en uit verzet tegen die chaos hadden ze zich een völkische en radicale houding tegenover de problemen van de natie eigen gemaakt. Ze hadden zich bij de nsdap aangesloten, niet omdat de ideologie daarvan verschilde van die van de andere völkische partijen uit de jaren twintig, maar omdat de nsdap zich niet onledig hield met abstracte ideeën en elitaire geschillen, met steriele en eindeloze disputen, en zich in plaats daarvan had geconcentreerd op de eigen organisatie, op massapropaganda en activisme, en zich zodoende als vanzelfsprekend een leidende positie had verworven. De sd belichaamde deze harde, objectieve, realistische benadering. Wat onze generatie betreft – in dergelijke discussies doelde Best daarmee op die van Thomas en mij –, die had haar identiteit nog niet ten volle bepaald: ze was volwassen geworden onder het nationaal-socialisme, maar was nog niet de confrontatie aangegaan met de werkelijke uitdagingen. Daar moesten wij ons op voorbereiden, we moesten ons aan een strenge discipline onderwerpen, leren strijden voor ons Volk en zo nodig onze tegenstanders vernietigen, maar dan zonder haat en zonder vijandigheid, dus niet zoals de Teutoonse potentaten die deden alsof ze nog in berenvellen rondbanjerden, maar op een systematische, efficiënte, weldoordachte manier. Dat was in die tijd de mentaliteit van de sd, bijvoorbeeld van Prof. Dr. Alfred Six, mijn eerste afdelingshoofd, die tegelijkertijd op de universiteit leiding gaf aan de faculteit voor internationale economie: een verbitterde, tamelijk onaangename man, die veel vaker over rassenbiologische politiek sprak dan over economie; maar hij hing dezelfde methoden aan als Best, en dat gold voor alle jonge mensen die in de loop der jaren door Höhn waren gerekruteerd, de junge Löwen van de sd: Schellenberg, Knochen, Behrends, d’Alquen, Ohlendorf natuurlijk, maar ook inmiddels minder bekende mannen als Melhorn, Gürke, die sneuvelde in 1943, Lemmel, Taubert. Het was een apart slag, niet erg geliefd binnen de Partij, maar wel scherpzinnig, daadkrachtig en gedisciplineerd, en nadat ik tot de sd was toegetreden, wilde ik niets liever dan een van hen worden. Nu wist ik dat niet meer zo zeker. Na mijn ervaringen in het Oosten had ik de indruk dat de idealisten van de sd zich in een hoek hadden laten drijven door de politiemannen, de ambtenaren van het geweld. Ik vroeg me af wat Best van de Endlösung dacht. Maar ik was niet van plan hem ernaar te vragen of het onderwerp zelfs maar aan te roeren, laat staan dat ik hem over mijn wonderlijke visioen zou vertellen.

Best kwam een half uur te laat, gekleed in een speciaal zwart uniform, met een dubbele rij gouden knopen en grote, witfluwelen revers. Na de Hitlergroet schudde hij me krachtig de hand en verontschuldigde zich voor zijn late komst: ‘Ik was bij de Führer en had geen tijd meer om iets anders aan te trekken.’ Terwijl we elkaar feliciteerden met onze respectieve promoties, kwam er een oberkelner naar ons toe, hij begroette Best en leidde ons naar een zijvertrek. Ik bestelde nog een martini en Best vroeg een glas rode wijn. Hij informeerde naar mijn werkzaamheden in Rusland; ik antwoordde zonder in details te treden. Best wist per slot beter dan wie ook wat het werk van een Einsatzgruppe inhield. ‘En nu?’ Ik zette uiteen wat mij voor ogen stond. Hij luisterde geduldig, nu en dan knikkend; zijn hoge, gewelfde voorhoofd, dat glom in het licht van de kroonluchter, droeg nog de rode afdruk van zijn pet, die hij op de bank had gelegd. ‘Ja, dat herinner ik me,’ zei hij uiteindelijk. ‘U begon zich indertijd al voor het volkenrecht te interesseren. Waarom hebt u niets gepubliceerd?’ – ‘Daartoe heb ik nooit echt de gelegenheid gehad. Op het rsha vertrouwde men mij na uw vertrek alleen staats- en strafrechtelijke kwesties toe en daarna, in de Einsatzgruppe, was het onmogelijk. Aan de andere kant heb ik nu wel veel praktische ervaring opgedaan over onze bezettingsmethoden.’ – ‘Ik weet niet zeker of de Oekraïne daar het beste voorbeeld van is.’ – ‘Beslist niet,’ zei ik. ‘Niemand op het rsha begrijpt waarom Koch zo zijn gang kan gaan. Het is een ramp.’ – ‘Dat is een van de functionele gebreken van het nationaal-socialisme. Op dat punt is Stalin veel strikter dan wij. Maar mannen als Koch hebben, hoop ik, geen enkele toekomst. Hebt u de Festgabe gezien die we ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de Reichsführer hebben uitgegeven?’ Ik schudde van nee. ‘Helaas niet.’ – ‘Ik zal zorgen dat u een exemplaar krijgt toegestuurd. In mijn bijdrage ontwikkel ik een theorie van de Grossraum op völkische grondslag; uw vroegere professor Höhn heeft een artikel over hetzelfde onderwerp geschreven, evenals Stuckart, van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Lemmel – u zult zich hem nog wel herinneren – heeft ook over deze materie gepubliceerd, maar elders. We wilden hiermee onze kritische bestudering van het werk van Carl Schmitt afronden en tegelijkertijd de ss naar voren schuiven als drijvende kracht voor de opbouw van de nieuwe Europese orde. Omringd door mannen als wij had de Reichsführer daarvan de belangrijkste architect kunnen worden. Maar hij heeft zijn kans voorbij laten gaan.’ – ‘Wat is er dan gebeurd?’ – ‘Dat is moeilijk te zeggen. Ik weet niet of de Reichsführer te zeer in beslag genomen werd door zijn plannen voor de wederopbouw van het Duitse Oosten, of dat hij gewoon overbelast is door zijn vele taken. De betrokkenheid van de ss bij het proces van demografische herordening in het Oosten heeft in elk geval een rol gespeeld. Dat was een van de redenen waarom ik besloten heb het rsha te verlaten.’ Ik wist dat deze laatste bewering niet helemaal eerlijk was. In de tijd dat ik mijn dissertatie had afgerond (over de verzoening van het positieve staatsrecht met het idee van de Volksgemeinschaft) en volledig in dienst trad van de sd om daar juridische adviezen te helpen opstellen, was Best al in de problemen geraakt, vooral met Schellenberg. In gesprekken maar ook in schriftelijke stukken beschuldigde Schellenberg Best ervan te bureaucratisch te zijn, te star, een academische scherpslijper, een haarklover. Volgens de geruchten dacht Heydrich er ook zo over; in elk geval had Heydrich Schellenberg de vrije hand gegeven. Op zijn beurt had Best kritiek op de ‘ontambtelijking’ van de politie; in concreto was hij van mening dat alle medewerkers van de sd die bij de Sipo werden gedetacheerd, zoals Thomas en ik, onderworpen dienden te zijn aan de bij de overheid geldende regels en procedures; alle diensthoofden moesten juridisch geschoold zijn. Maar Heydrich sprak spottend van die kleuterschool voor conducteurs, en Schellenberg vuurde de ene na de andere scheldkanonnade af. In dit verband had Best ooit een treffende opmerking gemaakt: ‘Weet u, ondanks mijn afschuw van 1793 voel ik soms een sterke verwantschap met Saint-Just, die zei: De strengheid of de vervoering van sommigen boezemt mij minder vrees in dan de plooibaarheid van anderen.’ Dit speelde zich af in de laatste lente voor de oorlog; ik vertelde al wat er in de herfst daarna gebeurde, het vertrek van Best, mijn eigen zorgen: maar ik begreep heel goed dat Best het liefst de positieve kant van deze ontwikkelingen wilde zien. ‘In Frankrijk en nu ook in Denemarken,’ zei hij, ‘heb ik geprobeerd deze theorieën in de praktijk toe te passen.’ – ‘En hoe gaat dat?’ – ‘In Frankrijk was het idee van een bestuur onder toezicht op zich wel goed, maar er was te veel inmenging van de kant van de Wehrmacht, die een eigen beleid volgde, en van Berlijn, dat de zaken nogal verpestte door gijzelaars op te pakken. En op 11 november keerde het tij natuurlijk helemaal. Dat was naar mijn mening een grove fout. Maar goed! Ik heb er anderzijds alle vertrouwen in dat Denemarken tot een modelprotectoraat kan worden gemaakt.’ – ‘Ik hoor alleen maar positieve dingen over uw werkzaamheden.’ – ‘Ach, er zijn heus ook critici! En ik ben natuurlijk nog maar net begonnen. Afgezien van deze concrete opgaven gaat het er vooral om dat we naar een alomvattende visie op de periode na de oorlog toe werken. Op het ogenblik zijn al onze maatregelen nog ad hoc en onsamenhangend. En met betrekking tot zijn bedoelingen geeft de Führer tegenstrijdige signalen. Dus het is erg moeilijk om concrete toezeggingen te doen.’ – ‘Ik begrijp precies wat u bedoelt.’ Ik vertelde hem in het kort over Lippert en de hoop die hij tijdens ons gesprek in Majkop had geformuleerd. ‘Ja, dat is een goed voorbeeld,’ aldus Best. ‘Maar weet u, andere mensen doen de Vlamingen dezelfde beloften. En nu is de Reichsführer, daartoe aangezet door Obergruppenführer Berger, bezig zijn eigen politiek toe te passen door nationale legioenen te formeren die onder de Waffen-ss vallen, hetgeen strijdig is met het beleid van het Auswärtiges Amt of in elk geval daar niet mee is besproken. Dat is het hele probleem: zolang de Führer niet persoonlijk ingrijpt, stippelt iedereen zijn eigen beleid uit. Er is geen gezamenlijke visie en dus ook geen werkelijk völkische politiek. De ware nationaal-socialisten zijn niet in staat hun werk te doen, te weten: het Volk de weg te wijzen en het te leiden. In plaats daarvan zijn het de Parteigenossen die zich ieder een gebiedje toe-eigenen en dat besturen al naar het hun goeddunkt.’ – ‘Gelooft u niet dat de leden van de Partij echte nationaal-socialisten zijn?’ Best hief een vinger: ‘Let op. U mag een lid van de Partij niet verwarren met een man van de Partij. Leden van de Partij, zoals u en ik, zijn niet noodzakelijkerwijs ook Parteigenossen, zogeheten pg’s. Een nationaal-socialist moet in de visie van de Partij geloven. En omdat dit maar één visie is, kunnen alle ware nationaal-socialisten zich slechts inzetten voor één doel, en dat is de richting waarin ook het Volk zich beweegt. Maar gelooft u dat al die lui daar’ – hij maakte een weids gebaar naar de zaal – ‘ware nationaal-socialisten zijn? Een pg is iemand die zijn carrière aan de Partij te danken heeft, die binnen de Partij een positie te verdedigen heeft en die dus de belangen van de Partij verdedigt in conflicten met andere organisaties, ongeacht de werkelijke belangen van het Volk. De Partij was aanvankelijk bedoeld als een beweging, een middel om het Volk te mobiliseren; inmiddels is het een bureaucratisch apparaat als alle andere. Geruime tijd hebben sommigen van ons gehoopt dat de ss de rol van de Partij zou kunnen overnemen. En het is nog niet te laat. Maar ook de ss bezwijkt voor gevaarlijke verleidingen.’ We namen ieder een slok; ik wilde terug naar het thema dat me bezighield. ‘Hoe staat u tegenover mijn idee?’ vroeg ik uiteindelijk. ‘Met mijn achtergrond, mijn kennis van het land en van de verschillende denkrichtingen daar, zou ik toch het meest van nut zijn in Frankrijk, volgens mij.’ – ‘Misschien hebt u gelijk. Het probleem is dat in Frankrijk, zoals u weet, de ss min of meer buitenspel staat, behalve dan waar het de strikte politietaken betreft. Ik denk niet dat mijn naam u bij de Militärbefehlshaber veel verder zal helpen. En bij Abetz kan ik ook niet veel uitrichten, die bakent angstvallig zijn eigen terrein af. Maar als u werkelijk zo graag wilt, zoek dan contact met Knochen. Hij weet vast nog wel wie u bent.’ – ‘Ja, dat is een idee,’ zei ik zonder veel enthousiasme. Die kant wilde ik niet op. Best vervolgde: ‘U kunt hem zeggen dat ik u ten zeerste aanbeveel. En Denemarken? Is dat niets voor u? Daar kan ik vast wel een goede functie voor u vinden.’ Ik probeerde mijn groeiende onbehagen te verhullen: ‘Dank u zeer voor het aanbod. Maar ik heb duidelijke ideeën over Frankrijk en die zou ik zo mogelijk nader willen uitwerken.’ – ‘Ik begrijp het. Maar mocht u van mening veranderen, neem dan opnieuw contact met me op.’ – ‘Afgesproken.’ Hij keek op zijn horloge. ‘Straks dineer ik met de minister en ik moet me absoluut nog omkleden. Als mij iets anders te binnen schiet wat Frankrijk betreft, of als mij iets ter ore komt over een interessante post, dan laat ik het u weten.’ – ‘Dat zou ik zeer op prijs stellen. Nogmaals dank dat u de tijd hebt genomen voor dit gesprek.’ Hij leegde zijn glas en antwoordde: ‘Het was me een genoegen. Dat mis ik nu het meest sinds ik niet meer bij het rsha ben: de mogelijkheid om in alle openheid te praten over ideeën, met mannen die er overtuigingen op na houden. In Denemarken moet ik constant op mijn hoede zijn. Nu dan, prettige avond!’ Ik liep met hem mee naar buiten en nam op straat afscheid, voor de vroegere Britse ambassade. Ik zag zijn auto de Wilhelmstrasse in rijden en liep zelf de andere kant uit, in de richting van de Brandenburger Tor en Tiergarten, nog beduusd van zijn laatste woorden. Iemand die er overtuigingen op na hield? Vroeger wel, maar nu, waar was de helderheid van mijn overtuigingen? Ik kon ze nog wel waarnemen, ze dwarrelden traag om me heen, maar probeerde ik er een beet te pakken, dan schoot die als een nerveuze, gespierde paling tussen mijn vingers door.

Thomas, dat was beslist een man met overtuigingen; overtuigingen die zichtbaar en volledig overeenstemden met de vervulling van zijn ambities en zijn genoegens. Terug in mijn hotel vond ik een briefje waarin hij me uitnodigde voor een balletvoorstelling. Ik belde met de bedoeling af te zeggen, maar zonder me aan het woord te laten vroeg hij: ‘En, hoe ging het?’ Vervolgens begon hij uit te leggen waarom hij er van zijn kant niet in slaagde iets voor me gedaan te krijgen. Ik luisterde geduldig en probeerde, zodra ik de kans kreeg, te zeggen dat ik niet meeging. Maar daar wilde hij niets van horen: ‘Je wordt nog mensenschuw. Een uitje zal je goeddoen.’ Het idee trok me eerlijk gezegd allerminst, maar uiteindelijk gaf ik toe. Uiteraard waren de Russen collectief in de ban gedaan en op het programma stonden dan ook divertimento’s van Mozart, de balletten uit Idomeneo gevolgd door een gavotte en de Petits riens. Het orkest werd gedirigeerd door Karajan, in die tijd een rijzende ster, die qua roem echter nog in de schaduw stond van Furtwängler. Ik trof Thomas bij de artiesteningang: een vriend van hem had voor een privéloge gezorgd. Alles was voortreffelijk georganiseerd. Gedienstige ouvreuses namen onze jassen en petten aan en leidden ons naar een buffet, waar ons het aperitief werd geserveerd te midden van musici en van filmsterretjes uit Goebbels’ studio’s; de dames waren meteen gecharmeerd van Thomas’ energieke, vlotte manier van doen. Toen we naar onze loge werden gebracht, die zich vlak naast het toneel boven de orkestbak bevond, fluisterde ik: ‘Je bent niet van plan om een van die dames uit te nodigen?’ Thomas haalde zijn schouders op: ‘Je maakt vast een grapje! Om na onze goede doctor aan de beurt te komen, moet je minstens Gruppenführer zijn.’ Ik had die plagerige opmerking werktuiglijk en enigszins mat geuit; ik bleef in mezelf gekeerd, gesloten, vijandig tegenover alles; maar zodra de voorstelling begon, werd ik geboeid. De dansers waren maar een paar meter van me verwijderd en terwijl ik naar hen keek, voelde ik me armzalig, flets, erbarmelijk, alsof mijn lichaam de kou en de angst van het front nog niet had afgeschud. Als om een onoverbrugbare afstand te markeren maakten zij hun sprongen, prachtig in hun glinsterende kostuums, en roerloos keek ik naar hun glanzende, stralende lichamen, die me buiten mezelf brachten van opwinding (maar het was een holle, vergeefse, hulpeloze opwinding). Het goud, het kristal van de luchters, de tule, de zijde, de weelderige sieraden, de blinkende tanden van de dansers, de weerschijn van hun spieren – dat alles overweldigde me. In de eerste pauze, het zweet stond nu op mijn lichaam, haastte ik me naar de bar en dronk achter elkaar een paar glazen, waarna ik de fles meenam naar de loge. Thomas sloeg me geamuseerd gade en dronk mee, zij het in een trager tempo. Aan de andere kant van het theater hield een vrouw vanuit een hogere loge een toneelkijker op me gericht. Ze was te ver weg, ik kon haar gezicht niet goed zien en had zelf geen toneelkijker, maar ze zat me duidelijk te bestuderen en dat spelletje werkte danig op mijn zenuwen; in de tweede pauze ondernam ik geen enkele poging haar te vinden, ik nam de wijk naar het privébuffet om daar samen met Thomas verder te drinken; maar zodra het ballet weer begon, werd ik als een kind. Ik klapte, ik overwoog zelfs om een van de danseressen bloemen te sturen, maar ik wist niet welke ik moest kiezen, bovendien kende ik hun namen niet, ik had geen idee hoe dat aan te pakken en was bang het fout te doen. De vrouw bleef naar me kijken, maar ik trok me er niets van aan. Ik dronk nog meer, ik lachte. ‘Je had gelijk,’ zei ik tegen Thomas, ‘het was een goed idee.’ Alles maakte me opgetogen en angstig tegelijk. Ik kon het niet bevatten, de schoonheid van die dansende lichamen, een vrijwel abstracte, aseksuele schoonheid, zonder enig onderscheid tussen mannen en vrouwen, een schoonheid die nu bijna choquerend was. Na de voorstelling nam Thomas me mee naar Charlottenburg, waar hij een klein straatje in ging; tot mijn ontzetting betraden we een bordeel, maar het was te laat om nog te ontsnappen. Ik nam opnieuw een glas en at belegde broodjes, terwijl Thomas danste met de schaars geklede meisjes, die hem blijkbaar kenden. Er waren nog meer officieren en ook een paar burgers. Op een grammofoon werd Amerikaanse muziek gespeeld, rusteloze, irritante jazz, waar het overdreven gelach van de hoeren schril doorheen klonk. De meesten waren alleen gekleed in ondergoed van kleurige zijde en ik gruwde van hun slappe, fletse, vadsige vlees, dat Thomas met beide handen gretig omvatte. Een van de meisjes wilde op mijn knie gaan zitten, met mijn hand op haar blote buik duwde ik haar zachtjes weg, maar zij bleef volhouden en ik stootte haar ruw van me af, waarop zij boos werd. Ik zag er bleek en afgemat uit, alles fonkelde, rinkelde en deed me pijn. Thomas kwam me nog eens inschenken en zei lachend: ‘Als ze je niet bevalt, moet je geen stampij gaan maken, er zijn nog genoeg anderen.’ Met een rood aangelopen gezicht gebaarde hij om zich heen: ‘Je mag kiezen, ik trakteer.’ Ik had helemaal geen zin, maar hij drong aan; om van het gezeur af te zijn pakte ik ten slotte de fles waaruit ik dronk bij de hals vast en ging naar boven met een meisje dat ik willekeurig had aangewezen. In haar kamer was het rustiger. Ze trok me mijn uniformjasje uit; maar toen ze mijn overhemd wilde gaan losknopen, hield ik haar tegen en vroeg haar te gaan zitten. ‘Hoe heet je?’ vroeg ik. – ‘Émilie,’ antwoordde ze, en ze sprak haar naam op z’n Frans uit. – ‘Vertel me maar een verhaal, Émilie.’ – ‘Wat voor verhaal, Herr Offizier?’ – ‘Over je kinderjaren.’ Haar eerste woorden raakten me diep: ‘Ik had een tweelingzus. Ze is op haar tiende gestorven. We hadden alle twee dezelfde ziekte, acute reuma, zij is gestorven aan niervergiftiging, ze kreeg steeds meer vocht... Ze is gestikt.’ Ze zocht in een la en pakte twee ingelijste foto’s. Op de ene stonden de tweelingzusjes zij aan zij, met grote ogen en linten in het haar, ongeveer tien jaar oud; op de andere lag het dode zusje in haar kist, omkranst door tulpen. ‘Die foto hing bij ons thuis. Vanaf die dag kon mijn moeder niet meer tegen tulpen, ze kon de geur niet meer verdragen. Ze zei: De engel heb ik verloren en de duivel heb ik gehouden. Als ik mezelf daarna toevallig in een spiegel opmerkte, was het net of ik mijn dode zusje zag. En als ik hard uit school kwam lopen, kreeg mijn moeder het verschrikkelijk op haar zenuwen, want ze dacht dan mijn zus te zien, daarom dwong ik mezelf altijd om langzaam uit school naar huis te lopen.’ – ‘En hoe ben je hier terechtgekomen?’ vroeg ik. Maar het meisje was op de divan in slaap gevallen, geveld door vermoeidheid. Ik steunde met mijn ellebogen op tafel, nam af en toe een slok en bleef naar haar kijken. Ze schrok wakker: ‘O, neemt u me niet kwalijk, ik kleed me meteen uit.’ Ik glimlachte en antwoordde: ‘Dat hoeft niet.’ Ik ging op de divan zitten, nam haar hoofd op mijn knieën en begon het te strelen. ‘Kom, slaap nog maar wat.’