De cognac van Hohenegg bleek slecht voor de spijsvertering: terug op mijn kamer braakte ik mijn avondeten uit. Het kokhalzen overviel me zo dat ik alleen nog de badkuip kon bereiken. Omdat het spul al was verteerd, kon het gemakkelijk worden weggespoeld; maar het had een scherpe, zure, vieze smaak; liever braakte ik mijn eten meteen weer uit, het was dan wel lastiger en pijnlijker naar buiten te krijgen, maar er zat tenminste geen smaak aan, of anders de smaak van het eten zelf. Ik overwoog bij Hohenegg nog een glas te gaan drinken en hem te vragen wat hij ervan dacht; uiteindelijk spoelde ik mijn mond met water, rookte een sigaret en ging slapen. De volgende dag dwong de beleefdheid me tot een bezoek aan het Kommando; ze verwachtten daar Oberführer Bierkamp. Tegen elven ging ik erheen. In de benedenstad had je vanaf de boulevard een duidelijk zicht op de grillige bergkammen van de Besjtaoe, die in de verte oprees als een beschermgodin; het had niet geregend, maar de lucht was nog steeds fris. Bij het Kommando werd me verteld dat Müller in bespreking was met Bierkamp. Ik bleef wachten op het stoepje aan de rand van de binnenplaats en keek intussen naar een chauffeur die de modder van de bumpers en wielen van de Saurer-vrachtwagen spoelde. De achterdeuren stonden open: uit nieuwsgierigheid liep ik erheen om een blik naar binnen te werpen, want ik had geen idee hoe het eruitzag; prompt deinsde ik achteruit en begon te hoesten; er hing een afgrijselijke stank, het was daarbinnen een smerige poel van braaksel, uitwerpselen, urine. De chauffeur zag dat ik er onpasselijk van werd en zei iets tegen me in het Russisch. Wat ik opving was Grjaznyj, kazjdyj raz, de rest ontging me. Een Orpo, waarschijnlijk een Volksdeutscher, kwam dichterbij en vertaalde: ‘Hij zegt dat het altijd zo verschrikkelijk vuil is, Herr Hauptsturmführer, maar dat het binnen in de wagen anders gaat worden, de vloer schuin en in het midden een luikje. Dat is gemakkelijker schoon te maken.’ – ‘Is het een Rus?’ – ‘Wie, Zajtsev? Dat is een Kozak, Herr Hauptsturmführer, daar hebben we er een aantal van.’ Ik liep terug naar het stoepje en stak een sigaret op; juist op dat moment werd ik geroepen, zodat ik de sigaret moest weggooien. Müller ontving me in gezelschap van Bierkamp. Ik groette en zette uiteen wat mijn opdracht in Pjatigorsk was. ‘Ja ja,’ zei Müller, ‘de Oberführer heeft het me uitgelegd.’ Ze stelden een paar vragen, en ik begon over het pessimisme dat bij de officieren leek te heersen. Bierkamp haalde zijn schouders op: ‘De Wehrmacht is nog nooit anders dan pessimistisch geweest. Al toen we het Rijnland en het Sudetenland binnentrokken, liepen de soldaten als ouwe wijven te mekkeren. Ze hebben nooit de kracht van de wil van de Führer en die van het nationaal-socialisme begrepen. Maar nu wat anders: weet u iets van dat verhaal over een militair bestuur?’ – ‘Nee, Oberführer. Waar doelt u op?’ – ‘Volgens een gerucht zou de Führer ermee akkoord zijn gegaan dat de Kaukasus onder militair in plaats van burgerlijk bestuur komt. Maar het lukt ons niet dat officieel bevestigd te krijgen. Het okhg blijft er uiterst vaag over.’ – ‘Ik zal proberen inlichtingen in te winnen bij het aok, Oberführer.’ We wisselden nog een paar opmerkingen en ik nam afscheid. In de gang kwam ik Turek tegen. Hij bekeek me minachtend, met een gemene grijns, terwijl hij me grof toevoegde: ‘Ha, slappe Papiersoldat. Jou krijg ik nog wel.’ Bierkamp moest met hem hebben gepraat. Ik antwoordde vriendelijk, met een lichte glimlach: ‘Hauptsturmführer, ik blijf tot uw beschikking.’ Nog even bleef hij me woedend aankijken, daarna verdween hij in een kantoor. Nou, zei ik bij mezelf, je hebt je nu toch een vijand op de hals gehaald; zoiets is gauw gebeurd.
Op het aok vroeg ik Gilsa te spreken en ik stelde hem de vraag van Bierkamp. ‘Daar is inderdaad sprake van,’ zei hij, ‘maar de details ken ik nog niet.’ – ‘En hoe gaat het dan met het Reichskommissariat?’ – ‘De oprichting van het Reichskommissariat zal enige tijd worden opgeschort.’ – ‘En waarom weten de vertegenwoordigers van de Sipo en de sd daar niets van?’ – ‘Ik zou het u niet kunnen zeggen. Ik wacht nog op aanvullende informatie. Overigens ressorteert deze kwestie onder het okhg. Oberführer Bierkamp zou zich rechtstreeks daarmee moeten verstaan.’ Ik verliet de kamer van Gilsa met het idee dat hij meer wist dan hij zei. Ik schreef een kort verslag, bestemd voor Leetsch en voor Bierkamp. Mijn werk hield globaal gesproken het volgende in: de Abwehr gaf mij kopieën van rapporten die daartoe geschikt werden geacht en die doorgaans handelden over de ontwikkelingen met de partizanen; ik voegde er informatie aan toe die ik had opgedaan in gesprekken, meestal onder het eten, en stuurde het geheel door naar Vorosjilovsk; daar kreeg ik weer andere rapporten voor terug, die ik voorlegde aan Gilsa of aan een van zijn collega’s. Zo moesten de activiteitenrapporten van Ek 12, dat op vijfhonderd meter van het aok zijn kantoor had, allereerst naar Vorosjilovsk worden gestuurd, daarna kwamen ze, samengevoegd met die van Sk 10b (de andere Kommando’s werkten in het gevechtsgebied of in het gebied achter het Zeventiende Leger), gedeeltelijk terug naar mij en stelde ik ze ter hand aan de Ic; uiteraard onderhield het Einsatzkommando daarnaast rechtstreekse contacten met het aok. Ik had niet bijster veel te doen. Daar profiteerde ik van: Pjatigorsk was een aangename stad, er was veel te zien. Samen met de immer nieuwsgierige Voss bezocht ik het Regionaal Museum, iets lager gelegen dan hotel Bristol, tegenover het postkantoor en het Tsvetnik Park. Dit museum had een fraaie collectie, in de loop van tientallen jaren bijeengebracht door de Kavkazkoje Gornoje Obtsjestvo, een natuurkundige vereniging van enthousiaste amateurs: ze hadden van hun expedities grote hoeveelheden opgezette dieren, mineralen, schedels, planten en gedroogde bloemen meegebracht; oude graven en stenen godenbeelden; aandoenlijke zwart-witfoto’s, veelal van elegante heren met stropdas, losse boord en strohoed, hoog op de helling van een steile berg; en ook iets wat me vol verrukking deed denken aan de werkkamer van mijn vader: een hele muur vol grote vlinderkasten met daarin honderden exemplaren, elk voorzien van een etiket met de datum waarop het was gevangen en waar dat was gebeurd, de naam van de verzamelaar, het geslacht en de wetenschappelijke naam van het exemplaar. Er waren er uit Kislovodsk, uit Adygea, Tsjetsjenië, zelfs uit Dagestan en Adzjarië; de data vielen in de jaren 1923, 1915, 1909. Soms gingen we aan het eind van de middag naar het onlangs door de Wehrmacht heropende Teatr Operetty, ook weer zo’n fantasievol gebouw, met een decoratie van aardewerken tegels waarin afbeeldingen van boeken, instrumenten en guirlandes waren aangebracht; daarna gebruikten we de avondmaaltijd in de kantine, in een café of ook wel in het casino, dat niets meer of minder was dan het voormalige hotel-restaurant Restoratsiya, waar Petsjorin Mary ontmoette en waar Leo Tolstoj zijn vijfentwintigste verjaardag had gevierd, zoals vermeld stond op een gedenkplaat waarvan Voss de Russische tekst voor me vertaalde. De Sovjets hadden er een centraal gouvernementeel Instituut voor Balneologie van gemaakt; de indrukwekkende inscriptie in het fronton, in gouden letters boven robuuste zuilen, was door de Wehrmacht ongemoeid gelaten, maar het gebouw had wel zijn oorspronkelijke functie teruggekregen, en je kon er droge wijn uit Kachetië drinken en sjasliek eten, soms wildbraad. Daar stelde ik Voss voor aan Hohenegg, waarna ze de hele avond bleven praten over de herkomst van de namen van ziekten, in vijf talen.
Halverwege de maand bracht een missive van de Legergroep enige opheldering. Inderdaad had de Führer ermee ingestemd dat er voor de Koeban-Kaukasus een militair bestuur kwam, ressorterend onder okhg a en geleid door General der Kavallerie Ernst Köstring. Het Ostministerium detacheerde bij dit bestuur een hoge functionaris, maar de vestiging van een Reichskommissariat was voor onbepaalde tijd uitgesteld. Verrassender nog was de opdracht van het okh aan okhg a om voor de Kozakken en voor verschillende bergvolken autonome territoriale gebieden te creëren; de kolchozen zouden worden opgeheven en er kwam een verbod op dwangarbeid: het stelselmatige tegendeel van onze politiek in de Oekraïne. Dit leek me te intelligent om waar te zijn. Ik moest terug naar Vorosjilovsk om daar een vergadering bij te wonen: de hsspf wilde een gesprek over de nieuwe decreten. Alle commandanten van de Kommando’s waren aanwezig, meestal samen met hun adjudanten. Korsemann leek ongerust. ‘Het vreemde is dat de Führer dit besluit begin augustus heeft genomen, terwijl ikzelf pas gisteren ben geïnformeerd. Dat is onbegrijpelijk.’ – ‘Het okh zal beducht zijn voor inmenging van de ss,’ opperde Bierkamp. – ‘Maar waarom dan?’ vroeg Korsemann klaaglijk. ‘Onze samenwerking is uitstekend.’ – ‘De ss heeft er veel tijd in gestoken om een goed contact met de beoogde Reichskommissar op te bouwen. Nu is al dat werk voor niets geweest.’ – ‘In Majkop wordt verteld dat de Wehrmacht de controle zal houden over de olie-installaties,’ vertelde de opvolger van Braune, die Schultz heette maar Eisbein-Paule werd genoemd, omdat hij zo vet was. – ‘Laat ik u er ook op wijzen, Brigadeführer,’ vervolgde Bierkamp aan het adres van Korsemann, ‘dat die autonome lokale besturen, als ze worden ingesteld, zelf met de politietaken in hun district zullen worden belast. Vanuit onze optiek is dat onaanvaardbaar.’ Op die toon ging de discussie nog een tijd door; men leek algemeen van mening dat de ss regelrecht bedonderd was. Ten slotte werden we weggestuurd met het verzoek om zo veel mogelijk informatie te verzamelen.
In Pjatigorsk begon ik met enkele officieren van het Kommando vrij behoorlijke contacten te ontwikkelen. Hohenegg was vertrokken, en afgezien van de officieren van de Abwehr zag ik in mijn vrije tijd bijna niemand anders meer dan Voss. Soms kwam ik ’s avonds in het casino ss-officieren tegen. Turek zei uiteraard geen woord tegen me; wat Dr. Müller betrof, sinds ik die man in het openbaar had horen verkondigen dat de vergassingswagen hem niet beviel en dat hij de executiepelotons veel gemütlicher vond, was ik tot de conclusie gekomen dat we elkaar waarschijnlijk niet veel te zeggen hadden. Maar onder de lagere officieren waren fatsoenlijke lui, zij het meestal nogal saai. Toen ik op een avond met Voss cognac zat te drinken en Obersturmführer Dr. Kern langsliep, nodigde ik hem uit erbij te komen. Ik stelde Voss en hem aan elkaar voor: ‘Ah, u bent de linguïst van het aok,’ zei Kern. – ‘Zou goed kunnen,’ antwoordde Voss geamuseerd.’ – ‘Dat treft,’ zei Kern, ‘ik was juist van plan u een kwestie voor te leggen. Er is me verteld dat u veel weet over de volken van de Kaukasus.’ – ‘Min of meer,’ beaamde Voss. – ‘Professor Kern doceert in München,’ kwam ik tussenbeide. ‘Hij is gespecialiseerd in islamitische geschiedenis.’ – ‘Een zeer interessant onderwerp,’ zei Voss instemmend. – ‘Ja, ik heb zeven jaar in Turkije gewoond en ik weet er wel iets van,’ aldus Kern. – ‘Hoe bent u hier dan verzeild geraakt?’ – ‘Net als iedereen, ik ben gemobiliseerd. Ik was al lid van de ss en correspondent voor de sd, en ik ben geëindigd bij de Einsatz.’ – ‘Juist ja. En die kwestie?’ – ‘Het gaat om een jonge vrouw die bij mij is gebracht. Roodharig, knap, charmant. Haar buurvrouwen hadden haar aangegeven omdat ze een jodin zou zijn. Zij liet mij een binnenlands sovjetpaspoort zien, afgegeven in Derbent, waarin haar nationaliteit was aangeduid als tatka. Ik heb er onze kaartenbakken op nagekeken, en volgens onze deskundigen staan de Tatten op één lijn met de Bergjuden. Maar het meisje beweerde dat ik me vergiste en dat de Tatten een Turks volk waren. Ik heb haar gevraagd het een en ander te zeggen: ze sprak in een merkwaardig dialect, een beetje moeilijk te volgen, maar het was echt Turks. Toen heb ik haar laten gaan.’ – ‘Herinnert u zich woorden of uitdrukkingen die ze gebruikte?’ Er volgde een uitvoerig gesprek in het Turks. ‘Dat is het toch niet helemaal,’ zei Voss, ‘weet u het zeker?’ En daar gingen ze weer. Uiteindelijk verklaarde Voss: ‘Naar wat u nu zegt, lijkt het inderdaad min of meer op het Turks dat in de Kaukasus als voertaal werd gebezigd voordat de bolsjewieken iedereen verplichtten Russisch te leren. Ik heb gelezen dat het nog steeds gesproken wordt in Dagestan, met name in Derbent. Maar daar is het de taal van alle volken. Hebt u haar naam genoteerd?’ Kern haalde een notitieboekje uit zijn zak en bladerde: ‘Hier heb ik ’t. Tsokota, Nina Sjolovna.’ – ‘Tsokota?’ Voss fronste zijn wenkbrauwen. ‘Eigenaardig.’ – ‘Dat is de naam van haar man,’ lichtte Kern toe. – ‘Zo. En vertel eens, als ze joods is, wat doet u dan met haar?’ Kern trok een verbaasd gezicht: ‘Nou dan... dan...’ Hij bleef zichtbaar aarzelen. Ik schoot hem te hulp: ‘Dan wordt ze naar elders overgebracht.’ – ‘Juist ja,’ zei Voss. Hij dacht even na en vertelde Kern het volgende: ‘Voor zover ik weet hebben de Tatten hun eigen taal, een Iraans dialect, dat noch met de Kaukasische talen noch met het Turks iets te maken heeft. Er schijnen ook islamitische Tatten te bestaan; ik meen in Derbent, maar ik zal eens inlichtingen inwinnen.’ – ‘Dank u wel,’ zei Kern. ‘Denkt u dat ik haar had moeten vasthouden?’ – ‘Nee, nee. U hebt ongetwijfeld juist gehandeld.’ Kern keek gerustgesteld; de ironie van Voss’ laatste woorden was hem duidelijk ontgaan. Na nog wat opmerkingen over en weer nam hij afscheid. Voss staarde hem na met een verbouwereerde uitdrukking op zijn gezicht. ‘Toch een beetje eigenaardig, die collega’s van u,’ zei hij na een poos. – ‘Hoe bedoelt u?’ – ‘Soms stellen ze verbijsterende vragen.’ Ik haalde mijn schouders op: ‘Ze doen hun werk.’ Voss reageerde hoofdschuddend: ‘Volgens mij gaat u nogal willekeurig te werk. Nou ja, het zijn mijn zaken niet.’ Hij leek misnoegd. ‘Wanneer gaan we naar het Lermontov Museum?’ vroeg ik, om van onderwerp te veranderen. – ‘Wanneer u maar wilt. Zondag?’ – ‘Als het mooi weer is, neemt u me dan ook mee naar de plaats van het duel.’
Over het nieuwe militaire bestuur bereikte ons een stroom van uiteenlopende en soms zelfs tegenstrijdige informatie. General Köstring vestigde zijn kantoor in Vorosjilovsk. Deze officier op leeftijd was al gepensioneerd toen hij weer was opgeroepen voor de actieve dienst, maar mijn zegslieden van de Abwehr beweerden dat hij nog krachtig genoeg was en noemden hem de Wijze Maraboet. Hij was geboren in Moskou, had aan het hoofd gestaan van de Duitse militaire missie die in 1918 in Kiev contact had gelegd met Hetman Skoropadski, en hij had tweemaal als militair attaché gediend op onze ambassade in Moskou: hij gold dan ook als een van de beste Ruslandkenners van Duitsland. Oberst von Gilsa regelde een gesprek voor me met de nieuwe vertegenwoordiger van het Ostministerium bij Köstring, Dr. Otto Bräutigam, die consul was geweest in Tiflis. Met zijn ronde brillenglazen, zijn stijve boord en het kastanjebruine uniform waarop het gouden insigne van de Partij prijkte, kwam hij stijfjes op mij over; hij bleef afstandelijk, bijna kil, maar maakte een betere indruk dan de meeste Goldfasanen. Gilsa had me verteld dat hij een belangrijke post op de politieke afdeling van het ministerie bekleedde. ‘Ik ben blij u te ontmoeten,’ zei ik terwijl ik hem een hand gaf. ‘Misschien kunt u ons over bepaalde zaken eindelijk enige duidelijkheid verschaffen.’ – ‘In Vorosjilovsk heb ik Brigadeführer Korsemann gezien en een lang gesprek met hem gehad. De Einsatzgruppe is toch wel op de hoogte gesteld?’ – ‘Uiteraard! Maar als u een paar minuten hebt wil ik dolgraag met u praten, die aangelegenheden interesseren me namelijk ten zeerste.’ Ik nam Bräutigam mee naar mijn werkkamer en bood hem iets te drinken aan; hij weigerde beleefd. ‘Het Ostministerium zal wel teleurgesteld zijn geweest, neem ik aan, dat besloten is de vestiging van het Reichskommissariat op te schorten,’ begon ik. – ‘Volstrekt niet. Wij zien het besluit van de Führer juist als een unieke kans om correcties aan te brengen in de rampzalige politiek die wij in dit land voeren.’ – ‘Hoe bedoelt u?’ – ‘U moet niet vergeten dat de twee thans functionerende Reichskommissare zijn benoemd zonder dat minister Rosenberg is geraadpleegd, en dat het Ostministerium feitelijk geen enkele controle over hen heeft. Het ligt dus niet aan ons, dat de beide Gauleiter Koch en Lohse uitsluitend doen waar ze zin in hebben; de verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij degenen die hen steunen. Dankzij hun onbezonnen en dwaze politiek gaat het ministerie door voor een Chaosministerium.’ Ik glimlachte, maar hij bleef ernstig. ‘Inderdaad,’ zei ik, ‘ik was een jaar in de Oekraïne, en het beleid van Reichskommissar Koch plaatste ons daar voor behoorlijk wat problemen. We mogen wel stellen dat hij uitblonk in het rekruteren van partizanen.’ – ‘Net als Gauleiter Sauckel en zijn slavenjagers. Zoiets willen wij hier vermijden. Want indien de Kaukasische stammen dezelfde behandeling krijgen als de Oekraïners, komen ze in opstand en trekken ze zich terug in de bergen. En dan is het einde zoek. Het kostte de Russen in de vorige eeuw dertig jaar om imam Sjamil te onderwerpen. Toch waren er toen niet meer dan een paar duizend rebellen; om die te bedwingen moesten de Russen maar liefst driehonderdvijftigduizend soldaten inzetten!’ Na een korte pauze vervolgde hij: ‘Minister Rosenberg en de politieke afdeling van het ministerie pleiten sinds het begin van de veldtocht voor een duidelijke politieke lijn: Duitsland zal het stalinistische systeem alleen definitief kunnen vermorzelen in een bondgenootschap met de volken in het Oosten die door de bolsjewieken zijn onderdrukt. Deze strategie, deze Ostpolitik zo u wilt, heeft tot nu toe geen bijval gekregen; steeds heeft de Führer zijn steun gegeven aan hen die menen dat Duitsland deze taak zonder verdere hulp kan volbrengen door de volken die het zou moeten bevrijden, in plaats daarvan te onderdrukken. Beoogd Reichskommissar Schickedanz lijkt ook helemaal in die richting te denken, ondanks zijn langdurige vriendschap met de minister. Maar mannen binnen de Wehrmacht die hun verstand erbij houden, met name Generalquartiermeister Wagner, hebben willen voorkomen dat de Oekraïense ramp zich in de Kaukasus zou herhalen. Hun oplossing, de regio onder militaire controle houden, lijkt ons een goede, temeer daar generaal Wagner hier uitdrukkelijk de ministeriële medewerkers met het scherpste inzicht bij heeft willen betrekken, zoals wel blijkt uit mijn aanwezigheid hier. Voor ons en voor de Wehrmacht is dit een unieke kans om te bewijzen dat de Ostpolitik de enig juiste weg is; als wij hier slagen, hebben we misschien de mogelijkheid om de schade te herstellen die in de Oekraïne en in het Ostland is aangericht.’ – ‘Er wordt dus hoog ingezet,’ concludeerde ik. – ‘Ja.’ – ‘En beoogd Reichskommissar Schickedanz, was die niet verschrikkelijk gegriefd dat hij zo opzij werd geschoven? Ook hij heeft mensen die hem steunen.’ Bräutigam maakte een misprijzend handgebaar; zijn ogen blonken achter de brillenglazen: ‘Niemand heeft hem naar zijn mening gevraagd. Hoe dan ook, beoogd Reichskommissar Schickedanz wordt zo in beslag genomen door de bouwplannen voor zijn toekomstig paleis in Tiflis en door het overleg met zijn medewerkers over het aantal monumentale entrees dat er moet komen, dat hij zich niet met de beleidsdetails bezighoudt, anders dan wij.’ – ‘Juist ja.’ Ik dacht even na: ‘Nog een vraag. Hoe ziet u in deze constructie de rol van de ss en de Sipo?’ – ‘De Sicherheitspolizei heeft uiteraard belangrijke taken. Maar er zal afstemming moeten plaatsvinden met de Legergroep en met het militair bestuur om te voorkomen dat de positieve initiatieven worden doorkruist. Zoals ik Brigadeführer Korsemann heb gesuggereerd, betekent dit dat er een zekere omzichtigheid in acht zal moeten worden genomen in de omgang met minderheidsgroepen als de bergstammen en de Kozakken. Weliswaar hebben bepaalde elementen uit die groepen met de communisten samengewerkt, maar dat was meer uit nationalisme dan uit bolsjewistische overtuiging, om de belangen van hun volk veilig te stellen. Zij hoeven door de instanties niet als stalinistische commissarissen of functionarissen te worden behandeld.’ – ‘En hoe denkt u over het joodse vraagstuk?’ Hij hief zijn hand: ‘Dat is weer iets anders. De joodse bevolking blijft een van de pijlers van het bolsjewistische systeem, dat is duidelijk.’ Hij stond op om afscheid te nemen. ‘Bedankt dat u de tijd hebt genomen voor dit gesprek,’ zei ik, toen ik hem bij de buitendeur een hand gaf. – ‘Graag gedaan. Ik acht het van groot belang dat we met de ss even goede contacten hebben als met de Wehrmacht. Hoe beter u begrijpt wat ons hier voor ogen staat, hoe beter het allemaal zal gaan.’ – ‘Wees ervan overtuigd dat ik in die zin aan mijn superieuren zal rapporteren.’ – ‘Uitstekend. Hier is mijn kaartje. Heil Hitler!’
Voss vond het een vermakelijk gesprek, toen ik hem ervan vertelde. ‘Het werd tijd! Niets scherpt de geest zozeer als een mislukking.’ Zoals afgesproken hadden we elkaar die zondag aan het eind van de ochtend getroffen voor de Feldkommandantur. Een groepje jongens verdrong zich bij de versperring, gefascineerd door de motorfietsen en door de Schwimmwagen, het amfibievoertuig dat daar geparkeerd stond. ‘Partizanen!’ brulde een landweerman, die vergeefs probeerde hen met een rijzweepje uiteen te jagen; nauwelijks waren ze aan de ene kant verdreven of aan de andere kant stroomden ze weer toe, en de reservist begon al te hijgen. We klommen naar het museum omhoog via de steile Karl-Marx-straat en ik rondde mijn samenvatting van het gesprek met Bräutigam af. ‘Beter laat dan nooit,’ reageerde Voss, ‘al zal het volgens mij niet lukken. We hebben te veel slechte gewoonten ontwikkeld. Het is alleen maar uitstel, dat militaire bestuur. Over zes of tien maanden kunnen ze niet anders dan de zaak uit handen geven, en dan komen alle jakhalzen die nu nog zijn aangelijnd weer aanrennen, figuren als Schickedanz, Körner, de Sauckel-Einsatz, met een even grote rotzooi als gevolg. Weet u, het probleem is dat wij geen enkele koloniale traditie hebben. Al vóór de Grote Oorlog voerden we een slecht beheer over onze Afrikaanse bezittingen. En daarna bezaten we helemaal niets meer en ging het beetje ervaring dat we in de koloniale besturen hadden opgedaan, weer verloren. Vergelijk dat eens met de Engelsen, zie eens hoe soepel, hoe handig die hun imperium besturen en exploiteren. Als het moet, zijn ze heel wel in staat de stok te hanteren, maar altijd houden ze eerst een wortel voor, en na de stokslagen komen ze meteen weer met de wortel terug. Zelfs de Russen hebben het in feite beter gedaan dan wij: ondanks hun ruwe aanpak hebben zij toch een gevoel van gemeenschappelijke identiteit weten te creëren, en hun rijk houdt stand. De troepen die ons bij de Terek hebben teruggedreven, bestonden vooral uit Georgiërs en Armenen. Ik heb met Armeense krijgsgevangenen gesproken: zij voelen zich sovjetburgers en vechten voor de ussr, zonder bijgedachten. Wij zijn niet in staat geweest hun iets beters te bieden.’ We stonden inmiddels voor de groene deur van het museum, en ik klopte aan. Na een paar minuten ging de iets hoger gelegen rijpoort op een kier en we zagen een oude, gerimpelde boer met een pet op, zijn eeltige vingers geel van de machorka. Hij wisselde een paar opmerkingen met Voss en trok daarna de poort iets verder open. ‘Hij zegt dat het museum dicht is maar dat we toch wel mogen kijken, als we willen. Hier in de bibliotheek wonen een paar Duitse officieren.’ Via de poort kwam je op een geplaveid binnenplaatsje, dat omzoomd werd door elegante, gepleisterde gevels; rechts was een koetshuis, met een buitentrap die naar de bovenverdieping voerde waar zich de bibliotheek bevond. Daarachter verhief zich de alom aanwezige Masjoek, met slierten wolken tegen de oostflank. Links, meer in de diepte, zagen we een vrij kleine tuin met wijnstokken langs een latwerk, en daarachter nog weer andere bouwsels met strooien daken. Voss beklom de trap naar de bibliotheek. Binnen namen de boekenkasten van gevernist hout zo veel ruimte in beslag dat je er maar net tussendoor kon. De oude man was ons gevolgd; ik gaf hem drie sigaretten; zijn gezicht lichtte op, maar hij bleef bij de deur staan om ons in het oog te houden. Voss bestudeerde de boeken door de glasdeuren heen, zonder iets aan te raken. Mijn aandacht werd getrokken door een klein olieverfportret van Lermontov, fijn geschilderd: hij was afgebeeld in een rode dolman, opgesmukt met epauletten en vergulde passementen, zijn lippen vochtig, zijn ogen opmerkelijk onrustig, in zijn blik een mengeling van boosheid, angst en woeste spot. In een andere hoek hing een portret, een gravure, met een cyrillisch onderschrift dat ik met moeite ontcijferde: het was Martinov, de moordenaar van Lermontov. Voss probeerde het deurtje van een boekenkast open te trekken, maar het bleek op slot. De oude man zei iets tegen hem en er volgde een kort gesprek. ‘De conservator is gevlucht,’ vertaalde Voss voor mij. ‘Een van de medewerksters heeft de sleutels, en die is er vandaag niet. Jammer, ze hebben hier mooie dingen.’ – ‘U komt hier nog wel een keer.’ – ‘Zeker. Maar ga mee, hij maakt nu het huis van Lermontov open.’ We staken de binnenplaats over en liepen door de kleine tuin naar een van de lage huisjes. De man duwde tegen de deur; binnen was het donker, maar dankzij het licht dat door de deuropening naar binnen viel, konden we wel iets zien. De muren waren witgepleisterd, er stond eenvoudig meubilair; verder fraaie oosterse tapijten, en aan spijkers opgehangen Kaukasische sabels. Ook nog een smalle, zo te zien niet erg comfortabele divan. Voss was bij een bureau blijven staan en streelde het bovenblad. De man gaf hem weer enige toelichting. ‘Aan deze tafel heeft hij Een held van onze tijd geschreven,’ vertaalde Voss peinzend. – ‘Hier op deze plek?’ – ‘Nee, in Sint-Petersburg. Toen het museum werd gesticht, heeft de regering het bureau hierheen laten brengen.’ Verder was er niets te zien. Buiten hield de zon zich schuil achter de wolken. Voss bedankte de oude man en ik gaf hem nog wat sigaretten. ‘We moeten een keer terug als er iemand is die alles kan vertellen,’ zei Voss. We waren bijna de deur uit toen hij opmerkte: ‘Dat ben ik nog vergeten u te zeggen: professor Oberländer is hier.’ – ‘Oberländer? Maar die ken ik. In het begin van de veldtocht heb ik hem ontmoet, in Lemberg.’ – ‘Goed zo. Ik wilde voorstellen om vanavond gedrieën te gaan eten.’ Op straat ging Voss linksaf, de kant uit van de bestrate laan die begon bij het standbeeld van Lenin. De weg bleef stijgen, ik raakte al een beetje buiten adem. Voss boog niet af naar de Aeolische Harp en de Academische Galerij maar bleef rechtdoor lopen, langs de Masjoek, over een verharde weg die ik nog nooit had genomen. De lucht werd snel donkerder en ik vreesde dat het zou gaan regenen. We passeerden enkele sanatoria, daarna eindigde het asfalt en liepen we verder over een brede, onverharde weg. Hier was het bijna uitgestorven: een boer kwam ons tegemoet, gezeten op een kar en omringd door het gerinkel van het tuig dat zich vermengde met het geloei van zijn os en het geknars van de scheve wielen, daarna zagen we niemand meer. Wat verder links bevond zich in de flank van het gebergte een bakstenen boog. We liepen erheen, onze ogen samenknijpend om in het duister iets te onderscheiden; een smeedijzeren hek met een hangslot maakte het onmogelijk om de gang in het inwendige van de berg te betreden. ‘Dit is de Proval,’ vertelde Voss. ‘Aan het eind is een zwavelhoudende bron, in een grot met een gat bovenin.’ – ‘Is dit niet de plek waar Petsjorin Vera ontmoet?’ – ‘Ik weet het niet zeker. Misschien was het in de grot aan de voet van de Aeolische Harp?’ – ‘We zoeken het op.’ Vlak boven ons hoofd dreven de wolken voorbij: voor mijn gevoel kon ik, als ik mijn hand opstak, de kringelende damp aanraken. Van de hemel was niets meer te zien en de atmosfeer was nu gedempt, geluidloos. De zandige bodem knarste onder onze voetstappen; de weg steeg licht, en weldra hingen de wolken om ons heen. We zagen ternauwernood de grote bomen die langs de kant van de weg stonden; de lucht leek dichtgestopt, de wereld was verdwenen. In de verte klonk door de bossen de kreet van een koekoek, een ongeruste, troosteloze roep. Een hele tijd bleven we zwijgend doorlopen. Nu en dan ving ik een glimp op van massieve blokken, donker en vaag, gebouwen waarschijnlijk; dan kwam weer het bos. Door de grauwheid drong een troebele glans, de wolken begonnen op te lossen, werden plotseling rafelig, dreven uiteen, en ineens liepen we weer in de zon. Het was niet gaan regenen. Rechts van ons, voorbij de bomen, tekenden zich de brokkelige vormen af van de Besjtaoe; na nog twintig minuten lopen waren we bij het monument. ‘We hebben nu de lange route genomen,’ zei Voss. ‘Vanaf de andere kant is het korter.’ – ‘Maar het was de moeite waard.’ Het monument zelf, een witte gedenknaald die oprees uit een verwaarloosd grasveld, was nauwelijks interessant: bij dit gedenkteken, een zorgvuldig product van burgerlijke piëteit, kon je je moeilijk een voorstelling maken van de schoten, het bloed, de rauwe kreten, de razernij van de gevelde dichter. Op het terrein stonden Duitse voertuigen; meer in de diepte, aan de rand van het bos, waren tafels en banken neergezet waar soldaten zaten te eten. Voor de volledigheid bestudeerde ik het bronzen medaillon en de inscriptie op het monument. ‘Ik heb de foto gezien van een provisorisch monument, gebouwd in 1901,’ vertelde Voss. ‘Een halfrond fantasieding van hout en gips, met ergens heel hoog een borstbeeld. Dat was veel aardiger.’ – ‘Ze zullen wel financieringsproblemen hebben gehad. Zullen we wat gaan eten?’ – ‘Ja, ze hebben hier lekkere sjaslieks.’ We staken het terrein over en liepen omlaag naar de tafels. Op twee van de voertuigen stonden de emblemen van het Einsatzkommando; aan een tafel herkende ik verscheidene officieren. Kern stak een hand naar ons op en ik groette terug, maar ik liep niet naar hem toe om gedag te zeggen. Turek, Bolte en Pfeiffer waren er ook. Ik koos een tafel die wat achteraf stond, vlak bij het bos, met ruwhouten krukken eromheen. Een man uit de bergen, met een kalotje op en een weelderige snor tussen ongeschoren wangen, kwam naar ons toe. ‘Geen varkensvlees,’ vertaalde Voss, ‘alleen schapenvlees. Maar wel wodka en kompot.’ – ‘Uitstekend.’ Aan de andere tafels klonken opgewonden stemmen. Er waren ook lagere officieren van de Wehrmacht en een paar burgers. Turek bekeek ons en begon daarna druk met Pfeiffer te praten. Zigeunerkinderen renden tussen de tafels door. Een kwam er op ons af: ‘Chleb, chleb,’ neuriede de jongen en stak een zwarte, vuile hand uit. De bergbewoner had ons wat sneden brood gebracht en ik gaf hem er een, die meteen naar binnen werd gewerkt. Toen wees hij naar het bos: ‘Sestra, sestra, devotsjka. Krassivaja.’ Hij maakte een obsceen gebaar. Voss barstte in lachen uit en maakte een opmerking die hem op de vlucht joeg. Hij liep in de richting van de ss-officieren en hervatte zijn gebarentaal. ‘Denkt u dat die mannen erheen gaan?’ vroeg Voss. – ‘Niet voor het oog van het hele gezelschap,’ zei ik. En inderdaad gaf Turek hem een oorvijg, zodat het kind over het gras rolde. Ik zag dat hij zogenaamd zijn wapen tevoorschijn haalde; het joch ging er tussen de bomen vandoor. De man uit de bergen, die achter een lange metalen bak op poten in de weer was geweest, kwam weer naar ons toe met twee spiesen, die hij op het brood deponeerde: vervolgens bracht hij ons drank en glazen. De wodka paste voortreffelijk bij het sappige vlees, we schonken onszelf een aantal keren in en wisselden af met een kompot van bessen op sap. De zon wierp schitteringen over het gras, de rijzige dennen, het monument en de helling van de Masjoek daarachter; de wolken waren definitief achter de berg verdwenen. Opnieuw dacht ik aan Lermontov, zoals hij een paar passen verder zieltogend op het gras had gelegen, zijn borst doorboord vanwege een onnozele opmerking over Martinovs kleren. Anders dan zijn romanpersonage Petsjorin had Lermontov in de lucht geschoten; zijn opponent niet. Waar zou Martinov aan hebben gedacht, toen hij het lijk van zijn vijand zag liggen? Hij wilde zelf een dichter zijn en had ongetwijfeld Een held van onze tijd gelezen; hij had de gelegenheid om de bittere echo’s en trage golven van de legendevorming op zich te laten inwerken, en hij wist dat hij alleen nog zou voortleven als de moordenaar van Lermontov, een tweede D’Anthès die de Russische literatuur doorkruiste. Toch moest ook hij in het begin van zijn leven andere ambities hebben gekoesterd; ook hij had iets willen doen, iets willen bereiken. Was hij misschien gewoon jaloers op Lermontovs talent? Of wilde hij misschien liever herinnerd worden om het kwaad dat hij had aangericht dan helemaal niet? Ik probeerde me zijn portret te binnen te brengen, maar het lukte al niet meer. En Lermontov? Hoe had hij zich gevoeld, toen hij zijn pistool in de lucht leegschoot en zag dat Martinov op hem richtte: bitter, radeloos, woedend, ironisch? Of had hij simpelweg zijn schouders opgehaald en naar het zonlicht gekeken dat over de dennenbomen speelde? Net als bij Poesjkin ging het verhaal dat zijn dood afgesproken werk was geweest, een huurmoord; hoe het ook zij, hij was de dood met open ogen en zonder tegenstribbelen tegemoet getreden, waarin hij meteen duidelijk verschilde van Petsjorin. Wat Blok over Poesjkin heeft geschreven, gold waarschijnlijk nog sterker voor hem: Hij is niet gestorven door de kogel van D’Anthès, maar door gebrek aan lucht. Zelf had ik ook gebrek aan lucht, maar de zon en de sjaslieks, gevoegd bij de blijmoedige vriendelijkheid van Voss, gaven me even de kans om vrijuit te ademen. We betaalden de oude man met bezettings-karbovanets en vervolgden onze tocht langs de Masjoek. ‘Laten we naar de oude begraafplaats gaan,’ stelde Voss voor. ‘Daar staat een gedenksteen op de plaats waar Lermontov eerst heeft gelegen.’ Na het duel hadden zijn vrienden de dichter ter plekke begraven; een jaar later, honderd jaar voor onze komst naar Pjatigorsk, had zijn grootmoeder van moederskant zijn stoffelijke resten opgehaald en overgebracht naar haar woonplaats in de buurt van Penza, om ze daar naast zijn moeder opnieuw te begraven. Ik nam het voorstel van Voss graag aan. Twee auto’s reden ons in een wervelende stofwolk voorbij; de officieren van het Kommando keerden huiswaarts. Turek zat zelf aan het stuur van de voorste; achter de autoruit zag ik zijn van haat vervulde blik, die hem werkelijk een erg joods gezicht gaf. De kleine colonne reed rechtdoor maar wij sloegen linksaf, een lange dwarsweg in die over de helling van de Masjoek naar boven voerde. Het eten, de wodka en de warmte gaven me een opgeblazen gevoel; ik begon te hikken en liep van de weg af het bos in. ‘Gaat het?’ vroeg Voss toen ik terugkwam. Ik maakte een vaag gebaar en stak een sigaret op. ‘Het is niets. Het overblijfsel van een ziekte die ik in de Oekraïne heb opgelopen. Nu en dan komt het weer terug.’ – ‘U zou naar een dokter moeten.’ – ‘Misschien. Binnenkort is Dr. Hohenegg er weer, ik zal kijken.’ Voss liet mij geduldig mijn sigaret oproken en daarna zetten we ons weer in beweging, hij achter mij aan. Ik had het warm en deed mijn pet af, trok mijn jasje uit. Boven maakte de weg een brede lus, vanwaar je een mooi uitzicht had op de stad en de vlakte daarachter. ‘Als we rechtdoor gaan, komen we weer bij de sanatoria,’ zei Voss. ‘Naar de begraafplaats kunnen we door die boomgaarden.’ Op de steile helling, waar gemaaid gras lag, stonden fruitbomen; een muildier aan een touw zocht de grond af naar gevallen appels. Soms gleden we meer dan we liepen. Om een stuk af te snijden gingen we door een vrij dicht bos, waar we weldra verdwaalden. Ik trok mijn jasje weer aan, want ik haalde mijn armen open aan de takken en braamstruiken. Ten slotte kwam ik, in het kielzog van Voss, op een holle zandweg terecht, die langs een gemetselde muur voerde. ‘Hier moet het zijn,’ zei Voss. ‘We lopen erlangs.’ Nadat de auto’s ons voorbij waren gereden hadden we niemand meer gezien, ik voelde me als in een totaal verlaten streek; maar iets verderop kwam ons, blootsvoets en zwijgend, een jongen tegemoet die een ezel meevoerde. De muur volgend bereikten we een pleintje voor een orthodoxe kerk. Een oude vrouw in zwarte kleren, zittend op een kist, had wat bloemen te koop; ook kwamen er vrouwen de kerk uit. Aan de andere kant van het hek bevonden zich de graven, verspreid onder hoge bomen die het sterk glooiende kerkhof van schaduw voorzagen. We namen een oplopende weg van bonkige, in de grond gewerkte stenen, tussen oude graven die werden overwoekerd door verdord gras, varens en doornstruiken. Hier en daar viel het licht in smalle bundels tussen de bomen door en in die flarden zon dansten kleine vlinders, zwart en wit, rond verwelkte bloemen. Daarna maakte de weg een bocht, de bomen weken uiteen en we keken nu uit op de zuidwestelijke vlakte. In een omheinde ruimte wierpen twee kleine bomen hun schaduw over de gedenksteen die de plaats van Lermontovs eerste graf markeerde. Er was niets anders te horen dan het getsjirp van de cicaden en het ruisen van het windje door de bladeren. Vlak bij de gedenksteen lagen de graven van de familieleden van Lermontov, de Sjan-Girej. Ik draaide me om: in de verte liepen de lange, groene balka’s als diepe sleuven door het vlakke landschap tot aan de eerste rotsachtige uitlopers. De vulkaanbulten leken als kluiten uit de hemel neergevallen; in de verte zag ik de sneeuwtoppen van de Elbroes. Terwijl Voss verderop rondsnuffelde, ging ik op de treden voor de gedenksteen zitten en dacht opnieuw aan Lermontov: zoals alle dichters werd hij eerst vermoord en daarna vereerd.
We liepen terug de stad in over de Verchnij rynok, de markt, waar de boeren net de laatste onverkochte kippen, vruchten en groenten op karren en muilezels laadden. Ook de vele verkopers van zonnebloempitten en de schoenpoetsers gingen huns weegs; op karretjes die in elkaar waren geknutseld met behulp van planken en kruiwagenwielen, zaten jongens te wachten tot een verlate soldaat hun zou vragen zijn spullen te vervoeren. Aan de voet van de heuvel, langs de Kirov-boulevard, stonden rijen nieuwe kruisen op een iets hoger terreintje met een lage muur eromheen; het lieflijke plantsoen met het standbeeld van Lermontov was veranderd in een Duits soldatenkerkhof. Meer naar het Tsvetnik Park toe lag langs de boulevard de ruïne van de oude orthodoxe kathedraal, die in 1936 door de nkvd was opgeblazen. ‘Is het u opgevallen?’ vroeg Voss terwijl hij naar de steenresten wees. ‘De Duitse kerk hebben ze ongemoeid gelaten. Onze mannen gaan daar nog heen om te bidden.’ – ‘Jawel, maar hier in de omgeving waren drie dorpen met Volksdeutschen en die hebben ze ontruimd. In 1830 had de tsaar hen uitgenodigd hier te komen wonen. Vorig jaar zijn ze allemaal naar Siberië gestuurd.’ Maar Voss was met zijn gedachten nog bij de lutherse kerk. ‘Wist u dat die door een soldaat is gebouwd? Een zekere Kempfer, die onder Jevdokimov tegen de Tsjerkessen heeft gevochten en zich hier heeft gevestigd.’ In het park, iets voorbij het toegangshek, was een houten galerij van twee verdiepingen, met torentjes voorzien van futuristische koepels en een loggia die om de hele bovenste verdieping heen liep. In die loggia stonden een paar tafels waar Turkse koffie en zoetigheden werden geserveerd, voor wie dat kon betalen. Voss koos een plaats aan de kant van de grote laan door het park, met uitzicht op groepjes ongeschoren, knorrige oude mannen, die ’s avonds op de banken met elkaar zaten te schaken. Ik bestelde koffie met cognac; we kregen er citroenkoekjes bij; de cognac kwam uit Dagestan en leek nog zoeter dan de Armeense, maar dat paste wel bij de koekjes en bij mijn goede humeur. ‘Hoe gaat het met uw werk?’ vroeg ik aan Voss. Hij lachte: ‘Ik ben nog steeds op zoek naar iemand die Oebichisch spreekt; maar in het Kabardisch heb ik aanzienlijke vorderingen gemaakt. Eigenlijk zit ik te wachten op de val van Ordjonikidze.’ – ‘Waarom dat?’ – ‘Ach, ik vertelde u al dat de Kaukasische talen niet mijn eigenlijke specialiteit zijn. Wat me werkelijk interesseert zijn de zogeheten Indo-Germaanse talen, en dan vooral die van Iraanse oorsprong. Het Osseets is een uiterst fascinerende Iraanse taal.’ – ‘In welk opzicht?’ – ‘Vanwege de geografische ligging van Ossetië: terwijl alle andere niet-Kaukasische sprekers in de randgebieden of op de uitlopers van de Kaukasus woonachtig zijn, ligt Ossetië in het midden van het bergmassief en snijdt het in tweeën, precies op de plaats waar de meest toegankelijke pas is, die bij de Darjalkloof, waar de Russen de Vojennaja doroga hebben aangelegd, van Tiflis tot Ordjonikidze, dat vroeger Vladikavkaz heette. Dit volk heeft weliswaar de kleding en de gewoonten van de omringende bergbewoners overgenomen, maar het is duidelijk pas betrekkelijk laat in dit gebied doorgedrongen. Er zijn goede gronden om aan te nemen dat deze Ossetiërs of Osseten afstammen van de Alanen en dus van de Scythen; als dit inderdaad zo is, zou hun taal een levend archeologisch spoor van het Scythisch vormen. En er is nog iets: Dumézil heeft in 1930 een bundel Osseetse legenden uitgegeven over een fabelachtig volk van halfgoden, dat door hen de Narten wordt genoemd. Dumézil veronderstelt ook een verband tussen deze legenden en de Scythische godsdienst waar Herodotus melding van maakt. Sinds eind vorige eeuw hebben Russische onderzoekers zich met dit onderwerp beziggehouden; de bibliotheek en de instituten van Ordjonikidze moeten uitpuilen van bijzonder materiaal, dat in Europa niet toegankelijk is. Ik hoop maar dat niet alles tijdens de aanval verbrandt.’ – ‘Kortom, als ik u goed begrijp, zouden die Osseten een Urvolk zijn, een van de oorspronkelijke Arische volkeren.’ – ‘Oorspronkelijk is een woord dat veel wordt gebruikt en misbruikt. Laten we zeggen dat hun taal wetenschappelijk gezien een zeer interessant archaïsch karakter heeft.’ – ‘Wat bedoelt u met die opmerking over het begrip oorspronkelijk?’ Hij haalde zijn schouders op: ‘Oorspronkelijk, dat is meer een hersenspinsel, meer een psychologische of politieke aanspraak dan een wetenschappelijk begrip. Neem bijvoorbeeld het Duits: eeuwenlang, zelfs nog voor Maarten Luther, werd beweerd dat dit een oorspronkelijke taal was, en daarvoor werd dan als argument aangevoerd dat het niet zijn toevlucht neemt tot stamvormen van vreemde herkomst, in tegenstelling tot de Romaanse talen, waarmee het vergeleken werd. Bepaalde theologen gingen in hun enthousiasme zelfs zo ver te beweren dat het Duits de taal van Adam en Eva zou zijn geweest en dat het Hebreeuws er later uit zou zijn afgeleid. Maar dat is een volstrekt ongefundeerde bewering, want ook al zijn de stamvormen “autochtoon” – in wezen allemaal rechtstreeks ontleend aan de talen van de Indo-Europese nomaden –, de structuur van onze grammatica is toch volledig geënt op het Latijn. Onze culturele voorstellingswereld draagt niettemin sterk het stempel van deze ideeën, van de bijzondere eigenschap van het Duits, in vergelijking met de andere Europese talen, dat het min of meer zijn eigen vocabulaire genereert. Het is een feit dat elk willekeurig Duits kind van acht jaar alle stamvormen van onze taal kent en elk woord kan ontleden en begrijpen, zelfs de meest geleerde begrippen, hetgeen niet geldt voor bijvoorbeeld een Frans kind, dat veel tijd nodig heeft om de “moeilijke” woorden te leren, die zijn ontleend aan het Grieks of het Latijn. Dit voert trouwens al een eind in de richting van de opvatting die wij over onszelf hebben: Deutschland is het enige land in Europa dat zichzelf niet geografisch aanduidt, dat niet de naam van een plaats of volk draagt, zoals de Angelen of de Franken, nee, het is het land van het Volk an sich: deutsch is een adjectieve vorm van het Oudhoogduitse substantief Tuits, volk. Dat is ook de reden dat geen van onze buren ons op dezelfde manier benoemt: Allemands, Germans, Duitsers, Tedeschi in het Italiaans, wat ook van Tuits is afgeleid, of hier in Rusland Nemetski, wat overigens “de sprakelozen” betekent, dus mensen die niet kunnen praten, vergelijkbaar met het Griekse Barbaros. Onze hele raciale en völkische ideologie berust in zekere zin op deze oeroude Duitse pretenties. Die wij, zo voeg ik eraan toe, niet als enigen koesteren: Goropius Becanus, een Vlaamse auteur, beweerde in 1569 hetzelfde over het Nederlands, dat hij vergeleek met wat hij noemde “de oorspronkelijke talen van de Kaukasus, de vagijn der volkeren”.’ Hij lachte vergenoegd. Ik had het gesprek graag willen voortzetten, vooral wat de raciale theorieën betrof, maar hij stond al op: ‘Ik moet gaan. Zullen we met Oberländer dineren, als hij vrij is?’ – ‘Ja, graag.’ – ‘Dan zien we elkaar in het casino. Tegen achten.’ Hij liep haastig de trap af. Ik ging weer zitten en bekeek de schakende oude mannen. De herfst was in aantocht: de zon verdween al achter de Masjoek, kleurde de bergkam roze en wierp oranje fonkelingen tussen de bomen langs de boulevard beneden, tot op de ramen en de grijze pleisterlaag van de gevels.
Omstreeks half acht kwam ik bij het casino aan. Voss was er nog niet en ik bestelde een cognac, waarmee ik me terugtrok in een hoekje. Een paar minuten later kwam Kern binnen, keek rond en kwam naar mij toe. ‘Hauptsturmführer! Ik zocht u al.’ Hij nam zijn muts af en ging zitten, terwijl hij een blik om zich heen wierp; hij zag er opgelaten, nerveus uit. ‘Hauptsturmführer! Ik wilde u ergens op attent maken dat voor u denk ik van belang zal zijn.’ – ‘Ja?’ Hij aarzelde: ‘Men... U trekt nogal veel op met die Leutnant van de Wehrmacht. Dat... hoe zal ik het zeggen? Dat geeft aanleiding tot geruchten.’ – ‘Wat voor soort geruchten?’ – ‘Geruchten... laten we zeggen gevaarlijke geruchten. Het soort geruchten dat iemand regelrecht in een concentratiekamp kan brengen.’ – ‘Ik snap het.’ Ik vertrok geen spier. ‘En wordt dit soort geruchten toevallig door bepaalde personen verspreid?’ Hij verbleekte: ‘Ik wil er verder niets meer over zeggen. Ik vind het laag, beschamend. Ik wilde u alleen waarschuwen, zodat u kunt... zodat u kunt zorgen dat dit niet verder gaat.’ Ik stond op en stak hem mijn hand toe: ‘Bedankt voor de informatie, Obersturmführer. Maar mensen die zo laf zijn om gemene praatjes te verspreiden in plaats van iemand rechtstreeks aan te spreken, die veracht ik en negeer ik.’ Hij drukte me de hand: ‘Ik begrijp uw reactie volkomen. Maar wees niettemin op uw hoede.’ Ik ging weer zitten, kokend van woede: dit was dus het spelletje dat ze wilden spelen! Ze zaten er bovendien volkomen naast. Zoals ik al zei: met een minnaar ga ik nooit een persoonlijke band aan; vriendschap is iets heel anders. Er was in deze wereld één iemand die ik liefhad, en ook al zag ik haar nooit, dat was mij genoeg. Maar dat zouden zulke lompe zakken als Turek en consorten nooit begrijpen. Ik besloot me te wreken: ik wist nog niet hoe, maar de gelegenheid zou zich wel voordoen. Kern was een fatsoenlijke vent, het was goed dat hij me had gewaarschuwd; zo had ik de tijd om me te bezinnen.
Kort daarna kwam Voss, samen met Oberländer. Ik was nog steeds in gedachten. ‘Goedenavond, professor,’ zei ik, terwijl ik Oberländer een hand gaf. ‘Dat is lang geleden.’ – ‘Inderdaad, ja, er is heel wat gebeurd sinds Lemberg. En die andere jonge officier die toen bij u was?’ – ‘Hauptsturmführer Hauser? Die zal nog steeds bij Groep c zijn. Ik heb de laatste tijd niets meer van hem gehoord.’ Ik liep achter hen aan het restaurant in en liet Voss bestellen. Er werd wijn uit Kachetië gebracht. Oberländer maakte een vermoeide indruk. ‘Ik hoorde dat u de leiding hebt over een nieuwe speciale eenheid?’ vroeg ik. – ‘Ja, het Kommando Bergmann. Al mijn manschappen zijn Kaukasische bergbewoners.’ – ‘Van welke nationaliteit?’ vroeg Voss nieuwsgierig. – ‘O, van alles. Karatsjaj en Circassiërs natuurlijk, maar we hebben ook Ingoesjeten, Avaren, Laks die gerekruteerd zijn in de Stalags. Ik heb zelfs een Svan.’ – ‘Geweldig! Die zou ik graag eens spreken.’ – ‘Dan moet u in Mozdok zijn. Daar voeren ze nu operaties tegen de partizanen uit.’ – ‘U hebt niet toevallig ook een Oebichiër?’ vroeg ik plagerig. Voss moest lachen. ‘Een Oebichiër? Nee, dat denk ik niet. Wat is daar dan mee?’ Voss probeerde zijn lachen in te houden en stikte bijna, niet-begrijpend aangestaard door Oberländer. Ik probeerde serieus te blijven en antwoordde: ‘Dat is een stokpaardje van Dr. Voss. Hij vindt dat de Wehrmacht absoluut een pro-Oebichische politiek zou moeten voeren, om het natuurlijk machtsevenwicht tussen de volken in de Kaukasus te bewaren.’ Voss probeerde een slok wijn te drinken, maar moest wat hij had ingeslikt bijna weer uitspugen. Zelf had ik ook moeite serieus te blijven. Oberländer begreep er nog steeds niets van en raakte geïrriteerd: ‘Ik weet niet waar u het over hebt,’ zei hij kortaf. Ik probeerde het uit te leggen: ‘De Oebichiërs zijn een Kaukasisch volk dat door de Russen is gedeporteerd. Naar Turkije. Vroeger beheersten ze een groot deel van dit gebied.’ – ‘Waren het moslims?’ – ‘Ja, uiteraard.’ – ‘In dat geval zou steun aan deze Oebichiërs volledig stroken met onze Ostpolitik.’ Voss, rood aangelopen, stond op, mompelde een excuus en liep naar de toiletten. Verbouwereerd vroeg Oberländer: ‘Wat is er met hem?’ Ik tikte tegen mijn maag. ‘Aha, ik snap het,’ zei hij. ‘Dat komt hier veel voor. Waar was ik gebleven?’ – ‘Onze pro-moslimpolitiek.’ – ‘Ja. In wezen is dat een traditioneel Duitse politiek. Wat we hier willen bereiken is in zekere zin niet meer dan een voortzetting van de panislamitische politiek van Ludendorff. Door de culturele en sociale verworvenheden van de islam te respecteren verschaffen we ons nuttige bondgenoten. Bovendien houden we zo ook Turkije te vriend, dat toch belangrijk blijft, vooral als we de Kaukasus willen omsingelen om de Engelsen in Syrië en Egypte in de rug aan te vallen.’ Voss kwam terug; hij leek gekalmeerd. ‘Als ik u goed begrijp,’ zei ik, ‘is het erom te doen de volkeren van de Kaukasus, en dan vooral de Turkssprekende, in een omvangrijke antibolsjewistische islamitische beweging te verenigen.’ – ‘Dat is een mogelijkheid, die evenwel nog niet op het hoogste niveau is geaccepteerd. Sommigen zijn beducht voor een herleving van het panturkisme, waardoor Turkije in de regio te veel macht zou krijgen en onze positie in de veroverde gebieden in gevaar zou komen. Minister Rosenberg voelt het meest voor een as Berlijn-Tiflis. Maar dat is de invloed van die Nikuradze.’ – ‘En wat vindt u zelf?’ – ‘Ik ben bezig aan een artikel over Duitsland en de Kaukasus. U weet misschien dat ik na de ontbinding van het Nachtigall-bataljon als Abwehroffizier heb gewerkt bij Reichskommissar Koch, die een oude vriend is van Königsberg. Maar hij komt vrijwel nooit in de Oekraïne en zijn ondergeschikten hebben een onverantwoordelijke politiek gevoerd, vooral Dargel. Daarom ben ik daar weggegaan. In mijn artikel probeer ik aan te tonen dat we in de veroverde gebieden de medewerking van de plaatselijke bevolking nodig hebben, om te voorkomen dat tijdens de invasie en de bezetting al te grote verliezen worden geleden. Een pro-islamitische of pro-Turkse politiek zou goed in dat kader passen. Natuurlijk moet dan wel één enkele macht het laatste woord hebben.’ – ‘Een van de doelen van onze opmars in de Kaukasus was toch, dacht ik, om Turkije te bewegen zich aan onze zijde te scharen?’ – ‘Jazeker. En als we in Irak of Iran terechtkomen, zal dat ook zeker gebeuren. Saracoglu is een voorzichtig man, maar hij zal zich deze kans om oude Osmaanse gebieden terug te winnen niet laten ontgaan.’ – ‘Doet dat geen afbreuk aan onze Grossraum?’ vroeg ik. – ‘Helemaal niet. Wij streven naar een imperium dat zich beperkt tot het Europese continent; we hebben noch de belangstelling noch de middelen om de last van verre bezittingen op ons te nemen. Uiteraard houden we de oliewingebieden langs de Perzische Golf voor onszelf, maar de rest van het Britse Midden-Oosten kunnen we aan Turkije geven.’ – ‘En wat heeft Turkije ons in ruil daarvoor te bieden?’ vroeg Voss. – ‘Het zou voor ons van groot nut kunnen zijn. Strategisch gezien neemt Turkije een sleutelpositie in. Het kan ons de lucht- en landmachtbases bieden waarmee we de kans zouden krijgen om een definitief einde te maken aan de Britse aanwezigheid in het Midden-Oosten. Het zou ook troepen kunnen leveren voor het antibolsjewistische front.’ – ‘Ja,’ zei ik, ‘Turkije zou ons bijvoorbeeld een regiment Oebichiërs kunnen sturen.’ Opnieuw kon Voss zijn lachen niet inhouden. Oberländer werd kwaad: ‘Wat is dat nou toch voor geklets over die Oebichiërs? Ik snap het niet.’ – ‘Dat zei ik toch, het is een obsessie van Dr. Voss. Hij is radeloos, hij heeft er het ene rapport na het andere over geschreven, maar er is niemand van de legerleiding die het strategisch belang van de Oebichiërs wil inzien. Hier zijn ze alleen maar verzot op de Karatsjaj, de Kabarden en de Balkaren.’ – ‘Maar waarom lacht hij toch zo?’ – ‘Ja, Doktor Voss, wat valt er te lachen?’ vroeg ik op ernstige toon. ‘Het zijn de zenuwen, denk ik,’ zei ik tegen Oberländer. ‘Kom, Doktor Voss, neem nog wat wijn.’ Voss dronk wat en probeerde zich te beheersen. ‘Ik weet niet genoeg over deze kwestie om erover te kunnen oordelen,’ aldus Oberländer. Hij wendde zich tot Voss: ‘Als u rapporten over die Oebichiërs hebt, wil ik ze graag lezen.’ Voss schudde nerveus zijn hoofd. ‘Doktor Aue,’ zei hij, ‘ik verzoek u dit onderwerp nu verder te laten rusten.’ – ‘Zoals u wilt. Het eten komt er trouwens aan.’ We werden bediend. Oberländer leek geprikkeld; Voss was rood aangelopen. Om het gesprek weer op gang te brengen vroeg ik aan Oberländer: ‘Zijn uw Bergmänner nuttig in de strijd tegen de partizanen?’ – ‘In de bergen zijn ze geducht. Sommigen komen ons elke dag hoofden of oren brengen. Maar op vlak terrein zijn ze nauwelijks beter dan onze eigen troepen. Ze hebben verscheidene dorpen rond Mozdok platgebrand. Ik probeer ze wel uit te leggen dat het geen goed idee is om dat stelselmatig te doen, maar het is een soort atavistische reflex. Verder hebben we ook behoorlijk ernstige disciplineproblemen gehad, vooral desertie. Een groot deel heeft zich blijkbaar alleen bij ons aangesloten om naar huis te kunnen; sinds we in de Kaukasus zijn, neemt de een na de ander de benen. Maar iedereen die is opgepakt, heb ik voor het oog van de anderen laten fusilleren; ik geloof dat ze daardoor wel wat rustiger zijn geworden. En verder heb ik veel Tsjetsjenen en Dagestanen; hun thuisgebieden zijn nog volledig in handen van de bolsjewieken. Nu we het er toch over hebben: hebt u soms iets gehoord over een opstand in Tsjetsjenië? In de bergen?’ – ‘Er zijn geruchten,’ antwoordde ik. ‘Een speciale eenheid, toegevoegd aan de Einsatzgruppe, gaat proberen daar agenten te parachuteren, die dan contact met de rebellen moeten leggen.’ – ‘Ah, erg interessant,’ zei Oberländer. ‘Het schijnt dat er gevochten wordt en dat de represailles gruwelijk zijn. Dat zou voor onze strijdkrachten bepaalde mogelijkheden kunnen scheppen. Hoe kan ik hier meer over te weten komen?’ – ‘Ik raad u aan contact op te nemen met Oberführer Bierkamp, in Vorosjilovsk.’ – ‘Mooi zo. En hier? Hebt u hier veel last van de partizanen?’ – ‘Niet al te veel. In de omgeving van Kislovodsk opereert een zogeheten Groep Lermontov. Het is hier een beetje in de mode om alles Lermontov te noemen.’ Ditmaal lachte Voss voluit: ‘Zijn ze actief?’ – ‘Niet echt. Ze blijven in de bergen, ze durven niet naar beneden te komen. Ze doen vooral inlichtingenwerk voor het Rode Leger. Ze sturen er bijvoorbeeld jonge jongens opuit om de motoren en vrachtwagens voor de Feldkommandantur te tellen.’ We aten verder en aan het eind begon Oberländer weer over de Ostpolitik van het nieuwe militaire bestuur: ‘General Köstring is een zeer goede keuze. Ik denk dat het experiment met hem kans van slagen heeft.’ – ‘Kent u Dr. Bräutigam?’ vroeg ik. – ‘Herr Bräutigam? Jazeker. We wisselen geregeld van gedachten. Het is een zeer gedreven man, zeer intelligent ook.’ Oberländer dronk zijn koffie op en excuseerde zich. We zeiden elkaar gedag en Voss liep even met hem mee. Ik bleef zitten en rookte intussen een sigaret. ‘U was buitengewoon vervelend,’ zei hij toen hij weer terug was. – ‘Hoe dat zo?’ – ‘Dat weet u drommels goed.’ Ik haalde mijn schouders op: ‘Het was niet kwaad bedoeld.’ – ‘Oberländer dacht vast dat we de spot met hem dreven.’ – ‘Dat deden we toch ook. Hij zal het alleen nooit durven toegeven. U kent die hoogleraren even goed als ik. Als hij zijn onwetendheid in de Oebichische kwestie zou toegeven, kan dat zijn reputatie als Lawrence of the Caucasus aantasten.’ We gingen nu ook het casino uit. Het motregende. ‘Zo, de herfst is gekomen,’ zei ik meer tegen mezelf dan tegen Voss. Voor de Feldkommandantur stond een vastgebonden paard te hinniken en te briesen. De schildwachten hadden hun kapotjas aangetrokken. In de Karl-Marx-straat sijpelde het water in kleine stroompjes omlaag. Het begon harder te regenen. Voor onze kwartieren wensten we elkaar goedenacht. In mijn kamer zette ik de balkondeur open en bleef even luisteren naar het gedruis van de regen op de boombladeren, de balkontegels, het plaatstalen dak, het gras en de vochtige aarde.
Het regende drie dagen achter elkaar. De sanatoria vulden zich met gewonden uit Malgobek en Sagopsji, waar ons nieuwe offensief op Grozny uiteindelijk stukliep op de verbeten tegenstand. Korsemann kwam medailles uitdelen aan de Finse vrijwilligers van de ss-Viking Divisie, knappe blonde jongens, die nog wat verdwaasd rondliepen vanwege de zware verliezen die ze hadden geleden in het dal van de Sjoeroek, onder Nizjni Koerp, waar ze van alle kanten onder vuur waren genomen. Het nieuwe militaire bestuur van de Kaukasus werd geïnstalleerd. Begin oktober kregen op bevel van Generalquartiermeister Wagner zes Kozakken-raions met honderdzestigduizend inwoners een nieuwe, autonome status; de autonomie van de Karatsjaj zou officieel worden afkondigd tijdens een groot feest in Kislovodsk. Korsemann en Bierkamp ontboden mij en de andere belangrijkste ss-officieren van het gebied opnieuw in Vorosjilovsk. Korsemann maakte zich zorgen over de beperking van de politionele bevoegdheden van de ss in de autonome districten, maar wilde het beleid van samenwerking met de Wehrmacht intensiveren. Bierkamp was woedend; hij schold de Ostpolitiker uit voor tsaristen en Baltische baronnen: ‘Die beroemde Ostpolitik is niets anders dan een poging om de geest van Tauroggen nieuw leven in te blazen’, riep hij uit. Privé liet Leetsch me in bedekte bewoordingen weten dat Bierkamp zwaar inzat over het teruglopende aantal executies van de Kommando’s, dat nu nog slechts enkele tientallen per week bedroeg: de joden uit de bezette gebieden waren allemaal geliquideerd, afgezien van enkele handwerkslieden die de Wehrmacht achterhield als schoenlappers en kleermakers; er werden maar weinig partizanen en communisten opgepakt; de nationale minderheden en de Kozakken, die de meerderheid van de bevolking vormden, waren inmiddels vrijwel onaantastbaar. Ik vond die opstelling van Bierkamp benepen, maar wel te begrijpen: in Berlijn werd de efficiëntie van de Einsatzgruppen afgemeten aan hun quota, en een teruggang in de activiteit kon worden uitgelegd als een gebrek aan daadkracht van de Kommandant. Toch liet de Groep zich niet onbetuigd. In Elista, aan de rand van de Kalmukse steppe, werd het Sk Astrachan gevormd, met het oog op de verovering van deze stad; in de omgeving van Krasnodar was Sk 10a bezig om, nu alle andere urgente taken waren volbracht, de bewoners van de inrichtingen voor zwakzinnigen, hydrocefalen en geestelijk achtergeblevenen te liquideren, voornamelijk met behulp van een vergassingswagen. In Majkop zette het Zeventiende Leger opnieuw de aanval in op Toeaps en moest Sk 11 bijdragen aan het neerslaan van een zeer actief verzet in de bergen, in een gebied vol kloven dat door de aanhoudende regen extra moeilijk begaanbaar was. Op 10 oktober vierde ik mijn verjaardag door met Voss uit eten te gaan, maar zonder hem de reden te vertellen; de volgende dag vergezelden wij een groot deel van het aok naar Kislovodsk om daar Uraza Bairam te vieren, het einde van de ramadan, de vastenmaand. Het was een groot succes. Op een uitgestrekt veld buiten de stad werd een lang gezamenlijk gebed uitgesproken onder leiding van de imam van de Karatsjaj, een gerimpelde grijsaard met een luide, heldere stem; op het ritme van zijn recitatief gingen honderden petten, kalotjes, hoeden en bontmutsen in keurige rijen omlaag naar de grond en dan weer omhoog in de richting van de nabije heuvels. Daarna proclameerden Köstring en Bräutigam, staande op een met Duitse en islamitische vlaggen versierd podium en met een luidspreker van de pk ter versterking van hun stem, de totstandkoming van het autonome Karatsjaj-district. Na elke zin klonken er juichkreten en geweerschoten. Voss, zijn handen op de rug, vertaalde Bräutigams toespraak; Köstring las de zijne rechtstreeks in het Russisch voor en werd vervolgens door jonge enthousiastelingen een aantal keren de lucht in gegooid. Bräutigam had kadi Bajramoekov, een antibolsjewistische boer, als nieuwe leider van het district gepresenteerd: de grijsaard, gehuld in een tsjerkeska en een bechmet met op zijn hoofd een enorme papacha van witte schapenvacht, bedankte Duitsland plechtig dat het de Karatsjaj had bevrijd van het Russische juk. Een jong kind leidde een prachtige Kabardische schimmel naar het podium, over de rug van het dier hing een Dagestaanse soemak in fonkelende kleuren. Het paard brieste, de oude man legde uit dat dit een geschenk was van het volk der Karatsjaj aan de leider van de Duitsers, Adolf Hitler; Köstring bedankte en gaf hem de verzekering dat het paard zou worden overgebracht naar de Führer, naar Vinnitsa in de Oekraïne. Toen werden Köstring en Bräutigam door jonge bergbewoners, uitgedost in de traditionele dracht, op de schouders genomen en rondgedragen, terwijl de mannen juichten, de vrouwen riepen en de geweren bleven knallen. Rood aangelopen genoot Voss van het schouwspel. Wij volgden de menigte: aan de rand van het veld zette een legertje vrouwen allerlei etenswaren op lange tafels die onder luifels stonden. In grote gietijzeren ketels pruttelden onwaarschijnlijke hoeveelheden schapenvlees, dat werd opgediend in de jus; verder was er gekookte kip, wilde knoflook, kaviaar en manti, een soort Kaukasische ravioli; de Karatsjaj-vrouwen, van wie sommigen zeer aantrekkelijk en goedlachs, bleven de gasten maar nieuwe gerechten voorzetten; de kleine jongens dromden ergens aan de zijkant samen en stonden kwaad te fluisteren, terwijl de oudere jongens aan tafel mochten zitten en mee-aten. Köstring en Bräutigam zaten met de ouderen onder een baldakijn, vóór het Kabardische paard, dat vergeten leek en nu met zijn halstertouw zeulend aan de gerechten snoof, tot groot vermaak van de toeschouwers. Muzikanten uit de bergen zongen lange klaagzangen, waarbij ze zichzelf op kleine, vrij schril klinkende snaarinstrumenten begeleidden; later voegden zich slagwerkers bij hen, en de muziek werd steeds onstuimiger, woester; er vormde zich een grote kring, waarin de jonge mannen onder aanvoering van een ceremoniemeester de lesginka dansten – trots, schitterend, mannelijk; daarna volgden andere dansen, waaronder een verbluffend virtuoze dans met messen. Er werd geen alcohol geschonken en toch leken de meeste Duitse gasten, verhit door al het vlees en gedans, met rode hoofden en druipend van het zweet, wel dronken. De Karatsjaj beloonden de mooiste dansimprovisaties met geweersalvo’s en zo werd de opwinding ten top gevoerd. Mijn hart ging wild tekeer; in de kring van toeschouwers sloeg ik net als Voss met handen en voeten de maat, stond ik als een bezetene mee te juichen. Toen de avond viel, werden er fakkels gebracht en het feest ging door; wie uitgeput was keerde naar de tafels terug om thee te drinken en wat te eten. ‘De Ostpolitiker hebben een briljante zet gedaan!’ riep ik Voss toe. ‘Dit zou iedereen overtuigen.’
De berichten van het front waren echter allesbehalve gunstig. Terwijl de Wehrmacht dagelijks een beslissende doorbraak aankondigde, meldde de Abwehr dat het Zesde Leger in Stalingrad hopeloos was vastgelopen in het centrum van de stad. De officieren die uit Vinnitsa terugkwamen, beweerden dat er op het hoofdkwartier een deplorabele stemming heerste en dat de Führer nauwelijks meer praatte met de generaals Keitel en Jodl, die hij van zijn tafel had verbannen. In militaire kringen deden onheilspellende geruchten de ronde, die Voss soms aan mij overbriefde: de Führer was een zenuwinzinking nabij, hij had uitbarstingen van dolle woede en nam tegenstrijdige, grillige beslissingen; de generaals begonnen hun vertrouwen te verliezen. Ongetwijfeld was dit allemaal zwaar overdreven; toch vond ik het verontrustend dat dergelijke verhalen in het leger de ronde deden en ik maakte er onder het hoofdstuk ‘Moreel van de Wehrmacht’ melding van. Hohenegg was weer terug, maar zijn conferentie vond plaats in Kislovodsk en ik had hem nog niet gezien; na enkele dagen stuurde hij me een briefje om me voor het avondeten uit te nodigen. Voss had zich intussen bij het 3e pantserkorps in Prochladny gevoegd; Kleist bereidde een nieuw offensief voor om Naltsjik en Ordjonikidze te bereiken, en dat wilde Voss van nabij volgen om de bibliotheken en instituten veilig te stellen.
Die ochtend kwam Leutnant Reuter, een adjudant van Gilsa, op mijn kantoor. ‘We hebben een wonderlijk geval, dat u eens moet bekijken. Een oude man, die helemaal uit zichzelf naar ons toe is gekomen. Hij vertelt vreemde dingen en zegt dat hij joods is. De Oberst stelt voor dat u hem ondervraagt.’ – ‘Als het een jood is, moet hij naar het Kommando worden gebracht.’ – ‘Misschien. Maar wilt u hem niet zien? U zult verbaasd staan, dat verzeker ik u.’ Een ordonnans bracht hem naar me toe. Het was een imposante, oude maar kennelijk nog krachtige man met een lange witte baard; hij droeg een zwarte tsjerkeska, kleine laarzen van soepel leer in Kaukasische boerenklompen en een mooi kalotje met paars, blauw en goudkleurig borduursel. Ik beduidde hem te gaan zitten en vroeg enigszins ontstemd aan de ordonnans: ‘Hij spreekt alleen Russisch, neem ik aan? Waar is de Dolmetscher?’ De oude man keek me indringend aan en zei in klassiek Grieks, met een vreemd accent, maar toch verstaanbaar: ‘Jij bent een ontwikkeld man, zie ik. Je zult dus wel Grieks kennen.’ Verbluft stuurde ik de ordonnans weg en antwoordde: ‘Ja, ik ken Grieks. En hoe komt het dat jij die taal spreekt?’ Hij sloeg geen acht op mijn vraag. ‘Mijn naam is Nahum ben Ibrahim, uit Magaramkend in het gouvernement Derbent. Voor de Russen heb ik de naam Sjamiljev aangenomen, als eerbetoon aan de grote Sjamil, met wie mijn vader nog gestreden heeft. En wat is jouw naam?’ – ‘Ik heet Maximilien. Ik kom uit Duitsland.’ – ‘En wie was je vader?’ Ik glimlachte: ‘Wat kan jou mijn vader schelen, oude man?’ – ‘Hoe moet ik weten wie ik voor me heb als ik je vader niet ken?’ Zijn Grieks, hoorde ik nu, bevatte volstrekt ongebruikelijke wendingen, maar ik kon hem volgen. Ik noemde de naam van mijn vader en hij leek tevredengesteld. Toen zei ik: ‘Als je vader nog gevochten heeft met Sjamil, dan moet je wel erg oud zijn.’ – ‘Mijn vader stierf een eervolle dood bij Dargo, na tientallen Russen te hebben omgebracht. Hij was een zeer vroom man, en Sjamil respecteerde zijn geloof. Hij zei dat wij, de Dag-Sjoefoeti, oprechter in God geloofden dan de moslims. Ik weet nog dat hij dat zei, ten overstaan van zijn moeriden, in de moskee van Vedeno.’ – ‘Dat kan niet! Je kunt Sjamil niet zelf gekend hebben. Laat je paspoort eens zien.’ Hij reikte me een document aan, dat ik snel doorbladerde. ‘Kijk zelf! Hier staat dat je bent geboren in 1866. Toen was Sjamil al lang in handen van de Russen en zat hij in Kaloega.’ Rustig pakte hij het paspoort uit mijn handen en stak het in een binnenzak. In zijn ogen fonkelden plezier en spot. ‘Hoe zou een arme tsjinovnik’ – hij gebruikte het Russische woord voor klerk – ‘uit Derbent, een man die niet eens de lagere school heeft afgemaakt, moeten weten wanneer ik geboren ben? Zonder mij iets te vragen heeft hij zeventig jaar afgetrokken van het jaar waarin hij dat document opstelde. Maar ik ben veel ouder. Ik ben geboren voordat de stammen onder leiding van Sjamil in opstand kwamen. Ik was al volwassen toen mijn vader stierf, bij Dargo, vermoord door die Russische honden. Ik zou zijn plaats naast Sjamil hebben ingenomen, maar ik studeerde toen al rechten, en Sjamil zei dat hij over voldoende strijders beschikte en ook geleerde mannen nodig had.’ Ik wist niet wat ik ervan moest denken; hij klonk erg overtuigend, maar ongewoon was het wel: hij moest minstens honderdtwintig zijn. ‘En het Grieks?’ vroeg ik opnieuw. ‘Waar heb je dat geleerd?’ – ‘Dagestan is geen Rusland, jonge officier. Voordat ze meedogenloos door de Russen werden afgeslacht, woonden de geleerdste mannen van de wereld in Dagestan – moslims en joden. De mensen kwamen uit Arabië, Turkestan en zelfs uit China om hen te raadplegen. En de Dag-Sjoefoeti zijn niet die luizige joden uit Rusland. De taal van mijn moeder is het Farsi, en iedereen spreekt Turks. Ik heb Russisch geleerd voor de handel, want zoals rabbi Eliëzer zei: de gedachte aan God vult de maag niet. Arabisch heb ik gestudeerd bij de imams die lesgaven aan de medressen in Dagestan, en het Grieks heb ik, evenals het Hebreeuws, uit de boeken. Dat taaltje van de Poolse joden heb ik nooit geleerd, dat is eigenlijk gewoon Duits, een Nemetski-taal.’ – ‘Je bent dus werkelijk een geleerde.’ – ‘Drijf niet de spot met mij, meirakion. Ik heb jullie Plato en Aristoteles ook gelezen. Maar tegelijkertijd las ik Mozes de León, en dat is een heel verschil.’ Ik wierp een blik op zijn baard, geknipt in een rechthoek, en vooral op zijn geschoren bovenlip. Er was iets wat me intrigeerde: onder zijn neus was zijn lip glad, zonder de gebruikelijke holte in het midden. ‘Hoe komt het dat je zo’n bovenlip hebt? Zoiets heb ik nog nooit gezien.’ Hij wreef erover: ‘Dit? Toen ik geboren werd, heeft de engel mijn lippen niet verzegeld. Daarom herinner ik me alles wat er daarvoor is gebeurd.’ – ‘Dat begrijp ik niet.’ – ‘Terwijl jij toch een ontwikkeld mens bent. Het staat allemaal geschreven in het boek over de schepping van het kind, in de Kleine Midrasjim. Eerst hebben de ouders van de mens gemeenschap. Daardoor ontstaat een druppel waarin God de geest van de mens legt. Dan brengt de engel die druppel ’s ochtends naar het paradijs en ’s avonds naar de hel, waarna hij hem laat zien waar hij op aarde zal leven en waar hij zal worden begraven, als God de geest die hij erin heeft gelegd, weer tot zich roept. Vervolgens staat er dit geschreven. Vergeef me als ik gebrekkig citeer, maar ik moet het vertalen uit het Hebreeuws, omdat jij dat niet kent: Maar de engel brengt de druppel altijd terug in het lichaam van de moeder en de heilige, geprezen zij hij, sluit de deuren en grendels achter hem. En de heilige, geprezen zij hij, zegt: ‘Tot daar zul je gaan en niet verder.’ En het kind blijft negen maanden in de schoot van de moeder. Verder staat er: Het kind eet mee van alles wat de moeder eet, drinkt mee van alles wat de moeder drinkt en scheidt geen uitwerpselen af, want als het dat deed, zou zijn moeder sterven. Dan staat er geschreven: En als het moment daar is dat het kind ter wereld komt, verschijnt de engel en zegt: ‘Ga naar buiten, want het moment van je komst op aarde is gekomen.’ En de geest van het kind antwoordt: ‘Ik heb al tegen degene die daar was, gezegd dat ik tevreden ben over de wereld waarin ik heb geleefd.’ En de engel antwoordt: ‘De wereld waar ik jou naartoe breng, is mooi.’ En vervolgens: ‘Tegen je wil ben je gevormd in het lichaam van je moeder, en tegen je wil ben je geboren om ter wereld te komen.’ Het kind begint meteen te huilen. En waarom huilt het? Vanwege de wereld waarin het tot dan toe geleefd heeft en die het nu moet verlaten. En zodra het kind eruit is, geeft de engel het een tik op zijn neus en dooft het licht boven zijn hoofd; hij stuurt het kind tegen zijn wil naar buiten en het kind vergeet alles wat het heeft gezien. En zodra het naar buiten komt, begint het te huilen. Die tik op de neus waarvan in het boek sprake is, daar gaat het om: de engel verzegelt de lippen van het kind en laat daarmee een merkteken achter. Maar het kind vergeet niet alles meteen. Toen mijn zoon drie jaar was, lang geleden is dat, trof ik hem een keer ’s nachts bij de wieg van zijn kleine zus. “Vertel eens over God,” zei hij. “Ik begin te vergeten.” Dat is de reden dat de mens door studie alles over God opnieuw moet leren, en het is ook de reden waarom mensen boosaardig worden en elkaar doden. Maar zoals je ziet heeft de engel mij ter wereld laten komen zonder mijn lippen te verzegelen, en ik herinner me alles.’ – ‘Dus je herinnert je de plek waar je zult worden begraven?’ vroeg ik. Met een brede glimlach zei hij: ‘Dat is precies waarvoor ik hier gekomen ben.’ – ‘En is het hier ver vandaan?’ – ‘Nee, als je wilt kan ik het je laten zien.’ Ik stond op en pakte mijn muts. ‘Dan gaan we.’
Bij het weggaan vroeg ik Reuter om een Feldgendarm; hij stuurde me naar de commandant van zijn compagnie, die een Rottwachtmeister aanwees: ‘Hanning! Jij gaat met de Hauptsturmführer mee en doet wat hij zegt.’ Hanning pakte zijn helm en zijn geweer; hij moest tegen de veertig zijn; het brede, halvemaanvormige schild van zijn ringkraag slingerde voor zijn smalle borst. ‘We hebben ook nog een spade nodig,’ zei ik. Buiten draaide ik me om naar de oude man: ‘Welke kant op?’ Hij wees in de richting van de Masjoek, waarvan de in wolken gehulde top rook leek uit te spuwen. ‘Die kant op.’ Terwijl Hanning achter ons aan liep, klommen we over de wegen tot we bij de laatste waren, bij de weg die om de berg heen voert; daar wees de oude man naar rechts, in de richting van de Proval. De weg werd omzoomd door dennenbomen en bracht ons bij een smaller pad, dat het bos in ging. ‘Het is die kant op,’ zei de oude man. – ‘Weet je zeker dat je hier nooit eerder bent geweest?’ vroeg ik. Hij haalde zijn schouders op. Het pad kronkelde omhoog over de steile helling. De oude man liep kwiek en met zekere tred voorop; achteraan sjokte Hanning, de spade over zijn schouder en hijgend als een pakezel. Toen we het bos weer uit waren, zag ik dat de wind de wolken van de top had verdreven. Iets verder draaide ik me om. De Kaukasus sloot de horizon af. Het had die nacht geregend en de regen had eindelijk de alom aanwezige zomernevel verdreven, zodat de bergen helder en vorstelijk oprezen. ‘Niet blijven dromen,’ zei de oude man. Ik zette me weer in beweging. We klauterden nog ongeveer een half uur door. Mijn hart bonkte hevig, ik was buiten adem, net als Hanning; de oude man daarentegen leek nog zo fris als een jonge boom. Ten slotte kwamen we op een soort terras, waar gras groeide en dat een kleine honderd meter onder de top lag. De oude man liep naar voren en nam het uitzicht in zich op. Het was de eerste keer dat ik de Kaukasus werkelijk zag. Soeverein strekte de bergketen zich tot aan de horizon uit, als een onmetelijke, enigszins hellende muur; als je je ogen samenkneep, zou je haast geloven dat je de verste bergen in de zee kon zien zakken – rechts in de Zwarte en links in de Kaspische Zee. Boven de blauwe kuststroken verrezen vaalgele en naar wit zwemende bergkammen; de witte Elbroes bekroonde de pieken als een omgekeerde melkkom; iets verder weg verhief de Kazbek zich boven Ossetië. Het had de schoonheid van een frase van Bach. Ik keek, zei niets. De oude man wees naar het oosten: ‘Daar, achter de Kazbek, begint Tsjetsjenië, en daarachter ligt Dagestan.’ – ‘En waar is je graf?’ Hij monsterde het vlakke terras en zette een paar stappen. ‘Hier,’ zei hij uiteindelijk en tikte met zijn voet op de grond. Ik keek opnieuw naar de bergen: ‘Dit is een mooie plek om te worden begraven, nietwaar?’ De oude man glunderde: ‘Ja, hè?’ Ik begon me af te vragen of hij me niet in de maling nam. ‘Je hebt dit echt zo gezien?’ – ‘Jazeker!’ antwoordde hij verontwaardigd, maar ik bleef het gevoel houden dat hij me stiekem uitlachte. ‘Goed dan, ga maar graven!’ zei ik. – ‘Graven? Hoezo? Schaam je je niet, meirakiske? Besef je wel hoe oud ik ben? Ik zou de grootvader van jouw grootvader kunnen zijn! Ik vervloek je nog eerder dan dat ik zelf ga graven.’ Ik haalde mijn schouders op en draaide me om naar Hanning, die nog steeds met de spade stond te wachten. ‘Hanning, graven.’ – ‘Graven, Herr Hauptsturmführer? Wat graven?’ – ‘Een graf, Rottwachtmeister, daar.’ Hij maakte een hoofdbeweging naar de man: ‘En die ouwe? Kan die niet graven?’ – ‘Nee. Kom op, aan de slag!’ Hanning legde zijn geweer en zijn helm in het gras en liep naar de aangewezen plek. Hij spuugde in zijn handen en begon te graven. De oude man hield zijn blik gericht op de bergen. Ik luisterde naar het ruisen van de wind, het vage rumoer van de stad beneden, ik hoorde ook het geluid van de spade die in de aarde werd gestoken, het neervallen van de uitgegraven kluiten, het gehijg van Hanning. Ik keek naar de oude man: hij bleef met zijn gezicht naar de bergen en de zon staan en mompelde iets. Opnieuw vestigde ik mijn blik op de bergen. De subtiele en oneindig gevarieerde tinten blauw die de hellingen kleurden, moesten zich kunnen laten lezen als een lange muzikale frase, geritmeerd door de kammen. Hanning, die zijn ringkraag had afgedaan en ook zijn uniformjasje had uitgetrokken, groef behoorlijk methodisch door en was inmiddels tot kniehoogte gevorderd. De oude man draaide zich met een montere uitdrukking op zijn gezicht naar mij toe: ‘Schiet het al op?’ Hanning was gestopt met graven en stond uit te puffen, geleund op de spade. ‘Is het zo nog niet genoeg, Herr Hauptsturmführer?’ vroeg hij. Het graf leek nu de goede lengte te hebben, maar was niet meer dan een halve meter diep. Ik wendde me naar de oude man: ‘Is het zo goed?’ – ‘Ben je gek! Je gaat toch geen armengraf voor me maken, voor mij, Nahum ben Ibrahim! Je bent toch geen nêpios?’ – ‘Het spijt me, Hanning. Je moet verder graven.’ – ‘Zeg eens, Herr Hauptsturmführer,’ vroeg hij voordat hij weer aan het werk ging, ‘in wat voor taal praat u eigenlijk met hem? Dat is geen Russisch.’ – ‘Nee, het is Grieks.’ – ‘Is hij een Griek?! Ik dacht dat het een jood was.’ – ‘Graaf nou maar door.’ Vloekend ging hij weer aan de slag. Twintig minuten later stopte hij opnieuw, zwaar hijgend. ‘Weet u, Herr Hauptsturmführer, normaliter doe je zoiets met z’n tweeën. Ik ben ook niet meer de jongste.’ – ‘Geef mij die spade en kom er maar uit.’ Ik zette mijn muts af, trok mijn jasje uit en nam Hannings plek in de kuil in. Graven was niet iets waar ik ervaring mee had. Het kostte me een paar minuten om de slag te pakken te krijgen. De oude man had zich over de kuil gebogen: ‘Jij kunt er niet veel van. Het is duidelijk dat je je hele leven met je neus in de boeken hebt gezeten. Bij ons weten zelfs de rabbijnen hoe ze een huis moeten bouwen. Toch ben je een geschikte vent. Het is maar goed dat ik bij jou heb aangeklopt.’ Ik groef door, de aarde moest nu hoger worden opgegooid, een groot deel viel terug in de kuil. ‘Is het zo goed?’ vroeg ik eindelijk. – ‘Nog iets dieper. Ik wil een graf waarin het even comfortabel is als in de buik van mijn moeder.’ – ‘Hanning,’ riep ik, ‘kom me eens aflossen.’ Ik stond inmiddels tot borsthoogte in het graf en hij moest me helpen om eruit te komen. Ik trok mijn jasje aan en rookte een sigaret, terwijl Hanning het graafwerk overnam. Ik keek weer naar de bergen, van die aanblik kon ik geen genoeg krijgen. De oude man keek ook. ‘Weet je, ik was teleurgesteld dat ik niet in mijn eigen dal zou worden begraven, aan de oever van de Samur,’ zei hij. ‘Maar nu begrijp ik dat de engel wijs is. Dit is een mooie plek.’ – ‘Ja,’ zei ik. Ik wierp een blik opzij: het geweer van Hanning lag in het gras vlak bij zijn helm, alsof het daar was achtergelaten. Toen het hoofd van Hanning nog maar net boven de rand uitstak, verklaarde de oude man dat het zo goed was. Ik trok Hanning naar boven. ‘En nu?’ vroeg ik. – ‘Nu moet je me erin helpen, natuurlijk. Of geloof je soms dat God de bliksem op me af stuurt?’ Ik draaide me naar Hanning: ‘Rottwachtmeister, trek uw uniform weer aan en fusilleer deze man.’ Hanning werd rood, spuugde op de grond en vloekte. ‘Wat is er?’ – ‘Met alle respect, Herr Hauptsturmführer, maar voor speciale taken heb ik een bevel van mijn superieur nodig.’ – ‘Leutnant Reuter heeft u tot mijn beschikking gesteld.’ Hij aarzelde. ‘Nou goed dan,’ zei hij ten slotte. Hij borstelde zijn broek af, trok zijn jasje weer aan, hing de ringkraag om, zette zijn helm op en pakte zijn geweer. De oude man was aan het uiteinde van het graf gaan staan met zijn gezicht naar de bergen, nog steeds glimlachend. Hanning legde aan en richtte op de nek. Ineens schrok ik op. ‘Wacht!’ Hanning liet zijn geweer zakken en de oude man keerde zich naar mij toe. ‘En mijn graf,’ vroeg ik, ‘heb je dat ook gezien?’ Hij glimlachte. ‘Ja.’ Ik ademde moeizaam, het bloed trok weg uit mijn gezicht, een zinloze angst maakte zich van me meester. ‘Waar is het dan?’ Hij bleef glimlachen. ‘Dat zeg ik niet.’ – ‘Schieten!’ riep ik tegen Hanning. Hanning legde opnieuw aan en schoot. De oude man viel meteen neer, als een marionet waarvan de touwtjes zijn doorgeknipt. Ik liep naar de kuil en boog over de rand: hij lag onderin, als een zak, met zijn hoofd opzij, nog steeds licht glimlachend in zijn baard, die onder het bloed zat; zijn geopende ogen staarden naar de aarden wand en lachten ook. Ik beefde. ‘Dichtgooien,’ beval ik Hanning kortaf.
Onder aan de Masjoek stuurde ik Hanning terug naar het aok en liep zelf via de Academische Galerij naar de Poesjkin Baden, die de Wehrmacht deels weer had opengesteld voor herstellende soldaten. Ik kleedde me uit en dompelde me onder in het bruinige, zwavelhoudende water, dat gloeiend heet was. Een poos bleef ik erin liggen en daarna spoelde ik me onder een koude douche af. Daar knapte ik lichamelijk en emotioneel van op: mijn huid was vlekkerig rood en wit, ik voelde me vief, bijna gewichtloos. Weer terug in mijn kamer lag ik een uur op de divan, languit, mijn voeten gekruist, tegenover de openstaande balkondeur. Daarna kleedde ik me om en ging naar het aok om de wagen te halen die ik ’s morgens had geregeld. Onderweg rookte ik een sigaret en keek naar de vulkanen, de lieflijke, blauwe bergen van de Kaukasus. De middag liep al ten einde, het was herfst. Terug in Kislovodsk moesten we over de Podkoemok; op de rivierbodem in de diepte zag ik boerenkarren die naar de andere oever reden; de achterste, een plank op wielen, werd getrokken door een kameel met lange haren en een dikke nek. In het casino zat Hohenegg op me te wachten. ‘U ziet er patent uit,’ zei hij zodra hij me zag. – ‘Ik voel me als herboren. Ik heb alleen een wonderlijke dag achter de rug.’ – ‘Daar wil ik graag meer over horen.’ Naast de tafel stonden twee flessen witte Palts-wijn in koelemmertjes. ‘Die heb ik mijn vrouw laten opsturen.’ – ‘Herr Oberstarzt, u bent een handige vent.’ Hij ontkurkte de eerste fles: de wijn was fris, beet in de tong en had een aangenaam fruitige afdronk. ‘Hoe gaat het op uw conferentie?’ vroeg ik. – ‘Uitstekend. Cholera, tyfus en dysenterie hebben we gehad, nu zijn we bij het pijnlijke onderwerp van de bevroren ledematen.’ – ‘Daar is het nog niet het seizoen voor.’ – ‘Dat duurt niet lang meer. En u?’ Ik vertelde hem de geschiedenis van de oude Bergjude. ‘Een wijs man, die Nahum ben Ibrahim,’ luidde zijn commentaar toen ik uitverteld was. ‘We kunnen hem benijden.’ – ‘U hebt vast gelijk.’ Onze tafel stond tegen een scheidswand; daarachter was een besloten ruimte, waaruit gelach en geroezemoes klonk. Ik dronk nog wat wijn. ‘Niettemin,’ vervolgde ik, ‘moet ik u bekennen dat ik het niet echt begrijp.’ – ‘Ik wel,’ verklaarde Hohenegg. ‘Ziet u, tegenover de absurditeit van het bestaan zijn naar mijn mening drie houdingen mogelijk. Allereerst de houding van de massa, hoi polloi, die simpelweg weigert in te zien dat het leven een grap is. Die mensen lachen er niet om, maar werken, vergaren, kauwen, poepen, neuken, planten zich voort, worden oud en sterven als ploegpaarden, even hersenloos als ze geleefd hebben. Dat is de grote meerderheid. Dan heb je degenen die, zoals ik, weten dat het leven een grap is en die de moed hebben erom te lachen, zoals de taoïsten doen en die jood van u ook. Ten slotte zijn er degenen, en als mijn diagnose juist is valt u in die categorie, die weten dat het leven een grap is, maar die daaronder lijden. Het is als die Lermontov van u, die ik nu eindelijk heb gelezen. I zjizn takaja poestaja i gloepaja sjoetka, schrijft hij.’ Inmiddels kende ik genoeg Russisch om dit te begrijpen en aan te vullen: ‘Hij had moeten toevoegen: i groebaja: een loze, dwaze en vuile grap.’ – ‘Dat heeft hij ongetwijfeld gedacht. Maar daarmee zou het metrum zijn verpest.’ – ‘Mensen met zo’n instelling weten toch wel dat die eerdere mogelijkheid bestaat,’ zei ik. – ‘Jawel, maar die kunnen ze niet zelf aannemen.’ De stemmen aan de andere kant van de wand waren nu duidelijker verstaanbaar: een serveerster had het gordijn opengelaten. Ik herkende het platte accent van Turek en zijn kompaan Pfeiffer. ‘Zulke mietjes zouden in de ss verboden moeten zijn!’ tierde Turek. – ‘Zo is het. Hij hoort in een concentratiekamp, niet in een uniform,’ antwoordde Pfeiffer. – ‘Ja,’ zei een andere stem, ‘maar daarvoor zijn bewijzen nodig.’ – ‘We hebben ze gezien,’ zei Turek. ‘Laatst, achter de Masjoek. Ze gingen van de weg af om het in het bos met elkaar te doen.’ – ‘Weet u dat zeker?’ – ‘Ik geef u mijn woord als officier.’ – ‘En u hebt hem duidelijk herkend?’ – ‘Aue? Hij was net zo dicht bij mij als u nu.’ Ineens vielen de mannen stil. Turek draaide zich langzaam om en zag mij bij het gordijn staan. Het bloed trok weg uit zijn rode kop. Pfeiffer, aan het hoofd van de tafel, werd geel. ‘Het is spijtig dat u zo lichtvaardig uw officierswoord geeft, Hauptsturmführer,’ zei ik met enige stemverheffing en op afgemeten, neutrale toon. ‘Daardoor verliest het zijn waarde. Maar u hebt nog de tijd om uw infame woorden terug te nemen. En ik waarschuw u: als u dat niet doet, dan eis ik genoegdoening.’ Turek had hardhandig zijn stoel naar achteren geschoven en was opgestaan. Zijn mond was door een zenuwtrek verwrongen, waardoor hij er nog slapper en hulpelozer uitzag dan anders. Hij zocht de blik van Pfeiffer, die hem met een hoofdbeweging aanmoedigde. ‘Ik heb niets terug te nemen,’ bracht hij met toonloze stem uit. Hij aarzelde nog of hij de zaak op de spits zou drijven. Ik verkeerde in een staat van hevige opwinding, maar mijn stem bleef kalm, helder. ‘Weet u dat heel zeker?’ Ik wilde hem op stang jagen, hem woest maken, zorgen dat hij geen uitweg meer had. ‘Mij krijgt u niet zo makkelijk dood als een weerloze jood, reken daar maar op.’ Na die woorden ontstond er tumult. ‘Dit is een belediging voor de ss!’ brulde Pfeiffer. Turek zag krijtwit, hij keek me aan als een woedende stier en zei niets. ‘Goed dan,’ zei ik. ‘Ik stuur zo meteen iemand naar u toe op het kantoor van het Teilkommando.’ Ik draaide me om en beende het restaurant uit. Op de trap haalde Hohenegg me in. ‘Dat is niet erg slim wat u daar hebt gedaan. Lermontov is u duidelijk naar het hoofd gestegen.’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Herr Oberstarzt, ik beschouw u als een man van eer. Wilt u mijn secondant zijn?’ Nu was het zijn beurt om zijn schouders op te halen. ‘Als u wilt. Maar het is krankzinnig.’ Ik tikte hem vriendschappelijk op zijn schouder. ‘Maakt u zich niet druk! Het komt allemaal in orde. En vergeet de wijn niet, die zullen we nodig hebben.’ Hij nam me mee naar zijn kamer en we dronken de eerste fles leeg. Ik vertelde hem het een en ander over mijn leven en over mijn vriendschap met Voss. ‘Ik waardeer hem zeer. Het is een verbazingwekkende man. Maar dat heeft niets te maken met wat die zwijnen in hun hoofd halen.’ Toen stuurde ik hem naar het kantoor van het Teilkommando en terwijl ik wachtte tot hij terugkwam, trok ik de tweede fles open, rookte en keek naar de ondergaande zon die achter het grote park en de hellingen van de Maloje Sedlo speelde. Na een half uur kwam hij terug. ‘Ik moet u waarschuwen,’ zei hij onomwonden. ‘Ze voeren iets in hun schild.’ – ‘Hoe dat zo?’ – ‘Toen ik het Kommando in liep, hoorde ik ze brullen. Het begin van het gesprek heb ik gemist, maar ik hoorde die dikke zeggen: “Daarmee lopen wij geen risico. En hij verdient niks anders.” Uw opponent – dat is toch die man met die jodenkop? – zei toen: “En zijn getuige?” De ander schreeuwde: “Die heeft dan pech gehad.” Daarna ging ik naar binnen en hielden ze hun mond. Volgens mij willen ze ons regelrecht gaan afslachten. Over de eer van de ss gesproken!’ – ‘Maak u niet ongerust, Herr Oberstarzt. Ik neem mijn voorzorgsmaatregelen. Bent u het eens geworden over de gang van zaken?’ – ‘Ja. Morgenavond om zes uur ontmoeten we hen aan de rand van Jeleznovodsk en dan gaan we op zoek naar een afgelegen balka. De dode zal worden toegeschreven aan de partizanen die daar rondzwerven.’ – ‘Ja, de bende van Poestov. Dat is een goed idee. Zullen we nu gaan eten?’
Na met smaak te hebben gegeten en gedronken keerde ik terug naar Pjatigorsk. Tijdens de maaltijd was Hohenegg in een gedrukte stemming; hij keurde mijn actie en deze hele geschiedenis duidelijk af. Zelf voelde ik nog steeds een vreemde opwinding; het was alsof er een zware last van mijn schouders was genomen. Ik zou Turek met plezier doodschieten; maar ik moest bedenken hoe ik kon ontkomen aan de val die hij en Pfeiffer voor me wilden zetten. Een uur nadat ik terug was, werd er bij me op de deur geklopt. Het was een ordonnans van het Kommando, die me een papier overhandigde. ‘Het spijt me u zo laat nog te moeten storen, Hauptsturmführer. Dit is een dringend bevel van de Gruppenstab.’ Ik scheurde de envelop open: Bierkamp ontbood mij om acht uur ’s ochtends op zijn bureau, samen met Turek. Iemand had zijn mond voorbijgepraat. Ik stuurde de ordonnans weg en plofte vertwijfeld op de divan neer. Het leek wel alsof ik door een vloek werd achtervolgd: elke zuivere daad werd me onmogelijk gemaakt. Ik meende de oude jood te zien, in zijn graf op de Masjoek, en hoe hij om me lachte. Ineens voelde ik me uitgeput, ik barstte in tranen uit en sliep huilend in, nog met al mijn kleren aan.
De volgende morgen verscheen ik op het aangegeven tijdstip in Vorosjilovsk. Turek was er al. We stonden in de houding voor het bureau van Bierkamp, zij aan zij, zonder verdere getuigen. Bierkamp kwam meteen ter zake: ‘Meine Herren. Mij is ter ore gekomen dat u elkaar in het openbaar woorden hebt toegevoegd die een officier van de ss onwaardig zijn, alsook dat u van plan bent om uw onenigheid op te lossen door middel van een actie die het reglement uitdrukkelijk verbiedt en die de Groep bovendien van twee waardevolle en moeilijk te vervangen krachten zou beroven. Want u kunt er zeker van zijn dat de overlevende onmiddellijk voor een ss- en Politierechtbank zou moeten verschijnen en tot de doodstraf of een concentratiekamp veroordeeld zou worden. Ik herinner u eraan dat u hier bent om uw Führer en uw Volk te dienen, en niet om uw persoonlijke driften uit te leven: als u uw leven geeft, zult u dat doen voor het Reich. Derhalve heb ik u beiden hier laten komen, opdat u elkaar uw verontschuldigingen aanbiedt en u verzoent. Ik voeg hieraan toe dat dit een bevel is.’ Turek en ik zeiden geen woord. Bierkamp keek Turek aan. ‘Hauptsturmführer?’ Turek bleef zwijgen. Bierkamp keek mij aan: ‘En u, Hauptsturmführer Aue?’ – ‘Met alle respect, Oberführer, maar de beledigende woorden die ik heb uitgesproken waren een reactie op de uitlatingen van Hauptsturmführer Turek. Ik meen dan ook dat het aan hem is om als eerste zijn verontschuldigingen aan te bieden, en anders zie ik mij genoodzaakt mijn eer te verdedigen, ongeacht de gevolgen.’ Bierkamp wendde zich tot Turek: ‘Hauptsturmführer, is het waar dat de eerste beledigende woorden door u zijn uitgesproken?’ Turek hield zijn kaken zo stevig op elkaar dat je de spieren zag trillen. ‘Ja, Oberführer,’ zei hij uiteindelijk, ‘dat is juist.’ – ‘In dat geval beveel ik u uw excuses aan te bieden aan Hauptsturmführer Dr. Aue.’ Turek draaide een kwartslag, sloeg zijn hakken tegen elkaar en keek mij aan, nog steeds in de houding; ik deed hetzelfde. ‘Hauptsturmführer Aue,’ zei hij traag, met schorre stem, ‘ik verzoek u mijn excuses te aanvaarden voor de beledigende uitlatingen die ik aan uw adres heb gedaan. De drank was me naar het hoofd gestegen en ik liet me meeslepen.’ – ‘Hauptsturmführer Turek,’ antwoordde ik met bonzend hart, ‘ik aanvaard uw verontschuldigingen en ik bied u in dezelfde geest de mijne aan voor mijn kwetsende reactie.’ – ‘Heel goed,’ zei Bierkamp droog. ‘En nu schudt u elkaar de hand.’ Ik pakte de hand van Turek, die klam aanvoelde. Daarna gingen we allebei weer tegenover Bierkamp staan. ‘Meine Herren, ik weet niet wat u tegen elkaar hebt gezegd en dat wil ik ook niet weten. Ik ben blij dat u zich verzoend hebt. Mocht zich nog eens zoiets voordoen, dan stuur ik u beiden naar een strafbataljon van de Waffen-ss. Is dat duidelijk? En nu ingerukt.’
Na zijn kantoor te hebben verlaten ging ik, nog danig van mijn stuk, naar dat van Dr. Leetsch. Gilsa had me laten weten dat een verkenningsvliegtuig van de Wehrmacht over de omgeving van Sjatoj was gevlogen en tal van gebombardeerde dorpen had gefotografeerd; het 4e luchtmachtkorps bleef volhouden dat er met zijn machines geen enkele aanval op Tsjetsjenië was uitgevoerd, en de verwoestingen werden toegeschreven aan de Russische luchtmacht, hetgeen de geruchten over een vrij omvangrijke opstand leek te bevestigen. ‘Kurreck heeft al een aantal parachutisten in de bergen afgezet,’ vertelde Leetsch. ‘Maar nadien hebben we geen contact meer met ze gehad. Ofwel ze zijn onmiddellijk gedeserteerd, ofwel ze zijn gedood dan wel gevangengenomen.’ – ‘De Wehrmacht denkt dat een opstand achter de Russische linies de aanval op Ordjonikidze zou kunnen vergemakkelijken.’ – ‘Misschien. Maar volgens mij hebben ze die opstand, als er ooit een is geweest, al neergeslagen. Stalin zou zo’n risico nooit nemen.’ – ‘Vast niet, nee. Als Sturmbannführer Kurreck iets hoort, wilt u me dat dan laten weten?’ Toen ik het kantoor verliet, zag ik Turek tegen een deurpost geleund in gesprek met Prill. Ze vielen ineens stil en keken me aan terwijl ik hen passeerde. Ik groette Prill beleefd en ging terug naar Pjatigorsk.
Hohenegg, die ik diezelfde avond weer zag, leek niet erg teleurgesteld. ‘Dat is het realiteitsprincipe, beste vriend,’ verklaarde hij. ‘Dat zal u leren om nog eens de romantische held uit te hangen. Laten we iets gaan drinken.’ Toch bleef de geschiedenis me dwarszitten. Wie had ons aan Bierkamp verraden? Het moest een van Tureks kameraden zijn geweest, uit angst voor een schandaal. Of misschien wist een van hen van de valstrik en had hij er iets tegen willen doen? Dat Turek zelf wroeging zou hebben gekregen, was nauwelijks voorstelbaar. Ik vroeg me af wat hij met Prill aan het bekokstoven was: niet veel goeds, dat stond wel vast.
Een nieuwe golf van activiteiten drong deze kwestie naar het tweede plan. Met ondersteuning van de Luftwaffe lanceerde het 3e pantserkorps van Mackensen een aanval op Ordjonikidze; in twee dagen was de tegenstand van de Sovjets voor Naltsjik gebroken en eind oktober werd de stad door onze troepen ingenomen, terwijl de tanks verder oostwaarts oprukten. Ik vroeg om een auto en reed eerst naar Prochladny, waar ik een ontmoeting had met Persterer, en toen door naar Naltsjik. Het regende, maar het verkeer ondervond er nauwelijks hinder van; voorbij Prochladny zag ik colonnes van de Rollbahn die met voorraden op weg waren naar het oosten. Persterer was de verplaatsing van zijn Kommandostab naar Naltsjik aan het voorbereiden en had al een Vorkommando gestuurd om kwartier te maken. De stad was zo snel gevallen dat er veel bolsjewistische functionarissen en andere verdachten waren opgepakt; er woonden daar ook nog veel joden, plus bureaucraten afkomstig uit Rusland, en verder was er een vrij omvangrijke autochtone gemeenschap. Ik herinnerde Persterer aan de instructies van de Wehrmacht met betrekking tot onze opstelling tegenover de lokale bevolking: het plan was om op korte termijn een autonoom Kabardisch-Balkaars district in het leven te roepen, de goede betrekkingen mochten dus onder geen beding worden geschaad. In Naltsjik reed ik naar de Ortskommandantur, die nog niet helemaal op orde was. De Luftwaffe had de stad gebombardeerd, veel huizen en andere gebouwen waren opengereten en vaak steeg er in de regen nog rook uit omhoog. Ik trof er Voss, die in een lege kamer stapels boeken sorteerde; hij leek opgetogen over zijn vondsten. ‘Kijk eens,’ zei hij terwijl hij me een oud, Franstalig boek aanreikte. Ik bekeek de titelpagina: ‘Over de volken van de Kaukasus en van de gebieden ten noorden van de Zwarte en Kaspische Zee in de tiende eeuw, ofwel De reis van Aboe el-Kassim’, in 1828 in Parijs uitgegeven door een zekere Constantin Mouradgea d’Ohsson. Met een goedkeurende blik gaf ik het aan hem terug: ‘Hebt u veel van dit soort boeken gevonden?’ – ‘Behoorlijk wat. De bibliotheek is weliswaar geraakt door een bom, maar de schade is beperkt gebleven. Overigens wilden uw collega’s een deel van de collectie in beslag nemen voor de ss. Ik heb gevraagd waar hun belangstelling naar uitging, maar ze hadden geen deskundige bij zich en wisten het zelf niet goed. Ik heb ze de collectie marxistische economie aangeboden, waarop ze zeiden dat ze eerst Berlijn moesten raadplegen. Tegen die tijd ben ik klaar.’ Ik lachte: ‘Ik zou u nu de voet dwars moeten zetten.’ – ‘Misschien. Maar dat gaat u niet doen.’ Ik vertelde hem van de botsing met Turek, hij vond het een kostelijk verhaal: ‘U wilde een duel aangaan om mij? Doktor Aue, u bent onverbeterlijk. Zoiets is absurd.’ – ‘Ik wilde niet gaan vechten om u: hun belediging gold mij.’ – ‘En u zegt dat Dr. Hohenegg bereid was uw getuige te zijn?’ – ‘Met lichte tegenzin.’ – ‘Dat verbaast me. Hij leek mij toch een intelligente man.’ Ik vond deze reactie van Voss enigszins grievend; hij zag wel dat ik me verongelijkt voelde, want hij begon hartelijk te lachen: ‘Niet zo mokken! U moet maar denken: lompe en domme mensen straffen zichzelf.’
Ik kon die avond niet in Naltsjik blijven; ik moest terug naar Pjatigorsk om rapport uit te brengen. De volgende dag riep Gilsa me bij zich. ‘Hauptsturmführer, we hebben in Naltsjik een probleempje dat ook de Sicherheitspolizei aangaat.’ Hij vertelde dat het Sonderkommando in de buurt van de renbaan al was begonnen met het fusilleren van joden: Russische joden die veelal lid van de Partij of overheidsfunctionaris waren geweest, maar ook enkele lokale joden, die leken te behoren tot die fameuze ‘bergjoden’ uit de Kaukasus. Een van hun voormannen had zich gewend tot Selim Sjadov, de Kabardische advocaat die door het militair bestuur was aangewezen om leiding te gaan geven aan het toekomstige autonome district; deze had op zijn beurt in Kislovodsk een onderhoud gehad met Generaloberst von Kleist en hem uitgelegd dat de Gorski Jevrei niet van het joodse ras waren, maar een tot het joodse geloof bekeerd bergvolk, zoals de Kabarden zich ooit hadden bekeerd tot de islam. ‘Volgens hem eten die Bergjuden hetzelfde als de andere volken in het gebergte, kleden ze zich hetzelfde, gaan ze huwelijken aan buiten hun eigen groep en spreken ze Hebreeuws noch Jiddisch. Ze wonen al meer dan honderdvijftig jaar in Naltsjik en spreken naast hun eigen taal allemaal Kabardisch en het Turkse Balkarisch. Herr Sjadov heeft tegen de Generaloberst gezegd dat het voor de Kabarden onaanvaardbaar zou zijn als hun broeders uit de bergen om het leven werden gebracht, dat ze gevrijwaard moeten blijven van repressieve maatregelen en dat zelfs het dragen van de gele ster niet aan hen mag worden opgelegd.’ – ‘En wat zegt de Generaloberst ervan?’ – ‘Zoals u weet voert de Wehrmacht hier een politiek die gericht is op het ontwikkelen van goede betrekkingen met de antibolsjewistische minderheden. Die goede betrekkingen mogen niet lichtzinnig in de waagschaal worden gesteld. Een ander fundamenteel punt van overweging is uiteraard de veiligheid van onze troepen. Maar als deze mensen niet van het joodse ras zijn, vormen ze mogelijkerwijs geen enkel gevaar. De kwestie ligt gevoelig en moet nader worden bestudeerd. De Wehrmacht zal dan ook een commissie van specialisten in het leven roepen die opdracht krijgt tot het verrichten van een zorgvuldig onderzoek. De Generaloberst verzoekt de Sicherheitspolizei zich intussen van elke maatregel tegen deze groep te onthouden. Natuurlijk staat het de Sicherheitspolizei volledig vrij om over deze kwestie een eigen opvatting te formuleren, die dan door de Legergroep in de overwegingen zal worden meegenomen. Ik denk dat het okhg de zaak zal delegeren aan General Köstring. Per slot van rekening speelt deze kwestie in een gebied dat volgens plan zelfbestuur zal krijgen.’ – ‘Uitstekend, Herr Oberst. Ik heb hier nota van genomen en zal rapport uitbrengen.’ – ‘Dank u. Verder zou ik het op prijs stellen als u aan Oberführer Bierkamp zou vragen, ons schriftelijk te bevestigen dat de Sicherheitspolizei geen enkele actie zal ondernemen zonder een besluit van de Wehrmacht.’ – ‘Zu Befehl, Herr Oberst.’
Ik belde op naar Obersturmbannführer Hermann, de opvolger van Dr. Müller, die een week eerder was vertrokken, en legde hem de zaak uit: Bierkamp zou hem zo meteen komen bezoeken, antwoordde hij, en hij nodigde me uit om me op het Kommando bij hen te voegen. Bierkamp bleek al op de hoogte. ‘Dit is volstrekt ontoelaatbaar!’ zei hij, elk woord benadrukkend. ‘De Wehrmacht gaat nu werkelijk te ver. Joden beschermen, dat gaat lijnrecht in tegen de wil van de Führer.’ – ‘Als u mij toestaat, Oberführer: ik heb gemeend te begrijpen dat de Wehrmacht er niet van overtuigd is dat deze mensen als joden dienen te worden aangemerkt. Zodra is aangetoond dat zij dat wel zijn, mag het okhg zich er niet tegen verzetten dat de Sipo de noodzakelijke maatregelen treft.’ Bierkamp haalde zijn schouders op: ‘U bent naïef, Hauptsturmführer. De Wehrmacht zal aantonen wat ze aantonen wil. Het is alleen maar het zoveelste voorwendsel om het werk van de Sicherheitspolizei te dwarsbomen.’ – Hermann, een man met fijne gelaatstrekken en een strenge maar tegelijk wat dromerige blik, mengde zich in het gesprek: ‘Mag ik vragen of zich al vergelijkbare situaties hebben voorgedaan?’ – ‘Voor zover ik weet alleen in individuele gevallen. Dat moet worden nagegaan.’ – ‘En er is nog meer aan de hand,’ vervolgde Bierkamp. ‘Het okhg heeft mij geschreven dat wij volgens Sjadov in de buurt van Mozdok een heel dorp met Bergjuden zouden hebben geliquideerd. Het vraagt mij nu om een rapport met uitleg.’ Hermann leek het maar moeilijk te kunnen volgen. ‘En is het waar?’ vroeg ik. – ‘U denkt toch niet dat ik uit mijn hoofd weet welke acties er allemaal zijn geweest. Ik zal het Sturmbannführer Persterer vragen, het moet in zijn sector zijn gebeurd.’ – ‘Als het joden waren, valt hem in ieder geval niets te verwijten,’ oordeelde Hermann. – ‘U weet nog niet hoe de Wehrmacht hier is, Obersturmbannführer. Elke gelegenheid grijpen ze aan om ons de voet dwars te zetten.’ – ‘Wat denkt Brigadeführer Korsemann ervan?’ waagde ik te vragen. Opnieuw haalde Bierkamp zijn schouders op. ‘De Brigadeführer zegt dat we onnodige strubbelingen met de Wehrmacht moeten vermijden. Dat is een soort obsessie van hem op dit moment.’ – ‘We zouden een tegenonderzoek kunnen starten,’ opperde Hermann. – ‘Een goed idee,’ stemde Bierkamp in. ‘Wat denkt u daarvan, Hauptsturmführer?’ – ‘De ss heeft flink wat documentatie over het onderwerp,’ antwoordde ik. ‘En als het moet, kunnen we natuurlijk onze eigen deskundigen oproepen.’ Bierkamp knikte. ‘Als ik me niet vergis, Hauptsturmführer, dan hebt u ten behoeve van mijn voorganger onderzoek verricht aangaande de Kaukasus.’ – ‘Inderdaad, Oberführer, al ging dat niet precies over die Bergjuden.’ – ‘Ja, maar in ieder geval bent u dan al vertrouwd met de documentatie. En verder blijkt uit uw rapporten dat u goed thuis bent in volkenkwesties. Zou u zich, namens ons, met deze aangelegenheid kunnen belasten? Dus alle informatie bundelen en onze antwoorden aan de Wehrmacht voorbereiden. Ik zal een dienstbevel voor u schrijven, dat kunt u daar dan laten zien. Uiteraard dient u mij bij elke nieuwe fase te raadplegen, of anders Dr. Leetsch.’ – ‘Zu Befehl, Oberführer. Ik zal mijn best doen.’ – ‘Goed. En, Hauptsturmführer?’ – ‘Ja, Oberführer?’ – ‘Niet te veel theorie in uw onderzoek verwerken, hè? Probeer de belangen van de Sipo niet uit het oog te verliezen.’ – ‘Zu Befehl, Oberführer.’
De Gruppenstab had al ons onderzoeksmateriaal in Vorosjilovsk gearchiveerd. Aan de hand van wat ik daar vond, stelde ik een kort rapport samen voor Bierkamp en Leetsch: de resultaten waren pover. Volgens een uit 1941 daterende brochure van het Instituut voor de bestudering van vreemde landen, getiteld ‘Lijst van nationaliteiten in de ussr’, waren de Bergjuden echte joden. Een ss-brochure van latere datum gaf wat aanvullende details: Oosterse volken van gemengde samenstelling, van Indische of andere herkomst, maar van joodse origine, hebben zich in de achtste eeuw in de Kaukasus gevestigd. Ten slotte vond ik een rapport waarin meer informatie stond en dat in opdracht van de ss was geschreven door het Wannsee Instituut. De joden van de Kaukasus zijn niet geassimileerd, stond er over zowel de Russische joden als de Bergjuden. Volgens de auteur zouden de joden uit de bergen en ook die van Dagestan (Dag-Sjoefoeti), evenals de joden van Georgië (Kartveli Ebraelebi), rond Christus’ geboorte uit Medië, Palestina of Babylonië zijn gekomen. Zonder bronnen te citeren besloot hij: Los van de vraag welke opvatting de juiste is, zijn de joden in het geheel genomen, zowel de nieuwkomers als de Bergjuden, binnen het gebied van de Kaukasus Fremdkörper, vreemde elementen. Op de voorpagina had Amt iv de aantekening geplaatst dat dit onderzoeksrapport de Einsatzgruppe voldoende aanknopingspunten kon verschaffen om in haar actiegebied de Weltanschauungsgegner, de ‘ideologische tegenstanders’, te herkennen. Toen Bierkamp de volgende dag opnieuw ter plaatse was, gaf ik hem mijn rapport, dat hij vluchtig doornam. ‘Heel goed, heel goed. Hier is uw dienstbevel voor de Wehrmacht.’ – ‘Wat zegt Sturmbannführer Persterer over het dorp dat Sjadov noemde?’ – ‘Hij zegt dat ze in die streek inderdaad een joodse kolchoz hebben opgeruimd, dat was op 20 september. Maar hij had geen idee of het Bergjuden waren of niet. Intussen is er een voorman van die joden op het Kommando in Naltsjik geweest. Ik heb voor u een verslag laten maken van het gesprek.’ Ik bestudeerde het document dat hij me aanreikte: die voorman, een zekere Markel Sjabajev, droeg een tsjerkeska en een hoge astrakan muts, zo meldde het verslag; in het Russisch had hij uitgelegd dat er in Naltsjik enkele duizenden Tatten woonden, een Iraans volk dat door de Russen bij vergissing werd aangeduid als Gorski Jevrei. ‘Volgens Persterer,’ zei Bierkamp ook nog, zichtbaar ontevreden, ‘zou diezelfde Sjabajev bij Sjadov zijn geweest. Het lijkt me wenselijk dat u hem ontmoet.’
Twee dagen later ontbood een zorgelijke Gilsa me op zijn kantoor. ‘Wat is er aan de hand, Herr Oberst?’ vroeg ik. Hij wees een lijn aan op de grote kaart die aan de wand hing: ‘De tanks van Generaloberst von Mackensen zijn tot staan gebracht. De sovjetverdediging voor Ordjonikidze is taai, en het sneeuwt daar al. Toch zijn ze nog maar zeven kilometer van de stad verwijderd.’ Zijn blik volgde de lange blauwe lijn die zich over de kaart slingerde en aan de bovenkant uitliep in het zand van de Kalmukse steppen. ‘Ook bij Stalingrad komen ze niet verder. Onze troepen zijn aan het eind van hun krachten. Als het okh niet snel versterkingen stuurt, moeten we van de winter hier blijven.’ Ik zei niets en hij veranderde van onderwerp. ‘Hebt u zich nog kunnen verdiepen in de kwestie van die Bergjuden?’ Ik legde uit dat ze volgens onze documentatie als joden dienden te worden beschouwd. ‘Onze eigen deskundigen schijnen er anders over te denken,’ was zijn reactie. ‘En Dr. Bräutigam ook. General Köstring wil hierover morgen in Vorosjilovsk een vergadering houden; hij hecht eraan dat ook de ss en de Sipo zijn vertegenwoordigd.’ – ‘Uitstekend. Ik zal de Oberführer op de hoogte stellen.’ Ik belde naar Bierkamp, die me vroeg erheen te gaan; hij zou zelf ook komen. De reis naar Vorosjilovsk maakte ik samen met Gilsa. De lucht was betrokken, het was grauw maar droog, de toppen van de vulkanen gingen schuil in grillig kronkelende wolkenslierten. Gilsa was terneergeslagen, nog steeds in de greep van zijn pessimisme. Er was net weer een aanval mislukt. ‘Volgens mij komt het front niet meer in beweging.’ Helemaal ongerust toonde hij zich over Stalingrad: ‘Onze flanken zijn uiterst kwetsbaar. De troepen van onze bondgenoten zijn van inferieure kwaliteit en de zogeheten tactiek van de korsetbaleinen zet geen zoden aan de dijk. Als de Sovjets een keer flink uithalen, worden die troepen over de hele linie teruggedrongen. In dat geval zou de positie van het Zesde Leger snel kunnen verslechteren.’ – ‘U gelooft toch niet dat de Russen nog genoeg reservetroepen hebben om een offensief in te zetten? Ze hebben bij Stalingrad enorme verliezen geleden en ze brengen daar alles samen wat ze hebben, enkel en alleen om de stad in handen te houden.’ – ‘Niemand heeft feitelijk zicht op de omvang van de sovjetreserves,’ antwoordde hij. ‘We hebben ze al vanaf het begin van de oorlog onderschat. Waarom zouden we ze niet ook hier onderschatten?’
De bijeenkomst vond plaats in een vergaderzaal van het okhg. Köstring was er met zijn tweede man, Hans von Bittenfeld, en met twee officieren uit de staf van Berück von Roques. Verder Bräutigam en een aan het okhg verbonden officier van de Abwehr. Bierkamp had Leetsch meegebracht, plus een medewerker van Korsemann. Köstring opende de zitting met een verwijzing naar de geldende uitgangspunten: een militair bestuur over de Kaukasus, in combinatie met zelfbestuur. ‘De volken die ons als hun bevrijders hebben ingehaald en onze welwillende voogdij aanvaarden, kennen hun vijanden door en door,’ sprak hij langzaam, met iets sluws in zijn stem. ‘Daarom moeten wij de kunst verstaan om naar hen te luisteren.’ – ‘In de visie van de Abwehr gaat het om het zuiver objectieve feit van de veiligheid van het gebied achter het front,’ zei Gilsa. ‘Als die Bergjuden bijvoorbeeld onlusten veroorzaken, saboteurs verborgen houden, de partizanen helpen, dan moeten ze net zo worden behandeld als elke andere vijandelijke groep. Maar als ze zich rustig houden, dan is er geen reden om de andere stammen te tarten door repressieve maatregelen te gaan treffen die voor de hele groep gelden.’ – ‘Ik voor mij ben van mening,’ aldus Bräutigam met zijn ietwat nasale stem, ‘dat de onderlinge betrekkingen tussen de Kaukasische volken in hun algemeenheid dienen te worden bezien. Beschouwen de bergstammen deze Bergjuden min of meer als eigen mensen, of wijzen ze hen af als Fremdkörper? Het feit dat Herr Sjadov zo krachtig voor deze bergjoden is opgekomen, is voor hen op zich een pluspunt.’ – ‘Herr Sjadov heeft misschien zijn politieke, laten we zeggen zijn slinks-politieke redenen, die wij niet kunnen vatten,’ opperde Bierkamp. ‘Met de premissen van Dr. Bräutigam ben ik het eens, al kan ik niet instemmen met de conclusie die hij eruit trekt.’ Hij las fragmenten voor uit mijn rapport, de nadruk leggend op de opinie van het Wannsee Instituut. ‘Dit lijkt te worden bevestigd,’ vervolgde hij, ‘door alle rapporten van onze Kommando’s over het operatiegebied van Legergroep a. Uit die rapporten kunnen we afleiden dat de joden algemeen worden gehaat. Alles wat wij tegen de joden hebben ondernomen, zoals het verplicht dragen van de ster maar ook de strengere maatregelen, heeft bij de bevolking volledig begrip en zelfs bijval gevonden. Er zijn trouwens gezaghebbende stemmen die ons optreden tegen de joden nog onvoldoende vinden en om een veel krachtiger aanpak vragen.’ – ‘U hebt helemaal gelijk, maar alleen voor zover het gaat om de Russische joden die zich hier onlangs hebben gevestigd,’ was Bräutigams weerwoord. ‘Wij hebben echter niet de indruk dat er op dezelfde manier gedacht wordt over de zogeheten Bergjuden, die hier al minstens een paar eeuwen wonen.’ Hij wendde zich naar Köstring: ‘Ik heb hier een exemplaar van een tekst van professor Eiler, door hem geschreven ten behoeve van het Auswärtiges Amt. Volgens hem zijn de Bergjuden van Kaukasische, Iraanse en Afghaanse oorsprong en zijn het geen joden, ook al hebben ze de godsdienst van Mozes tot de hunne gemaakt.’ – ‘Neem me niet kwalijk,’ zei Noeth, de Abwehr-officier van het okhg, ‘maar waar moeten ze de joodse godsdienst dan vandaan hebben?’ – ‘Dat is niet duidelijk,’ antwoordde Bräutigam, met de punt van zijn potlood op het tafelblad tikkend. ‘Misschien van die fameuze Chazaren, die zich in de achtste eeuw hebben bekeerd tot het joodse geloof.’ – ‘Zou het niet eerder zo zijn dat de Bergjuden de Chazaren hebben bekeerd?’ vroeg Eckhardt, de adjudant van Korsemann. Bräutigam hief zijn handen op: ‘Dat moeten we nu juist uitzoeken.’ Opnieuw klonk de trage, intelligente, diepe stem van Köstring: ‘Mag ik eens vragen, hebben wij op de Krim niet al met iets vergelijkbaars te maken gehad?’ – ‘Zo is het, Herr General,’ antwoordde Bierkamp kortaf. ‘Dat was in de periode van mijn voorganger. Hauptsturmführer Aue kan u de details daarvan wel vertellen, denk ik.’ – ‘Zeker, Oberführer. Naast het geval van de Karaïeten, die in 1937 door het ministerie van Binnenlandse Zaken zijn erkend als niet behorend tot het joodse ras, is er op de Krim een discussie ontstaan over de Krimtsjaken, die naar eigen zeggen een Turks volk waren, dat zich in een laat stadium zou hebben bekeerd tot het joodse geloof. Onze specialisten hebben onderzoek gedaan en zijn tot de conclusie gekomen dat het in feite Italiaanse joden waren, die in de vijftiende of zestiende eeuw naar de Krim zijn gekomen en vervolgens zijn geassimileerd aan de Turken.’ – ‘En wat is er met ze gedaan?’ vroeg Köstring. – ‘Ze zijn als joden beschouwd en als zodanig behandeld, Herr General.’ – ‘Juist ja,’ zei hij sonoor. – ‘Als u mij toestaat,’ zei Bierkamp, ‘ook op de Krim hebben we te maken gehad met Bergjuden. Het ging om een joodse kolchoz in het district Freidorf, in de buurt van Eupatoria. Er woonden daar Bergjuden uit Dagestan, die in de jaren dertig met hulp van de joint, de welbekende internationale joodse organisatie, waren geherhuisvest. Na onderzoek zijn ze in maart van dit jaar gefusilleerd.’ – ‘Die actie was misschien wat prematuur,’ stelde Bräutigam. ‘Net als met die kolchoz van Bergjuden in de buurt van Mozdok, die u hebt opgeruimd.’ – ‘O ja, dat is waar,’ zei Köstring met het gezicht van iemand die zich een detail herinnert, ‘hebt u daarover nu nadere informatie, Oberführer?’ Bierkamp schonk geen aandacht aan de opmerking van Bräutigam en gaf in plaats daarvan antwoord aan Köstring: ‘Ja, Herr General. Jammer genoeg verschaffen de stukken waarover wij beschikken niet al te veel duidelijkheid, want in het vuur van de actie, tijdens het offensief, toen het Sonderkommando net in Mozdok was gearriveerd, is een deel van de werkzaamheden niet met voldoende nauwkeurigheid vastgelegd. Volgens Sturmbannführer Persterer waren ook leden van het Kommando Bergmann van professor Oberländer in dat gebied zeer actief. Misschien waren zij het.’ – ‘Dat bataljon staat onder ons toezicht,’ was de vrij heftige reactie van Noeth, de ao. ‘Dan zouden wij dat weten.’ – ‘Hoe heette dat dorp?’ vroeg Köstring. – ‘Bogdanovka,’ antwoordde Bräutigam, speurend in zijn aantekeningen. ‘Volgens Herr Sjadov zouden er vierhonderdtwintig dorpsbewoners zijn gedood en in putten gegooid. Het waren allemaal stamverwanten van de Bergjuden uit Naltsjik, met namen als Misjev, Abramov, Sjamiljev; hun dood heeft in Naltsjik heftige beroering gewekt, niet alleen onder de Bergjuden maar ook onder de Kabarden en Balkaren, die er diep door geraakt waren.’ – ‘Helaas is Oberländer vertrokken,’ zei Köstring afgemeten. ‘Aan hem kunnen we het dus niet vragen.’ – ‘Het is natuurlijk ook heel goed mogelijk dat het mijn Kommando was,’ hernam Bierkamp. ‘De opdrachten zijn nu eenmaal duidelijk. Maar zeker weten doe ik het niet.’ – ‘Heel veel doet het er ook niet toe,’ zei Köstring. ‘Waar het nu om gaat is dat we een beslissing nemen over de Bergjuden van Naltsjik, het zijn er...’ Hij keerde zich naar Bräutigam. ‘Zes- à zevenduizend,’ vulde deze aan. – ‘Precies,’ vervolgde Köstring. ‘En het moet een beslissing zijn die billijk is, wetenschappelijk verantwoord, een beslissing, ten slotte, waarin rekening wordt gehouden met de veiligheid van ons achterland’ – hij neigde zijn hoofd in de richting van Bierkamp – ‘alsook met ons streven naar een beleid van maximale samenwerking met de plaatselijke bevolking. Er zal dan ook veel belang worden gehecht aan de mening van onze wetenschappelijke commissie.’ Bittenfeld bladerde een stapel papieren door: ‘We beschikken hier al over luitenant Dr. Voss, die ondanks zijn jeugdige leeftijd in Duitse wetenschappelijke kringen geldt als een autoriteit. Bovendien laten we een antropoloog of etnoloog komen.’ – ‘Ik heb al contact opgenomen met mijn ministerie,’ deelde Bräutigam mee. ‘Dat stuurt een specialist uit Frankfurt, van het Instituut voor Joodse Vraagstukken. Ook wordt geprobeerd iemand hierheen te krijgen van het instituut van Dr. Walter Frank in München.’ – ‘Ik heb de wetenschappelijke afdeling van het rsha al gevraagd hoe daar over deze kwestie wordt gedacht,’ zei Bierkamp. ‘Ook ben ik van plan een deskundige uit te nodigen. In afwachting van een en ander heb ik ons onderzoek toevertrouwd aan Hauptsturmführer Dr. Aue, hier aanwezig, onze specialist inzake Kaukasische volken.’ Ik boog beleefd het hoofd. ‘Uitstekend, uitstekend,’ zei Köstring. ‘Zullen we dan weer opnieuw vergaderen wanneer al dat onderzoek resultaat heeft opgeleverd? Tegen die tijd kunnen we deze zaak hopelijk afsluiten. Meine Herren, dank voor uw komst.’ Met veel stoelengeschuif ging de vergadering uiteen. Bräutigam had Köstring aan een arm opzij getrokken en stond met hem te praten. De officieren verlieten successievelijk de zaal, maar Bierkamp, zijn pet in de hand, bleef achter met Leetsch en Eckhardt: ‘Ze komen met zwaar geschut. Wij moeten zelf ook een goeie specialist zien in te schakelen, anders staan we meteen al buitenspel.’ – ‘Ik zal het de Brigadeführer vragen,’ zei Eckhardt. ‘Misschien kunnen we iemand vinden uit de omgeving van de Reichsführer, in Vinnitsa. En anders zal er iemand uit Duitsland moeten worden gehaald.’
Volgens Gilsa zat Voss nog steeds in Naltsjik; ik moest hem spreken en ging er bij de eerste gelegenheid heen. Vanaf Malka waren de velden bedekt met een dunne laag sneeuw; toen we Baksan naderden werd de lucht donker van de windvlagen en dwarrelden de sneeuwvlokken in lange spiralen voor de koplampen. De bergen, de velden, de bomen, alles was verdwenen; de ons tegemoet rijdende voertuigen doken als loeiende monsters op uit coulissen die door de storm aan het zicht werden onttrokken. Ik had alleen een wollen jas van vorig jaar, die nu nog wel voldeed, maar dat zou weldra niet meer zo zijn. Ik moet warme kleren zien te krijgen, zei ik bij mezelf. In Naltsjik trof ik Voss opnieuw tussen zijn boeken in de Ortskommandantur, waar hij zijn kantoor had ingericht; hij nam me mee naar de kantine om koffiesurrogaat te drinken aan een tafeltje met een gestreept formica blad, waarop een vaas met plastic bloemen stond. De ersatz was smerig en ik probeerde de smaak met veel melk te verdrijven; Voss leek er geen aandacht voor te hebben. ‘Bent u niet erg teleurgesteld over het mislukte offensief?’ vroeg ik. ‘Ik bedoel vanwege uw onderzoek.’ – ‘Een beetje wel, uiteraard. Maar ik heb hier genoeg bezigheden.’ Ik vond hem afstandelijk, enigszins afwezig. ‘Heeft General Köstring u al gevraagd voor de commissie die onderzoek gaat doen naar de Bergjuden?’ – ‘Ja. En ik heb gehoord dat u de ss gaat vertegenwoordigen.’ Ik lachte kort: ‘Min of meer. Oberführer Bierkamp heeft me officieel gepromoveerd tot specialist in Kaukasische aangelegenheden. Dat is uw schuld, volgens mij.’ Hij lachte en dronk zijn koffie. Het was een komen en gaan van soldaten en officieren, die soms nog onder de sneeuw zaten, soms zachtjes aan een tafel in gesprek waren. ‘En wat denkt u van het probleem?’ vervolgde ik. – ‘Wat ik ervan denk? Zoals het probleem wordt gesteld, is het absurd. Het enige wat er van die mensen kan worden gezegd is dat ze een Iraanse taal spreken, het mozaïsche geloof belijden en dezelfde zeden en gewoonten hebben als de Kaukasische bergbewoners. Dat is alles.’ – ‘Ja, maar ze hebben een oorsprong.’ Hij haalde zijn schouders op: ‘Iedereen heeft een oorsprong, meestal een denkbeeldige. We hebben daar al eens over gepraat. Die van de Tatten gaat schuil in verre tijden en legenden. En ook al zijn het werkelijk joden uit Babylonië, ook al is het zelfs een van de zoekgeraakte stammen, dan hebben ze zich nadien toch zo met de volken van hier vermengd dat die herkomst niets meer te betekenen heeft. In Azerbeidzjan schijnen islamitische Tatten te wonen. Zijn dat joden die moslim zijn geworden? Of hebben die veronderstelde joden, van elders gekomen, vrouwen uitgewisseld met een Iraanse, heidense stam, waarvan de kinderen of kleinkinderen zich later misschien hebben bekeerd tot het ene of het andere geloof van het Boek? Het valt niet te zeggen.’ – ‘Maar er moeten toch wetenschappelijke aanwijzingen zijn op grond waarvan de knoop kan worden doorgehakt?’ hield ik aan. – ‘Er zijn allerlei aanwijzingen, en daar kan van alles uit worden afgeleid. Neem bijvoorbeeld hun taal. Ik heb met hen gepraat en ik kan die taal vrij goed plaatsen. Temeer daar ik een boek van Vsevolod Miller over het onderwerp heb gevonden. Het is in wezen een West-Iraans dialect, met Hebreeuwse en Turkse elementen. De Hebreeuwse inbreng betreft vooral het religieuze vocabulaire, maar dan nog niet eens systematisch: de synagoge noemen ze nimaz, het joodse paasfeest Nisanu, en Poerim heet Homonu; allemaal Perzische woorden. Voordat de Sovjets aan de macht kwamen, schreven ze hun Perzische taal in Hebreeuws schrift, maar die boeken hebben de politieke hervormingen niet overleefd, zeggen ze. Tegenwoordig wordt het Taats in Latijnse letters geschreven: in Dagestan geven ze in die taal kranten uit en voeden ze er hun kinderen in op. Welnu, als het werkelijk Chaldeeërs waren, of joden die na de verwoesting van de eerste tempel uit Babylon zijn gekomen, zoals bepaalde mensen beweren, dan zouden ze logischerwijze een dialect moeten spreken dat is afgeleid van het Middel-Iraans en dat verwant is met het Pahlavi uit de tijd van de Sassaniden. Maar de Tattentaal die hier gesproken wordt, is een dialect dat behoort tot het Nieuw-Iraans, dus van na de tiende eeuw en verwant met het Dari, het Baloetsj en het Koerdisch. Zonder de feiten geweld aan te doen zou men hieruit de conclusie kunnen trekken dat er sprake is van een betrekkelijk recente immigratie, die zou zijn gevolgd door een bekering. Maar wil men het tegenovergestelde bewijzen, dan kan dat ook. Wat ik niet begrijp is wat het verband van dit alles zou kunnen zijn met de veiligheid van onze troepen. Men zou hun houding jegens ons toch objectief, op basis van feiten moeten kunnen beoordelen?’ – ‘Het is simpelweg een rassenkwestie,’ antwoordde ik. ‘We weten dat er groepen bestaan van een inferieur ras, waaronder de joden, met expliciete kenmerken die hen in de richting drijven van bolsjewistische corruptie, diefstal, moord en allerlei ander schadelijk gedrag. Dit geldt natuurlijk niet voor alle leden van zo’n groep. Maar in oorlogstijd, in een bezettingssituatie en met onze beperkte middelen kunnen we onmogelijk ieder individueel geval onderzoeken. Daarom zijn we genoodzaakt de groepen die een risico in zich bergen als geheel te bezien en algemene maatregelen te treffen. Zoiets gaat gepaard met grote onrechtvaardigheden, maar daar is de uitzonderlijke situatie debet aan.’ Met een bittere, treurige blik keek Voss in zijn koffie. ‘Doktor Aue. Ik heb u altijd als een intelligente, redelijke persoon gezien. Zelfs als alles wat u te berde brengt waar is, moet u mij toch eens uitleggen wat u verstaat onder ras. Want voor mij is dat een wetenschappelijk niet te definiëren begrip, en dus een begrip zonder theoretische waarde.’ – ‘Toch bestaan er rassen, dat staat onomstotelijk vast, onze beste onderzoekers studeren erop en schrijven erover. Dat weet u toch. Onze rassenantropologen zijn de beste ter wereld.’ Plotseling barstte Voss uit: ‘Fantasten zijn het. Ze ondervinden geen enkele concurrentie uit de landen waar serieus wetenschap wordt bedreven, omdat hun vak daar niet bestaat en daar niet wordt gedoceerd. Geen van hen zou een baan hebben en gepubliceerd worden als het niet was uit politieke overwegingen!’ – ‘Doktor Voss, ik heb groot respect voor uw opvattingen, maar draaft u nu niet een beetje door?’ zei ik zacht. Voss sloeg met zijn vlakke hand op de tafel, waardoor de kopjes en de vaas met kunstbloemen een sprongetje maakten; enkele hoofden draaiden zich om naar het gerammel en naar zijn harde stem. ‘Die dierendoktersfilosofie zoals Herder het noemde, heeft alle begrippen gestolen van de linguïstiek, de tot nu toe enige menswetenschap met een theoretische basis die wetenschappelijk valide is. Begrijpt u’ – hij praatte nu zachter, snel en woedend – ‘begrijpt u eigenlijk wel wat een wetenschappelijke theorie is? Een theorie is geen feit, maar een instrument dat het mogelijk maakt om voorspellingen te doen en nieuwe hypothesen te ontwikkelen. Een theorie wordt goed genoemd wanneer ze ten eerste betrekkelijk eenvoudig is, en het ten tweede mogelijk maakt om verifieerbare voorspellingen te doen. Op basis van de newtoniaanse fysica kunnen we planeetbanen berekenen: als we de positie van de aarde of van Mars met een tussenpoos van een aantal maanden observeren, bevinden ze zich altijd precies daar waar de theorie voorspelt dat ze zich zullen bevinden. Anderzijds is geconstateerd dat de baan van Mercurius geringe onregelmatigheden vertoont, afwijkend van de baan die op grond van de newtoniaanse theorie was voorspeld. Deze afwijkingen worden echter weer nauwkeurig voorspeld door de relativiteitstheorie van Einstein, die dus beter is dan de theorie van Newton. Maar in Duitsland, vroeger in wetenschappelijk opzicht het meest vooraanstaande land ter wereld, wordt Einsteins theorie weggezet als joodse wetenschap en zonder verdere toelichting verworpen. Het is gewoon absurd, precies wat de bolsjewieken altijd verweten wordt met hun eigen pseudowetenschappen in dienst van de Partij. Hetzelfde geldt voor de linguïstiek in vergelijking met de zogenaamde rassenantropologie. In de linguïstiek kon uit de vergelijkende Indo-Germaanse grammatica een theorie van de fonologische mutaties worden afgeleid die een voortreffelijke voorspellende waarde heeft. Reeds in 1820 leidde Bopp het Grieks en Latijn af uit het Sanskriet. Nemen we als vertrekpunt het Middel-Iraans en hanteren we dezelfde vaste regels, dan vinden we woorden terug in het Keltisch. Het werkt en het is aantoonbaar. Het is dus een goede theorie, al wordt er voortdurend verder aan gewerkt, gecorrigeerd en geperfectioneerd. De rassenantropologie daarentegen moet het zonder welke theorie dan ook doen. Zonder ze te kunnen definiëren postuleert ze dat er rassen zijn en vervolgens brengt ze daar een hiërarchie in aan, zonder enig criterium. Alle pogingen om de rassen biologisch te definiëren zijn mislukt. De schedelantropologie is op een compleet fiasco uitgelopen: tientallen jaren zijn er metingen verricht en tabellen opgesteld, op basis van de onzinnigste indexen en hoeken, maar nog steeds is men niet bij machte om ook maar met een flintertje zekerheid een joodse van een Duitse schedel te onderscheiden. Wat de op Mendel geïnspireerde genetica betreft, die levert alleen voor simpele organismen goede resultaten op en kan nog bij lange na niet worden toegepast op de mens, de Habsburgse kin even terzijde gelaten. Dit alles blijkt overduidelijk uit het feit dat we bij het opstellen van onze vermaarde rassenwetten genoodzaakt waren de godsdienst van de grootouders als criterium te nemen! Gesteld werd dat de joden van de vorige eeuw raszuiver waren, maar dat is een volstrekt willekeurig postulaat. Zelfs u moet dat toch inzien. En wat een Duitser raszuiver maakt weet niemand, met alle respect voor uw Reichsführer-ss. Daarom valt de rassenantropologie, niet bij machte om waar dan ook een definitie voor te leveren, gewoon maar terug op de linguïstische categorieën, die veel beter te onderbouwen zijn. Schlegel, die gefascineerd werd door het werk van Humboldt en Bopp, heeft uit het bestaan van een Indo-Iraanse taal, die als een oorspronkelijke taal werd beschouwd, het idee afgeleid van een eveneens oorspronkelijk volk, door hem met een verwijzing naar Herodotus als “Arisch” aangeduid. Ten aanzien van de joden is dezelfde lijn gevolgd: toen de linguïsten eenmaal het bestaan hadden aangetoond van een groep zogeheten Semitische talen, maakten de rassendenkers zich van dat idee meester, dat ze overigens volledig onlogisch toepassen, want Duitsland probeert goede betrekkingen te onderhouden met de Arabieren en de Führer bereidt de grootmoefti van Jeruzalem een officiële ontvangst! Als cultureel voertuig heeft de taal invloed op het denken en het gedrag. Dat was Humboldt al lang geleden duidelijk. Maar een taal kan worden doorgegeven en een cultuur eveneens, al gaat dat wat trager. In Chinees Turkestan hebben de Turkssprekende moslims uit Urumchi of Kashgar een voorkomen dat Iraans kan worden genoemd: wij zouden ze voor Sicilianen kunnen aanzien. Het zijn ongetwijfeld afstammelingen van volken die van west naar oost zijn getrokken en vroeger een Indo-Iraanse taal spraken. Vervolgens zijn ze overweldigd en geassimileerd door een Turks volk, de Oejgoeren, van wie ze de taal en een deel van de gewoonten hebben overgenomen. Ze vormen nu een culturele groep die zich onderscheidt van bijvoorbeeld Turkse volken als de Kazachen en Kirgiezen, en ook van de geïslamiseerde Chinezen die Hui worden genoemd, en van Indo-Iraanse moslims als de Tadzjieken. Maar het is zinloos om te proberen hen anders te definiëren dan aan de hand van hun taal, hun religie, hun leefwijze, hun woonomgeving, hun economische gewoonten of hun eigen identiteitsbesef. En al die dingen zijn verworven, niet aangeboren. Een aanleg voor hartkwalen wordt overgedragen door het bloed, maar niemand heeft ooit kunnen bewijzen dat een aanleg tot verraad op dezelfde manier wordt overgedragen. Halvegaren in Duitsland bestuderen katten met een afgesneden staart, want ze willen proberen te bewijzen dat ook hun jongen zonder staart zullen worden geboren; en omdat ze het gouden insigne van de Partij dragen, krijgen ze een leerstoel aan de universiteit! In de Sovjet-Unie daarentegen blijft het linguïstische werk van Marr en zijn collega’s, ondanks alle politieke druk, uitstekend van kwaliteit en objectief, althans op theoretisch niveau, en wel omdat het onderwerp ervan, net als deze tafel,’ – en met zijn knokkels gaf hij een paar korte tikken op het tafelblad – ‘feitelijk bestaat. Ik heb schijt aan kerels als Hans Günther, net als aan die Montandon in Frankrijk, die ook van zich laat horen. En als u over leven en dood van mensen moet beslissen aan de hand van het soort criteria dat zij hanteren, dan kunt u net zo goed in het wilde weg op de menigte gaan schieten, want het resultaat is hetzelfde.’ Naar heel die lange tirade van Voss was ik zwijgend blijven luisteren. Ten slotte antwoordde ik, vrij langzaam sprekend: ‘Doktor Voss, ik wist niet dat u zo heftig kon zijn. U poneert uitdagende stellingen, en ik kan niet op alle punten met u meegaan. In mijn visie hebt u onvoldoende oog voor de waarde van een aantal idealistische beginselen die ten grondslag liggen aan onze Weltanschauung en die weinig te maken hebben met een dierendoktersfilosofie, zoals u het noemt. Niettemin vraagt dit om nadere overweging en ik wil u niet lichtvaardig van repliek dienen. Hopelijk stemt u er dan ook mee in dat we dit gesprek over een paar dagen voortzetten, dan heb ik de gelegenheid gehad om erover na te denken.’ – ‘Volgaarne,’ zei Voss, die ineens weer was gekalmeerd. ‘Het spijt me dat ik me heb laten gaan. Maar het is gewoon zo, als je om je heen al die onzinpraat hoort, wordt het op een gegeven moment moeilijk om je mond te blijven houden. Ik heb het nu natuurlijk niet over u, maar over een aantal van mijn eigen collega’s. Het enige wat ik verlang en hoop is dat de Duitse wetenschap, wanneer de emoties weer wat zijn geluwd, de positie herovert die ze zich zo moeizaam had verworven dankzij het werk van scherpzinnige lieden, lieden die begiftigd waren met een goed onderscheidingsvermogen, met aandacht en deemoed jegens de dingen van deze wereld.’
Voor bepaalde argumenten van Voss was ik niet ongevoelig: indien de Bergjuden zichzelf inderdaad zagen als authentieke Kaukasische bergbewoners en door hun buren ook zo werden gezien, dan zou hun houding tegenover ons over het geheel genomen best loyaal kunnen blijven, waar hun bloed dan ook zijn oorsprong mocht vinden. De culturele en sociale factoren waren toch evengoed van betekenis; er moest bijvoorbeeld worden gekeken naar de betrekkingen die dit volk onderhield met de bolsjewistische macht. Uit de woorden van de oude Tat in Pjatigorsk had ik gemeend te kunnen opmaken dat de Bergjuden bepaald geen warme gevoelens koesterden voor de joden uit Rusland, en dus misschien ook niet voor het stalinistische regime. Daarnaast was van belang hoe de andere stammen tegenover hen stonden, je kon daarvoor niet uitsluitend afgaan op de uitspraken van Sjadov: misschien leefden de joden ook hier als parasieten. Op de terugreis naar Pjatigorsk dacht ik na over de andere argumenten die Voss had genoemd. Om zo de hele rassenantropologie te verwerpen leek me overdreven; zeker, de methoden konden worden verfijnd, en ongetwijfeld waren mensen met weinig talent in de gelegenheid geweest om dankzij hun contacten met de Partij een onverdiende carrière op te bouwen: in Duitsland wemelde het van dit soort profiteurs (ook het bestrijden van dit verschijnsel was een taak van de sd, althans volgens sommigen). Maar Voss had, zo getalenteerd als hij was, de uitgesproken opvattingen van een jongeling. De dingen waren beslist ingewikkelder dan hij dacht. Ik had niet de kennis om kritiek op hem te kunnen leveren, maar volgens mij was het zo dat, als je geloofde in een bepaald idee van Duitsland en van het Duitse Volk, de rest daar vanzelf uit voortvloeide. Sommige dingen konden worden bewezen, andere hoefden alleen maar te worden begrepen; het was waarschijnlijk ook een kwestie van geloof.
In Pjatigorsk wachtte mij een eerste antwoord uit Berlijn in de vorm van een telexbericht. Amt vii had de mening gevraagd van een zekere professor Kittel, die liet weten: Moeilijke kwestie, plaatselijk te bestuderen. Dat was weinig bemoedigend. Afdeling vii b1 daarentegen had documentatie verzameld, die me binnenkort per luchtpost zou bereiken. De specialist van de Wehrmacht was onderweg, vertelde Gilsa, en de specialist van Rosenberg zou kort daarna komen. In afwachting van onze ss-deskundige regelde ik het probleem van de winterkleding. Reuter was zo vriendelijk om een van de joodse handwerkslieden van de Wehrmacht tot mijn beschikking te stellen: deze man, oud, vrij mager, met een lange baard, kwam mijn maten opnemen en ik bestelde bij hem een lange grijze mantel met een kraag van astrakan en een voering van schapenvacht, door de Russen sjoeba genoemd, plus een paar gevoerde laarzen; een tsjapka (die van het jaar daarvoor was allang verdwenen) ging ik zelf uitzoeken op de Verchnij rynok, en ik vond een exemplaar van zilvervos. Veel officieren van de Waffen-ss hadden inmiddels op hun niet-reglementaire tsjapka het embleem met de doodskop laten naaien; dat leek mij enigszins gezocht. Wel haalde ik de epauletten en een sd-insigne van een van mijn uniformjasjes om ze op de mantel te laten bevestigen.
Met onregelmatige tussenpozen kreeg ik weer last van misselijkheid en braken; mijn onbehagen werd verder gevoed door angstdromen. Vaak bleven die dromen zwart en ondoordringbaar, de morgen wiste dan elk beeld uit en liet alleen de zwaarte achter. Maar soms ook scheurde de duisternis open en vertoonden zich visioenen die haarscherp en gruwelijk opflitsten. Zo deed ik twee of drie nachten na mijn terugkeer uit Naltsjik de verkeerde deur open: in een donker en leeg vertrek zat daar Voss, op handen en voeten, met blote billen; vloeibare stront stroomde uit zijn anus. Ongerust pakte ik papier, het waren pagina’s van de Izvestia, om te proberen de bruine vloeistof, die steeds donkerder en steeds dikker werd, van zijn achterste te vegen. Ik deed mijn best om mijn handen schoon te houden, maar dat was onmogelijk, het stroperige, nagenoeg zwarte goedje liep over het papier, over mijn vingers, bedekte vervolgens mijn hele hand. Ziek van walging rende ik naar een badkuip in de buurt om mijn handen af te spoelen; intussen bleef het maar stromen. Na te zijn ontwaakt probeerde ik die ellendige beelden te begrijpen; maar ik was waarschijnlijk nog niet helemaal bij mijn positieven want mijn gedachten, die me op dat moment volkomen helder leken, bleven even troebel als de betekenis van het beeld zelf: uit bepaalde aanwijzingen meende ik namelijk te kunnen afleiden dat de personen eigenlijk andere personen voorstelden, dat de man op handen en voeten mijzelf moest zijn, en degene die mij schoonveegde mijn vader. En waarover gingen de artikelen uit de Izvestia? Zou daarin niet een tekst hebben gestaan waarin misschien het laatste woord werd gezegd over de Tattenkwestie? De post van vii b1, verzonden door een zekere Oberkriegsverwaltungsrat Dr. Füsslein, was niet in staat mijn pessimisme terug te dringen; de vlijtige Oberkriegsverwaltungsrat had zich eenvoudigweg beperkt tot het verzamelen van teksten uit de Joodse encyclopedie. Er zaten zeer erudiete stukken bij, maar helaas voerden de tegenstrijdige opvattingen tot geen enkele conclusie. Zo las ik dat de joden van de Kaukasus voor het eerst waren genoemd door Benjamin van Tudela, die omstreeks 1170 door dit gebied was gereisd, en door Pethahiah van Regensburg, die beweerde dat ze van Perzische oorsprong waren en in de twaalfde eeuw naar de Kaukasus waren gekomen. Willem van Ruysbroeck had in 1254 een omvangrijke joodse bevolking aangetroffen aan de oostkant van het bergmassief, vóór Astrachan. Maar een Georgische tekst uit 314 maakte weer melding van Hebreeuwssprekende joden die na de bezetting van Transkaukasië door de Perzen de oude Iraanse taal (‘Farsi’ of ‘Taats’) zouden hebben overgenomen en er Hebreeuwse en lokale elementen doorheen zouden hebben gemengd. De joden in Georgië, die volgens Koch Huria werden genoemd (misschien afgeleid van Iberia), spraken evenwel geen Taats, maar een Kartvelisch dialect. Wat Dagestan betreft, volgens de Derbent-Nameh zouden de Arabieren daar al tijdens hun veroveringsactiviteiten in de achtste eeuw joden hebben aangetroffen. De moderne onderzoekers maakten de zaak alleen maar ingewikkelder. Het was om wanhopig van te worden; ik besloot alles zonder commentaar naar Bierkamp en Leetsch te sturen, maar met daarbij het dringende verzoek zo snel mogelijk een deskundige op te trommelen.
Het hield een paar dagen op met sneeuwen, daarna begon het weer. In de kantine praatten de officieren op gedempte, bezorgde toon: Rommel was bij El Alamein door de Engelsen verslagen, enkele dagen later waren de Britten en Amerikanen in Noord-Afrika geland; bij wijze van vergelding hadden onze strijdkrachten de vrije zone in Frankrijk bezet, maar dat had de in Afrika gelegerde Vichy-troepen er weer toe gebracht zich aan te sluiten bij de geallieerden. ‘Ging het hier nu maar beter,’ merkte Gilsa op. Inmiddels waren onze divisies voor Ordjonikidze echter in het defensief gedrongen; de frontlijn liep vanaf de zuidkant van Tsjegem langs Naltsjik naar Tsjikola en Gizel, daarna verder omhoog langs de Terek tot boven Malgobek; Gizel werd binnen de kortste keren door de Russen heroverd. Toen kwam de grote ommekeer. Ik wist het niet meteen, want de officieren van de Abwehr ontzegden me de toegang tot de kaartenkamer en waren niet bereid me bijzonderheden te vertellen. ‘Het spijt me,’ verontschuldigde Reuter zich. ‘Uw Kommandant zal dit eerst moeten bespreken met het okhg.’ Aan het eind van de dag kwam ik erachter dat de Russen aan het front van Stalingrad een tegenoffensief waren begonnen; maar waar precies en in welke omvang, dat kreeg ik niet te horen: de officieren van het aok, die er somber en gespannen uitzagen, weigerden hardnekkig met mij te praten. Leetsch vertelde me aan de telefoon dat het okhg dezelfde opstelling had; de Gruppenstab wist even weinig als ik en vroeg of ik alle nieuwe informatie onmiddellijk wilde doorgeven. De volgende dag gedroegen ze zich nog net zo en ik begon uit te varen tegen Reuter, die kortaf reageerde met de opmerking dat het aok absoluut niet verplicht was de ss te informeren over operaties buiten het werkgebied van de ss. Maar de geruchtenmachine begon nu toch volop te draaien, de officieren hadden geen controle meer over de Latrinenparolen; ik nam mijn toevlucht tot de chauffeurs, de ordonnansen en onderofficieren, en door hun opmerkingen naast elkaar te leggen kreeg ik binnen een paar uur een idee van de omvang van het gevaar. Ik belde weer naar Leetsch, die over dezelfde informatie leek te beschikken; maar niemand kon zeggen hoe de Wehrmacht nu zou gaan reageren. De beide Roemeense fronten, het ene westelijk van Stalingrad aan de Don en het andere in het zuiden in de Kalmukse steppen, stonden op instorten, en de Roden waren er overduidelijk op uit het Zesde Leger in de rug aan te vallen. Waar konden ze de benodigde troepen vandaan hebben gehaald? Ik kwam er niet achter waar ze zich precies bevonden, zelfs voor het keukenpersoneel ontwikkelde de situatie zich te snel, maar het leek uitermate urgent dat het Zesde Leger een terugtrekkende beweging maakte om te voorkomen dat het werd ingesloten; desondanks verroerde het Zesde Leger zich niet. Op 21 november werd Generaloberst von Kleist bevorderd tot Generalfeldmarschall en benoemd tot opperbevelhebber van Legergroep a: de Führer voelde zich kennelijk overbelast. Generaloberst von Mackensen volgde Kleist op als commandant van het Eerste Pantserleger. Gilsa bracht me officieel van het nieuws op de hoogte; hij maakte een wanhopige indruk en gaf me in bedekte termen te verstaan dat de situatie op een ramp dreigde uit te lopen. De volgende dag, het was een zondag, sloot zich bij Kalatsj aan de Don de tang van de sovjetstrijdkrachten en was het Zesde Leger, samen met een deel van het Vierde Pantserleger, omsingeld. De geruchten spraken van ineenstorting, grote verliezen, chaos; maar elke enigszins concrete mededeling sprak de vorige tegen. Aan het eind van de dag verleende Reuter me eindelijk toegang tot Gilsa, die me op de kaarten snel aanwees hoe het ervoor stond. ‘Het besluit om geen poging te ondernemen tot evacuatie van het Zesde Leger is genomen door de Führer zelf,’ vertelde hij. De omsingelde divisies zaten nu in een reusachtige Kessel, een enclave die afgesneden was van onze verbindingslijnen, maar zich vanaf Stalingrad dwars over de steppe uitstrekte tot bijna aan de Don. De situatie was verontrustend, al werd in de geruchten alles verschrikkelijk overdreven: de Duitse troepen hadden niet veel manschappen of materieel verloren en waren niet uit elkaar geslagen; bovendien had de ervaring van vorig jaar in Demjansk aangetoond dat een Kessel die vanuit de lucht werd bevoorraad, eindeloos kon standhouden. ‘Op korte termijn zal er een actie komen om de blokkade op te heffen,’ besloot hij. Deze optimistische interpretatie werd bevestigd in de bijeenkomst die Bierkamp de volgende dag belegde: Reichsmarschall Göring, zo meldde Korsemann, had de Führer zijn woord gegeven dat de Luftwaffe in staat was het Zesde Leger te bevoorraden; General Paulus had zich bij zijn staf in Goemrak gevoegd om vanuit de Kessel leiding te geven aan de operaties; en Generalfeldmarschall von Manstein werd uit Vitebsk teruggeroepen om een nieuwe Legergroep Don te formeren en door te breken naar de ingesloten strijdkrachten. Vooral dit laatste nieuws bracht grote opluchting: sinds de inname van Sebastopol gold Manstein als de beste strateeg van de Wehrmacht; als iemand uitkomst kon brengen, was hij het.
Intussen arriveerde de deskundige die we nodig hadden. Omdat de Reichsführer samen met de Führer eind oktober Vinnitsa had verlaten om terug te keren naar Oost-Pruisen, had Korsemann zich rechtstreeks tot Berlijn gewend, en het Rusha had zich bereid verklaard een vrouw te sturen, Dr. Weseloh, gespecialiseerd in Iraanse talen. Bierkamp toonde zich over dit bericht uiterst misnoegd: hij wilde een rassenspecialist van Amt iv, maar niemand was beschikbaar. Ter geruststelling legde ik hem uit dat een linguïstische benadering vruchtbaar zou blijken. Dr. Weseloh had een postvliegtuig kunnen nemen dat via Kiev naar Rostov vloog, maar daar aangekomen moest ze per trein verder. Ik ging haar afhalen op het station van Vorosjilovsk, waar ik haar aantrof in gezelschap van de beroemde schrijver Ernst Jünger, met wie ze in een druk gesprek gewikkeld was. Jünger, lichtelijk vermoeid maar nog steeds elegant, droeg het gevechtstenue van Hauptmann van de Wehrmacht; Weseloh was in burger, ze droeg een jasje en een grofwollen grijze rok. Ze stelde Jünger aan me voor, zichtbaar trots op haar nieuwe gezelschap: ze was in Krapotkin bij toeval in zijn coupé verzeild geraakt en had hem meteen herkend. Ik drukte hem de hand en wilde kort tegen hem zeggen hoe belangrijk zijn boeken voor mij waren geweest, vooral Der Arbeiter, maar reeds verdrongen officieren van het okhg zich om hem heen en troonden hem mee. Ontroerd zwaaide Weseloh hem na. Het was een vrij magere vrouw met bijna onzichtbare borsten, maar bovenmatig brede heupen; ze had een lang paardengezicht, blond haar dat eindigde in een getoupeerde knot, en een bril met daarachter ietwat verschrikte maar ook gretige ogen. ‘Het spijt me dat ik niet in uniform ben,’ zei ze, nadat we de Duitse groet hadden gewisseld. ‘Ik moest zo snel vertrekken dat ik geen tijd meer had er een te laten maken.’ – ‘Dat is niet erg,’ antwoordde ik vriendelijk. ‘Maar zo krijgt u het wel koud. Ik zal een mantel voor u regelen.’ Het regende en de straten waren nogal modderig; onderweg praatte ze honderduit over Jünger, die uit Frankrijk was gekomen voor inspectiewerk; ze hadden over Perzische inscripties gesproken en Jünger had haar gecomplimenteerd met haar eruditie. Op het kantoor van de Groep stelde ik haar voor aan Dr. Leetsch, die haar uitlegde wat het doel van haar missie was; na het middagmaal vertrouwde hij haar aan mij toe met het verzoek haar ergens in Pjatigorsk onder te brengen, haar te assisteren bij haar werk en me met haar bezig te houden. Buiten begon ze eerst weer over Jünger, daarna vroeg ze naar de situatie in Stalingrad: ‘Ik heb allerlei geruchten gehoord. Wat is er precies aan de hand?’ Ik vertelde haar het weinige dat ik wist. Ze luisterde aandachtig en zei toen vol overtuiging: ‘Ik weet zeker dat dit een briljant plan van onze Führer is om de vijandelijke troepen in een val te lokken en ze voorgoed te vernietigen.’ – ‘U hebt ongetwijfeld gelijk.’ In Pjatigorsk zorgde ik dat ze werd gehuisvest in een van de sanatoria, daarna liet ik haar mijn documentatie en rapporten zien. ‘We hebben ook veel Russische bronnen,’ zei ik er nog bij. – ‘Helaas kan ik geen Russisch lezen,’ antwoordde ze kort. ‘Maar wat u hier hebt zou voldoende moeten zijn.’ – ‘Heel goed dan. Zodra u een en ander hebt doorgenomen, reizen we samen naar Naltsjik.’
Dr. Weseloh droeg geen trouwring, maar leek ook geen enkele aandacht te hebben voor de knappe militairen om haar heen. En toch, ondanks haar weinig charmante uiterlijk en haar brede, onhandige gebaren kreeg ik de twee volgende dagen veel meer bezoekers dan gewoonlijk: niet alleen officieren van de Abwehr maar zelfs van de Operationen, die zich normaal niet verwaardigden met mij te praten, vonden plotseling dringende redenen om naar mij toe te komen. En niemand liet na een groet te richten tot onze specialiste, die zich had geïnstalleerd aan een bureau en verdiept bleef in haar papieren, vluchtig teruggroetend met een verstrooid woord of een hoofdknik, behalve wanneer het ging om een hoge officier die ze verplicht was te groeten. Echt reageren deed ze maar één keer, toen de jonge Leutnant von Open voor haar werktafel zijn hakken tegen elkaar klapte en haar als volgt begon toe te spreken: ‘Sta mij toe, Fräulein Weseloh, u welkom te heten in onze Kaukasus...’ Ze keek op en viel hem in de rede: ‘Fräulein Doktor Weseloh, alstublieft.’ Leutnant von Open, van zijn stuk gebracht, werd rood en stamelde een excuus, maar de Fräulein Doktor zat alweer te lezen. Ik had moeite om niet te lachen om die ouwe vrijster, die plechtstatig en puriteins was maar niet onintelligent, en die ook haar menselijke kanten had. Ik kreeg op mijn beurt haar scherpte te verduren toen ik met haar wilde praten over het resultaat van haar leesarbeid. ‘Ik begrijp niet waarom ze me helemaal hierheen hebben laten komen,’ snoof ze hooghartig. ‘De kwestie lijkt me toch duidelijk.’ Ik nodigde haar uit zich nader te verklaren. ‘De taal, dat is een volstrekt onbelangrijk punt. De leefwijze is iets belangrijker, maar niet veel. Als het joden zijn, dan zijn ze dat ondanks al hun pogingen tot assimilatie gebleven, net als de joden in Duitsland, die Duits spraken en zich kleedden als westerse burgers, maar die onder hun gesteven frontje joods bleven en niemand konden bedotten. Knoop de gestreepte pantalon van een joodse industrieel open,’ vervolgde ze ongezouten, ‘en je vindt een besnedene. Dat zal hier wel hetzelfde zijn. Ik begrijp niet waarom ze zo moeilijk doen.’ Ik zei niets over die grove uitschieter, die me deed vermoeden dat deze ijzig ogende doctor troebele diepten had waar de drab in rondkolkte, maar wel nam ik de vrijheid haar erop te wijzen dat een dergelijke aanwijzing mij in het licht van de islamitische gebruiken toch weinig doorslaggevend leek. Ze bekeek me met nog meer minachting: ‘Ik sprak in overdrachtelijke zin, Hauptsturmführer. Waar ziet u me voor aan? Wat ik wil zeggen is dat Fremdkörper altijd Fremdkörper blijven, in welke maatschappelijke context dan ook. Ik zal u ter plaatse laten zien wat ik bedoel.’
De temperatuur bleef dalen en mijn pelsjas was nog steeds niet klaar. Weseloh droeg een tamelijk ruime maar wel gevoerde mantel, die Reuter voor haar had gevonden; voor mijn tochten te velde had ik in ieder geval mijn tsjapka. Maar zelfs die beviel haar niet. ‘Dit is toch geen reglementair tenue, Hauptsturmführer?’ zei ze toen ze me mijn muts zag opzetten. – ‘Het reglement is opgesteld voordat wij in Rusland kwamen,’ legde ik beleefd uit. ‘Het is nog niet geactualiseerd. Ik wijs u erop dat uw Wehrmacht-jas ook niet reglementair is.’ Ze haalde haar schouders op. Terwijl zij de documentatie bestudeerde, had ik geprobeerd nog een keer naar Vorosjilovsk te gaan, in de hoop daar Jünger te kunnen ontmoeten; maar dat was niet mogelijk gebleken en ik moest het doen met de verhalen van Weseloh, ’s avonds in de kantine. Nu was het mijn taak om haar naar Naltsjik te rijden. Onderweg vertelde ik haar van Voss en zijn betrokkenheid bij de Wehrmacht-commissie. ‘Dr. Voss,’ zei ze peinzend. ‘Dat is inderdaad een bekende specialist. Maar zijn werk wordt in Duitsland zwaar bekritiseerd. Nou ja, het is hoe dan ook interessant hem te ontmoeten.’ Ook ik wilde Voss heel graag weer zien, maar dan onder vier ogen, in ieder geval niet met deze kille feeks erbij; ik wilde de discussie van de laatste keer voortzetten; verder had mijn droom, dat moest ik erkennen, me in verwarring gebracht en ik had het idee dat een gesprek met Voss, uiteraard zonder dat ik melding maakte van die vreselijke beelden, me zou helpen bepaalde dingen op te helderen. In Naltsjik ging ik eerst naar het kantoor van het Sonderkommando. Persterer was er niet, maar ik stelde Weseloh voor aan Wolfgang Reinholz, een officier van het Kommando die zich eveneens met de kwestie van de Bergjuden bezighield. Reinholz vertelde dat de deskundigen van de Wehrmacht en van het Ostministerium al langs waren geweest. ‘Ze hebben een ontmoeting gehad met Sjabajev, de oude man die de Bergjuden min of meer vertegenwoordigt, hij heeft breedvoerige vertogen afgestoken en ze meegenomen voor een bezoek aan de kolonka.’ – ‘De kolonka?’ vroeg Weseloh. ‘Wat is dat?’ – ‘De jodenwijk. Die ligt aan de zuidkant van het centrum, tussen het station en de rivier. We brengen u er straks heen. Volgens mijn informatie,’ zei hij, zich tot mij wendend, ‘heeft Sjabajev ervoor gezorgd dat er in de huizen geen tapijten, bedden of stoelen meer waren, zodat hun rijkdom verborgen bleef, en dat de deskundigen werden onthaald op sjaslieks. Ze begrepen er niets van.’ – ‘Waarom hebt u niet ingegrepen?’ vroeg Weseloh. – ‘Dat ligt een beetje ingewikkeld, Fräulein Doktor,’ antwoordde Reinholz. ‘Het heeft te maken met rechtsbevoegdheden. Op dit moment mogen wij ons niet met de zaken van die joden bemoeien.’ – ‘In ieder geval kan ik u verzekeren,’ zei ze met een zuur gezicht, ‘dat ik me door dat soort manipulaties niet zal laten beetnemen.’
Reinholz stuurde er twee Orpo’s opuit om Sjabajev op te halen en voorzag Weseloh van thee; ik belde naar de Ortskommandantur om een afspraak te maken met Voss, maar die was weg; ik kreeg de belofte dat ik na zijn terugkeer zou worden gebeld. Reinholz, die net als iedereen had gehoord dat Jünger in de buurt was, vroeg Weseloh naar de nationaal-socialistische opvattingen van de schrijver; Weseloh had er duidelijk geen idee van, maar meende te hebben gehoord dat hij geen lid was van de Partij. Kort daarna arriveerde Sjabajev. ‘Markel Avgadoelovitsj,’ stelde hij zich voor. Hij was gekleed in de traditionele dracht van de bergbewoners, had een imposante baard en maakte een ferme, zelfverzekerde indruk. Hij sprak Russisch met een zwaar accent, maar de Dolmetscher scheen het moeiteloos te kunnen vertalen. Weseloh vroeg hem te gaan zitten en wisselde een paar zinnen met hem in een taal die we geen van allen verstonden. ‘Ik ken dialecten die min of meer verwant zijn aan het Taats,’ zei ze. ‘Op die manier zal ik een gesprek met hem voeren en u daarvan later verslag doen.’ Ik liet hen alleen en ging met Reinholz in een andere ruimte thee drinken. Hij vertelde over de situatie ter plekke; de successen van de Sovjets bij Stalingrad hadden onder de Kabarden en Balkaren veel onrust teweeggebracht, en in de bergen waren de partizanen opnieuw actief. Het okhg was van plan het district binnenkort autonoom te verklaren en verwachtte dat de afschaffing van de kolchozen en sovchozen in het berggebied (de landbouwbedrijven in het vlakke gebied rond de Baksan en de Terek werden als Russisch beschouwd en zouden niet worden opgeheven) en de verdeling van de grond onder de autochtone bevolking de gemoederen tot bedaren zouden brengen. Anderhalf uur later kwam Weseloh weer tevoorschijn. ‘De oude man wil ons hun wijk en zijn huis laten zien. Gaat u mee?’ – ‘Graag. En u?’ vroeg ik aan Reinholz. – ‘Ik ben er al wel een keer geweest, maar je krijgt er altijd goed te eten.’ Hij nam drie Orpo’s als escorte mee en bracht ons met zijn auto naar Sjabajev. Het huis, van baksteen en met een grote binnenplaats, bestond uit een paar ruime, kale vertrekken, waar geen gangen tussen waren. Nadat ons verzocht was onze laarzen uit te trekken, liet men ons op versleten kussens plaatsnemen, en twee vrouwen spreidden voor ons op de grond een groot stuk wasdoek uit. Er waren ook kinderen de kamer binnengeslopen, die op een kluitje in een hoek stonden; fluisterend en lachend staarden ze ons met grote ogen aan. Sjabajev ging op een kussen tegenover ons zitten, terwijl een vrouw van zijn leeftijd, het hoofd strak in een kleurige doek, thee voor ons inschonk. Het was er koud en ik hield mijn jas aan. Sjabajev sprak een paar woorden in zijn eigen taal. ‘Hij verontschuldigt zich voor de slechte ontvangst,’ vertaalde Weseloh, ‘ze hadden ons niet verwacht. Zijn vrouw gaat thee voor ons maken. Hij heeft ook nog wat buren uitgenodigd met wie we kunnen praten.’ – ‘Thee,’ legde Reinholz uit, ‘daarmee wordt bedoeld eten tot je erbij neervalt. Ik hoop dat u honger hebt.’ Er kwam een jochie binnen dat snel iets tegen Sjabajev zei en weer wegholde. ‘Dat kon ik niet verstaan,’ zei Weseloh geërgerd. Ze wisselde een paar woorden met Sjabajev. ‘Hij zegt dat het een buurjongen is, ze spraken Kabardisch.’ Uit de keuken kwam een heel knap meisje in een bloemetjesjurk en met een hoofddoek om, dat verscheidene grote broden, rond en plat van vorm, op het wasdoek legde. Samen met dat meisje zette de vrouw van Sjabajev kommen neer met kwark, gedroogde vruchten, zoetigheden in zilverpapier. Sjabajev brak een van de broden in stukken en deelde die uit; het was nog warm, knapperig, erg lekker. Er kwam weer een oude man binnen, met een papacha op zijn hoofd en aan zijn voeten laarzen van soepel leer, die naast Sjabajev ging zitten, daarna nog een. Sjabajev stelde hen voor. ‘Hij vertelt dat de man links van hem een Taatse moslim is,’ legde Weseloh uit. ‘Hij probeert me al de hele tijd duidelijk te maken dat alleen bepaalde Tatten de joodse godsdienst aanhangen. Ik zal hem daar nader over ondervragen.’ Ze begon een langdurig gesprek met de tweede oude man. Enigszins verveeld at ik wat en keek onderwijl rond. De muren hadden geen enkele versiering en leken pas geleden nog gewit. De kinderen luisterden toe en bekeken ons zwijgend. De vrouw van Sjabajev en het jonge meisje brachten schalen gekookt lamsvlees met een knoflooksaus en in water gekookte meelballetjes. Ik tastte toe. Weseloh zette haar gesprek voort. Er werden sjaslieks van stukjes kip geserveerd, die op een van de broden werden gestapeld; Sjabajev brak de andere broden in stukken en deelde die rond om als borden te dienen, waarna hij met behulp van een lang Kaukasisch mes, een kinjal, stukjes kip van de spiesen sneed om ze ons te serveren. Er werden ook wijnbladeren gebracht, gevuld met rijst en vlees. Die vond ik lekkerder dan het gekookte lamsvlees, en ik begon met smaak te eten. Reinholz volgde mijn voorbeeld, terwijl Sjabajev Weseloh een stil verwijt leek te maken omdat ze nog niets gegeten had. De vrouw van Sjabajev kwam ook bij ons zitten en bekritiseerde met grote gebaren het gebrek aan eetlust van Weseloh. ‘Fräulein Doktor,’ zei ik tussen twee happen door, ‘kunt u hun vragen waar ze slapen?’ Weseloh richtte zich tot de vrouw van Sjabajev. ‘Volgens haar hier, op de grond, op het hout,’ antwoordde ze uiteindelijk. – ‘Ik denk dat ze liegt,’ zei Reinholz. – ‘Ze zegt dat ze vroeger wel matrassen hadden, maar dat de bolsjewieken alles hebben meegenomen voordat ze zich terugtrokken. – ‘Dat kan best waar zijn,’ zei ik tegen Reinholz; hij beet in zijn sjasliek en haalde enkel zijn schouders op. Het meisje schonk ons steeds opnieuw hete thee bij; dat deed ze volgens een wonderlijke methode: eerst schonk ze een zwart brouwsel uit een klein theepotje en daar voegde ze dan heet water aan toe. Toen we uitgegeten waren, ruimden de vrouwen de resten op en namen het wasdoek weg; Sjabajev verdween en kwam even later terug met enkele mannen die muziekinstrumenten droegen; hij liet hen langs de muur plaatsnemen, tegenover de hoek met de kinderen. ‘Hij zegt dat we nu traditionele Taatse muziek te horen krijgen, waarop gedanst gaat worden, zodat we kunnen vaststellen dat hun muziek en dansen net zo zijn als die van de andere bergvolken,’ legde Weseloh uit. Er waren meerdere exemplaren bij van wat een tar heette, dat wil zeggen een soort banjo met een opvallend lange hals, en ook lange fluiten, de saz – een Turks woord, preciseerde Weseloh uit professioneel plichtsbesef –, een aarden pot waarin met een riet werd geblazen, en handtrommels. Ze speelden een aantal stukken en het meisje dat ons eten had opgediend, danste voor ons, nogal ingetogen, maar met een geweldige gratie en lenigheid. De mannen die geen instrument bespeelden, sloegen de maat mee met de slagwerkers. Er kwamen nog meer mensen binnen die gingen zitten of tegen de muren bleven staan, vrouwen in lange rokken, hun kinderen tegen zich aan gedrukt, mannen die de traditionele bergkleding droegen, een versleten kostuum of nog de kiel en de pet van de sovjetarbeider. Een van de vrouwen gaf een baby de borst zonder dat ze moeite deed iets te verhullen. Een jongeman deed zijn jasje uit en begon ook te dansen. Hij was mooi, bewoog zich natuurlijk, elegant, trots. Muziek en dans leken sterk op die van de Karatsjaj die ik in Kislovodsk had gezien; de meeste stukken, waarvan de gesyncopeerde ritmes mij wonderlijk in de oren klonken, waren vrolijk en meeslepend. Een van de oude muzikanten bracht een lange klaagzang ten gehore, enkel begeleid door een tweesnarige banjo, die hij met een plectrum bespeelde. Het eten en de thee hadden me in een vredige, haast doezelige stemming gebracht, ik liet me meevoeren door de muziek, vond het een pittoresk schouwspel en hartelijke, sympathieke mensen. Toen de muziek stopte, hield Sjabajev een soort toespraakje, dat Weseloh niet vertaalde; daarna werden ons geschenken aangeboden: een met de hand geweven, oosters tapijt voor Weseloh, dat twee mannen voor ons uitrolden alvorens het weer op te rollen, fraai bewerkte kinjali in zwarthouten en zilveren kokers voor Reinholz en mij. Weseloh kreeg van de vrouw van Sjabajev ook nog zilveren oorringen en een ring voor aan haar vinger. De hele groep deed ons uitgeleide en Sjabajev schudde ons plechtig de hand. ‘Hij bedankt ons dat we hem de kans hebben gegeven ons de Taatse gastvrijheid te laten zien,’ vertaalde Weseloh koel. ‘Hij verontschuldigt zich voor de povere ontvangst, maar zegt dat dat de schuld is van de bolsjewieken, die alles van hen hebben gestolen.’
‘Wat een vertoning!’ riep ze uit zodra ze in de auto zat. – ‘Dit was niets vergeleken bij wat ze gedaan hebben voor de commissie van de Wehrmacht,’ aldus Reinholz. – ‘En die cadeaus!’ vervolgde ze. ‘Wat denken ze wel? Dat officieren van de ss zich laten omkopen? Dat is nu typisch zo’n jodentruc.’ Ik zei niets. Weseloh werkte op mijn zenuwen, ze leek van een vooropgezet idee uit te gaan; ik vond haar aanpak niet juist. Op het kantoor van het Sonderkommando legde ze ons uit dat de oude man met wie ze had gesproken, een gedegen kennis had van de Koran, alsook van de islamitische gebeden en gewoonten; volgens haar bewees dat echter niets. Er kwam een ordonnans binnen die zich tot Reinholz richtte. ‘Telefoon van de Ortskommandantur. Ze zeggen dat er iemand naar een Leutnant Voss had gevraagd.’ – ‘Ah, dat was ik,’ zei ik. Ik liep achter de ordonnans aan naar de communicatieruimte en pakte de hoorn op. Een onbekende stem vroeg: ‘Bent u degene die een boodschap voor Leutnant Voss heeft achtergelaten?’ – ‘Ja,’ antwoordde ik verbluft. – ‘Tot mijn spijt moet ik u zeggen dat hij gewond is en u niet kan terugbellen,’ zei de man. Mijn keel kneep samen. ‘Is het ernstig?’ – ‘Nogal ja.’ – ‘Waar is hij?’ – ‘Hier, in de ziekenboeg.’ – ‘Ik kom eraan.’ Ik legde de hoorn op de haak en liep terug naar de kamer waar Weseloh en Reinholz zaten. ‘Ik moet naar de Ortskommandantur,’ zei ik terwijl ik mijn jas pakte. – ‘Wat is er?’ vroeg Reinholz. Ik zag er waarschijnlijk bleek uit en draaide me snel om. ‘Ik ben zo terug,’ zei ik terwijl ik de deur uit liep.
Buiten werd het al donker, het was vinnig koud. Ik was te voet vertrokken, had inderhaast mijn tsjapka vergeten en begon al snel te bibberen. Ik liep snel en gleed bijna uit over een stuk ijzel; ik kon me nog net aan een paal vastgrijpen, maar bezeerde mijn arm. De kou omknelde mijn onbedekte hoofd en diep in mijn zakken begonnen mijn vingers te verstijven. Ik voelde de rillingen door mijn lichaam trekken. Ik had de afstand naar de Ortskommandantur onderschat; toen ik aankwam was het aardedonker, ik stond te trillen op mijn benen. Ik vroeg naar een operatieofficier. ‘Bent u degene die ik zojuist heb gesproken?’ riep hij terwijl hij de ingangshal binnenkwam, waar ik tevergeefs probeerde warm te worden. – ‘Ja. Wat is er gebeurd?’ – ‘Dat is nog niet helemaal duidelijk. Bergbewoners hebben hem in een ossenwagen hierheen gebracht. Hij was in een Kabardische aoel, in het zuiden. Volgens de getuigen ging hij huizen binnen en ondervroeg hij de mensen over hun taal. Een van de buren denkt dat hij zich met een jong meisje heeft afgezonderd en dat de vader hen heeft betrapt. Ze hebben schoten gehoord: toen ze ter plekke waren, troffen ze de Leutnant gewond aan en het meisje was dood. De vader was verdwenen. Daarna hebben ze hem hierheen gebracht. Let wel, zo hebben ze het ons verteld. Er zal een onderzoek moeten worden ingesteld.’ – ‘Hoe is hij eraan toe?’ – ‘Slecht, vrees ik. Hij is in zijn buik geraakt.’ – ‘Kan ik hem zien?’ De officier aarzelde, bestudeerde met onverholen nieuwsgierigheid mijn gezicht. ‘Dit is geen zaak voor de ss,’ zei hij uiteindelijk. – ‘Het is een vriend.’ Hij weifelde nog even, zei toen plotseling: ‘Komt u dan maar mee. Maar ik waarschuw u: hij is er beroerd aan toe.’
Door gangen die onlangs grijs en bleekgroen waren geverfd ging hij me voor naar een grote zaal, waar een rij bedden stond met enkele zieken en lichtgewonden. Voss zag ik niet. Een arts, die over zijn uniform een nogal vlekkerige witte jas droeg, kwam naar ons toe. ‘Ja?’ – ‘Hij wil Leutnant Voss graag zien,’ legde de operatieofficier uit terwijl hij naar mij wees. ‘En ik ga nu, ik heb werk te doen.’ – ‘Bedankt,’ zei ik. – ‘Komt u mee,’ zei de arts. ‘We hebben hem apart gelegd.’ Hij nam me mee naar een deur achter in de zaal. ‘Kan ik met hem praten?’ vroeg ik. – ‘Hij zal u niet horen,’ antwoordde de arts. Hij deed de deur open en liet me voorgaan. Voss lag onder een laken, zijn gezicht klam, groenig. Zijn ogen waren dicht en hij kreunde zacht. Ik ging dichterbij staan. ‘Voss,’ zei ik. Hij reageerde niet. Er kwamen alleen voortdurend klanken uit zijn mond, niet echt gesteun, eerder gearticuleerde, zij het onbegrijpelijke klanken, als het gebrabbel van een kind, de vertaling in een persoonlijke en geheimzinnige taal van wat er in hem omging. Ik wendde me tot de arts: ‘Zal hij het redden?’ De arts schudde zijn hoofd: ‘Ik begrijp niet eens hoe hij het nog zo lang heeft volgehouden. We hebben hem niet kunnen opereren, dat had geen enkele zin.’ Ik draaide me weer naar Voss toe. De klanken bleven onafgebroken komen, een beschrijving van zijn doodsstrijd in woorden van vóór de taal. Ik was verlamd, kon nauwelijks lucht krijgen; het was als in een droom waarin iemand tegen je praat zonder dat je er iets van begrijpt. Hier viel echter niets te begrijpen. Ik schoof een haarlok weg die over zijn ooglid was gevallen. Hij sloeg zijn ogen op en keek me aan, maar uit zijn blik sprak geen enkele herkenning. Hij was aangekomen op die persoonlijke, afgesloten plek vanwaar je nooit meer naar de oppervlakte terugkeert, maar waarin hij ook nog niet helemaal was verdwenen. Zijn lichaam worstelde als een dier met wat hem overkwam, en hij bracht ook dierlijke geluiden voort. Van tijd tot tijd stokten die klanken, dan hapte hij hijgend naar lucht en zoog die bijna als iets vloeibaars tussen zijn tanden naar binnen. En dan begon het opnieuw. Ik keek de arts aan: ‘Hij lijdt. Kunt u hem geen morfine geven?’ De arts leek zich opgelaten te voelen. ‘Dat heeft hij al gehad.’ – ‘Ja, maar hij heeft nog meer nodig.’ Ik keek hem recht in de ogen. Hij aarzelde, tikte met een nagel tegen zijn voortanden. ‘Ik heb bijna niets meer,’ zei hij uiteindelijk. ‘We hebben onze hele voorraad naar Millerovo moeten sturen voor het Zesde Leger. Wat ik nog overheb moet ik voor operabele gevallen bewaren. Hij zal hoe dan ook snel dood zijn.’ Ik bleef hem strak aankijken. ‘U hebt mij geen bevelen te geven,’ voegde hij eraan toe. – ‘Ik geef u geen bevel, het is een verzoek,’ zei ik op kille toon. Hij trok wit weg. ‘Goed, Herr Hauptsturmführer. U hebt gelijk... ik zal hem nog wat geven.’ Ik verroerde me niet, glimlachte niet. ‘Laten we het nu doen. Ik blijf zolang hier.’ Een zenuwtrekje vervormde de lippen van de arts. Hij liep weg. Ik keek naar Voss: de vreemde, angstaanjagende klanken, die uit zichzelf leken te ontstaan, bleven uit zijn krampachtig worstelende mond komen. Een oeroude stem, afkomstig uit het diepste der tijden; en ook al was het een taal, hij zei niets, gaf alleen uiting aan zijn eigen verdwijning. De arts kwam terug met een injectienaald, maakte de arm van Voss bloot, klopte erop om de ader op te laten komen en gaf een injectie. Geleidelijk werden de pauzes tussen de klanken steeds langer en werd zijn ademhaling regelmatiger. Zijn ogen waren weer dicht. Zo nu en dan kwam er nog een blokje klanken, als een laatste boei die overboord werd gegooid. De arts was weggegaan. Zachtjes, met de rug van mijn vingers, raakte ik de wang van Voss aan en ging toen ook weg. De arts was druk bezig en uit zijn manier van doen sprak tegelijkertijd gêne en wrok. Ik bedankte hem koel en klapte mijn hakken tegen elkaar, terwijl ik mijn arm voor me uitgestrekt hield. Hij beantwoordde de groet niet, en ik verdween zonder een woord te zeggen.
Een auto van de Wehrmacht bracht me terug naar het Sonderkommando. Daar waren Weseloh en Reinholz nog steeds diep in gesprek. Reinholz bracht argumenten naar voren die pleitten voor een Turkse herkomst van de Bergjuden. Zodra hij mij zag, brak hij zijn betoog af: ‘Ah, Haupsturmführer. We vroegen ons al af waar u bleef. Ik heb hier kwartier voor u laten maken. Het is te laat om nog terug te gaan.’ – ‘Ik moet in elk geval nog een paar dagen hier blijven om mijn onderzoek voort te zetten,’ zei Weseloh. – ‘Ik ga vanavond nog terug naar Pjatigorsk,’ zei ik met een toonloze stem. ‘Ik heb daar nogal wat te doen. Er zijn hier geen partizanen en ik kan in het donker rijden.’ Reinholz haalde zijn schouders op. ‘Dat is tegen de instructies van de Groep, Hauptsturmführer, maar doet u wat u wilt.’ – ‘Ik vertrouw Doktor Weseloh aan uw goede zorgen toe. Neemt u contact met mij op als u iets nodig hebt.’ Weseloh, die met haar benen over elkaar geslagen op een houten stoel zat, leek volkomen op haar gemak en ingenomen met haar avontuur; mijn vertrek liet haar onverschillig. ‘Bedankt voor uw medewerking, Hauptsturmführer,’ zei ze. ‘Zou ik die Dr. Voss trouwens kunnen zien?’ Ik stond al in de deuropening met mijn tsjapka in de hand. ‘Nee.’ Zonder haar reactie af te wachten liep ik weg. Mijn chauffeur leek niet erg enthousiast over het idee ’s nachts te moeten rijden, maar hij hield zijn mond toen ik mijn bevel op haast bitse toon herhaalde. Het was een lange tocht: Lemper, de chauffeur, reed erg langzaam vanwege de ijzel. Buiten de kleine lichtkring van de koplampen, die in verband met de vliegtuigen deels waren afgedekt, zag je helemaal niets; zo nu en dan doemde uit het donker ineens een militaire controlepost op. Ik betastte afwezig de kinjal die Sjabajev me had geschonken, rookte de ene sigaret na de andere en tuurde gedachteloos de eindeloze, lege nacht in.
Het onderzoek bevestigde de verklaringen van de dorpelingen over de dood van Leutnant Dr. Voss. In het huis waar het drama zich had afgespeeld, werd zijn notitieboekje gevonden, met bloed besmeurd en volgekrabbeld met Kabardische medeklinkers en grammaticale details. De moeder van het meisje, in staat van hysterie, zwoer dat ze haar man sinds het voorval niet meer had gezien; volgens de buren was hij waarschijnlijk met het moordwapen, een oud jachtgeweer, de bergen in getrokken om te gaan zwerven als een abrek, zoals dat in de Kaukasus heet, of zich bij een groep partizanen aan te sluiten. Een paar dagen later kreeg generaal von Mackensen bezoek van een delegatie van dorpsoudsten; ze boden namens de aoel plechtig hun verontschuldigingen aan, betuigden nogmaals hun diepe vriendschap jegens het Duitse leger en legden een stapel tapijten, schapenvellen en sieraden neer voor de familie van de overledene. Ze verklaarden plechtig dat ze zelf de moordenaar zouden opsporen om hem te doden of uit te leveren; de paar krachtige mannen die de aoel nog telde, waren al vertrokken om de bergen uit te kammen, zo verklaarden ze. Ze vreesden represaillemaatregelen: Mackensen stelde hen gerust en beloofde dat er geen enkele collectieve straf zou volgen. Ik wist dat Sjadov hierover met Köstring had gesproken. Het leger gaf opdracht om het huis van de schuldige te verbranden, vaardigde een nieuwe dagorder uit waarin het verbod op vertrouwelijke omgang met vrouwelijke bergbewoners nog eens werd herhaald, en beschouwde de zaak daarmee als afgedaan.
De commissie van de Wehrmacht was bijna klaar met het onderzoek naar de Bergjuden en Köstring wilde hierover in Naltsjik een bespreking houden. Dit was des te dringender omdat inmiddels de Kabardisch-Balkaarse Nationale Raad in oprichting was en het okhg de kwestie wilde hebben afgehandeld voordat het autonome district was gevormd, waarvan de proclamatie was gepland op 18 december, het feest van Kurban Bairam. Weseloh was klaar met haar werkzaamheden en bezig haar rapport te schrijven; Bierkamp belegde een bijeenkomst in Vorosjilovsk om te bepalen welke positie wij zouden innemen. Na een aantal betrekkelijk zachte dagen, waarin het opnieuw had gesneeuwd, was de temperatuur weer gedaald tot ongeveer twintig graden onder nul; ik had eindelijk mijn sjoeba en laarzen gekregen; ik bleef er warm in, al werd mijn bewegingsvrijheid er wel door belemmerd. Ik maakte de reis met Weseloh; vanuit Vorosjilovsk zou zij rechtstreeks teruggaan naar Berlijn. In het gebouw van de Gruppenstab trof ik Pesterer en Reinholz, eveneens door Bierkamp uitgenodigd; verder namen Leetsch, Prill en Sturmbannführer Holste, Leiter iv/v van de Groep, aan de vergadering deel. ‘Volgens mijn informatie,’ begon Bierkamp, ‘zijn de Wehrmacht en die Dr. Bräutigam erop uit de Bergjuden vrij te stellen van anti-joodse maatregelen teneinde de goede betrekkingen met de Kabarden en Balkaren niet te schaden. Ze zullen dus proberen staande te houden dat het eigenlijk geen joden zijn, met de bedoeling zich zodoende in te dekken tegen kritiek uit Berlijn. In onze ogen zou dit een ernstige fout zijn. Als joden en Fremdkörper tussen de inheemse volken zal deze groep voor onze strijdkrachten een permanente bron van gevaar blijven: een broeinest van spionage en sabotage, een kweekvijver voor de partizanen. De noodzaak van radicale maatregelen is boven elke twijfel verheven. Maar we moeten degelijke bewijzen hebben om de spitsvondigheden van de Wehrmacht te kunnen pareren.’ – ‘Ik denk, Oberführer, dat het niet moeilijk zal zijn de juistheid van ons standpunt te onderbouwen,’ verklaarde Weseloh met haar schrille stemmetje. ‘Het spijt me dit niet zelf te kunnen doen, maar wanneer ik vertrek laat ik een volledig rapport achter, waarin alle belangrijke punten aan de orde komen. Daarmee zult u alle tegenwerpingen van de Wehrmacht en van het Ostministerium kunnen weerleggen.’ – ‘Uitstekend. De wetenschappelijke argumenten kunt u doornemen met Hauptsturmführer Aue, die dat deel zal presenteren. Zelf zal ik ingaan op het concrete standpunt dat de Sicherheitspolizei met het oog op de veiligheid inneemt.’ Terwijl hij aan het woord was, nam ik snel de lijst met citaten door die Weseloh had verzameld om te bewijzen dat de Bergjuden een zuiver joodse en zeer oude oorsprong hadden. ‘Als u me toestaat, Oberführer, zou ik graag een opmerking maken over het door Dr. Weseloh aangelegde dossier. Het is een uitmuntend werkstuk, maar alle teksten die ons standpunt weerspreken, heeft ze simpelweg ongenoemd gelaten. De deskundigen van de Wehrmacht en van het Ostministerium zullen niet nalaten ons met dergelijke citaten te confronteren. Ik meen dat de wetenschappelijke onderbouwing van onze positie op deze manier wel erg zwak blijft.’ – ‘Hauptsturmführer Aue,’ merkte Prill op, ‘u hebt waarschijnlijk te veel met uw vriend Leutnant Voss gepraat. Zo te horen heeft hij uw oordeelsvermogen beïnvloed.’ Ik wierp hem een geërgerde blik toe: dit had hij dus met Turek bekokstoofd. ‘U vergist zich, Hauptsturmführer. Ik wilde er alleen op wijzen dat de huidige wetenschappelijke documentatie niet volstrekt overtuigend is, en dat het een vergissing zou zijn ons standpunt daarop te baseren.’ – ‘Die Voss is toch gedood, niet?’ kwam Leetsch tussenbeide. – ‘Ja,’ antwoordde Bierkamp. ‘Door partizanen, misschien zelfs door die joden. Dat is natuurlijk spijtig. Maar ik heb redenen om te geloven dat hij ons actief tegenwerkte. Hauptsturmführer Aue, ik begrijp uw bedenkingen; maar u moet zich op de hoofdzaken richten en u niet in details verliezen. De belangen van de Sipo en de ss in deze zaak zijn duidelijk, en daar gaat het om.’ – ‘Hun joodse karakter,’ aldus Weseloh, ‘springt hoe dan ook in het oog. Het zijn flemers, ze hebben zelfs geprobeerd ons om te kopen.’ – ‘Inderdaad,’ bevestigde Persterer. ‘Ze zijn verschillende keren naar het Kommando gekomen om ons bontmantels te brengen, dekens, keukengerei. Ze zeiden dat het was om onze troepen te helpen, maar ze hebben ons ook tapijten gegeven, siermessen en juwelen.’ – ‘We moeten ons niet laten beetnemen,’ aldus Holste, die een verveelde indruk maakte. – ‘Nee,’ zei Prill, ‘maar bedenk wel dat ze bij de Wehrmacht precies hetzelfde doen.’ Zo ging de discussie nog een tijd door. Bierkamp trok zijn conclusie: ‘Brigadeführer Korsemann zal de bijeenkomst in Naltsjik persoonlijk bijwonen. Als we de zaak goed presenteren, geloof ik niet dat de Legergroep ons openlijk zal durven weerspreken. Hun eigen veiligheid is per slot ook in het geding. Sturmbannführer Persterer, ik reken erop dat u alle voorbereidingen treft voor een snelle en efficiënte Aktion. Als we eenmaal het groene licht hebben, moeten we voortmaken. Ik wil dat de hele zaak voor de Kerst is afgehandeld, zodat ik de cijfers in mijn eindejaarsrapport kan opnemen.’
Na de bijeenkomst nam ik afscheid van Weseloh. Ze schudde me hartelijk de hand. ‘Hauptsturmführer Aue, u kunt zich niet voorstellen hoeveel vreugde het me bezorgd heeft deze opdracht te mogen vervullen. Voor u hier in het Oosten is de oorlog een dagelijks gegeven; maar in Berlijn, achter een bureau, vergeet je al snel dat de Heimat zich in groot gevaar bevindt, vergeet je welke ontberingen en moeilijkheden de mannen aan het front moeten doorstaan. Mijn verblijf hier heeft me de kans gegeven om dit alles werkelijk zelf te begrijpen. Ik zal de herinnering aan u allen als een kostbaar bezit met me meedragen. Geluk, veel geluk. Heil Hitler!’ Haar gezicht lichtte op, ze was ten prooi aan een wonderlijke vervoering. Ik groette terug en vertrok.
Jünger was nog in Vorosjilovsk, en ik had gehoord dat hij bewonderaars ontving die contact met hem zochten; binnenkort zou hij de divisies van Ruoff bij Toeaps gaan inspecteren. Alle lust om Jünger te ontmoeten was me echter vergaan. Op de terugweg naar Pjatigorsk dacht ik aan Prill. Hij probeerde mij duidelijk dwars te zitten; ik begreep niet goed waarom: ik had nooit ruzie met hem gezocht; maar hij had partij gekozen voor Turek. Hij had dagelijks contact met Bierkamp en Leetsch, en het kon niet moeilijk zijn om hen door middel van kleine insinuaties tegen mij op te zetten. Door die kwestie van de Bergjuden dreigde ik in een lastig parket te raken: ik had geen enkel vooropgezet idee, ik wenste alleen een zeker intellectueel fatsoen in acht te nemen en ik begreep niet waarom Bierkamp hen tot elke prijs wilde liquideren; was hij er oprecht van overtuigd dat ze deel uitmaakten van het joodse ras? In mijn ogen bleek dat niet op een eenduidige manier uit de documentatie; qua uiterlijk en gedrag leken ze in niets op de joden die wij kenden; wie hen in hun eigen huis zag, kon eigenlijk geen verschil ontdekken met de Kabarden, de Balkaren en de Karatsjaj. Die boden ons ook kostbare geschenken aan, dat was traditie, dat hoefde je niet noodzakelijkerwijs als omkoperij te beschouwen. Toch moest ik op mijn hoede zijn: besluiteloosheid kon als zwakheid worden opgevat, en Prill en Turek zouden van de geringste misstap profiteren.
In Pjatigorsk bleef de kaartenkamer opnieuw voor mij gesloten: het leger van Hoth, gevormd uit de versterkte resten van het Vierde Pantserleger, trok vanaf Kostelnikovo op in de richting van de Kessel om te proberen door de Russische linies heen te breken. De officieren toonden zich optimistisch, en met behulp van hun commentaren kon ik de officiële communiqués en de geruchten aanvullen. Alles leek erop te duiden dat de Führer er opnieuw, net als vorig jaar voor Moskou, goed aan had gedaan stand te houden. Ik moest de presentatie over de Bergjuden voorbereiden en had weinig tijd voor iets anders. Terwijl ik de rapporten en mijn aantekeningen doornam, dacht ik aan de woorden van Voss tijdens ons laatste gesprek; en terwijl ik de bijeengebrachte bewijzen onderzocht, vroeg ik me af: wat zou hij ervan gevonden hebben? Wat zou hij hebben beaamd of verworpen? Het dossier was welbeschouwd nogal mager. Ik was er oprecht van overtuigd dat de Chazaarse hypothese niet plausibel was, dat alleen de veronderstelling van een Perzische herkomst hout sneed; wat dat betekende – daarover was ik minder zeker dan ooit. Ik betreurde het enorm dat Voss er niet meer was; hij was de enige met wie ik hier ter plekke serieus over het onderwerp had kunnen praten; de anderen, zowel bij de Wehrmacht als bij de ss, waren weinig geïnteresseerd in de waarheid en in wetenschappelijke striktheid: het was voor hen enkel een kwestie van politiek.
De presentatie werd halverwege de maand gehouden, een paar dagen voor het Grote Bairam. Er waren veel mensen. De Wehrmacht had nog snel wat verfwerk laten doen aan een grote vergaderzaal in het voormalige hoofdkantoor van de communistische Partij, waar een enorme ovale tafel nog de littekens droeg van de scherven van schrapnels die zich door het dak hadden geboord. Er was een korte maar verhitte discussie over de tafelschikking: Köstring wilde de verschillende delegaties bij elkaar zetten: militaire leiding, Abwehr, aok, Ostministerium en ss, en dat leek ook logisch, maar Korsemann stond erop dat iedereen volgens rang werd geplaatst; Köstring zwichtte uiteindelijk, zodat Korsemann rechts van hem kwam te zitten, Bierkamp iets verder van hem af en ik vrijwel aan het eind van de tafel, tegenover Bräutigam, die niet meer dan reserve-Hauptmann was, en naast de civiele expert van het instituut van minister Rosenberg. Köstring opende de zitting en liet Selim Sjadov binnenbrengen, de leider van de Kabardisch-Balkaarse Nationale Raad, die een lange toespraak hield over de zeer oude betrekkingen van goed nabuurschap, wederzijdse hulp, vriendschap en soms zelfs onderlinge huwelijken tussen de Kabardische, Balkaarse en Taatse volkeren. Het was een vrij dikke man, gekleed in een kostuum van glimmende stof met twee rijen knopen; de ietwat weke trekken van zijn gezicht werden gecompenseerd door een zware snor, en hij sprak een traag en nadrukkelijk Russisch; Köstring zelf vertaalde zijn woorden. Toen Sjadov was uitgesproken, stond Köstring op en verzekerde hem in het Russisch (ditmaal vertaalde een Dolmetscher voor ons) dat de mening van de Nationale Raad in de overwegingen zou worden betrokken en dat de kwestie naar hij hoopte tot algehele tevredenheid zou worden opgelost. Ik keek naar Bierkamp, die aan de andere kant van de tafel zat, vier stoelen van Korsemann af: hij had zijn pet naast zijn papieren op tafel gelegd en zat met zijn vingers trommelend naar Köstring te luisteren; Korsemann krabde met zijn vulpotlood in de kerf van een schrapnel. Na de reactie van Köstring werd Sjadov uitgeleide gedaan, de generaal ging weer zitten en wijdde aan dit intermezzo verder geen woord meer. ‘Ik stel voor dat we beginnen met de rapporten van de deskundigen,’ zei hij. ‘Doktor Bräutigam?’ Bräutigam wees naar de man die links van mij zat, een burger met een gelige huid, een hangsnorretje en vet, zorgvuldig geverfd haar dat bezaaid was met roos, evenals zijn schouders, die hij steeds weer nerveus afklopte. ‘Graag stel ik u Dr. Rehrl voor, als specialist in het oosters judaïsme verbonden aan het Instituut voor Joodse Vraagstukken in Frankfurt.’ Met een kleine buiging verhief Rehrl zijn achterwerk lichtjes van zijn stoel en stak met een nasale, monotone stem van wal: ‘Ik meen dat we hier te maken hebben met een restant van een Turkse volksstam, die ten tijde van de bekering van de Chazaarse adel de joodse godsdienst moet hebben aangenomen en later naar het oosten van de Kaukasus is gevlucht, omstreeks de tiende of elfde eeuw, in de periode van de verwoesting van het Chazaarse rijk. Daar is door huwelijken vermenging ontstaan met een Iraanssprekende bergstam, de Tatten, en een deel van de groep heeft zich bekeerd of herbekeerd tot de islam, terwijl de anderen een joods geloof in stand hielden, dat gaandeweg is verwaterd.’ Hij begon bewijzen op te sommen: ten eerste waren de woorden in de Taatse taal voor voedsel, mensen en dieren, ofwel het elementaire niveau van de taal, voornamelijk van Turkse oorsprong. Vervolgens gaf hij een overzicht van het weinige dat bekend was over de geschiedenis van de bekering van de Chazaren. Hij stipte interessante punten aan, maar zijn betoog zat erg warrig in elkaar en was nogal moeilijk te volgen. Niettemin was ik onder de indruk van zijn uiteenzetting over eigennamen: bij de Bergjuden trof men namen van joodse feesten zoals Chanoeka of Pesach als eigennaam aan, bijvoorbeeld de gerussificeerde naam Chanoekajev, een gebruik dat noch bij de Asjkenazische noch bij de Sefardische joden bestaat, maar dat wel is aangetroffen bij de Chazaren: de eigennaam Chanoeka bijvoorbeeld komt tweemaal voor in de Brief uit Kiev, een aanbevelingsbrief die aan het begin van de tiende eeuw in het Hebreeuws geschreven is door de Chazaarse gemeenschap van die stad, alsook één keer op een grafsteen op de Krim, en één keer op de lijst van Chazaarse koningen. Volgens Rehrl waren de Bergjuden dan ook, ondanks hun taal, vanuit raciaal gezichtspunt meer te vergelijken met hen die Nogaj, Koemyk en Balkaars spraken, dan met de joden. Het hoofd van de onderzoekscommissie van de Wehrmacht, een officier met een hoogrood gezicht genaamd Weintrop, nam op zijn beurt het woord: ‘Mijn mening is niet zo uitgesproken als die van mijn gerespecteerde collega. Naar mijn idee zijn de sporen van een Kaukasisch-joodse invloed op die fameuze Chazaren – over wie in feite maar weinig bekend is – even talrijk als de bewijzen van een tegengestelde invloed. In het document dat bekendstaat als de Anonieme brief uit Cambridge en dat eveneens uit de tiende eeuw moet dateren, lezen we bijvoorbeeld dat de joden van Armenië huwelijken sloten met de bewoners van dit land – gedoeld wordt op de Chazaren –, zich met niet-joden hebben vermengd, zich hun gewoonten en gebruiken hebben eigen gemaakt en steeds met hen ten strijde trokken; en ze zijn één volk geworden. De schrijver heeft het hier over de joden uit het Midden-Oosten en de Chazaren: als hij Armenië noemt, is dat niet het hedendaagse Armenië dat wij kennen, maar het oude Groot-Armenië, dat wil zeggen vrijwel geheel Transkaukasië en een groot deel van Anatolië...’ In die geest ging Weintrop voort; elk stukje bewijs dat hij aanvoerde, leek het voorafgaande te ondergraven. ‘Kijken we naar de etnologische aspecten, dan zijn er maar weinig verschillen met hun buren die tot de islam bekeerd zijn of zelfs christen zijn geworden, zoals de Osseten. De heidense invloed blijft erg sterk: de Bergjuden kennen een demonenleer, dragen talismans om zich tegen boze geesten te beschermen enzovoorts. Dit alles heeft veel weg van de zogeheten soefi-praktijken van de islamitische bergbewoners, zoals de grafcultus en rituele dansen, die ook heidense overblijfselen zijn. Het levensniveau van de Bergjuden is gelijk aan dat van de andere bergvolken, zowel in de stad als in de aoels die wij hebben bezocht: men kan onmogelijk zeggen dat de Bergjuden van het judeo-bolsjewisme zouden hebben geprofiteerd om hun positie te verbeteren. Integendeel, in het algemeen lijken ze bijna nog armer dan de Kabarden. Bij het sjabbatmaal zitten de vrouwen en kinderen apart van de mannen: dat is in strijd met de joodse traditie, maar strookt met die van de bergvolken. Anderzijds dansten op de bruiloften die wij hebben meegemaakt, waarop honderden Kabarden en Balkaren te gast waren, de mannen en vrouwen van de Bergjuden met elkaar, hetgeen volgens de orthodoxe traditie streng verboden is.’ – ‘Uw conclusies dus?’ vroeg Bittenfeld, de adjudant van Köstring. Weintrop krabde aan zijn hoofd, waarop het witte haar gemillimeterd was: ‘Wat hun precieze oorsprong is, valt moeilijk te zeggen, de feiten spreken elkaar tegen. Toch lijkt het ons evident dat ze volledig geassimileerd en geïntegreerd zijn en zo men wil, vermischlingt. De resterende sporen van joods bloed zijn te verwaarlozen.’ – ‘Niettemin klampen ze zich hardnekkig vast aan hun joodse geloof, dat ze eeuwenlang intact hebben gehouden,’ merkte Bierkamp op. – ‘Nou, niet intact, Herr Oberführer, niet intact,’ reageerde Weintrop goedmoedig. ‘Ze hebben er juist een heel andere draai aan gegeven. Alle kennis van de Talmoed is verloren gegaan, zo ze die al ooit gehad hebben. Met hun demonenleer zijn het welhaast heidenen, zoals de Karaïeten. Ze worden trouwens geminacht door de Asjkenazische joden, die hen byky noemen, dat betekent stieren, een pejoratieve benaming.’ – ‘Wat is in deze aangelegenheid het standpunt van de ss?’ vroeg Köstring minzaam, terwijl hij zich naar Korsemann wendde. – ‘Dat is zonder meer een belangrijke vraag,’ meende Korsemann. ‘Ik geef het woord aan Oberführer Bierkamp.’ Deze was zijn papieren al aan het ordenen. ‘Helaas moest onze deskundige, Dr. Weseloh, terug naar Duitsland. Maar zij heeft een volledig rapport opgesteld, dat ik u heb laten toekomen, Herr General, en dat onze mening met kracht ondersteunt: deze Bergjuden zijn uiterst gevaarlijke Fremdkörper, die een bedreiging vormen voor de veiligheid van de troepen, een bedreiging waarop wij daadkrachtig en energiek moeten reageren. Dit standpunt, dat anders dan dat van de onderzoekers de vitale kwestie van de veiligheid in aanmerking neemt, wordt geschraagd door de studie van wetenschappelijke documenten die Dr. Weseloh heeft verricht, een studie waarvan de conclusies verschillen van die der andere hier aanwezige deskundigen. De presentatie van onze conclusies laat ik graag over aan Hauptsturmführer Dr. Aue.’ Met een lichte hoofdbuiging zei ik: ‘Dank u, Oberführer. Omwille van de overzichtelijkheid acht ik het aanbevelenswaardig om het vergaarde bewijsmateriaal duidelijk te rubriceren. Allereerst zijn er de historische documenten, en het levende document van de taal zelf; vervolgens zijn er de bevindingen van de biologische en culturele antropologie; en ten slotte zijn er de resultaten van de etnologische onderzoekingen ter plekke, zoals die door Dr. Weintrop en Dr. Weseloh zijn verricht. Als men de historische documenten nader beschouwt, lijkt het een onomstotelijk feit dat er in de Kaukasus lang voor de bekering van de Chazaren joden woonden.’ Ik citeerde Benjamin van Tudela en enkele andere oude bronnen, zoals de Derbent-Nameh. ‘In de negende eeuw bezocht Eldad ha-Dani de Kaukasus en merkte op dat de joden uit de bergen een grondige kennis hadden van de Talmoed...’ – ‘Die zijn ze dan mooi kwijtgeraakt!’ viel Weintrop me in de rede. – ‘Wat u zegt, maar het feit blijft dat de talmoedische geleerden uit Derbent en Sjemacha in Azerbeidzjan befaamd waren. Overigens is dit misschien een verschijnsel van later datum: Judah Tsjorny, een jood die rond 1880 in dit gebied rondreisde, meende dat de joden niet na maar voor de verwoesting van de eerste tempel naar de Kaukasus waren gegaan, en dat ze tot in de vierde eeuw in volstrekt isolement hadden geleefd onder bescherming van de Perzen. Pas veel later, nadat de Tataren Perzië waren binnengevallen, kwamen de Bergjuden in aanraking met joden uit Babylon, die hen in de Talmoed onderwezen. Toen pas zouden ze zich dus de joodse tradities en het rabbinale onderricht eigen hebben gemaakt. Dat is echter niet bewezen. Om te bepalen hoe lang ze daar al zijn, zou men zich veeleer moeten verlaten op archeologische sporen, zoals de verlaten ruïnes in Azerbeidzjan die men Chifoet Tebe noemt, de heuvel van de joden, of Chifoet Kaboer, het graf van de joden. Die zijn zeer oud. Wat betreft hun taal: de bevindingen van Dr. Weseloh stemmen overeen met die van wijlen Dr. Voss: het is een modern West-Iraans dialect – en dan bedoel ik niet ouder dan de achtste of de negende eeuw, hooguit de tiende –, hetgeen een directe Chaldeeuwse afstamming, zoals gepostuleerd door Pantjoekov in navolging van Quatrefages, lijkt te weerspreken. Quatrefages meende trouwens dat de Lezginen, bepaalde Svans en de Chevsoeren ook joodse wortels hadden; in het Georgisch betekent Khevis Uria “de jood van de vallei”. Baron Peter Uslar oppert, wat aannemelijk lijkt, dat er gedurende tweeduizend jaar een veelvuldige en regelmatige joodse immigratie naar de Kaukasus zou hebben plaatsgevonden, waarbij elke golf min of meer integreerde met de plaatselijke bevolking. Een verklaring voor het probleem van de taal zou kunnen zijn dat de joden huwelijken hebben gesloten met de Tatten, een Iraanse volksstam die later is gekomen; zelf zouden ze in de tijd van de Achemeniden als militaire kolonisten hierheen zijn getrokken om de pas van Derbent te verdedigen tegen de nomaden uit de noordelijke vlakten.’ – ‘Joden als militaire kolonisten?’ riep een Oberst van het aok verbaasd uit. ‘Dat lijkt me onzinnig.’ – ‘Toch niet echt,’ repliceerde Bräutigam. ‘De joden van voor de diaspora hebben een lange krijgstraditie. Je hoeft er de Bijbel maar op na te slaan. En vergeet ook niet hoe ze stand hebben gehouden tegen de Romeinen.’ – ‘Ah ja, dat staat in Flavius Josephus,’ merkte Korsemann op. – ‘Inderdaad, Herr Brigadeführer,’ zei Bräutigam goedkeurend. – ‘Kortom,’ vervolgde ik, ‘al deze feiten bij elkaar lijken een Chazaarse oorsprong te weerspreken. De hypothese van Vsevolod Miller, dat het de Bergjuden zouden zijn geweest die de joodse godsdienst naar de Chazaren hebben gebracht, ziet er veel plausibeler uit.’ – ‘Dat is precies wat ik zei,’ merkte Weintrop op. ‘Maar met al uw linguïstische argumenten ontkent u toch niet de mogelijkheid van Durchmischung, rassenvermenging.’ – ‘Het is echt spijtig dat Dr. Voss niet meer onder ons is,’ aldus Köstring. ‘Over dat punt had hij ons beslist opheldering verschaft.’ – ‘Ja,’ zei Gilsa somber. ‘Wij betreuren zijn dood zeer. Het is een groot verlies.’ – ‘Ook de Duitse wetenschap betaalt een zware tol aan het judeo-bolsjewisme,’ zei Rehrl plechtstatig. – ‘Jawel, maar in het geval van die arme Voss ging het toch meer om een, laten we zeggen, cultureel misverstand,’ aldus Bräutigam. – ‘Meine Herren, meine Herren,’ kwam Köstring ertussen. ‘We dwalen van het onderwerp af. Herr Hauptsturmführer?’ – ‘Dank u, Herr General. Jammer genoeg biedt de biologische antropologie ons weinig steun voor een keuze tussen de verschillende hypothesen. Sta mij toe u de gegevens te noemen die de grote geleerde Erckert bijeen heeft gebracht in Der Kaukasus und seine Völker, gepubliceerd in 1887. Als schedelindex noemt hij 79,4 (mesocefaal) voor de Tataren van Azerbeidzjan, 83,5 (brachycefaal) voor de Georgiërs, 85,6 (hyperbrachycefaal) voor de Armenen, en 86,7 (hyperbrachycefaal) voor de Bergjuden.’ – ‘Ha!’ riep Weintrop uit. ‘Net als de Mecklenburgers!’ – ‘Sst...’ zei Köstring. ‘Laat de Hauptsturmführer uitpraten.’ Ik vervolgde: ‘Schedelhoogte: Kalmukken 62,0, Georgiërs 67,9, Bergjuden 67,9, Armenen 71,1. Gelaatsindex: Georgiërs 86,5; Kalmukken 87,0, Armenen 87,7, en Bergjuden 89,0. Ten slotte de neusindex: de Bergjuden staan onderaan met 62,4, en de Kalmukken bovenaan met 75,3, een aanzienlijk verschil. De Georgiërs en de Armenen zitten daar tussenin.’ – ‘Wat betekent dit allemaal?’ vroeg de Oberst van het aok. ‘Het is me niet duidelijk.’ – ‘Het betekent,’ legde Bräutigam uit, die de getallen had genoteerd en snel een rekensommetje maakte, ‘dat, wanneer men de vorm van het hoofd beschouwt als indicatie voor het superieure of inferieure karakter van een ras, de Bergjuden het meest superieur van de Kaukasische volken zijn.’ – ‘Dat is precies wat Erckert zegt,’ vervolgde ik. ‘Maar deze benadering is, hoewel nog niet volledig weerlegd, tegenwoordig niet erg gangbaar meer. De wetenschap heeft enige vooruitgang geboekt.’ Ik wierp een blik op Bierkamp: hij zat me streng aan te kijken, terwijl hij met zijn potlood op tafel tikte. Met een handgebaar beduidde hij me door te gaan. Ik boog me weer over mijn paperassen: ‘De culturele antropologie verschaft ons een overvloed aan gegevens. Het zou te veel tijd kosten om die allemaal de revue te laten passeren. De algemene strekking is dat de Bergjuden een volk zijn dat de gewoonten van de bergvolken geheel heeft overgenomen, inclusief die van de kanly of isjkil, de bloedwraak. We weten dat grote Tattenkrijgers aan de zijde van imam Sjamil tegen de Russen hebben gevochten. Ook beoefenden de Bergjuden vóór de Russische kolonisatie voornamelijk de landbouw, ze teelden druiven, verbouwden rijst, tabak en allerlei granen.’ – ‘Dat zijn toch geen joodse bezigheden,’ merkte Bräutigam op. ‘De joden hebben een afschuw van zware lichamelijke arbeid, ze werken niet graag op het land.’ – ‘Wat u zegt, Herr Doktor. Later, onder de Russische heerschappij, waren de economische omstandigheden echter dusdanig dat zij zich ontwikkelden tot handwerkslieden, gespecialiseerd in het looien van leer en het vervaardigen van sieraden, wapens en tapijten; en ook handelaars. Maar dat is een recente ontwikkeling, en sommige Bergjuden zijn boer gebleven.’ – ‘Zoals die in dat dorp bij Mozdok die laatst gedood zijn?’ vroeg Köstring. ‘Die zaak hebben we nooit opgehelderd.’ Het gezicht van Bierkamp betrok. Ik vervolgde: ‘Veelzeggend is wel dat, afgezien van de paar rebellen die zich bij Sjamil aansloten, het merendeel van de Bergjuden van Dagestan, misschien vanwege vervolgingen door de islamieten, tijdens de Kaukasische oorlogen de Russische kant koos. Na de overwinning hebben de tsaristische autoriteiten hen beloond door hun dezelfde rechten te geven als de andere Kaukasische stammen, en toegang tot bestuursfuncties. Een en ander doet natuurlijk denken aan het parasitaire gedrag dat we maar al te goed van de joden kennen. Hierbij moet evenwel worden aangetekend dat het merendeel van die rechten onder het bolsjewistische regime weer is afgeschaft. In Naltsjik, waar immers sprake was van een autonome republiek van Kabarden en Balkaren, kregen deze twee volken alle functies die niet aan Russen of aan sovjetjoden waren toebedeeld: de Bergjuden namen amper deel aan het openbaar bestuur, op een paar archivarissen en lagere ambtenaren na. Het zou interessant zijn de situatie in Dagestan te bezien.’ Tot besluit citeerde ik de etnologische waarnemingen van Weseloh. ‘Ze lijken de onze niet te weerspreken,’ bromde Weintrop. – ‘Nee, Herr Major. Ze vullen elkaar aan.’ – ‘Anderzijds,’ mompelde Rehrl peinzend, ‘strookt een groot deel van uw inlichtingen niet erg met de stelling van een Chazaarse of Turkse oorsprong. Toch beschouw ik die als solide. Zelfs die Miller van u...’ Köstring onderbrak hem met een kuchje: ‘Wij zijn allemaal erg onder de indruk van de grote kennis van zaken die aan de dag is gelegd door de specialisten van de ss,’ zei hij zalvend, terwijl hij zich naar Bierkamp wendde, ‘maar mij dunkt dat uw conclusies niet sterk verschillen van die van de Wehrmacht, is het wel?’ Bierkamp leek zich woedend te verbijten: ‘Zoals wij al hebben vastgesteld, Herr General, blijven de zuiver wetenschappelijke bevindingen erg abstract. Ze dienen gecombineerd te worden met de uitkomsten van het werk van de Sicherheitspolizei. En op grond daarvan kunnen we concluderen dat het hier gaat om een raciaal gevaarlijke vijand.’ – ‘Hou mij ten goede, Herr Oberführer,’ kwam Bräutigam ertussen, ‘maar ik ben niet overtuigd.’ – ‘Dat is omdat u geen militair bent en de kwestie dus ook niet vanuit militair oogpunt beschouwt, Herr Doktor,’ repliceerde Bierkamp koel. ‘Het is geen toeval dat de Führer het juist heeft geacht om de veiligheidstaken van het Reich toe te vertrouwen aan de ss. Ook dat is een kwestie van Weltanschauung.’ – ‘Niemand hier trekt de competentie van de Sicherheitspolizei of van de ss in twijfel, Oberführer,’ hernam Köstring met zijn trage, vaderlijke stem. ‘Uw mannen zijn de Wehrmacht tot zeer waardevolle steun. Niettemin moet de legerleiding, die eveneens krachtens een besluit van de Führer tot stand is gebracht, alle aspecten van deze kwestie in ogenschouw nemen. Een niet volkomen gerechtvaardigde Aktion tegen de Bergjuden zou ons hier politiek kunnen schaden. Tegenover dit nadeel kunnen alleen zeer dwingende redenen staan. Oberst von Gilsa, wat is de mening van de Abwehr over de mate waarin deze bevolkingsgroep een risico vormt?’ – ‘De kwestie is al aan de orde gekomen tijdens onze eerste vergadering over dit onderwerp, Herr General, in Vorosjilovsk. Sindsdien houdt de Abwehr de Bergjuden nauwlettend in de gaten. Tot dusverre hebben we niet het geringste spoor van subversieve activiteiten kunnen vaststellen. Geen contacten met partizanen, geen sabotage, geen spionage, niets. Als alle andere volkeren zich zo rustig hielden, was onze taak hier een stuk eenvoudiger.’ – ‘De Sipo is juist van mening dat een vergrijp beter kan worden voorkomen dan afgewacht,’ wierp Bierkamp kwaad tegen. – ‘Inderdaad,’ aldus Bittenfeld, ‘maar bij een preventieve interventie dienen de voordelen en de risico’s tegen elkaar te worden afgewogen.’ – ‘Kortom,’ vervolgde Köstring, ‘zo de Bergjuden al een risico vormen, is dat niet onmiddellijk?’ – ‘Inderdaad, Herr General,’ antwoordde Gilsa. ‘Althans in de opvatting van de Abwehr.’ – ‘Blijft dus de rassenkwestie,’ zei Köstring. ‘We hebben veel argumenten gehoord. U allen zult het erover eens zijn, denk ik, dat geen enkel argument doorslaggevend was, noch in de ene noch in de andere richting.’ Hij pauzeerde even en wreef over zijn wang. ‘Het lijkt me dat we onvoldoende gegevens hebben. Daarbij geldt dat Naltsjik niet de natuurlijke habitat van deze Bergjuden is, zodat we ook een wat verwrongen kijk op de zaak hebben. Ik stel dus voor dat we de kwestie opschorten tot we Dagestan hebben bezet. Als onze onderzoekers hen ter plekke in hun oorspronkelijke habitat kunnen observeren, moeten ze overtuigender bewijsmateriaal kunnen vinden. Tegen die tijd zullen we een nieuwe commissie vormen.’ Hij richtte zich tot Korsemann. ‘Wat vindt u ervan, Brigadeführer?’ Korsemann aarzelde, wierp een schuinse blik naar Bierkamp, aarzelde opnieuw en zei: ‘Ik zie geen bezwaar, Herr General. Me dunkt dat daarmee de belangen van alle partijen zijn gediend, die van de ss inbegrepen. Vindt u niet, Oberführer?’ Bierkamp gaf niet meteen antwoord. ‘Als u dat denkt, Brigadeführer.’ – ‘Met dien verstande,’ voegde Köstring er met de hem typerende goedmoedigheid aan toe, ‘dat we hen in de tussentijd wel goed in het oog zullen houden. Herr Oberführer, ik reken ook op de waakzaamheid van uw Sonderkommando. Als ze brutaal worden of contacten met de partizanen aangaan – pats! Doktor Bräutigam?’ De stem van Bräutigam klonk nasaler dan ooit: ‘Het Ostministerium heeft geen enkel bezwaar tegen uw alleszins redelijke voorstel, Herr General. Verder denk ik dat we een woord van dank moeten richten tot de specialisten, van wie sommigen helemaal uit het Reich hierheen zijn gereisd om hun waardevolle werkzaamheden te kunnen verrichten.’ – ‘Absoluut, absoluut,’ zei Köstring instemmend. ‘Doktor Rehrl, Major Weintrop, Haupsturmführer Aue, onze gelukwensen, ook aan uw collega’s.’ Alle aanwezigen klapten. Iedereen stond op, er werd druk met papieren geritseld en met stoelen geschoven. Bräutigam liep om de tafel heen en schudde me de hand. ‘Voortreffelijk gedaan, Hauptsturmführer.’ Hij wendde zich naar Rehrl. ‘De Chazaarse stelling valt uiteraard nog heel goed te verdedigen.’ – ‘O,’ zei deze, ‘dat zullen we in Dagestan wel zien. Ik ben ervan overtuigd dat we ter plekke nieuwe bewijzen zullen vinden, zoals de generaal al zei. Vooral in Derbent zijn documenten, archeologische sporen.’ Ik keek naar Bierkamp, die achter Korsemann was aangelopen en op gedempte, gejaagde toon met hem sprak, onderwijl druk gesticulerend. Köstring stond met Gilsa en de Oberst van het aok te praten. Ik wisselde nog enkele zinnen met Bräutigam, raapte mijn papieren bij elkaar en begaf me naar de hal, waarin Bierkamp en Korsemann me al waren voorgegaan. Met een woedende blik voegde Bierkamp me toe: ‘Ik dacht dat de belangen van de ss u meer ter harte gingen, Hauptsturmführer.’ Ik liet me niet uit het veld slaan. ‘Oberführer, ik heb geen enkel bewijs voor hun joodse afkomst achterwege gelaten.’ – ‘U had die gegevens duidelijker kunnen presenteren. Met minder dubbelzinnigheid.’ Korsemann kwam met zijn gehakkel tussenbeide: ‘Ik zie niet in wat u hem kunt verwijten, Oberführer. Hij heeft het er uitstekend van afgebracht. De generaal heeft hem trouwens gefeliciteerd, tot twee keer toe.’ Bierkamp haalde zijn schouders op. ‘Ik vraag me af of Prill het eigenlijk niet toch bij het rechte eind had.’ Ik reageerde niet. Achter ons verlieten de andere aanwezigen de zaal. ‘Hebt u verder nog instructies voor me, Oberführer?’ vroeg ik uiteindelijk. Met een vaag gebaar zei hij: ‘Nee. Momenteel niet.’ Ik groette en ging achter Gilsa de deur uit.
Buiten was de lucht droog, het was gemeen koud. Ik haalde diep adem en voelde de kou in mijn longen branden. Alles leek ijzig, geluidloos. Gilsa stapte in zijn auto met de Oberst van het aok en bood mij de zitplaats voorin aan. We zeiden nog wat en geleidelijk viel iedereen stil. Ik dacht aan de vergadering: de woede van Bierkamp was begrijpelijk. Köstring had ons een vuile streek geleverd. Er bestond geen enkele kans – dat wist iedereen daar in die zaal heel goed – dat de Wehrmacht ooit in Dagestan terecht zou komen. Sommigen vermoedden zelfs – maar Korsemann en Bierkamp misschien niet – dat Legergroep a zich binnenkort uit de Kaukasus zou moeten terugtrekken. Ook als Hoth erin slaagde zich bij Paulus te voegen, zou dat enkel dienen om het Zesde Leger te hergroeperen langs de Tsjir, of zelfs langs de Beneden-Don. Je hoefde maar op een kaart te kijken om te begrijpen dat de positie van Legergroep a dan onhoudbaar zou worden. Köstring wist daarover vast wel iets meer. In een dergelijke situatie moesten we het uit ons hoofd laten om de bergvolken vanwege een zo weinig belangrijke kwestie als die van de Bergjuden tegen ons in het harnas te jagen: als ze in de gaten kregen dat het Rode Leger terugkwam, zouden ze het ons op zich al moeilijk gaan maken – al was het maar om (een beetje aan de late kant, dat wel) hun loyaliteit en vaderlandsliefde te tonen – en tot elke prijs moest worden voorkomen dat het dan nog verder uit de hand liep. Een terugtocht dwars door een volkomen vijandige omgeving die zich goed leende voor acties van partizanen, kon rampzalig uitpakken. Bevriende bevolkingsgroepen moesten dus beloond worden. Ik had niet het idee dat Bierkamp in staat was dit te begrijpen; zijn politiementaliteit, aangescherpt door zijn obsessie met cijfers en rapporten, maakte hem kortzichtig. Onlangs had een van de Einsatzkommando’s ergens in een uithoek van de regio Krasnodar een sanatorium voor tuberculeuze kinderen geliquideerd. Het waren merendeels kinderen van de bergvolken, de nationale raden hadden hevig geprotesteerd, er waren schermutselingen geweest die aan verscheidene soldaten het leven hadden gekost. Bajramoekov, de Karatsjaanse leider, had Kleist met een grootscheepse opstand gedreigd als dit nog eens gebeurde, en Kleist had een woedende brief aan Bierkamp gestuurd; naar ik had gehoord, had deze echter met merkwaardige onverschilligheid gereageerd: hij zag niet wat het probleem was. Korsemann, die gevoeliger was voor de invloed van de militairen, had ingegrepen en hem gedwongen de Kommando’s nieuwe instructies te geven. Köstring had in feite geen keuze gehad. Bierkamp was naar de conferentie gegaan in de veronderstelling dat de knoop nog moest worden doorgehakt; maar Köstring had, waarschijnlijk samen met Bräutigam, doorgestoken kaart gespeeld, en de uitwisseling van ideeën was louter poppenkast geweest, een vertoning om oningewijden zand in de ogen te strooien. Ook al was Weseloh erbij geweest, ook al had ik me beperkt tot een volkomen tendentieuze argumentatie, het zou allemaal niets hebben uitgemaakt. Het was een briljante zet om met Dagestan voor de dag te komen: het vloeide logisch voort uit hetgeen was gezegd en Bierkamp kon er geen enkel redelijk argument tegen inbrengen; de waarheid zeggen, namelijk dat Dagestan niet zou worden bezet, dat was simpelweg ondenkbaar; dan zou Köstring de vrije hand hebben gehad om Bierkamp wegens defaitisme uit zijn functie te laten ontzetten. Niet voor niets noemden de militairen Köstring ‘de oude vos’; het was een meesterzet geweest, bedacht ik met bitter genoegen. Ik wist dat dit me last ging bezorgen: Bierkamp zou proberen de schuld voor zijn nederlaag op iemand anders af te wentelen en ik was daarvoor de meest aangewezen persoon. Niettemin had ik mijn werk doortastend en gedisciplineerd uitgevoerd. Maar het was net als tijdens mijn missie in Parijs, ik had de regels van het spel niet begrepen, ik had de waarheid gezocht waar het niet om de waarheid ging, maar om politiek gewin. Het zou Prill en Turek nu geen enkele moeite kosten om mij te belasteren. Voss zou mijn presentatie in elk geval niet hebben afgekeurd. Maar helaas, Voss was dood, en ik stond er opnieuw alleen voor.
De avond viel. Alles was bedekt met een dikke laag rijp: de verwrongen boomtakken, de draden en palen van de hekwerken, het dichte gras, de aarde op de vrijwel kale velden. Het was als een wereld van griezelige witte vormen, angstaanjagend, sprookjesachtig, een kristallijnen universum waaruit alle leven verbannen leek. Ik keek naar de bergen, een enorme blauwe wand die de horizon versperde en de wacht hield voor een andere, verborgen wereld. Aan de kant van Abchazië daalde de zon neer achter de bergkammen, maar het licht streek nog langs de toppen en legde over de sneeuw een zweem van weelderige en fijne tinten roze, geel, oranje, fuchsia, die haast onmerkbaar van de ene naar de andere piek verschoven. Het was van een wrede schoonheid die je de adem benam, bijna menselijk en tegelijkertijd aan alle menselijke zorgen ontheven. Stukje bij beetje slokte de zee daar achter de bergen de zon op en een voor een doofden de kleuren, waardoor de sneeuw eerst blauw werd en toen verschoot naar een grijswit dat stil lag te glanzen in het donker. De met ijzel bedekte bomen doemden in de kegels van onze koplampen op als wezens die volop in beweging waren. Ik had me aan gene zijde kunnen wanen, in het land dat kinderen goed kennen en vanwaar niemand terugkeert.
Ik had me niet in Bierkamp vergist: de valbijl kwam nog sneller neer dan ik had verwacht. Vier dagen na de conferentie ontbood hij me in Vorosjilovsk. Twee dagen daarvoor was tijdens de viering van Kurban Bairam in Naltsjik het autonome Kabardisch-Balkaarse district uitgeroepen, maar ik had de ceremonie niet bijgewoond. Bräutigam had, naar het scheen, een lange toespraak gehouden en de bergbewoners hadden de officieren met geschenken overladen – kinjali, tapijten, handgeschreven korans. Over het front van Stalingrad gingen geruchten dat de tanks van Hoth maar moeizaam vorderden en bij de Misjkova, op zestig kilometer van de Kessel, waren blijven steken; intussen zetten de Sovjets, meer noordwaarts, aan de Don, een nieuwe aanval in op het Italiaanse front; er werd gesproken over een chaotische aftocht, de Russische tanks bedreigden nu de vertrekkende vliegtuigen waarmee de Luftwaffe zo goed en zo kwaad als het ging de Kessel bevoorraadde. De officieren van de Abwehr waren nog steeds niet bereid om precieze informatie te verstrekken, en zelfs als je de verschillende geruchten combineerde, was het moeilijk om precies in te schatten hoe kritiek de situatie was. Ik bracht de Gruppenstab verslag uit van hetgeen ik zelf had geconcludeerd of had kunnen bevestigen, maar ik had de indruk dat mijn rapporten niet erg serieus werden genomen: nog maar kort geleden had ik van de staf van Korsemann niet alleen een lijst gekregen van de sspf’s en andere hoge ss-officieren die benoemd waren voor de verschillende districten van de Kaukasus, waaronder Grozny, Azerbeidzjan en Georgië, maar ook een studie over de plant kok-sagyz, die groeit in de buurt van Majkop en die de Reichsführer op grote schaal wilde gaan verbouwen om een substituut voor rubber te produceren. Ik vroeg me af of Bierkamp een even irreële kijk op de situatie had; in ieder geval vond ik het verontrustend dat ik bij hem moest komen. Onderweg probeerde ik argumenten ter verdediging van mijn gedrag bijeen te zoeken, een strategie uit te denken, maar omdat ik niet wist wat hij zou gaan zeggen, kwam ik er niet uit.
Het was een kort onderhoud. Bierkamp vroeg me niet te gaan zitten en ik bleef in de houding staan, terwijl hij me een papier aanreikte. Ik bekeek het zonder er veel van te begrijpen. ‘Wat is dit?’ vroeg ik. – ‘Uw overplaatsing. Degene die in Stalingrad belast is met de politietaken, heeft dringend om een sd-officier gevraagd. De zijne is twee weken geleden gesneuveld. Ik heb Berlijn laten weten dat de Gruppenstab wel met minder personeel toe kan en uw overplaatsing is goedgekeurd. Gefeliciteerd, Hauptsturmführer. Het is een mooie kans voor u.’ Ik gaf geen krimp. ‘Mag ik vragen waarom u speciaal mij hebt voorgedragen, Oberführer?’ Bierkamps blik bleef gemelijk maar hij glimlachte vaag. ‘In mijn staf wil ik officieren die begrijpen wat er van hen wordt verwacht, zonder dat alles hun tot in de details hoeft te worden uitgelegd; anders kan ik het allemaal net zo goed zelf doen. Ik hoop dat het sd-werk in Stalingrad voor u een nuttige leerschool zal zijn. Laat ik er bovendien op wijzen dat uw persoonlijke gedrag voldoende dubbelzinnig is geweest om binnen de Groep aanleiding te geven tot onprettige geruchten. Sommigen hebben zelfs aangedrongen op stappen van de kant van het ss-Gericht. In principe weiger ik geloof te hechten aan dergelijke geruchten, vooral wanneer ze betrekking hebben op een politiek zo doorkneed officier als u, maar ik zal niet toestaan dat een schandaal de reputatie van mijn Groep bezoedelt. Ik raad u aan er in de toekomst op toe te zien dat uw gedrag geen reden geeft tot dergelijke praatjes. U kunt gaan.’ We wisselden de Duitse groet en ik verliet het vertrek. In de gang kwam ik langs het kantoor van Prill; de deur stond open, ik zag dat hij mij met een vage glimlach bekeek. Ik bleef in de deuropening staan en keek hem op mijn beurt strak aan, terwijl een stralende glimlach, een kinderlijke glimlach zich over mijn gezicht verspreidde. Langzamerhand verdween die van hem en zijn blik werd nors, onzeker. Ik zei geen woord, maar bleef glimlachen. Al die tijd had ik het overplaatsingsbevel in mijn hand. Ten slotte draaide ik hem de rug toe.
Het was nog steeds koud, maar mijn pelsjas beschermde me en ik zette een paar stappen. De sneeuw, slordig weggeveegd, was bevroren en glibberig. Op de hoek van de straat, vlak bij hotel Kavkaz, wachtte me een vreemd schouwspel: Duitse soldaten kwamen een gebouw uit met paspoppen in hun armen, die waren gekleed in napoleontische uniformen. Er waren huzaren bij met sjako’s op hun hoofd en met dolmans in klaproosrood, amandelgroen en lichtgeel, dragonders in het groen met purperrode paspels, soldaten van de keizerlijke garde in blauwe mantels met gouden knopen, Hannoveranen in het knalrood, een Kroatische, geheel in het wit geklede lansier met een rode wimpel. De soldaten zetten die paspoppen rechtop in met zeildoek afgedekte vrachtwagens, waarna ze door anderen met touwen werden vastgemaakt. Ik liep op de Feldwebel af die toezicht hield op deze operatie: ‘Wat gebeurt hier?’ Hij salueerde en zei: ‘Dit is het regionale museum, Herr Hauptsturmführer. De collectie wordt naar Duitsland geëvacueerd. Bevel van het okhg.’ Ik bleef nog even kijken en liep toen terug naar mijn auto, nog steeds met het overplaatsingsbevel in mijn hand. Finita la commedia.