10
Eva greep naar de whiskyfles en schonk het glas weer vol dat ze zo juist had leeggedronken. Ze waren nog geen kwartier geleden teruggekomen in het appartement dat de jonge vrouw de vorige dag weer op orde gebracht had en waren zonder tegen elkaar te spreken aan het drinken gegaan. Hubert had zich nog nooit zo ontmoedigd gevoeld. In zijn gevaarlijk beroep van geheim agent had hij dikwijls tegenslagen gehad, even ernstig als nu, maar dan was zijn natuurlijke strijdvaardigheid er alleen maar door aangewakkerd, en altijd was hij er dan in geslaagd de situatie in zijn voordeel te veranderen, al was dat soms pas op het laatste nippertje geweest. Dit keer had hij alles opgegeven. Zijn hersens werkten niet meer en hij voelde totaal geen lust om wraak te nemen. Het was hem zelfs niet mogelijk in te zien uit welke hoek het kwaad kwam, en dat zijn onderbewustzijn hem belette te handelen, alleen maar uit angst al te gemakkelijk al te veel feiten te ontdekken die even onaangenaam als verblindend waren. Eva zette hardhandig haar lege glas neer. Ze kon drinken als een tempelier, maar nu begon ze tekenen van dronkenschap te vertonen. Hubert keek haar met enige walging aan en verwonderde zich erover dat hij zich zo los van haar voelde. Ze kwam naar hem toe, enigszins wankelend, liet zich aan zijn voeten vallen en omarmde zijn benen.
— Mei, kermde ze, ik weet nu wel zeker dat ik van je houd. Hij antwoordde niet en voelde er ook niet de minste lust toe. Alles wat hij wilde was genoeg te drinken om te vergeten en in slaap te kunnen komen. Slapen___Vierentwintig uur slapen,
zonder wakker te worden. Eva bleef eentonig aan het klagen, en wreef met haar wang langs zijn knie.
-Ik ben een slechte meid, Mei. Alles is mijn schuld. Er zou niets gebeurd zijn als ik beter had kunnen rijden… Maar je weet hoe dat gaat, Mei, lieveling, je begint met een vinger en dan volgt de hele arm. De arm en de rest. Precies, de rest ook! Hubert, die er misselijk van werd, probeerde haar van zich af te duwen.
Ga naar bed. Ik vind dronken vrouwen vreselijk.
Ik ben helemaal niet dronken, Mei, antwoordde ze, terwijl ze zich aan hem vast klemde. Helemaal niet. Het komt door m’n geweten. Jij weet toch ook wat een geweten is! Of misschien is het de liefde … Grappig, liefde. Het kruipt zachtjes bij je omhoog … Je bent er helemaal niet op bedacht, en je gaat door alsof er niets aan de hand is. En dan, opeens, is het zover. Het zit hoog, tot in je keel, het overstroomt je en laat je stikken, en voor de rest is er niets meer dat belangrijk is. Niets meer …
Ze hief haar bleek gezichtje naar hem op, en hij kon de pathetische uitdrukking van haar onmetelijk grote ogen niet verdragen.
Ik houd van je, Mei. Ik houd waanzinnig veel van je, werkelijk, zoals ik nog nooit van iemand gehouden heb. En verder heb ik veel achting voor je, Mei.
Hou je mond nu maar, gromde hij. Je hebt te veel gedronken, je weet niet meer wat je zegt.
Ze leek nu erg bedroefd. Grote tranen kwamen vanuit de hoeken van haar oogleden te voorschijn.
Waarom behandel je me zo, Mei? Hij liefkoosde haar haar.
Ga nu naar bed, kindje.
Maar zij had een idéé fixe in haar hoofd en daar liet ze zich niet van afbrengen.
Ik heb heel veel achting voor je, Mei. En dit is de eerste maal
dat ik werkelijk achting voor een man heb. En daarom ga jij het spel winnen, Mei. Ik ben maar een gemene meid, maar ik wil in mijn leven toch éen keer iets goeds tot stand gebracht hebben. Maar dan moet je naar me luisteren, Mei… De bel van de voordeur ging over, en deed hen schrikken. Zij stond op, angstig. Hubert keek op zijn horloge: vijf minuten na middernacht.
Doe niet open, fluisterde de jonge vrouw.
Maar Hubert bedacht dat het wel een boodschap van Babcock kon zijn. Hij duwde Eva krachtig opzij en stond op. Ze klemde zich aan hem vast en belette hem te lopen.
Ga niet, Mei! Hij is het!
Loop naar de maan, antwoordde hij grof.
Hij maakte zich met een flinke ruk los en zij rolde op de grond, nog trachtend hem tegen te houden.
Mei, ga niet!
Hij was al in de gang. Bij de deur aangekomen vroeg hij: -Wie is daar?
Hij kreeg een Japans antwoord en deed open. Het was weer die eeuwige meneer Kimiko Yamanaka, in een gebloemde kimono.
Wat wilt u?
Hubert voelde dat Eva achter hem aan kwam. De Japanner boog zich wat opzij om tegen de jonge vrouw te kunnen praten. Deze vertaalde:
-Hij vraagt of ik hem een fles whisky wil lenen. Ze hebben niets meer te drinken …
Wat een vervelende knul, mopperde Hubert.
Hij ging wat opzij om de te veel eisende buurman door te laten, die hem uiterst onderdanig begroette alvorens Eva naar de keuken te volgen. Hij stond op het punt de deur weer dicht te doen toen hij plotseling zin kreeg even de frisse buitenlucht in te gaan. Hij kon de verstikkende atmosfeer van dat appartement niet langer verdragen noch het gezelschap van die vrouw die
stom-sentimenteel werd door de drank.
Hij ging naar buiten en trok de deur achter zich dicht. Twintig seconden later stond hij op straat. Er hing een lichte mist, die de lichten van de K-laan wat matter deed schijnen. Hij liep even verder en stond naast de Chevrolet. Toen kwam het idee bij hem op Tetsoeko op te gaan zoeken. Hij was haar nog een bezoekje schuldig, al was het maar om zijn verontschuldigingen aan te bieden. De sleutels van de auto zaten nog in zijn broekzak. Hij haalde ze te voorschijn en reed dadelijk weg.
In de Benibasja was het nog altijd even druk. Hubert bleef in de buurt van de garderobe staan om de grote zaal rond te kijken. Maar het heersende halfduister maakte het onmogelijk iemand op een afstand van tien meter te herkennen. Een ober kwam naderbij.
-Ik ga naar de bar. Zou je miss Tetsoeko daar heen willen sturen?
De man boog.
-Ik zal het proberen, meneer.
Hubert ging de bar binnen, die van de grote zaal was afgescheiden door een ring van zwarte bamboestaken die loodrecht in de grond geplant waren en doorliepen tot aan het plafond. Een stuk of zes ‘taxi-girls’, niet allemaal even mooi, stonden niet ver van de ingang bij elkaar, in afwachting van klanten. Hubert werd met belangstelling bekeken en een paar meisjes glimlachten hem toe.
Hij moest van zijn ellebogen gebruik maken om bij de bar te komen en bestelde een whisky. De frisse lucht en de korte rit hadden hem goed gedaan. Hij had zijn oude vorm nog niet terug, maar voelde zich toch weer fit.
Plotseling ontdekte hij Tetsoeko die zich een doorgang in zijn lichting baande en twee bamboestaken met haar handen opzij
boog om haar door te laten. Ze droeg een geelzijden japon, van Chinees model, die strak om haar lichaam sloot. -Slank zijn heeft zijn voordelen, merkte Hubert op toen ze naast hem was komen staan.
Goedenavond, kweelde ze. Hij nam haar handen in de zijne.
Ik vind het echt jammer van vrijdagavond, zei hij. Er kwam heel onverwachts iets tussen, en ik kon je niet eens opbellen.
Ja, men heeft het mij verteld, antwoordde ze lachend. Ik heb het heel goed begrepen en ik ben er niet boos om.
Maar toch was het niet netjes van me.
Nou, dan zijn we nu quitte, zei ze lachend.
Ze nam Hubert’s glas op en vervolgde, terwijl ze iets opzij ging:
Kom mee. We kunnen hier niet rustig praten.
Hij volgde haar naar de andere kant van de bar. Daar was nog een ijzeren tafeltje met twee stoelen vrij, vlak naast een enorm grote kachel. Ze gingen zitten.
Ze keek hem een tijdje lachend aan en tikte op zijn hand.
Erg spraakzaam bent u niet.
Ik heb moeilijkheden, erkende hij.
Bent u gekomen om me iets te vragen?
Ik had er vooral behoefte aan je te zien, bij je te zijn. Je bent erg lief, Tetsoeko, en ik houd veel van je.
Ik houd ook bijzonder veel van u, verklaarde ze.
Hij vond haar rustgevend, terwijl Eva hem in tegendeel afmatte. Ze vroeg hem:
Bent u nog altijd op zoek naar die goed geklede Japanner over wie u me die eerste avond sprak? … Ik denk wel dat ik u met hem in contact kan brengen.
Hubert verbleekte.
Wanneer?
Straks … of: nu.
Ze glimlachte. Hubert keek ongelovig:
Je houdt me voor de gek.
Nee, Mei. Laten we hier maar dadelijk vandaan gaan, als je wilt.
Hij begreep eindelijk dat ze in ernst sprak.
Geef me wat geld, zei ze. Ik moet het uur betalen, als ik vóór sluitingstijd wegga.
Hij nam een paar biljetten uit zijn portefeuille.
Dat is voldoende, dank je. Wacht maar op me bij de deur.
Ze liep weg. Hij riep een kelner, betaalde zijn vertering en ging de bar uit zonder zijn glas leeg te drinken. Hij voelde zich weer geheel de oude, hard en strijdvaardig, en vond dat hij al veel te veel gedronken had om een tegenstander te ontmoeten die volkomen nuchter was.
Lang liet ze hem niet wachten. Ze had een donkere mantel aangetrokken; ze nam zijn arm en ging met hem naar buiten.
Heb je je wagen? -Ja.
Hij is in de Monte-Carlo op de Ginza. We moeten voortmaken, want ik weet niet hoe laat ze daar sluiten.
Binnen tien minuten waren ze er. Nadat de Chevrolet geparkeerd was, nam Tetsoeko Hubert mee door de nauwe straatjes die langs de Ginza liggen en waar het vol is met cabarets en Amerikaanse bars.
Hubert’s aandacht werd zelfs niet afgeleid door de veelkleurige Japanse lettertekens van de talloze neonreclames. Zijn geest werd geheel en al in beslag genomen door het idee dat hij nu eindelijk kennis zou maken met die geheimzinnige, ongrijpbare goedgeklede Japanner.
Hij volgde Tetsoeko een tamelijk steile houten trap op. Boven ging een deur open, waardoor jazzmuziek hoorbaar werd. Een man, in donkere kleren gekleed, kwam hen begroeten. Tetsoeko gaf haar mantel aan de garderobe af, terwijl Hubert de smalle, lange zaal in keek. De bezoekers bestonden bijna geheel
uit Amerikaanse militairen, die omringd werden door animeer-meisjes die hun vak buitengewoon goed verstonden. Achterin zat evenwel éen enkele Japanner, en Hubert herkende hem. Het was inderdaad de man die hij enige avonden te voren had gevolgd tussen het station Asakoesa en het bordeel van de Yosjiwara. Een jonge vrouw, zwaar opgemaakt, bevond zich in zijn gezelschap.
Tetsoeko nam Hubert’s arm en voerde hem mee de zaal door. Hij volgde haar, verwonderd om deze ongewone manier van doen. Hij had zich voorgesteld dat ze de man zouden opwachten bij de uitgang, maar daar Tetsoeko er de voorkeur aan scheen te geven hem maar meteen aan te spreken, had hij eigenlijk geen reden haar tegen te houden.
Tetsoeko bleef voor de tafel van de Japanner staan, die inderdaad onberispelijk gekleed was, en zei, met een brede glimlach, in het Engels:
Dit is meneer Hirosji Kimoera… meneer Mei Davidson.
De Japanner stond op, boog heel diep, en fluisterde enkele woorden tot zijn metgezellin die zich discreet verwijderde; daarna verzocht hij Hubert plaats te nemen. Een wonderbaarlijke gang van zaken. Maar Hubert had nog wel andere dingen meegemaakt. Hij hielp Tetsoeko plaats te nemen, en ging daarna zelf zitten.
En, hoe gaat het, Tetsoeko? vroeg meneer Kimoera.
Er klonk vriendschap in zijn toon, daar kon je je niet in vergissen. Vriendschap en tevens een zekere mate van verstandhouding, zoals dat wel voorkomt tussen mensen die lang met elkaar samengewerkt hebben, en die gelegenheid hebben gehad elkaar wederzijds te leren waarderen.
-Heel goed, verzekerde de jonge vrouw hem. Werkelijk heel goed.
De Japanner keek Hubert oplettend aan.
Kolonel Kawaisji heeft verteld over uw gesprek met hem. Ik
had gehoopt u reeds eerder te kunnen ontmoeten. Hubert bevond zich in dezelfde situatie als de trapezewerker die de handen van zijn kameraad gemist heeft, maar bijtijds reageert. Hij viel in het net, veerde weer op en kwam op zijn voeten terecht.
Kolonel Kawaisji had me verzekerd dat hij u niet kende, gaf hij ten antwoord.
Het orkest maakte nu een hels lawaai, wat hen noodzaakte zich over de tafel naar elkaar toe te buigen om elkaar te kunnen verstaan. De Japanner schoot in de lach en stelde voor: -Willen we maar liever weggaan? Er is hier werkelijk al te veel lawaai.
Ze vertrokken, nadat Tetsoeko haar mantel uit de garderobe gehaald had. Ze stonden nu op straat.
Laten we wat lopen, stelde Hubert voor. Op straat heb je nog de minste last van lawaai.
Tetsoeko nam zijn arm, zodat hij in het midden kwam te lopen.
En wat wilde u weten? vroeg Kimoera. De kolonel heeft me gemachtigd op uw vragen te antwoorden.
Ik wil alles weten, hernam Hubert. Waarom en hoe u zich in verbinding gesteld hebt met Eva Davidson, en wat er daarna gebeurd is.
Ze sloegen nu de hoek van de Ginza-laan om en volgden de grote verkeersader die helder verlicht werd door de overvloed van neonreclames.
Dat is heel eenvoudig, antwoordde de Japanner. De kolonel had me verteld dat onze dienst haar ervan verdacht relaties te onderhouden met agenten van vreemde mogendheden. Om er zeker van te zijn wilde hij dat ik de provocateur ging spelen…
JDe kolonel had me opgedragen haar thuis te gaan opzoeken, haar te verzekeren dat ik op de hoogte was van haar geheim, en haar te vragen me voor geld de inlichtingen te verschaffen die ze me zou kunnen geven … Ik heb mijn orders uitgevoerd.
Ze heeft me niet buiten de deur gezet, zoals ik verwacht had. Ze heeft me gezegd dat ze niet goed begreep waar ik heen wilde, maar dat ze zou nadenken. Ik heb een week gewacht, en vervolgens heb ik haar vorige week maandag weer ontmoet. Toen heeft ze me een nieuwe ontmoeting voorgesteld op woensdagavond.
Hier hield hij even op, alsof hij een vraag van Hubert verwacht had; maar deze bleef zwijgen, in afwachting van de rest van het verhaal.
Ik moest geld meebrengen en dan zou ze me daarvoor in ruil inlichtingen verstrekken over het personee dat door de speciale Amerikaanse diensten in Japan gebruikt wordt. Ze is toen gekomen, en dat weet u evengoed als ik, maar ze vertelde me dat haar echtgenoot onverwachts overgekomen was om samen met haar zijn vakantie door te brengen, en dat ze daardoor niet in staat was iets voor me te doen. Daarop heb ik haar laten lopen. En u bent vervolgens achter mij aan gegaan … U weet wat er toen gebeurd is … Na uw zakken doorzocht te hebben, heb ik de kolonel rapport uitgebracht. Ik meende dat jullie allebei lid waren van een goed georganiseerde en goed uitgeruste spiona-gebende. Ik heb me dus vergist en het idee is zelfs niet bij me opgekomen dat jullie bij de c.i.a. konden behoren.
Hubert vroeg nog:
Weet u waaruit het geheim bestaat dat uw dienst beweert te kennen?
Nee. De kolonel heeft het me niet verteld. Dat moet u hem dus vragen.
Hubert nam zich voor dat te doen. De zaak werd hoe langer hoe onduidelijker en het was al bewezen dat Eva hen voorgelogen had. Maar: in hoeverre en met welk doel?
Bent u het geweest die vrijdagmiddag weer bij haar gekomen is om haar dat vrijgeleide te vragen en een ontmoeting met haar af te spreken voor gisteravond?
De Japanner bleef staan. Er liepen voorbijgangers tegen hem aan, maar hij scheen het niet te merken.
-Welk vrijgeleide? Welke ontmoeting? Ik heb geen contact meer met die vrouw gehad sinds woensdagavond. Hubert had de indruk op drijfzand te lopen. Hij was bezig erin weg te zakken.
En … spreekt u de waarheid?
Tetsoeko kneep hem in zijn arm en hij verbeterde zich snel. De openhartigheid van meneer Kimoera leek hem aan geen twijfel onderhevig, maar binnen in hem was iets bezig te scheuren: het gordijn dat tot dusver de ware betekenis der gebeurtenissen voor hem verborgen had gehouden.
-Neem me niet kwalijk, meneer Kimoera, maar dat wilde ik niet zeggen.
Ze liepen weer door. Hubert probeerde orde in zijn gedachten te scheppen en dat was niet makkelijk. Er stond een draaimolen in zijn hersens te draaien.
Nu weet u alles wat ikzelf weet en dat is alles wat ik u kan zeggen, hernam de Japanner. U dacht dat ik er meer vanaf wist, is het niet? En nu bent u wat teleurgesteld.
-Ja, antwoordde Hubert werktuiglijk, ik dacht dat u meer wist.
De mooie Tetsoeko drukte zich tegen hem aan, als om hem steun te geven.
Kolonel Kawaisji zal u morgenochtend volledig inlichten. Hij is bereid u te ontvangen wanneer u maar wilt.
Hubert stond stil. De anderen eveneens.
Eén enkele vraag nog, meneer Kimoera. Hoe wist u dat Eva Davidson een draagbaar radiozendertje bij zich had?
-Dat vermoedde ik toen ik het ontvangtoestel in uw zakken vond.
Star voor zich uitziend, hernam Hubert nog:
Kunt u me uw woord van eer geven en bij de schimmen van
uw voorvaderen zweren dat u de broche-microfoon niet van haar blouse hebt afgerukt toen het gesprek een aanvang nam? Meneer Hirosji Kimoera viel zichtbaar uit de wolken naar beneden.
- Als dat gebeurd was, zou ik het u zeggen, maar… Hubert hoefde niet meer te weten, hij rende al op de Chevrolet af, zonder verder naar zijn metgezellen om te kijken.