3
Hubert ontdekte het station, toen hij bij het metro-eindpunt aankwam en schrok. Niemand had hem verteld dat er aan de uitgang van de metro een station was. Hij moest nu terdege rekening houden met dit nieuwe feit, want de goedgeklede Japanner die Eva zou ontmoeten, zou haar heel goed kunnen noodzaken de trein te nemen, om haar naar een van de voorsteden te brengen.
Hij zag aan de overzijde van het kruispunt een plaatsje vrij om te parkeren en wenste zich zelf geluk. Hij liet de Buick een halve cirkel maken en parkeerde hem juist op de hoek van de straat zonder naam die van het plein doorliep tot de Azoema-brug. Een uitstekende uitkijkpost. Van hieruit kon hij de ingang van het station en tegelijkertijd de uitgang van de metro in het oog houden. Het enige bezwaar was dat hij de aandacht zou kunnen trekken.
Waarom had Eva hem niets over dit station verteld? Was ze er zelf niet van op de hoogte? Het zou zo eenvoudig geweest zijn nog een aantal kuchjes meer te bedenken voor dat geval. Hij stopte het oorstukje weer in zijn rechteroor en draaide het knopje van zijn ontvanger die hij gedurende de rit had afgezet om. Daarna spreidde hij de Asahi Evening News voor zich uit en begon de laatste berichten te lezen. Hij hoefde de uitgang van de metro niet in het oog te houden: hij zou immers door het geluid van stemmen en voetstappen op de trap gewaarschuwd worden via de zender die de jonge vrouw bij zich droeg.
Niets van wat hij las drong tot hem door. Hij dacht na over de
zaak. Hij kon niet nalaten er steeds aan te denken. De onbekende tegenstander had een klassiek middel te baat genomen: chantage en tamelijk onbeduidende eisen in het begin, om het slachtoffer niet tot wanhoop te brengen. Daarna, steeds toenemende eisen waarin het slachtoffer zich dan vastwerkt. Maar voortdurend enige tussenruimte tussen de opdrachten. Al te veel eisen opeens zouden het slachtoffer ten slotte in opstand kunnen brengen …
In dit geval was de fout die begaan werd een te grote wanverhouding, tenminste naar het oordeel van het slachtoffer, tussen de tweede opdracht en de derde. Gevolg: een breuk. Het ging hier dus wel om een klassieke zaak, maar toch een die tact vereiste, want al had de tegenpartij dan in psychologische zin een fout begaan, hij was beslist geen beginneling. En bovendien moest die ‘goedgeklede Japanner’ de hele organisatie waarvoor hij werkte achter zich hebben. Terwijl Hubert maar alleen voor het werk stond. Absoluut alleen.
Henry Babcock had terstond begrepen welk voordeel de diensten die door hem geleid werden van het aanbod van Hubert om de zaak in handen te nemen konden hebben. Het spionagenet dat Eva Davidson als inlichtingenbron had uitgekozen, trachtte informaties te bemachtigen over de organisatie en het personeel van de c.i.a. in Japan. Daarvoor konden slechts twee redenen bestaan: óf dat onbekende net was van plan de Amerikaanse dienst te penetreren door zijn agenten daartoe de mogelijkheid te verschaffen, óf het bereidde een ‘vergiftigings’-campagne voor, dat wil zeggen dat het naar middelen zocht om de c.i.a. valse gegevens in handen te spelen over een bepaald onderwerp en met een zeer bepaald doel. In ieder geval werden de dienst-onderdelen van Babcock bedreigd en deze laatste had er alle belang bij een direct contact te vermijden. De verschijning van Hubert, die pas enkele uren
tevoren in Japan was aangekomen en die geen werkelijke relaties had met de collega’s die in de regel in het land van de rijzende zon werkten, was een ware uitkomst. Henry Babcock had dus zeer snel een beslissing genomen en had de samenloop van omstandigheden dat alleen Hubert met de zaak in aanraking zou komen, zonder plaatselijke hulp, tot het maximum uitgebuit. Een goede ‘dekking’ in de vorm van volkomen ‘echte’ papieren ten name van Melwyn Davidson, en een voorschot van duizend dollar voor zijn onkosten, was alles wat Hubert had weten te krijgen.
Zeker, hij had zich terug kunnen trekken. Maar aangelokt door het vooruitzicht, zou Henry Babcock waarschijnlijk per radio aan Washington machtiging hebben gevraagd hem voor deze zaak in te zetten. Daarom had Hubert maar geaccepteerd. Maar hij wilde zich zelf nog niet bekennen dat een zekere fascinerende oogopslag ook meegeholpen had. Hij begon zich reeds af te vragen of hij niet te laat gekomen was, en of de jonge vrouw al niet in gevecht was met de tegenpartij, buiten bereik van zijn ontvangtoestel, toen een onbestemd geluid uit dit toestel hem geruststelde. Het geluid werd snel duidelijker. Hij hoorde stemmen, Japanse stemmen, voetstappen, gelach. Hij stelde de autospiegel zo, dat hij de metro-uitgang in het oog kon houden zonder genoodzaakt te zijn zijn hoofd te verdraaien. De plek was slecht verlicht, maar Hubert zag niettemin mensen de trap op komen. Sommigen gingen het station binnen, anderen verspreidden zich naar alle richtingen; twee mannen liepen naar het gebouwtje aan de kade van de rivier die zelf echter onzichtbaar was. Een alleen lopende vrouw ging de brug over. Wat deed Eva? Eindelijk kwam ze te voorschijn. Hij herkende haar elegante figuur en haar witte mantel. Het speet hem dat hij haar niet had aangeraden een minder opvallend kledingstuk aan te doen, maar dat was ten slotte niet van zo heel veel belang omdat ze zich niet behoefde te verbergen. Hij zag haar de R-laan inslaan en aan de andere kant van het station verdwijnen. Hij besloot nog even te wachten, alvorens haar te volgen. Als er waarnemers in de buurt van het plein waren, dan zouden die vooral letten op de bewegingen, die hij zou maken zodra de jonge vrouw verdwenen was; want ze zouden natuurlijk alleen maar verdacht zijn op zichtbare beschermingsmaatregelen.
Hij hoorde nu Eva’s stappen. En ook haar korte, snelle ademhaling. De ademhaling van een angstige vrouw. Hij telde automatisch haar stappen. Bij tweehonderd stapte hij zo natuurlijk mogelijk uit de Buick en verdween in de laan die langs de linkerkant van het station liep en die een V vormde met de R-laan. Hij wist dat er iets verderop een zijstraatje rechts was dat hem weer op de goede weg zou brengen. Hij kwam voorbij een patsjinkos-zaal, en het lawaai van de gokautomaten overstemde een ogenblik het geluid van zijn ontvangertje. Daarna werd hij aangesproken door een jonge Japanner die hem weinig eerbare voorstellen deed. Hij stuurde hem met een kluitje in het riet. De jongen glimlachte, maar drong niet verder aan en verwijderde zich.
Even verder stak hij de weg over en werd bijna omver gereden door een Renault-taxi, waarvan hij de snelheid had onderschat. Hij sloeg nu rechtsaf, het kleine straatje door dat praktisch geheel verlaten lag en dat weer op de R-laan uitkwam. Er hing een lichte mist en het was tamelijk fris, ofschoon de eerste week van april al voorbij was en iedereen met ongeduld op de bloei van de beroemde kersebomen wachtte. Tik, tik, tik… Eva Davidson liep met gelijkmatige stappen verder, langzaam, berustend, als een dier dat onderweg is naar het abattoir. Hubert drukte instinctief zijn arm tegen zijn lichaam, als om zich ervan te vergewissen dat zijn wapen zich als steeds onder zijn linker oksel bevond. Maar ditmaal was het plekje
leeg. Hij was met opzet met lege handen van huis gegaan. Hij was voldoende geoefend in alle technieken van het straatgevecht, en was alleen maar bang voor vuurwapenen die vanaf een zekere afstand afgeschoten werden. En bovendien werden er in Tokio dikwijls razzia’s gehouden en de Amerikaanse m.p.’s waren steeds op zoek naar deserteurs. Dus: wie onaangenaamheden wilde vermijden, deed er beter aan ongewapend uit wandelen te gaan.
Hij bereikte nu de R-laan en sloeg linksaf. Langs de oever van de rivier, aan de overkant van de rijweg, lagen tuinen. Hij kwam een vrouw in kimono tegen, wier houten schoenen luid op het trottoir klakten. Maar geen witte figuur voor hem uit, ofschoon de radio-ontvangst goed was. Eva Davidson was dus niet verder dan tweehonderdvijftig meter voor hem uit. Een-of tweemaal stond hij op donkere schaduwplekken stil om achter zich te kijken. Hij moest niets onopgemerkt laten. In dit vervloekte bedrijf waren de verrassingen zelden van aangename aard…
Hij liep nu wat steviger door, om de afstand te verminderen, toen het geluid van de stappen van de jonge vrouw eensklaps verdween. Hij hield zijn adem in. Twee seconden later klonk er een stem door de telefoon. Een mannenstem, Japans sprekend. Hij hoorde nog hoe Eva Davidson antwoordde, eveneens in het Japans…
Toen, opeens: niets meer. Volledige stilte. Hij stond stil om beter te kunnen luisteren, maar vergeefs, er werd niets meer uitgezonden. Hij schudde wat aan het apparaat, controleerde het contact. Zonder resultaat.
De verbinding was verbroken en dat kon maar éen ding betekenen. Met angstige voorgevoelens begon hij te hollen. Lang holde hij niet. Een brede wegkruising lag voor hem. Moest hij nu linksaf gaan, of rechtdoor, of misschien de rivier oversteken? Hij aarzelde. Een kleine, dik gegeten Japanner
kwam naderbij en boog bij wijze van groet.
Een lekker, mooi meisje, meneer? (in het Engels).
Loop naar de hel! gromde Hubert.
In zijn wiek geschoten door die echt-westerse ruwheid, groette de Japanner waardig en draaide zich op zijn hielen om. Tegelijkertijd ontwaarde Hubert een witte figuur die zich aan de overzijde van het kruispunt voortbewoog, langs de tuinen die aan de rivier lagen. Hij haalde diep adem en stak met normale pas over. Hij had al zijn koelbloedigheid en hardheid opeens weer terug.
Aan de overzijde aangekomen, merkte hij dat de jonge vrouw niet alleen was. Een lange slanke man, in donkere kleren, was bij haar. Ze stonden stil en leken met elkaar te praten. Hubert vervolgde zijn weg door de R-laan die daar van de rivier afboog. Aangezien ze in het gespreksstadium waren, zouden die twee nu wel spoedig uit elkaar gaan. En de Japanner zou logischerwijs geen enkele reden hebben zich door het kleine, onaanzienlijke straatje te verwijderen dat verder langs de rivier liep.
Er was een tramhalte die op een uitstekend punt geplaatst was. Daar posteerde Hubert zich, in de hoop dat de eerstvolgende tram niet al te vlug zou komen. Het tweetal, dat in de schaduw van de bomen stond te praten, op vijftig meter afstand, was nog steeds zichtbaar. Eva Davidson sprak met een zekere levendigheid. De ander scheen niet makkelijk te overtuigen … Plotseling gingen ze uit elkaar. Eva Davidson liep terug, stak het kruispunt over en zette haar wandeling voort door de R-laan, waarschijnlijk met de bedoeling de metro weer te nemen aan het eindpunt Asakoesa. De man bleef nog even staan, en keek haar na. Daarna stak hij de rijweg over, liep Hubert op tien meter afstand voorbij, schijnbaar zonder hem op te merken en verdween om de hoek van de straat die de laan kruiste, zijn rug naar de rivier gekeerd.
Hubert wachtte vrij lang alvorens het spoor te volgen. Het kruispunt lag thans verlaten. Het bood nu een trieste aanblik, melancholiek, in die nevel die een lichtkrans om de lantaarns vormde en het plaveisel vochtig maakte.
De Japanner liep met vlotte, regelmatige pas door, zeer militair, het hoofd omhoog, de schouders achteruit. Het zou wel een oud-officier zijn. Hubert stak de straat over, het volgen van het spoor leek hem vanaf de andere zijde van de straat gemakkelijker en minder gevaarlijk.
Wat was er gebeurd? Waarom was de radioverbinding verbroken, juist op het meest interessante moment? Hij zou het pas te weten komen zodra hij Eva ondervraagd had, of het zendertje in de bustehouder had geïnspecteerd. Hij had zich al dikwijls van andere types draagbare zendertjes bediend, maar dit exemplaar gebruikte hij voor de eerste maal. Zou alleen de beweging die door de ademhaling veroorzaakt werd, voldoende geweest zijn om het contact te verbreken?
Ze liepen nu al een hele tijd door deze buitenwijk van Tokio, die trouwens leek op elke buitenwijk van onverschillig welke hoofdstad ter wereld… Lage huizen, somber en treurig, vuile straten, onvoldoende verlichting, ellende en kroegen. De Japanner liep voort zonder ook maar éen enkele keer om te kijken, als een doodgewone wandelaar. Na een kwartiertje ging hij een kleine, Amerikaans aandoende, bar binnen. Hubert hield zijn pas in en liep langzaam voorbij terwijl hij door het brede raam, dat in een dikke houten sponning gevat was en voorzien was van een symbolisch gordijn, naar binnen keek. Een surrealistisch interieur, zwart, rood en groen. ‘Intieme’ verlichting en drie dienstertjes in kimono achter de eindeloos lange bar. De enige bezoeker, de Japanner, dronk een biertje, terwijl hij luisterde of niet luisterde naar het geklets van zijn landgenoten.
Hubert verschool zich een beetje verderop in de schaduw van
een poortje. De tijd ging voorbij en hij begon zich af te vragen of de ander, nadat hij hem misschien opgemerkt had, hem wat voor de mal zat te houden, bij wijze van tijdverdrijf. Eindelijk kwam de Japanner naar buiten. Hij was tien minuten binnen gebleven. Hubert gaf hem een kleine voorsprong, alvorens hij de achtervolging voortzette.
Er was iets meer dan een half uur verlopen sinds hij het kruispunt had verlaten, vanwaar Eva de terugtocht had aangevangen, toen Hubert tot zijn verbazing de ingang van het beroemde Yosjiwara herkende. Wat ging die Japanner in die speciale wijk van Tokio doen, die wijk, die gedoemd was te verdwijnen sinds er kort geleden een speciale wet tegen de prostitutie was aangenomen? Hadden die vijf minuten die hij met Eva in gesprek geweest was de lust bij hem doen ontwaken? In ieder geval had hij de tijd genomen er lopend heen te gaan … De ander volgend, ging Hubert de grens van de vermaakswijk over. Onmiddellijk streek een zwerm klanten-aanbrengers bij hem neer, als vliegen op een honingpot. Hij bedacht dat een van die lui hem misschien als alibi zou kunnen dienen en wees er op goed geluk een aan.
- Ik wil eerst eens rondkijken, legde hij uit. Ga met me mee. Trots wierp de jonge vent een verachtelijke blik op zijn collega’s en volgde Hubert als een schaduw, terwijl hij onderwijl inlichtingen over hem uitstortte in een gelispeld Engels, versierd met Amerikaanse platheden die een bijzondere klank in die oosterse mond kregen.
De Japanner had zijn pas vertraagd. De sombere straten, ongeplaveid en van vastgestampte aarde, werden aan weerszijden begrensd door lage, typisch Japanse huisjes, van hout en soms van geolied papier.
Heel mooie meisjes, in ruime kimono’s gekleed, stonden in de openingen van de deuren, verlicht door veelkleurige papieren lampions, blauw, rood, geel, groen, die het geheel een onwezen—
lijk aanzien gaven, als van levende beelden. Hubert dacht dat hij nog nergens in de wereld een vermaakswijk gezien had die een dergelijke indruk gaf. De meisjes zelf gedroegen zich bijzonder waardig; hun uitnodigingen aan de voorbijgangers gingen nooit verder dan een lieftallige glimlach en het knipperen met de oogleden.
De Japanner ging een groot ‘etablissement’ binnen, dat op de hoek van een straatje lag waar twee personen moeilijk rechtop tegelijk door konden lopen. Hubert liep verder, nog altijd begeleid door zijn gids met het nimmer aflatend spraakvermogen, kwam daarna op zijn stappen terug en besloot het huis binnen te gaan, waarin de ander verdwenen was. De jonge gids sputterde tegen. Hij wist in dit genre heel wat betere gelegenheden, met prima personeel en tegen prijzen die alle concurrentie sloegen. Hubert begreep wel dat de jongen uitsluitend voor een ander ‘etablissement’ werkte en regelde de aangelegenheid met twee biljetten van honderd yen. De klanten-aanbrenger glimlachte, vouwde zijn handen samen, boog en dankte uitvoerig. Hubert ging het huis binnen. Een dame van middelbare leeftijd, in gezelschap van een jonge zeer beminnelijke man, kwam hem tegemoet. Ze verzocht hem zijn schoenen uit te trekken en gaf hem sloffen. Daarna begeleidde de man hem naar een klein vierkant kamertje dat verwarmd werd door een kolenvuurtje. Als enig meubilair de traditionele mat waarop ze neerhurkten. Als goede judoka wist Hubert hoe en welke houding aan te nemen. De man opende het gesprek door over het weer te praten, over de kersebomen die weldra zouden gaan bloeien. Toen verscheen de dame weer die thee bracht en vervolgens weer verdween. Wat later kwamen twee meisjes in kimono binnen. Ze bogen, spraken lange begroetingsformules uit en lachten Hubert toe. Ze kenden een paar woorden Engels, maar de conversatie verflauwde al spoedig. Hubert scheen zich niet bijzonder voor de twee te interesseren; ze trokken zich weldra terug, hun aftocht begeleidend met een hele serie glimlachjes en buigingen. Twee andere meisjes kwamen vervolgens op en dit herhaalde zich tot vier keer toe. Ten slotte besloot Hubert te zeggen:
Ik zou hier een vriend ontmoeten. Een van uw landgenoten. Groot, slank, zeer goed gekleed … Is die misschien eerder binnengekomen dan ik?
Even een stilte. De man keek de twee meisjes aan die glimlachten en er waarschijnlijk niets van begrepen hadden. Ze stonden op en gingen weg onder het gewone ceremonieel. Weer stilzwijgen.
De man dronk een paar slokjes groene thee; daarna richtte hij zijn scheef staande ogen op Hubert.
Hoe heet uw vriend?
Hubert glimlachte een beetje verlegen.
Dat weet ik juist helemaal niet. We hebben elkaar vanmiddag bij gemeenschappelijke kennissen ontmoet. En toen heeft hij hier met me afgesproken.
De man stond nu op.
Wilt u me maar volgen? stelde hij voor.
Hubert stond op en ging hem achterna. Ze liepen een gang door, aan weerszijden afgescheiden door rolschermen. Aan het eind een deur die de Japanner opendeed. -Hier heen.
Hubert ontwaarde een tuin en wat verder op een ander huis. Het was er donker. Hij liep achteruit, erop bedacht de Japanner niet zijn rug toe te keren, maar de aanval kwam van een andere kant. Een slag tegen zijn keelslagader. Hij had zelfs de tijd niet te begrijpen, wat hem overkwam en verloor het bewustzijn.