11

James Kennedy deed de deur open en liet Hubert voorgaan. Henry Babcock zat achter zijn bureau; zijn gezicht stond stuurs. Kennedy leek ook in een slecht humeur. Hubert bedacht dat het zaterdag was en dat beide mannen kwaad waren omdat hun weekend nu bedorven was.

Goedemorgen, zei hij, en installeerde zich in een van de fauteuils.

Babcock antwoordde met een onduidelijk gebrom.

Ik vind het werkelijk vervelend dat ik jullie vanmorgen naar kantoor heb moeten laten komen, ging Hubert verder, maar de toestand ontwikkelt zich snel en…

Kennedy viel hem in de rede:

-Dan is het zeker door die snelle ontwikkeling dat je gisteravond niet naar die afspraak bent gegaan die onze Japanse vrienden hadden voorbereid? De klap trof doel. Hubert had hem niet verwacht.

Hebben ze opgebeld?

Ja, vervolgde Babcock. Kolonel Kawaisji heeft je slordigheid hoog opgenomen…

-Ik heb zijn eigen dienst evenveel te verwijten, antwoordde Hubert, die er een hekel aan had zich in het defensief te bevinden. Die man heeft me erg vervelend ontvangen. Helemaal niet van plan met ons samen te werken… (Hij aapte hem na.) ‘Vanavond hebt u een afspraak met miss Tetsoeko … Nou, dat komt goed uit… In de tussentijd heb ik dan met de ‘Grote Baas’ gesproken en miss Tetsoeko zal u dan vanavond zeggen wat we besloten hebben. We weten niets, we tasten volkomen

in den blinde.’ Kortom, hij heeft me een kwartier lang voor de mal zitten houden…

Je dacht dat hij je voor de gek hield, viel Babcock hem in de rede, maar dat komt omdat je hen niet kent. Als je zoals ik zoveel met hen te doen hebt gehad, dan trek je je van zulke dingen niets meer aan… Ikzelf heb de indruk gekregen dat ze juist geheel en al bereid waren met ons samen te werken. Hubert haalde zijn schouders op, een sarcastische glimlach om zijn lippen.

Omdat hij erachter is gekomen dat zijn voorstelling geen indruk op me maakte, en dat we hem niet zo erg nodig hadden als hij eerst gedacht had.

Laten we dat dan maar aannemen, zei Babcock. En wat denk je te doen om het weer goed te maken?

Niets.

Kennedy schoof onrustig op zijn stoel heen en weer. Babcock fronste zijn wenkbrauwen en bracht zijn rechterhand naar zijn hoofd om zijn geplakte haar glad te strijken. De scherpe blik van zijn kleine bruine ogen bleef op Hubert gevestigd.

Hoe dat? vroeg hij verwonderd.

Volkomen op zijn gemak, verklaarde Hubert zich nader:

Kawaisji had misschien heel goede redenen om me te behandelen zoals hij deed. Welke weet ik niet en ik wil ze ook niet weten. Ik ben bereid over enkele dagen een kop thee met hem te drinken, wanneer hij maar wil. Op het ogenblik hebben we andere dingen te doen die meer haast hebben.

Kennedy vroeg plotseling, zonder enig verband:

En hoe is het met jou en Eva? Geen huiselijke ruzietjes? Nog altijd volkomen wederzijds begrip?

Hubert draaide zich langzaam naar hem om. Hij was woedend.

Als je soms leuk wilt zijn, begon hij… Maar Babcock viel hem snel in de rede:

Kom, maken jullie nou geen ruzie. Kennedy is een onverbe—

terlijke grapjas; je moet je niets aantrekken van wat hij zegt.

Misschien heeft hij wel goeie redenen om het zich wél aan te trekken, hield Kennedy vol.

Hubert stond zonder haast op.

Ik ga je door het raam naar beneden gooien, waarschuwde hij. Zijn stem was kalm, zijn blik vast en zonder uitdrukking, zijn ademhaling kort. Hij liep op Kennedy toe, die er zich nog geen rekenschap van gaf welk gevaar hij liep. Maar met een voor zo’n zwaar lichaam ontstellende vlugheid stond Babcock al tussen hen in.

Nou alsjeblieft, riep hij, terwijl hij Hubert de weg versperde. Niet hier, hè! Als jullie iets met elkaar af te rekenen hebben, ga dan naar het gymnastieklokaal en trek jullie handschoenen aan.

Een uitstekend idee, vond Hubert. Die vent ergert me … Kennedy stond op. Hij was bleek, maar probeerde zich een houding te geven.

Als ik je dan zo erger, ga ik maar liever. Heel eenvoudig…

Goeie reis! riep Hubert nog.

Babcock deed zijn mond open om zijn assistent tegen te houden, maar bedacht zich. Hij moest begrepen hebben dat er geen ernstig overleg mogelijk was als die twee mannen er allebei bij tegenwoordig waren.

Toen Kennedy weg was, ontspande Hubert zich en glimlachte.

Neem me niet kwalijk, Babcock, maar hij zoekt me … Goed, laten we daar niet meer over praten.

Zeg me nou maar liever waarom je me wilde spreken… Hubert wachtte even, als een toneelspeler die effect wil maken: -Die goedgeklede Japanner heeft opnieuw van zich laten horen. En ik geloof dat we hem deze keer te pakken zullen krijgen.

Babcock was weer op zijn plaats gaan zitten. Hij stak een sigaret op.

Ik luister.

Hubert vertelde wat Eva Davidson hem verteld had toen hij van zijn bezoek aan kolonel Kawaisji thuisgekomen was. Babcock maakte al luisterend enkele notities.

En nu, besloot Hubert, zou ik willen voorstellen dat we hem dat vrijgeleide geven. We laten hem binnen op die basis, en we pikken hem bij de uitgang op. Dan hebben we hem op heterdaad betrapt.

Babcock scheen niet erg enthousiast over het plan.

Het is inderdaad heel eenvoudig en erg verleidelijk… in theorie, gaf hij toe. Maar ik ben bang dat we in de praktijk voor verrassingen zullen komen te staan …

Hubert trok zijn rechterwenkbrauw op, en sperde zijn neusgaten open.

Als we enkele eenvoudige voorzorgsmaatregelen nemen, antwoordde hij, zie ik niet in wat voor verrassingen zich zouden kunnen voordoen. Natuurlijk moet dat vrijgeleide zodanig gesteld zijn dat het gebruik ervan noodzakelijkerwijs beperkt is tot vlootbasis Nr. 5. Verder, aangezien de vent geen enkele eis gesteld heeft betreffende de geldigheidsduur, kunnen we die beperken tot één dag; morgen bij voorbeeld Babcock bleef een ogenblik zwijgen en vestigde zijn blik op Hubert.

Wat me hindert in deze geschiedenis is, dat er werkelijk geen enkel geheim te ontdekken is op vlootbasis nr. 5.

Hubert fronste zijn wenkbrauwen. Geen enkel geheim… Maar hij vond snel een verklaring.

Misschien denkt de vent van wel. Je weet hoe dat toegaat in dit vervloekte vak. Je krijgt meer verkeerde tips dan goeie …

Zeer zeker. Maar tóch vind ik het vreemd … Tot dusver is die man heel slim te werk gegaan en nu neemt hij het risico een grote slag te willen slaan, uitgaande van een tip die op niets kan berusten.

Hij doofde zijn sigaret in een porseleinen asbakje en stak meteen een nieuwe op. Zijn gezicht stond zorgelijk.

Luister nu even goed naar me, kerel, en denk even na voor je me antwoordt. We hebben nu zaterdagmorgen. Sedert woensdagavond woon je bij Eva Davidson. Geloof je nou zelf niet dat er aan die kant iets niet klopt?

Hubert hield zijn adem in. Wat Eva betrof was zijn geweten niet helemaal zuiver.

Ik begrijp niet erg goed…

-Ik zal proberen me iets duidelijker uit te drukken, hernam Babcock. Heb je geen enkel moment de indruk gehad dat Eva een dubbel spelletje speelde? Is er nu werkelijk niets, maar dan ook werkelijk niets, waardoor je kunt vermoeden dat ze ons voor de mal houdt?

Hubert bleef rustig ademhalen. Hij was eerder verbijsterd dan woedend.

Ja, haar gedrag kan nu en dan wat vreemd schijnen … Maar we moeten niet vergeten dat het een vrouw is, met alles wat dat inhoudt: coquetterie, slecht gekozen gevoeligheden, onvoorziene nukken en gebrek aan logica… Bovendien zit ze in een gevaarlijk avontuur, zonder enige voorbereiding. Ik wil niets voor je verbergen, maar ze is doodsbang en haar reacties tegenover de gebeurtenissen moet je werkelijk zien en verklaren, rekening houdend met dat alles …

Is ze je maîtresse?

Hubert had die vraag wel verwacht. Maar om heel veel redenen wilde hij dit niet bekennen. -Nee.

Even stilte. Babcock keek naar beneden. Hij schraapte zijn keel.

Ben je verliefd op haar?

Nu was het de beurt van Hubert om zijn keel te schrapen.

Ze is héél erg verleidelijk, erkende hij, maar verliefd ben ik niet op haar.

Hij wist dat hij loog. Het was nu twintig jaar geleden sinds hij het zo van een vrouw te pakken had gehad. Babcoclc trommelde wat met zijn vingers op zijn bureau en zei toen luchtigjes:

Ik had San Francisco om een rapport gevraagd. Het is vanmorgen aangekomen. Eva Davidson heeft ons voorgelogen. Verbijsterd, kon Hubert alleen maar herhalen:

Voorgelogen?

Ja kerel. Eva Davidson heeft ons voorgelogen. Die stichtelijke geschiedenis over haar huwelijk, die trouwe liefde die ze voor haar echtgenoot koestert: alles gelogen. En de waarheid staat hier…

Hij trok een la van zijn bureau open en nam er een rapport uit dat hij voor zich neerlegde.

Ze is op een zaterdagavond met Mei Davidson in Las Vegas getrouwd, in een van die ‘wedding chapels’ waar ieder paartje binnen het uur kan trouwen, en waar de priester zelf voor alle formaliteiten zorgt. Ik hoef je wel niet te vertellen dat ze allebei rijkelijk van de whisky genoten hadden en dat ze de volgende morgen erg verbaasd waren te constateren dat ze getrouwd waren. Dat werd een trieste zondag, vooral voor Mei Davidson die tot een zeer gefortuneerde familie behoort en die eenvoudig gevaar liep onterfd te worden ten gevolge van deze misstap. Aangezien Eva niets wilde horen van een echtscheiding, werd er een overeenkomst in der minne gesloten, waarbij de partijen uit elkaar gingen. Voor de jonge vrouw werd een betrekking in Japan gevonden, zo ver mogelijk, en ze krijgt een maandelijkse toelage van de familie Davidson. Snap je de situatie?

Hubert voelde zich opgelucht. Hij had erger verwacht.

En is dat alles? vroeg hij. Babcock viel uit:

Is dat niet voldoende? Herinner je even: het ongelukkige getrouwde vrouwtje dat liever wilde sterven dan dat haar aanbeden echtgenoot te weten zou komen dat zij hem met een onbekende had bedrogen, op een zaterdagavond toen ze haar treurige stemming zo onvoorzichtig met alcohol had trachten te verdrijven. Volg je het? De herinnering aan vroeger! Ze was met hem getrouwd op een zaterdagavond, flink dronken, en ze had hem bedrogen ook op een zaterdagavond, en ook in dronkenschap. Hun mooiste herinnering dus verwoest! De arme kerel, hij zou zich uit wanhoop van kant gemaakt hebben. Hubert kon niet nalaten even te glimlachen. -Je bekijkt dat door de verkeerde kant van de verrekijker, Babcock. Eva Davidson was helemaal niet verplicht ons op de hoogte te brengen van haar hartsgeheimen. En de nieuwe situatie zoals die zich thans voordoet, verandert niets aan de chantage waarvan ze het slachtoffer is geworden. Ik bedoel: Als ik het goed begrijp zou Mei Davidson, de echte, van harte bereid zijn te scheiden. Maar Eva wil niet. Je moet inzien dat Mei Davidson met die fameuze foto’s in handen niet de minste moeite zou hebben een scheidingsvonnis te zijnen gunste te verkrijgen. En Eva zou tegelijkertijd een bron van inkomsten verliezen die niet te versmaden zal zijn.

Vijfhonderd dollar per maand.Nou, je ziet dus! Ze is dus niet uit gevoelsoverwegingen voor die chantage gezwicht, maar uit materiële overwegingen. Ik geef toe dat het misschien niet erg fraai is, maar het is menselijk. En je moet tot haar eer zeggen dat ze de eerlijke weg gekozen heeft toen haar geweten in opstand kwam. Ik wil wedden om al wat je wilt dat ze tot het uiterste gegaan zou zijn en schaamteloos alle geheimen van de Verenigde Staten uitgeleverd zou hebben indien er liefde in het spel was geweest… Babcock gaf toe:

Je hebt ongetwijfeld gelijk. Wat niet wegneemt dat je op je hoede moet blijven met haar. Die vrouw heeft een verleidingskracht die werkelijk uitzonderlijk is. Het is een sirene.

Ik ben altijd op m’n hoede, antwoordde Hubert.

Maar zijn stem klonk weinig overtuigd. Hij voegde eraan toe:

En die Mei Davidson lijkt me erg moeilijk te voldoen, of het is een marionet in handen van z’n familie.

Ik heb nog vergeten te vertellen dat Eva op moreel gebied niet helemaal van onbesproken gedrag is. Ze is gewikkeld geweest in een paar schandalen die nog al de aandacht hebben getrokken.

Hubert vroeg verbaasd, trachtend de verlegenheid die al die openbaringen in hem te weeg brachten te onderdrukken: -Maar hoe heeft ze dan die aanstelling bij je dienst kunnen bemachtigen, als ze inderdaad op moreel gebied niet de nodige zekerheid bood? Babcock keek verstoord.

-Een samenloop van omstandigheden. Op aanbeveling van papa Davidson is ze in dienst genomen door de leger-intendan-ce. Die aanbeveling was voldoende. Herbert Morton heeft haar als zijn privé-secretaresse genomen en raakte zeer op haar gesteld. Toen hij hier als personeelschef werd aangesteld, heeft Morton zich borg voor haar gesteld en zelf haar contract ondertekend.

-En zo komen de verwikkelingen in de wereld, besloot Hu-bert, gewild onverschillig.

Ja, zei Babcock. En laten we het nu over jouw truc hebben. Ik geloof wel dat we het kunnen wagen. In ieder geval is er op de u.s.n.f.e. 5 niets voor hem te pikken. We zullen dat vrijgeleide zo opstellen dat hij het maar zo beperkt mogelijk kan gebruiken. Maar, ten slotte, hoe had die vent zich voorgesteld dat Eva aan zo’n papier kon komen?

Hubert stond op. Hij vond dat hij lang genoeg had gezeten.

Ik kan het je niet zeggen. Hij denkt vermoedelijk dat ze over de nodige briefhoofden kan beschikken, dat ze de te gebruiken formules kent, en dat ze in staat is de nodige handtekeningen na te bootsen…

Ja, dat zal dan wel. Ik zal dat vrijgeleide dus laten opmaken, geldig voor morgen, voor éen enkele dag. Dat is een zondag, de basis zal praktisch leeg zijn en ons werk wordt daardoor makkelijker. We zullen onze mensen vanaf middernacht opstellen en de medewerking van de marine veiligheidsdienst vragen. Dat is allemaal makkelijk voor elkaar te brengen, maar … Opmerkzaam geworden door dat ‘maar’ stond Hubert stil en keek Babcock aan. Hij voelde zich niet op zijn gemak, nerveus, prikkelbaar, en hij kon de gedachte aan een Eva Davidson die in de Verenigde Staten een liederlijk leven leidde en weigerde de vrijheid terug te geven aan die schatrijke vent met wie ze bij overrompeling, na een zuipavond, getrouwd was, maar niet van zich afzetten. Eva, die zo mooi was, zo begeerlijk, zo betoverend, zo teder, met haar onschuldig gezichtje en haar onmetelijk grote, heldere ogen die niets schenen te kunnen verbergen. -Maar, hernam Babcock, aangezien ik geen enkel risico wil nemen, zal m’n beste ploeg op de plaats van samenkomst vanavond aanwezig zijn, om de vent te volgen en zo mogelijk z’n verblijfplaats uit te vinden.

Hubert protesteerde heftig.

Maar dat zou idioot zijn! Dat kan alles mis laten lopen. Hij zal merken dat hij gevolgd wordt en ervandoor gaan. En dan kun je morgen lang op hem wachten! Terwijl het zo gemakkelijk zou zijn hem bij z’n kraag te vatten als hij de basis weer uitkomt.

Babcock bleef onverstoorbaar.

Ik heb m’n besluit genomen.

Je zult alles bederven.

De mannen die hem achterna gaan zijn geen leerjongens. Ze kennen hun vak. De vent zal er niets van merken.

Die dingen voel je. Wat mijzelf betreft, ik heb er een zesde zintuig voor.

Hij hield op, verlegen. Kawaisji had hem verteld dat zijn

mensen hem gevolgd waren, die eerste avond, en hij had niets gemerkt. Hij bedacht dat Eva die avond reeds zijn hele denken in beslag genomen had, terwijl het bij dit soort ondernemingen nodig was dat je je hersens volledig bij elkaar hield om volkomen ontvankelijk te zijn.

Ik wil er verder niet over praten. Dit alles is zo makkelijk dat het me niet bevalt. Als die vent ons morgenavond tussen de vingers door glipt, krijgen we hem nooit meer te pakken. Hij zal ons niet nogmaals de gelegenheid geven.

Doe dan maar zoals je wilt, gaf Hubert zich over, ik was m’n handen in onschuld.

We gaan nu het vrijgeleide opstellen. We zullen de bewoordingen samen overwegen. En dan zou ik je aamaden Kawaisji op te bellen om hem een aanvaardbare reden op te geven voor je afwezigheid gisteravond.

Hij drukte op een toets van de huistelefoon en vroeg om een secretaresse.

En hoe zal ik je op de hoogte brengen van de plaats en de wijze van samenkomst, als de vent pas op het laatste ogenblik belt? Je moet rekening houden met de mogelijkheid dat hij een afluisterapparaat op de lijn heeft weten in te schakelen.

Dan spreken we een code af. Babcock stak weer een nieuwe sigaret op.

O, ik vergat je nog te zeggen dat we maandagmorgen een afschrift krijgen van het Japanse dossier over Eva Davidson. Ze zijn met een vertaling bezig.