IX

Welk effect had nu de gevangenschap op de Joden, die vanaf 1942 de grootste groep gevangenen van Auschwitz vormden, hoe gedroegen zij zich?

Al vanaf het begin zaten er Joden in de concentratiekampen. Ik was dus door mijn werk in Dachau voldoende op de hoogte. Maar de Joden hadden in die tijd nog de mogelijkheid om te emigreren als ze van een of andere staat ergens ter wereld een inreisvergunning kregen. Dus was hun verblijf slechts een kwestie van tijd respectievelijk van geld en van buitenlandse contacten. Velen wisten binnen een paar weken aan de vereiste visa te komen en konden op die manier aan gevangenschap ontsnappen. Alleen de rassenschenders of Joden die in de tijd van Weimar politiek bijzonder actief waren geweest, moesten in het kamp blijven. Zij werden als ‘verdervers van het Duitse volk’ onafgebroken achternagezeten en opgejaagd, ook door hun medegevangenen.

Daarover wil ik het volgende opmerken: ik heb Der Stürmer, het antisemitische weekblad van Streicher, altijd afgewezen vanwege zijn kwalijke koppen, die inspeelden op de laagste instincten. Die krant heeft veel onheil gesticht en het serieuze antisemitisme niet geholpen, maar daar juist bijzonder afbreuk aan gedaan. Geen wonder, want na de ineenstorting werd bekend dat de krant was geredigeerd door een Jood, die ook de meest woeste ophitsende artikelen schreef. Als je het Jodendom intellectueel wilde bestrijden, moest je echt betere wapens gebruiken.

Toen kwam in november 1938 de door Goebbels op touw gezette Kristallnacht, waarbij – als vergelding voor de in Parijs door een Jood doodgeschoten Von Rath – in het hele Rijk de Joodse winkels werden verwoest, of waarvan minstens de ramen werden ingeslagen, en waarbij overal in de synagogen brand uitbrak, waarna verhinderd werd dat de brandweer het vuur bestreed. ‘Om hen te beschermen tegen de woede van het volk’ werden alle Joden die nog een rol speelden in handel, industrie en zakenwereld, gearresteerd en preventief in concentratiekampen in bewaring gesteld. Zo leerde ik ze pas als massa kennen.

Ik wil er hier nog de nadruk op leggen dat ik persoonlijk de Joden nooit heb gehaat. Voor mij waren ze weliswaar de vijanden van ons volk, maar ze waren daarom voor mij niet anders dan de andere gevangenen, en ik vond dat ze gelijk behandeld moesten worden. Ik heb op dat punt nooit verschil gemaakt. Overigens ken ik geen gevoelens van haat. Maar ik weet wat haat is en hoe het eruitziet. Ik heb haat gezien en zelf ondervonden.

Toen de Reichsführer-SS zijn oorspronkelijke bevel van 1941 tot vernietiging van de Joden, op grond waarvan alle Joden zonder uitzondering vernietigd dienden te worden, zodanig veranderde dat zij die konden werken in de bewapeningsindustrie tewerkgesteld moesten worden, werd Auschwitz een Jodenkamp, een verzamelkamp voor Joden, van ongekende omvang. Terwijl de gevangen Joden er in de jaren daarvoor nog op rekenden dat ze op een dag weer vrij zouden komen, waardoor de zwaarte van de gevangenschap voor hen psychisch veel draaglijker was, bestond er voor de Joden in Auschwitz in dat opzicht geen hoop meer. Zij wisten zonder uitzondering dat ze ter dood veroordeeld waren en alleen bleven leven zolang ze konden werken. Het gros koesterde ook geen enkele hoop dat er iets aan hun treurige lot zou veranderen. Zij waren fatalisten. Geduldig en afgestompt lieten ze alle ellende, de nood en de kwelling van de gevangenschap over zich heen komen. Door de onmogelijkheid om aan het afzienbare einde te ontsnappen, voelden ze zich psychisch op geen enkele manier meer bij hun omgeving betrokken. Deze psychische instorting versnelde de lichamelijke. Ze hadden geen levenswil meer, alles liet hen koud, de geringste lichamelijke ontregeling werd hun noodlottig. Vroeg of laat zouden ze toch niet aan de dood ontsnappen. Ik beweer met klem – op grond van wat ik heb geobserveerd – dat de hoge sterfte onder de Joden niet alleen het gevolg was van het voor de meeste zware, ongewone werk, van onvoldoende voeding, van de overbevolkte onderkomens en alle andere onaangename aspecten en misstanden van het kampleven, maar vooral en uiteindelijk van hun psychische toestand.

Bij de Joodse vrouwen was dat nog veel duidelijker vast te stellen. Zij takelden nog veel sneller af dan de mannen, hoewel vrouwen, naar ik heb gezien, zowel psychisch als fysiek in het algemeen veel taaier en volhardender zijn dan de mannen. Als de vrouwen eenmaal een zeker nulpunt hadden bereikt, lieten ze zich volkomen gaan. Als volkomen willoze spoken strompelden ze rond, ze moesten door de anderen overal heen worden geduwd, tot ze op een dag stil heengingen. Die wandelende lijken waren vreselijk om te zien.

Hetgeen ik hiervoor heb gezegd, gold voor het gros, voor de meerderheid van de Joodse gevangenen. Anders en uiteenlopend gedroegen de intelligentere gevangenen zich, de psychisch sterkere en van meer levensdrift vervulde Joden, overwegend afkomstig uit de westelijke landen. Juist zij, vooral als het artsen waren, wisten precies welk einde hun te wachten stond. Maar zij hoopten en rekenden op een gelukkige samenloop van omstandigheden, die misschien op een bepaalde manier en op een bepaald moment zou optreden en hun het leven zou kunnen redden. Daar kwam nog bij dat zij rekenden op een ineenstorting van Duitsland, want de vijandelijke propaganda bereikte ook hen gemakkelijk.