Levend begraven!
Een kletterend geluid weerklonk over het drukke perron van het station Bayport.
'Verdraaid! Waarom kunnen we niet thuis kamperen in de tuin?’ viel een dikke jongen, die languit op de grond lag te midden van her en der verspreide potten, pannen en dekens, uit.
Het gelach van zijn vrienden, die net zo gepakt en gezakt waren als hij, werd gesmoord door de schrille stem van een kleine, dikke vrouw van middelbare leeftijd.
’Frank! Joe! Help Chet liever overeind in plaats van hem uit te lachen!’
'Natuurlijk, tante Gertrude,’ antwoordde een lange, donkerharige jongen met een gezicht dat glom van plezier.
’Kom op, Joe. Pak jij hem bij zijn voeten. Dan neem ik zijn hoofd.’
De andere jongen knipoogde naar zijn broer en grijnsde ondeugend. 'O.K., Frank. Een, twee, drie... hup!’
’Hé, hé, een beetje voorzichtig,’ sputterde de dikzak, Chet Morton, die om zijn onhandigheid dikwijls het mikpunt was van de goedaardige plagerijen van zijn vrienden.
’Daar sta je dan, Chet,’ zei Frank. ’Op je voeten, en helemaal heel ook.’
’Heel zei je?’ Chet bekeek zijn vrienden met een ironische blik.
’In honderd stukken bedoel je, met al die rommel die ik mee moet slepen! Zeg, ik...’
’Pssst, jongens!’
Tante Gertrude pakte Frank bij zijn mouw en wees naar een man op het perron.
’Kijk ’s, wat een bakkebaarden!’ mompelde Joe. ’Hij struikelt er zowat over.’
’Die man ken ik,’ zei tante Gertrude opgewonden. ’Hij heet Adar. Eben Adar. We hebben samen op school gezeten.’
Ze zweeg toen de figuur plotseling verdween in de menigte, die wachtte op de trein. Even later zagen ze hem weer. Hij had een grote, uitpuilende koffer bij zich.
'Misschien herkent hij u wel, tante,’ zei Frank opgewonden.
'Alsjeblieft niet,’ fluisterde de vrouw zenuwachtig. 'Het is vast een gevaarlijke misdadiger. Weten jullie wat hij in zijn koffer heeft?’
'Zijn lunch,’ zei Joe droog. ’Hij heeft meer weg van een hongerige zwerver, als je het mij vraagt. Maar ik moet toegeven dat het een verdacht uitziend individu is.’
Tante Gertrude keek dreigend.
’Hij heeft inbrekerswerktuigen in die koffer, vast. We vertrouwden hem vroeger, op school, al niet. Toen stak hij ook al zijn neus in andermans zaken.’
Chet stak plotseling zijn handen in zijn zakken en stevende naar de uitgang. Joe en Frank renden hem achterna.
’Hé, zeg!’ begon Joe. ’Wat ga je...?’
’Niets aan te doen, jongens,’ zei de dikke jongen lijzig. 'Ik vind het al erg genoeg om de komende maand met al die kampeerrommel rond te sjouwen, maar als er dan ook nog eens gangsters in het zicht zijn, smeer ik hem! Ik ben niet in de wieg gelegd voor pakezel en nieuwsgierig ben ik ook niet!’
Frank schaterde.
'Je bent niet wijs, Chet. Ken je tante Gertrude nu nog niet? Ze ziet toch in iedereen een misdadiger!’
'Daar komt de trein,’ riep Joe. 'Kom! Voor je het weet zitten we bij een kampvuur vlees te braden.'
De gedachte aan eten was voldoende voor Chet. Hij liet zich terugvoeren naar het perron waar juist de trein binnen denderde.
’Dag jongens.' Tante Gertrude gaf haar neven een klapzoen. ’Kleed je warm aan. En blijf in de tent als het regent. Heb je me gehoord, Frank? Joe, heb je je dikke sokken meegenomen? De dikste die je hebt?’
Ze liep met de op gang komende trein mee. Toen kreeg hij vaart en de jongens gingen met een zucht van verlichting zitten.
'Arme tante Gertrude,' lachte Joe. 'Die ziet ons al dood en begraven.’
’En als je het mij vraagt,’ viel Chet hem in de rede, ’heeft ze daar alle reden toe. Die Adar zit in de coupé vlak tegenover ons. Ik zag hem net.’
'Dat is een idee, jongens!' zei Frank, met een knipoog naar zijn broer. 'Laten we die Adar vragen met ons mee te gaan. Hij heeft natuurlijk van alles beleefd en...'
’Wat?’ barstte Chet uit. ’Die vent vragen...’
Frank en Joe brulden van het lachen.
’Wacht maar,’ bromde Chet, 'vandaag of morgen zul je het wel merken. Iemand met zulke bakkebaarden kan niet anders dan een misdadiger zijn.’
Hij verviel in stilzwijgen en was niet meer aan het praten te krijgen tot de controleur riep:
'Great Notch! Allemaal eruit! Great Notch!’
Haastig pakten de jongens hun uitrusting bij elkaar en klauterden naar buiten, Chet als gewoonlijk in de achterhoede.
’Wat nu?’ mopperde hij, van het leeggelopen perron kijkend naar de bossen om hen heen.
’Daar is een pad!’ riep Joe. ’Kom op, jongens, nu een flinke wandeling!’
’Een wat? Zeg, ik dacht dat we ons kamp gingen opslaan. Jullie zijn veel te energiek voor mij! Ik wil nu uitrusten en, wat nog veel belangrijker is, eten!’
Het kostte de broers heel wat overredingskracht voor hun vriend meeging. Met tegenzin volgde hij hen.
Na een uur stevig doortippelen ging Chet opeens vastberaden op een stuk rots zitten.
’Jullie kunnen voor mijn part naar China lopen. Maar ik blijf hier!’ Hij trok zijn schoenen uit en begon zijn voeten te wrijven.
’Dat zie ik,’ lachte Frank. ’Maar het lijkt me hier wel gunstig. Wat denk je van een kampvuur op dat open stuk daar?’
Joe inspecteerde het.
’Zeg Frank, het ziet er naar uit dat iemand anders hetzelfde idee heeft gehad. Er is al een vuurplaats. Dat is juist wat we nodig hebben.’
Frank liet het zware pak van zijn rug zakken en haalde diep adem. ’Jongens, dit is pas leven. Kom, Chet. Dan halen wij brandhout terwijl Joe de aardappels schilt.’
Onder protest dat zijn voet zeer deed, volgde Chet Frank in het struikgewas. Even later kwamen ze weer tevoorschijn met hun armen vol takken. Joe stond naast de vuurplaats met een frons in zijn voorhoofd te kijken naar een stuk papier in zijn hand.
’Kijk eens, jongens.’
Ze lieten hun hout vallen en renden naar hem toe.
’Een oude envelop. Wat zou dat?’ vroeg Frank. Toen werd zijn gezicht ernstig.
’Hé! Hij is dichtgeplakt. Wat staat daar in die hoek?’
’Ik kan het niet lezen, hij is zo vuil,’ antwoordde Joe. ’Ik heb hem uit de vuurplaats gevist.’
’Laat eens kijken. Misschien kan ik er iets van maken,’ zei Chet. Met zijn neus op het papier bekeek hij de zwart geworden envelop.
’Ik heb het, jongens! ’Harry Tanwick’ staat er. Wie zou dat zijn?’
Joe maakte de verschroeide envelop open. Tot hun grote verbazing fladderde er een honderddollarbiljet uit. Enkele ogenblikken was zelfs de spraakzame Chet te verbaasd om iets te zeggen.
’Het lijkt mij, dat we hier beter vandaan kunnen gaan,’ zei hij eindelijk. ’Ik houd hier niet van.’
’Houd je er niet van honderd dollars te vinden?’ vroeg Joe met een glimlach.
’Nee, tenminste niet hier,’ verklaarde Chet. 'Misschien is het wel een list, of is dit de schuilplaats van een stel bandieten!’
’Ik vind dat we dit geld naar de politie in Great Notch moeten brengen,’ zei Frank. 'Misschien weten ze daar iets van deze Tanwick. Intussen...’
’Intussen lijkt het mij tijd om te gaan eten. Ik heb zo’n honger dat ik zelfs wel alles alleen wil opeten,’ zei Chet met een droevig gezicht.
Na het overvloedige maal rolden ze zich in hun dekens en waren snel in slaap. Frank en Joe hadden niet eens last van Chets gesnurk.
Een paar uur later werd Frank plotseling wakker door het geluid van brekende takken. Een ogenblik lag hij doodstil. Iedere zenuw gespannen, lag hij daar te luisteren. Waar kwam dat geluid vandaan?
Frank tuurde in het donker. Hij kwam verbaasd overeind toen hij een gehurkte figuur opmerkte. Een paar seconden bleef het stil, toen begon de vreemde in zijn richting te kruipen.
'Joe! Chet! Wordt wakker!’
Met een alarmkreet sprong Frank overeind en vloog op de indringer af. De man rolde zich opzij en verdween in de struiken.
’Daar gaat ie!’ schreeuwde de jongen, zijn vrienden, die kwamen aansnellen, het punt wijzend.
Frank, die voorop ging, voelde plotseling de grond onder zijn voeten bewegen. Hij stortte voorover in de inktzwarte duisternis en kwam met een verschrikkelijke klap op iets hards terecht. Zijn hoofd bonsde. Er werd geschreeuwd vlak naast hem en vlak daarop klonk er nog een doordringende kreet.
'Joe! Chet! Zijn jullie daar?’ hijgde Frank.
Het bleef lang stil. Toen kwam er een zacht antwoord:
’Ik, ik geloof het wel, Frank. Allemachtig, wat is er gebeurd?’
’Ik wist wel dat we thuis hadden moeten blijven,’ mopperde Chet, dodelijk verschrikt. ’We zitten opgesloten in een onderaardse grot, wat ik je zeg!’
’We zijn in een onderaardse grot, dat klopt,’ zei Frank grimmig, ’maar we zijn niet opgesloten. Kijk maar, daar is het gat waar we in gevallen zijn. Je kunt de sterren zien.’
’Dat gat is anders knap ver weg, als je het mij vraagt,’ mompelde Joe met een mistroostig gezicht. ’We zijn minstens zeven meter naar beneden gevallen.’
’Kijk!’
Frank greep zijn broers arm. Joe hijgde van schrik, toen hij omhoog keek.
’Het gaat dicht! De opening gaat dicht!’