16
Kerviniec
'Wat heeft het voor zin, Socrates, om te leren lier spelen nu je
toch doodgaat?'
'Dat ik lier speel voordat ik doodga.'
In dit gehucht in het zuiden van de Finistère slaapt alles en het is zomer. Achter in het laatste huisje, vlak voor de put waarvan de rand uit één enkel blok graniet is gemaakt en die de burgemeester wil laten verplaatsen omdat de put gedeeltelijk op de weg staat en de weinige auto's er last van hebben, klinkt een wekker. In bed is het lekker als in een warm land en het gerinkel doorsnijdt pijnlijk als een zaag de slaap van de man en de vrouw. Ze trekken een zuur gezicht maar ze gooien de dekens af en staan op zonder langdurige liefkozingen. Hij gaat, met benen die stram zijn van de slaap, de koffie opwarmen. Zij doet, met haar ogen nog half dicht, de zware houten luiken open die lichtblauw geschilderd zijn en waarin een hartvormige opening zit, en constateert op rustige toon: 'Verdomme, het regent!'
Ze trekken zwijgend hun nauwsluitende broeken aan, hun coltruien, hun wollen sokken, hun lieslaarzen en hun gele oliejassen, zetten hun zuidwesters op en gaan naar buiten in de motregen terwijl ze zich zoals elke ochtend afvragen wat hen er toch toe dwingt zich zo vreselijk in te spannen, op zo'n vreselijk tijdstip, in zulk vreselijk weer en niet eens voor geld! Misschien omdat er gezegd wordt: de morgenstond heeft goud in de mond?
De man en de vrouw gaan lopend in de richting van de helling over een weg waarlangs tamarisken staan die helemaal bestoven zijn met heel fijne waterdruppeltjes.
'Het is geen regen,' zegt Yves.
'Nee, het is motregen,' antwoordt Marion.
De hemel en de zee zijn één geheel geworden, en de atmosfeer is zelfs grijs. Parelgrijs is ook het strand, waar het getijde 's nachts het afval van de toeristen heeft weggevaagd en hun voetsporen heeft uitgewist. Het is het tijdstip waarop de vogels vergeten dat ze vleugels hebben en op het maagdelijke zand langs het water komen lopen, waar ze kleine sporen achterlaten van sterretjes met drie armen.
De man laat de praam aan de rand van de stroom in het water zakken. De vogels blijven gewoon zitten: dit is niet het moment om bang te zijn; ieder is er omdat hij er moet zijn. De vrouw gaat aan de roeiriemen zitten. De geluiden zijn ook niet wakker, het is alsof ze gedempt zijn en ze maken niet hun echte geluid.
Het duurt vijf of tien minuten, naargelang de wind, voor ze bij de ankerplaats aankomen. De praam stoot tegen de blauwe pinas aan, die zo stevig en betrouwbaar is als een huis. Log door hun laarzen, weggedoken in hun oliejassen, stappen ze allebei aan boord met de traagheid en de precisie van een olifant die de weg kent. Alles is nat, de boot, de hemel en de atmosfeer daartussenin; onder de fijne, dichte druppels heeft de zee kippenvel. Ze trekken hun oliejassen strak dicht om hun hals en maken zich klaar om te beginnen aan die dagelijkse vergeefse strijd tegen de elementen, om deze te beletten door te dringen tot het binnenste van hun kleren tot aan de huidplooien waar nog wat van de warmte van het bed is overgebleven. Maar ze weten best dat de zee en de regen ten slotte altijd binnendringen waar ze willen.
Dan knielt de man, duwt het schuifluik weg, draait de toevoerkraan van de stookolie open, draait de contactsleutel om, doet de gashendel omlaag en drukt op de starter. Omdat het regent, haalt hij uit een stinkende kist een spuitbus met Start Pilote en spuit een straal ether op de luchtopening.
De vrouw spreidt een blauw zeil over het dek aan de kant waar ze het schakelnet zullen ophalen, haalt de vishaak tevoorschijn, de bootshaak en het schubmes. Zodra ze het rustige glok-glok van de dieselmotor hoort, maakt ze de sluithaak los die aan de meerboei vastzit en geeft ze de man een teken. Ze praten niet. Waarom zouden ze? Ze kennen ieder gebaar dat ze moeten maken, ieder weet op elk moment wat de ander doet en ze weten dat ze gelukkig zijn.
Andere bootjes gaan ook aan de slag, achter het Ile Verte, of in het zuiden, bij de Glénans, op geheime plaatsen waarvan de collega's uit discretie doen alsof ze die niet kennen, maar die ze op zekere dag stilletjes zullen gebruiken.
De Tam Coat komt ten slotte aan bij de twee bakens die aangeven waar de netten zijn geplaatst, en dan begint de belangrijkste bezigheid, waarvoor ze om half zes 's ochtends zijn opgestaan en vochtige kleren hebben aangeschoten waarvan de lucht alleen al hen in hun Parijse appartement misselijk zou hebben gemaakt terwijl ze die hier met een toegeeflijke grijns opsnuiven, die bezigheid waarvoor zij haar watergolf verruïneert, haar nagels breekt, eeltplekken op haar handen krijgt, en hij twee uur stilstaat in een vochtige omgeving die hem in de toekomst reumatiek zal bezorgen... de bezigheid die een onschuldige naam heeft, een naam voor een tijdverdrijf hoewel het een grote liefde kan zijn: het vissen.
De man mindert vaart en komt stil te liggen op de streng van oude kurken die de vrouw pakt met de bootshaak en snel aan dek hijst.
Net als over gelukkige mensen valt er over het vissen niets te vertellen; liefde kun je moeilijk in woorden uitdrukken. De vrouw zit op de beste plaats, voorin, en ze trekt aan het net met een beweging die tegengesteld is aan die van een zaaier, en haar blik boort door de diepte van het water waaruit witte of bruine schitteringen opstijgen, een onduidelijke massa, die ze aan boord kiept met een triomfantelijk gespetter, terwijl ze een naam roept naar de man die haar activiteiten aan de motor begeleidt.
Wanneer de tongen, de rog, de ponen, de zeeduivel, de lipvissen, de schelvissen, de pollaks, de zwemkrabben of de zeespinnen zijn losgemaakt en uit het schakelnet zijn bevrijd, legt ze die in een of twee manden neer, in een rangschikking die er zorgvuldig op is gericht de nieuwsgierige of de collega die zou komen kijken waaruit de vangst bestaat, op een dwaalspoor te brengen... Daarna gaat ze voor de stapel netten zitten om ze schoon te maken, ademt ze diep de fruitige geur in van het wier dat uit de diepte naar boven is gekomen en zegt:
'Verdomd, we zitten hier beter dan op Saint-Lazare!'
Ze zegt verdomd omdat je op een vissersboot, met lieslaarzen aan, in de regen, wanneer je gebroken bent doordat je vijftig meter netten hebt binnengehaald en je vingers zijn ontveld, woorden moet gebruiken die passen bij je vermoeidheid, mooie ruwe woorden die krachtig klinken op de oceaan.
Terwijl zij de netten schoonmaakt, laat de man zijn sleephengels te water en cirkelt in grote kringen over de zee, waarbij hij op den duur de aalscholvers stoort die altijd bij elkaar zitten aan de verlaten kant van het Ile Verte, de zuidwestkant. Hij begint weer over een onderwerp dat hem na aan het hart ligt:
'Als we nou eens een wat grotere boot hadden, met een afdak, dat zou zo gek nog niet zijn, weet je.'
'Ja, maar dan ook werkelijk groter, anders zouden we door dat afdak minder plaats hebben voor de netten en de kreeftenfuiken. Hier voel ik me zo prettig.'
'Ja, maar als hij werkelijk groter zou zijn, zou je niet meer in je eentje kunnen gaan vissen, als ik er niet ben...'
Dat was de eeuwige opwindende discussie over de keuze van de beste boot, een discussie in verschillende afleveringen, die steeds weer opnieuw werd gevoerd, waar nooit een eind aan kwam, die hen ten gevolge van onhoudbare redeneringen ertoe had gebracht na de kotter met twee kooien een gemakkelijk te hanteren midzwaardboot aan te schaffen, en vervolgens na de midzwaardboot met een te zwakke motor deze solide visserspinas met een dieselmotor en een emmerzeil, waar ze ook hun twijfels over begonnen te krijgen. Ze droomden van een boot die weinig diepgang had maar wel zeewaardig was, die ruim maar toch klein was, klassiek van bouw maar toch, kunststof dat hoef je niet elk jaar te schilderen, met een afdak zodat je op de eilanden kon gaan slapen, maar toch moest het dek helemaal leeg zijn voor de vis die ze vingen. Dat probleem zouden ze wel houden tot ze stokoud waren.
Tegen negen uur komen de man en de vrouw weer bij de helling terug. Dat is het tijdstip waarop de toeristen op hun beurt de luiken van hun villa's opendoen en roepen: 'Verrek, het regent!'
Een beetje later, 'als het opklaart', gaan ze dapper, want in Bretagne hebben de vakantiegangers plichtsgevoel en willen ze per se van de jodium profiteren, in groepen naar de stranden waar de vissers en de vogels zijn verdwenen, als kamelen beladen met het steeds meer geperfectioneerde materiaal van de strandganger, badjassen waaronder je je kunt verkleden, emmers, scheppen, waardeloze netten, en niet te vergeten het Jokari-spel of het jeu de boules, het vouwstoeltje van oma die de grond zo laag vindt, het handwerk van mama die al voor de winter aan het breien is, de transistor voor papa die zich altijd verveelt in het zand en die zijn wedstrijd niet wil missen, en de chocolade voor na het zwemmen.
Op de weg langs de kust komen de strandgangers de man en de vrouw tegen die enigszins waggelend naar boven lopen, met de mand waaruit de snuit van de tong van drie pond steekt, met de witte kant naar boven. Ze rekenen er al helemaal op dat er een klein Parijzenaartje aankomt en roept: 'Papa, kom eens kijken naar dat enorme dier, wat is dat?' dat een vader die heldhaftig in korte broek is gekleed, zoals alle mannen die graag kennis der natuur onderwijzen, dichterbij komt en op een schoolmeesterachtig toontje zegt: 'Kijk, dat is nou een schar...' waarop zij dan op neutrale toon zullen antwoorden: 'Het is een tong, meneer,' en dan bescheiden doorlopen, sloffend op hun laarzen.
In het huisje is het de 'Thuiskomst van de Zeeman'. De vriendin die niet 'voor dag en dauw wilde opstaan', komt haar slaapkamer uit, fladderend in roze nylon, met haar gezicht onder een laag embryonale crème, en deinst verschrikt terug als er een zoen op haar afkomt.
'We stinken niet,' zegt de man joviaal, 'we ruiken naar vis!'
Pauline is ook zojuist huiverend naar beneden gekomen en werpt een glazige blik op de tamarisken die grijs zijn van de regen.
'Wat kunnen we vandaag nou weer eens gaan doen?' zegt ze op onheilspellende toon.
De twee bondgenoten maken zich daar niet druk om. Hun dag kan niet meer stuk. Het mag regenen. Ze halen het koude spek uit de koelkast, bakken twee eieren en nemen nog een tweede koffie met melk, terwijl de vriendin, wier lever zich omdraait, bezorgd toekijkt.
'Je zou vanavond met ons de netten kunnen komen uitzetten,' stelt Marion vriendelijk voor, want ze vindt het als ze goedgehumeurd is heerlijk om de sombere bui van haar dochter aan te wakkeren.
'Dankjewel, ik heb al een beginnende angina,' antwoordt Pauline met een nijdig gezicht.
'Wat ik zeggen wilde, heb je misschien Solutricine voor me, Marion? Mijn kamer is wel bijzonder vochtig, geloof ik,' zegt de bezoekster, die een beschuitje in haar Chinese thee doopt terwijl ze naar die twee onbeschaafde types kijkt die met een viswalm om zich heen zitten te eten, met een tevreden blik en hun ellebogen op tafel. 'Je moet toegeven dat ik geen geluk heb,' begint de bezoekster weer, 'iedere keer als ik in Bretagne kom, is het lelijk weer!'
'Het is geen lelijk weer in Bretagne, het is veranderlijk weer,' zegt Marion.
Op de keukentafel wordt de gevangen vis uitgestald. De zwemkrabben schuimbekken van woede en de zeespinnen friemelen en wriemelen in een poging om de noordkant van de gootsteen te bestijgen. De man en de vrouw kijken aandachtig naar het resultaat van hun inspanningen en hebben het kinderlijke, opwindende gevoel dat ze uit de diepte van de zee het eten voor de hele familie hebben opgehaald.
Straks, als ze gedoucht hebben, zich met zeep gewassen hebben en weer aangekleed zijn, zullen ze opnieuw een heer en een dame worden, net als de anderen, de vrienden van de bezoekster. Ware het niet dat hun vingers nog een heel klein beetje naar zeewier ruiken, een lucht waar geen parfum tegen opgewassen is en die hen eraan herinnert dat ze morgenochtend samen weer opnieuw beginnen.