4
Het Gallia-schrift
Julien Gracq
Aan het andere eind van onze hut is Yves, ongevoelig voor het
slechte weer en druk als een mier, in de weer met een bezigheid
waarvan de noodzaak ongetwijfeld terugvoert tot lang vervlogen
tijden: een hol graven om in te slapen. De operatie begint met een
paar handgrepen die ten doel hebben het mooie gladde bed van 's
avonds binnen enkele seconden te veranderen in een beslapen nest.
Sinds we gescheiden slapen, wordt de maniakale praktijken van Yves
de vrije loop gelaten en enigszins geïrriteerd sla ik de kwalijke
ontwikkelingen gade. Hij zal eerst de dekens tot onderaan
lostrekken - claustrofobie - het kussen in verticale stand zetten
opdat het gedeeltelijk over zijn hoofd heen valt - heimwee naar de
baarmoeder - rechtop op de matras gaan staan - kinderlijke
symboliek voor de overwinning - de lakens met zijn voet op-
zijschuiven - luiheid en een begin van verstijving van de
wervelkolom - eronder gaan liggen - normaal - en daarna het geheel
op een afschuwelijke manier bewerken totdat de overslag van het
vreselijk gekreukte bovenlaken onder de wollen deken verdwijnt. En
ten slotte langdurig met zijn pootjes in zijn holletje rond
stappen: een opleving van het dierlijke instinct. Als hij eindelijk
ligt, wroet hij hardnekkig in het kussen zodat hij zijn snuit er
goed kan indrukken. Al die tijd kijk ik met onbescheiden
opdringerigheid naar hem, maar het beest heeft het te druk om me te
zien.
Ik heb lang gezocht naar een type matras waarbij de omgeving geen last zou hebben van dat gewoel. Schuimrubber is niet aan te bevelen: telkens als Yves voor everzwijn speelde, werd ik de lucht in geslingerd. Bij een springveren matras veranderde de ceremonie in een concert voor metalen spiralen. Wol dempt die eigenaardige handelingen altijd nog het best.
Met een laatste flinke ruk wordt het hol mooi rond gemaakt en tevreden rolt hij zich erin op. Het wordt stil in de hut, een stilte die door het aanhoudende geronk van de twee motoren nog completer wordt dan echte stilte, en de roze met groene slaapkamer gaat hobbelend op weg naar Zuid-Italië.
'Ik vraag me af waarom ze jouw bed opmaken,' zeg ik. 'Jij ligt erbij alsof je op je sterfbed ligt,' antwoordt Yves. 'En ik heb altijd gezegd dat ik liever had dat ze mijn bed niet opmaakten. Ze zouden af en toe de lakens eens moeten verschonen, dat is alles... Maar nee! Ik weet dat ik dat nooit voor elkaar zal krijgen.'
Hij heeft de dag doorgebracht met het versjouwen van zijn filmmateriaal en draait zich naar de muur om zonder meer duidelijk te maken dat hij doodmoe is en dat mijn spreektijd voorbij is.
Twee eenpersoonsbedden, op zich afschuwelijk, hebben wel het voordeel dat je weer de vrijheid krijgt om je aan je eigen zonden over te geven. En dan bedoel ik schrijven. Als je naast een man in bed ligt, kun je niet, zonder dat het belachelijk wordt, in je aantekenboekje noteren dat je niet begrepen wordt of teleurgesteld bent, dat hij je dit of dat heeft aangedaan... Het zou zijn alsof je voor zijn ogen masturbeerde. Trouwens als je eenmaal getrouwd bent, ben je nooit meer helemaal oprecht. Maar toch, in die vreemde hut, waar het geluid van de vijftienhonderd paardenkrachten van de Moana ons beter van de buitenwereld afsnijdt dan een muur, en ik zo ver van mijn huis en mijn dochters ben en ook nog last heb van een laatste restje rancune, ben ik weer een beetje een meisje. Natuurlijk zal ik niet de hele waarheid vertellen. Misschien alleen de waarheid: dat is al heel wat. Ik zal inschikkelijk tegenover mezelf zijn en streng tegenover anderen. Het is niet mijn taak om over het leven van de heilige Yves van de Zeven Smarten te vertellen maar om medelijden te hebben met mezelf. En ook om me te verzoenen met mijn leven; en met die ander misschien, die onschuldige daarginds - want iedereen is onschuldig - die mij het eindeloze schouwspel van zijn slaap opdringt. Het is per slot van rekening nog maar tien uur.
'Yves, slaapje?'
'Ja.'
'Weet je wat ik net in Le Monde las? Dat tabak ook nog een rampzalige invloed op je bloedvaten heeft. Hier, ik heb het voor je aangekruist. Luister maar wat professor Milliez schrijft: "Wanneer ik een artritispatiënt ondervraag, weet ik zeker dat hij me zal antwoorden: 'Ja, dokter, ik rook mijn sigaretten tot het eind toe op en ik slik de rook door.' " Hoor je dat?'
'...........'
'Wil je soms dat je niet alleen longkanker krijgt maar dat ook nog je beide benen eraf moeten?'
Yves doet alsof hij snurkt maar ik trap er niet in. Al tien jaar plak ik doodskoppen op de bodem van de asbakken, knip ik waarschuwingen uit de kranten en foto's van bronchiën vol teer die opgezwollen zijn door de tabak, die ik dan in zijn kasten ophang, zonder enig resultaat. Maar ik ga door:
'Ik heb nog liever dat je drinkt. Levercirrose maakt geen geluid terwijl de bronchitis van oude rokers... Jou de hele nacht je keel te horen schrapen zou mijn krachten te boven gaan. Ik ben van plan honderd te worden, dus dan heb ik veel slaap nodig.'
'Artritis maakt ook geen geluid,' gromt Yves.
'Wat dacht je van de krukken? Als oude mensen bij wie een been is geamputeerd 's nachts opstaan om een plasje te doen... klop klop klop in de gangen zoals kapitein Achab...'
'Ik zal niet wachten tot mijn beide benen eraf zijn om bij jou weg te gaan, wees maar gerust.'
'Maar ik wil niet dat je bij me weggaat... ik wil dat je benen niet bij ons weggaan!'
We maken graag grappen over onze toekomst, waarschijnlijk omdat we bang zijn om over het verleden te praten. Er komt een moment in het leven van een echtpaar dat je om obstakels heen loopt in plaats van ze frontaal aan te pakken. Het innerlijk vuur is bij allebei niet heet genoeg meer om ze uit de weg te ruimen, het verlangen naar de waarheid is gezwicht voor het onnodig lijden dat het met zich meebrengt en voorzichtigheidshalve loop je met een grote bocht om de gevarenzone heen. Zo ontstaan tussen twee echtelieden eilandjes van stilte, omgeven door een ruime veiligheidszone. Met 'Heb je dat artikel over Korea in Le Monde gelezen?' of 'Het weerbericht klopt van geen kanten, heb je dat gezien?' loop je geen kans verzeild te raken op klippen waar je elkaar al hebt afgemaakt. Sinds Yang in ons leven is gekomen, en vooral sinds ze er weer uit is verdwenen, praten we veel over Korea en het weerbericht. Ook over vrienden, want vrienden bieden een echtpaar dit belangrijke voordeel: je kunt aan je eigen wonden krabben en een beetje kokende olie op die van je partner gooien terwijl je intussen onschuldig zit te babbelen. Je moet je zo nu en dan eens aan heet water kunnen branden want op de dag dat de wonden dichtgaan, is de liefde dood. Dan is er natuurlijk nog wel de echtelijke liefde. Voor twee mensen die er niet in geslaagd zijn aan hun fundamentele onenigheid een einde te maken, vormen Julien en Eveline een uitgelezen prooi, waar vaak op gejaagd wordt. Ze boden me de mogelijkheid Yves voortdurend op hetzelfde terrein aan te vallen, waarbij ik steeds maar hoopte hem er door argumenteren van te overtuigen dat hij ongelijk had op een gebied waar de beste argumenten ter wereld niets mee te maken hebben. Dat is het terrein van de echtbreuk. Eveline bedriegt haar man al twee jaar elke week in hun buitenhuis waar ze nog steeds de weekends doorbrengen. Ik kan maar niet wennen aan die regeling.
'Omdat jij vindt dat het heel wat anders zou zijn in een hotel?' zegt Yves meestal, geduldig als hij is.
Tja, dat vind ik. Of dat vond ik althans. Natuurlijk... als het eens een keer zo uitkomt... Een bed is geen tabernakel. Maar plekken en dingen waarvan je samen hebt gehouden, ik vind het een rotstreek, zolang je nog bij elkaar bent, dat anderen daar gebruik van maken.
'Als je zo redeneert,' zei Yves dan, 'is het lichaam van Eveline ook iets waarvan ze samen hebben gehouden...'
Ja, maar haar lichaam is tenslotte alleen van haar, terwijl hun huis... Wat ik hem in werkelijkheid nooit heb kunnen vertellen, is dat ik ook een keer de spullen van Yang in de la van mijn nachtkastje in Kerviniec heb aangetroffen. De Equanil en de Valium die ze de laatste tijd nam, waarschijnlijk om te vergeten dat ik bestond. Yang had zelfs aan mijn kant geslapen; Yves had het niet nodig gevonden aan de andere kant te gaan liggen. Misschien had hij haar wel de mammoet aangewezen die door vocht op het plafond is ontstaan. Misschien had hij haar wel het meisjesgilletje laten horen dat het uiltje slaakt dat iedere nacht in onze tuin op jacht is. Door die dingen is slapen met een andere vrouw in je eigen huis een vergrijp. Maar die woorden kwamen niet over mijn lippen en zolang ze niet waren uitgesproken, kon ik me nog aan de werkelijkheid onttrekken. Yves had er ook geen belang bij dat ze gezegd werden: hij wilde op zijn manier ook niet alles door elkaar halen. Toch had hij minstens één keer Yang meegenomen naar Kerviniec. Natuurlijk is een hotel niet erg romantisch, maar met welk recht kun je alles tegelijk eisen, een heel nieuwe liefde, de vrijheid ervan te genieten, de zegen van je partner en bovendien nog het bed en de kleine hebbelijkheden van die persoon?
In feite heb ik nooit een aanvaardbare gebruiksaanwijzing voor echtbreuk gevonden en Yves verzette zich tegen dit onmiskenbare feit. Waar het om gaat, zei hij altijd om zich vast te klampen aan een zekerheid, is dat Julien het weet en het goedvindt. Zeker, maar moet je dan onder het voorwendsel dat de ander genoeg van je houdt, die ander tot het uiterste drijven? Ik heb nu de indruk dat Yves me instinctmatig drie jaar lang precies zoveel verdriet heeft gedaan als ik kon verdragen zonder in te storten. Maar hij wilde graag een andere voorstelling van zaken geven, altijd weer de twee kanten van de waarheid: Eveline deed Julien 'zo weinig mogelijk verdriet' en in ieder geval 'bedroog' ze hem niet. Inderdaad wordt Julien niet bedrogen: hij weet heel goed dat twee dagen per week in zijn tweede huis en met zijn toestemming zijn hart wordt gebroken. Zo kan de beul zich de luxe veroorloven een zuiver geweten te houden. Wat blijft Julien anders over dan de schaamte dat hij jaloers is in een tijd waarin dat geen fatsoenlijk gevoel meer is, en dat hij een spelbreker is bij het rond neuken in een tijd waarin die activiteit een bewijs van beschaving en verfijning is geworden? Oprechtheid in de liefde is een gevaarlijke illusie: die leidt ertoe dat je de ander, door te bekennen dat je hem of haar bedriegt, veel meer verdriet doet dan je plezier hebt door dat bedrog. Het is dus ook een leugen! Julien heeft natuurlijk nog de mogelijkheid zich te gedragen als wat Yves 'een beschaafd mens' noemt. Er wordt niet gedreigd, niet met vaatwerk gesmeten, je gaat niet uit elkaar, behalve natuurlijk als het je vriendelijk wordt gevraagd, en je blijft veel genegenheid voor elkaar voelen; veel respect vooral, want dat is het fijnste van het fijnste. En rancune die kun je in je reet stoppen met leed erachteraan. Ze vragen je zelfs, terwijl ze je zo goed gezind zijn, of je ronduit blij wilt zijn met al het goeds dat de ander overkomt buiten jou om. Dat is het toppunt van beschaving. Altijd hetzelfde akelige liedje! Wat is dan nog het verschil met moederliefde? Het feit dat je het fijn vindt als de ander tegen je zegt: 'Ga je gang, schat, en amuseer je vooral,' met een glimlach als van een oude mama vol begrip, komt doordat het prettiger is plezier te hebben als je weet dat je 's avonds niet een rood behuild gezicht aantreft; maar het komt vooral doordat je geen echte liefde meer voor die ander voelt. En in dat geval ligt de zaak anders. Als geen van beiden meer hartstochtelijk van de ander houdt, wordt het gemakkelijk om beschaafd te zijn. Tevreden verlaat ik me op die zekerheid die ik op latere leeftijd heb gekregen. Mij verkopen ze geen knollen voor citroenen meer.
Die gedachten die gedurende zoveel slapeloze nachten door mijn hoofd hebben gespookt zonder dat ik er een logische houding aan kon ontlenen, kwellen me tegenwoordig niet meer, maar het is me nooit gelukt er openlijk met Yves over te beginnen. Vroeger niet omdat ik een moeizaam evenwicht niet in gevaar wilde brengen; nu niet omdat de dood van Yang de situatie heeft vertekend en mij een twijfelachtige overwinning heeft bezorgd. Ik weet nu dat het probleem onoplosbaar is of dat er talloze oplossingen voor bestaan, wat erop neerkomt dat geen enkele oplossing goed is. Op zekere dag moet ieder zijn Kaap Hoorn alleen zien te passeren. Op zekere dag word je tegen je zin meegezogen in de afschuwelijke engte waarin je moet verdragen wat onaanvaardbaar is, werkelijkheden erkennen die dodelijk zijn, en berusten in alles waarvan je op je twintigste nog zo had gezworen het niet toe te zullen laten. Je spartelt wild tegen met je ogen vol zout water, je zinkt honderd keer weg en je denkt dat je de bodem van de wanhoop hebt bereikt en dat je nooit meer van het leven zult genieten... En dan op een goede dag, ja, een goede, ben je, zonder dat je kunt zeggen hoe, Kaap Hoorn gepasseerd. Ontroerd en verbaasd merkje weer hoe warm de zon is en hoe heerlijk onbezorgd het leven smaakt, een smaak die je was vergeten. Het valt je niet meteen op dat je jeugd en je hartstocht overboord zijn gevallen... maar waren dat niet twee gevoelens die in de praktijk onleefbaar waren? Als je erin geslaagd bent je zeiltuig te redden, is dat het belangrijkste, dan hoef je je alleen nog maar vol vertrouwen te laten meevoeren. Er kunnen geen twee Kapen Hoorn in een leven voorkomen.
Een gerust gevoel is iets heel anders dan je dacht toen je twintig was.
De nacht vordert en de deining wordt al heviger, hoewel we nog in de beschutting van de Italiaanse kust varen. Ik vraag me af of ik eraan zal wennen om te slapen terwijl ik als een wrak heen en weer word geslingerd. Ik voel mijn skelet in mijn huid rollen, er heerst in mijn binnenste een voortdurende bedrijvigheid, al mijn organen zweven, gaan heen en weer, hebben steeds een ander steunpunt en sturen boodschappen van verbazing en vervolgens van protest naar mijn oververmoeide hersenen, die er nooit in slagen in te dutten. Bovendien verandert Yves, om me te tarten, 's nachts in een meneer die ik nauwelijks ken en steeds als ik naar hem kijk, ben ik weer even verbaasd dat ik die vreemdeling in mijn leven heb! Wanneer hij slaapt, wordt zijn neus ontzaglijk lang en krijgen zijn gelaatstrekken een trieste en strenge uitdrukking, waardoor hij lijkt op de Grote Condé. Zijn gezicht is star, zijn mond recht en zo dun als een sabelhouw... Waarom heb ik ervoor gekozen te leven met die man die helemaal mijn type niet is? Zelfs toen ik met hem trouwde, was hij mijn type niet. Toen ik hem ontmoette, overkwam me een ongeluk. Een ernstig ongeluk, want ik onderga er nog steeds de gevolgen van... Eigenlijk houd ik van mannen zoals Alex, met mooi zilvergrijs haar aan hun slapen, mannen die er melancholiek en niet erg handig uitzien, met heel zachte ogen en vooral van die gekrulde wimpers die ik altijd zo ontroerend heb gevonden bij een man. Mijn hele leven - en dat is nu lang genoeg om er lering uit te trekken - heb ik me aangetrokken gevoeld tot academici, zo mogelijk met bril, in ieder geval met complexen, donker bij voorkeur, vol utopische ideeën, die de Griekse en Latijnse grammatica kennen, in de vooruitgang geloven, van gedichten houden en verlegen zijn tegenover vrouwen. Ik ben overigens getrouwd met eentje die voldeed aan die normen: bijziend, meer op zijn gemak in het hanteren van ideeën dan van voorwerpen, verstrooid, edelmoedig en een pechvogel. Zes maanden later werd Olivier op de boulevard Saint-Germain door een taxi aangereden en stierf hij aan een schedelbasisfractuur. Ik had geen tijd om te weten te komen of ik gelukkig met hem zou zijn geweest en hij had alleen tijd om een kind bij me te verwekken, dat hij niet heeft gekend en dat niet eens op hem lijkt.
Yves gaf echter de voorkeur aan het humane boven de humaniora, had het gezichtsvermogen van een lynx, had ongehoord veel geluk en viel bij vrouwen maar al te goed in de smaak. De eerste keer vond ik hem helemaal niet leuk en zei ik tegen hem dat hij op Henri Garat leek. Hij smeerde brillantine in zijn haar, droeg een te licht grijs kostuum, had voor iedereen zonder onderscheid een persoonlijke glimlach, maakte vlotte woordspelingen, had een zachte bleke huid, vrouwelijke handen, en een klein mondje zoals dat in trek was bij verleiders van voor de oorlog; en ten slotte leefde hij liever 's nachts en raakte hij zoals alle nachtbrakers in de ban van de alcohol. Eigenlijk weet ik niet door wat voor listen hij zich die reputatie van verleider aanmatigde want hij had kleine oogjes van een onduidelijke kleur, omsloten door strakke oogleden zoals vogels hebben, en hij vertoonde het abnormale kenmerk dat hij een kastanjebruine iris maar grijze ogen had. Verder waren zijn sportprestaties matig, zijn schouders nogal smal en was zijn stem niet van fluweel. Maar al die details vond hij volkomen van ondergeschikt belang, en anderen kennelijk ook, want het leek eens en voor altijd vast te staan dat hij won in het spel en bij de vrouwen.
'Het is een losbol, arm kind,' zei mama steeds.
Ik vond hem zo onsympathiek dat ik geen argwaan koesterde. Ik ging vaak met zijn zus uit en dan kwamen we hem tegen in het gezelschap van allerlei soorten meisjes met wie hij op precies dezelfde voet van intimiteit scheen te staan en aan wie hij evenveel plezier scheen te beleven.
Op de boot leerden we elkaar beter kennen. Op het strand, in zwembroek, was hij meer dan ooit een losbol met zijn kromme rug, zijn magere armen en zijn benen die zo wit waren dat ze wel hemelsblauw leken. Hij had trouwens een hekel aan de zon, aan sport en aan badmeesters. Ach, ik liep echt geen enkel risico! En toen brachten we die dag op de boot door. Hij had verstand van motoren; ik dacht tot dat moment altijd dat hij zat op te scheppen. Hij manoeuvreerde handig met het zeil en hij praatte goed over de zee, wat niet gemakkelijk is. En, het belangrijkste, we hadden voor de eerste keer geen ander meisje of een vriend bij ons. Ik besefte het niet meteen, maar wat ik in hem niet kon uitstaan, waren de anderen. Die dag speelde hij zijn rol voor mij alleen, en voor de zee die hem altijd zijn beste rol heeft toebedeeld. Desondanks had hij zijn fles muscadet in een emmer meegenomen.
's Avonds zouden we naar het station gaan om een meisje af te halen dat voor hem kwam. Het deed er niet toe wie, hij had geen enkele voorkeur, dat wil zeggen, niets stond hem tegen. De laatste, een dikke met geel haar, was de vorige dag vertrokken en hij legde het altijd zo aan dat er geen vacature ontstond. Maar het meisje zat niet in de trein. We gingen naar huis, al pratend over het leven en de liefde, en ik had nog steeds niets in de gaten. En toen werd ik het meisje van die avond, omdat er geen ander was. Ik weet zeker dat Yves geen betere reden had en alleen veel vriendschappelijke gevoelens voor mij, hoewel hij later het tegendeel beweerde, omdat hij iemand graag een plezier doet en het niet minder waar was dan iets anders. Ikzelf werd overrompeld. Hij scheen de situatie zo gewoon te vinden dat ik bang was een uilskuiken te lijken door te zeggen: 'Zet dat maar uit je hoofd!' Ik heb nooit erg goed overweg gekund met dat soort mannen, ze maken dat ik de kluts kwijtraak en terwijl ik nog nadenk, is het al gebeurd. De volgende dag bestelde hij het andere meisje, dat een telegram had gestuurd, af en gingen we met z'n tweeën ergens anders heen om de anderen te ontlopen. In die haven waar hij al jaren zijn vakantie doorbracht, was het niet uit te houden.
Al die tijd dat we samen waren, ging alles prima. Omdat het zijn levensbehoefte en talent was zich aan anderen aan te passen, paste hij zich perfect aan mij aan. Maar waar zou hij niet de behoefte hebben gevoeld zich aan te passen? Welke vorm van aanpassing was zijn natuurlijkste van al die vormen waartoe hij in staat was? Die vraag heeft me altijd beziggehouden en daarop heb ik nooit een duidelijk antwoord van hem kunnen krijgen. Hij vindt alle vormen van aanpassing prettig omdat zich aanpassen nu juist datgene is wat hij graag doet! Er was dus geen enkele reden waarom ik meer bij hem in de smaak zou vallen dan een andere vrouw.
Toen hij weer in Parijs was, ging hij terug naar zijn vreselijke hotel vol wezens die al van tevoren aan wie dan ook waren aangepast, en die hij altijd maar weer tegenkwam in de gangen, in de straten in de buurt, in het restaurant waar hij nog heel laat bleef zitten drinken, niet zozeer omdat hij zo nodig moest drinken maar omdat hij hield van datgene wat alleen bij een glaasje wordt gezegd. En ze vonden hem zo aantrekkelijk en zo briljant als hij gedronken had, en ze zeiden dat hij op een grote hazewind leek, die arme simpele zielen die verblind waren door het verlangen om te bestaan, dat wil zeggen bij een man te horen, en ze deden allemaal niets liever dan hem 's ochtends voor het ontbijt zijn eerste whisky brengen, met die nederigheid die kenmerkend is voor verpleegsters en die, als ze zich eenmaal een plaats hebben verworven, zo snel het bazige gedrag van een feeks wordt. Ik dacht bij mezelf dat ik met mijn eisen, mijn jaloezie en de slechte dunk die ik van hem had, niet lang stand zou houden tegenover hen en dat ik hem bij hen weg moest halen voordat iemand die minder goed was dan ik hem aan de haak sloeg, zoals dat al eens eerder was gebeurd. De arme hazewind kan, omdat hij niet in staat is onaardig te doen, geen nee zeggen.
Ik herinner me dat ik mijn besluit heb genomen in de nacht dat ik in zijn hotel sliep en er successievelijk twee meisjes zijn kamer binnenkwamen alsof ze thuis waren. De ene was goed gedresseerd en zei meteen dat ze zich in de deur had vergist, maar ik had de tijd gehad om te zien hoe ze onder haar kamerjas, die wijdopen hing, enorme borsten had met tepels als vrachtwagenbanden. Wat nu? Hield hij van enorme borsten of van kleine? Het tijdstip was gekomen waarop hij moest kiezen. Ik weet nog steeds niet waar zijn voorkeur naar uitgaat. Wat het andere meisje betreft zal hij wel een vergissing hebben gemaakt in zijn notitieboekje dat altijd helemaal vol stond, want ze bleef lang op woedende toon bij de deur staan onderhandelen.
Toen hij gesommeerd werd een keuze te maken, koos hij voor de kleine borsten en kwam hij in huis wonen bij mij en Pauline, die twee jaar was. Hij leek gelukkig, zoals gewoonlijk; ik ook, maar mama hield helemaal niet van Yves. Of althans niet voor mij: ze dacht dat ik niet tegen hem was opgewassen.
'Als je gaat "hokken", gaat je vader dood van verdriet,' zei ze steeds maar tegen me, want ze wist dat ik een zwak had voor mijn vader en dat hij haar nooit zou durven tegenspreken. Ze gebruikte altijd de lelijkste woorden om over de liefde te praten. Met opzet.
Ik was vierentwintig, had een baan en een dochtertje, maar ik was achterlijk genoeg om nog te geloven dat ouders kunnen doodgaan van verdriet om zulke dingen! Dus vroeg ik Yves weer om uitsluitsel en de arme kerel stemde er meteen in toe met me te trouwen. Ik weet nog steeds niet of hij alleen ook op het idee zou zijn gekomen. In ieder geval trouwde hij een maand later met me. Hij beviel me nog steeds niet, noch lichamelijk noch geestelijk, maar ik was verliefd. Dat was erg.
Ik bleef nog steeds gevoelig voor intellectuelen met bril. want mijn smaak veranderde niet zomaar doordat me een onvoorziene gebeurtenis was overkomen. Trouwens, Yves is er in het geheel niet op vooruitgegaan. Het lukte me om ongeveer tien procent van de hazewindjaagsters weg te werken - een miniem percentage - en verder de te lichte kostuums en de brillantine, omdat zulke details hem eigenlijk koud laten en het hem hoe dan ook altijd goed gaat. Brillantine wordt trouwens niet meer gemaakt, zou de garen-en-bandverkoopster zeggen. Het was van die blauwe Roja! Maar hij heeft nog wel zijn vogeloogjes met die koele blik, zijn vermoeide tred, die innemende glimlach, die honingzoete praatjes en een liefdevol gebaar voor alle vrouwen die de leeftijd hebben om een kanten slipje te dragen. Hij is twintig kilo aangekomen, maar twintig kilo van zijn eigen materie: hij is niet veranderd. En hij houdt er steeds meer van nieuwe mensen te ontmoeten omdat die nog geen druk kunnen uitoefenen op zijn leven en hij een hekel heeft aan iedere verplichting. Hij loopt alleen wat krommer dan vroeger omdat hij ondanks alles wel het een en ander heeft meegemaakt. En omdat hij zo nu en dan nog het dode lichaam van Yang met zich meedraagt.
Je overleeft alleen als je je ontdoet van spoken, heeft Bachelard gezegd. Maar Yves maakt niet graag iemand dood, zelfs geen spoken. Hij stopt alles goed diep in zichzelf weg en probeert er niet meer aan te denken. Daarom houdt hij ook zoveel van de zee: die bespaart hem verdere gedachten. Zo als hij daar gisteren op de brug stond met Alex en de kapitein, terwijl hij zich vertrouwd maakte met het besturen van die grote witte potvis die de Moana is, met het vooruit zicht dat hij er zes maanden tussenuit zou zijn, ik geloof dat hij van zijn leven nog nooit zo gelukkig was geweest. Je trouwdag de mooiste dag van je leven? Dat geldt nooit voor een man. Het doel van hun bestaan is veel meer dan een vrouw, het is kiezen voor het leven in zijn geheel. Als vrouwen dat ook maar eens konden begrijpen...
Yves weigert al een jaar te denken. Sinds de dood van Yang. We verlaten vandaag niet alleen Frankrijk maar ook dat jaar stilte. Niet zozeer die zelfmoord heeft ons lamgeslagen als wel ons echec inzake het belangrijkste probleem van twee mensen die van elkaar houden en samen door het leven gaan. Toch waren we het in het begin eens geweest, welgemeend en zonder aarzelingen. Yves had eens tegen me gezegd, nog steeds naar aanleiding van Julien en Eveline die als stel zo'n beetje het negatief van ons vormden:
'Het verdriet van Julien laat ik voor wat het is, maar er is één ding dat ik in alle gevallen ontoelaatbaar vind, en dat is chantage door middel van verdriet: "Doe het niet, omdat ik er te veel verdriet van zou hebben." Zelfs tussen ouders en kinderen is dat een oneerlijk argument dat je jezelf zou moeten verbieden te gebruiken. Dat ik nooit zal gebruiken. Ik kan me voorstellen dat je verdriet hebt maar dat geeft je geen enkel recht op het leven en de daden van iemand anders. Ieder moet voor zich uitmaken of hij wel of niet tegen het verdriet kan dat hij veroorzaakt.'
Het zwakke punt van deze redenering is dat je niet in staat bent het verdriet van de ander naar waarde te schatten; daarom kun je er zo goed tegen. Ik onderschatte zelfs het verdriet dat ik zou voelen. Maar we waren het eens over het principe. Pech gehad! Mij viel de gelegenheid ten deel het als eerste toe te passen. Mijn aangeboren trots en de vrees om schijnbaar ook maar de geringste chantage uit te oefenen, zorgden ervoor dat Yves kon geloven wat hij maar al te graag wilde geloven: dat deze hele affaire in mijn ogen niet anders dan onbelangrijk kon zijn omdat die niets veranderde aan zijn 'diepste' gevoelens. Maar die mooie redeneringen werden alleen gebruikt om te maskeren dat we het tijd perk van compromissen en berusting ingingen. Wanneer gevoelens er prat op gaan dat ze zo diep zijn, is dat omdat ze te weinig oppervlakte hebben. En de huid is belangrijk in de liefde. Voortaan bedreven we de liefde in een treurige stemming. Was ik de enige die zich zo melancholiek voelde? Ik vroeg het niet aan Yves want als we hadden geconstateerd dat de vreugde, zo niet het genot, uit onze relatie was verdwenen, was daardoor onze situatie alleen nog operationeel geworden: je blijft ook aan elkaar gebonden door het genot dat je schenkt of veinst te ontvangen. Bovendien was ik het over het principe nog steeds eens en wilde ik het hoofd graag koel houden juist omdat mijn hart van streek was en ik gevoelens van jaloezie koesterde waarvoor ik weinig respect had.
'Het is angstaanjagend,' had Yves eens tegen me gezegd toen we spraken over het leven met z'n tweeën, 'als je bedenkt dat het huwelijk bijna in alle gevallen een onderneming wordt waarbij het individu en zijn vrijheid en iedere vorm van verrijking buiten het huwelijk om worden vernietigd. Het is al een hele krachttoer je leven lang met iemand gelukkig te zijn, vind je niet... zonder dat je probeert de weg al te smal te maken.'
Natuurlijk vond ik dat. Maar ik vond ook dat het een hele krachttoer was om met iemand ongelukkig te zijn en daar vrolijk bij te blijven.
Ik kon vrolijk blijven zolang niemand duidelijk woord voor woord tegen me zei: yves is de minnaar van yang, en ik vermeed alle gelegenheden waar ik kans liep die onherroepelijke woorden te horen, want ik wist dat ik vervolgens zou terugverlangen naar de tijd waarin de waarheid nog maar net aan de oppervlakte kwam, als een ijsberg waarvan zeven achtste deel voor rekening van het onderbewuste komt. Dankzij die weigering en omdat ik niet goed wist uit welke reserves ik putte, noch wat het me op zekere dag zou kosten, slaagde ik er twee jaar lang in tamelijk correct om te gaan met het overspel van Yves, het handschrift van Yang bij de post te verdragen, niet te controleren of bepaalde weekends zoals gezegd werkweekends waren, niet voor het raam te gaan staan als hij wegging, om niet de 4cv van Yang beneden op hem te zien wachten, en hem iedere ochtend de telefoon te overhandigen zonder dat daardoor mijn dag voorgoed bedorven was. Dat het mijn leven bedierf, realiseerde ik me pas later. In crisisgevallen is het soms voldoende om gewoon door te gaan met je dagelijkse bezigheden.
En toen op een dag gebeurde het, iemand vuurde die zin recht op me af, waardoor mijn hersens gedwongen werden te registreren wat alles in me allang wist. En die iemand was Jacques. We zaten samen in een restaurant te eten, ik zal me die martelkamer altijd blijven herinneren. Yves was op reis voor een serie lezingen over Groenland en Patricia was die avond een beetje ziek, zoals gewoonlijk, wat ons de mogelijkheid bood voor zo'n intiem dinertje dat door twintig jaar vriendschap was toegestaan en dat we voor niets ter wereld hadden opgegeven, want we vonden het belangrijk te laten blijken dat we bij elkaar een streepje voorhadden op grond van rechten die allang aan de orde waren voordat onze respectieve echtgenoten ten tonele verschenen. Jacques vertelde me dan over zijn leven, dat wil zeggen bijna uitsluitend over zijn liefdes, en door een veelvoorkomend eigenaardig trekje dat me goed van pas kwam, stelde hij me altijd heel weinig vragen over mijn liefde. Maar die rampzalige avond meende hij, nadat hij me had verteld dat hij pas had kennisgemaakt met een - zoals gewoonlijk - werkelijk uitzonderlijke jonge vrouw, dat het van hartelijkheid getuigde interesse te tonen voor mij.
'Ik heb veel bewondering voor het paar dat Yves en jij vormen,' zei hij. 'Dat zal niet elke dag gemakkelijk zijn. Jullie zijn het enige voorbeeld dat ik ken van een in dat opzicht volkomen geslaagde relatie.'
Waarom niet elke dag gemakkelijk? Geslaagd in welk opzicht? Vooral niet verder op ingaan. Maar Jacques ging door met zijn pikhamer zonder te weten dat hij de dijk zou afbreken die mij beschermde.
'Ik zou je een onbescheiden vraag willen stellen: ben jij zoals Simone de Beauvoir, weet je... in L'Invitée? Zijn Yang en jij... eh...'
'Ben je gek?'
Dat was alles wat ik kon uitbrengen voordat de watermassa waarin ik schipbreuk zou lijden me overspoelde. Ik hield die uit alle macht tegen, met als enige zorg dat Jacques niet door zou hebben dat ik niets wist. Ik wist het trouwens wel, maar ik wist niet dat ik het wist. Bij heel veel echtparen kun je een Oedipus aantreffen, die zichzelf de ogen uitkrabt of gek maakt om een ondraaglijk probleem te omzeilen. En dat werkt, tot op een dag...
Wat een hel, dat restaurant! Mijn lichaam liet me volkomen in de steek. Ik slaagde erin de schijn op te houden en Jacques, die plotseling alles had begrepen, bracht me heel snel naar huis.
Als Yves die nacht in Parijs was geweest, was ik losgebarsten: 'Doe het niet, omdat het mij te veel pijn doet... Ik smeek je afstand te doen van de helft van je leven... Kies maar: het is zij of ik...' - alles waarvan we gezworen hadden het nooit tegen elkaar te zeggen! Gelukkig heb ik nooit door de telefoon een gevoel onder woorden kunnen brengen. Ik had trouwens het adres niet van Yves, die iedere dag in een andere stad was. Toen heb ik Yang geschreven. Ik wilde dat zij ook verdriet had en dat zij dan maar degene was die de bewuste zinnen tegen Yves zou zeggen.
Toen hij terug was, wachtte ik tot er daar iets zou gebeuren. Maar er gebeurde niets: ze wist het goed te incasseren. Iedere ochtend bij het ontwaken dacht ik aan Yves en Yang en dan viel er een emmer ijskoud water over mijn hoofd, maar daarna redeneerde ik dan bij mezelf: Yves houdt van me; hij wil niet bij me weg; wat ons bindt is nog steeds belangrijker dan wat ons scheidt; ik verveel me nooit met hem en zelfs als ze zijn piemel eraf zouden hakken, zou ik nog graag met hem willen leven. Dus? Dus bleef alles hetzelfde. Ik heb het gevoel dat ik mijn bijdrage aan het leven dat jaar wel heb betaald en een onbeperkt krediet heb gekregen: Yves kan voortaan heel wat verdriet hebben zonder het helemaal te verbruiken. Ik geloof trouwens niet dat hij verdriet heeft: het is erger. Hij is er getuige van dat zijn illusies in rook opgaan. Door de zelfmoord van Yang is de waarheid plotseling aan het licht gekomen: hij heeft zich op beide fronten vergist door te denken dat hij Yang genoeg geluk schonk zonder dat hij mij te veel afnam. Daar draait het om, wat hij er ook over zegt, om die vergelijking die steeds verandert en nooit wordt opgelost. En die constatering achteraf boezemt hem afgrijzen in. Ook wij hebben ons niet kunnen onttrekken aan die smerige, treurige wetten waarop gevoelens zijn gebaseerd die graag voor buitengewoon edelmoedig doorgaan. Die beoordelingsfout heeft hem zijn animo in het leven en in andere mensen ontnomen, terwijl dat, geloof ik, het beste van hemzelf was. Hoe leef je verder zonder het beste van jezelf? Hij neemt het niemand kwalijk, hij houdt nog van me, maar het is niet meer dezelfde man die van me houdt. Hij kijkt toe hoe er een jonge man in hem sterft, zijn jonge man, die veel meer vertegenwoordigde dan zijn jeugd, namelijk de voorwaarden zelf die hij aan het leven stelde om het voor hem draaglijk te maken.
Yves is ongelukkig zoals een dier: hij lijkt op een gewonde hond die niet begrijpt dat de wereld zo hard is. Op zulke momenten niet in staat uitleg te geven, elke gedachte in een verdedigingsreflex geblokkeerd op een dood punt, en alleen nog verlangend naar een schuilplaats waar hij zich kan verstoppen of slapen. Wat heeft hij niet geslapen sinds een jaar! Zijn lichaam zint op middelen om ziek te worden zodat hij een bezigheid heeft. Als er geen enkele ziekte beschikbaar is - dat komt zelden voor - wordt hij overspoeld door een oneindige vermoeidheid. Wat is hij niet moe geweest sinds een jaar! Daarvoor kan hij dan de huisarts raadplegen, of zelfs een gerontoloog, want je bent tegenwoordig al heel gauw ziek van ouderdom. Een van beiden schrijft hem een lange reeks onderzoeken voor en Yves telt hoge bedragen neer om te horen dat hij het gestel heeft van een man van zesenveertig, dat hij te veel rookt, dat hij iedere dag genoeg alcohol drinkt om zijn maagklachten te houden, dat stadslucht niet goed voor hem is en dat gymnastiek gezond voor hem zou zijn, zoals voor alle mannen van zesenveertig die roken, drinken, werken en ouder worden in een grote stad, kortom, die een normaal leven leiden. Men raadt hem aan een Adam's Trainer te kopen, die drie keer wordt gebruikt, of Gerontix te gebruiken, waarbij je van de naam alleen al oud wordt van ellende. Hoe het ook zij, Yves weet heel goed wat hij heeft. Maar we zeggen nooit dat we 'de zaak eens en voor altijd tot klaarheid moeten brengen', want we weten dat er geen klaarheid is, of het moest een pijnlijke zijn, dat we bij onze standpunten blijven omdat het geen theorieën zijn maar een deel van onszelf, en dat er eigenlijk geen sprake is van een 'zaak' maar van de voortdurende veranderingen in die twintig jaar die we samen hebben doorgebracht en waarin we zo nauw met elkaar zijn verbonden dat woorden als verantwoordelijkheid of schuld helemaal niets meer betekenen.
Jammer genoeg is het in een relatie zo dat hoe minder je hebt gepraat, hoe minder je praat. Het werd tijd dat we uit het moeras kwamen. Wat die film betreft die Yves zonder grote verwachtingen op Tahiti hoopte te maken: Jacques, onze tandarts en toch onze vriend, kende iemand die daarvoor als producer kon optreden. Iris had zin om risico's te nemen en had geld te verliezen. Alex wilde vissen op de Rode Zee en India zien. En Ivan, de zoon van Iris, wilde leven te midden van de analfabeten, waarschijnlijk omdat zijn stiefvader zich al tien jaar wijdde aan de alfabetisering van Togo zonder erin te slagen zijn enige zoon te laten studeren. Zo werd de film verrijkt met verschillende extraatjes, met coproducers en medewerking van diverse mensen, om ten slotte zo niet een vaststaand feit, dan toch op zijn minst een onverwachte mogelijkheid te worden om er zes maanden tussenuit te trekken zonder een cent uit te geven. Het zou schandalig zijn geweest als hij die gelegenheid niet had aangegrepen, had Yves gezegd, en daarmee gelastte hij mij bij het Onderwijs zes maanden onbetaald verlof te vragen.
'Besef je wat een kans dat voor ons is?' zei hij steeds weer. 'Samen naar het andere eind van de wereld vertrekken en misschien veel geld verdienen...'
'Je verkoopt de huid van de beer voordat je hem gefilmd hebt!' zei ik steeds, uit principe terughoudend tegenover buitenkansjes, terwijl ik heel goed weet dat die alleen gunstig zijn voor wie erin gelooft. Maar op gevaar af mijn kans mis te lopen, weiger ik te geloven, want ik heb nooit kunnen nalaten een soort morele waarde toe te kennen aan tegenspoed, alsof die een teken is van een superieur karakter, en boos te worden op Yves om de gunsten die de voorzienigheid hem schenkt, alsof die het resultaat zijn van een of ander compromis! Deze reis had te veel weg van een sprookje om fatsoenlijk te kunnen zijn... en ik sloeg geen gelegenheid over erop af te geven, om een bres te slaan in dat stelselmatige optimisme, om tegen zijn beschermengel in te gaan die ervoor zorgt dat hij op het beslissende moment een klaveraas omkeert of midden in de nacht in een dorpje van vijftig inwoners een jeugdvriend tegenkomt die hem uit het nauw zal redden. Ik ben zijn ongeluksvogel geworden, die met boosaardige vreugde komt vertellen dat het morgen ongetwijfeld hondenweer is, dat zijn auto een raar geluid maakt, dat hij meer belasting moet gaan betalen of dat Pauline met een nietsnut gaat trouwen die we zijn leven lang zullen moeten onderhouden. Voor dat spelletje is de zee mijn favoriete domein want die overtreft altijd de ergste verwachtingen: je kunt er rustig op vertrouwen dat het er altijd slecht weer is en juist dat soort slecht waarvan je het meest last hebt bij datgene wat je wilde doen. Ik besef dat ook deze keer het zilte nat me weer gelijk heeft gegeven. Ze zullen regelmatig tegen je zeggen dat dit nog nooit vertoond is, dat het voor het eerst sinds 1883 zulk weer is. Geloof er niets van. Lach erom en zie de werkelijkheid onder ogen: op zee komt wat zeldzaam is veel voor. Wanneer je naar het oosten vaart, komt de wind altijd pal uit het oosten. Als je wilt proberen de Indische Oceaan voor de moesson over te steken, begint die dat jaar drie weken eerder. Op de dag dat je zeil wordt gerepareerd, begeeft je motor het en op het moment dat je je roeispaan doormidden hebt gebroken en je al peddelend met de restanten de oever probeert te bereiken, steekt er plotseling een rukwind op die precies zo lang aanhoudt als jij nodig hebt om uitgeput bij de kust aan te komen. Harpen van Zweeds staal breken het eerst, gegalvaniseerde kettingen roesten het snelst, kortom, het onwaarschijnlijkste gebeurt het vaakst. Bedenk één ding goed: de zee is het ergste secreet dat er bestaat. En ze wacht nooit tot ze kleur heeft bekend.
We hadden het anker nog niet gelicht of Patricia was al zeeziek en achtenveertig uur later was geen van ons meer in staat naar de eetzaal te komen. We hadden de eerste dag oliejassen willen aandoen en ons laten nat spatten op het voordek: de eerste golven zijn altijd leuk. We vergaten dat de Moana geen boot is maar een bulldozer die de zee doorploegt met een vaart van vijftien knopen zonder rekening te houden met oneffenheden. Yves kreeg de bronzen klok op zijn scheenbeen en Alex' fototoestel werd hem door een guitige golf uit handen gerukt.
'Dit is storm,' kreunde Iris terwijl we nog maar aan een 'flinke bries' toe waren.
De volgende dag was de wind, voor de lol en om ons duidelijk te maken hoe de zaken ervoor stonden, nog aangewakkerd. Zoals we daar in stadskleding in de grote salon met het Engelse chintz zaten, bij de open haard waar onverstoorbaar het vuur van namaakhoutblokken lag te gloeien, leken we wel gasten van Maxim's die door een vloedgolf overvallen en hevig ontstemd waren. Iris was duidelijk razend dat ze de ober niet kon roepen om hem te vragen onmiddellijk een eind te maken aan die grappenmakerij. Dat is nu de macht van de zee: ze trekt zich niets aan van rijken, van luxeboten en geperfectioneerde apparaten. Ze verdraagt die hooguit. Nooit een voorkeursbehandeling.
Een kamermeisje kwam onze fauteuils aan de vloer vast haken, alle snuisterijen van de planken weghalen en, ondanks ons protest, ons rantsoen aan Dramamine uitdelen. 'Zullen we niet eens naar bed gaan?' stelde Alex tot algemene opluchting voor, hoewel het nog maar net negen uur was. Wat had het inderdaad voor zin om te vechten? Aangezien de Moana met behulp van een gekwalificeerde bemanning vanzelf vooruitkwam, was er niets wat ons verplichtte de schijn op te houden en we verdwenen naar onze slaapkamers met de zachte ondergrond. Je kon zelfs geen bad nemen, want het water in een badkuip blijft, in tegenstelling tot het zeewater, hardnekkig horizontaal en richt zich niet naar de bewegingen van de boot. Wanneer de badkuip naar beneden gaat, blijft het badwater in de lucht hangen.
De derde dag maakte niemand ook maar de minste aanstalten om zijn bed te verlaten en daarom werden er dienbladen gebracht naar de kooien die tegen het slingeren van schotten waren voorzien, door onverschrokken personeel dat we in de gangen van de ene wand naar de andere hoorden springen. Ook die dag lukte het me om te eten. Maar de zee was nog niet met ons uitgespeeld: 's avonds werd er windkracht tien voorspeld. Je kon niet meer slapen of lezen, je kon helemaal niets meer, behalve je vastklampen aan de schotten en wachten tot de uren voorbijgingen, die ontelbaar waren en leken op de golven, terwijl je je afvroeg of je zin had om te eten of om te braken, of het te koud was of te warm, of het verstandig was om nog een tabletje te nemen, een plasje te gaan doen, jezelf met eau de cologne te besprenkelen, of je ogen dicht te doen om te sterven, want al die dingen leken hetzelfde en allemaal even oninteressant. Bij het dalen weeg je vijftig kilo veren en zweef je op een paar centimeter afstand van je bed dat wegzinkt; en wanneer je eindelijk beneden bent en vijftig kilo lood weegt, kom je de matras tegen die juist weer omhooggaat zonder zich iets van jou aan te trekken.
Nee, ik heb geen last van zeeziekte maar van iets verraderlijkers, een gevoel van weemoed, van onlust, dat de afschuwelijke gedachten uit het diepst van mijn wezen, waar ik ze meestal verborgen houd, naar boven haalt. Mijn bestaansredenen op aarde? Met afgrijzen kan ik er plotseling geen enkele meer bedenken. En op zee nog minder! Ben ik eigenlijk wel op zee? Is het dag of nacht? Sinds ze stalen luiken op onze patrijspoorten hebben geschroefd, ben ik niet meer dan een zielige cavia die zit opgesloten in een ijzeren hok dat door een maniak heen en weer wordt geschud. Na vierentwintig uur metafysische angsten waarvan ik misselijk van benauwdheid word, houd ik het niet meer uit: ik moet Yves wakker maken die daar al bijna twee dagen de onrechtvaardige slaap van de zeeman ligt te slapen, waarbij hij tevoorschijn komt en weer verdwijnt achter de schotten van zijn bed alsof hij in vertraagd tempo copuleert met de zee.
'Een lek! Iedereen aan dek.'
'Hè? Wat?' roept Yves, terwijl hij rechtop gaat zitten. 'Wat is er?'
'Er is een lek, iedereen aan dek,' zeg ik rustig, want ik heb niet eens de kracht om iets beters te bedenken. 'Buitengewoon geestig,' zegt hij. 'Is het te veel van je gevraagd om iemand te laten slapen?'
'Sorry, schat, maar je hoestte en toen dacht ik dat je wakker was.'
'Is het tien uur 's ochtends of 's avonds?' vraagt Yves, die net op zijn horloge heeft gekeken.
"s Ochtends natuurlijk! Je slaapt al achtendertig uur! We zijn de Straat van Bonifacio gepasseerd, voorbij de laars van Italië...'
'En wat voor weer was het?' vraagt de hazewind in alle oprechtheid.