Dertiende hoofdstuk

 

De graaf liep het portaal door stond plotseling stil en hield zijn arm als een versperring voor de deuropening. „Alstublieft, professor Jennings, blijft u binnen." „Ik?" Jennings keek hem verbaasd aan. „Binnen blijven? Maar mijn beste man, ik ben juist de enige die hier niet blijft." „Inderdaad, maar blijft u toch nog even hier. Sandor, let erop dat de professor het doet." De graaf draaide zich om en zonder de professor gelegenheid te geven nog iets te zeggen, liep hij door. Reynolds volgde hem op de voet. „Wat u bedoelt," zei de Engelsman zacht en bitter, „is dat er maar één goed gerichte kogel in het hart van de professor nodig zal zijn om Hidas rechtsomkeerd te laten maken: mét zijn twee gevangenen en hoogst voldaan over zijn werk van deze avond." „Iets dergelijks was ook bij mij opgekomen," gaf de graaf toe. Zijn schoenen knarsten door het (Verschuivende kiezel. Dan bleef hij bij de boot staan en keek over het donkere, koude water van de traag stromende rivier. Tegen de witte achtergrond van sneeuw waren de trucks en de gestalten van de AVO-mannen goed te zien, maar het was al zo donker geworden dat het bijna onmogelijk bleek gezichten en uniformen te onderscheiden. Het waren alleen maar donkere, lege silhouetten. Slechts Coco was te herkennen en dat kwam door zijn lengte. Eén man stond echter wat naar voren, tot met de punten van zijn schoenen aan het water, en hem riep de graaf aan. „Kolonel Hidas?" „Hier ben ik, majoor Howarth." „Goed, laten we verder geen tijd verspillen. Ik stel voor de uitwisseling zo gauw mogelijk plaats te doen vinden. De nacht begint te vallen, kolonel Hidas en daar u bij daglicht al niet te vertrouwen bent, weet God alleen hoe het in het donker zal zijn. Ik voel er niets voor te blijven wachten om het mee te maken." „Ik zal mijn belofte nakomen." „Gebruik liever geen woorden die u niet begrijpt!… Zeg tegen uw chauffeurs dat ze de trucks terug moeten rijden tot het bos. U en uw mannen volgen hun voorbeeld. Op die afstand – een tweehonderd meter - zal het u niet mogelijk zijn een van ons op de een of andere manier te herkennen. Soms gaat er per ongeluk wel eens een geweer af, maar vanavond niet." „Het zal precies gebeuren als u zegt!" Hidas draaide zich om, gaf een bevel, wachtte tot de twee trucks en zijn mannen zich van de rivieroever begonnen te verwijderen en keerde zich dan weer in de richting van de graaf. „En verder, majoor Howarth?" „Dat zal ik u zeggen. Als ik u roep, laat u de vrouw van de generaal en zijn dochter vrij, die dan naar de rivier lopen. Tegelijkertijd klimt Dr. Jennings in de boot en trekt hij zich naar de andere oever. Daar klimt hij de glooiing op, wacht tot de vrouwen dichtbij zijn, loopt hen voorbij en begeeft zich dan langzaam uw kant uit. Wanneer hij bij u is, zullen de vrouwen al veilig de rivier overgestoken zijn en het zal dan te donker zijn om iemand, aan welke kant van de rivier ook, kans te geven iets te bereiken door in den blinde weg te gaan schieten. Ik geloof niet dat er iets aan het plan mankeert." „Het zal precies gebeuren als u zegt!" herhaalde Hidas. Hij draaide zich om, klauterde de steile oever op en begaf zich naar de donkere lijn van de bomen. De graaf staarde hem na en streek zich peinzend over de kin. „Juist een ietsje al te meegaand," mompelde hij. „Juist een ietsje te verlangend om me terwille te zijn. Alleen maar een ietsje.. . tchah,- dat eeuwig wantrouwend karakter van me! Wat kan hij doen?" Hij verhief zijn stem. „Sandor! Kozak!" Hij wachtte tot de twee mannen uit het veerhuis gekomen waren. „Hoe is het met Jansci?" vroeg hij aan Sandor. „Hij zit overeind, maar zwaait nog wat heen en weer. Zijn hoofd doet erg pijn." „Onvermijdelijk!" De graaf wendde zich tot Reynolds. „Ik zou nog graag even een paar woordjes met Dr. Jennings willen wisselen, alleen - Jansci en ik. Misschien begrijpt u het. Het zal geen minuut duren, dat beloof ik u." „Zolang als u wilt," zei Reynolds dof. „Ik heb geen haast." „Ik weet het, ik weet het." De graaf aarzelde, scheen iets te willen zeggen, maar bedacht zich. „Wilt u de boot te water laten?" Reynolds knikte, zag de graaf in het veerhuis verdwijnen en begon Sandor en de kozak te helpen de boot over het kiezelstrandje in de rivier te trekken. Met vaartuigje bleek zwaarder te zijn dan het er uitzag. Stroef en knarsend schuurde het over de kiezels, maar met de hulp van Sandor werd het toch nog maar een werkje van enkele seconden en toen de boot in de rivier lag, kreeg de trage stroom haar te pakken en trok ze zachtjes aan haar touwen. De kozak en Sandor klommen de oever weer op. Reynolds echter bleef bij het water. Een ogenblik bewoog hij zich niet. Dan trok hij de revolver uit zijn zak, controleerde of de pal op veilig stond, stak het wapen weer weg, maar hield er zijn hand omheen geklemd. Er schenen nauwelijks enige seconden voorbij gegaan te zijn, maar dan plotseling stond Dr. Jennings al in de deuropening van het veerhuis. Hij zei iets dat Reynolds niet kon verstaan, dan klonk vanuit het portaal heel zacht de diepe stem van Jansci en toen die van de graaf. „U. .. u zult me niet kwalijk nemen dat ik hier blijf, Dr. Jennings." De graaf aarzelde en voor het eerst maakte Reynolds hem onzeker mee. „Het is. .. eh.. . ik zou liever…" „Ik begrijp het volkomen." De stem van Jennings was vast en rustig. „Kwel uzelf niet, goede vriend - en dank u voor alles wat u voor me deed." Dan wendde de professor zich abrupt af, liep naar de rivier, liet zich door Sandor de steile glooiing afhelpen en strompelde onbeholpen over de kiezels. Een gebogen gestalte - tot op dat moment had Reynolds zich nooit goed gerealiseerd hóé gebogen de oude man eigenlijk wel was - met de kraag hoog opgeslagen tegen de bittere kou, terwijl de panden van zijn dunne overjas wat zielig om zijn benen wapperden. Opeens voelde Reynolds diep medelijden met de weerloze, kranige oude man. „Het einde van de weg, jongen." De stem van Jennings was nog steeds heel rustig, maar er lag nu een schorre klank in. „Het spijt me dat ik je zoveel last heb bezorgd en alles voor niets. Je maakte een verre reis, een heel verre reis en nu dit! Het moet een harde klap voor je betekenen." Reynolds zei niets. Hij durfde niets te zeggen, maar langzaam kwam de revolver uit zijn zak. „Ik vergat Jansci nog één ding te zeggen," mompelde Jennings. „Dowidzenia, vertel hem dat ik dat gezegd heb. Alleen maar dowidzenia! Hij zal het begrijpen." „Ik begrijp het niet, maar dat geeft niet." Terwijl Jennings zich naar de boot begaf, liep hij recht tegen de loop van de revolver in, die Reynolds hem met een vaste hand voorhield en even zoog hij zijn adem met kracht naar binnen. „U kunt de boodschap zelf afgeven, professor Jennings. U blijft namelijk hier." „Wat… wat bedoel je, jongen? Ik begrijp je niet." „Er valt niets te begrijpen: u blijft hier." „Maar hoe… maar Julia dan?" „Ik weet het." „Maar… maar de graaf zei dat je van plan bent met haar te trouwen." Reynolds knikte zwijgend in het donker. „En. .. je bent bereid - ik bedoel, je gaat haar opgeven. .." „Er zijn een paar dingen die zelfs nog belangrijker zijn dan dat!" Reynolds sprak zo zacht, dat Jennings zich naar hem toe moest buigen om hem te verstaan. „Is dat je laatste woord?" „Mijn laatste woord." „Dan ben ik heel tevreden," mompelde Jennings, „en behoef ik verder niets meer te horen." Hij draaide zich om, scheen over de kiezels op zijn schreden terug te willen keren, maar toen Reynolds de revolver in zijn zak begon te steken, gaf de professor hem met alle kracht een duw. Reynolds verloor op de gladde kiezelstenen zijn evenwicht, viel achterover en kwam zó hard met zijn hoofd op een kei terecht dat het hem even versufte. Tegen de tijd dat hij weer helder kon denken en nog wat duizelig overeind was gekrabbeld, had Jennings met luide stem iets geschreeuwd - pas veel later besefte Reynolds dat dit het sein voor Hidas was geweest om Julia en haar moeder vrij te laten - was in de boot geklauterd en bevond hij zich al halverwege de rivier. „Kom terug, dwaas die je bent, kom terug!" De stem van Reynolds sloeg over van woede en zonder dat hij zich realiseerde hoe nutteloos het was, begon hij als waanzinnig aan het over de rivier gespannen touw te trekken. Dan herinnerde hij zich vaag dat het touw aan beide kanten vast zat en de boot er dus geheel onafhankelijk van was. Jennings schonk niet de minste aandacht aan zijn geroep, hij keek zelfs niet even over zijn schouder. Toen de boot aan de overkant over de kiezels knarste, hoorde Reynolds de hese stem van Jansci, die in de deuropening van het veerhuis stond. „Wat is er? Wat is er gebeurd?" „Niets," antwoordde Reynolds moe. „Alles verloopt volgens het plan." Met benen die als lood aanvoelden klom hij de oever op. Zijn blikken dwaalden naar Jansci, naar het witte haar en het witte gezicht dat aan één kant van de slaap tot de kin met korsten bloed was bedekt. „Misschien kunt u zich beter wat opknappen. Uw vrouw en dochter kunnen elk ogenblik hier zijn - ik kan ze al over de open plek zien lopen."    „Ik begrijp het niet." Jansci drukte zijn hand tegen zijn hoofd. „Geeft niet." Reynolds zocht een sigaret en stak haar op. „Van onze kant hebben we ons aan de afspraak gehouden en Jennings is weg." Hij staarde naar het vuurpuntje van zijn sigaret dat opgloeide in de holte van zijn hand en keek dan plotseling op. „Ik vergat nog iets. Ik moest namens hem dowidzenia tegen u zeggen." „Dowidzenia?" Jansci had zijn hand weer van zijn hoofd genomen, staarde even wat onthutst naar het bloed aan zijn vingers, maar keek dan Reynolds plotseling op een eigenaardige manier aan. „Zei hij dat?" „Jawel. Hij zei dat u het zou begrijpen. Wat betekent dat woord?" „Vaarwel - het Poolse 'Auf Wiedersehen', tot ziens: tot we elkaar weer zullen ontmoeten." „Mijn God!" fluisterde Reynolds. Hij wierp zijn sigaret weg, draaide zich om en liep heel langzaam door het portaal naar de huiskamer. Jennings lag op de divan bij de kachel. Hij had geen hoed meer en geen jas, schudde traag en aanhoudend het hoofd en probeerde overeind te gaan zitten. Reynolds, met Jansci vlak achter zich, liep naar hem toe, sloeg zijn arm om de schouders van de oude man en ondersteunde hem. „Wat gebeurde er?" vroeg Reynolds zacht. „De graaf?" „Hij kwam plotseling binnen." Jennings wreef over zijn kaak die hem kennelijk veel pijn deed. „Hij kwam binnen, pakte twee handgranaten uit een tas en legde ze op tafel. Ik vroeg hem waar ze voor moesten dienen en hij antwoordde: als ze met die trucks naar Boedapest teruggaan, zullen ze er vervloekt lang over doen! Daarna kwam hij naar me toe, gaf me een hand en - meer herinner ik me niet." „Niet nodig, professor," zei Reynolds rustig. „Wacht hier. We zijn dadelijk terug - en binnen achtenveertig uur bent u weer bij uw vrouw en zoon." Met Jansci liep hij het portaal in. „De graaf!" zei Jansci heel zacht. Er lag een warmte in zijn stem, die aan verering grensde. „Hij sterft zoals hij heeft geleefd: zonder aan zichzelf te denken. Die handgranaten zorgen ervoor dat Hidas geen kans meer heeft ons voor de grens de weg af te snijden." „Handgranaten!" Diep in Reynolds begon heel langzaam een dofte woede te smeulen. Een vreemde woede die hij nog nimmer gekend had. „U praat over handgraten - nu! Ik dacht dat hij een vriend van u was." „Je zal nooit zo'n vriend leren kennen als hij." Jansci sprak met een stille, simpele overtuiging. „Hij is de beste vriend die ik of iemand anders ooit gehad zou kunnen hebben en daarom, zelfs al mocht ik er toe in staat zijn, zou ik hem nu niet tegenhouden. De graaf wilde sterven. Sinds ik hem heb leren kennen, heeft hij willen sterven. Het was alleen maar een erezaak voor hem om het zo lang mogelijk uit te stellen, om zoveel mogelijk lijdende mensen te geven wat ze van het leven, de vrijheid en het geluk verlangden eer hij zelf nam wat hij van de dood verlangde. Daarom bestonden er geen risico's voor de graaf. Elke dag van zijn leven maakte hij de dood het hof, maar niet openlijk en ik heb altijd geweten dat, wanneer de kans met zijn gevoel van eer zou overeenkomen, hij geen moment zou aarzelen en die kans met beide handen zou aangrijpen." Jansci schudde zijn met korsten bloed bedekt hoofd en in het licht, dat uit de huiskamer kwam, kon Reynolds zien dat de doffe, grijze ogen vochtig waren van de tranen. „Je bent nog jong, Meechail. Je kan je onmogelijk voorstellen hoe triest, doelloos en verschrikkelijk leeg het is om dag na eindeloze dag te moeten leven wanneer het verlangen om te leven sinds lang in je gestorven is. Ik ben egoïstisch als iedereen, maar niet zo egoïstisch om gelukkig te willen zijn ten koste van het geluk van de graaf. Ik hield van de graaf. Ik hoop dat de sneeuw hem vanavond heel zacht mag bedekken." „Het spijt me, het spijt me, Jansci." Reynolds meende het en in zijn hart wist hij dat het hem ook werkelijk diep en heel diep speet, maar wat en wie die spijt gold, zou hij op dat moment niet gezegd kunnen hebben: hij wist alleen dat zijn woede langzaam toenam, dat die woede niet langer smeulde, maar feller begon te branden dan ooit. Ze stonden nu bij de voordeur. Reynolds spande zijn ogen in en trachtte zoveel mogelijk in de sneeuw aan de overkant te onderscheiden. Julia en haar moeder kon hij duidelijk zien. Langzaam begaven ze zich in de richting van de oever. In het begin zag Reynolds geen spoor van de graaf, maar toen zijn ogen weer wat meer aan de duisternis gewend waren geraakt, kreeg hij hem in het oog - een zich voortbewegende gestalte, niet meer dan een vage schim tegen de donkere achtergrond van de bomen. Veel te dicht bij de bomen, zoals Reynolds zich eensklaps realiseerde. Julia en haar moeder hadden op dat moment de open plek namelijk nauwelijks voor de helft overgestoken. „Kijk!" Reynolds pakte Jansci bij de arm. „De graaf is er al bijna, maar Julia en haar moeder komen nauwelijks vooruit. Wat hebben ze in vredesnaam? Ze zullen gegrepen of beschoten worden - wat was dat?" Een luide, onverwachte plons, die in de stille avond als een donderslag klonk, had hem plotseling doen schrikken. Reynolds holde naar de oever en zag hoe een paar onzichtbare armen het ijskoude, donkere water doorkliefden: het was Sandor. Hij had het gevaar even eerder gezien dan Reynolds, was uit zijn overjas en colbert geschoten, in de rivier gesprongen en nu trokken zijn geweldige armen en schouders hem als een torpedo naar de overkant. „Ze verkeren in moeilijkheden, Meechail!" Jansci bevond zich nu ook op de oever en er lag angst in zijn gespannen stem. „Een van hen, het moet Catherine zijn, kan nauwelijks meer lopen - zie je hoe ze zich voortsleept? Dat kan Julia niet aan…" Sandor had de overkant bereikt. Hij waadde naar het kiezelstrandje en was in een wip de toch bijna een meter hoge glooiing over, alsof deze er helemaal niet geweest was. En op dat moment, juist toen Sandor op de oever stond, hoorden Reynolds en Jansci het - een korte, doffe explosie, onmiskenbaar het gekraak van een ontploffende handgranaat, dan een tweede eer zelfs de echo van de eerste was weggestorven en bijna onmiddellijk gevolgd door het ratelend, droge staccato van een automatische karabijn - daarna een doodse stilte. Reynolds huiverde. Hij keek naar Jansci, maar het was te donker om de uitdrukking op diens gezicht te kunnen zien. Reynolds kon hem alleen maar steeds opnieuw weer in zichzelf horen mompelen. De woorden verstond hij echter niet: vermoedelijk was het Oekraïns. Er was trouwens geen tijd om er stil bij te blijven staan, want zelfs al op dit moment zou kolonel Hidas zich over de man kunnen buigen, die hij voor professor Jennings had gehouden.. . Sandor bevond zich nu bij de beide vrouwen. Hij sloeg om ieder een arm en kwam met grote sprongen terug naar de rivier. Praktisch gesproken moest hij Julia en haar moeder dragen, maar het leek of hij twee lichtvoetige hardloopsters bij de hand had. Reynolds draaide zich om en zag dat de kozak vlak achter hem stond. „Ik verwacht moeilijkheden," zei Reynolds vlug. „Ga naar het huis, steek het machinepistool door het raam en als Sandor in de dekking van de oever is…" De kozak was al weg en toen hij naar het veerhuis holde, knarste en kraakte het grint onder zijn schoenen. Reynolds wendde zich weer naar de rivier. Hij wist dat hij niets kon doen en in angst en spanning bleef hij wachten. Zijn handen balden en ontspanden zich, balden en ontspanden zich telkens weer opnieuw. Nog tien meter ongeveer had Sandor af te leggen, nu nog hoogstens zeven, vijf en nog steeds bleef het tussen de bomen op de achtergrond vreemd stil en was er geen enkele beweging waar te nemen. Tegen beter weten in begon Reynolds juist weer hoop te krijgen toen hij plotseling opgewonden geschreeuw in het bos hoorde. Er klonk een snauwend commando en dan opende een automatische karabijn ratelend en kuchend het vuur. De allereerste kogels floten Reynolds op slechts een paar centimeters afstand om de oren. Hij liet zich als een blok op de grond vallen, sleurde Jansci mee en bleef liggen. Woedend om zijn machteloosheid sloeg hij met zijn open hand op de kiezelstenen. Zonder schade aan te richten, vlogen de kogels snerpend fluitend over hem heen, maar zelfs in dat kritieke moment vond Reynolds nog tijd om zich af te vragen waarom er maar één karabijn schoot - hij had verwacht dat Hidas onmiddellijk zijn gehele arsenaal in actie gebracht zou hebben. Vlak daarop drong het door de dikke laag sneeuw gedempte geluid van hollende voetstappen tot hem door en even later sprong Sandor tot aan het middel in een wolk van sneeuw gehuld van de glooiing. Hij rukte Julia en haar moeder letterlijk met de voeten van de grond, gleed minstens een drie meter over het kiezelstrandje door en terwijl hij zich op de verraderlijk gladde stenen in evenwicht trachtte te houden, begon er eensklaps een machinegeweer met een andere vuursnelheid te ratelen - op de seconde af had de kozak het juiste moment gekozen. Het was de vraag of hij tegen die donkere achtergrond van bomen iemand kon zien, maar de mitrailleur van de AVO was precies in zijn richting opgesteld en verraadde, afgeschermd of niet, zijn positie door de rode vlammetjes die uit de mond van de loop spoten. Hoe het ook zij: de vuurstoten uit de richting van het bos stopten bijna onmiddellijk. Sandor was nu bij de boot en tilde er iemand in. Dan hielp hij een tweede gestalte in het vaartuigje, sleurde het zwaar beladen pontje met een geweldige ruk het water in en trok zich met zó'n hevige kracht de rivier over dat het klokkende water aan de voorsteven omhoog gestuwd werd tot een boeggolf die wit glinsterde in het duister van de avond. Jansci en Reynolds waren weer overeind gekomen. Ze stonden aan de rand van het water en wachtten met uitgestrekte handen om de boot te pakken en haar aan land te trekken en toen heel onverwacht klonken er een gesis en een zachte knal en kwam er nog geen dertig meter boven hen een lichtkogel tot ontploffing. Terwijl het felle licht hen een ogenblik verblindde, begonnen bijna tegelijkertijd aan de overkant een mitrailleur en verscheidene geweren te ratelen. Ook ditmaal kwam het geluid uit de richting van de bomen, maar nu veel verder naar het zuiden waar het bos zich omboog naar de rivier. „Schiet die lichtkogel omlaag!" schreeuwde Reynolds naar de kozak. „Bekommer je niet om de AVO, maar schiet die vervloekte lichtkogel omlaag!" Nog steeds verblind door het witte licht waadde hij de rivier in. Hij hoorde dat Jansci zijn voorbeeld volgde en vloekte zacht toen de zijkant van de boot pijnlijk tegen zijn knieschijf stootte. Dan greep hij het dolboord, rukte de boot tegen het licht hellende kiezelstrandje op en wankelde toen iemand, die heel onvoorzichtig rechtop in de boot was gaan staan, voorover tegen hem aan viel. Hij wist zijn evenwicht echter te herstellen en ving de vrouw in zijn armen op. Op dat ogenblik doofde de lichtkogel even onverwacht als ze ontbrand was: de kozak bewees die avond wat hij waard was! Het gekuch en geratel van de geweren aan de overkant bleef echter aanhouden. De AVO-mannen moesten nu op het gevoel schieten en aan alle kanten vlogen en floten en ricocheerden de kogels in het rond. Reynolds twijfelde er niet aan wie hij in zijn armen droeg. Het moest de vrouw van Jansci zijn, want ze was te broos en te licht voor Julia. Na de verblindende gloed van de lichtkogel was de duisternis nu volkomen ondoordringbaar geworden en op de tast begon Reynolds zich een weg over het kiezelstrandje te zoeken. Hij deed een eerste stap vooruit en zakte bijna in elkaar toen een felle pijn in zijn tijdelijk verlamde knie door zijn gehele been trok. Hij maakte een hand vrij en grabbelde naar het strak gespannen touw om steun te vinden. Dan hoorde hij een doffe slag alsof er iemand gevallen was en voelde hij hoe iemand hem rakelings passeerde en naar de glooiing holde. Reynolds klemde zijn tanden op elkaar om de snijdende pijn in zijn knie te vergeten en zo vlug mogelijk hinkte hij over de glibberige kiezelstenen. Hij voelde een gierende kogel aan de mouw van zijn jas rukken en de bijna een meter hoge oever, die hij met zijn pijnlijke knie en de vrouw in zijn armen had te beklimmen, doemde in zijn gedachten op als een onoverkomelijke hindernis. Dan duwden een paar geweldige handen hem echter eensklaps omhoog en stond hij met de vrouw nog steeds stevig vastgeklemd op de oever eer hij zich ook maar vaag gerealiseerd had wat er eigenlijk met hem was gebeurd. Het rechthoekig stukje licht van de voordeur lag nu geen drie meter meer van Reynolds vandaan en terwijl hij zijn ogen er strak op gevestigd hield, hoorde hij de kogels tegen de stenen gevel van het veerhuis slaan, weer in het donker weghuilen en zag hij Jansci in de deuropening verschijnen. Het stond gelijk met een poging tot zelfmoord, want zijn silhouet tekende zich maar al te duidelijk af tegen het licht achter hem. Reynolds wilde een waarschuwing schreeuwen, maar bedacht zich - wanneer een scherpschutter Jansci in het vizier had gekregen, was het toch al te laat en bovendien had hij nog maar twee seconden nodig om de deur te bereiken. Hij liep verder, hoorde de vrouw in zijn armen iets mompelen, wist instinctmatig, zonder haar te verstaan, wat ze verlangde en zette haar heel voorzichtig neer. Ze deed twee of drie strompelende passen naar voren, wierp zich in de uitgestrekte armen van de wachtende man, mompelde „Alex! Alex! Alex!", maar ineens ging er een huivering door haar lichaam en leunde ze zwaar tegen Jansci aan, alsof ze een stoot in de rug had gekregen. Meer zag Reynolds echter niet. Sandor duwde hen namelijk allemaal het portaal in en gooide de deur met een harde slag in het slot. Julia leunde half zittend tegen de muur aan het einde van de gang en werd ondersteund door een ongerust kijkende Dr. Jennings. In twee grote stappen was Reynolds bij haar. Op zijn knieën viel hij naast haar neer. Haar ogen waren gesloten, haar gezicht was spierwit en hoog op haar voorhoofd tekende zich het begin van een kneuzing af, maar ze haalde regelmatig hoewel nauwelijks hoorbaar adem. „Wat heeft ze?" vroeg Reynolds schor. „Is ze. .. is ze…?" „Ze knapt wel weer op," stelde de diepe stem van Sandor hem gerust. De reus bukte zich, tilde het meisje op en liep naar de huiskamer. „Ze viel uit de boot en moet met haar hoofd op de stenen terecht zijn gekomen. Ik zal haar op de divan leggen."Reynolds staarde hem na. Het water droop Sandor uit de doorweekte kleren, maar alsof ze een kind was, droeg hij Julia de kamer in. Reynolds kwam langzaam overeind en botste bijna tegen de kozak op. Het gezicht van de jongen straalde van vreugde. „Je moet aan je raam zitten," zei Reynolds rustig. „Niet nodig!" De kozak grijnsde van oor tot oor. „Ze geven geen vuur meer af en zijn naar de trucks teruggegaan - ik kan hun stemmen in het bos horen. Ik kreeg er twee te pakken, mijnheer Reynolds, twee! In het licht van die lichtkogel zag ik ze in elkaar zakken, juist toen u me toeriep dat ik de fakkel omlaag moest schieten." „En dat deed je ook!" erkende Reynolds dankbaar. Die twee treffers verklaarden waarom er niet meer lichtkogels waren afgeschoten: het was een tweesnijdend wapen dat in de handen van Hidas catastrofaal was gebleken. „Je hebt ons vanavond allemaal gered," zei de Engelsman prijzend. Hij sloeg de trotse kozak op de schouder, draaide zich om naar Jansci en bleef als aan de grond genageld staan. Jansci zat geknield op de vloer van ruwe planken en had zijn vrouw in zijn armen. Haar rug was naar Reynolds toegekeerd en het eerste wat hij zag was het ronde, rood omrande kogelgat in haar mantel: vlak onder haar linkerschouder. Het was maar een heel klein gat, er was ook maar heel weinig bloed en de vlek spreidde zich niet verder uit. Langzaam liep Reynolds de gang door en ging hij naast Jansci op de hurken zitten. Jansci hief zijn wit, met bloed bevlekt gezicht op en keek hem aan met ogen die niets zagen. „Dood?" fluisterde Reynolds. Jansci knikte zwijgend. „Mijn God!" De mond van Reynolds vertrok zich. „Nu - om nu te sterven!" „Een genadige en alles begrijpende God, Meechail, veel meer dan ik verdiend heb. Nog vanmorgen vroeg ik Hem waarom hij Catherine niet had laten sterven, waarom Hij er niet voor gezorgd had dat ze stierf. .. Hij heeft me mijn aanmatiging vergeven, Hij wist het veel beter dan ik. Catherine was al gestorven, Meechail, eer ze door de kogel geraakt werd." Jansci schudde het hoofd, als een man die zich over het wonder van dit alles verbaasde. „Is er iets prachtigers, Meechail, om deze aarde zonder pijn te verlaten en op het moment van je grootste geluk? Kijk - kijk naar haar gezicht en kijk hoe ze lacht!" Reynolds zei niets. Er was niets te zeggen. Hij kon geen woorden vinden en voelde zich als verdoofd. „We zijn beiden gezegende mensen." Jansci sprak in zichzelf, onsamenhangend haast en liet zijn vrouw iets zakken zodat hij haar gezicht goed kon zien. De herinnering aan vroeger maakte zijn stem zacht. „De jaren zijn vriendelijk voor haar geweest, Meechail. De tijd hield evenveel van haar als ik het deed. Twintig jaar geleden, vijfentwintig jaar geleden voeren we op een zomeravond de Dnjepr af - ze is nu precies zoals ze toen was. De tijd heeft haar niet aangeraakt." Hij fluisterde iets dat Reynolds niet kon verstaan en dan werd zijn stem weer wat duidelijker. „Herinner je je haar foto nog, Meechail, de foto waarvan je dacht dat hij Julia meer gaf dan haar toekwam? Nu zie je het: het kon niemand anders geweest zijn dan Catherine." „Het kon niemand anders geweest zijn, Jansci," herhaalde Reynolds. Hij haalde zich de foto van dat knappe, lachende meisje weer voor de geest en keek neer op het dode gezicht in Jansci's armen - op het dunne, witte haar, op het meest grauwe, verwilderde en vermagerde gezicht dat hij ooit in zijn leven had gezien, op dat deerniswekkend uitgeteerde gezicht waarin onvoorstelbare ontbering en gebrek de diepe lijnen en groeven van een veel te vroeg oud zijn hadden getrokken en gegrift. Reynolds voelde hoe zijn ogen zich voor dit alles sloten. „Het kon niemand anders geweest zijn," fluisterde hij. „Het portret gaf haar minder dan haar toekwam." „Dat zei ik ook tegen Catherine, dat heb ik altijd tegen haar gezegd," mompelde Jansci. Hij wendde zich af, boog zich over zijn vrouw heen en Reynolds begreep dat hij alleen wilde zijn. Blindelings krabbelde de Engelsman overeind en even moest hij steun aan de gangmuur zoeken. Met onzekere passen liep hij weg. Zijn doffe verdoving begon langzaam plaats te maken voor eerst een verward makende maalstroom van tegenstrijdige gedachten en gevoelens, dan trokken de nevels volledig op en bleef er plotseling maar één enkele gedachte over, één enkele gedachte die ook slechts maar tot één doel kon leiden. De trage woede die de gehele avond diep in hem gesmeuld en gebrand had, veranderde nu in een felle, witgloeiende vlam die zijn geest verschroeide en al het andere naar dc achtergrond drong. Toen hij tegen Sandor sprak, was er echter niets van die laaiende woede in hem te bespeuren. „Zou je de truck hier kunnen brengen, Sandor?" „Onmiddellijk!" beloofde de reus. Hij wees op het meisje dat nog steeds op de divan lag. „Ze begint net bij te komen. We moeten ons haasten." Dat zullen we ook doen." Reynolds draaide zich om naar de kozak. „Let heel goed op, kozak. Ik ben direct terug. Hij liep de gang door, voorbij Jansci en Catherine zonder naar een van hen te kijken, pakte de automatische karabijn die tegen de muur stond ging de deur uit en trok deze zacht achter zich dicht.