Vijfde hoofdstuk

 

Bijna zonder dat Reynolds het zich realiseerde lag de revolver in zijn hand. Als de metgezel van Jennings het in zijn hoofd zou halen een kijkje in de badkamer te nemen, was er geen tijd meer een schuilplaats in de linnenkast te zoeken. Mocht hij ontdekt worden, dan bleef Reynolds geen keus meer over en met de wacht - veiligheidshalve nam hij maar aan dat de man in het bruine pak inderdaad een wacht was - bewusteloos of dood zou hij alle schepen achter zich verbrand hebben. Er zou zich dan nooit meer een andere kans voordoen met Jennings in contact te komen. Of hij wilde of niet: de oude geleerde moest die avond dan met hem mee, hoewel Reynolds de kans als vrijwel nihil beschouwde om met een tegenstribbelende, een revolver in de rug voelende gevangene ongemerkt het hotel te verlaten en in het vijandig duister van Boedapest ook maar honderd meter verder te komen. Gelukkig bleek de metgezel van Jennings geen aanstalten te maken de badkamer te controleren en al gauw werd het duidelijk dat hij niet van de AVO kon zijn. Jennings ging heel vriendschappelijk met hem om, noemde de man Jozef en onderhield zich in het Engels met hem over allerlei technische onderwerpen, waar Reynolds niets van begreep. Zonder twijfel betrof het hier dus een hooggeleerde collega. Even verbaasde Reynolds zich erover dat de Russen toelieten dat twee geleerden, onder wie een buitenlander, zo vrij met elkaar spraken, maar dan herinnerde hij zich de microfoon en was hij niet langer verbaasd meer. De man in het bruine pak voerde grotendeels het woord en eerst begreep Reynolds dit niet goed. Harold Jennings had namelijk de naam nogal spraakzaam te zijn, op de grens van praatziek zelfs, en openhartig op de grens van indiscreet. Terwijl hij door de kier van de deur loerde, kon Reynolds echter zien dat de professor veel veranderd was en in voorkomen en wat zijn gezicht betrof weinig meer leek op de man, die Reynolds zich van honderden foto's wist te herinneren. Twee jaar ballingschap hadden de geleerde tien jaar ouder gemaakt. Hij scheen kleiner geworden, in elkaar geschrompeld en in plaats van de prachtige witte manen lagen er nog maar enkele dunne lokken op zijn kaal wordend hoofd verspreid. Zijn gezicht was ongezond bleek en alleen de diep gezonken ogen in het gelijnde, doorgroefde gezicht hadden het oude vuur en gezag nog niet verloren. Reynolds glimlachte even. Wat de Russen deze oude man ook hadden aangedaan: zijn geest was niet gebroken, wat trouwens ook niet te verwachten was geweest. In het donker wierp Reynolds een blik op de verlichte wijzerplaat van zijn horloge en de glimlach verdween. Hij kwam krap in zijn tijd te zitten en zo gauw mogelijk moest hij Jennings onder vier ogen te spreken zien te krijgen. In een oogwenk had hij verschillende plannen beraamd, die hij echter stuk voor stuk als onpraktisch en veel te gevaarlijk weer verwierp. Hij mocht geen enkel risico nemen, want al maakte de man in het bruine pak dan ook een onschuldige indruk, in ieder geval moest hij beschouwd worden als een vijand. Tenslotte viel Reynolds iets in, dat een kans zou kunnen hebben, al kon het evengoed lukken als mislukken. Op zijn tenen liep hij de badkamer door, pakte een stuk zeep, deed de kastdeur met de spiegel open en begon met de zeep op het glas te schrijven. Het had weinig resultaat: de zeep liet nauwelijks een spoor achter. Reynolds vloekte zacht, sloop naar de wastafel, draaide met uiterste voorzichtigheid de kraan open tot er enkele druppels uit kwamen en maakte zorgvuldig de zeep nat. Ditmaal had hij zich het schrift op de spiegel niet beter kunnen wensen en met duidelijke, grote blokletters schreef hij:

 

IK KOM VAN ENGELAND ZIE ONMIDDELLIJK UW VRIEND KWIJT TE RAKEN

 

Zonder de scharnieren ook maar de minste kans tot piepen of kraken te geven, opende hij de deur die op de gang uitkwam en gluurde om de post. Leeg en verlaten lag de gang voor hem. Twee grote stappen brachten hem voor Jennings' kamerdeur, heel zacht klopte hij éénmaal aan, verdween dan vlug weer in de badkamer en pakte zijn lamp van de vloer. Toen hij opnieuw in de slaapkamer loerde, bleek de man in het bruine pak al opgestaan en naar de deur gelopen te zijn. Reynolds opende de badkamerdeur wat wijder, drukte waarschuwend een vinger tegen de lippen en liet de lichtbundel van zijn lamp gedurende de fractie van een seconde in de ogen van Jennings schijnen - het was precies lang genoeg. Jennings keek verschrikt op, zag het gezicht in de deuropening en zelfs het gebiedend gebaar om te zwijgen kon een uitroep niet verhinderen. De man in het bruine pak, die juist in de gang keek en er niets van begreep, draaide zich om. „Is er iets, professor?" Jennings knikte. „Alweer die verwenste migraine," zei hij. „Je weet wat een last ik daarvan heb. Was er iemand?" „Niemand, en ik dacht toch werkelijk… eh… u ziet er helemaal niet goed uit, professor!" „Nee, ik weet het," glimlachte Jennings flauwtjes. „Neem me niet kwalijk, maar wat water en een tablet zal me goed doen." Reynolds stond in de grote kast en hield de deur op een kier. Zodra hij Jennings zag binnenkomen, wierp hij de deur open en onmiddellijk kreeg de professor de boodschap op de spiegel in het oog. Hij knikte bijna onmerkbaar, wierp Reynolds een waarschuwende blik toe en liep zonder stil te staan verder naar de wastafel. Voor een oude man, die dergelijke dingen niet gewoon was, speelde hij het spel wonderlijk goed. Reynolds nam de waarschuwing ogenblikkelijk ter harte en had net de deur van de kast dicht getrokken toen de man in het bruine pak zich in de badkamer vertoonde. „Misschien kan ik beter de hoteldokter voor u laten komen," zei hij bezorgd. „Hij zal er direct toe bereid zijn." „Neenee!" Jennings stak een tablet in zijn mond en slikte het met wat water door. „Ik ken mijn migraine beter dan een dokter. Drie van deze tabletten en in volslagen donker drie uurtjes liggen. Het spijt me, Jozef, ons gesprek begon juist interessant te worden, maar als je me zou willen verontschuldigen…" „Vanzelfsprekend!" klonk het hartelijk en vol begrip. „U weet het: voor de openingsvoordracht van maandag willen we u absoluut helemaal fit en gezond zien." Er volgden nog een paar vriendschappelijke gemeenplaatsen, enkele woorden van afscheid en dan was de man in het bruine pak verdwenen. De deur van het appartement ging dicht. Voetstappen stierven weg in de gang. Op het gezicht van de professor verscheen een uitdrukking, die een mengeling vormde van verontwaardiging, vrees en verwachting. Hij wilde iets zeggen, maar Reynolds gebaarde hem stil te zijn, liep naar de slaapkamerdeur, deed deze op slot, probeerde de sleutel op de deur tussen badkamer en gang en constateerde tot zijn opluchting dat de sleutel paste. Hij draaide de deur op slot en trok ook de deur dicht, die naar het appartement leidde. Dan pakte hij eindelijk zijn sigarettenkoker en bood de professor een sigaret aan, doch deze weigerde. „Wie bent u? Wat doet u hier?" De stem van Jennings klonk zacht, maar de scherpe toon, vermengd met vrees, viel duidelijk te horen. „Mijn naam is Michael Reynolds." De geheimagent stak een sigaret op en voelde dat hij er behoefte aan had. „Achtenveertig uur geleden verliet ik Londen en ik zou graag even met u willen praten, sir." „Waarom kunnen we dat dan niet in mijn geriefelijk appartement doen?" De professor draaide zich om, maar vlug greep Reynolds hem bij de schouder. „Niet in uw appartement, sir! In het ventilatierooster boven het raam bevindt zich namelijk een verborgen microfoon." „Een wat? Hoe… weet u dat, jongeman?" De professor liep langzaam naar Reynolds terug. „Voor u binnenkwam, keek ik even rond," antwoordde Reynolds verontschuldigend. „Ik was hier een paar minuten eerder dan u." „En vond u toen de microfoon?" vroeg Jennings ongelovig. „Meteen! Het behoort tot mijn beroep om dergelijke dingen te kunnen vinden." „Allicht," zei Jennings scherp. „Wat zou u anders kunnen zijn dan een spion of iemand van de contraspionage! Voor mij allemaal hetzelfde. In ieder geval: de Britse geheime dienst!" „Een populair, maar onjuist…" „Bah! Geef het beestje maar een naam!" Wanneer deze oude, kleine man dan al bang mocht zijn, dacht Reynolds droogjes, dan was het toch zeker niet voor zijn eigen lot: het vuur, waarvan Reynolds zoveel gehoord had, scheen nog lang niet geblust te zijn. „Wat wilt u eigenlijk, jongeman?" „U!" zei Reynolds rustig. „Dat wil zeggen: de Britse regering wil dat! Ik kreeg de opdracht u van de kant van de regering op de meest hoffelijke wijze uit te nodigen om. .." „Uitzonderlijk beleefd van de Britse regering," onderbrak Jennings, „maar ik heb dit al lange tijd verwacht." Als Jennings een draak was geweest, mijmerde Reynolds, zou alles in een cirkel van drie meter doorsnee onverbiddelijk al tot as zijn vergaan. „Mijn complimenten aan de Britse regering, mijnheer Reynolds, en vertel de heren dat ze naar de hel kunnen lopen. Misschien vinden ze daar iemand die hen wil helpen hun duivelse machines te maken, maar bij mij moeten ze niet zijn." „Het land heeft u nodig, sir, het heeft u zelfs heel erg nodig!" „Het laatste beroep en het meest deerniswekkende van allemaal!"De professor deed geen moeite zijn verachting te verbergen. „De leuzen van een versleten nationalisme, de frasen van een hoera- patriottisme zijn voor de kinderen van deze wereld, mijnheer Reynolds, voor de uilskuikens, de zelfzuchtigen en hen, die alleen maar geheel en al voor de oorlog leven. Mij interesseert slechts het werk voor de wereldvrede." „Uitstekend, sir!" In Engeland, dacht Reynolds wrang, hebben ze zowel de lichtgelovigheid van de professor als de subtiele invloed van de Russische doctrines lelijk onderschat. Overigens schenen de woorden van Jennings een flauwe echo te zijn van iets, dat Jansci had gezegd. Hij keek Jennings aan. „De beslissing ligt natuurlijk geheel bij u, sir!" „U accepteert het?" Jennings kon zijn verbazing niet verbergen. „U accepteert het na… na die lange reis gemaakt te hebben?" Reynolds haalde de schouders op. „Ik ben alleen maar een koerier, Dr. Jennings." „Een koerier? En als ik nu eens op uw belachelijk voorstel zou ingaan?" „Dan zou ik u natuurlijk terugbrengen naar Engeland." „U zou me…! Mijnheer Reynolds, realiseert u zich wel wat u zegt? Realiseert u zich dat u me dan uit Boedapest zou moeten smokkelen, Hongarije door en de grens over?" De stem van Jennings stierf langzaam weg en toen hij naar Reynolds staarde, lag er angst in zijn ogen. „U bent geen gewoon koerier, mijnheer Reynolds," fluisterde hij. „Mensen van uw slag zijn nooit koeriers!" Plotseling scheen hij ergens van overtuigd te raken en de lijnen om zijn mondhoeken werden dieper en wit. „U kreeg helemaal niet de opdracht mij uit te nodigen naar Engeland terug te gaan, maar u kreeg de taak me te brengen! Geen sprake van 'indien' of 'misschien', mijnheer Reynolds!" „Is dat niet wat dwaas, sir?" vroeg Reynolds kalm. „Zelfs wanneer ik in de gelegenheid was om dwang toe te passen - en dat ben ik niet! - zou ik toch heus niet zo dom zijn er gebruik van te maken. Stelt u zich eens voor, dat ik u aan handen en voeten gebonden naar Engeland sleep, zouden er dan middelen bestaan u daar te houden en u tegen uw wil te laten werken? Laten we hoera- patriotten niet verwarren met de geheime politie van een satellietstaat." „Ik veronderstel geen moment dat u geweld zou gebruiken." Er glansde nog steeds vrees in de ogen van de oude man, vrees en heimwee. „Mijnheer Reynolds… leeft mijn vrouw nog?" „Ik zag haar twee uur voor ik Londen verliet." De stem van Reynolds klonk ernstig en heel rustig, maar hij had mevrouw Jennings nog nooit in zijn leven gezien. „Ze hield zich goed, geloof ik." „Bedoelt u… dat ze nog steeds erg ziek is?" Opnieuw haalde Reynolds de schouders op. „Dat kunnen alleen de dokters beoordelen." „Om Godswil, man, martel me niet! Wat zeggen de dokters?" „Schijndood! Medisch misschien ongelukkig uitgedrukt, Dr. Jennings, maar zo noemde dokter Bathurst het. Hij heeft uw vrouw geopereerd. Ze is bij bewustzijn en heeft niet veel pijn, maar is erg zwak en om het ruw en ronduit te zeggen: ze kan elk ogenblik bezwijken. Dokter Bathurst beweert dat ze niet meer de wil bezit om te leven." Jennings draaide zich om en keek zonder iets te zien door het met bloemen bedekte raam. Even later wendde hij zich weer tot Reynolds. Zijn gezicht was verwrongen en zijn donkere ogen waren vochtig. „Ik kan het niet geloven, mijnheer Reynolds," zei hij zacht. „Het is niet mogelijk! Catherine was altijd een vechter. Ze was altijd…" „U wilt het niet geloven!" viel Reynolds hem in de rede. Zijn stem was kil en koud, bijna wreed zelfs. „De mate van het zelfbedrog komt er niet op aan, is het wel? Zolang het uw geweten maar bevredigt, het dierbaar geweten dat u uw eigen gezin doet verloochenen in ruil voor dat gewauwel over coëxistentie. U weet bliksems goed dat uw vrouw niets meer heeft om voor te leven, omdat ze haar man en zoon voor altijd achter het IJzeren Gordijn verloren heeft." „Hoe durft u op die manier. .." „U maakt me ziek!" Heel even kreeg Reynolds een afkeer voor wat hij deze weerloze, oude man aandeed, maar vlak daarop wist hij dit gevoel met kracht weer te onderdrukken. „U staat hier allerlei nobele dingen te verkondigen, gaat prat op die edele principes van u, maar ondertussen ligt uw vrouw in een Londens ziekenhuis op sterven. Ze zal inderdaad sterven, Dr. Jennings, en u bent haar even zeker aan het doden als zou u naast haar bed staan en uw vingers om haar keel. .."„Stop, in Godsnaam, stop!" Jennings hield de handen voor zijn oren en als in doodsangst schudde hij het hoofd. Dan drukte hij zijn handen tegen zijn voorhoofd. „U heeft gelijk, Reynolds! De hemel weet dat u gelijk heeft en ik zou morgen al naar haar toe willen gaan, maar zo eenvoudig is dat heus niet." Opnieuw schudde hij het hoofd, ditmaal in wanhoop. „Hoe kan u een man vragen te kiezen tussen de levens van zijn vrouw, voor wie misschien al geen hoop meer bestaat, en van zijn enige zoon? Mijn positie is onmogelijk! Ik heb een zoon…" „We weten alles van uw zoon, Dr. Jennings! Helemaal onmenselijk zijn we ten slotte ook niet." De stem van Reynolds was gedaald tot een zacht en overredend gemompel. „Gisteren was Brian in Poznan. Vanmiddag zou hij in Stettin zijn en morgenochtend in Zweden. Ik wacht op de bevestiging uit Londen en dan kunnen we onmiddellijk vertrekken. In ieder geval binnen de vierentwintig uur." „Ik geloof het niet!" Op het oude, gelijnde gezicht begonnen hoop en ongeloof het op meelijwekkende wijze uit te vechten. „Hoe kunt u…" „Ik kan niets bewijzen en behoef ook niets te bewijzen," verklaarde Reynolds wat moe. „Met alle respect, sir, wat is er met dat geweldig verstand van u aan de hand? U weet toch ook wel dat de regering alleen maar wil dat u weer voor hen gaat werken en u weet ook dat ze u donders goed kennen: wanneer u bij uw terugkomst Brian niet thuis zou vinden en u mocht horen dat de jongen nog in Rusland is, dan zou u uw gehele leven nooit meer iets voor ons willen presteren en dat, Dr. Jennings, is wel het allerlaatste wat de regering wenst."

Reynolds zag hoe de oude professor langzaam overtuigd begon te raken. Er kwamen nieuw leven en hoop in zijn ogen, die de zorgen, het verdriet en de angst vervaagden en Reynolds had wel kunnen lachen van opluchting: zelfs zijn eigen spanning was groter geweest dan hij zich gerealiseerd had. Vijf minuten lang vuurde de professor achter elkaar een groot aantal vragen op hem af en Jennings, die nu in een paar dagen zijn vrouw weer hoopte terug te zien, stond er zelfs op diezelfde avond nog te vertrekken, zodat Reynolds hem wat in toom diende te houden. De plannen moeten nog even verder uitgewerkt worden, legde hij de geleerde vriendelijk uit, en wat nog belangrijker was: ze moesten eerst het bericht van Brians ontsnapping ontvangen hebben. Dit bracht Jennings weer met beide benen op de grond. Hij verklaarde zich bereid verdere instructies af te wachten, prentte zich het adres van Jansci's huis in het hoofd, doch beloofde er alleen in het uiterste geval gebruik van te maken - best mogelijk trouwens dat de AVO er al een inval had gedaan! - en tevens om intussen rustig met zijn werk door te gaan en vooral geen wantrouwen te wekken. Zijn houding was eensklaps zó veranderd dat hij Reynolds wat te drinken aanbood, maar deze weigerde. Het was half acht en weliswaar had hij nog alle tijd voor zijn afspraak in de Witte Engel, maar hij mocht de goden niet verzoeken. Elk moment kon de in de kast opgesloten wacht tot bewustzijn komen en de deur intrappen of anders zou een controleur misschien de ronde kunnen gaan doen en de man missen. Reynolds vertrok dus meteen. Met behulp van aan elkaar geknoopte lakens liet hij zich uit het raam van de slaapkamer zakken tot hij de ijzeren staven van een venster gelijkvloers te pakken had. Eer professor Jennings de lakens weer binnengehaald en het raam gesloten had, liet Reynolds zich geruisloos op de grond vallen en verdween hij als een schim in het donker en de sneeuwvlagen. Het café Witte Engel lag aan de kant van Pest aan de oostelijke oever van de Donau, recht tegenover het St. Margaretha-eiland. Toen Reynolds door de klapdeuren naar binnen ging, hoorde hij de door de sneeuw vervagende slagen van een kerkklok, die acht uur sloeg. Het verschil tussen de wereld buiten en binnen de klapdeuren was even onverwacht als groot. Slechts één klein stapje over de drempel en de sneeuw, de kou, het kille duister en de verlatenheid van de lege, levenloze straten van Boedapest veranderden zich als bij toverslag in warmte, licht en de vrolijkheid van lachende, babbelende stemmen van mensen die hun aangeboren kuddegeest uitleefden in de bekrompen, rokerige ruimte van het kleine café; van mannen en vrouwen die op zij het wat kunstmatige wijze en voor een kort moment weg trachtten te vluchten uit de ijzeren werkelijkheden van de wereld buiten. Reynolds' eerste reactie was er een van verbazing, verbijstering bijna, dat zo'n oase van kleur en licht mogelijk kon zijn in de grimmige, kleurloze grauwheid van een politiestaat, doch die reactie was slechts heel kort. Het sprak eigenlijk vanzelf dat de communisten, die waarlijk geen slechte psychologen waren, dergelijke gelegenheden niet alleen toestonden, maar zelfs ook aanmoedigden. Als de mensen bij elkaar wilden komen, was het immers veel beter dat ze dit openlijk deden en hun koffie, wijn en bier dronken onder het waakzaam welwillend oog van enige trouwe dienaren van de staat, dan dat het in het donker en in verborgen hoekjes gebeurde en er samengespannen werd tegen het regime. Prima veiligheidskleppen, dacht Reynolds droog.Vlakbij de klapdeuren bleef hij even staan, maar nog geen seconde later liep hij zonder zich te haasten verder. Twee tafeltjes bij de deur waren namelijk bezet door Russische soldaten. Ze verkeerden in de beste stemming, lachten en zongen en sloegen met hun glazen op de tafel. Onschuldig genoeg, oordeelde Reynolds. Daarom had Julia juist in dit café waarschijnlijk een afspraak gemaakt: niemand zou een westers spion gaan zoeken in een kroeg waar Russische soldaten gewoon waren hun drinkgelagen te houden. Aan de andere kant waren dit echter de eerste Russen die Reynolds tot dusver tegen was gekomen en hij bleef liever maar niet te lang in hun buurt. Hij liep door tot achter in het café en bijna onmiddellijk zag hij Julia aan een tweepersoonstafeltje zitten. Ze droeg de regenjas die de manager van het hotel hem die middag beschreven had, doch nu was de capuchon omlaag en de jas van boven los geknoopt. Hun ogen ontmoetten elkaar, maar Julia gaf geen enkel teken van herkenning en Reynolds begreep de stille wenk. Zijn blikken dwaalden over de tafeltjes in de nabijheid, waarvan bij elkaar misschien nog hoogstens twee stoelen onbezet waren en hij aarzelde lang genoeg om op te vallen. Dan scheen hij een besluit genomen te hebben en begaf hij zich naar de tafel van het meisje. „Heeft u er bezwaar tegen dat ik plaats neem?" vroeg hij. Ze staarde hem aan, draaide clan haar hoofd demonstratief in de richting van een ver verwijderd, leeg hoektafeltje, keek hem opnieuw aan en wendde zich hooghartig van hem af. Ze zei geen woord en Reynolds hoorde aan de andere tafels onderdrukt gelach. Hij ging zitten, schoof zijn stoel dichter naar het meisje en vroeg zacht: „Moeilijkheden?" „Ik word gevolgd!" Met een vijandige en zeer gereserveerde blik in de ogen had Julia zich weer naar hem toegekeerd. Ze weet het spel te spelen, dacht Reynolds met bewondering. „Is hij hier?" Een nauwelijks te bemerken knikje. „Bank bij de deur, bij de soldaten." Reynolds bewoog zich niet. „Beschrijf hem." „Niet groot, niet klein, bruine regenjas, geen hoed, mager gezicht en een zwarte snor." De minachtende uitdrukking op haar gezicht vormde een bijna komisch contrast met haar woorden. „We moeten hem kwijt zien te raken! Buiten! U eerst, dan ik!" Reynolds strekte zijn hand uit, greep haar onderarm, boog zich naar haar toe en keek haar in het gezicht. „Ik probeer met u aan te pappen. Eerlijk gezegd heb ik u net een heel onbehoorlijk voorstel gedaan. Wat is uw reactie?" „Dit!" Julia haalde uit en gaf Reynolds zó'n harde klap op de wang dat alle gesprekken verstomden en iedereen naar hun tafeltje gluurde. Dan stond Julia met een ruk op, nam haar tasje en handschoenen en liep met trotse, rechte rug naar de deur, zonder naar links of rechts te kijken. Als op een teken werden de gesprekken en het gelach weer hervat. Het hardste gelach, wist Reynolds heel zeker, gold hem zelf. Hij hief zijn hand op en wreef voorzichtig over zijn tintelende wang. De jongedame, dacht hij wat triest, had het realisme wel iets verder doorgedreven dan strikt noodzakelijk was geweest. Met gefronst voorhoofd draaide hij zich in zijn stoel om en nog net kon hij zien dat de klapdeuren achter Julia heen en weer zwaaiden. Een man in een bruine regenjas, die aan een tafeltje bij de deur had gezeten, stond onopvallend op, legde wat geld neer en ging eveneens door de nog zwaaiende deuren naar buiten. Reynolds schoof zijn stoel naar achteren en in alles leek hij een man, die maar liever zo gauw mogelijk het toneel van zijn nederlaag en vernedering wilde verlaten. Hij wist dat iedereen naar hem keek en toen hij zijn kraag opsloeg en zijn hoed diep over de ogen trok, hoorde hij opnieuw onderdrukt gelach. Op het moment dat hij bij de uitgang was, kwam een dikke Russische soldaat met een vuurrood hoofd van het lachen en drinken met moeite overeind. Hij zei iets tegen Reynolds, sloeg hem hard op de schouder, zodat de Engelsman tegen de toog struikelde, en lachte zó hard om zijn eigen grap dat hij ervan dubbelvouwde. Reynolds was volkomen onbekend met de Russen en hun gewoonten en had geen idee wat onder de omstandigheden beter zou zijn: boos worden of angst tonen. Hij stelde zich tevreden met het trekken van een diepe rimpel tussen de wenkbrauwen en een schaapachtige grijns, deed vlug een stap opzij en was verdwenen eer de humorist een nieuw aardigheidje verzonnen had. Het was intussen veel minder gaan sneeuwen en het kostte Reynolds weinig moeite Julia en de man in de bruine regenjas in het oog te krijgen. Langzaam liepen ze achter elkaar aan de linkerkant van de straat en Reynolds begon hen zo onopvallend mogelijk te volgen. Tweehonderd meter, vierhonderd, een paar hoeken en dan verdween Julia in een tramhuisje, dat zich tegenover een rij winkels bevond. Haar schaduw gleed geruisloos in een portiek achter het tramhuisje. Reynolds liep hem rustig voorbij en ging naast het meisje staan. „Hij is achter ons in een portiek," mompelde hij. „Bent u in staat een wanhopige strijd voor uw eer te voeren?" „Of ik…" Ze brak de zin af en keek wat nerveus over haar schouder. „We moeten voorzichtig zijn! Ik weet zeker dat hij van de AVO is en iedereen van de AVO is gevaarlijk." „Waanzin 1" gromde Reynolds. „Zoveel tijd hebben we niet!" Hij keek het meisje vorsend aan en greep dan de revers van haar jas. „Wurgen lijkt me het beste, geloof ik, want dat verklaart waarom u niet om hulp roept. We hebben al gezelschap genoeg." De schaduw liep in de val en hij had wel een heel vreemd mens moeten zijn wanneer het anders was geweest. Hij zag de man en de vrouw uit het tramhuisje struikelen, tevens hoe de vrouw wanhopig vocht om haar keel van twee wurgende handen te bevrijden en aarzelde niet. Bijna onhoorbaar op de hard geworden sneeuw stak hij met een paar sprongen de straat over en hief hij klaar om toe te slaan zijn wapen op. Gewaarschuwd door een uitroep van het meisje draaide Reynolds zich op hetzelfde moment bliksemsnel om. Hij plantte zijn elleboog met kracht in de maagholte van de ander en sloeg hem tegelijkertijd met de rand van zijn open hand tegen de zijkant van de hals. Met een zucht zakte de man in elkaar. Daarna had Reynolds er maar enkele seconden voor nodig om de ploertendoder - een slang van canvas met lood erin - in zijn zak te steken, de man in het tramhuisje te slepen, het meisje bij de arm te nemen en zo vlug mogelijk de straat met haar uit te lopen. Het meisje beefde hevig en in het bijna volslagen donker van het hokje van de nachtwaker keek Reynolds haar wat verbaasd aan. Zo heel erg koud kon ze het niet hebben. Het nauwe hokje beschermde hen namelijk tegen de felle kou van de sneeuw en de harde wind, zodat het er zelfs behaaglijk leek. Julia zat naast hem op de bank. Door zijn jas heen voelde hij de warmte van haar schouder en toch hield het beven niet op. Reynolds wilde haar hand pakken - ze had haar handschoenen uitgetrokken om haar vingers warm te masseren - maar alsof ze zich gebrand had, trok Julia de hand terug. „Wat is er?" vroeg Reynolds verwonderd. „Nog steeds als bevroren?" „Ik weet het niet. .. of. .. ja, ik weet het wel! Koud heb ik het niet!" Opnieuw voelde Reynolds hoe ze beefde. „Het… het gaat om u! U bent te onmenselijk! Ik ben bang voor mensen die onmenselijk zijn." „Bang voor mij?" Er lag een ongelovige klank in Reynolds' stem en inderdaad voelde hij zich ook zo. „Lieve kind, ik zou geen haar op je hoofd willen krenken!" „Noem me geen lieve kind!" Ze veerde ineens op, maar dan voegde ze er met een klein stemmetje aan toe: „Ik weet dat u dat niet wilt." „Maar wat heb ik dan in Godsnaam gedaan?" „Niets! Daar gaat het juist om. Het is niet wat u doet, maar wat u niet doet, wat u niet toont! U toont totaal geen gevoelens, geen emoties, totaal geen belangstelling voor iets. Natuurlijk, u interesseert zich voor uw opdracht, maar op welke manier u zich van die opdracht kwijt, de methode, het hoe, dat laat u zolang u aan de opdracht werkt volkomen onverschillig. De graaf beweert dat u alleen maar een machine bent, een stuk mechanisme dat voor een bepaald doel ontworpen werd, maar zonder persoonlijk leven of bestaan. Volgens de graaf bent u zo ongeveer de enige van wie hij kan zeggen: die man heeft geen angst, hij kan het eenvoudig niet hebben, en de graaf is bang voor mensen die geen angst kunnen hebben. Stelt u zich voor: de graaf bang!" „Stel je voor," mompelde Reynolds beleefd. „Jansci zegt het trouwens ook. Hij zegt dat u niet moreel en niet immoreel bent, doch alleen maar amoreel, met een bedongen pro- Britse gezindheid en even bedongen anti-communistisch reagerend, wat op zichzelf helemaal geen waarde heeft. Jansci zegt dat u doodt of niet doodt op een basis van opportuniteit en niet op die van goed of kwaad. Volgens hem bestaat er geen enkel verschil tussen u en de honderden mannen die hij heeft leren kennen in de Russische NKVD, de Waffen-SS en al die andere organisaties waarin mannen blindelings gehoorzamen en blindelings doden, zonder zich af te vragen of het goed dan wel slecht is. Het enig onderscheid, zegt Jansci, is dat u niet zonder reden doodt, maar dat is dan ook het enige."„Overal maak ik vrienden," mompelde Reynolds. „Alstublieft! Begrijpt u nu wat ik bedoel? U bent volkomen onaantastbaar en ga vanavond nu eens na: u stopt een man gebonden en met een prop in de mond in een kast en levert hem rustig over aan de verstikkingsdood, wat vermoedelijk al gebeurd is. Dan slaat u een ander neer en laat hem in de sneeuw bevriezen - langer dan twintig minuten houdt hij het bij deze kou heus niet uit. U…" „Ik zou de eerste man doodgeschoten kunnen hebben," zei Reynolds rustig, „want op mijn revolver zit een geluiddemper en denkt u dat die knaap met de ploertendoder mij soms niet had laten doodvriezen als hij toevallig wat sneller was geweest dan ik?" „Dat zijn alleen maar spitsvondigheden. Wat u die oude man aandoet, is bovendien nog veel erger. Het laat u allemaal koud, als hij maar naar Engeland teruggaat. Hij gelooft dat zijn vrouw stervende is, maar toch zou u hem blijven martelen tot hij bijna krankzinnig wordt van zorgen en verdriet. U prent hem zelfs in dat hij de moordenaar van zijn eigen vrouw is, als ze mocht sterven. Waarom, mijnheer Reynolds, waarom?" „Dat weet u! Omdat ik een gemene, amorele, gevoelloze machine van een bandiet ben, die enkel bevelen opvolgt. Dat zei u toch, nietwaar?" „Ik geloof dat ik mijn tijd verspil, mijnheer Reynolds," zei Julia mat. „Helemaal niet," grinnikte Reynolds in het donker. „Ik zou de hele nacht wel naar uw stem kunnen luisteren en ik weet zeker dat u die ernstige preek nooit tegen me zou houden als u niet ergens een sprankje hoop had me te kunnen bekeren." „Dus u lacht me uit?" „Een gemene, superieure grijns!" gaf Reynolds toe. Plotseling greep hij haar hand en dempte hij zijn stem. „Niet bewegen - stil zijn!" „Wat. .." Meer kon het meisje niet uitbrengen, want onmiddellijk klemden de vingers van Reynolds zich vast om haar mond. Ze probeerde zich los te rukken, dan verslapten echter haar bewegingen. Ook Julia had de over de sneeuw krakende voetstappen gehoord. Roerloos, bijna zonder adem te durven halen, zagen ze de drie politieagenten langzaam voorbij het hokje lopen, langs de verlaten caféterrassen, om ten slotte via een kronkelend pad te verdwijnen in de schaduwen van een met besneeuwde beuken, platanen en eiken omzoomde laan. „U vertelde me toch dat dit gedeelte van het Margaretha-eiland totaal verlaten zou zijn?" fluisterde Reynolds boos. „Dat hier in de winter nooit iemand kwam?" „Het is nooit anders geweest," mompelde Julia. „Ik wist dat de politie patrouille liep, maar niet dat ze ook deze kant uitkwamen. In ieder geval zullen ze binnen het uur niet terug zijn, want het Margaretha-eiland is groot en ze hebben hier heel wat af te lopen". Het was Julia geweest die na lang zoeken ten slotte het Margaretha-eiland had uitgekozen om even rustig te kunnen praten. Het café Witte Engel bleek namelijk de enige gelegenheid in de buurt te zijn, die open was en de tanden van het meisje klapperden van kou, zodat Reynolds het verder maar opgaf en zich met het Margaretha-eiland verzoende. Weliswaar scheen er voor een groot gedeelte van het eiland na een zeker uur een spertijd te bestaan, maar erg nauw keek de politie volgens Julia niet. Bovendien werd er gepatrouilleerd door de gewone politie, wat vergeleken met de AVO een hemelsbreed verschil betekende. Evenals het meisje door en door koud had Reynolds eindelijk het nachtwakershokje gevonden en omringd door brokken graniet, planken en teervaten, die tot het invallen van de kou door de wegwerkers gebruikt werden, leek het een ideaal plekje. Julia begon met te vertellen wat er bij Jansci gebeurd was. De twee mannen, die het huis zo ijverig in het oog hielden, hadden een foutje gemaakt en dat was meteen hun laatste. Ze waren te groot van vertrouwen geweest en waagden het samen aan de kant van de straat te gaan lopen waar de woning en de garage zich bevonden. Toen ze op een gegeven moment de garagedeur open hadden zien staan, konden ze hun nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en hadden ze er eens een kijkje in genomen. Dit was echter een schromelijke vergissing geweest, want Sandor had hen opgewacht. Het was nog niet bekend of het aanbrengers waren dan wel mannen van de AVO, omdat Sandor de heren harder met de koppen tegen elkaar sloeg dan eigenlijk wel nodig was geweest. Het ging er echter alleen maar om dat ze achter slot en grendel zaten en Reynolds dus veilig naar Jansci kon gaan om te bespreken hoe professor Jennings het land uitgesmokkeld kon worden. Jansci stond er echter op dat hij niet voor middernacht zou komen. Op zijn beurt had Reynolds het meisje over zijn eigen wederwaardigheden ingelicht en toen de drie politieagenten uit zicht verdwenen waren, keek hij haar in het duister van het hokje opnieuw aan. Zijn vingers klemden zich nog steeds om haar hand, maar ze realiseerde het zich helemaal niet en Reynolds voelde hoe gespannen het meisje was. „U bent werkelijk niet bestemd voor deze dingen, juffrouw Illyurin," zei hij rustig. „Weinig mensen zijn dat trouwens. U blijft niet in Hongarije omdat u het prettig vindt, is het wel?" „Prettig vinden! Lieve God, hoe kan iemand het prettig vinden? Alleen maar angst, honger, onderdrukking en wat ons zelf betreft:steeds weer verhuizen, steeds weer over je schouder gluren en bang zijn dat er een verdacht iemand in de buurt is, dat je op de verkeerde plaats iets zegt, op het verkeerde moment glimlacht…" „U zou het liefst morgen al naar het westen gaan." „Jawel! Of… eh… nee, dat kan niet, want…" „Uw moeder?" „Mijn moeder?" Ze bewoog zich plotseling en staarde voor zich uit. „Mijn moeder is dood, mijnheer Reynolds." „Dood? Zo denkt uw vader er niet over." Er klonk verbazing in Reynolds' stem. „Dat weet ik," zei ze zacht. „De arme Jansci zal nooit geloven dat moeder dood is. Ze was stervende toen ze haar weghaalden. Een van haar longen was totaal op en meer dan enkele dagen had ze niet te leven. Jansci wil het echter niet geloven en alleen als de laatste adem over zijn lippen komt, zal hij de hoop opgeven." „Maar u vertelde hem toch dat u er ook zo over dacht?" „Jawel! Ik blijf hier omdat Jansci alleen mij nog heeft en daarom kan ik hem niet verlaten. Als ik hem dat echter zou vertellen, had hij me morgen al over de grens gebracht - hij zou nooit willen dat ik mijn leven voor hem riskeerde. Daarom heb ik hem gezegd dat ik op moeder wacht." „Ik begrijp het." Reynolds wist niets anders te zeggen en vroeg zich af, hoe hij in de plaats van het meisje gehandeld zou hebben en of hij in staat zou zijn geweest te doen wat zij deed. Hij herinnerde zich plotseling dat Jansci hem de indruk had gegeven het lot van zijn vrouw nogal gemakkelijk op te nemen. „Uw vader heeft naar uw moeder gezocht, nietwaar?" „U kunt zich dat niet voorstellen, is het wel? Jansci maakt altijd die indruk en ik weet niet waarom." Ze zweeg even. „Misschien gelooft u het niet," ging ze dan verder, „niemand gelooft het, maar het is waar: er zijn negen concentratiekampen in Hongarije en de laatste achttien maanden heeft Jansci in vijf van die kampen weten door te dringen, alleen om moeder te zoeken. Hij wist er weer uit te komen ook en het lijkt onmogelijk, vindt u niet?" „Onmogelijk," herhaalde Reynolds langzaam. „Voor de oktoberopstand is hij duizend, meer dan duizend collectieve boerderijen langs geweest. Hij heeft ze uitgekamd, maar moeder vond hij niet. Hij zal haar nooit vinden, maar blijft zoeken; tot zijn dood zal hij blijven zoeken." Iets in haar stem trok Reynolds' aandacht. Voorzichtig liet hij zijn hand langs haar gezicht glijden. Haar wangen waren nat, maar ze draaide haar hoofd niet om, evenmin probeerde ze zijn hand te ontwijken. „Ik zei u al dat dit leven niets voor u was, juffrouw Illyurin." „Julia, altijd Julia! U mag die naam nooit uitspreken, u mag niet eens aan die naam denken! Waarom… waarom heb ik u dit alles verteld?" „Wie zal het zeggen! Vertel me echter wat meer… over Jansci. Ik heb iets over hem gehoord, maar heel weinig." „Ik weet zelf ook maar heel weinig van vader. Hij praat nooit over het verleden en wil zelfs niet vertellen wat de reden ervan is. Misschien komt het omdat hij tegenwoordig alleen nog maar voor de vrede leeft, slechts nog voor vrede wil zorgen en de mensen helpen die zichzelf niet kunnen helpen. Dat heb ik hem een keer horen zeggen. Ik geloof dat de herinneringen hem pijn doen en martelen. Hij… hij heeft zoveel verloren en zoveel gedood." Reynolds zweeg. „De vader van Jansci," vervolgde het meisje, „was een van de communistenleiders in de Oekraïne. Hij was een goede communist en ook een goed mens - je kunt het beiden tegelijk zijn, mijnheer Reynolds. In 1938 stierf hij in de folterkamers van de geheime politie in Kiew, zoals praktisch elke leiding gevende communist in de Oekraïne. Daar begon het mee. Jansci doodde de beulen en een paar van de rechters, maar tegen de overmacht was hij niet opgewassen. Hij werd naar Siberië vervoerd en bracht zes maanden door in een ondergrondse kerker in het doorgangskamp bij Wladiwostok, waar op het smelten van het ijs gewacht werd en op de boot die hen verder zou brengen. Zes maanden lang zag hij geen daglicht, zes maanden lang geen ander menselijk wezen - de korsten brood en de watersoep waarmee hij zijn maal moest doen, kreeg hij door een luikje aangereikt. Ze wisten allemaal wie hij was en zijn dood moest heel, heel langzaam zijn. Hij had geen dekens, geen bed en de temperatuur was ver beneden het nulpunt. De laatste maanden gaven ze hem geen water meer. Jansci kwam echter niet van dorst om, daar hij de rijp van de ijzeren deur van zijn cel likte. Ze begonnen te leren dat hij niet te vernietigen was." „(ia door!" Reynolds klemde zijn vingers nog steeds stevig om de hand van Julia, maar geen van beiden bemerkte het. „Wat gebeurde er verder?" bracht. Niemand komt ooit terug van de Kolymabergen - Jansci wel!" Reynolds hoorde de klank van ontzag en eerbied in haar stem, zelfs al had ze het misschien al duizendmaal gezegd of er over gedacht. „Het waren de verschrikkelijkste maanden van zijn leven. Ik weet niet wat er allemaal gebeurde en ik geloof ook niet dat er nog iemand in leven is, die het kan vertellen. Ik weet alleen dat hij nog steeds soms uit zijn slaap wakker schrikt en met een grauw gezicht fluistert: davai, davai - vooruit, vooruit - en bystrey, bystrey - vlugger, vlugger! Het heeft iets te maken met het mennen of trekken van een slee, ik weet het niet precies. Wel weet ik dat Jansci tot op vandaag het geluid van een sledebel niet kan verdragen. U heeft gezien dat er vingers aan zijn handen mankeren. Het was namelijk een zeer populaire sport bij de NKVD, vroeger de OGPU, om gevangenen achter een door een propeller voortbewogen slee te binden en te zien hoever ze bij de propeller getrokken konden worden zonder ermee in aanraking te komen. Soms werden ze er te dichtbij gesleurd en hun gezichten…" Ze zweeg even en ging dan met onvaste stem verder: „Je zou kunnen zeggen dat Jansci geluk had. Zijn vingers, alleen zijn vingers en… zijn handen, die littekens op zijn handen! Weet u hoe hij daaraan kwam, mijnheer Reynolds?" Hij schudde in het donker langzaam het hoofd en Julia scheen het te voelen. „Wolven, mijnheer Reynolds! Uitgehongerde wolven! De bewakers vingen ze en wierpen een man en een wolf samen in dezelfde kuil. De man had alleen zijn handen: Jansci ook! Zijn armen, zijn hele lichaam bestaat uit één massa littekens." „Het is niet mogelijk," trachtte Reynolds zichzelf mompelend van iets te overtuigen, dat de waarheid moest zijn. „Het is bij God niet mogelijk." „In de Kolymabergen is alles mogelijk. Dat was echter allemaal nog lang niet het ergste. Er zijn andere dingen met Jansci gebeurd, afgrijselijke, beestachtige, vernederende dingen, maar hij heeft er nooit met me over gesproken." „En de palmen van zijn handen… de wonden van de kruisiging?" „Dat zijn niet de wonden van een kruisiging. De bijbelse voorstellingen zijn allemaal fout. Je kan een mens niet kruisigen door de palmen van zijn handen. Jansci had iets ergs uitgehaald, ik weet niet wat, maar daarom namen ze hem midden in de winter mee diep het bos in, stroopten al zijn kleren af, nagelden hem aan twee bomen die dicht bij elkaar stonden, en gingen weg. Ze wisten dat het door de verschrikkelijke kou of de wolven maar enkele minuten zou kunnen duren. Jansci ontsnapte, God weet hoe, Jansci weet het zelf niet, maar hij kwam los, vond zijn kleren terug en trok weg uit de Kolymabergen. In die dagen verloor hij al zijn vingertoppen en nagels, en ook al zijn tenen. Heeft u gezien hoe hij loopt?" „Jawel." Reynolds herinnerde zich de moeilijke loop van Jansci, alsof hij een stijf been had. Hij haalde zich Jansci's gezicht voor de geest, zijn vriendelijkheid en oneindige zachtmoedigheid en probeerde dat allemaal tegen de achtergrond van dit verhaal te zien. De kloof was echter zó groot dat zijn verbeeldingskracht bij de eerste poging al tekort schoot. „Ik zou van geen enkele man geloofd hebben dat hij zoiets kon overleven. Hij moet inderdaad niet te vernietigen zijn, Julia." „Ik denk het ook. Het kostte hem vier maanden om de Trans- Siberische spoorlijn te bereiken, waar deze de Lena kruist en toen hij een trein liet stoppen, was Jansci op de grens van krankzinnigheid. Heel lang waren zijn geestvermogens volkomen in de war, maar ten slotte herstelde hij en ging hij terug naar de Oekraïne. Dat was in 1941. Hij nam dienst in het leger en was binnen een jaar majoor. Bijna alle Oekraïners namen dienst en evenals Jansci slechts met één doel - de kans af te wachten, zoals ze dat nu nog doen, om op te trekken tegen het Rode Leger. Die kans kwam spoedig toen Duitsland aanviel." Ze zweeg nu iets langer en vervolgde dan rustig: „We weten nu wat we toen niet wisten, namelijk: wat Rusland de wereld vertelde. We kennen nu hun verhaal over de langdurige, bloedige veldslag tijdens ons terugvallen op de Dnjepr, over de verschroeide aarde en de wanhopige verdediging van Kiew. Leugens, leugens, allemaal leugens - en nog beseft een groot deel van de wereld dit niet."Haar stem werd zachter bij deze herinnering. „We ontvingen de Duitsers met open armen. We gaven hen een welkom zoals nog nooit een leger heeft meegemaakt. We gaven hen eten, we schonken hen wijn, we versierden onze straten, we bestrooiden de stoottroepen met bloemen, hingen guirlandes om de halzen van de soldaten. Bij de verdediging van Kiev werd geen enkel schot gelost. Regimenten en divisies uit de Oekraïne deserteerden en liepen in massa's over naar de Duitsers. Volgens Jansci was het een unicum in de wereldgeschiedenis. Het duurde niet lang of een Russisch leger van een miljoen man sterk vocht voor de Duitsers en het commando werd gevoerd door de Sovjet- generaal Andrei Vlassow. Ook Jansci behoorde tot dit leger. Hij werd generaal-majoor en de rechterhand van Vlassow. Dit duurde tot de Duitsers in 1943 terugtrokken op Vinnitsa, waar Jansci vandaan kwam." Een ogenblik stierf haar stem weg, maar dan vertelde ze verder. „Na Vinnitsa voltrok zich een verandering in Jansci. Hij zwoer dat hij nimmer meer zou vechten, hij zwoer nimmer meer te zullen doden. Hij heeft deze belofte gehouden." „Vinnitsa?" vroeg Reynolds nieuwsgierig. „Wat gebeurde er in Vinnitsa?" „Heeft… heeft u nooit van Vinnitsa gehoord?" Reynolds schudde het hoofd. „Lieve God," fluisterde Julia, „ik dacht dat de gehele wereld van Vinnitsa gehoord zou hebben." „Nee, het spijt me! Wat gebeurde daar?" „Vraag het me in Godsnaam niet," huiverde ze, „vraag het iemand anders, mij niet!" „Okay, okay," zei Reynolds vlug en wat verbaasd. Hij voelde haar lichaam beven, hoorde de korte, onderdrukte snikken en wat onhandig klopte hij het meisje op de schouder. „Laten we er niet meer over praten. Het doet er niets toe." „Dank u," mompelde Julia mat. „Dit is het ongeveer, mijnheer Reynolds. In Vinnitsa werd Jansci opgewacht door de Russen - ze hadden hem al heel lang opgewacht. Ze gaven hem het commando over een Oekraïns regiment - allemaal gevangen genomen deserteurs - dat met verouderde wapens en zonder uniform tot een soort van zelfmoordpositie tegenover het Duitse front werd gedwongen. Dit overkwam tienduizenden Oekraïners. Jansci werd door de Duitsers gevangen genomen, omdat hij zijn wapens wegwierp en naar hun linies overliep. Ze herkenden hem en de rest van de oorlog bracht hij bij generaal Vlassow door. Na de oorlog viel het Oekraïns bevrijdingsleger in groepen uiteen - sommige groepen vechten nog steeds, u mag het geloven of niet! - en bij een van die afdelingen kwam Jansci met de graaf in aanraking. Sindsdien zijn ze altijd bij elkaar gebleven." „De graaf is een Pool, nietwaar?" „Jawel, en in Polen ontmoetten ze elkaar." „Wie is hij in werkelijkheid? Weet u dat?" Hij voelde meer dan hij het zag, dat ze haar hoofd schudde. „Alleen Jansci weet het. Ik weet alleen dat hij na vader de prachtigste mens is, die ik ooit heb leren kennen. En er bestaat een soort van vreemde band tussen hen. Misschien omdat er zoveel bloed aan hun handen kleeft en beiden jarenlang niet meer gedood hebben. Het zijn bezielde mannen, mijnheer Reynolds." „Is de graaf werkelijk een graaf?" „Inderdaad, zover mij bekend is tenminste. Hij had grote bezittingen, landerijen en bossen in de buurt van Augustow, dichtbij de grenzen van Oost-Pruisen en Litouwen - zoals vroeger de grenzen daar tenminste waren. In 1939 vocht hij tegen de Duitsers en daarna kwam hij bij de ondergrondse beweging. Ten slotte werd hij gevangen genomen en de Duitsers vonden het een leuk idee een Poolse aristocraat dwangarbeid te zien verrichten om in leven te blijven. U weet waar dat op neer kwam, mijnheer Reynolds - duizenden lijken ruimen in het ghetto van Warschau, nadat de Stuka's en de tanks er hun werk hadden gedaan. De graaf en een paar anderen doodden hun bewakers en voegden zich bij het Poolse verzetsleger van generaal Bor. U weet wat er gebeurde - maarschalk Rossokowsky bleef met zijn Russisch leger buiten de poorten van Warschau en liet de Duitsers en de Poolse verzetsstrijders het in de riolen op leven en dood uitvechten." „Ik herinner me dat. De wereld spreekt van de bitterste en felste veldslag uit de gehele oorlog. De Polen werden natuurlijk uitgemoord." „Bijna allemaal. Wat overbleef, de graaf was daar ook bij, ging naar de gaskamers van Auschwitz. Om de een of andere duistere reden lieten de Duitse bewakers de meesten weer gaan - niet echter voor hen gebrandmerkt te hebben. De graaf heeft zijn nummer aan de binnenkant van zijn onderarm. Het loopt van de pols tot de elleboog en het is één bloedig rood, opgezet litteken!" Ze huiverde. „Het is afschuwelijk!" „En kwam hij toen met uw vader in aanraking?" „Jawel, ze behoorden alle twee tot de mannen van Vlassow, maar lang bleven ze er niet. De nimmer eindigende, zinloze bloedbaden 'leden hen tenslotte gruwen. De benden waren gewoon zich als Russen te verkleden, Poolse treinen aan te houden, de reizigers eruit te sleuren en iedereen neer te schieten, die op een lidmaatschapskaart van de communistische partij betrapt werd. Veel van deze mensen hadden echter geen keus gehad en moesten die kaarten wel hebben als ze tenminste met hun gezinnen in leven wilden blijven. Hetzelfde gebeurde in de dorpen en kleine steden. De mannen van Vlassow haalden de Stakhanovieten uit de huizen en wierpen ze tussen de ijsschotsen van de Weichsel. De graaf en Jansci trokken naar Tsjechoslowakije en voegden zich bij de Slowaakse partizanen in het Tatragebergte." „Zelfs in Engeland heb ik van ze gehoord," zei Reynolds. „De felste en onafhankelijkste vechtjassen van Midden-Europa." „Waarschijnlijk zouden Jansci en de graaf het met u eens zijn. Toch gingen ze ook daar spoedig weg. De Slowaken vochten niet voor een doel. Ze vochten alleen maar om het vechten. Wanneer er niets te vechten viel, gingen ze elkaar te lijf en waren ze ook gelukkig. Op die manier kwamen Jansci en de graaf naar Hongarije. Ze zijn hier nu meer dan zeven jaar, maar het grootste gedeelte van die tijd niet in Boedapest." „En hoelang bent u hier?" „Even lang! Jansci en de graaf kwamen meteen naar de Oekraïne om moeder en mij te halen. Via de Karpaten en het Tatragebergte brachten ze ons naar dit land. Misschien klinkt het gek, maar het was een heerlijke tocht. We hadden hartje zomer en voortdurend scheen de zon. Jansci en de graaf kenden iedereen en hadden overal hun vrienden. Ik heb moeder nog nooit zo gelukkig gezien." „Ik begrijp het." Reynolds veranderde vlug van onderwerp. „De rest is me bekend. De graaf geeft een tip wie er voor de bijl moet en Jansci zorgt dat ze over de grens komen. Ik heb in Engeland met tientallen van die mensen onder vier ogen kunnen spreken. Het vreemde was dat niemand van hen een haat tegen de Russen had. Ze willen alleen maar vrede en leerden van Jansci die vrede te prediken. Hij trachtte het mij zelfs bij te brengen." „Ik vertelde u al," zei Julia zacht, „dat hij een prachtmens is." Een minuut lang, twee misschien, bleef het stil. „Mijnheer Reynolds," vroeg het meisje dan opeens heel onverwacht, „u bent niet getrouwd, is het wel?" „Wat is dat?" mompelde Reynolds verbijsterd door het plotseling en verrassend veranderen van onderwerp. „U heeft geen vrouw, geen verloofde en geen vriendinnetje, nietwaar? En zegt u nu alstublieft niet: nee, maar doe geen moeite naar de vacature te solliciteren! Dat zou namelijk vrij grof en wreed en een klein beetje goedkoop zijn en ik geloof niet, dat u zo bent." „Ik deed geen mond open!" protesteerde Reynolds. „Wat uw vraag betreft: u heeft het antwoord al geraden, meen ik. Dat kon trouwens iedereen. Vrouwen en mijn soort van bestaan verdragen elkaar nu eenmaal niet. Dat begrijpt u vermoedelijk ook wel." „Ik weet het," mompelde Julia. „Ik weet ook dat u vanavond een paar maal probeerde om van een voor mij… eh… onprettig onderwerp af te stappen. Onmenselijke monsters maken zich om zoiets geen zorgen. Het spijt me dat ik u zo noemde. Aan de andere kant ben ik blij dat ik het deed, omdat ik nu tenminste eerder dan Jansci en de graaf bemerkt heb dat ik me vergiste. U weet niet wat dat wil zeggen. Ze hebben namelijk altijd gelijk en ik zie het altijd verkeerd, maar dit keer heb ik nu eens eerder gelijk dan zij!" „Zonder twijfel weet u wat u zegt," begon Reynolds beleefd, „maar ik…" „En kunt u zich hun gezichten voorstellen," onderbrak Julia hem, „wanneer ik hen vertel dat ik vanavond tien minuten naast mijnheer Reynolds zat met zijn arm om mij heen?" Ze zei het erg preuts, maar ergens in haar stem schemerde een lach door. „U sloeg die arm om mij heen toen u dacht dat ik huilde - en dus huilde ik," bekende ze. „Uw wolfsvacht is een klein beetje aan het verslijten, mijnheer Reynolds." „Mensenkinderen!" Reynolds was werkelijk stomverbaasd. Voor het eerst realiseerde hij zich dat zijn arm inderdaad om haar schouders lag. Hij voelde het blonde haar kriebelen tegen zijn bijna ootmoedige hand. Wat beduusd bromde hij een verontschuldiging en wilde juist zijn arm wegtrekken toen hij plotseling doodstil bleef zitten. Dan klemde hij zijn arm steviger om het meisje heen en bracht zijn mond vlakbij haar oor. „We hebben gezelschap, Julia," fluisterde hij. Uit zijn ooghoeken gluurde hij naar buiten en wat zijn abnormaal goed gehoor hem had verteld, bleek waar te zijn. Het sneeuwen had opgehouden en Reynolds zag duidelijk dat drie gestalten heel zacht op het nachtwakershokje toeliepen. Wanneer zijn waakzaamheid niet wat verslapt was geweest, zou hij ze al op dertig meter afstand gezien hebben. Voor de tweede maal die avond had Julia zich wat de politie-agenten betrof vergist en nu was er geen ontsnappen meer mogelijk. Uit hun opvallend zacht naderbij komen, bleek maar al te zeer dat de agenten hen in het hokje ontdekt hadden. Reynolds aarzelde niet. Hij trok Julia in zijn armen, boog zich over het meisje heen en kuste haar. Eerst trachtte ze hem in een reflexbeweging weg te duwen. Haar gezicht wendde zich af en haar lichaam verstrakte. Dan opeens gaf ze toe en Reynolds wist dat ze hem begrepen had. Ten slotte was ze de dochter van haar vader en reageerde ze snel. Haar arm sloeg zich om zijn hals. Tien seconden gingen voorbij, dan nog eens tien. Het viel voor Reynolds niet mee zijn aandacht op de agenten te concentreren, maar in ieder geval schenen ze geen haast te hebben van hun aanwezigheid blijk te geven. Het betekende voor Reynolds overigens geen straf en hij had er een eed op kunnen doen dat de arm van Julia zich vaster om zijn hals klemde. Plotseling speelde het felle licht van een zaklantaarn door het hokje. „Wel allemachtig, Stefan," zei een diepe, opgewekte stem, „niemand hoeft me meer te vertellen dat er aan de jeugd van tegenwoordig iets zou mankeren! Kijk eens even: twintig graden onder nul en je zou zeggen dat ze bij een hittegolf op het strand van Balaton lagen. Heila, niet zo haastig, jongeman!" Een grote hand kwam uit het duister tevoorschijn en duwde Reynolds, die overeind trachtte te komen, weer terug op de bank. „Wat doen jullie hier? Weten jullie niet dat het hier 's avonds verboden terrein is?" „Weet ik," mompelde Reynolds met een prachtige uitdrukking van verrassing en angst op zijn gezicht. „Het spijt me. We wisten echter niet waar we anders heen moesten." „Lariekoek!" galmde de hartelijke stem. „Toen ik jouw leeftijd had, jongeman, was er in de winter geen beter plaatsje dan een van die kleine alkoofjes met gordijnen in de Witte Engel. Slechts een paar honderd meter hier vandaan, druiloor." Reynolds' spieren ontspanden zich, want voor deze man behoefde hij waarlijk niet bang te zijn. „We waren in de Witte Engel…" „Laat me je papieren zien," beval ditmaal een koude, harde stem. „Heb je ze bij je?" „Natuurlijk." De eigenaar van die koude stem vormde een nieuw probleem. Reynolds stak zijn hand tussen zijn jas en juist gleden zijn vingers over de kolf van zijn revolver toen opeens de eerste agent het woord weer nam. „Wees niet zo dwaas, Stefan!" zei hij. „Je moet een beetje voorzichtig zijn met al die detectiveboeken die je verslindt! Of denk je misschien dat dit een westerse spion is, die erop uit werd gestuurd om te kijken hoeveel medewerking er bij de volgende opstand van de meisjes uit Boedapest te verwachten is?" Hij lachte bulderend, sloeg zich op de knieën van pret over zijn eigen grap en ging dan langzaam weer rechtop staan. „Hij is trouwens even geboren en getogen in Boedapest als ik." De klank in zijn stem veranderde, alsof hem iets te binnen schoot. „De Witte Engel, zei je? Komen jullie eens naar buiten!" Ze stonden wat stijf van het bankje op en het witte licht van de lantaarn scheen recht in Reynolds' gezicht, zodat hij even de ogen moest sluiten. „Het is hem inderdaad!" verklaarde de agent vrolijk. „Dit is die knaap, jongens, waar we over hoorden vertellen. Kijk eens even: de vurige strepen staan nog op zijn wang! Geen wonder dat hij geen zin had naar de Witte Engel terug te gaan. Het valt me mee dat zijn kaak niet ontwricht is." Het licht verplaatste zich naar de met de ogen knipperende Julia. „Ze ziet er wel naar uit dat ze ertoe in staat is! Figuurtje als van een bokser!" Hij negeerde de woedende zucht van het meisje, wendde zich tot Reynolds, hief waarschuwend zijn wijsvinger op en zei op de plechtstatige toon van een grappenmaker die zichzelf kostelijk amuseert: „Je moet oppassen, jongeman! Een knap meisje, maar… eh… je ziet het zelf wel! Als ze op haar twintigste jaar al zo mollig is, hoe zal het dan zijn als ze veertig wordt? Je moet mijn vrouw eens zien." Zijn schaterlach schalde opnieuw door de stilte en zijn hand wuifde het paar weg. „Neem de benen, kinderen! Volgende keer betekent het de nor!" Vijf minuten later namen Julia en Reynolds afscheid aan de landkant van de brug. Het begon net weer te sneeuwen. Reynolds wierp een blik op zijn horloge. „Iets over negen. Over drie uur ben ik dus bij jullie." „We zullen op u wachten. Dan heb ik net genoeg tijd om Jansci en de graaf te vertellen hoe ik bijna uw kaak ontwrichtte en hoe de ijskoude rekenmachine zijn arm om mij heensloeg en me een minuut lang kuste zonder adem te halen." „Dertig seconden!" protesteerde Reynolds. „Minstens anderhalve minuut en ik zal niet zeggen wat de oorzaak ervan was. Lieve hemel, wat zullen ze rare gezichten trekken." „Ik ben aan u overgeleverd," grinnikte Reynolds, „maar vergeet er niet bij te vertellen hoe u er zal uitzien ais u veertig bent."„Dat zal ik niet vergeten," beloofde ze. Ze stond vlakbij hem en Reynolds zag de ondeugende glans in haar ogen. „Na wat er tussen ons gebeurd is," zei ze ernstig, „betekent wat ik nu ga doen nog minder dan het geven van een hand." Ze ging op de tenen staan, liet haar lippen zacht langs zijn wang glijden en verdween dan vlug in de duisternis. Een minuut lang stond Reynolds haar na te kijken en peinzend wreef hij over zijn wang. Dan vloekte hij zacht en liep de tegenovergestelde richting uit: zijn hoofd gebogen en de hoed diep over het voorhoofd om zijn ogen tegen de sneeuw te beschermen. Hongerig en koud bereikte Reynolds om tien minuten over half tien via de brandladder en onopgemerkt zijn hotelkamer. Hij deed de centrale verwarming aan, overtuigde zich ervan dat er niemand in de kamer was geweest en belde de manager op. Nee, er waren geen boodschappen afgegeven en geen bezoekers geweest en het zou de manager een genoegen zijn op dit late uur nog iets te laten klaarmaken. De kok was net van plan naar bed te gaan, maar niettemin zou het hem een eer zijn mijnheer Rakosi te tonen wat hij kon bereiken op het gebied van een geïmproviseerde maaltijd. Nogal onheus snauwde Reynolds dat alleen snelheid van belang was en culinaire meesterstukjes wel tot de volgende keer konden wachten. Iets over elven was hij klaar met een inderdaad uitstekend maal en driekwart fles Soproni en maakte hij voorbereidingen om te vertrekken. Hij had nog een uur de tijd. De afstand die de snelle Mercedes van de graaf in zes of zeven minuten had afgelegd, moest hij nu echter lopen en bovendien had hij er rekening mee te houden dat hij de weg nog wel eens kwijt zou kunnen raken. Hij kleedde zich om en borg zijn vuil overhemd, zijn das en zijn sokken netjes weg, zonder er enig vermoeden van te hebben dat hij de kamer noch zijn bezittingen ooit weer zou terugzien. Dan duwde hij de sleutel in het slot van de deur, deed nog iets warms aan tegen de kou en verliet opnieuw langs de brandladder het hotel. Op het moment dat hij de straat bereikte, hoorde hij heel vaag maar aanhoudend een telefoon bellen. Hij negeerde het echter, omdat het geluid wel uit honderd andere kamers dan zijn eigen appartement afkomstig had kunnen zijn. Iets over twaalf liep hij door de straat waar de woning van Jansci zich bevond. Hoewel hij er flink de pas in had gehouden, was hij tot in zijn botten verkleumd van kou en halfbevroren, doch voldaan kon hij constateren dat hij vanaf het hotel door niemand gevolgd was. Als de graaf nu nog wat van die barack, de abrikozen- jenever, over zou hebben… De straat was verlaten en toen Reynolds bij de garagedeur kwam, bleek deze als volgens afspraak open te zijn. Zonder langzamer te lopen ging hij ogenblikkelijk naar binnen, zocht in het aardedonker zijn weg naar de gangdeur, maar had hoogstens vier stappen gedaan toen de garage na een klik van het knopje zich plotseling baadde in een zee van licht en de ijzeren deuren achter hem dicht geschoven werden. Reynolds stond onmiddellijk stil. Hij bewoog zich niet, zorgde ervoor dat zijn handen niet te dicht bij zijn jas kwamen en keek langzaam om zich heen. In elke hoek van de garage stond een glimlachende man met een machinepistool onder de arm. Ze waren gekleed in de lange, militaire regenjassen van de AVO, met de daarbij behorende hoge pet met klep. Niemand kon zich in deze mannen vergissen, dacht Reynolds somber. Niemand kon zich vergissen in die verruwde, verdierlijkte gezichten met de glurende blik en de verwachtingsvolle uitdrukking, die kenmerkend waren voor het sadistisch uitvaagsel van de maatschappij dat automatisch zijn weg vond naar de geheime politie van welk communistisch land ook ter wereld. Het was echter de vijfde man op wie Reynolds vooral zijn aandacht concentreerde. Hij stond vlakbij de gangdeur, was tamelijk klein en had een mager, donker getint, intelligent, wat semietisch gezicht. Terwijl Reynolds hem aankeek, stak de kleine man zijn revolver weg, deed twee passen naar voren, glimlachte en boog ironisch. „Kapitein Michael Reynolds van de Britse geheime dienst, naar ik meen! U bent een man van de klok en we appreciëren dat ten zeerste. De AVO houdt namelijk niet van wachten."