Zevende hoofdstuk
Het was nog donker toen Reynolds wakker werd, maar de eerste grijze tinten van de nieuwe dag werden zichtbaar door een klein raam dat op het oosten lag. Reynolds had geweten dat er een raam in de kamer was, doch niet waar het zich precies bevond. Diep in de nacht - dat wil zeggen vroeg in de morgen tegen twee uur - hadden ze na een koude wandeling van meer dan een kilometer door de sneeuw de verlaten boerderij bereikt en Jansci had verboden licht op te steken in de kamers die geen luiken voor de ramen hadden. De kamer van Reynolds behoorde daar ook toe. Zonder zelfs zijn hoofd te bewegen, kon hij de kamer in zijn geheel overzien en dat was niet moeilijk omdat de oppervlakte van de vloer niet groter leek dan tweemaal die van het bed en het bed was alleen maar een smalle krib. Het meubilair bestond uit een stoel, een wastafel, een spiegel met het weer erin en meer niet: er was trouwens geen plaats voor meer. Door het kleine raam Boven de wastafel begon nu meer en meer daglicht te gloren en in de verte, op een afstand van misschien driehonderd meter, zag Reynolds de zwaar besneeuwde takken van grove dennen die klaarblijkelijk op een helling groeiden, want de witte toppen leken ongeveer op de hoogte van zijn ogen te komen. De lucht was zó helder dat hij elk klein onderdeeltje van de takken kon onderscheiden. De grijs geworden hemel begon te veranderen in een heel lichtblauw. Het sneeuwde niet en er waren ook geen wolken. Het was het eerste stuk blauwe lucht dat Reynolds sinds zijn komst in Hongarije gezien had. Misschien was het een goed voorteken en hij had alle goede voortekens nodig, die hij kon krijgen. De wind was gaan liggen en zelfs geen koeltje beroerde de uitgestrekte vlakten. Het was stil: een diepe, koude stilte die kenmerkend is voor het begin van een vriesdag en het met een dikke laag sneeuw bedekte land. Even werd die stilte onderbroken door een korte, droge knal, als van een ver verwijderd geweerschot. Dan werd het opnieuw stil. Reynolds herinnerde zich dat hij door zo'n knal wakker was geworden. Hij wachtte en luisterde en wat later hoorde hij de knal opnieuw, ditmaal dichterbij. Na een korte pauze volgde er een derde knal en besloot Reynolds op onderzoek uit te gaan. Hij wierp de dekens van zich af en zwaaide zijn benen over de rand van de krib. Enkele seconden daarna overwoog hij toch maar niet op onderzoek uit te gaan en realiseerde hij zich dat benen zwaaien over de bedrand, zonder gepast overleg, niet aan te bevelen was: door de onverwachte beweging kreeg hij namelijk het gevoel dat iemand een reusachtige vishaak in zijn rug sloeg, die er meteen weer met kracht werd uitgetrokken. Voorzichtig en langzaam trok hij zijn benen weer terug in bed en met een zucht ging hij achterover liggen. Vermoedelijk was de pijn te wijten aan een stijfheid die tot in zijn schouderbladen doorliep en het plotseling bewegen van verstijfde spieren was nu eenmaal een pijn, die niet voor andere pijnen onderdeed. Het onderzoek naar die knallen kon wachten. Niemand in de boerderij scheen zich er bezorgd om te maken en ook het eerste contact met de temperatuur van de kamer - Reynolds droeg alleen maar een geleende pyjamabroek - bracht hem tot de overtuiging dat een speurtocht maar zo lang mogelijk uitgesteld moest worden: er bleek geen enkele verwarming in het vertrek te zijn, zodat het er bitter koud was. Reynolds staarde naar de zoldering en was benieuwd of de graaf en Imre veilig in Boedapest waren aangekomen, nadat ze de anderen in de buurt van de boerderij hadden afgezet. Het was volstrekt noodzakelijk geweest dat de vrachtwagen werd achtergelaten in de anonimiteit van de stad en niet op een landweggetje in de omgeving van de boerderij, want dat zou een catastrofe uitgelokt kunnen hebben. Volgens Jansci zou er namelijk meteen die morgen al in heel westelijk Hongarije naar de truck gezocht worden en geen betere plaats voor de auto dan een stil straatje in een grote stad. Dat de graaf naar Boedapest terugging, was trouwens ook noodzakelijk geweest. Hij voelde zich er zeker van geen argwaan opgewekt te hebben en als ze te weten wilden komen waar Dr. Jennings heen was gebracht, moest de graaf terug naar de AVO, waar hij na de lunch dienst had. Het was in dit verband niet waarschijnlijk dat de Russen het risico hadden genomen om de professor zelfs zwaar bewaakt in het hotel te laten. Natuurlijk liep de graaf risico wanneer hij terug naar de AVO ging, maar risico was er per slot van rekening altijd geweest en een andere mogelijkheid om Jennings te vinden bestond er niet. Reynolds spiegelde zichzelf niets voor. Zelfs met de beste hulp in de wereld - en hij geloofde dat Jansci en de graaf hem die konden verschaffen! - waren de kansen op uiteindelijk succes toch nog heel klein. Een gewaarschuwd man telt voor twee en de communisten waren wel op zeer bijzondere wijze gewaarschuwd: met een bittere smaak in de mond, die hij nog lang zou blijven proeven, dacht Reynolds aan de bandopname. Zijn hele leven lang zou hij die blunder niet vergeten. De nu op hun hoede zijnde communisten konden de wegen afzetten en desnoods het gehele verkeer in en om Boedapest volkomen lam leggen. Ze konden de professor opsluiten in de meest afgelegen en versterkte gevangenis of het meest afgezonderde concentratiekamp van het land; ze konden hem zelfs terugvoeren naar Rusland en boven alles moest rekening gehouden worden met de sluitsteen van dit op gissingen berustende bouwwerk, met de alles overheersende vraag wat er in Stettin met de jonge Brian was gebeurd. Verbeten besefte Reynolds dat de Baltische haven uitgekamd zou worden als nog zelden was gebeurd. Terwijl de twee Britse geheimagenten geen enkele reden hadden om te veronderstellen dat er alarm was geslagen, kon de Poolse staatspolitie alle hoeken en gaten van de stad al aan het nasnuffelen zijn. De kleinste misrekening, het geringste verslappen van de waakzaamheid van de voor de veiligheid van de jongen verantwoordelijke agenten kon een ramp betekenen. Het is om gek te worden, dacht Reynolds somber, om hier in die krib te liggen en hulpeloos te moeten wachten, terwijl duizend kilometers verder het net misschien werd dicht getrokken. Het brandend gevoel in zijn rug nam wat af en ten slotte verdween ook de snijdende pijn. Niet echter de droge, korte knallen vlak onder zijn raam. Ze waren nu hoe langer hoe duidelijker te horen en volgden elkaar in regelmatig tempo op. Ten slotte kon Reynolds zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en bovendien wilde hij zich wassen, want de vorige avond was hij zonder meer uitgeput in bed gevallen en meteen ingeslapen. Heel voorzichtig ging hij op de rand van de krib zitten, trok de broek van zijn grijze pak aan - die er veel minder onberispelijk uitzag dan lord hij drie dagen terug Londen verliet - kwam dan behoedzaam overeind en schuifelde naar het kleine raam boven de wastafel. Een verbazingwekkend schouwspel ontrolde zich aan zijn ogenniet zozeer het schouwspel zelf misschien, dan wel de centrale figuur. De man onder het raam, een jongen eigenlijk nog, bood de aanblik alsof hij zo uit een operette was gestapt. Hij droeg een fluwelen met grote veren versierde hoed, een lange, om hem heen golvende mantel van gele dekenstof en prachtig geborduurde rijlaarzen met glanzende, zilveren sporen. Afstekend en extra scherp uitkomend tegen de verblindend witte achtergrond van het besneeuwde landschap vormde de jongeman in de kleurloze grauwheid van het communistische land een wel zeer bont en aan het bizarre grenzende figuur. Waar hij zich mee bezig hield, was al even zeldzaam als zijn verschijning. Zijn geschoeide hand klemde zich om de uit grijs hoorn bestaande greep van een lange, dunne zweep en terwijl Reynolds toekeek, bewoog de jongeman met soepel gemak en met een heel klein rukje zijn pols en wipte een op een afstand van bijna vijf meter liggende kurk plotseling ongeveer drie meter opzij. Bij de volgende zweepslag sprong de kurk precies op dezelfde plek weer terug. Tienmaal werd het spelletje herhaald en het ging allemaal zó snel, dat Reynolds niet eens zag dat de zweep de kurk raakte of er zelfs ook maar in de buurt van kwam. Zijn ogen konden de bliksemsnelle beweging niet volgen. De jongeman concentreerde zich volkomen op zijn oefening en zijn nauwkeurigheid was fantastisch. Reynolds werd dermate geboeid door het schouwspel dat hij niet bemerkte hoe de deur van zijn kamer zachtjes geopend werd. Dan hoorde hij echter een verschrikte uitroep en met een ruk wendde hij zich van het raam af. Op hetzelfde moment vertrok zijn gezicht door de scherpe pijn die eensklaps weer door zijn rug sneed. „Neem me niet kwalijk," mompelde Julia verward. „Ik wist niet dat…" „Kom binnen," onderbrak Reynolds haar grinnikend. „Wees niet bang, want ik ben een zeer achtenswaardig man. U diende trouwens te weten dat spionnen en geheimagenten gewend zijn om allerlei soorten vrouwelijk gezelschap in hun slaapkamers te ontvangen." Hij keek naar het blad dat ze op het bed had gezet. „Voedsel voor de invalide? Heel vriendelijk van u." „Meer invalide dan hij wil bekennen." Julia was gekleed in een blauw wollen jurk met ceintuur en iets wits aan de onderkant van de mouwen en de hals. Het gouden haar was glanzend geborsteld en haar gezicht en ogen leken nog maar pas met sneeuw gewassen te zijn. Zonder verdere plichtplegingen onderzocht ze Reynolds' rug en haar vingers waren even fris en koel als haar gehele verschijning. Voorzichtig betastte ze de pijnlijke zwellingen en Reynolds hoorde hoe ze even de adem inhield. „We moeten er een dokter bijhalen, mijnheer Reynolds! Het is helemaal rood, blauw, purper, gewoonweg alle kleuren van de regenboog. U kunt het zo niet laten - het ziet er verschrikkelijk uit." Ze draaide hem om en keek naar zijn ongeschoren gezicht. „U moet weer naar bed! Het doet erg pijn, is het niet?" „Alleen wanneer ik lach, zoals de man zei die een harpoen in zijn zij had!" Met zijn hoofd duidde Reynolds op het raam. „Wie is die circusartiest?" „Ik hoef niet eens te kijken," lachte Julia. „Ik hoor hem al. Dat is de kozak - een van vaders mensen." „De kozak?" „Zo noemt hij zich. Zijn echte naam is Alexander Moritz. Hij denkt dat we dat niet weten, maar vader weet alles van hem, zoals trouwens van bijna iedereen. De jongen noemt zich de kozak, omdat hij Alexander verwijfd vindt klinken. Hij is net achttien geworden." „Waarom dat kostuum uit een komische opera?" „Bekrompen onwetendheid!" wees het meisje hem terecht. „Er is niets komisch aan dat kostuum! Onze kozak is een echte csikós een cowboy, zoals u het zou noemen, van de puszta, de oostelijke grasvlakten in de buurt van Debrecan. Op die manier kleden ze zich en zelfs de zweep hoort erbij. De kozak vertegenwoordigt weer een geheel andere kant van het werk van Jansci en tot dusver had u daar nog niet van gehoord - het voeden van verhongerende mensen!" Haar stem was nu weer heel rustig. „Als het winter wordt, mijnheer Reynolds, lijden er veel mensen honger in Hongarije. De regering neemt de boeren teveel vlees en aardappelen af en het is vooral erg in de tarwegebieden, waar de hoeren letterlijk alles bij de regering moeten inleveren. Het is op een keer zelfs zó erg geweest dat de bevolking van Boedapest brood naar het platteland stuurde. Jansci probeert de hongerende boeren aan voedsel te helpen. Hij bepaalt welke regeringsboerderij van wat vee ontlast wordt en waar het heengaat. De kozak drijft het vee naar de aangewezen plaatsen. Vannacht nog was hij over de grens." ,,(laat dat allemaal zó eenvoudig?"„Voor de kozak wel: hij heeft een vreemde gave om met vee om te gaan. Het meeste vee komt uit Tsjechoslowakije - de grens is hier nog geen twintig kilometer vandaan. De kozak verdooft de beesten met chloroform of geeft ze zemelwater met een scheutje goedkope brandewijn te drinken. Wanneer de beesten half verdoofd of dronken zijn, wandelt de kozak er even gemakkelijk de grens mee over, als u of ik een straat zouden oversteken." „Jammer dat je zoiets ook niet met mensen kunt doen," zei Reynolds droog. „Dat wil de kozak juist zo graag: vader en de graaf met mensen helpen. Ik bedoel… zonder chloroform! Vandaag of morgen komt het zover!" Ze verloor plotseling alle belangstelling voor de kozak, staarde een ogenblik zonder iets te zien uit het raam en keek dan naar Reynolds. Er lag een ernstige uitdrukking in haar opmerkelijk blauwe ogen. „Mijnheer Reynolds," begon ze schuchter, „ik…" Reynolds wist wat er zou komen en haastte zich haar voor te zijn. Er was de vorige nacht geen helderziendheid voor nodig geweest om te beseffen dat ze het besluit, om het zoeken naar Jennings niet op te geven, alleen maar symbolisch en voorlopig had aanvaard. Reynolds had haar onvermijdelijk beroep op hem verwacht en wist dat ze het al in gedachten had toen ze de kamer binnenkwam. „Probeer het eens met Michael," stelde hij voor. „Ik vind het namelijk nogal moeilijk om met mijn overhemd uit formeel en waardig te blijven." „Michael?" Langzaam en zorgvuldig herhaalde ze de naam, die ze uitsprak als 'Meechail'. „Mike dus?" „Pas op of ik vermoord je!" dreigde Reynolds. „Goed… Michael dan!" „Meechail!" deed hij haar glimlachend na. „Wilde je wat zeggen?" Heel even en in een zwijgend begrijpen ontmoetten de donkerbruine en blauwe ogen elkaar. Het meisje wist het antwoord op haar vraag al eer ze verder gesproken had en toen ze zich afwendde, bogen haar smalle schouders zich in de nederlaag iets naar voren. „Niets!" mompelde ze toonloos. „Ik zal voor een dokter zorgen. Jansci is in twintig minuten beneden." „Lieve hemel!" riep Reynolds verschrikt. „De radio! Ik had het totaal vergeten!" „Dat is tenminste iets 1" Het meisje glimlachte flauwtjes en trok de deur van de kamer achter zich dicht. Jansci kwam langzaam overeind, draaide de radio uit en keek op Reynolds neer. „Zit het verkeerd?" vroeg hij. „Verkeerd genoeg!" Voorzichtig ging Reynolds verzitten in een poging de pijn in zijn rug te verminderen. Zelfs het wassen, kleden en het naar beneden komen hadden meer van zijn krachten gevergd dan hij wilde toegeven en de pijn bleef zonder onderbreking aanhouden. „Het wachtwoord moest vandaag doorgegeven worden. Dat was definitief afgesproken." „Misschien zijn ze in Zweden aangekomen," veronderstelde Jansci, „maar waren ze nog niet in staat om contact met Engeland op te nemen." „Ik ben bang van niet." Reynolds had er voor honderd procent op vertrouwd dat het wachtwoord die morgen door zou komen en nu het weg was gebleven, voelde hij het als een diepe en bittere teleurstelling. „Alles was prima georganiseerd en onze contactman houdt zich elk uur van de dag paraat." „Aha! Maar wanneer die twee agenten werkelijk zo uitgekookt zijn als je ons vertelde, werden ze misschien wantrouwend en houden ze zich een paar dagen in Stettin schuil tot… eh… hoe noemen jullie dat… tot de kust weer veilig is." „Dat is mijn enige hoop. Lieve God, als ik nog denk dat ik er met die microfoon ingelopen ben!" zei Reynolds bitter. „En wat nu?" „Onze zielen in lijdzaamheid bezitten!" adviseerde Jansci. „Dat wil zeggen: wat ons betreft! Jij gaat naar bed en geen tegenwerpingen! Ik heb al teveel zieken in mijn leven gezien om geen zieke man te kunnen herkennen en voor een dokter wordt al gezorgd." Hij zag de uitdrukking op Reynolds' gezicht en glimlachte. „Een heel oude vriend van me, die volkomen te vertrouwen is." Twintig minuten later kwamen de dokter en Jansci de kamer van Reynolds binnen. De dokter was dik en zwaar gebouwd. Hij had een rood gezicht, een kort geknipte snor, de echte opgewekte doktersstem die patiënten altijd het ergste doet vermoeden en straalde een machtig zelfvertrouwen uit. Alles bij elkaar, dacht Reynolds wat spottend, een dokter zoals ongeveer alle andere dokters in de wereld. Evenals zijn collega's hield ook deze dokter er een uitgesproken eigen mening op na, die hij geen ogenblik zonder noodzaak onder stoelen of banken trachtte te steken. Al direct toen hij binnenkwam begon hij minstens zesmaal achter elkaar vierkant die verdoemde communisten te vervloeken. „Hoe is het mogelijk dat u nog leeft," vroeg Reynolds glimlachend. „Ik bedoel… eh… als u zo ronduit voor uw mening uitkomt." ,,Bah! Iedereen weet hoe ik over die verdoemde communisten denk! Ze durven ons, kwakzalvers, niet aan te raken, beste jongen. Onmisbaar zijn we en vooral de bekwame kwakzalvers." Hij drukte een stethoscoop in zijn oren. „Niet dat ik me zo geweldig noem, hoor, maar de kunst is om ze te laten denken dat je het wel bent" De dokter deed zichzelf overigens te weinig eer aan, want zijn onderzoek was zeer bekwaam, vlug en grondig. „Je haalt het wel," verklaarde hij „Waarschijnlijk een kleine inwendige bloeding, maar niet de moeite waard. Een flinke ontsteking en een kneuzing om te zoenen. Geef me een kussensloop, Jansci." Hij schraapte zijn keel en zei: „De doeltreffendheid van dit geneesmiddel is recht evenredig met de pijn die het veroorzaakt. Vermoedelijk ga je door het dak heen, maar morgen ben je beter." Hij lepelde een overvloedige hoeveelheid grijsachtige zalf op het kussensloop en begon die uit te smeren. „Een soort van paardenmiddel," legde hij uit, „dat al eeuwen oud is, maar ik gebruik het overal. Niet alleen hebben de patiënten vertrouwen in een dokter die zich aan ouderwetse middeltjes houdt, maar bovendien kan ik het nu buiten de saaie en zeer bewerkelijke noodzakelijkheid stellen om de laatste ontwikkelingen en uitvindingen bij te houden. Afgezien daarvan is het trouwens zo ongeveer het enige wat die verdoemde communisten ons nog overgelaten hebben." Reynolds kromp even in elkaar toen het smeersel in zijn huid drong en hij voelde het zweet op zijn voorhoofd parelen. De dokter scheen er bijzonder over in zijn schik te zijn. „Wat heb ik je gezegd! Morgen ben je weer als een leeuw! Slik twee van deze witte tabletten, beste jongen, want die verzachten inwendige pijnen en dan ook deze blauwe pil. Die zorgt ervoor dat je gaat slapen, want als je dat niet doet, heb je in tien minuten die omslag van je donder gescheurd. Let op: die blauwe pil werkt onmiddellijk." Het bleek inderdaad waar te zijn en wat Reynolds ten slotte alleen nog maar heel vaag hoorde, was de luide stem van de dokter die op de trap heftig tegen die verdoemde communisten aan het uitvaren was. Daarna herinnerde Reynolds zich de eerste twaalf uur niets meer. Toen hij wakker werd, bleek het al weer avond te zijn. Ditmaal was er echter een gordijn voor het raam geschoven en brandde er een kleine petroleumlamp in de kamer. Reynolds ontwaakte vlug en volkomen, zoals hij zich dat al heel lang aangeleerd had: zonder zich te bewegen of de regelmaat van zijn ademhaling te veranderen. Zijn ogen vestigden zich op het gezicht van Julia, waarop een uitdrukking lag die hij nog niet eerder van haar gezien had en het duurde een volle seconde eer het meisje bemerkte dat hij niet meer sliep en naar haar keek. Langzaam trok ze de hand waarmee ze hem wakker had willen schudden van zijn schouder weg en Reynolds zag dat er op haar hals en wangen een lichte blos verscheen. Onverschillig echter, alsof hij niets ongewoons had opgemerkt, wierp hij een blik op zijn polshorloge. „Acht uur!" Met een ruk ging hij rechtop zitten en pas dan herinnerde hij zich weer de pijn die de vorige keer op een dergelijke, onverwachte beweging gevolgd was. Over zijn gezicht gleed een merkbare trek van stomme verbazing. „Hoe voel je je?" glimlachte Julia. „Beter zeker, is het niet?" „Beter? Het is een wonder!" Zijn rug stond nog steeds in brand, maar de snijdende pijnen waren volkomen verdwenen. „Acht uur? Dan heb ik verdorie twaalf uur geslapen!" „Inderdaad! Maar zelfs je gezicht ziet er een stuk beter uit." Het meisje had haar rust weer teruggevonden. „Het eten is klaar. Zal ik het boven brengen?" „Ik ben in een paar minuten beneden," beloofde Reynolds haar. Hij kwam zijn belofte stipt na. In de kleine keuken brandde een vrolijk blokkenvuur. De tafel, die voor vijf personen gedekt was, bevond zich er tegenover. Sandor en Jansci groetten hem vriendelijk, toonden zich verheugd over zijn snel vorderend herstel en stelden hem voor aan de kozak. De jongeman gaf hem vluchtig een hand, knikte, fronste het voorhoofd, ging achter zijn bord met broodsoep zitten en zei niets. Tijdens de gehele maaltijd bleef hij zwijgen en hield hij het hoofd gebogen, zodat Reynolds een prachtige blik kreeg op het typisch dikke zwarte haar van de Magyaar dat hij strak van het voorhoofd naar achter geborsteld had. Pas toen de kozak nog kauwend opstond en iets tegen Jansci mompelend de keuken verliet, zag Reynolds voor het eerst zijn open en knap jongensgezicht waarop echter een slecht verborgen boze, grimmige uitdrukking lag. Reynolds twijfelde er niet aan dat die uitdrukking hem gold. Een paar seconden later hoorden ze het geluid van naar het scheen een zware motorfiets die langs het huis reed. Het geronk stierf vlug in de verte weg en verdween ten slotte geheel. Reynolds keek zijn tafelgenoten aan.„Zou iemand me misschien kunnen vertellen wat ik misdaan heb? Als blikken konden doden, zou onze jonge vriend me tot as verbrand hebben." Zijn ogen vestigden zich op Jansci, maar deze scheen grote moeite te hebben zijn pijp aan te krijgen. Sandor staarde in het vuur en was blijkbaar diep in gedachten verzonken. De verklaring kwam ten slotte van Julia en er lagen een ergernis en geprikkeldheid in haar stem, die helemaal niet bij haar pasten, zodat Reynolds haar even verbaasd aankeek. „Goed, als die twee lafaards het je niet willen zeggen, zal ik het wel moeten doen! Het enige dat de kozak hindert, is het feit dat jij hier bent. Je moet namelijk weten… eh… ik… eh… wel, hij denkt dat hij van me houdt, van mij nota bene… ik ben zes jaar ouder dan hij!" „Wat is ten slotte zes jaar?" begon Reynolds onpartijdig. „Als je…" „Zwijg maar alsjeblieft! Op een avond had hij een restje drank van de graaf te pakken gekregen en verklaarde hij me zijn liefde! Ik was stomverbaasd en natuurlijk wat van mijn stuk gebracht, maar hij is heus een ontzettend aardige jongen en omdat ik niet onvriendelijk tegen hem wilde zijn, zei ik zoiets van wachten tot hij volwassen zou zijn. .. eh. .. hij was woedend!" Reynolds trok zijn wenkbrauwen op. „Maar wat heeft dat allemaal met mij…" „Doe niet zo dom! De kozak denkt dat je… eh… een rivaal van hem bent." „Moge de beste winnen!" zei Reynolds plechtig. Jansci trok hevig aan zijn pijp, Sandor bedekte zijn gezicht met een hand als een schapenbout en door de ijzige stilte aan het hoofd van de tafel meende Reynolds maar beter te doen een andere kant op te kijken. Daar het echter stil bleef, zag hij zich ten slotte genoodzaakt zijn blikken toch weer naar het meisje te wenden. De woede, de verrassing en het blozen, die hij eigenlijk verwacht had te zien, kon hij echter niet ontdekken. Hij zag enkel een heel rustige Julia die hem met de kin in de hand peinzend en mogelijk zelfs met een vleugje spot in de ogen zat aan te kijken, wat Reynolds onder de omstandigheden een vaag verontrustend gevoel gaf. Het was niet de eerste maal dat hij zich realiseerde, dat het de grootste dwaasheid zou zijn om de dochter van een man als Jansci te onderschatten. Eindelijk stond ze op om de borden weg te ruimen en keerde Reynolds zich tot Jansci. „Ik neem aan dat het de kozak was die we hoorden weggaan. Waar is hij naar toe?" „Boedapest! Hij heeft aan de rand van de stad een afspraak met de graaf." „Wat! Op een zware motorfiets die je kilometers ver kan horen en in kleren die op diezelfde afstand ook al opvallen?" „Alleen maar een licht motorfietsje - de kozak verwijderde enige tijd geleden echter de knalpot omdat niet genoeg mensen hem hoorden aankomen. Hij bezit nu eenmaal de typische ijdelheid van de prille jeugd. Het opvallen van zijn kleren en de motorfiets garanderen overigens juist zijn veiligheid. Hij loopt zó in het oog dat niemand er zelfs ook maar van zou dromen hem te verdenken." „Hoelang blijft hij weg?" „Onder normale omstandigheden is het heen en terug een half uur, want we zijn hier slechts vijftien kilometer van de stad verwijderd. Met die sneeuw reken ik echter op minstens anderhalf uur."Het bleken zelfs twee uur te zijn en het werden twee van de incest onvergetelijke uren die Reynolds ooit had meegemaakt. Het was Jansci die bijna al die tijd het woord voerde en Reynolds luisterde naar hem met de gespannenheid van een man die wist dat het hem veroorloofd werd een zeldzaam voorrecht mee te maken, dat zich misschien nimmer in zijn leven meer zou voordoen. Een dergelijke stemming van mededeelzaamheid, vermoedde Reynolds, openbaarde zich waarschijnlijk zelden bij deze meest merkwaardige en bijzondere man die hij ooit in zijn veelbewogen en gevaarlijk bestaan had meegemaakt en die iedereen - behalve dan mogelijk met uitzondering van de graaf, zijn tweede ik - volkomen in de schaduw stelde en onbetekenend deed lijken. En twee onderbroken uren lang zat Julia op een kussen naast haar vader. De anders altijd niet lang afwezige lach en ondeugende glans m haar ogen waren verdwenen alsof ze nimmer bestaan hadden en luidden plaats gemaakt voor een stille ernst die Reynolds eigenlijk nooit in haar vermoed had. Gedurende het hele gesprek wendde ze nauwelijks haar ogen van het gezicht van haar vader af en dan alleen nog maar om naar de verminkte en met littekens bedekte overblijfselen van Jansci's handen te kijken, waarna haar blikken meteen weer naar zijn gezicht dwaalden. Het was of het meisje lm geen reden hebbende voorgevoel van Reynolds deelde, dat ze dit voorrecht nooit meer zou mogen genieten en ze zich elk detail van haar vaders gezicht en handen in het geheugen wilde prenten, zodat die haar voor altijd zouden bijblijven. Reynolds herinnerde zich de vreemde blik in haar ogen toen ze in de vrachtwagen naar de boerderij reden, alsof ze de dood in de nabijheid wist, en voelde zich plotseling op een eigenaardige, onverklaarbare wijze koud worden. Het kostte hem bijna lichamelijke inspanning om dat abnormale gevoel van zich af te zetten en niet aan iets te denken dat, naar hij besefte, slechts de verkennende voorpost van bijgelovige onzin moest zijn. Jansci sprak geen moment over zichzelf en alleen wanneer het noodzakelijk was over zijn organisatie en de methode van werken. Het enig concreet feit dat Reynolds in de loop van de avond te weten kwam, was dat het hoofdkwartier zich niet in deze boerderij bevond, maar in een boerderij in de lage heuvels tussen Szombathely en het Neusiedlermeer, niet ver van de Oostenrijkse grens - de enige grens die voor het merendeel van hen, die naar het westen vluchtten, van belang was. In plaats daarvan sprak Jansci over de mensen, de honderden mensen die de graaf en hij naar de veiligheid hadden geholpen. Hij sprak over hun hoop, hun angst en de verschrikkingen van deze wereld. Hij sprak over de vrede, over zijn hoop voor de wereld en zijn overtuiging dat die vrede eindelijk toch bereikt zou worden wanneer er maar één goed mens op de duizend was, die zich ervoor wilde inzetten. Hij sprak ook over de dwaasheid zich in te beelden dat er iets anders dan deze inzet in de wereld zou zijn, dat waard was om voor te werken: zelfs de uiteindelijke vrede niet, omdat die alleen maar uit juist die inzet kon voortkomen. Hij sprak over de communisten en niet- communisten die alleen maar van elkaar verschilden in het benepen denken van de mens. Hij sprak over de onverdraagzaamheid en de kleinheid van geest, die zo onvoorwaardelijk meenden te weten dat de mensen onontkoombaar verschillend waren krachtens geboorte, geloof en overtuiging en de God, die beweerde dat alle mensen broeders waren, dit toch maar heel zwakjes beoordeeld had. Hij sprak over de tragedie van al die verschillende geloofsovertuigingen die elk voor zich het ware en enige geloof dachten te zijn, over de religieuze sekten die wederrechtelijk bezit namen van de hemelpoorten om te verhinderen dat nieuw aangekomenen toegang kregen en hij sprak ook over de tragedie van zijn eigen Russisch volk dat volkomen bereid was dit aan anderen over te laten, omdat er toch geen hemelpoorten waren. Jansci hield geen betoog, maar kwam van het een op het ander en van zijn eigen volk dwaalde hij af naar zijn jeugd onder dit volk. Eerst scheen deze overgang zinloos en inconsequent te zijn doch Jansci dwaalde niet doelloos af. Alles wat hij deed, zei of dacht had te maken met het verstevigen en consolideren - zowel bij zichzelf als bij al zijn toehoorders - van zijn bijna obsederend geloof in de eenheid van de mensheid. Toen hij vertelde over zijn jongenstijd en latere jeugd in zijn eigen land, had Jansci een doodgewoon mens van welk geloof dan ook kunnen zijn, die zich met diep heimwee de gelukkigste uren van een gelukkig land herinnerde. Het beeld dat hij van de Oekraïne gaf, werd misschien beïnvloed door de overdreven gevoelens voor iets dat onherroepelijk verloren ging, doch niettemin voelde Reynolds aan dat het een waar beeld moest zijn. De droeve blik van blijde herinnering in die vermoeide en zachte ogen kon namelijk nooit voortgekomen zijn uit een zij het dan niet gerealiseerd zelfbedrog. Geen moment ontkende Jansci de ontberingen van het harde leven, van de lange werkdag op de velden, van de van tijd tot tijd optredende hongersnood, van de brandende zon in de zomer en van de bittere kou wanneer de winden uit Siberië over de steppen gierden. In wezen was het echter een beeld van een gelukkig land, een gouden land dat geen vrees of onderdrukking kende. Een beeld van wijde horizons met de gouden, wuivende tarwe in de wazige, purper wordende verte. Een beeld van vrolijk gelach, gezang en dans; van prachtige tochten in een met paarden bespannen, luid bellende slede en onder een met koud twinkelende sterren bezaaide hemel; van een stoomboot die in de warme zomernacht langzaam de Dnjepr afvoer, terwijl zachte muziek over het stille water verstierf. En juist toen Jansci wat weemoedig vertelde over de heerlijke geuren van de kamperfoelie, de tarwe, de jasmijn en het pas gemaaide hooi, die in de nacht over de rivier kwamen aandrijven, stond Julia vlug op, mompelde iets over koffie zetten en verliet haastig de kamer. Zelfs in het korte moment dat Reynolds nog net even een glimp van haar gezicht kon zien, bemerkte hij dat haar ogen omfloersd waren door tranen. De ban was gebroken maar op de een of andere wijze was er toch nog iets van de betovering in het vertrek blijven hangen. Reynolds maakte zich geen illusies. Al had Jansci dan ook schijnbaar doelloos algemeenheden verkondigd, toch voelde de Engelsman heel goed aan dat Jansci's woorden rechtstreeks tot hem gericht waren geweest en Jansci een poging gedaan had overtuigingen en vooroordelen te ondermijnen, hem het schril en tragisch contrast te doen zien tussen het zojuist geschilderd gelukkige volk en de sinistere apostelen van de wereldrevolutie en hem in twijfel te brengen of zo'n volledige ommekeer wel binnen de grenzen lag van het geloofwaardige en zelfs van het mogelijke. Het was geen toeval geweest, dacht Reynolds wrang, dat Jansci zich in het begin voornamelijk gewijd had aan de onverdraagzaamheid en opzettelijke blindheid van de vrije mensheid. Weloverwogen had Jansci het erop aangestuurd dat Reynolds zichzelf als een klein onderdeeltje van die mensheid zou herkennen en met een onbehaaglijk gevoel realiseerde de Engelsman zich dat Jansci hierin niet geheel en al gefaald had. Twijfel welde in hem op; hij begon zich bepaalde dingen af te vragen en daar Reynolds niet van dergelijke onzekerheden hield, besloot hij vastberaden ze van zich af te zetten. Hoe oud de vriendschap tussen kolonel Mackintosh en Jansci ook mocht zijn, toch wist Reynolds dat zijn chef het gesprek van die avond niet op prijs zou hebben gesteld. De kolonel moest er nu eenmaal niets van hebben dat zijn agenten in onzekerheden kwamen te verkeren. Ze dienden hun gedachten bij het uiteindelijk doel te houden, bij de taak die hen opgedragen was. Voor de agent telde alleen de opdracht, niets dan de opdracht en met bijgedachten moest hij zich niet bezig houden! Bijgedachten? Wat ongelovig doofde Reynolds zijn sigaret en dan piekerde hij er niet verder meer over. Jansci was intussen met Sandor in gesprek geraakt. Ze spraken op zachte en vriendschappelijke toon en terwijl Reynolds luisterde, besefte hij zich dat deze twee mannen anders tegenover elkaar stonden dan hij eerst aangenomen had. Geen sprake van een verhouding van meester en knecht, van werkgever en werknemer. Daarvoor was de sfeer te los en te informeel en Jansci luisterde even aandachtig en geduldig naar Sandor als Sandor naar Jansci. Er bestond een band tussen hen, een onzichtbare doch daarom niet minder sterke band van verknochtheid aan een gemeenschappelijk ideaal. Van de kant van Sandor bestond er bij die verknochtheid geen verschil tussen het ideaal zelf en de man die het inspireerde. Zo langzamerhand begon Reynolds te ontdekken dat Jansci onbewust de gave bezat een trouw in het leven te roepen, die ternauwernood aan het begrip afgoderij ontkwam. Ook Reynolds zelf, hoewel zijn karakter en opleiding hem onvermijdelijk tot een wars van alle geschipper individualist moesten hebben gemaakt, kon zich niet geheel aan de subtiele aantrekkingskracht van deze invloed onttrekken. Het was precies elf uur toen de deur opengegooid werd en de kozak binnenkwam. Een koude, met sneeuw beladen windvlaag vergezelde hem. De kozak wierp een groot, in papier gewikkeld pak in een hoek en sloeg krachtig zijn handschoenen tegen elkaar uit. Zijn gezicht en handen waren blauw van de kou, maar hij deed net of hij het niet bemerkte en zocht niet eens de warmte van het vuur. In plaats daarvan ging hij aan tafel zitten, stak een sigaret aan, rolde deze naar een mondhoek en liet haar daar vastkleven. Wat geamuseerd zag Reynolds dat de rook langs het gezicht van de kozak omhoog kringelde en de tranen in een van zijn ogen bracht, maar de jongen dacht er niet aan de sigaret uit zijn mond te nemen: het ding zat er nu eenmaal en bleef er zitten! liet rapport van de kozak was kort en zakelijk. Geheel volgens af spraak hadden de graaf en hij elkaar aan de rand van Boedapest ontmoet. Jennings bevond zich niet meer in het hotel en als voorzorgsmaatregel was het gerucht al verspreid dat de professor zich niet goed voelde. De graaf wist niet waar Jennings heen was gebracht — in ieder geval niet naar het hoofdkwartier van de AVO of naar een van de andere bekende centra van de AVO in Boedapest. Mogelijk hadden ze hem naar Rusland teruggevoerd of anders naar een veilige plaats buiten de stad. De graaf zou erachter zien te komen, maar had weinig hoop. Volgens de kozak leek het de graaf echter niet erg waarschijnlijk dat de professor meteen al en zonder meer op transport naar Rusland was gesteld omdat hij als een veel te belangrijke figuur voor de conferentie werd beschouwd. Eerder zag het ernaar uit dat de Russen hem ergens goed verborgen hielden tot ze bericht uit Stettin hadden. Mocht Brian zich daar nog bevinden, dan zouden ze de professor ongetwijfeld alsnog aan de conferentie laten deelnemen - nadat hij eerst door de telefoon de stem van zijn zoon zou hebben gehoord. Als de jonge Brian echter ontvlucht was, betekende dit dat Jennings zonder twijfel naar Rusland vervoerd zou worden. Boedapest lag namelijk veel te dicht bij de grens en de Russen konden zich onmogelijk het niet te becijferen verlies aan prestige veroorloven hem te laten ontsnappen. Verder was er nog een ander verontrustend bericht: Imre bleek verdwenen te zijn en de graaf kon hem nergens vinden. Er volgde een prachtige, nimmer eindigende zondag met een azuurblauwe hemel zonder wolken of windstrepen en een verblindend witte zon, die de golvende vlakten en door sneeuw bedekte dennen tot een liefelijke kerstkaart maakte. Later kon Reynolds zich deze zondag niet geheel en al duidelijk meer herinneren. Het was of hij die dag alles in een waas beleefd had, alsof het slechts een vage droom was geweest. Het leek haast dat hij die zondag niet zelf meemaakte en het was allemaal zó op een afstand, zó ontdaan van alle werkelijkheid dat hij het zich naderhand nauwelijks voor de geest kon halen. Niet zijn lichamelijke gesteldheid of verwondingen waren hier de oorzaak van. De dokter had de doeltreffendheid van zijn smeerseltje namelijk niet overdreven en hoewel de rug van Reynolds nog stijf aanvoelde, was de pijn verdwenen. Zijn mond en kaak genazen eveneens vlug, ofschoon een kloppende pijn hem af en toe nog wel herinnerde aan de plaats waar de twee tanden zich hadden bevonden, die de onverhoedse en gemene aanval van Coco hem gekost had. Reynolds wist en bekende het zichzelf ook dat de oorzaak lag in een tergende ongerustheid die in hem woelde, in een gespannen rusteloosheid die hem geen moment stil kon doen zitten, maar hem door het huis en over de bevroren sneeuw buiten deed ijsberen, tot zelfs de flegmatieke Sandor hem verzocht toch eens even rustig te gaan zitten. Opnieuw hadden ze om zeven uur 's morgens naar de BBC geluisterd, maar weer was er geen bericht doorgekomen. Brian Jennings had Zweden niet bereikt en Reynolds wist dat er weinig hoop meer overbleef. Meer opdrachten waren hem in zijn loopbaan echter mislukt en om een mislukking had hij zich nooit werkelijke zorgen gemaakt. Het was over Jansci dat hij zich zorgen maakte. Hij wist namelijk dat Jansci, die beloofd had hem te zullen helpen, die hulp tot elke prijs zou willen verlenen, ook al was het hem nog veel beter dan Reynolds bekend hoe groot onvermijdelijk het risico van de poging moest zijn een zwaar bewaakt man in communistisch Hongarije te bevrijden. Bovendien was Reynolds zich bewust dat zijn ongerustheid en zorg niet alleen of zelfs ook maar voornamelijk Jansci golden, hoe groot zijn bewondering en respect voor de man ook waren. Ze betroffen in de eerste plaats Jansci's dochter, die haar vader aanbad en gebroken en ontroostbaar zou zijn wanneer ze hem - dus alles wat haar nog van haar familie was overgebleven - moest verliezen. En wat nog het ergste was: ze zou Reynolds dan als de oorzaak van haar vaders dood beschouwen, het zou een barrière gaan vormen die altijd tussen hen zou blijven bestaan. Voor misschien wel de honderdste maal keek Reynolds naar de lachende trek om haar mond, die volkomen in tegenstelling was met de verontruste, bekommerde blik in haar ernstige ogen en langzaam, maar met een schok, realiseerde de Engelsman zich dat dit inderdaad eigenlijk zijn grootste zorg uitmaakte. Het meisje en hij waren die dag veel samen. Reynolds was van haar trage glimlach en grappige manier waarop ze zijn naam uitsprak gaan houden, maar toen ze hem op een gegeven ogenblik weer 'Meechail' noemde en op dat moment zowel haar mond als haar ogen lachten, was hij kortaf, zelfs ruw tegen haar geweest. Hij zag de niet begrijpende blik, de pijn in haar ogen toen de glimlach langzaam vervaagde en ten slotte geheel verdween en voelde zich ellendiger en meer in de war dan hij die gehele dag al geweest was. Reynolds dankte de hemel dat kolonel Mackintosh hem op dat ogenblik niet kon zien en niet getuige was van de houding van de man die hij als het meest geschikt beschouwde hem op zekere dag op te volgen. Overigens zou de kolonel zijn ogen waarschijnlijk toch niet geloofd hebben. De lange, eindeloos lijkende zondag verstreek. De zon ging onder achter de heuvels in het westen en wierp een vlammende, gouden gloed over de met sneeuw beladen toppen van de dennen. Snel nam de duisternis bezit van het land en wit glinsterden de sterren aan de strakke koepel van de hemel. Na het avondmaal, waarbij nauwelijks gesproken werd, pasten Reynolds en Jansci met behulp van Julia de inhoud van het pak dat de kozak de vorige avond had meegenomen: twee AVO-uniformen! Niemand twijfelde eraan waarom de graaf ze gezonden zou hebben of dat het niet maar een gokje van hem geweest zou zijn, want waar professor Jennings zich ook mocht bevinden: die uniformen waren noodzakelijk omdat ze het 'Sesam open u' voor elke deur in Hongarije betekenden. Verder konden ze alleen maar bestemd zijn voor Jansci en Reynolds, want de Engelsman had nog nooit in zijn leven een uniform gezien dat over de geweldige schouders van Sandor zou kunnen passen. Iets na negen uur ging de kozak weer op zijn motor weg. Hij droeg zijn gewone opzichtige kleren, had achter elk oor een sigaret en een derde onaangestoken in een mondhoek bengelen. De jongen verkeerde in een opperbeste stemming, want natuurlijk was in de loop van de avond de spanning tussen Reynolds en Julia hem niet ontgaan en bezat hij dus alle reden voor een opgewekte glimlach. Om elf uur, in ieder geval tegen middernacht, had de kozak terug kunnen zijn. Het werd echter twaalf uur, kwart over twaalf, maar nog steeds geen spoor van de kozak. Het sloeg één uur, half twee en de ongerustheid was in spanning en dan in wanhoop veranderd toen hij even voor twee uur plotseling weer verscheen. Ditmaal niet op de motor, maar achter het stuur van een grote, grijze Opel. Hij trok de remmen aan, draaide de motor af en klom de wagen uit met de nonchalante onverschilligheid van een man die tot vervelens toe aan dergelijke dingen gewend was. Pas later bleek dat de kozak voor het eerst in zijn leven een auto bestuurd had, wat zijn te laat komen volkomen verklaarde. De kozak bracht goed nieuws mee, slecht nieuws, documenten en talrijke instructies. Het goede nieuws was dat de graaf bijna belachelijk gemakkelijk uitgevonden had waar professor Jennings zich bevond - tijdens een gesprek had Furmint, de commandant van de AVO, het hem persoonlijk verteld. Het slechte nieuws was tweeledig. In de eerste plaats scheen Jennings namelijk in de beruchte Szarhazagevangenis opgesloten te zijn, ongeveer honderd kilometer ten zuiden van Boedapest. De Szarhaza werd beschouwd als de meest versterkte gevangenis van heel Hongarije en over het algemeen was hij gereserveerd voor vijanden van de staat die bestemd waren nimmer meer te worden teruggezien. Jammer genoeg kon de graaf zelf hen niet helpen. Kolonel Hidas in eigen persoon had hem namelijk opgedragen een onderzoek naar de loyaliteit van de inwoners van Cödöllo in te stellen, waar ontevreden elementen al enige tijd moeilijkheden veroorzaakten. Het tweede slechte nieuws was dat Imre nog steeds vermist werd. De graaf was bang dat Imre's zenuwen het volledig begeven hadden en hij de organisatie in de steek had gelaten. Verder speet het de graaf, zei de kozak, dat hij praktisch gesproken geen bijzonderheden over de Szarhazagevangenis kon mededelen. Hij was er zelf nooit in geweest, omdat zijn district zich alleen over Boedapest en noordwestelijk Hongarije uitstrekte. De gang van zaken in de gevangenis en hoe het gebouw er van binnen uitzag, had de graaf eraan toegevoegd, waren echter in geen enkel opzicht belangrijk: alleen brutale bluf kon hen eventueel helpen en vandaar de documenten. De papieren waren bestemd voor Jansci en Reynolds en meesterstukjes in hun soort. Voor beiden complete identiteitskaarten van de AVO en dan een document - op het officiële en niet na te maken briefpapier van de Allam Vedelmi Hatosag - getekend door Furmint, mede ondertekend door een lid van het kabinet en voorzien van de vereiste en juiste stempels, waarbij de commandant van de Szarhazagevangenis gemachtigd werd om professor Harold Jennings uit te leveren aan de houders van het document. De graaf was van mening dat, wanneer de bevrijding van de professor althans nog op het programma stond, de kans zeker behoorlijk genoemd mocht worden. Er bestond namelijk geen betere machtiging om een gevangene vrij te krijgen dan het document dat hij verschaft had en het denkbeeld dat iemand vrijwillig de zo gevreesde Szarhazagevangenis zou wagen binnen te dringen, was dermate fantastisch dat alleen een gek het in overweging zou nemen. Ten slotte stelde de graaf voor dat Sandor en de kozak hen zouden vergezellen tot het Kotelicafé, in het gelijknamige dorpje ongeveer zeven kilometer ten noorden van de gevangenis, waar ze bij de telefoon moesten wachten: op die manier konden alle leden van de organisatie voeling met elkaar houden. Als kroon op" het werk had de graaf ook nog voor de Opel gezorgd, hoewel hij nagelaten had te vertellen waar hij de auto vandaan had. „De man is een wonder!" zei Reynolds, terwijl hij wat verbaasd het hoofd schudde. „Joost mag weten hoe hij dit allemaal in één dag voor elkaar heeft weten te krijgen. Je zou haast geloven dat ze hem een dag vrij hebben gegeven om zich op ons werk te kunnen concentreren." Met een onbewogen gezicht keek hij naar Jansci. „Wat denkt u ervan?" „We zullen die gevangenis binnengaan," zei Jansci rustig. Zijn ogen waren op Reynolds gevestigd, maar de Engelsman wist dat hij tegen Julia sprak. „Als het in Zweden goed afloopt, gaan we die gevangenis binnen. Jennings is een oud man en het zou onmenselijk zijn hem ver van zijn vrouw en vaderland te laten sterven. Eh… als we het niet deden…" Hij brak de zin af en glimlachte. „Weet je wat de goede God - of misschien kom ik niet verder dan de heilige Petrus! - weet je wat Petrus dan tegen me zou zeggen? Jansci, zou hij me vertellen, voor jou hebben we hier geen plaats. Je kan geen goedheid en genade van ons verwachten - want wat voor goedheid en genade kende je hart voor Harold Jennings?" Reynolds staarde hem aan en herinnerde zich weer de wijze waarop Jansci zich de vorige avond had geopenbaard: als een man voor wie mededogen met zijn medemensen en het geloof in een alles omvattend, bovennatuurlijk mededogen de sluitstenen van zijn bestaan vormden. Reynolds wist dat de luchtige toon van Jansci bezijden de waarheid was. Zijn blikken dwaalden naar Julia. Hij zag de begrijpende glimlach op haar gezicht, maar haar ogen waren donker, triest en dof en de Engelsman besefte dat ook Julia zich niet had laten misleiden.„… de conferentie in Parijs wordt vanavond gesloten, waarna een officiële verklaring zal worden verstrekt. Verwacht wordt dat de minister van buitenlandse zaken vanavond - herstel, dit moet zijn: morgenavond, zal terugvliegen om rapport aan het kabinet uit te brengen. Tot dusver is nog niet bekend. .." De stem van de nieuwslezer stierf langzaam weg en verdween ten slotte geheel toen het knopje van de radio werd omgedraaid. Lange tijd keken de mensen aan de tafel elkaar niet aan. Het was eindelijk Julia die de stilte verbrak en haar stem klonk onnatuurlijk rustig en zakelijk. „Dat is het dus, nietwaar? Het wachtwoord dat zolang uitbleef: vanavond - morgenavond! De jongen is vrij en bevindt zich veilig in Zweden. Jullie kunnen nu beter meteen maar gaan." „Jawel!" zei Reynolds, terwijl hij overeind kwam. Hij voelde niets van de opluchting en blijdschap die het groene licht hem, naar hij verwacht had, eindelijk bezorgd moest hebben. Hij voelde enkel een soort van verdovende dofheid, die hij die avond ook in de ogen van Julia had gezien. „Als wij het weten, zijn de communisten op het ogenblik misschien ook al op de hoogte en moeten wij er dus rekening mee houden dat ze de professor elk uur naar Rusland kunnen gaan vervoeren. We hebben geen minuut meer over." „Inderdaad niet," gaf Jansci toe. Mij schoot in zijn overjas - evenals Reynolds was hij namelijk al in het geleende uniform gekleed - en trok de militaire handschoenen aan. „Maak je over ons geen zorgen, Julia! Wees over vierentwintig uur in het hoofdkwartier - ga niet door Boedapest." Hij kuste haar en verdween in de duistere, koude morgen. Reynolds aarzelde, keerde zich half naar het meisje, zag hoe ze het hoofd afwendde en in het vuur staarde en verliet zonder een woord te zeggen het vertrek. Toen hij op de achterbank van de Opel schoof, ontwaarde hij een glimp van het gezicht van de kozak die hem in de auto was gevolgd: de jongeman lachte stralend van oor tot oor. Onder donkere, laag hangende wolken, die zwaar van sneeuw waren, werden Sandor en de kozak drie uur later afgezet aan de kant van de weg, niet ver van het Kotelicafé. De rit was volkomen zonder wederwaardigheden verlopen en ofschoon ze gerekend hadden op een controle van de wegen, hadden ze nergens politie ontmoet. De communisten waren heel zeker van hun zaak en hadden geen enkele reden om het niet te zijn. Tien minuten daarna kwam de grote, grijze en afschrikwekkende schaduw van de Szarhazagevangenis in zicht. Het was een oud, onneembaar versterkt en ommuurd gebouw, dat omgeven werd door drie rijen prikkeldraad met omploegde aarde ertussen. Zonder twijfel waren de draden elektrisch geladen en zat die omploegde aarde vol landmijnen. Langs de binnenste en buitenste rij prikkeldraad waren hoge wachttorens opgetrokken, die bemand waren door met machinegeweren bewapende soldaten en toen Reynolds ze in het oog kreeg, welden de eerste tekenen van angst in hem op en realiseerde hij zich hoe waanzinnig het eigenlijk was wat Jansci en hij van plan waren. Jansci scheen zijn gevoelens te raden, want hij zei niets, liet de Opel de laatste vijfhonderd meter sneller rijden en stopte met een ruk voor de grote hoogpoort van de ingang. Een van de schildwachten kwam met het geweer in de aanslag aanhollen, vroeg naar hun identiteit en papieren, maar deed vol ontzag een stapje achteruit toen Jansci in zijn AVO-uniform uit de auto stapte, de man met een enkele minachtende blik deed verstijven en snauwde dat hij de commandant verlangde te spreken. Het getuigde van de angst die een uniform van de AVO iedereen inboezemde, zelfs de mensen die geen werkelijke reden hadden er bang voor te zijn, dat Reynolds en Jansci zich binnen vijf minuten in het kantoor van de commandant bevonden. De commandant was overigens wel de laatste man die Reynolds op deze plaats verwacht had. Hij was een lange, wat gebogen figuur in een donker, goed gemaakt pak, met een hooggewelfd voorhoofd en een mager, schrander gezicht. Hij droeg een lorgnet, had dunne, gevoelige vingers en leek volgens Reynolds meer op een vooraanstaand dokter of geleerde dan op de commandant van de beruchte Szarhazagevangenis. In feite was de man zowel dokter als geleerde en werd hij als de grootste deskundige op het gebied van de psychologie en fysiologie buiten de Sovjet-Unie beschouwd, waar het methoden betrof de menselijke geest te breken. Zoals Reynolds kon zien, twijfelde hij niet aan hun oprechtheid. Hij bood hen iets te drinken aan, glimlachte toen ze weigerden, wees op twee stoelen en bestudeerde de machtiging die Jansci hem overhandigd had. „Hm! Geen twijfel aan de rechtsgeldigheid van dit papier, nietwaar, heren?"Reynolds bemerkte dat hij 'heren' zei. Iemand moest wel heel zeker van zichzelf zijn om dit woord te gebruiken in plaats van het alomtegenwoordige 'kameraad'. „Ik had dit wel verwacht van mijn goede vriend Furmint, omdat vandaag de conferentie geopend wordt, is het niet? We kunnen ons niet veroorloven dat professor Jennings niet aanwezig is. De mooiste parel aan onze kroon, als ik een wat. .. ah… uit de mode geraakte uitdrukking mag gebruiken." Hij keek hen aan. „U heeft zelf ook papieren, heren?" „Natuurlijk." Jansci en Reynolds lieten hem hun identiteitskaarten zien en blijkbaar voldaan knikte de commandant, staarde even naar Jansci en duidde dan met het hoofd op zijn telefoon. „U weet natuurlijk dat ik een directe lijn heb met de Andrassy Ut. Met een gevangene van de… ah… waarde van professor Jennings mag ik geen risico nemen en daarom zal u het mij niet kwalijk nemen dat ik opbel voor de bevestiging van… ah… het vrijgeven van de gevangene en uw identiteitspapieren." Reynolds voelde zijn hart een slag overslaan en de huid van zijn gezicht werd strak als perkament. Lieve God, hoe hadden ze een zo voor de handliggende voorzorgsmaatregel over het hoofd kunnen zien? Hun revolvers - dat was nog de enige kans: de revolvers en de commandant als gijzelaar! Zijn hand bewoog zich bijna onmerkbaar in de richting van zijn pistool toen Jansci eensklaps begon te spreken: zijn stem vol zeker zelfvertrouwen trilde geen moment en op zij n gezicht viel geen spoor van ongerustheid te lezen. „Natuurlijk, commandant! Ten slotte gaat het bij Jennings om een wel zeer belangrijk gevangene en hadden we dus niets anders kunnen verwachten." „In dat geval acht ik het niet nodig!" De commandant glimlachte opnieuw, schoof de identiteitskaarten terug naar Jansci en Reynolds en de Engelsman voelde hoe zijn spieren zich langzaam weer ontspanden toen de opluchting als een verwarmende golf om hem heen spoelde. Tegelijkertijd begon hij zich heel vaag te beseffen wat Jansci voor een man moest zijn: vergeleken bij hem bevond Reynolds zich nog maar in het begin van een leertijd. De commandant pakte een vel papier, schreef er iets op en stempelde het. Dan drukte hij op een bel, gaf het vel papier aan een bewaker en wuifde de man met een handgebaar weer weg. „Drie minuten, heren, meer niet. De professor is hier vlakbij." De commandant had het echter te ruim berekend. Het duurde namelijk geen drie minuten, maar in minder dan dertig seconden zelfs werd de deur van het kantoor geopend en verscheen niet Jennings, doch kwamen zes gewapende bewakers binnen die Jansci en Reynolds bliksemsnel hulpeloos op hun stoelen neerdrukten eer ze het gevoel van veiligheid van zich hadden afgeschud en zich goed begonnen te realiseren wat er gebeurde. De commandant schudde het hoofd en glimlachte triest. „Neemt u me vooral niet kwalijk, heren. Een smoesje, naar ik vrees - even onaangenaam als alle andere smoesjes, doch noodzakelijk! Het papier dat ik tekende, diende namelijk niet voor het vrijgeven van professor Jennings, maar voor uw arrestatie." Hij nam zijn lorgnet af, poetste de glazen op en zuchtte. „Kapitein Reynolds, u bent een ongewoon hardnekkige jongeman!"