Negende hoofdstuk

 

Reynolds was er zeker van dat zijn ogen en verstand hem bedrogen. Hij wist dat de graaf veilig aan de kant was gezet en zijn superieuren van de AVO hem geen kans zouden geven zich ook maar een centimeter te verplaatsen zonder hem met argusogen te bewaken. Hij wist ook dat het laatste anderhalf uur in de stoomhitte van die kerker een uiterst verzwakkende uitwerking op hem gehad moest hebben en de wollige nevels in zijn nog steeds verward brein hem vreemde parten speelden. Dan duwde de man bij het raam zich bedaard van de muur af en drentelde hij volkomen op zijn gemak het vertrek in. Het sigarettenpijpje hield hij in de ene hand, de ander zwaaide een paar zware, leren handschoenen en eensklaps bestond er geen twijfel meer. Het was de graaf: levend en wel, volkomen ongedeerd en precies dezelfde oude spotvogel die hij altijd geweest was. In het eerste moment van de schok weken de lippen van Reynolds iets uiteen, zijn ogen verwijdden zich en het begin van een glimlach begon de lijnen op zijn bleek en verwilderd gezicht te verzachten. „Waar in 's hemelsnaam…," begon hij. Dan struikelde hij tegen de wand achter hem, want met kracht had de graaf hem met de zware handschoenen in het gezicht en over de mond geslagen. Reynolds proefde het bloed dat uit een van de pas genezen sneden in zijn bovenlip stroomde en na alles wat hij al had meegemaakt, deed deze laatste pijn hem zwak en duizelig worden en zag hij de graaf alleen nog maar als door een mistige waas. „Les nummer één, kleine man," zei de graaf als terloops. Met zichtbare afkeer keek hij naar een bloedspatje op zijn handschoen. „In het vervolg zeg je alleen wat als er tegen je gesproken is." De blik van afkeer dwaalde van de handschoenen naar de beide gevangenen. „Zijn ze soms in een rivier gevallen, commandant?" „Volstrekt niet, volstrekt niet." De commandant zag er erg ontdaan uit. „Ze ondergingen net een behandeling in een van onze stoomkamers. Dit komt allemaal bijzonder ongelukkig uit, kapitein Zsolt, werkelijk heel ongelukkig: het heeft het logisch ver loop van de behandeling volkomen verstoord!" „Maakt u zich niet ongerust, commandant," suste de graaf. „Geheel onofficieel kan ik u mededelen, vertelt u het dus alstublieft niet verder, dat ze zover ik begrepen heb vanavond laat of uiterlijk morgenochtend vroeg weer teruggebracht worden. Ik geloof dat kameraad Furmint het grootste vertrouwen in u heeft als. .. eh… laten we zeggen: psycholoog." „Bent u daar zeker van, kapitein?" vroeg de commandant ongerust. „Bent u daar werkelijk zeker van?" „Absoluut!" De graaf keek op zijn horloge. „Ik moet opschieten. U weet hoe spoed vereist is." Hij glimlachte. „Trouwens. .. eh. .. hoe gauwer ze hier weg zijn, hoe gauwer u ze weer terug heeft." „Laat ik u dan niet langer ophouden." De commandant was nu de vriendelijkheid zelf. „Ik schik me volkomen in hun vertrek, maar verheug me mijn experiment af te kunnen maken, vooral waar het zo'n vermaard personage als generaal-majoor Illyurin betreft." „Het is een kans die u nooit meer zal terugkrijgen," beaamde de graaf. Hij wendde zich tot de vier AVO-mannen. „Vooruit, breng ze naar de auto, onmiddellijk! Coco, beste jongen, ik ben bang dat je wat teerhartig bent. Dacht je dat ze van glas gemaakt waren?" Coco volgde de aanwijzing meteen op en zijn dikke lippen spleten open in een grijns. De massieve palm van zijn geweldige hand drukte zich tegen Reynolds' gezicht en deed de Engelsman met brute kracht opnieuw tegen de wand tuimelen. Twee andere AVO-mannen pakten Jansci beet en duwden hem ruw de deur uit. De commandant hief in afgrijzen de handen op. „Kapitein Zsolt! Is het noodzakelijk… eh… ik bedoel… ik zou ze graag in goede conditie weer terughebben, zodat ik…" „Maakt u zich geen zorgen, commandant," grinnikte de graaf. „Op onze eigen primitieve manier zijn wij ook specialisten! Als kolonel Hidas terugkomt, wilt u hem dan een en ander uitleggen en hem vragen de chef op te bellen! Zeg hem erbij dat het me erg spijt dat ik niet op hem kon wachten, maar ik heb geen tijd meer. Dank u, commandant, en tot ziens." Hevig rillend en huiverend in hun doorweekte kleren werden Reynolds en Jansci over de binnenplaats gestompt en moesten ze in een wachtende vrachtwagen van de AVO klimmen. Een van de AVO-mannen ging naast de chauffeur zitten, terwijl de graaf, (loco en een andere AVO-man ook achter in de truck plaats namen en met de revolvers op de knieën de beide gevangenen geen moment uit het oog verloren. Even later reed de auto weg en passeerden ze na een paar seconden de saluerende schildwacht bij de poort. Vlak daarop haalde de graaf een kaart uit zijn zak, wierp er even een blik op en stak de kaart dan weer weg. Vijf minuten later drong hij zich langs Jansci en Reynolds heen en schoof hij het luikje van de cabine open. „Een halve kilometer verder," zei hij tegen de chauffeur, „kom je aan je linkerhand een zijweg tegen. Die sla je in, tot ik je zeg te stoppen." Een minuut later begon de truck langzamer te rijden, sloeg de zijweg in en hobbelde en stootte dan verder langs een smalle, slechte landweg. Er waren zoveel kuilen in die weg en de bevroren sneeuw lag er zó hoog, dat de zware vrachtwagen voortdurend van de ene kant naar de andere slipte en de chauffeur de grootste moeite had de auto op de weg te houden. Desondanks vorderden ze gestadig, zij het dan heel langzaam. Na tien minuten stond de graaf op, leunde naar buiten en staarde onderzoekend over het land uit, alsof hij een bekend punt probeerde te ontdekken. Wat later scheen hij dat gevonden te hebben. Hij gaf een order, de truck stopte en gevolgd door Coco en de andere AVO-man sprong de graaf in de sneeuw. Op een zwijgend bevel van de stille, glinsterende revolverlopen klommen Jansci en Reynolds eveneens uit de auto. De graaf had de truck midden in een dicht bos doen stoppen en aan een van de kanten van de weg bevond zich een open plek. Hij zei iets tegen de chauffeur en deze begon de auto op de open ruimte te draaien. De wagen slipte en gleed weg op het met sneeuw bedekte gras, maar een paar stevige schouders en wat gebroken takken onder de achterwielen voorkwamen ongelukken en even later stond de truck weer op de weg, maar nu in de richting gekeerd waaruit ze gekomen waren. De chauffeur zette de motor af, wilde uit de cabine klimmen, maar de graaf liet hem de motor weer starten. „Laat maar draaien," zei de graaf. „Ik neem met deze kou niet het risico dat de zaak bevriest" En inderdaad was het bitter koud. In hun nog steeds doorweekte kleren rilden Jansci en Reynolds of ze een zware aanval van malaria te verduren hadden. De ijskoude lucht kleurde kinnen, oren en neuspunten rood, blauw en wit en de zware condensatie van hun adem leek op rook, die langzaam in de stille, koude lucht verdween. „Opschieten!" beval de graaf. „Jullie willen hier toch zeker niet allemaal doodvriezen, is het wel? Coco, jij blijft op de twee gevangenen passen! Kan ik op je vertrouwen?" „Tot in de dood!" grijnsde Coco boosaardig. „Eén kleine verkeerde beweging en ze gaan eraan!" „Ik twijfel er niet aan." De graaf staarde hem peinzend aan. „Hoeveel heb je er eigenlijk al gedood, Coco?" „Ik ben de tel sinds jaren kwijt geraakt, kameraad," antwoordde Coco eenvoudig. Reynolds keek naar het verdorven gezicht en was er zeker van dat Coco de waarheid sprak. „Op een mooie dag krijg je je beloning," zei de graaf wat duister. „Wat de anderen betreft - ieder een schop! We hebben wat te doen dat jullie bloed door de aderen zal doen stromen." Een van de AVO-mannen staarde hem met domme blik aan. „Schoppen, kameraad? Voor de gevangenen?" „Dacht je," vroeg de graaf op kille toon, „dat ik van plan was hier een volkstuintje aan te leggen?" „Nee, natuurlijk niet, maar u zei net tegen de commandant… ik bedoel… eh… ik dacht dat we naar Boedapest gingen…" Zijn stem stierf plotseling in de stilte weg. „Precies, kameraad," zei de graaf droogjes. „U zag de dwalingen uws weegs net op tijd in - op tijd en meer niet! Wat er ook van je verlangd mag worden, kameraad, de hemel weet dat denken er niet bij is! Opschieten, anders bevriezen we! En maken jullie je geen zorgen: het is niet de bedoeling in de grond te gaan graven, wat trouwens onmogelijk zou zijn omdat ze zo hard als steen is! We zoeken een klein dal in het bos waar de sneeuw zich opgehoopt heeft, dan maken jullie een flinke greppel in die sneeuw en. .. eh… wel, Coco begrijpt het tenminste." „En hoe!" Grijnzend likte Coco zijn lippen af. „Misschien zou de kameraad me kunnen toestaan om. .." „Eventueel een einde aan hun lijden te maken?" nam de graaf aan. Onverschillig haalde hij de schouders op. „Voor mijn part! Wat betekenen die twee als je het aantal van de vorige vergeten bent?"Met de drie andere AVO-mannen verdween hij achter de open plek in het bos en zelfs in de kristalheldere lucht, waarin elk geluidje duidelijker dan gewoonlijk te horen was, hoorden Jansci en Reynolds de stemmen van het groepje langzaam zachter en zachter klinken, tot het alleen nog maar een heel ver verwijderd gemompel was geworden: klaarblijkelijk nam de graaf hen heel diep mee tot in het hart van het bos. Intussen bleef Coco de beide gevangenen met starende, giftige oogjes in het oog houden en zowel Jansci als Reynolds begreep dat hij alleen maar op het geringste excuus wachtte de trekker van zijn karabijn over te kunnen halen, die in zijn grote klauwen op een speelgoedgeweertje leek. Ze gaven hem echter geen enkele gelegenheid voor dat excuus: afgezien van de niet te bedwingen rillingen die hun lichamen deden beven en schokken, bleven ze onbeweeglijk als standbeelden staan. Vijf minuten verstreken en dan verscheen de graaf weer. Met zijn handschoenen klopte hij de sneeuw van zijn glimmend gepoetste laarzen en de panden van zijn lange overjas. „Het werk vordert met rasse schreden," verklaarde hij. „Over twee minuten zullen we ons bij onze kameraden voegen. Hebben ze zich goed gedragen, Coco, beste jongen?" „Ze hebben zich goed gedragen!" De teleurstelling in Coco's stem was maar al te duidelijk te onderscheiden. „Geeft niets, kameraad!" troostte de graaf. Achter Coco liep hij heen en weer en sloeg hij zich warm. „Lang behoef je niet meer te wachten. Wend je ogen geen ogenblik van ze af… Hoe is - hoe is het vandaag met de pijn?" liet hij er dan kies op volgen. „Nog altijd niet best!" Coco gluurde naar Reynolds en vloekte. „Ik ben bont en blauw over mijn hele lichaam." „Arme Coco," zei de graaf vriendelijk. „Je hebt het de laatste dagen wel bijzonder moeilijk!" Het geluid van zijn venijnig neersuisende revolver klonk in de stilte van het bos als een pistoolschot toen de kolf precies op de juiste plaats en met geweldige kracht iets boven het oor van Coco terechtkwam. De karabijn gleed uit Coco's handen. Hij zwaaide heen en weer, zijn ogen draaiden zich naar boven en op het moment dat hij als een gevelde eik tegen de grond stortte, deed de graaf vol ontzag een stapje opzij om ruimte voor de vallende reus te maken. Twintig seconden later reed de vrachtwagen weg. De open plek in het bos verdween door een bocht in de weg uit zicht. In de eerste drie, vier minuten werd er geen woord in de cabine gesproken en was alleen het diepe, regelmatig geronk van de dieselmotor hoorbaar. Honderden vragen, honderden opmerkingen welden bij Reynolds en Jansci op. Ze wisten echter niet waar ze moesten beginnen en bovendien hielden hun hersens zich nog te levendig bezig met de schaduw van de nachtmerrie, waaraan ze zojuist ontsnapt waren. Dan verminderde de graaf snelheid en stopte. Zijn mager, aristocratisch gezicht werd verhelderd door een van zijn zeldzame glimlachjes en tegelijkertijd haalde hij uit zijn onuitputtelijke achterzak de platte, metalen flacon. „Pruimenjenever, vrienden!" Zijn stem klonk niet zo vast als anders. „Pruimenjenever, en God weet dat niemand het vandaag meer nodig heeft dan wij. Ik, omdat ik vandaag duizend doden ben gestorven, vooral toen vriend Reynolds op het moment dat hij mij voor het eerst in de kamer van de commandant ontdekte, bijna een eind aan het spel maakte, - en jullie, omdat jullie met die drijfnatte kleren dreigen te bevriezen en vooraanstaande kandidaten zijn voor een fikse longontsteking. Bovendien omdat ze jullie niet met zachte handschoentjes aanpakten, naar ik veronderstel. Heb ik gelijk?" „Volkomen!" Jansci moest antwoorden, daar Reynolds het te druk had met kuchen en proesten toen de gezegende, de warmte van het leven teruggevende, maar scherpe drank zich een weg door zijn keel brandde. „De gebruikelijke chemische preparaten om de menselijke geest te breken, plus nog iets zeer speciaals dat hij net uitgevonden had en, zoals je weet, de stoombehandeling." „Het was niet moeilijk te raden," knikte de graaf, „want jullie zagen er bepaald niet gelukkig uit. Eigenlijk hadden jullie niet eens meer op je benen behoren te staan, maar zonder twijfel werden jullie geschraagd door de zekerheid dat mijn opkomen slechts een kwestie van tijd kon zijn." „Zonder twijfel," zei Jansci droog. Hij nam een flinke teug van de jenever, zodat de tranen in zijn ogen schoten en hij naar adem snakte. „Vergif, puur vergif, maar ik heb nog nooit zoiets heerlijks geproefd." „Er zijn inderdaad ogenblikken," gaf de graaf toe, „dat iemand zijn kritiek maar beter even kan opschorten." Hij nam de flacon van Jansci over, zette haar aan zijn lippen en dronk zoals een ander water zou drinken, wat althans het uiterlijk effect betrof. Daarna stopte hij de flacon weer terug in zijn achterzak. „Een zeer noodzakelijk oponthoud, maar we moeten verder: we hebben de tijd niet aan onze kant!" Met luid geknars en gepiep schakelde hij over in de eerste versnelling, zodat Reynolds moeite had zijn protest verstaanbaar te maken. „Maar u vertelt ons toch zeker wel. .."„Niemand kan me ervan weerhouden," zei de graaf, „maar onder het rijden, als je het niet erg vindt. Ik vertel later wel waarom. Wat echter de gebeurtenissen van vandaag betreft.. . eh… laat ik jullie in de eerste plaats mededelen dat ik ontslag bij de AVO genomen heb: met zeer grote tegenzin natuurlijk." „Natuurlijk," mompelde Jansci. „Weet iemand het al?" „Furmint, naar ik veronderstel!" Terwijl hij al zijn best deed om de zware truck niet weg te laten glijden, wendde de graaf zijn ogen geen moment van de weg af. „Ik schreef hem weliswaar geen brief, maar daar ik hem stevig gebonden en met een prop in de mond in zijn eigen kantoor achterliet, geloof ik niet dat hij aan mijn bedoelingen zal twijfelen." Reynolds noch Jansci zei iets. Er scheen hier geen enkele opmerking op zijn plaats te zijn en terwijl de stilte bleef voortduren, zagen ze opnieuw een glimlach om de dunne lippen van de graaf spelen. „Furmint!" Het was Jansci die eindelijk de stilte verbrak en er lag een gespannen klank in zijn stem. „Furmint! Je bedoelt dat je chef…" „Voormalig chef!" verbeterde de graaf. „In eigen persoon! Laat me beginnen te vertellen wat er vanmorgen gebeurde. Jullie herinneren je dat ik de kozak een boodschap meegaf - tussen twee haakjes: zijn de Opel en hij onbeschadigd aangekomen?" „Alletwee." „Een wonder! Je had hem moeten zien wegrijden! Ik vertelde hem dus dat ik naar Cödöllo moest voor een loyaliteitscontrole - het was nogal groot opgezet en ik had eigenlijk verwacht dat Hidas het zelf zou opknappen. Hij verklaarde me echter dat er een belangrijke zaak ergens in Gyor op hem wachtte. Goed, we gingen dus naar Cödöllo - acht man, ikzelf en een zekere kapitein Kalman Zsolt: een kundige knaap met de gummistok, maar verder een buitengemeen onbegaafd persoon. Reeds bij mijn vertrek voelde ik me wat bezorgd, want in een spiegel had ik toevallig gezien dat, toen ik de Andrassy Ut verliet, de chef me op een zeer vreemde manier nakeek. Niet dat het als zo bijzonder beschouwd moet worden dat de chef iemand op een vreemde manier nakijkt, want per slot van rekening vertrouwt hij zelfs zijn eigen vrouw niet, maar het was vooral merkwaardig omdat het door een man gebeurde die me nog geen week geleden het compliment maakte de bekwaamste AVO-officier in Boedapest te zijn." „Je bent onvervangbaar," mompelde Jansci. „Dank je! Om verder te gaan: juist toen we in Cödöllo aankwamen, wierp kapitein Zsolt me als het ware een bom in de schoot. Heel toevallig merkte hij namelijk op dat hij die morgen de chauffeur van Hidas had gesproken en zover Zsolt begreep was de kolonel van plan naar de Szarhazagevangenis te gaan. De kapitein vroeg zich af wat voor de duivel Hidas in die verdomde hel moest uitspoken! Hij zanikte nog wat door en ik weet waarachtig niet meer precies waarover, maar in ieder geval kwam het goed uit, want mijn gezicht moet op dat moment boekdelen gesproken hebben voor iedereen die er zich voor interesseerde. Alle hersens in mijn hoofd rammelden door elkaar en het was werkelijk een wonder dat Zsolt het niet hoorde. De manier waarop ze me naar Cödöllo op een zijspoor hadden geschoven, de vreemde blik van de chef, de leugen van Hidas, het gemak waarmee ik uitgevonden had dat de professor zich in de Szarhaza bevond, het nog groter gemak waarmee ik de documenten en stempels in Furmints kamer te pakken had gekregen: het lag er allemaal even dik bovenop! Lieve God, ik had mezelf wel voor het hoofd kunnen slaan toen ik me herinnerde dat het eigenlijk helemaal niet op de weg van Furmint lag om me, volkomen zonder noodzaak, te vertellen dat hij een vergadering met een paar officieren had en daarbij liet doorschemeren dat er dan enige tijd niemand op zijn kantoor zou zijn - de vergadering vond namelijk gedurende het etensuur plaats, zodat zich dus tevens niemand in de kamer van het personeel zou bevinden. .. Hoe ze alles over me te weten kwamen, mag de hemel weten. Ik wil er een eed op doen dat ik achtenveertig uur geleden nog de meest vertrouwde officier in Boedapest was. Enfin, dat is een geheel andere kwestie. Ik moest iets doen, ik moest in ieder geval iets doen. Ik wist dat alle bruggen al achter me verbrand waren en ik dus niets te verliezen had. Ik moest iets doen uitgaande van de veronderstelling dat alleen Furmint en Hidas op de hoogte zouden zijn. Zsolt wist kennelijk nergens van, maar daar vertrouwde ik toch niet op. Zsolt is te stom om ergens over ingelicht te worden en Furmint en Hidas zijn van nature al zó wantrouwend dat ze vast en zeker het risico niet hadden genomen iemand iets te vertellen." De graaf lachte breed. „Vergeet niet: als hun beste kracht afvallig was geworden, hoe konden ze dan weten in welke mate het bederf zich verbreid had?" „Zeg dat wel!" zei Jansci.„Precies! Vertrouwen op Zsolts onwetendheid deed ik dus echter niet. Direct nadat we in Cödöllo gearriveerd waren, begaven we ons naar het stadhuis - niet naar ons bureau, omdat daar onder meer ook een controle plaats zou vinden - smeten de burgemeester eruit en installeerden ons. Ik liet Zsolt boven, ging zelf naar beneden, verzamelde de mannen en gaf hun opdracht om tot vijf uur in de middag alle cafés en bars te bezoeken, zich voor te doen als ontevreden elementen van de AVO en eens te kijken waar en door wie opruiende taal uitgeslagen zou worden. Een kolfje naar hun hand. Voor de goede orde gaf ik hun flink wat geld mee en vermoedelijk zijn ze zich nu al uren aan het bezatten. Daarna liep ik in vliegende vaart weer naar boven en vertelde Zsolt in staat van grote opgewondenheid dat ik iets heel belangrijks had ontdekt. Hij vroeg me niet eens wat het was en holde met me de kamer uit, terwijl de gedachte aan promotie in zijn ogen glansde." De graaf kuchte. „Laten we de onaangename kant van dit verhaal overslaan. Het moge voldoende zijn op te merken dat de man opgesloten zit in een verlaten kelder nog geen vijftig meter van het stadhuis vandaan. Hij is niet gebonden en niet gewond, maar ze zullen een snijbrander nodig hebben om hem te bevrijden." De graaf zweeg, liet de truck stoppen, sprong eruit en maakte de voorruit schoon. In de laatste twee of drie minuten was het namelijk zwaar gaan sneeuwen, maar Jansci noch Reynolds had het bemerkt. „Ik nam de identiteitspapieren van mijn onfortuinlijke collega," vervolgde de graaf, nadat de truck weer op gang was gekomen, „en drie kwartier later, na alleen gestopt te hebben om een flink stuk touw te kopen, bevond ik mij in de Andrassy Ut en een minuut daarna stond ik in de kamer van Furmint. Dat ik het zover had kunnen brengen, was een bewijs dat Furmint en Hidas inderdaad hun mond over mijn… eh… afvalligheid hadden gehouden, precies dus als ik vermoed en verwacht had. In alle opzichten was de zaak belachelijk eenvoudig. Ik had niets te verliezen, officieel was er nog steeds niets aan de hand en een brutaal mens heeft de halve wereld, vooral wanneer hij het op grote schaal aanpakt. Furmint was zó geschrokken toen hij me zag, dat ik de loop van mijn pistool al tussen zijn kiezen had, eer hij zijn mond weer dicht had gedaan. Hij heeft overal knoppen en drukbelletjes om zich heen die ontworpen zijn om in geval van nood zijn kostbaar leven te redden, maar ze waren niet ontworpen om hem te beschermen tegen iemand als ondergetekende. Ik stopte een prop in zijn mond en dwong hem in zijn eigen handschrift een door mij gedicteerde brief te schrijven. Furmint is een moedig man en was zeer weerspannig, maar niets kan hoogstaande en morele principes zó de baas worden als het gekietel van een revolverloop in je oor! De brief was gericht aan de commandant van de Szarhazagevangenis, die het handschrift van Furmint even goed kent als dat van zichzelf, en behelsde de machtiging om jullie beiden uit te leveren aan kapitein Zsolt. De brave Furmint tekende, stempelde de machtiging met praktisch iedere stempel die we in zijn kantoor konden vinden, stak het document in een envelop en verzegelde die met zijn eigen particuliere zegel dat misschien slechts aan twintig mensen in geheel Hongarije bekend is: gelukkig was ik er een van, hoewel Furmint dat nooit geweten heeft. Ik had twintig meter touw bij me en toen ik met Furmint klaar was, leek hij op een stevig gebonden rollade. Hij kon alleen nog maar zijn ogen en wenkbrauwen bewegen en daar maakte hij dan ook overdadig gebruik van toen ik langs zijn directe lijn de Szarhaza opbelde, een gesprek met de commandant begon en dit met een stem die, naar ik met trots mag zeggen, een perfecte imitatie van Furmints stem was. Ik denk dat Furmint op dat glorieuze moment heel wat begon te begrijpen dat hem het laatste jaar of zo niet geheel en al duidelijk was geweest. Hoe het ook zij: ik vertelde de commandant dat ik kapitein Zsolt zou sturen om de twee gevangenen te halen en dat ik Zsolt tevens een machtiging meegaf, geschreven in mijn eigen handschrift en voorzien van mijn eigen zegel. Een en ander om vergissingen te voorkomen." „En als Hidas er nu nog geweest was?" vroeg Reynolds nieuwsgierig. „Hij kon vermoedelijk net weg zijn toen u opbelde." „Dat was nog beter en gemakkelijker geweest!" De graaf maakte een luchtig gebaar met de hand en greep vlug het stuur weer toen de truck gevaarlijk dicht naar een greppel gleed. „Ik had Hidas dan bevel gegeven jullie onmiddellijk naar de Andrassy Ut te brengen en onderweg zou ik hem opgewacht hebben!.. . Toen ik met de commandant sprak, kuchte en nieste ik af en toe eens even, liet mijn stem wat hees klinken en zei hem dat er een verduiveld \ ei velende kou bij me op komst moest zijn. Ik had hier mijn reden voor. Daarna stelde ik me door de tafelmicrofoon in verbinding met de kamer van Furmints personeel en vertelde de heren dat di de eerst volgende drie uur onder geen voorwaarde gestoord wilde worden, al zou zelfs een minister me wensen te spreken. Ik liet ze er niet aan twijfelen wat er gebeuren zou als mijn orders niet opgevolgd werden. Ik dacht dat Furmint een beroerte zou krijgen. Vervolgens, natuurlijk nog steeds met de stem van Furmint, belde ik de afdeling transport op, beval direct een truck voor majoor Howarth voor te laten komen en dat vier man zich gereed moesten maken hem te vergezellen - weliswaar stelde ik geen prijs op die kerels, maar ik had ze nodig voor de lokale kleur. Toen sjouwde ik Furmint in een kast, sloot die, verliet zijn kantoor en nam de sleutel mee. Daarna begaven we ons op weg naar de Szarhazagevangenis… Ik ben benieuwd wat Furmint op dit moment denkt. Of Zsolt. Verder zou ik wel eens willen weten of die AVO-mannen in Cödöllo nog nuchter zullen zijn. En zien jullie de gezichten van Hidas en de commandant al, wanneer de waarheid tot hen door begint te dringen?" De graaf glimlachte dromerig. „Ik zou er de gehele dag aan kunnen denken." Enkele minuten lang reden ze zwijgend verder. Hoewel de sneeuw nog niet alle zicht onmogelijk maakte, begon ze toch zó dicht te vallen dat de graaf zijn volledige aandacht bij de weg moest houden. Naast hem voelden Reynolds en Jansci hoe de hitte van de motor in de cabine doordrong en tevens geholpen door een tweede teug uit de zakflacon van de graaf werden hun bevroren lichamen langzamerhand weer wat warmer. De nimmer onderbroken rillingen namen af en de opnieuw weer functionerende bloedsomloop deed hun verstijfde armen en benen in hevige pijnen tintelen, alsof er duizenden spelden en naalden in werden gestoken. Zonder bijna iets in het midden gebracht te hebben, hadden ze naar het relaas van de graaf geluisterd en toen hij uitgesproken was, bleven ze zwijgend voor zich uit staren. Reynolds wist geen woorden te vinden die bij deze fantastische man of zijn verhaal zouden passen en zelfs hoe hem te bedanken, viel buiten zijn voorstellingsvermogen. Hij had trouwens een sterk vermoeden dat er met elk bedankje heel korte metten gemaakt zou worden. „Heeft een van jullie de auto van Hidas gezien?" vroeg de graaf ineens. „Ik toevallig," antwoordde Reynolds. „Een zwarte Russische Zis - zo groot als een huis." „Die ken ik. Massief stalen carrosserie en kogelvrije ramen." De graaf minderde snelheid en reed de vrachtwagen in de beschutting van een groep bomen, die aan de kant van de weg stonden. „Het lijkt me niet waarschijnlijk dat Hidas een van zijn eigen trucks niet zou herkennen en er zonder commentaar gewoon voorbij rijdt. Eens even kijken hoe hier de situatie is." Hij stopte, sprong uit de truck in de dwarrelende sneeuw en de anderen volgden hem. Ze moesten ongeveer vijftig meter lopen eer ze de kruising met de hoofdweg bereikt hadden, die bedekt was door een gladde, maagdelijke laag verse sneeuw. „Sinds het is gaan sneeuwen," merkte Jansci op, „is hier kennelijk niemand voorbij gekomen." „Precies," was de graaf het ermee eens. Hij keek op zijn horloge. „Bijna op de minuut af drie uur geleden verliet Hidas de Szarhazagevangenis en hij zei dat hij binnen drie uur weer terug zou zijn. Hij zou dus elk ogenblik hier voorbij kunnen komen." „Kunnen we de truck niet dwars over de weg zetten," stelde Reynolds voor, „en de auto aanhouden? Dat zou het alarm tenminste weer een paar uur uitstellen." Spijtig schudde de graaf het hoofd. „Onmogelijk! Ik heb er ook aan gedacht, maar het gaat niet. In de eerste plaats moeten we denken aan de AVO-mannen, die we in het bos hebben achtergelaten: van die plek tot de Szarhaza is het maar een uur, op zijn hoogst anderhalf. Verder zouden we een koevoet of een staaf dynamiet nodig hebben om een gepantserde wagen als de Zis open te kunnen breken, maar dat alles is nog niet In i belangrijkste. Het kardinale punt is dat de chauffeur met dit «eer de truck vermoedelijk pas zou zien wanneer het te laat is - i n die Zis weegt ongeveer drie ton! Hij zou de truck volkomen in elkaar rijden en als we dit avontuur willen overleven, moeten we in ieder geval de beschikking hebben over een onbeschadigde auto." „Misschien is hij al gepasseerd," opperde Jansci. „Vlak nadat we do hoofdweg verlaten hadden en voor het begon te sneeuwen." Het is mogelijk," gaf de graaf toe. „Laten we hem nog een paar minuten geven en…" Hij brak zijn zin plotseling af en luisterde. Tegelijkertijd hoorde Reynolds in de verte het gedempte gezoem van een krachtige motor, dat snel naderbij kwam. Precies op tijd hadden ze het kruispunt verlaten en bevonden ze zich in de beschutting van een paar bomen. De naderende wagen, ongetwijfeld de zwarte Zis van Hidas, reed met suisend geweld voorbij. De zware sneeuwbanden kraakten en sisten over de sneeuw en in een oogwenk was de auto weer in de dwarrelende sneeuw verdwenen. Reynolds zag nog net een glimp van de chauffeur en van Hidas die op de achterbank zat en naar het scheen met een kleine, in elkaar gedoken gestalte naast zich, maar het was onmogelijk dit met zekerheid te kunnen zeggen. Dan holden ze terug naar de truck. De graaf sloeg zo vlug mogelijk de hoofdweg in, want elk ogenblik kon de jacht nu worden ingezet en er was dus geen tijd te verliezen. Nauwelijks had de graaf echter in de hoogste versnelling overgeschakeld of hij schakelde al weer terug en liet de vrachtwagen stoppen bij een klein bosje waar een naderende bocht afsnijdende telefoonpalen en draden doorheen liepen. Bijna op hetzelfde moment kwamen er twee mannen uit het bosje tevoorschijn. Ze waren halfbevroren door de kou en hun kleren zaten zó onder de sneeuw, dat ze meer op twee wandelende sneeuwpoppen leken dan op menselijke wezens. Ze strompelden de weg op en begaven zich naar de truck. Ieder van hen droeg een doos onder de arm. Toen ze door de voorruit Jansci en Reynolds in de cabine zagen zitten, begonnen ze geestdriftig met de armen te zwaaien en breed te lachen en er was nu geen vergissen meer mogelijk: het waren Sandor en de kozak en hun gezichten straalden van vreugde toen ze hun als uit de dood herrezen vrienden begroetten. Zo snel mogelijk als hun verkleumde ledematen het toelieten, klauterden ze achter in de truck en geen vijftien seconden nadat er gestopt was, reed de vrachtwagen weer verder. De deur tussen de cabine en het inwendige van de truck ging open en Sandor en de kozak overstelpten Jansci en Reynolds met opgewonden vragen en gelukwensen. Na twee minuten liet de graaf de zakflacon rondgaan en toen de stemmen dus plotseling even zwegen, kreeg Jansci gelegenheid de graaf een vraag te stellen. „Wat hadden ze voor dozen bij zich?" „In de kleinste zit gereedschap zoals een lijn werker van de telefoondienst dat gebruikt om draden af te tappen," verklaarde de graaf. „In elke wagen van de AVO is zo'n doos aanwezig. Ik stopte bij het Kotelicafé, gaf de doos aan Sandor en vertelde hem ons tot dicht bij de Szarhazagevangenis te volgen, in een telefoonpaal te klimmen en de directe lijn van de gevangenis naar de Andrassy Ut af te tappen. Mocht de commandant eventueel nog argwaan gehad hebben, dan had Sandor het wel opgeknapt: ik zei hem achter een zakdoek te praten alsof de kou van Furmint, waarover ik het met de commandant immers al gehad had, plotseling veel erger was geworden." „Lieve hemel!" Reynolds kon zijn bewondering onmogelijk verbergen. „Is er nog iets waaraan u niet gedacht heeft?" „Niet veel," gaf de graaf bescheiden toe. „De voorzorgsmaatregel bleek echter niet nodig geweest te zijn, want de commandant had, zoals jullie bemerkt hebben, helemaal geen wantrouwen. Het enige wat me eigenlijk enige zorg baarde, was dat die stomme AVO- mannen me in tegenwoordigheid van de commandant majoor Howarth zouden noemen in plaats van kapitein Zsolt. Ik had ze natuurlijk ingeprent me als kapitein Zsolt aan te spreken. De reden, had ik hen erbij verteld, zou Furmint hen persoonlijk verklaren als een van hen een blunder in dit opzicht beging. De andere doos bevat burgerkleren, die Sandor eveneens uit Koteli heeft meegebracht. Ik zal dadelijk even stoppen en dan kunnen jullie achter in de auto die uniformen uittrekken en je omkleden. Het is jammer van de Opel, maar. .." De graaf maakte een luchtig gebaar. „Hij was tenslotte toch niet van ons! Wel, heren, de jacht is nu begonnen of zal elk ogenblik kunnen beginnen en… eh… niet zuinig ook! Alle verbindingen met het westen zullen gecontroleerd worden, vanaf hoofdwegen tot rijwielpaden en in een mate zoals nog niet eerder voorgekomen is. Met alle verschuldigd respect voor u, mijnheer Reynolds… eh… generaal Illyurin is de grootste vis die ooit uit hun net dreigde te zwemmen. Als we het er levend afbrengen, kunnen we onszelf gelukwensen: de kansen acht ik in dit geval niet bijzonder groot en dus. . wat nu, vraag ik me af." Niemand had meteen iets voor te stellen. Jansci keek recht voor zich uit. Op het gelijnde gezicht onder het dikke, witte haar lag een rustige en onbekommerde uitdrukking en Reynolds had er bijna een eed op kunnen doen dat er om zijn mondhoeken een flauwe glimlach beefde. Reynolds zelf voelde totaal geen lust om te lachen. Terwijl de truck onder het regelmatig gebrom van de motor de witte, ondoorschijnende wereld achter hen verliet voor de even witte en ondoorschijnende wereld voor hen, maakte hij in gedachte de balans eens op van zijn eigen successen en mislukkingen sinds hij slechts vier dagen geleden Hongarije was binnengekomen. Het resultaat van dit onderzoek leverde hem weinig reden tot blijdschap of trots op. Op de creditzijde stonden alleen maar de contacten die hij had weten te leggen: in de eerste plaats met Jansci en zijn vrienden en dan met de professor -werlijke voldoening gaf dit laatste hem echter niet, want zonder de graaf en Jansci zou zelfs dit onmogelijk geweest zijn. De lengte van de lijst aan de debetzijde, de mislukkingen dus, bezorgde hem een koude rilling: onmiddellijk na het overschrijden van de grens was hij gevangen genomen, hij had de AVO gratis een bandopname geleverd die alles verknoeid had, hij was in de val van Hidas gelopen, moest door Jansci en zijn mannen bevrijd worden, had alleen door Jansci's hulp weerstand kunnen bieden aan de chemische preparaten en het stoombad in de Szarhaza en had zijn vrienden en zichzelf bijna verraden toen hij de graaf in de kamer van de commandant ontdekte. Reynolds verschoof ongedurig op zijn plaats toen hij dit alles nog eens naging. In het kort gezegd was hij de professor kwijt geraakt, had hij diens gezin Volkomen uit elkaar gerukt zonder dat er nog iets aan te doen was, berustte bij hem de verantwoordelijkheid dat de graaf de positie verloor die de organisatie van Jansci in staat had gesteld soepel te werken en, wat nog het ergste was, bezat hij totaal geen hoop meer dat de dochter van Jansci hem ooit nog vriendelijk Sou aankijken. Het was de eerste maal dat Reynolds zichzelf moest toegeven dat die hoop inderdaad al die tijd bij hem geleefd had en het kostte hem heel wat tijd en moeite dit wonder te kunnen ver- Werken. Bijna met lichamelijke inspanning moest hij het uit zijn gedachten bannen en toen hij het woord nam, wist hij dat er nog maar één ding was dat hij kon zeggen. „Er is iets dat ik wil doen," sprak hij langzaam, „en ik wil het alleen doen! Ik wil een trein zien te vinden. Ik wil een trein vinden die…" „Doen we dat niet allemaal!" riep de graaf uit. Met kracht liet hij zijn geschoeide hand op het stuur neerkomen, zodat het bijna brak, en over zijn gezicht gleed een uitdrukking van pure verrukking. „Doen we dat niet allemaal, beste jongen! Kijk eens naar Jansci - hij heeft de laatste tien minuten letterlijk aan niets anders meer gedacht." Reynolds keek de graaf scherp aan en dan dwaalden zijn blikken langzaam naar Jansci. Hij realiseerde zich dat hij inderdaad een flauwe glimlach om diens mond had gezien en toen Jansci zich naar hem toedraaide, zag hij die glimlach wijder en duidelijker zichtbaar worden. „Ik ken dit land op mijn duimpje," zei Jansci op haast verontschuldigende toon, „en ongeveer vijf kilometer terug bemerkte ik al dat de graaf in zuidelijke richting was gaan rijden. Ik kan me niet voorstellen," voegde hij er wat droog aan toe, „dat ons over de grens van Joegoslavië een hartelijk welkom zou wachten." „Totaal fout!" Reynolds schudde stijfkoppig het hoofd. „Alleen ik kom ervoor in aanmerking, alleen ik! Alles wat ik ondernam, ging verkeerd en bracht het concentratiekamp een stap nader. De Volgende keer zal er geen graaf met een wagen van de AVO zijn! In welke trein zit de professor?" „Wil je dit echt alleen opknappen?" vroeg Jansci. „Jawel! Het moet!" „De man is stapelgek!" verklaarde de graaf. „Het kan niet!" Jansci schudde het witte hoofd. „Ik kan het je niet laten doen. Verplaats jezelf eens in mijn omstandigheden en dan zal je moeten toegeven dat je zeer egoïstisch bent. Ongelukkig genoeg heb ik nog een geweten en ik wil daar in een slapeloze nacht graag zonder angst tegenover staan." Zwijgend staarde hij even door de voorruit. „Nog erger: ik wil ook graag de rest van mijn leven zonder angst mijn dochter onder ogen komen!" „Ik begrijp niet…," begon Reynolds. „Natuurlijk begrijp je het niet," onderbrak de graaf hem bijna vrolijk. „De alles en iedereen uitsluitende toewijding tot je opdracht mag dan wellicht bijzonder te bewonderen zijn - eerlijk gezegd geloof ik niet dat het zo bewonderenswaardig is - maar het geeft je ook de neiging blind te zijn voor dingen, die voor ouderen helder zijn als glas! Enfin, dit is bekvechten en nutteloos. Ik veronderstel dat kolonel Hidas in de kamer van de commandant nu zo ongeveer aan een hartverlamming toe is en dus. .. eh… Jansci?" Reynolds wist dat de graaf om een besluit vroeg. „Weten we alles wat we moeten weten?" informeerde Jansci. „Natuurlijk," antwoordde de graaf wat pijnlijk getroffen. „Ik moest vier minuten wachten eer de gevangenen. .. eh. .. tevoorschijn waren getoverd en heb die vier minuten goed gebruikt." „Goed! Hier is het dus, Meechail: onze inlichtingen in ruil voor onze hulp!" „Er blijft me weinig keus over," zei Reynolds bitter. „Kenmerkend voor een verstandig man - hij weet wanneer hij liet debat verloren heeft!" zei de graaf bijna spinnend als een poes. Hij remde krachtig, liet de truck stoppen, haalde een kaart uit zijn zak, zorgde ervoor dat Sandor en de kozak die door het luikje nok konden zien en wees met zijn vinger een stip aan. „Hier ligt xxx« ree, waar de professor vandaag op de trein zal worden gezet - of liever: waar hij al in de trein zit. Aan het einde van de trein is een speciale wagon gekoppeld." ,,Daar had de commandant het ook over," zei Jansci. „Een aantal belangrijke geleerden…"Hall! Geleerden? Beroepsmisdadigers die bestemd zijn voor de bossen van Siberië en het ook volkomen verdienen! Bovendien krijgt Dr. Jennings geen aparte behandeling - hij komt zonder meer in een transport veroordeelden terecht: in een veewagen! De commandant stak het heus niet onder stoelen of banken."   Zijn vinger bewoog zich langs de spoorlijn tot het punt waar deze de uit het zuiden komende hoofdweg van Belgrado bij de stad Skekszard kruiste: zestig kilometer ten noorden van de Joegoslavische grens. „Hier stopt de trein. Dan volgt hij de hoofdweg verder naar het zuiden tot Balaszék - waar niet gestopt wordt - en buigt daarna van de hoofdweg af naar het westen, naar Pécs. Het moet dus ergens tussen Skekszard en Pécs gebeuren, heren, en het is een probleem op zichzelf. Er zijn genoeg treinen die ik zou laten ontsporen, maar geen trein waarin honderden van mijn geadopteerde landgenoten zitten: het is namelijk een gewone personentrein." „Mag ik die kaart even zien?" vroeg Reynolds. Het was een wegenkaart op grote schaal, maar tegelijkertijd ook een natuurkundige kaart waarop rivieren en heuvels waren aangegeven. Terwijl Reynolds de kaart bestudeerde, voelde hij zijn opwinding stijgen en dwaalden zijn gedachten veertien jaar terug toen hij nog een jong luitenantje was. Het plan leek nu krankzinnig, maar destijds was het ook een krankzinnig idee geweest. Hij wees een plek op de kaart aan, iets ten noorden van Pécs, waar de weg van Skekszard, na bijna veertig kilometer door het land gelopen te zijn, weer parallel met de spoorlijn kwam en keek over de kaart de graaf aan. „Kunt u hier met de truck zijn vóór de trein er is?" „Met een beetje geluk, wanneer de wegen niet gecontroleerd worden en vooral wanneer Sandor er is om de wagen uit een greppel te sjorren als ik erin verzeild raak - ja, dan haal ik het wel, geloof ik." „Goed! Dan zou ik het volgende willen voorstellen." Vlug en beknopt ontvouwde Reynolds zijn plan en toen hij uitgesproken was, keek hij de anderen een voor een aan. „Wel?" Langzaam schudde Jansci het hoofd, maar de graaf sprak het eerst. „Uitgesloten!" zei hij beslist. „Het kan niet!" „Het is eerder gebeurd. In de Vogezen in 1944. Als resultaat vloog er een munitieopslagplaats de lucht in. Ik weet het, omdat ik er zelf bij was. Heeft een van u dan wat anders voor te stellen?" Even bleef het stil. „Precies!" zei Reynolds dan. „Zoals de graaf al opmerkte: het is een verstandig man die weet wanneer hij het debat verloren heeft. Op het ogenblik verliezen we kostbare tijd." „Dat doen we!" Jansci scheen zijn besluit al genomen te hebben en de graaf knikte dat hij het ermee eens was. „In ieder geval is het te proberen." „Achter in de auto en verkleden!" besloot de graaf. „Ik start meteen. De trein is over twintig minuten in Skekszard en ik doe er een kwartier over." „Als de AVO er tenminste niet in tien minuten is!" zei Reynolds somber. Bijna in een opwelling gluurde de graaf even over zijn schouder. „Onmogelijk! Nog geen spoor van Hidas te bekennen." „Er bestaat nog zo iets als een telefoon." „Bestond!" Het was voor het eerst sinds minuten dat Sandor zijn stem liet horen. In zijn geweldige hand lag een kniptang, die hij Reynolds voor de neus hield. „Zes draden - zes knippen! De Szarhazagevangenis is volkomen van de buitenwereld afgesneden." „Ik," merkte de graaf bescheiden op, „denk aan alles!"