Tiende hoofdstuk

 

Op ontrustbarende wijze zwaaide en schommelde de oude  trein over de slecht onderhouden rails. Elke keer dat hij van de uit het zuid-oosten aanstormende en met sneeuw beladen windvlagen over zijn gehele lengte de volle laag kreeg, begon de trein te schudden en te kraken en scheen het of hij uit de rails zou vliegen. Het waren angstaanjagende momenten die elkaar in een nimmer eindigende reeks opvolgden. De wielen die door de ongelijke strijd met de jaren hun veerkracht sinds lang verloren hadden, deden de trein trillen en schokken tot de tanden van de passagiers ervan begonnen te klapperen en wanneer ze over een kruispunt van de ongelijke rails botsten en sprongen, verhief hun knarsend gejammer zich tot een schril gekrijs en een kakofonie van metaalachtige klanken. De ijskoude wind en de sneeuw floten door de honderden barsten en scheuren in slecht gemaakte deuren en ramen. De houten carrosserie en de banken kraakten en protesteerden als een schip in een holle zee. Gestadig worstelde de oude trein zich echter door de witte verblinding van die late wintermiddag. Soms minderde hij op een recht stuk onverwacht even vaart, om dan weer even onverwacht in gevaarlijk lijkende bochten de snelheid te verhogen. De machinist die zijn hand bijna geen moment van de stoomfluit hield - hoewel het geluid honderd meter verder in de sneeuwvlagen al tot een gefluister verging en wegstierf - was kennelijk een man die volkomen vertrouwde op zichzelf, de capaciteiten van zijn trein en zijn bekendheid met de voor hem liggende rails. Reynolds die zich in een wild heen en weer zwaaiende wagoncorridor zo goed mogelijk op de been trachtte te houden, deelde dit vertrouwen van de machinist geenszins. Weliswaar niet waar het ging om de veiligheid van de trein, want dat maakte op dat moment zijn minste zorg uit, doch wel wat betrof zijn eigen capaciteiten om de hem wachtende taak tot een goed einde te brengen. Toen hij zijn plan ter sprake had gebracht, was het met de herinnering geweest aan een zachte zomernacht vol sterren en een trein die rustig tussen de beboste heuvels van de Vogezen pufte. Maar nu, tien minuten nadat Jansci en hij in Skekszard hun kaartjes hadden gekocht en ongehinderd in de trein waren gestapt, hadden de dingen, die hij onherroepelijk moest gaan doen, de vorm van de onmogelijkheden in een nachtmerrie aangenomen. Wat hij moest doen, was eenvoudig genoeg gezegd. Hij moest de professor bevrijden en om de professor te bevrijden moest hij de wagen van de veroordeelde misdadigers van de rest van de trein koppelen. Dit kon alleen gebeuren door de trein te laten stoppen en de spanning op de koppeling tussen de veewagen en de bagagewagen te verminderen. Op de een of andere manier moest hij de locomotief dus zien te bereiken - wat al een onmogelijkheid op zichzelf leek - en dan kwam het erop aan het personeel van de locomotief zover te krijgen hun machine te stoppen op het moment en de plaats waar Reynolds dit wenste. 'Zover krijgen' was precies de juiste uitdrukking, dacht Reynolds grimmig. Misschien zou hij hen kunnen overhalen, als ze zich ten minste niet al te vijandig gedroegen, misschien zou hij hen de stuipen op het lijf kunnen jagen, maar één ding was zeker: hij zou hen niet kunnen dwingen! In dat geval hadden ze alleen maar te weigeren hem te gehoorzamen en hij zat met de handen in het haar. Van het bedienen van een locomotief had Reynolds geen notie en zelfs niet voor de professor kon hij machinist en stoker neerslaan of neerschieten en honderden onschuldige passagiers overleveren aan het gevaar van de dood of verminking. Toen hij dit allemaal nog eens goed overdacht, voelde Reynolds haast lichamelijk hoe de koude wanhoop bezit van hem begon te nemen. Vastberaden schudde hij dan alle pessimisme van zich af. Alles op zijn beurt en in de eerste plaats ging het erom die locomotief te bereiken. Reynolds liep de corridor uit. Met zijn ene hand hield hij zich vast aan de stang van het raam en de ander bevond zich diep in zijn jaszak om het gewicht van een zware hamer en zaklantaarn te schragen en het verdacht uitpuilen te maskeren. Net om de hoek botste hij tegen Jansci aan. Deze mompelde een verontschuldiging, keek hem zonder een teken van herkenning te tonen even vluchtig aan, deed een paar stappen naar voren zodat hij de corridor waaruit Reynolds gekomen was in de gehele lengte kon overzien, liep weer terug en opende de deur van het nabijgelegen toilet om zich ervan te overtuigen dat het leeg was. „Alles goed?" vroeg hij dan zacht. „Niet zo best. Ze hebben me al door." ..Ze?" „Twee man! Burgerkleren, trenchcoats, geen hoeden. Ze volgen me de gehele trein door. Als ik er niet speciaal op gelet had, zou ik het niet eens bemerkt hebben, want ze doen het uiterst voorzichtig." „Blijf in de corridor en laat me weten. .." „Daar komen ze!" fluisterde Reynolds. Terwijl Jansci onopvallend in het toilet verdween en de deur tot op een smal kiertje dicht deed, wierp Reynolds een vlugge blik op de twee mannen die hem slingerend en zwaaiend door de corridor naderden. De eerste was lang en had een doodsbleek gezicht en zwarte ogen. Zonder enige belangstelling keek hij Reynolds bij het passeren even aan. De andere man negeerde hem totaal. „Ze hebben je inderdaad door." Jansci had gewacht tot de beide mannen uit zicht waren verdwenen. „Nog erger is dat ze weten dat je hen ook door hebt. We hadden eraan moeten denken dat elke trein naar en van Boedapest gedurende de conferentie bewaakt wordt." „Kent u ze?" „Ik ben bang van wel. De man met het bleke gezicht behoort tot de AVO: een van de beulen van Hidas en gevaarlijk als een slang. De andere ken ik echter niet." „We kunnen veilig aannemen dat hij ook van de AVO is. Natuurlijk heeft de Szarhaza…" „Daar weten ze nog niets van. Het kan niet. Wel is daarentegen je signalement al een paar dagen aan elke AVO-man in Hongarije bekend." „Dat is het natuurlijk." Reynolds knikte langzaam. „Bent u al iets verder gekomen?" „Drie soldaten in de bagagewagen. In de veewagen daarachter zal er geen zijn: ze reizen nooit in dezelfde wagon als de gevangenen. Ze zitten met de conducteur om een rood gloeiend kacheltje en laten de wijnfles rondgaan." „Zou u het klaarspelen?" „Ik geloof het wel! Maar hoe…" „Terug!" siste Reynolds plotseling. Toen de beide mannen opnieuw passeerden, leunde hij met beide handen in de zakken tegen een raam, staarde hij naar de grond, keek dan plotseling onverschillig op, trok even de wenkbrauwen op toen hij zag wie het waren, keek opnieuw naar de grond en staarde dan de mannen na die overal steun zoekend door de corridor liepen en ten slotte weer verdwenen. „Psychologische oorlogsvoering!" mompelde Jansci. „Een probleem!" „En niet het enige! Ik kan niet in de eerste drie wagons komen." Jansci keek de Engelsman scherp aan, maar zei niets. „Militairen!" verklaarde Reynolds. „De derde wagon van voren is een wagen met een middenpad en zit vol soldaten. Een officier stuurde me terug; ook op een andere manier zit het daar fout. Toen ik me omdraaide, probeerde ik namelijk de kruk van een buitenportier: het was op slot." „Van buiten afgesloten!" Jansci knikte. „Dienstplichtigen en het leger probeert elke poging om ontijdig naar de burgermaatschappij terug te keren te ontmoedigen. Bestaat er nog ergens hoop, Meechail? Is er een noodrem?" „Nergens in de trein te vinden, maar ik red het wel - het moet! Heeft u een plaats?" „Op een na laatste wagon." „Tien minuten van tevoren geef ik u een seintje. Dan kan ik nu beter maar gaan, want elk ogenblik kunnen die kerels terugkomen." „Goed! Balaszék over vijf minuten. Denk erom: als de trein daar stopt, betekent het dat Hidas de zaak doorzien heeft en contact met hen opnam. In dat geval moet je er aan de donkere kant van de trein uitspringen en zet je het op een lopen." „Daar zijn ze!" mompelde Reynolds. Hij duwde zich van het raam af en liep langs de beide mannen heen. Ditmaal keken ze hem met volkomen uitdrukkingloze gezichten aan en Reynolds was benieuwd hoe lang het nog zou duren eer ze tot de aanval zouden overgaan. Terwijl hij zich slechts met moeite op de been kon houden, liep hij de corridors door. Aan het einde van de vierde wagon begaf hij zich in het toilet, verborg zijn hamer en lantaarn m het kleine, driehoekige kastje dat als steun diende voor de gebarsten, vertinde wasbak, verplaatste zijn revolver naar zijn i echter jaszak en klemde er zijn hand omheen eer hij weer naar de gang terugging. Het was niet zijn eigen Belgische revolver, want die hadden ze hem in de Szarhaza afgenomen, maar het pistool van de graaf. Het wapen bezat geen geluiddemper en was het laatste waar Reynolds gebruik van wilde maken. Ging het echter om zijn leven dan werd hij er wel toe gedwongen: het hing helemaal van de twee mannen af, die al zijn bewegingen schaduwden. De trein reed nu door de buitenwijken van Balaszék en plotseling realiseerde Reynolds zich dat ze merkbaar langzamer waren gaan rijden en precies op het moment dat hij zich dit bewust werd, kwamen de luchtremmen in werking en moest hij zich vastgrijpen om niet te vallen. Hij voelde de vingertoppen van de hand, die zich om de revolver klemde, op merkwaardige wijze prikken. Reynolds verliet het toilet, ging in de corridor tussen de twee portieren staan - hij had er geen idee van aan welke kant het perron zou komen te liggen - overtuigde zich ervan dat de pal van zijn revolver niet op veilig stond en terwijl zijn hart zwaar en langzaam tegen zijn ribben bonsde, wachtte hij gespannen af. De trein minderde nog steeds vaart en toen ze plotseling hevig slingerend over een wissel reed, moest Reynolds zich opnieuw stevig vastklemmen, maar dan ineens, zó onverwacht dat het veranderen van de beweging hem het evenwicht deed verliezen, ontsnapte de lucht sissend uit de remmen, liet de stoomfluit een kort, schril gefluit horen en begon de trein weer op te trekken. Het station van Balaszék vervaagde tot nog slechts een verwarde herinnering aan een rij bleke, wazig flikkerende lichten die in een oogwenk verloren gingen in het grijsachtig witte gordijn van de voort- gezweepte sneeuwvlagen. Reynolds' greep om de revolver verslapte. Ondanks de bittere kou in de corridor voelde hij dat zijn boordje nat van het zweet was, evenals zijn rechterhand met de revolver. Terwijl hij naar het portier links van hem liep, haalde hij de hand uit zijn zak en wreef hij haar droog aan zijn jas. Hij trok het portierraam enkele centimeters open, duwde het een seconde later weer dicht en deed naar adem snakkend vlug een stapje terug om zijn ogen uit te wrijven die door de fluitende sneeuwstorm, die als een zweepslag zijn voorhoofd gestriemd had, een ogenblik volkomen verblind waren geweest. Dan leunde hij tegen de houten wand achter hem en stak hij met niet geheel vaste vingers een sigaret op. Het was hopeloos, het was nog erger dan hopeloos. Met een steeds feller blazende wind die toenam tot zestig, misschien zelfs wel tachtig kilometer per uur, plus een trein die er met dezelfde snelheid schuin tegenin reed, begon de kracht van de sneeuwvlagen die van een complete storm te benaderen - een complete storm die geen storm was, maar een krijsende witte muur van bijna horizontaal voortgejaagde sneeuw en ijs. Zelfs de fractie van een seconde dat die muur in de betrekkelijke warmte en veiligheid van de trein vat op een klein stukje van zijn lichaam had gekregen, was al teveel voor Reynolds geweest en God alleen wist hoe het buiten de trein moest zijn: minuten achter elkaar en terwijl zijn leven er van afhing. Reynolds vermande zich en besloot er niet meer aan te denken. Vlug liep hij door de harmonicaverbinding naar de volgende wagon en wierp hij een snelle blik in de corridor. Nog geen spoor van de twee mannen. Reynolds ging weer terug en begaf zich naar het van de wind gekeerde portier. Heel voorzichtig om niet door de zuiging van het luchtledig aan die kant uit de trein gesleurd te worden, opende hij het, schatte de maat van het grendelgat in de post, sloot het portier weer, overtuigde zich ervan dat het raam gemakkelijk openging en liep dan terug naar het toilet. Hier sneed hij met zijn mes een stukje hout uit het deurtje onder de wasbak en in een paar minuten had hij het bijgesneden in een vorm en maat, die juist iets groter waren dan die van het grendelgat. Zodra hij hiermee klaar was, begaf hij zich opnieuw in de corridor. Het was noodzakelijk dat hij door zijn beide schaduwen gezien werd, want als ze hem misten, zouden ze door de gehele trein heen de jacht op hem inzetten en er bevonden zich honderd, misschien wel tweehonderd soldaten in de voorste wagons die Ie hulp geroepen zouden kunnen worden. Toen hij de deur van liet toilet achter zich dichttrok, botste hij ditmaal bijna tegen de mannen op. Hij kon zien dat ze hard gelopen moesten hebben en toen de kleinste Reynolds uit het toilet zag komen, verscheen er een trek van opluchting op zijn gezicht. Het bleke gelaat van de lange man bleef onbewogen en zijn enige reactie bestond uit het zó plotseling inhouden van zijn pas dat zijn metgezel hem op de hielen trapte. Ongeveer een meter van Reynolds vandaan bleven de mannen staan. Reynolds zelf bewoog zich niet. Hij leunde in een hoek om zich tegen het hevig slingeren van de trein schrap in zetten en hield zijn handen vrij om ze te kunnen gebruiken wanneer dit nodig mocht zijn. De bleke man bemerkte dit. Zijn zwarte ogen vernauwden zich bijna onmerkbaar. Dan haalde hij een pakje sigaretten uit zijn zak en liet een glimlach zien die niet verder kwam dan de hoeken van zijn mond. Heeft u een lucifertje, kameraad?" ..Natuurlijk! Gaat uw gang!" Met zijn linkerhand viste Reynolds een doosje lucifers uit zijn zak en hield hij het op armslengte voor zich uit. Tegelijkertijd bewoog zijn rechterhand zich heel even in de jaszak en tekende de ronde opening van de revolverloop zich scherp af door het dunne gabardine van zijn trenchcoat. De lichte beweging ontging de bleke man niet. Hij keek omlaag, maar geen moment lieten Reynolds' ogen het witte gezicht los. Een ogenblik later keek de man weer op, staarde Reynolds zonder met de ogen te knipperen over de vlam van de lucifer aan, gaf de lucifers langzaam terug, knikte dankend en liep verder. Jammer, dacht Reynolds terwijl hij hen nakeek, maar onvermijdelijk. Het was alleen maar een zwijgende uitdaging geweest en het oplaten van een vliegertje om te ontdekken of hij wel dan niet gewapend was. Als hij hen in dit opzicht niet overtuigd had, wist Reynolds zeker, zouden ze hem op stel en sprong te pakken genomen hebben. Voor de tiende keer keek hij op zijn horloge. Nog drie minuten, hoogstens vier: hij kon duidelijk voelen dat de trein snelheid minderde toen ze de flauw hellende heuvel begon op te rijden en had er een eed op kunnen doen dat hij de eerste glimp ontwaarde van een weg die bijna parallel met de rails liep. Hij vroeg zich af hoe groot de kans zou zijn dat de graaf en de anderen op tijd de afgesproken plaats zouden bereiken, als ze die tenminste bereikten. Hij hoorde het krijsend gehuil van de wind boven het geratel en lawaai van de trein uit, zag ook de haast massieve, witte muur van aanstormende sneeuw, die het zicht beperkte tot hoogstens een meter. Onwillekeurig schudde Reynolds het hoofd. In dit bijna noordpoolweer waren een trein op rails en een truck op banden geheel verschillende dingen. Maar al te gemakkelijk kon Reynolds zich het gespannen gezicht van de graaf voorstellen, waarmee deze door de steeds kleiner wordende bogen zou turen die de ruitenwissers in hun vergeefse pogingen de voorruit vrij van sneeuw te houden, op het glas zouden beschrijven. Toch wist Reynolds dat hij erop móést vertrouwen dat de graaf op tijd zou zijn en hij een kleine mogelijkheid in dit geval zelfs als zekerheid diende te beschouwen. Voor het laatst keek hij op zijn horloge. Dan ging hij opnieuw het toilet binnen, vulde een grote, aarden kruik met water, plaatste haar in het kastje, pakte er het pasklaar gesneden stukje hout uit, nam het mee de gang in, opende het van de wind gekeerde portier, drukte het stukje hout in het grendelgat en sloeg het er met de kolf van zijn pistool stevig in. Daarna sloot hij het portier, waarbij hij de grendelbout voorzichtig in de houten plug liet rusten: het portier was gesloten, maar stond op scherp! Vlug en op zijn tenen liep Reynolds naar het achterste gedeelte van de trein. Een wagon verder maakten twee mannen zich los uit de schaduwen van een donkere hoek en begonnen hem geruisloos te volgen, doch Reynolds negeerde hen. Hij wist dat ze tegenover de vol met passagiers zittende coupés niets zouden proberen en elke keer dat hij het einde van een wagon bereikte, rende hij zo vlug mogelijk door de harmonicaverbinding naar de volgende. Ten slotte bevond hij zich in de op een na laatste wagon, waar hij langzaam doorheen wandelde: het hoofd recht en strak voor zich uitkijkend om zijn schaduwen te misleiden, maar uit zijn ooghoeken loerde hij in de coupés. Jansci zat in de derde. Reynolds stond onverwacht stil, zodat zijn achtervolgers in hun haast om te stoppen bijna voorover vielen, ging een pasje opzij om hen te laten passeren, wachtte tot ze ongeveer drie meter van hem vandaan waren, knikte Jansci vlug even toe en rende dan weer terug. Hij deed een schietgebedje dat hij niemand op zijn weg zou ontmoeten: een dikke man die bijvoorbeeld de corridor blokkeerde, had alles kunnen verknoeien. Reynolds hoorde hollende voetstappen achter zich en begon nog harder te lopen en dat was bijna zijn ongeluk. Hij gleed namelijk uit over een natte plek, sloeg met zijn hoofd tegen een raamstang, viel, dwong zich weer overeind te krabbelen en terwijl hij de scherpe pijn in zijn hoofd, die hem bijna het bewustzijn deed verliezen, en de sterretjes voor zijn ogen negeerde, rende hij verder. Twee wagons, drie wagons, vier en hij was er. Hij schoot een hoek om, dook het toilet in, sloeg de deur zo hard mogelijk achter zich dicht - hij wilde niet dat zijn achtervolgers er ook maar een ogenblik aan zouden twijfelen waar hij zich bevond - en deed deze op slot. In het toilet verloor hij geen seconde. Hij pakte de narden kruik met water, stopte een vuile handdoek in de hals om zo min mogelijk water verloren te doen gaan, deed een stapje achteruit en smeet de kruik met alle kracht door het raam. Het lawaai bleek nog heviger te zijn dan hij gehoopt had. In de nauwe ruimte was het bijna oorverdovend en terwijl het gerinkel van de glasscherven nog in zijn oren naklonk, nam Reynolds de revolver uit zijn zak, pakte het wapen bij de loop, deed het licht uit, duwde de deur heel zacht open en stapte de corridor in. De twee schaduwen hadden het raam van het portier opengeschoven en staarden in de sneeuw, waarbij ze zover mogelijk naar buiten leunden en elkaar ongeduldig verdrongen in het ver langen te kunnen zien wat er gebeurd was en waar Reynolds gebleven was. Ze handelden volkomen menselijk en iets anders luidden ze werkelijk niet kunnen doen. Toen Reynolds uit het toilet kwam, hield hij zijn pas niet in: een grote stap en dan sprong hij met alle kracht die in hem was en met beide benen vooruit in de rug van de man die het dichtst bij hem stond. Het portier vloog open. Een van de mannen werd als uit een catapult geschoten naar buiten in de jagende sneeuw geslingerd en kreeg zelfs geen tijd een schreeuw te geven. De ander, de man met het bleke gezicht, draaide zich op bijna onmogelijke wijze tussen hemel en aarde zwevend nog om en kreeg de binnenrand van het portier te pakken. Met zijn gezicht verwrongen van woede en angst probeerde hij zich vechtend en spartelend als een wilde kat naar binnen te werken. De hele worsteling duurde op zijn hoogst echter misschien twee seconden en Reynolds kende geen genade. Zijn neerkomende revolver was op het grommend gezicht van de man gericht, maar veranderde op het laatste moment van richting toen de man in een instinctmatige poging zich te beschermen zijn vrije hand ophief. Met een harde klap, die tot aan de elleboog een trillende schok door Reynolds' arm deed gaan, kwam de kolf van het pistool beukend op de zich aan het portier vastklemmende vingers van de man terecht en dan was er plotseling geen man meer: alleen nog maar de jagende sneeuw en een vage, ijle gil die verloren ging in het donderend lawaai van de wielen en de hoge lijk- zang van de woedende storm. Het nam voor Reynolds slechts enkele seconden in beslag om het stukje hout uit het grendelgat te wurmen en het portier ditmaal stevig dicht te doen. Dan stak hij de revolver in zijn zak, haalde de hamer en de lantaarn uit het toilet en liep naar het portier aan de andere kant, dus aan de windzijde van de wagon. Hier kreeg hij de eerste tegenslag te incasseren en het was er een die hem nagenoeg al verslagen had eer hij zelfs nog maar was begonnen. De trein boog nu namelijk naar het zuid-westen af naar Pécs, kreeg de sneeuwstorm uit het zuid-oosten dwars en het leek Reynolds of er aan de buitenkant van het portier een veel sterkere man dan hijzelf stond te duwen. Tweemaal, driemaal probeerde hij met inspanning van al zijn krachten het portier open te krijgen, maar het wilde niet meer wijken dan een paar centimeter. Veel tijd was Reynolds niet meer overgebleven - zeven minuten misschien, hoogstens acht! Hij richtte zich op, pakte het metalen handvat bovenaan het raam, kreeg het met een enkele krampachtige ruk naar beneden en wanneer hij zich niet bliksemsnel op de grond had laten vallen, zou de gierende vlaag van wind en sneeuw die plotseling door het open raam huilde hem naar de andere kant van de wagon gesmeten hebben. Het was zelfs nog erger dan hij zich had voorgesteld en hij begreep nu waarom de machinist langzamer was gaan rijden: niet door de helling, maar omdat hij zijn trein in de rails wilde houden. Eén kritiek ogenblik kreeg Reynolds de neiging om het gehele zelfmoordplan maar op te geven. Dan dacht hij echter aan de professor die daar in de laatste wagon helemaal alleen tussen geharde misdadigers zat, aan Jansci en de anderen die op hem vertrouwden, aan het meisje dat hem haar rug had toegedraaid toen hij afscheid van haar had willen nemen en meteen sprong hij overeind. Toen de als hagel zo scherpe sneeuw zijn gezicht striemde en de lucht uit zijn longen zoog, snakte hij naar adem. Uit alle macht duwde hij tegen het portier: eenmaal, tweemaal, driemaal zonder er acht op te slaan dat, wanneer de wind plotseling iets zou afnemen, hij dan onherroepelijk en hulpeloos in de sneeuw zou worden geslingerd. Bij de vierde poging slaagde hij erin zijn schoen in de spleet tussen het portier en de stijl te krijgen. Hij wrong zijn onderarm er ook in, dan zijn schouder, ten slotte zijn halve lichaam, worstelde zich daarna verder naar buiten en tastend gleed zijn rechtervoet omlaag tot hij de met een korst sneeuw bedekte treeplank had gevonden. Vervolgens bracht hij zijn linkervoet in de opening. Precies op dat moment bleven de zich in zijn jaszak bevindende hamer en lantaarn achter de post steken en stond hij bijna een minuut, een minuut die een eeuwigheid scheen te duren, tussen het portier en de zijkant van de wagon geklemd. Woedend vocht hij om vrij te komen, doodsbang intussen dat er elk ogenblik iemand in de corridor zou kunnen verschijnen om eens te onderzoeken waarom er zo plotseling m m complete sneeuwstorm door de gang was gaan blazen. Dan ineens, terwijl de knopen van zijn jas gerukt werden en hij de stof hoorde scheuren, was hij los. Het gebeurde met zó’n krachtige ruk dat zijn rechtervoet van de treeplank gleed. Even hing hij alleen nog maar aan zijn linkerhand en slechts gesteund door zijn in de opening klem zittende linkervoet. Dan trok hij zich langzaam en met grote moeite weer overeind - zijn rechterhand kon nergens houvast krijgen - kreeg zijn rechtervoet weer terug op treeplank en bleef zo even staan tot hij zichzelf weer onder controle had. Dan sloeg hij zijn linkerhand om de binnenkant van het open raam en trok zijn linkervoet los. Met een harde slag viel het portier dicht en bevond Reynolds zich geheel buiten de trein: alleen maar gesteund door de reeds verkleumde vingers van zijn linkerhand en de druk van de wind die hem tegen de wagon perste. Inmiddels was de schemer gevallen, maar het was nog licht genoeg om iets te kunnen onderscheiden. Reynolds zelf zag echter niets, want in de jagende sneeuw was hij als een blinde die rondtastte in een blinde wereld. Naar hij wist bevond hij zich helemaal aan het einde van de wagon. De hoek was zelfs niet meer clan dertig centimeter van hem verwijderd, doch hoewel hij zijn rechterarm er meer clan een halve meter omheen kon slaan, vond hij nergens ook maar het kleinste uitsteeksel waar hij houvast aan zou kunnen hebben. Terwijl hij zijn linkerarm zoveel mogelijk uitstrekte, probeerde hij het met zij n rechtervoet, die ten slotte i n aanraking kwam met de smalle, stalen zijconstructie die de buffers inliet. De hoek was echter te scherp om hier profijt van te kunnen trekken. Dan trachtte hij de buffer zelf te vinden, maar slaagde er niet in. Zijn linkerarm die zijn gehele gewicht moest dragen, begon van de spanning pijn te doen en zijn vingers waren zó verkleumd dat hij zich totaal niet meer besefte of ze nu wegglipten of niet. Aan de rand van het open portierraam trok hij zich weer plat tegen de wagon aan, wisselde zijn handen om en schold zichzelf voor ezel uit toen hij plotseling aan zijn zaklantaarn dacht. Opnieuw klemde hij zijn linkerhand om de raamrand en leunde hij naar achteren en zo ver mogelijk om de hoek, maar ditmaal priemde de smalle straal van zijn lamp door de snel vallende duisternis en de sneeuw. Binnen twee seconden had hij alles gezien wat hij wilde en zich de situatie in het geheugen geprent van de zijconstructie van de buffer aan de achterkant van de wagon, de harmonicaverbinding en de stalen buffer zelf die ten opzichte van de buffer van de andere wagon bij elke zwaai die de trein maakte wild en gevaarlijk heen en weer sprong. Vlug ging Reynolds weer rechtop staan en stak hij de lantaarn in zijn zak. Hij aarzelde geen moment meer. Zonder dat hij het zichzelf toegaf, was hij zich namelijk ergens heel vaag bewust dat het onlogisch was hier nog langer te blijven staan piekeren over de bijna aan zekerheid grenzende mogelijkheid mis te stappen, uit te glijden en onder de wielen vermorzeld te worden, want dan had hij ook in het begin beter en meer aan de consequenties moeten denken in plaats van meteen maar te gaan doen waar hij nu aan bezig was. In dat geval was hij er trouwens nooit aan begonnen. Voorzichtig verplaatste hij beide voeten tot aan de uiterste rand van de treeplank, zijn linkerhand liet het open portierraam los en eensklaps stond hij vrij van alles en alleen nog maar door de kracht van de wind tegen de bolle zijkant van de wagon geplakt. Hij tilde zijn rechtervoet op en terwijl zijn lichaam zich naar links boog, stapte hij de blinde ruimte in. Een kort ogenblik zweefde hij tussen hemel en aarde. Slechts met de punt van zijn linkerschoen had hij nog contact met de trein en juist toen die schoenpunt van de met ijs bedekte treeplank begon te glijden, kreeg de wind vat op hem en stortte hij zich naar voren in het donker. Met één knie werd hij op de stalen zijconstructie gesmeten, de scheen van zijn ander been sloeg tegen de buffer, maar tegelijkertijd klauwden zijn uitgestrekte en tastende handen zich in de stroef meegevende zijkant van de harmonica. Het gebeurde allemaal met zó'n vaart dat zijn rechterbeen meteen weggleed over het gladde metaal van de buffer, doch krampachtig spande hij zijn beenspieren en slaagde hij er in zijn wreef om het smalste gedeelte van de buffer te haken. Zijn beide knieën hingen nu omlaag, waar de glinsterende rails onder hem wegschoten. Enkele seconden lang bleef hij daar hangen: alleen aan zijn armen en slechts gesteund door zijn scheen. Vaag herinnerde hij zich de pijn in zijn been en hoopte hij dat het niet gebroken zou zijn en dan ineens voelde hij, wat hij ook deed en zich inspande om het te voorkomen en tegen te gaan, dat zijn handen hulpeloos van de glibberige, met sneeuw bedekte stof van de harmonicaverbinding begonnen te glippen. Wanhopig zwaaide Reynolds zijn linkerhand uit, die onzacht tegen de achterkant sloeg van de wagon die hij juist verlaten had, liet de hand zoekend en tastend langs het hout naar voren glijden tot zijn verstijfde, tot het uiterst gestrekte vingers houvast kregen in de nauwe gaping tussen de wagon en de harmonica. Hij klemde zich aan de scherpe rand van de ruwe, met rubber geïmpregneerde bekleding van de harmonica vast, alsof hij zijn geklauwde vingers er doorheen wilde slaan, en drie seconden later stond hij recht overeind op de stalen zijconstructie van de buffer. Stevig verankerd door zijn linkerhand voelde Reynolds hoe de reactie op de krachtsinspanning hem over zijn gehele lichaam deed trillen. Dit trillen kwam echter alleen door de reactie. Mocht Reynolds dan misschien enkele ogenblikken terug bang zijn geweest zoals het nog nimmer in zijn leven was voorgekomen, nu had hij echter liet punt bereikt waarop hij de nevelige grens overschreden had lussen de angst en de aan gene zijde liggende wereld van de zorgeloze en onbaatzuchtige onverschilligheid. Met zijn rechterhand haalde hij zijn mes tevoorschijn, liet het lemmet naar buiten springen en stootte op de hoogte van zijn middel de punt in de stof van de harmonica. Voor zijn part liepen er op dat moment tien mensen tegelijk door de wagonverbinding. Na een paar seconden heftig zagen en snijden met het vlijmscherpe mes had hij eindelijk een gat verkregen dat groot genoeg leek voor de punt van zijn schoen en daarna maakte hij voor zijn vingers op de hoogte van zijn hoofd een ander gat. Hij plaatste zijn rechterschoenpunt in het eerste gat, klemde zijn linkerhand in het tweede, trok zich op en duwde het mes tot aan het heft in het dak van de harmonica om houvast te hebben. Een ogenblik later lag hij bovenop de wagonverbinding en hield hij zich krampachtig aan het heft van het mes vast om de kracht van de wind te trotseren die hem aan de andere kant over de rand van de hevig heen en weer slingerende harmonica trachtte te smijten. De eerste wagon - dat was de vierde van voren - bleek betrekkelijk gemakkelijk over te steken. De smalle, metalen bekleding van de ventilatieopeningen liep over de gehele lengte van het dak en in minder dan een halve minuut had Reynolds zich hieraan naar het einde van de wagon getrokken. Hij deed dit liggend op de van de wind gekeerde kant van het dak, met zijn hoofd gebogen tegen de snijdende storm en onafgebroken hadden zijn voeten over de rand van het dak gehangen: hij kon hier echter niets aan doen, want nergens vond hij in de gladde, met bevroren sneeuw gevulde goot ook maar enige steun voor de punten van zijn schoenen. Op de gegolfde bovenkant van de harmonicaverbinding met de volgende wagon strekte hij voorzichtig zijn hand uit, maar nauwelijks had hij de veilige ventilatiebekleding losgelaten, of hij begreep een schromelijke vergissing begaan te hebben. Hij had zich in een soort van duiksprong naar de andere kant van de verbinding moeten werpen in plaats van zich bloot te stellen aan de krijsende, steeds heviger en gevaarlijker wordende rukwinden. Het ene moment dreigde hij over de zwaaiende harmonica heen geblazen te worden, dan weer nam de wind ineens zó onverwacht af dat hij zich verbeten moest vastklemmen om zijn houvast te bewaren. Zich zo plat mogelijk op de harmonica drukkend en terwijl hij zich van golf naar golf werkte, bereikte hij echter veilig de derde wagon. Ook deze bleek weer betrekkelijk gemakkelijk over te steken en toen hij de voorkant bereikt had, ging hij zitten, zwaaide zijn benen op de volgende harmonica, dook in elkaar, schoot over de tussenliggende ruimte, schaafde pijnlijk zijn knie aan de dakbekleding van de tweede wagon, maar had zich tegelijkertijd stevig vast. Een paar seconden later al was hij ook bij de voorkant van deze wagen en terwijl hij zijn benen naar de harmonica trok, kreeg hij ze plotseling in het oog: de dansende, op en neer bewegende lichtkegels van de koplampen van een auto, die soms verdwenen in de dwarrelende sneeuw en dan weer tevoorschijn kwamen op een weg die niet meer dan twintig meter van de spoorbaan verwijderd evenwijdig aan de rails liep. Het gevoel van vreugde en opluchting dat eensklaps in Reynolds opwelde, verdrong alle uitputting en kou naar de achtergrond en deed hem zijn verkleumde, gevoelloze handen, die hem niet veel langer meer van dienst zouden kunnen zijn, voor een ogenblik totaal vergeten. Natuurlijk kon iedereen achter het stuur van die door de verblindende sneeuwvlagen rijdende auto zitten, doch Reynolds was er op een vreemde manier zeker van dat het de graaf moest zijn. Opnieuw dook hij in elkaar, zette zich op zijn tenen af en sprong naar het dak van de eerste wagon. Pas toen hij plat op zijn gezicht weggleed, besefte hij dat er bij deze wagen in tegenstelling met de andere geen ventilatiebekleding over het dak liep. Heel even maakte de paniek zich weer van Reynolds meester. Verwoed grabbelde hij op het met ijs bedekte, glibberige dak om zich heen en probeerde hij zich ergens aan vast te grijpen en houvast te vinden. Dan dwong hij zich kalm te blijven, want juist dat onbeheerste en in het wilde weg bewegen van zijn armen en benen was net voldoende om wat er nog resteerde aan wrijvingscoëfficiënt tussen hem en de trein nihil te maken en hem hulpeloos over de rand van het dak naar de dood te doen glijden. Wanhopig hamerde Reynolds zichzelf in dat er toch ook in deze wagon op de een of andere manier ventilatoren moesten zijn en plotseling wist hij dat hij ze ontdekt had - die kleine schoorsteentjes, elk bedekt door een soort van hoge hoed, waarvan er zich drie of vier op het dak van elke wagon bevonden: dat waren ze! Tegelijkertijd realiseerde hij zich nog iets anders: de trein maakte scherp in de wind een ronde bocht en de middelpuntvliedende kracht drukte hem langzaam, maar meedogenloos naar de rand van het dak. Op zijn buik en met zijn gezicht plat op het dak begon Reynolds weg te glijden. De punten van zijn schoenen sloegen een roffel in de bevroren sneeuw in de goot om althans voor zijn voeten steun te krijgen, doch het lukte hem niet: de sneeuw was in ijs veranderd en toen zijn schenen zich pijnlijk aan de rand van het dak stootten, wist Reynolds dat zijn pogingen tevergeefs waren geweest. En nog steeds was de trein die eindeloos lijkende bocht niet uit. Reynolds' knieën rustten nu op de rand van het dak en zijn nagels braken af toen zijn vingers zich als verstijfde klauwen in het gladde ijs trachtten te haken. Reynolds besefte dat niets hem meer zou kunnen redden en naderhand kon hij onmogelijk verklaren wat voor vreemd onbewust instinct - in het moment van de naderende dood weigerden zijn hersens namelijk te werken - hem bliksemsnel zijn mes uit de zak deed halen. Het lemmet schoot naar buiten en met kracht plantte hij het in het dak - juist toen zijn heupen over de rand lagen en hij een punt bereikt had waarvan geen terugkeer meer mogelijk was. Met gestrekte armen en gespannen tot het uiterste bleef Reynolds zich aan het mes vastklemmen. Hij wist niet hoelang. Misschien waren het maar enkele seconden geweest. Dan echter begon hij zich langzaam te realiseren dat de rails onder hem weer recht waren geworden, de middelpuntvliedende kracht hem niet langer in haar moordende greep had en hij zich weer kon bewegen, zij het dan met de grootste voorzichtigheid. Centimeter na centimeter trok hij zijn benen terug op het dak, maakte het mes los, sloeg het wat verder opnieuw in het dak en worstelde zich heel langzaam naar boven. Iets later, terwijl hij nog steeds als enig houvast het mes gebruikte, vond hij de eerste ronde ventilator en klemde hij zich eraan vast of hij haar nooit meer zou loslaten. Toch moest het, omdat hem hoogstens nog twee of drie minuten waren overgebleven. Hij móést de volgende ventilator zien te bereiken. Reynolds strekte zijn armen ernaar uit, hief het mes op en liet het met kracht in het dak neerkomen. Met een hevige, trillende schok kwam het echter op iets metaalachtigs terecht en toen hij het naar zijn ogen bracht, zag hij dat het lemmet bij het heft afgebroken was. Hij slingerde het weg, duwde zich met zijn voeten krachtig van de ventilator af, gleed over het dak en kwam onzacht met de volgende ventilator in aanraking die zich slechts minder dan twee meter van hem af bevond. Enkele seconden daarna, toen hij zich opnieuw met de voeten afgeduwd had, bereikte hij de derde ventilator, dan de vierde en op dat moment besefte hij zich plotseling dat hij niet wist hoe lang deze wagon was, of er hier nog meer ventilatoren waren of dat een volgende zet hem hulpeloos over de voorkant van de wagon zou doen glijden om daarna onder de wielen van de kolenwagen verpletterd te worden. Hij besloot het te riskeren, plaatste zijn voeten tegen de ventilator en wilde zich juist afzetten toen het hem eensklaps inviel dat hij zich maar even had op te richten om op de stookplaat van de locomotief te kunnen kijken, die waarschijnlijk genoeg gloed zou uitstralen om er de rand van de wagon tegen afgetekend te zien, want de sneeuw begon nu namelijk eindelijk ook wat minder dicht te vallen. Reynolds ging op zijn knieën zitten, klemde de ventilator stevig tussen zijn bovenbenen en zijn hart sloeg langzaam een slag over toen hij, duidelijk afgetekend tegen de rode gloed van de open vlamkast van de locomotief, de rand van de wagon nauwelijks iets meer dan een meter van zich verwijderd zag. Door de sneeuwvlagen heen ontwaarde hij op de stookplaat van de locomotief een glimp van de machinist en de stoker, welke laatste zich steeds weer omdraaiend en bukkend kolen uit de tender schepte en ze in de vlamkast smeet. Bovendien ontdekte Reynolds ook iets op de locomotief dat er niet thuis hoorde, maar dat hij er wel had kunnen verwachten - een met een karabijn gewapende soldaat die in elkaar gedoken tegen de kou vlakbij de gapende, rode muil van de vlamkast zat. Reynolds tastte naar zijn revolver. Hij had echter totaal geen gevoel meer in zijn handen en kon zelfs niet eens zijn verkleumde wijsvinger door de trekkerbeugel krijgen. Hij duwde het wapen weer terug in zijn zak, kwam vlug overeind en leunde met de ventilator nog steeds stevig tussen de benen geklemd ver voorover in de wind. Het was nu alles of niets! Hij nam een korte pas, de zool van zijn schoen vond bij de tweede stap de rand van de wagon, dan zweefde hij tussen hemel en aarde en even later rolde en gleed hij langs de brokkelige kolenhelling van de tender naar beneden en kwam hij op zijn schouder en zij, een ogenblik volkomen buiten adem, op het achterste gedeelte van de stookplaat terecht. Met een ruk draaiden de machinist, de stoker en de soldaat zich om en verbijsterd staarden ze hem aan. De stomverbaasde en ongelovige uitdrukking op hun gezichten was bijna komisch om te zien. Vijf seconden misschien gingen voorbij, vijf kostbare seconden waarin Reynolds gelegenheid kreeg gedeeltelijk weer wat op adem te komen. Toen herstelde de soldaat zich van zijn verbazing, liet zijn karabijn van de schouder glijden, zwaaide de kolf hoog in de lucht en sprong op Reynolds toe om hem neer te slaan. Reynolds pakte een brok kool - het eerste voorwerp dat binnen bereik van zijn hand kwam - en wierp het met de moed der wanhoop in de richting van de aanstormende soldaat. Zijn vingers bleken echter te verkleumd te zijn en terwijl de soldaat bukte, vloog het brok kool hoog over zijn hoofd en miste het hem volkomen. De stoker miste echter niet. Toen hij met de platte kant van zijn schop de soldaat achter op het hoofd raakte, zakte deze op de stookplaat kreunend in elkaar. Reynolds krabbelde overeind. Met zijn gescheurde kleren, zijn bloedende, wit verkleumde handen en zijn gezicht onder het kolenstof vormde hij een niet te geloven aanblik, wat hij zich op dat moment echter helemaal niet bewust was. Hij staarde naar de stoker - een flink gebouwde jongeman met krullend haar, die ondanks de snijdende kou zijn mouwen hoog had opgestroopt - en dan dwaalden zijn blikken naar de bewusteloze soldaat aan zijn voeten. „De hitte!" grinnikte de jonge stoker. „Hij werd plotseling bevangen door de hitte!" „Maar waarom. .." „Luister, maat," zei de stoker. „Ik weet niet voor wie jij bent, maar wel tegen wie ik ben!" Hij leunde op zijn schop. „Kunnen we je soms helpen?" „En hoe!" Reynolds legde hen vlug een en ander uit en de twee mannen keken elkaar even aan. „We moeten aan onszelf denken," aarzelde de oudere machinist. „Wacht even!" Reynolds knoopte zijn jas open. „Een touw! Wikkel het van me af, want zelf kan ik het niet met die bijna bevroren handen. Jullie kunnen elkaar de polsen binden. Dat zou dan…" „Natuurlijk!" De stoker grinnikte, terwijl de machinist de hefboom van de luchtrem greep. „We werden overvallen! Op zijn minst vijf, zes man! Wel thuis, maat!" Reynolds gunde zich nauwelijks tijd om de beide mannen te bedanken, die hem zo zonder meer en zonder haast aan zichzelf te denken geholpen hadden. De trein minderde op de helling snel vaart en hij moest de achterste wagon bereikt hebben eer die helemaal stil zou staan en dan iets achteruit de heuvel af zou trachten te rollen. De koppeling werd dan namelijk strak gespannen en dit zou het onmogelijk maken de veewagen af te haken. Van de onderste trede van het trapje van de locomotief sprong Reynolds op de grond, buitelde over de kop, krabbelde overeind en rende terug. Op het moment dat de bagagewagen hem langzaam passeerde, stond de trein al bijna volkomen stil. Heel even zag Reynolds een hartverwarmende glimp van Jansci die in de deuropening van de bagagewagen stond en een revolver in de hand hield die geen moment van het doel afweek. Toen de locomotief stopte, stootten en botsten de buffers van de achterste wagons rammelend tegen elkaar. Reynolds had zijn zaklantaarn aangeknipt, koppelde de wagons van elkaar en sloeg met zijn hamer de flens van de koppeling van de luchtrem los. Onderzoekend keek hij om zich heen naar een verbindende stoomslang, maar die was er niet - gevangenen hadden geen warmte nodig - en de verbinding tussen de laatste wagon en de rest van de trein was nu dus volledig verbroken. Door de kracht van het terugspringen van de samengedrukte bufferveren schoten de wagons naar achter en vlug stapte Jansci met in zijn linkerhand een bos sleutels en de nog steeds opgeheven revolver in de rechter, van de bagagewagen op de veewagen over. Reynolds zelf had juist de handgreep beet toen de bagagewagen krachtig tegen de veewagen botste en deze de aanvangssnelheid gaf om de flauw hellende heuvel af te rijden, die de trein juist beklommen had. Het wiel van de rem bevond zich buiten de wagon en ongeveer anderhalve kilometer nadat ze los van de trein waren gekomen, begon Reynolds het aan te draaien. Tegelijkertijd had Jansci eindelijk de goede sleutel gevonden. Hij schoof de deur open en liet het licht van zijn zaklantaarn naar binnen schijnen. Driekwart kilometer verder gaf Reynolds een laatste ruk aan het remwiel en bracht hij de wagon langzaam tot stilstand, waarbij hij gadegeslagen werd door een glimlachende Jansci en een Dr. Jennings die eerst volkomen versuft was geweest, het daarna niet scheen te geloven, maar zich nu gedroeg als een opgewonden schooljongen. Nauwelijks waren ze van de wagon gesprongen en begaven ze zich in westelijke richting waar de weg zich moest bevinden of ze hoorden een harde schreeuw. Dwars door de sneeuw ploeterend zagen ze een gestalte op zich afkomen. Het was de graaf en van zijn aristocratische gereserveerdheid was niets meer over. Hij juichte en schreeuwde en zwaaide als een gek met zijn armen.