15 – HET OFFER
Chichén Itzá, Meso-Amerika
5 Wayeb’ (ongeveer 20 december 555 n.Chr.)
De Verkondiger spoog Luce een snikhete zomerdag in. De grond onder haar voeten was kurkdroog en geelbruin, met verdroogde grassprieten. De lucht was strakblauw, met geen enkel wolkje dat wat regen beloofde. Zelfs de wind leek dorst te hebben.
Ze stond midden op een vlak veld dat aan drie kanten werd omgeven door een vreemde hoge muur. Van een afstandje leek het een beetje op een mozaïek gemaakt van reusachtige kralen. Ze waren onregelmatig van vorm, niet echt rond, en ze varieerden in kleur van ivoorwit naar lichtbruin. Hier en daar zaten er kieren tussen de kralen, waardoor er licht van de andere kant door viel.
Afgezien van een stuk of vijf gieren die krassend in lusteloze kringetjes rondvlogen, was er geen levend wezen te bekennen. De warme wind woei door haar haar en rook naar… Ze kon de geur niet thuisbrengen, maar de lucht smaakte metaalachtig, bijna roestig.
De zware jurk die ze al sinds het bal op Versailles droeg was drijfnat van het zweet. Elke keer dat ze ademhaalde, kreeg ze de stank van rook, as en transpiratie binnen. Die jurk moest uit. Ze wrong zich in alle mogelijke bochten om bij de veters en knopen te kunnen. Ze kon wel wat hulp gebruiken, al was het maar van een piepklein stenen handje.
Waar wás Bill eigenlijk? Hij piepte er altijd tussenuit. Luce kreeg wel eens het gevoel dat die gargouille geheel zijn eigen plan trok en dat zij naar voren geschoven werd als hem dat goed uitkwam.
Ze begon te lopen en worstelde ondertussen verder met de jurk, trok aan het groene kant rond de kraag en wipte haakjes open. Gelukkig was er niemand die haar kon zien. Op een gegeven moment zakte ze op haar knieën en wurmde ze zich eruit, waarna ze de rokken over haar hoofd heen uittrok.
Terwijl ze op haar hurken in haar dunne katoenen onderjurk zat, voelde Luce hoe verschrikkelijk uitgeput ze was. Hoe lang was het al geleden dat ze geslapen had? Ze wankelde naar de schaduw van de muur toe, waarbij haar voeten door het papierdroge gras ritselden, met de gedachte dat ze daar misschien even kon gaan liggen en haar ogen dicht kon doen.
Haar oogleden fladderden, zo’n slaap had ze.
Maar toen vlogen ze weer open. En haar huid begon te prikken.
Hoofden.
Eindelijk had Luce door waar de muur van was gemaakt. De beenkleurige omheining – die er van een afstand heel onschuldig uitzag – was gemaakt van in elkaar grijpende lagen op palen gezette mensenhoofden.
Ze wist een gil te onderdrukken. Plotseling kon ze de geur thuisbrengen die de wind met zich meevoerde – het was de stank van bederf en bloed, van rottend vlees.
Aan de onderkant van de omheining lagen in de zon gebleekte, verweerde schedels, wit uitgeslagen en schoongemaakt door de wind en de zon. De schedels aan de bovenkant zagen er jonger uit. Dat wil zeggen, het waren nog duidelijk mensenhoofden, met dikke zwarte haardossen en de huid nog grotendeels intact. Maar de schedels in het midden bevonden zich ergens tussen die van een sterveling en een monster in: de gehavende huid liet los, zodat je opgedroogd bruin bloed op het bot zag zitten. De gezichten stonden strak van wat wellicht doodsangst of razernij was geweest.
Luce wankelde achteruit. Ze hoopte op een zucht lucht die niet naar dood en bederf stonk, maar vond die niet.
‘Het is niet zo gruwelijk als het eruitziet.’
Ze draaide zich als gestoken om, doodsbang. Maar het was Bill maar.
‘Waar zat je? Waar zíjn we hier?’
‘Om je de waarheid te zeggen is het een grote eer om hier zo op een spies te worden gezet,’ zei hij, en hij beende linea recta naar de een na laagste rij. Hij keek één hoofd recht aan. ‘Al die onschuldige lammetjes gaan meteen naar de Hemel. Precies wat de gelovigen graag willen.’
‘Waarom heb je me hier achtergelaten met al die…’
‘Kom op, zeg. Ze bijten heus niet, hoor.’ Hij keek even van opzij naar haar. ‘Wat heb je met je kleren gedaan?’
Luce haalde haar schouders op. ‘Ik had het warm.’
Hij slaakte een langdurige zucht, zogenaamd levensmoe. ‘Vraag nu maar aan mij waar ik gezeten heb. En probeer dit keer eens niet meteen je oordeel klaar te hebben.’
Haar mond vertrok. Het had iets onrustigs dat Bill zo nu en dan zomaar verdween. Maar goed, hij stond nu voor haar, met zijn pootjes netjes op zijn rug, en hij glimlachte onschuldig naar haar. Ze zuchtte. ‘Goed, waar zat je?’
‘Ik ben wezen shoppen!’ Bill stak opgewekt allebei zijn vleugels uit. Aan de ene vleugelpunt hing een lichtbruin wikkelrokje en aan de andere een bijpassende korte tuniek. ‘En, klap op de vuurpijl!’ zei hij, en hij haalde achter zijn rug een bonkige witte ketting tevoorschijn. Van botjes.
Ze pakte de tuniek en het rokje van hem aan, maar weigerde de ketting. Ze had al genoeg knoken gezien. ‘Nee, dank je.’
‘Wil je je hier onopgemerkt onder de mensen begeven? Dan moet je wel dezelfde spullen dragen.’
Ze slikte haar weerzin weg en deed de ketting om. De opgepoetste stukjes bot waren op een soort draad gezet. De ketting was lang en zwaar, maar ook wel mooi – dat moest Luce toegeven.
‘En dit moet volgens mij in je haar,’ zei hij, en hij gaf haar een beschilderde metalen band.
‘Hoe kom je aan al die spullen?’ vroeg ze.
‘Ze zijn van jou. Ik bedoel, niet van jou als Lucinda Price, maar van jou in bredere kosmische zin. Ze zijn van degene die je in dit leven was: van Ix Cuat.’
‘Van Ix wie?’
‘Ix Cuat. Jouw naam in dit leven betekent “Kleine Slang”.’ Bill zag hoe haar gezicht betrok. ‘Dat was een uiting van genegenheid in de Mayacultuur. Min of meer.’
‘Net zoals het een eer was als je hoofd op een stok werd gezet?’
Bill rolde met zijn stenen ogen. ‘Doe toch niet zo etnocentrisch. Dat betekent dat je vindt dat je eigen cultuur superieur is aan andere culturen.’
‘Ik weet heus wel wat dat betekent,’ zei ze, en ze stak de band in haar vieze haar. ‘Maar ik doe helemaal niet superieur. Ik zie het gewoon niet zo zitten dat mijn hoofd op zo’n staak wordt gezet.’ Er klonk vaag geroffel, alsof er in de verte op trommels werd geslagen.
‘Dat zou Ix Cuat nou ook gezegd hebben! Je hebt altijd al een beetje achtergelopen!’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou, kijk. Jij – Ix Cuat – bent geboren tijdens de Wayeb’. Dat zijn die vijf dagen aan het eind van het Mayajaar waar iedereen altijd heel bijgelovig over doet omdat ze niet op de kalender passen. Het zijn een soort schrikkeldagen. Het getuigt bepaald niet van voorspoed als je tijdens Wayeb’ geboren wordt. Dus keek niemand er eigenlijk van op dat jij een ouwe vrijster werd.’
‘Een ouwe vrijster?’ vroeg Luce. ‘Ik dacht dat ik nooit ouder geworden was dan zeventien… min of meer.’
‘Hier in Chichén Itzá is zeventien stokoud,’ zei Bill, terwijl hij van hoofd naar hoofd zweefde, waarbij zijn vleugels een zoemend geluid maakten. ‘Maar het klopt inderdaad: vroeger werd je nooit ouder dan zeventien, of iets daaromtrent. Het is een raadsel hoe het komt dat je in het leven van Lucinda Price zo lang onder de levenden kunt blijven.’
‘Daniël zei dat dat komt doordat ik niet gedoopt ben.’ Luce wist nu zeker dat ze trommels hoorde en dat die dichterbij kwamen. ‘Maar hoezo doet dat er iets toe? Ik bedoel, ik wil wedden dat die Ix Ca of hoe ze ook mag heten wel gedoopt is…’
Bill maakte een wegwuivend handgebaar. ‘Dopen is ook maar een woord voor een sacrament of een gelofte, waarbij je ziel min of meer wordt opgeëist. Zo’n beetje elk geloof heeft iets wat daarop lijkt. Het christendom, het jodendom, de islam en zelfs de godsdienst van de Maya’s die elk moment langs kunnen marcheren’ – hij gaf een knikje in de richting van het tromgeroffel, dat nu zo luid klonk dat Luce zich afvroeg of ze zich niet beter ergens konden verstoppen – ‘hebben allemaal sacramenten waarmee ze hun toewijding aan hun god uitdrukken.’
‘Dus dat ik nu nog in Thunderbolt leef, heb ik alleen maar te danken aan het feit dat mijn ouders me niet hebben laten dopen?’
‘Nee,’ zei Bill, ‘in je huidige leven in Thunderbolt kun je gedood worden omdat je ouders je niet hebben laten dopen. Dat je nu nog leeft komt doordat… nou ja, dat weet eigenlijk niemand precies.’
Er moest een reden voor zijn geweest. Misschien kwam het door de ontsnappingsmogelijkheid waar Daniël het in het ziekenhuis in Milaan over had gehad. Maar zelfs hij leek niet te begrijpen hoe het kon dat Luce door de Verkondigers kon reizen. In elk leven dat Luce aandeed, merkte ze dat ze de puzzelstukjes van haar verleden beter in elkaar kon passen. Maar ze was er nog niet helemaal.
‘Waar is het dorp?’ vroeg ze. ‘Waar zijn de mensen? Waar is Daniël?’ Het tromgeroffel werd nu zo luid dat ze haar stem moest verheffen.
‘O,’ zei Bill, ‘die zijn aan de andere kant van de tzompantli.’
‘De wát?’
‘Deze muur van hoofden. Kom mee, dat moet je echt zien!’
Door de openingen tussen de rijen schedels flakkerden kleurflitsen. Bill loodste Luce naar het einde van de schedelmuur en gebaarde haar dat ze moest kijken.
Achter de muur paradeerde een hele beschaving langs. Een lange rij mensen die allemaal aan het dansen waren en met hun voeten op een brede aarden weg stampten die over het knekelhof liep. Ze hadden zijdeachtig zwart haar en een kastanjebruine huid. Ze varieerden in leeftijd van drie jaar tot zo oud dat hun leeftijd niet meer te raden was. Ze waren allemaal krachtig, mooi en vreemd. Ze waren schaars gekleed, met verweerde dierenhuiden die hun lichaam amper bedekten en waartegen hun tatoeages en beschilderden gezichten goed uitkwamen. Het was een heel opvallende vorm van lichaamskunst: ingewikkelde, kleurrijke afbeeldingen van vogels met felgekleurde veren, zonnen en geometrische motieven, uitgespreid over hun ruggen, armen en borstkassen.
In de verte zag ze gebouwen: een ordelijk netwerk van bouwsels van gebleekt steen en een groepje wat kleinere huizen met platte rieten daken. Daarachter lag het oerwoud, maar de bladeren aan de bomen zagen er verschrompeld en dor uit.
Het gezelschap paradeerde langs zonder oog te hebben voor Luce, want de mensen gingen helemaal op in hun bezeten dans. ‘Kom mee!’ riep Bill, en hij duwde haar de mensenstroom in.
‘Wat?’ riep ze. ‘Moet ik dáárin? Moet ik mee?’
‘Het wordt hartstikke leuk!’ lachte Bill, die voor haar uit vloog. ‘Je kunt toch dansen, of niet?’
Samen met de kleine gargouille voegde ze zich, aanvankelijk nog wat behoedzaam, bij de stoet, die op dat moment iets passeerde wat op een marktplein leek: een lange, smalle strook land die volgestouwd stond met houten vaten en schalen vol koopwaar: rimpelige zwarte avocado’s, dieprode maïskolven, bosjes gedroogde kruiden die met een touwtje bijeengebonden waren, en heel veel dingen die Luce niet herkende. Terwijl ze in de stoet meeliep keek ze naar links en naar rechts, maar even stil blijven staan was er niet bij. De menigte stuwde haar onverbiddelijk voorwaarts.
De Maya’s volgden de weg, die in een bocht naar beneden liep en op een brede, ondiepe vlakte uitkwam. Het kabaal van hun dans nam af en ze gingen rustig bij elkaar staan en mompelden onderling wat. Ze waren met wel honderden. Toen Luce bij herhaling de scherpe klauwtjes van Bill in haar schouders voelde drukken, liet ze zich op haar knieën zakken, net zoals alle andere mensen deden, en volgde ze de blik van de menigte naarboven.
Achter het marktplein zag ze één gebouw dat hoger was dan alle andere: een getrapte piramide van spierwit steen. Over het midden van allebei de twee kanten die voor Luce zichtbaar waren liep een steile trap, die beide uitkwamen bij een blauw-met-rood geschilderd bouwsel van één verdieping boven op de piramide. De rillingen liepen Luce over de rug, deels door herkenning en deels door een onverklaarbare angst.
Ze had deze piramide al eens eerder gezien. In geschiedenisboeken had ze afbeeldingen gezien van de ruïne van deze Mayatempel. Maar zover was het nu nog lang niet. Hij was echt prachtig.
Vier mannen met houten trommels die met dierenhuid waren bespannen stonden in een rij op de richel die rondom de top van de piramide liep. Hun gebruinde gezichten waren beschilderd met vegen rood, geel en blauw, zodat het net maskers leken. Ze roffelden precies in de maat op hun trommels, steeds sneller, totdat er iemand in de deuropening verscheen.
De man was langer dan de trommelaars; onder een torenhoge rood-met-witte veren hoofdtooi was zijn hele gezicht beschilderd met een netwerk van turkooizen lijnen. Zijn hals, polsen, enkels en oorlellen waren versierd met net zulke knekelsieraden als Bill aan Luce gegeven had. Hij had iets in zijn handen – een lange stok, versierd met geschilderde veren en minuscule scherfjes van iets wits. Aan het eind glinsterde iets van zilver.
Toen hij zich naar de mensen omdraaide, viel de menigte als bij toverslag stil.
‘Wie is die man?’ fluisterde Luce tegen Bill. ‘Wat doet hij?’
‘Dat is het stamhoofd, Zotz. Lekker woest, hè? Het zijn zware tijden als je volk al driehonderdvierenzestig dagen geen regen heeft gehad. Niet dat ze dat op die stenen kalender daar bijhouden of zo.’ Hij wees naar een grijze rotsplaat met honderden zwarte roetlijnen erop.
Geen druppel water, bijna een heel jaar lang? Luce voelde bijna hoe dorstig de mensen waren. ‘Ze gaan dood,’ zei ze.
‘Ze hopen van niet. Daar begint jouw taak,’ zei Bill. ‘Van jou en een paar andere arme sukkels. Daniël ook, maar die speelt maar een bescheiden rolletje. Chaat heeft nu heel erge honger, dus het wordt echt alle hens aan dek.’
‘Chaat?’
‘De regengod. De Maya’s houden er het absurde geloof op na dat een toornige god het liefst bloed drinkt. Begrijp je al waar ik naartoe wil?’
‘Mensenoffers,’ zei Luce langzaam.
‘Ja. Dit is het begin van een lange dag vol offers. Nog meer schedels voor in de muur. Spannend, toch?’
‘Waar is Lucinda? Ik bedoel: Ix Cuat?’
Bill wees naar de tempel. ‘Die zit daar opgesloten, samen met de anderen die geofferd gaan worden. Ze wachten tot het balspel is afgelopen.’
‘Het balspel?’
‘Daar komen deze mensen naar kijken. Het stamhoofd wil vóór een groot offer namelijk eerst naar een wedstrijd kijken.’ Bill kuchte en stak zijn vleugels naar achteren. ‘Het is een soort mix tussen basketbal en voetbal, maar dan met maar twee spelers per team en een bal die honderd kilo weegt. Van de verliezers wordt het hoofd afgehakt en hun bloed wordt aan Chaat gegeven.’
‘Naar het veld!’ brulde Zotz van boven aan de trap van de tempel. De Mayawoorden hadden een vreemde keelklank, maar Luce begreep ze toch. Ze vroeg zich af hoe Ix Cuat zich nu voelde, opgesloten in het vertrek achter Zotz.
Er steeg een luid gejuich op van de menigte. De Maya’s stonden als één man op en renden naar een bouwwerk toe dat eruitzag als een groot stenen amfitheater, helemaal aan de andere kant van de vlakte. Het was een langwerpig, laag bouwwerk: een bruin aarden speelveld omringd door stenen tribunes.
‘Aha, daar zul je ’m hebben!’ zei Bill toen ze bijna bij het stadion waren, en hij wees naar de kop van de menigte.
Een slanke gespierde jongen rende voor de anderen uit, met zijn rug naar Luce toe. Hij had glanzend donkerbruin haar, zijn schouders waren diepbruin en beschilderd met elkaar kruisende rood-met-zwarte banden. Toen hij zijn hoofd iets naar links draaide, ving Luce kort een glimp op van zijn profiel. Hij leek helemaal niet op de Daniël die ze in de achtertuin van haar ouders had achtergelaten. Maar toch…
‘Daniël!’ zei Luce. ‘Wat ziet hij er…’
‘Anders uit, en toch precies hetzelfde?’ vroeg Bill.
‘Ja.’
‘Je herkent zijn ziel. Hoe jullie twee er vanbuiten ook uitzien, jullie zullen elkaars ziel eeuwig en altijd herkennen.’
Het was tot dat moment niet in Luce opgekomen hoe bijzonder het eigenlijk was dat ze Daniël in elk leven weer herkende. Haar ziel vond de zijne. ‘Goh, dat is mooi.’
Bill krabde met een knoestige klauw aan een korstje op zijn arm. ‘Als jij het zegt.’
‘Je zei dat Daniël op de een of andere manier bij het offer betrokken was. Hij is een balspeler, hè?’ zei Luce, en op het moment dat Daniël het amfitheater in liep, keek ze reikhalzend naar de menigte.
‘Dat klopt,’ zei Bill. ‘Er wordt een heel mooi ceremonietje gehouden’ – hij trok een stenen wenkbrauw op – ‘waarbij de winnaars degenen die geofferd gaan worden naar hun volgende leven begeleiden.’
‘Doden de winnaars de gevangenen?’ vroeg Luce zacht.
Ze keken hoe de menigte als via een trechter het amfitheater binnen stroomde. Van binnenuit klonk tromgeroffel. De wedstrijd kon elk moment beginnen.
‘Ze doden niet. Het zijn geen gewone moordenaars. Ze gaan ze offeren. Eerst hakken ze hun hoofden af. De hoofden gaan daarnaartoe.’ Bill knikte over zijn schouder in de richting van de omheining van hoofden. ‘De lichamen worden in een ranzig – neem me niet kwalijk, een heilig – kalkstenen gat in het oerwoud gegooid.’ Hij snoof. ‘Ik zie niet in hoe je daar regen mee krijgt, maar wie ben ik?’
‘Gaat Daniël winnen of verliezen?’ vroeg Luce, maar ze had het nog niet gevraagd of ze wist het antwoord al.
‘Ik begrijp wel dat de gedachte dat Daniël je gaat onthoofden niet bepaald romantisch is,’ zei Bill, ‘maar wat is eigenlijk het verschil of hij je met vuur doodt of met een zwaard?’
‘Dat zou Daniël nooit doen.’
Bill ging voor Luce zweven. ‘O nee?’
Van binnen uit het amfitheater klonk een enorm gebrul. Luce had het gevoel dat ze het veld op moest rennen, naar Daniël toe moest gaan en hem in haar armen moest nemen; dat ze tegen hem moest zeggen waar ze in het Globe-theater de kans niet voor had gehad, namelijk dat ze nu begreep wat hij allemaal moest doorstaan om bij haar te kunnen zijn. Dat ze zich door zijn offers nog meer aan hun liefde verbonden voelde. ‘Ik moet naar hem toe,’ zei ze.
Maar Ix Cuat was er ook nog. Ze zat in een kamer boven in de piramide te wachten tot ze gedood zou worden. Een meisje dat misschien wel een heel waardevol stukje informatie bezat dat Luce nodig had om de vloek te kunnen verbreken.
Luce stond vertwijfeld te wankelen: één voet naar het amfitheater toe, de andere naar de piramide.
‘Wat wordt het?’ plaagde Bill. Hij glimlachte net even te breed.
Ze spurtte ervandoor, weg van Bill en naar de piramide toe.
‘Goede keus!’ riep hij haar na, en hij draaide zich snel om om naast haar mee te kunnen vliegen.
De piramide torende hoog boven haar uit. Het leek wel of de beschilderde tempel op de top – waar Ix Cuat volgens Bill zat – net zo ver weg was als de sterren. Luce had vreselijke dorst. Haar keel verlangde naar water; de grond schroeide haar voetzolen. Het was net alsof de hele wereld aan het verbranden was.
‘Dit is een heel heilige plek,’ mompelde Bill in haar oor. ‘Deze tempel is boven op een eerdere tempel gebouwd, en die was weer boven op een andere tempel gebouwd, en zo verder. Ze waren allemaal zo gericht dat ze de herfstnachtevening en de lentenachtevening markeerden. Op die twee dagen kun je bij zonsondergang de schaduw van een slang de noordelijke trap op zien glijden. Cool, hè?’
Luce snoof alleen maar en maakte aanstalten om de trap op te lopen.
‘De Maya’s waren geniaal. Op dit punt in hun beschaving hebben ze al voorspeld dat de wereld in 2012 vergaat.’ Hij kuchte theatraal. ‘Maar dat valt nog te bezien. De tijd zal het leren.’
Toen Luce bijna bovenaan was, dook Bill weer omlaag, dicht naar haar toe.
‘Luister goed,’ zei hij. ‘Mocht je deze keer 3D gaan…’
‘Sst,’ deed Luce.
‘Niemand kan me horen! Alleen jij!’
‘Precies. Sst!’ Ze ging nog een tree hoger de piramide op, heel stil nu, en ging bovenaan op de richel staan. Ze drukte haar lichaam tegen het warme steen van de tempelmuur, een paar centimeter van de deuropening vandaan. Binnen zong iemand.
‘Ik zou het nu doen als ik jou was,’ zei Bill, ‘nu de wachters op het wedstrijdveld zijn.’
Luce liep voetje voor voetje naar de deuropening en gluurde naar binnen.
Het zonlicht stroomde door de opening naar binnen en verlichtte een grote troon midden in de tempel. Die had de vorm van een jachtluipaard en was rood geschilderd, met vlekken van ingelegde jade. Links ervan stond een groot beeld van een op zijn zij liggende figuur met een hand tegen de buik. Rondom het beeld stonden stenen olielampjes die een flakkerend licht wierpen. De enige aanwezigen in het vertrek waren drie meisjes van wie de polsen met touw aan elkaar gebonden waren en die in een hoek in elkaar gedoken zaten.
Luce slaakte een kreetje, en de hoofden van alle drie de meisjes schoten omhoog. Ze waren allemaal knap, droegen hun donkere haar in vlechten en hadden knopjes van jade in hun oren. Het meest linkse meisje had de donkerste huid. De armen van het meisje rechts waren beschilderd met donkerblauwe kronkellijnen. En het meisje in het midden… was Luce.
Ix Cuat was klein en fijntjes. Ze had vieze voeten en haar lippen waren gebarsten. Van de drie doodsbange meisjes had zij de meest verwilderde blik in haar donkere ogen.
‘Waar wacht je nog op?’ riep Bill haar toe vanaf zijn zitplaats op het hoofd van het standbeeld.
‘Zien ze me dan niet?’ fluisterde Luce met opeengeklemde kaken. De andere keren dat ze zich aan een vorige ik had aangehecht, was diegene alleen geweest of had Bill geholpen haar af te schermen. Hoe zou het er voor de andere meisjes uitzien als Luce het lichaam van Ix Cuat binnen ging?
‘Deze meisjes zijn sinds ze uitgekozen zijn om geofferd te worden niet meer goed bij hun verstand. Hoeveel mensen denk je dat er in het geweer zullen komen als zij gaan schreeuwen omdat er iets engs gebeurt?’ Bill deed net alsof hij die mensen op zijn vingers natelde. ‘Inderdaad. Nul. Er is zelfs niemand die ze hoort.’
‘Wie ben jij?’ vroeg een van de meisjes. Haar stem versplinterde van de angst.
Luce kon geen antwoord geven. Toen ze naar voren kwam, ontvlamden Ix Cuats ogen puur van de angst. Maar net toen Luce zich bukte, stak haar vorige ik tot haar grote schrik haar geknevelde handen omhoog en greep ze Luce snel en stevig beet. De handen van Ix Cuat waren warm en zacht, en ze beefden.
Ze zei iets. Ix Cuat zei…
Vlieg met me weg.
Luce hoorde het in gedachten, terwijl de grond onder hen begon te schudden en alles begon te flakkeren. Ze zag Ix Cuat, het meisje dat onder zo’n ongelukkig gesternte geboren was. Luce zag in haar ogen dat ze niets over de Verkondigers wist, maar ze had Luce wel vastgepakt alsof Luce haar kon redden. En ze zag zichzelf, als van een afstandje, moe, hongerig, haveloos en onverzorgd. En op de een of andere manier ook ouder. En sterker.
Toen kwam de wereld weer tot rust.
Bill was van het hoofd van het standbeeld verdwenen, maar het lukte Luce niet om in beweging te komen om hem te zoeken. Haar geknevelde polsen deden pijn en er waren zwarte offertatoeages op aangebracht. Ze realiseerde zich dat haar enkels ook vastgebonden waren. Niet dat die touwen er veel toe deden; angst knevelde haar ziel veel steviger dan welk touw ooit zou kunnen. Het was heel anders dan de andere keren dat Luce haar verleden binnen was gegaan. Ix Cuat wist precies wat haar te wachten stond. De dood. En daar keek ze zo te merken niet naar uit, zoals Lys in Versailles wel had gedaan.
De medegevangenen aan weerskanten van Ix Cuat waren iets van haar af gaan zitten, maar verder dan een paar centimeter kwamen ze niet. Het meisje links, met de donkere huid – Hanhau – huilde; het andere, met het blauwbeschilderde lichaam – Ghanan – bad. Ze waren allemaal bang om dood te gaan.
‘Je bent bezeten!’ snikte Hanhau. ‘Je gaat het offer bezoedelen!’
Ghanan wist niet wat ze moest zeggen.
Luce sloeg geen acht op de meisjes en tastte de verlammende angst van Ix Cuat zelf af. Er ging iets door haar hoofd: een gebed. Maar geen gebed om zich voor te bereiden op het offer. Nee, Ix Cuat bad voor Daniël.
Luce wist dat haar huid rood aanliep en dat haar hart sneller ging slaan als ze aan hem dacht. Ix Cuat had haar hele leven al van hem gehouden, maar alleen van een afstand. Hij was een eindje verderop van het ouderlijk huis van Ix Cuat opgegroeid. Soms ruilde hij op de markt avocado’s met haar moeder. Ix Cuat probeerde al jaren genoeg moed te verzamelen om eens een praatje met hem te maken. Ze leed vreselijk onder de gedachte dat hij nu op het wedstrijdterrein was. Luce begreep dat Ix Cuat bad dat hij zou verliezen. Het enige waarvoor zij bad was dat ze niet door zijn hand zou sterven.
‘Bill?’ fluisterde Luce.
De kleine gargouille vloog snel de tempel weer in. ‘De wedstrijd is afgelopen! De menigte is nu op weg naar de cenote. Dat is de kalkstenen poel waar het offer zal plaatsvinden. Zotz en de winnaars zijn onderweg hiernaartoe om de meisjes naar de ceremonie te brengen.’
Het lawaai van de menigte stierf weg en Luce beefde. Ze hoorde voetstappen op de trap. Daniël kon nu elk moment door die deur binnenkomen.
Drie schaduwen verduisterden de deuropening. Zotz, de leider met de rood-met-witte verentooi, liep de tempel binnen. De meisjes verroerden zich niet. Ze keken vol afgrijzen naar de lange versierde speer die hij in zijn hand hield. Bovenop zat een mensenhoofd. De ogen stonden open en keken scheel van de spanning; uit de nek droop nog bloed.
Luce wendde haar blik af en toen zag ze een andere, heel gespierde man de tempel binnenkomen. Hij droeg ook een beschilderde speer, ook weer met een hoofd erop gespietst. Van dit hoofd waren de ogen gelukkig dicht. Er speelde een heel flauw glimlachje om de dikke dode lippen.
‘De verliezers,’ zei Bill, en hij vloog dicht naar de hoofden toe om ze goed te kunnen bekijken.
‘Nu ben je zeker blij dat Daniëls team gewonnen heeft, hè? En dat is grotendeels aan deze gast hier te danken.’ Hij sloeg de gespierde man op de schouder, al leek Daniëls teamgenoot er niets van te merken. Toen was Bill weer verdwenen.
Toen Daniël eindelijk de tempel binnen liep, liet hij zijn hoofd hangen. Hij had niets in zijn handen en zijn borst was ontbloot. Zijn haar en huid waren donker, en zijn houding was strammer dan Luce van hem gewend was. Alles aan hem was anders, van de manier waarop zijn buikspieren overgingen in zijn borstspieren tot de manier waarop hij zijn handen levenloos langs zijn lichaam liet hangen. Hij was nog steeds beeldschoon, nog steeds het mooiste wat Luce ooit had gezien, al leek hij in niets meer op de jongen die Luce van vroeger kende.
Maar toen keek hij op en in zijn ogen gloeide precies dezelfde kleur paarsblauw als altijd.
‘O,’ zei ze zacht, worstelend tegen haar touwen, met maar één groot verlangen, en dat was om uit het verhaal te kunnen ontsnappen waarin ze tijdens dit leven gevangenzat – de doodshoofden, de droogte en het offer – en om voor eeuwig en altijd bij hem te kunnen blijven.
Daniël schudde even zijn hoofd. Zijn ogen keken haar gloeiend en pulserend aan. Ze kalmeerde onder zijn blik. Het was net alsof hij tegen haar zei dat ze zich geen zorgen moest maken.
Zotz gaf de drie meisjes met zijn vrije hand te kennen dat ze moesten opstaan. Toen knikte hij snel en vervolgens liep iedereen door de deur aan de noordkant achter elkaar de tempel uit. Hanhau voorop, met Zotz naast zich, Luce achter haar, en Ghanan achteraan. Het touw tussen hen was net zo lang dat elk meisje haar polsen opzij van haar lichaam tegen elkaar kon houden. Daniël kwam naast haar lopen en de andere overwinnaar liep naast Ghanan.
Heel even kwamen Daniëls vingertoppen langs haar geknevelde polsen. Ix Cuat voelde het tintelen.
Vlak achter de deur van de tempel zaten vier trommelaars op de richel te wachten. Ze sloten zich bij de stoet aan en terwijl het gezelschap de steile trap van de piramide afdaalde, lieten ze hetzelfde hectische geroffel horen dat Luce gehoord had toen ze net in dit leven was aangekomen. Luce concentreerde zich op de stappen die ze moest zetten. Ze had het gevoel alsof ze op een golf meedreef in plaats van welbewust de ene voet voor de andere te zetten, de piramide af, en toen, onder aan de trap, het brede stoffige pad over dat naar haar dood leidde.
Ze hoorde niets anders dan het tromgeroffel, maar toen boog Daniël zich naar haar toe en fluisterde: ‘Ik ga je redden.’
Diep binnen in Ix Cuat sprong haar hart op. Dit was de eerste keer dat hij in dit leven iets tegen haar had gezegd.
‘Maar hoe dan?’ fluisterde ze terug, terwijl ze zich naar hem toe boog. Ze wilde niets liever dan dat hij haar bevrijdde en met haar wegvloog, hier ver vandaan.
‘Maak je maar geen zorgen.’ Zijn vingertoppen vonden weer de hare en streken daar heel zacht langs. ‘Ik zorg voor je, dat beloof ik.’
De tranen prikten in haar ogen. De grond brandde nog steeds onder haar voetzolen en ze liep nog steeds naar de plek waar Ix Cuat de dood zou moeten vinden, maar voor het eerst sinds Luce in dit leven was aangekomen, was ze niet bang.
Het pad voerde tussen een rij bomen door het oerwoud in. De trommelaars staakten hun geroffel. Ze hoorde gezang, het gezang van de menigte die zich dieper in het oerwoud bevond, bij de cenote. Het was een lied dat Ix Cuat tijdens haar jeugd ook had geleerd, een gebed voor regen. De twee andere meisjes zongen met bevende stem zachtjes mee.
Luce dacht aan de woorden die ze Ix Cuat had horen zeggen toen Luce haar lichaam binnen was gegaan: Vlieg met me weg, had ze in haar hoofd geschreeuwd. Vlieg met me weg.
Plotseling bleef iedereen stilstaan.
Diep in het uitgedroogde, dorstige oerwoud kwam het pad vóór hen uit op een open plek. Luce zag een reusachtige met water gevulde krater in het kalksteen van wel dertig meter breed. Eromheen de heldere, gretige ogen van de Maya’s. Honderden Maya’s. Ze hadden hun gezang gestaakt. Het moment waarop zij hadden gewacht was aangebroken.
De cenote was een bemoste kalkstenen kuil, diep en gevuld met heldergroen water. Ix Cuat was hier al eerder geweest; ze had al twaalf keer meegemaakt dat hier een mens werd geofferd. Onder dat stilstaande water lagen de ontbindende resten van wel honderd lichamen; honderd lichamen waarvan de zielen naar verluidt linea recta naar de Hemel waren gegaan, alleen wist Luce op dat moment dat Ix Cuat ernstig twijfelde of ze daar nog wel in moest geloven.
De familie van Ix Cuat stond vlak langs de rand van de cenote. Haar moeder, haar vader, haar twee jongere zusjes, die allebei een baby in hun armen hielden. Zij geloofden in het ritueel, in het offer dat hun hun dochter en zus zou ontnemen en dat hun hart zou breken. Ze hielden van haar, maar ze dachten dat ze onder een slecht gesternte was geboren. Ze dachten dat dit voor haar de beste manier was om verlost te worden.
Een man met een spleetje tussen zijn tanden en met lange gouden oorhangers in leidde Ix Cuat en de andere twee meisjes naar voren en liet ze plaatsnemen voor Zotz, die een prominente plek vlak bij de rand van de kalkstenen poel had ingenomen. Hij tuurde omlaag in het diepe water. Toen sloot hij zijn ogen en zette een nieuw gezang in. De gemeenschap en de trommelaars zongen mee.
Nu ging de man met het spleetje tussen zijn tanden tussen Luce en Ghanan in staan en liet zijn bijl neerdalen op het touw waarmee ze aan elkaar vastgebonden waren. Luce voelde een voorwaartse schok en toen was het touw los. Haar polsen zaten nog vastgebonden, maar ze zat nu alleen nog aan Hanhau vast, rechts van haar. Ghanan was helemaal los en liep vlak voor Zotz naar voren.
Het meisje wiegde heen en weer en zong heel zacht mee. Haar nek droop van het zweet.
Toen Zotz het gebed tot de regengod begon op te zeggen, boog Daniël zich naar Luce toe. ‘Niet kijken.’
Dus klonk Luce haar blik aan Daniël vast, en hij zijn blik aan haar. Rondom de cenote hield het publiek zijn adem in. Daniëls teamgenoot kreunde en liet de bijl hard op de nek van het meisje neerdalen. Luce hoorde het blad er zo doorheen klieven, en toen hoorde ze de zachte dreun waarmee Ghanans hoofd op de aarde belandde.
Het publiek begon weer te brullen: kreten van dank aan Ghanan, gebeden voor haar ziel in de Hemel, vurige verzoeken om regen.
Dachten die mensen nou echt dat hun problemen uit de wereld geholpen waren als ze een onschuldig meisje hadden gedood? Op zo’n moment diende Bill zich meestal wel aan, maar nu zag Luce hem nergens. Hij had er een handje van om de benen te nemen als Daniël ten tonele verscheen.
Luce wilde niet zien wat er van Ghanans hoofd overgebleven was. Toen hoorde ze een diepe, galmende plons, en wist ze dat het lichaam van het meisje zijn laatste rustplaats had gevonden.
De man met het spleetje tussen zijn tanden kwam op haar af. Dit keer sneed hij de touwen los waarmee Ix Cuat aan Hanhau vastzat. Luce moest voor het stamhoofd uit lopen. Ze beefde. De rotsen sneden in haar voeten. Ze tuurde over de kalkstenen rand de cenote in. Ze was bang dat ze moest overgeven, maar toen kwam Daniël naast haar staan en voelde ze zich een stuk beter. Hij gaf haar met een knikje te verstaan dat ze naar Zotz moest kijken.
Het stamhoofd keek haar stralend aan, zodat ze de twee topazen zag die in zijn voortanden zaten. Hij sprak op monotone toon een gebed uit, waarin hij Chaat vroeg haar te aanvaarden en de gemeenschap vele maanden voedzame regen te schenken.
Nee, dacht Luce. Dit deugde niet. Vlieg met me weg, riep ze in gedachten tegen Daniël. Hij draaide zich naar haar om, bijna alsof hij haar had verstaan.
De man met het spleetje tussen zijn tanden veegde met een stuk dierenhuid het bloed van Ghanan van de bijl. Met nadrukkelijk vertoon overhandigde hij de bijl aan Daniël, die zich omdraaide, zodat hij Luce recht aankeek. Daniël zag er vermoeid uit, alsof het gewicht van de bijl hem terneerdrukte. Zijn lippen stonden strak en waren wit, en zijn paarsblauwe ogen lieten de hare geen moment los.
De menigte was doodstil en hield de adem in. De bijl glinsterde in de zon en de bomen ruisten in de warme wind. Luce voelde dat het einde naderde, maar waarom? Waarom had haar ziel haar hiernaartoe gebracht? Welk inzicht in haar verleden of in de vloek zou het haar in hemelsnaam opleveren als haar hoofd werd afgehakt?
Toen liet Daniël de bijl op de grond vallen.
‘Wat doe je nou?’ vroeg Luce.
Daniël reageerde niet. Hij rolde zijn schouders naar achteren, hief zijn gezicht omhoog naar de lucht en stak zijn armen uit. Zotz deed een stap naar voren om in te grijpen, maar toen hij Daniëls schouder aanraakte, gilde hij het uit en deinsde hij terug alsof hij zich gebrand had.
En toen…
Daniëls witte vleugels ontvouwden zich uit zijn schouders. Ze strekten zich helemaal naar weerszijden uit, heel groot en schrikbarend hel afgetekend tegen het kurkdroge bruine landschap, met tot gevolg dat wel twintig Maya’s achteroverbuitelden.
Rond de cenote klonk geschreeuw.
‘Wie is hij?’
‘Die jongen heeft vleugels!’
‘Hij is een god! Chaat heeft hem ons gestuurd!’
Luce rukte aan de touwen om haar enkels en polsen. Ze móést naar Daniël toe rennen. Ze probeerde zijn kant op te komen, totdat…
Totdat ze zich niet meer kon bewegen.
Daniëls vleugels waren zo oogverblindend wit dat je er bijna niet naar kon kijken. Alleen waren het nu niet alleen Daniëls vleugels die zo oplichtten. Hij was het… helemaal. Zijn hele lichaam gaf licht. Alsof hij de zon had ingeslikt.
Plotseling klonk er muziek. Nee, geen muziek, maar één enkel harmonisch akkoord. Het was oorverdovend, er kwam geen einde aan, het was prachtig en angstaanjagend tegelijk.
Luce had dat geluid al eens eerder gehoord… ergens. Op de begraafplaats van Zwaard & Kruis, de laatste avond dat ze daar was geweest, de avond waarop Daniël met Cam had gevochten en Luce niet had mogen toekijken. De avond waarop juffrouw Sophia haar had meegesleurd, waarop Penn was doodgegaan en waarna het nooit meer hetzelfde was geworden. Die avond was met precies dat akkoord begonnen, en dat kwam uit Daniël. Hij straalde zo veel licht uit dat zijn lichaam er zelfs van begon te gonzen.
Ze zwaaide heen en weer op haar benen en kon haar ogen niet van hem afhouden. Een hevige hittegolf streek over haar huid.
Achter Luce slaakte iemand een gil. Deze werd gevolgd door nog een gil, en nog een, tot er een heel koor van stemmen klonk.
Er brandde iets. Het rook zuur, haar adem verstikte en haar maag kwam onmiddellijk in opstand. Toen zag ze in de hoek van haar gezichtsveld een explosie van vlammen, precies op de plek waar zojuist Zotz nog had gestaan. De klap was zo hard dat ze ervan naar achteren sloeg. Ze wendde zich van de helle gloed van Daniël af en moest hoesten van de zwarte as en de bittere rook.
Hanhau was weg en de grond waar ze had gestaan was zwartgeblakerd. De man met het spleetje tussen zijn tanden hield zijn handen voor zijn gezicht en deed zijn best om niet naar Daniëls stralen te kijken. Maar er viel geen weerstand aan te bieden. Luce zag hoe de man tussen zijn vingers door gluurde en toen in een zuil van vlammen opging.
Overal rond de cenote stonden de Maya’s Daniël aan te staren. Eén voor één gingen ze door zijn helle schittering in vlammen op. Even later lichtte een felle kring van vuur het oerwoud op, waarbij iedereen in brand stond, behalve Luce.
‘Ix Cuat!’ riep Daniël en hij stak zijn armen naar haar uit.
Zijn gloed was zo hel dat Luce het uitschreeuwde van de pijn, maar op het moment dat ze voelde dat ze bijna stikte, hoorde ze zichzelf zeggen: ‘Wat ben je prachtig.’
‘Niet naar me kijken,’ smeekte hij. ‘Als een sterveling de ware aard van een engel ziet, dan… nou, je ziet wat er met de anderen is gebeurd. Ik wil niet dat je al weer zo snel bij me weggaat. Je gaat altijd zo snel…’
‘Maar ik ben er nog,’ zei Luce met klem.
‘Je bent er nog…’ Hij huilde. ‘Kun je me zien? Mijn ware ik?’
‘Ik kan je zien.’
En gedurende een fractie van een seconde was dat ook zo. Haar zicht klaarde op. Hij straalde nog steeds heel hevig, maar niet meer zo dat je erdoor verblind raakte. Ze kon zijn ziel zien. Die was witheet en smetteloos schoon, en hij zag eruit als – en dit kon ze niet op een andere manier zeggen – als Daniël. Ze had het gevoel dat ze thuisgekomen was. Luce voelde dat er een ongekende vreugde door haar heen stroomde. Ergens in haar achterhoofd ging er een belletje van herkenning af. Ze had hem al eens eerder zo gezien.
Toch?
Terwijl ze probeerde zich uit alle macht te concentreren op het verleden dat ze niet echt kon aanraken, voelde ze dat het licht dat van hem afstraalde haar te machtig werd.
‘Nee!’ schreeuwde ze uit, en ze voelde hoe het vuur haar hart verschroeide en haar lichaam van iets losschudde.
‘En?’ Bills krassende stem schuurde over haar trommelvliezen.
Ze lag op een koude stenen plaat. Ze was weer in zo’n Verkondigersgrot, gevangen in een ijskoud tussenoord, waar je je aan niets erbuiten kon vastklampen. Ze probeerde zich wanhopig voor te stellen hoe Daniël er daarbuiten uit had gezien – de pracht van zijn onverbloemde ziel – maar dat lukte haar niet. Hij ontglipte haar al. Was het allemaal eigenlijk wel echt gebeurd?
Luce deed haar ogen dicht en probeerde zich precies te herinneren hoe hij eruit had gezien. Het was met geen pen te beschrijven. Ze had alleen maar een ongelooflijk vreugdevolle band met hem gevoeld.
‘Ik heb hem gezien.’
‘Wie? Daniël? Ja, die heb ik ook gezien. Hij was die jongen die de bijl liet vallen toen hij aan de beurt was om een hoofd af te hakken. Een grote vergissing. Een heel grote vergissing.’
‘Nee, ik heb hem echt gezien. Zoals hij in werkelijkheid is.’ Haar stem beefde. ‘Hij was heel erg mooi.’
‘O, bedoel je dat.’ Bill gooide geërgerd zijn hoofd in zijn nek.
‘Ik herkende hem. Ik heb hem volgens mij al eens eerder gezien.’
‘Ik durf het te betwijfelen.’ Bill hoestte. ‘Dat was de eerste en meteen de laatste keer dat je hem zo zult kunnen zien. Je hebt hem gezien en toen ben je doodgegaan. Dat is nu eenmaal wat er gebeurt als een sterveling een engel in al zijn tomeloze pracht aanschouwt. Dan sterf je ter plekke. Verbrand door de schoonheid van de engel.’
‘Nee, zo ging het helemaal niet.’
‘Je hebt gezien wat er met alle anderen is gebeurd. Poef. Weg.’ Bill liet zich naast haar neervallen en klopte haar op haar knie. ‘Waarom denk je dat de Maya’s daarna vuuroffers zijn gaan brengen? Een naburige stam heeft de verschroeide resten ontdekt en moest die op de een of andere manier verklaren.’
‘Ja, ze zijn onmiddellijk in vlammen opgegaan. Maar ik ben iets langer blijven leven…’
‘Een paar seconden langer? Toen ze je omdraaiden? Nou, gefeliciteerd.’
‘Je vergist je. En ik weet dat ik het al eerder heb gezien.’
‘Je hebt zijn vleugels misschien al eens eerder gezien. Maar dat Daniël zijn menselijke lichaam aflegt en zich in zijn ware gedaante als engel aan je toont? Dat betekent voor jou elke keer weer de dood.’
‘Nee.’ Luce schudde haar hoofd. ‘Wil je beweren dat hij zich nooit aan mij kan laten zien zoals hij echt is?’
Bill haalde zijn schouders op. ‘Niet zonder jou en iedereen om je heen te laten verdampen. Waarom denk je dat Daniël voortdurend zo voorzichtig is met jou kussen? Als jullie lekker bezig zijn geeft hij echt een oogverblindende schittering af.’
Luce had het gevoel dat ze zichzelf amper overeind kon houden. ‘Is dat de reden waarom ik soms doodga als we elkaar kussen?’
‘Nou, mensen, deze dame heeft wel een applausje verdiend, dacht ik zo,’ zei Bill sarcastisch.
‘En al die andere keren dan, waarop ik doodga vóórdat we elkaar kussen, vóórdat…’
‘Voordat je zelfs maar de kans hebt gehad om te zien hoe dodelijk jullie relatie kan worden?’
‘Hou je mond.’
‘Doe me een lol zeg, hoe vaak moet jij hetzelfde verhaal voor je neus zien afspelen voordat het tot je doordringt dat er nooit iets zal veranderen?’
‘Er is wel degelijk iets veranderd,’ zei Luce. ‘Dat is de reden waarom ik deze reis maak, dat is de reden waarom ik nog in leven ben. Als ik hem alleen maar weer kon zien – in zijn volle glorie – dan zou ik wel weten hoe ik het moest aanpakken.’
‘Je snapt het niet.’ Bill sprak met stemverheffing. ‘Je praat er in wel heel sterfelijke bewoordingen over.’ Naarmate hij zich meer opwond, sproeide zijn speeksel in het rond. ‘Dit is het grote moment, en het is wel duidelijk dat je helemaal niet weet hoe je het moet aanpakken!’
‘Waarom ben je plotseling zo boos?’
‘Dáárom! Dáárom!’ Hij beende knarsetandend heen en weer over de richel. ‘Moet je goed luisteren: Daniël heeft zich deze ene keer vergist en heeft zich laten zien, maar dat doet hij niet nog een keer. Dat doet hij nooit meer. Hij heeft zijn les geleerd. Nu moet jij ook een les leren: als stervelingen een engel in zijn ware gedaante zien gaan ze dood.’
Luce draaide zich van hem weg; ze begon zelf ook steeds bozer te worden. Misschien was Daniël na dit leven in Chichén Itzá wel veranderd, misschien was hij in de toekomst behoedzamer geworden. Maar hoe zat het met het verleden?
Ze liep naar de rand van de richel in de Verkondiger en keek omhoog het reusachtige, gapende zwarte gat in dat naar boven toe uitmondde in een haar onbekende duisternis.
Bill zweefde boven haar en vloog om haar hoofd heen alsof hij erin probeerde te komen. ‘Ik weet wat je denkt, en er staat je alleen maar een teleurstelling te wachten.’ Hij kwam dicht naar haar oor toe en fluisterde: ‘Of iets wat nog erger is.’
Ze liet zich door niets tegenhouden. Als er een nog eerdere Daniël bestond die zich ook durfde te tonen, dan moest en zou Luce hem vinden.