5 – VAN HET RECHTE PAD

 

 

Helston, Engeland

18 juni 1854

 

Luce slingerde in de Verkondiger omhoog als een auto die keihard wegscheurde.

Ze hotste en klotste tegen de schimmige zijkanten en had het gevoel alsof ze door een afvalkoker werd gegooid. Ze wist niet waar ze naartoe ging of wat ze bij aankomst zou aantreffen; ze wist alleen maar dat deze Verkondiger krapper en minder plooibaar leek dan de vorige en dat er een vochtige, striemende wind doorheen woei die haar steeds dieper de donkere tunnel in dreef.

Haar keel was droog en haar lichaam moe, want ze had in het ziekenhuis niet veel geslapen. Bij elke bocht voelde ze zich meer verlaten en begon ze steeds onzekerder worden.

Wat deed ze in deze Verkondiger?

Ze sloot haar ogen en probeerde haar hoofd te vullen met gedachten aan Daniël: aan zijn krachtige handen, aan de vurige doordringende blik van zijn ogen, aan hoe zijn hele gezicht veranderde zodra zij een kamer binnenkwam. Aan het zachte prettige gevoel als hij zijn vleugels om haar heen sloeg en ze hoog de lucht in vlogen, ver weg van de wereld met al zijn zorgen.

Wat stom van haar dat ze was gevlucht! Die avond in haar achtertuin had het haar heel verstandig geleken om door de Verkondiger te stappen – het enige verstandige zelfs. Maar waaróm? Waarom had ze dat gedaan? Door wat voor stom idee had haar dat een slimme zet geleken? En nu was ze ver weg van Daniël, ver weg van iedereen om wie ze gaf, ver weg van wie dan ook. En het was allemaal haar eigen schuld.

‘Stomkop die je bent!’ riep ze in het donker.

‘Nou zeg,’ klonk een stem. De stem was schor en bot en leek van vlak achter haar te komen. ‘Beledigen is nergens voor nodig!’

Luce verstijfde helemaal. Er kon toch niet nog iemand hier in het pikkedonker van haar Verkondiger zijn? Of wel? Ze verbeeldde zich vast dat ze dingen hoorde. Ze begon nog sneller te rennen.

‘Rustig aan een beetje, ja?’

Ze hield haar adem in. Ze wist niet wie het was, maar diegene klonk helemaal niet verwrongen of uit de verte, als iemand die dóór de schaduw heen sprak. Nee, er was hierbínnen iemand. Hier bij haar.

‘Hallo?’ riep ze, en ze slikte moeizaam.

Geen reactie.

De gierende wind in de Verkondiger werd luider en jammerde in haar oren. Ze liep in het donker struikelend naar voren, steeds banger nu, tot het kabaal van de langsgierende wind eindelijk wegstierf en werd vervangen door een ander geluid – een statisch gebulder. Een beetje als golven die in de verte breken.

Nee, het geluid was te aanhoudend om van golven afkomstig te zijn, meende Luce. Een waterval dan.

‘Ik zei: rustig aan een beetje.’

Luce kromp in elkaar. De stem was terug. Op een paar centimeter van haar oor, en hij hield gelijke tred met haar looppas. Dit keer klonk de stem geïrriteerd.

‘Als je zo heen en weer blijft vliegen leer je nooit wat.’

‘Wie ben jij? Wat moet je van me?’ riep ze. ‘Au!’

Ze kwam met haar wang tegen iets kouds en hards. Het gebulder van een waterval vulde haar oren, zo dichtbij dat ze koele druppels waternevel op haar huid kon voelen. ‘Waar ben ik?’

‘Je bent hier. Je bent… in Pauze. Is het ooit in je opgekomen om even te blijven staan om aan de pioenen te ruiken?’

‘Je bedoelt de rozen.’ Luce tastte om zich heen in het donker en rook een sterke mineraalgeur die niet onprettig of onbekend was, maar alleen verwarrend. Op dat moment realiseerde ze zich dat ze nog niet uit de Verkondiger was gestapt en niet midden in weer een leven stond, en dat dat dus alleen maar kon betekenen dat…

…ze er nog in zat.

Het was heel donker, maar haar ogen begonnen eraan te wennen. De Verkondiger had de vorm van een soort kleine grot aangenomen. Achter haar bevond zich een muur die van hetzelfde koele steen was gemaakt als de vloer, met een uitsparing erin uitgehouwen waar een stroompje water in neerdrupte. De waterval die ze had gehoord bevond zich ergens boven haar.

En onder haar? Een stenen richel van een meter of drie – en daarna niks. En daarachter zwart.

‘Ik had geen idee dat dit kon,’ fluisterde Luce tegen zichzelf.

‘Wat?’ vroeg de hese stem.

‘Stóppen in een Verkondiger,’ zei ze. Ze had niet met hem gesproken en ze kon hem nog steeds niet zien, en het feit dat ze nu hier verzeild was geraakt – waar dat ook mocht zijn – met hem – wie hij ook mocht zijn – was zonder meer reden tot paniek. Maar ze was nog steeds verbaasd over haar omgeving. ‘Ik wist niet dat zo’n plek bestond. Een tussenplek.’

Een slijmachtig snuivend geluid. ‘Je kunt een heel boek volschrijven met alle dingen die jij niet weet, dame. Trouwens, ik denk dat iemand dat al geschreven heeft. Maar dat is hier noch daar.’ Een reutelende kuch. ‘En ik bedoelde wel pioenen, trouwens.’

‘Wie ben jij?’ Luce ging zitten en leunde tegen de muur. Ze hoopte dat degene van wie de stem was niet kon zien dat haar benen trilden.

‘Wie? Ik?’ vroeg hij. ‘Ik ben gewoon… ik. Ik ben hier vaak.’

‘Aha… En wat doe je zoal?’

‘O, je weet wel, een beetje hangen.’ Hij schraapte zijn keel, en dat klonk alsof iemand met stenen gorgelde. ‘Het bevalt me hier wel. Lekker rustig. In sommige Verkondigers kan het zo’n beestenbende zijn. Maar niet in die van jou, Luce. Nog niet, in elk geval.’

‘Ik ben in de war.’ En dat niet alleen, want Luce was ook bang. Was het eigenlijk wel verstandig dat ze met deze onbekende sprak? Hoe wist hij hoe ze heette?

‘Voor het grootste deel van de tijd ben ik gewoon een doorsnee terloopse toeschouwer, maar soms luister ik of ik reizigers hoor.’ Zijn stem kwam dichterbij, en dat bezorgde Luce de rillingen. ‘Zoals jij. Kijk, ik loop al een tijdje mee, en soms hebben reizigers een beetje advies nodig. Ben je al boven bij de waterval geweest? Heel fraai. Een topper onder de watervallen.’

Luce schudde haar hoofd. ‘Maar zei je nou dat dit míjn Verkondiger is? Een boodschap uit míjn verleden? Dus waarom ben jíj dan hier…’

‘O! Sorry hoor!’ De stem werd luider en klonk verontwaardigd. ‘Maar als ik even een vraag mag stellen: als de kanalen naar je verleden zo bijzonder zijn, waarom laat je je Verkondigers dan wagenwijd openstaan, zodat de hele wereld gewoon naar binnen kan springen? Hè? Waarom heb je ze dan niet gewoon op slot gedaan?’

‘Ik wist niet… eh…’ Luce had geen idee dat ze iets wagenwijd open had laten staan. En ook geen idee dat je Verkondigers op slot kon doen.

Ze hoorde een zachte zoef, alsof kleren of schoenen in een koffer werden gegooid, maar ze zag nog steeds niets. ‘Ik merk dat ik niet meer welkom ben. Ik zal je niet langer ophouden.’ De stem klonk plotseling verstikt. En toen klonk het zacht, van een afstandje: ‘Tot ziens.’

De stem verdween in het duister. Het was weer bijna stil in de Verkondiger. Alleen het zachte ruisen van de waterval boven haar. Alleen het wanhopige kloppen van Luce’ hart.

Heel even was ze niet alleen geweest. Met die stem daar was ze zenuwachtig, gealarmeerd en gespannen geweest… maar niet alleen.

‘Wacht!’ riep ze, en ze kwam overeind.

‘Ja?’ De stem stond meteen weer naast haar.

‘Het was niet mijn bedoeling je eruit te zetten,’ zei ze. Om de een of andere reden was ze er nog niet aan toe dat de stem zomaar verdween. Er was iets mee. Hij kende haar. Hij had haar bij haar naam genoemd. ‘Ik wilde alleen weten wie je was.’

‘O, gut,’ zei hij, een beetje giechelig. ‘Zeg maar Bill.’

‘Bill,’ zei ze hem na, en ze kneep haar ogen tot spleetjes om meer te kunnen zien dan alleen de vage grotmuren om haar heen. ‘Ben je zichtbaar?’

‘Soms. Niet altijd. Het hoeft in elk geval niet. Hoezo? Zou je me liever wel kunnen zien?’

‘Dat zou de situatie een beetje minder vreemd maken.’

‘Staat of valt dat niet met hoe ik eruitzie?’

‘Nou…’ begon Luce.

‘Goed.’ Zijn stem klonk alsof hij glimlachte. ‘Hoe wil je dan dat ik eruitzie?’

‘Ik weet het niet.’ Luce ging van haar ene op haar andere voet staan. Haar linkerzij was vochtig van de sproeinevel van de waterval. ‘Mag ik dat echt zeggen? Hoe zie je eruit als je gewoon jezelf bent?’

‘Ik kan kiezen uit een heel scala. Je wilt waarschijnlijk dat ik met iets liefs begin?’

‘Ik denk…’

‘Goed,’ mompelde de stem. ‘Huminah huminah huminah hummm.’

‘Wat doe je nou?’ vroeg Luce.

‘Ik zet mijn gezicht op.’

Er volgde een lichtflits. En een knal waarvan Luce achteruit getuimeld zou zijn, als er niet vlak achter haar een muur had gestaan. De flits doofde tot een piepkleine bal koel wit licht. Door het licht zag ze nu de ruwe, grijze stenen grond onder haar voeten. Achter haar steeg een stenen wand omhoog, waar water langs druppelde. En nog iets:

Op de grond voor haar stond een kleine gargouille.

‘Ta-da!’ zei hij.

Hij was een centimeter of dertig hoog, zat diep op zijn hurken met zijn armen over elkaar en zijn ellebogen op zijn knieën. Zijn huid had de kleur van steen, maar toen hij naar haar zwaaide, zag ze dat hij soepel genoeg was om van vlees en spieren gemaakt te zijn. Hij zag eruit als zo’n beeld dat je vaak boven op het dak van een katholieke kerk zag. Zijn vinger- en teennagels waren lang en spits, als klauwtjes. Zijn oren waren ook spits – en er zaten kleine stenen ringen in. Boven op zijn voorhoofd, dat vlezig en gerimpeld was, staken twee hoornachtige knobbels naar buiten. Zijn dikke lippen had hij in een grijns getrokken, waardoor hij er als een heel oude baby uitzag.

‘Dus jij bent Bill?’

‘Inderdaad,’ zei hij. ‘Ik ben Bill.’

Bill was een vreemd uitziend wezen, maar beslist niet iemand om bang voor te zijn. Luce liep om hem heen en zag de geribbelde wervels in zijn ruggengraat naar buiten steken. En ze zag de twee kleine grijze vleugels die hij zo tegen zijn rug gevouwen hield dat de twee punten over elkaar vielen.

‘Wat vind je ervan?’ vroeg hij.

‘Geweldig,’ zei ze toonloos. Eén blik op nog een vleugelpaar – zelfs al was dat van Bill – zorgde ervoor dat ze Daniël zo erg miste dat ze er buikpijn van kreeg.

Bill kwam overeind; het was vreemd om de van steen gemaakte armen en benen te zien bewegen als spieren.

‘Je vindt het maar niks zoals ik eruitzie. Ik heb wel wat beters,’ zei hij, en hij verdween in weer een lichtflits. ‘Wacht even.’

Flits.

Daniël stond voor haar, omhuld door een glinsterend aura van paars licht. Zijn uitgevouwen vleugels waren oogverblindend mooi en heel groot. Daarmee gebaarde hij haar ertussen te stappen. Hij stak een hand naar haar uit en zij zoog haar adem in. Ze wist dat het vreemd was dat hij hier was, dat ze eigenlijk met iets heel anders bezig was geweest – ze kon zich alleen niet herinneren wat of met wie. Haar hoofd voelde wazig, haar herinneringen waren vaag. Maar dat deed er allemaal niet toe. Daniël was er. Ze wilde wel huilen van geluk. Ze liep naar hem toe en legde haar hand in de zijne.

‘Zo,’ zei hij zacht. ‘Kijk, die reactie zocht ik.’

‘Hoezo?’ fluisterde Luce niet-begrijpend. Er drong zich een gedachte naar de voorgrond, die haar zei dat ze zich van hem los moest maken. Maar Daniëls ogen overstemden die aarzeling en ze liet zich naar hem toe trekken en vergat alles, behalve de smaak van zijn mond.

‘Kus me.’ Zijn stem klonk schor en krakend. De stem van Bill.

Luce slaakte een gil en sprong achteruit. Ze had het gevoel dat ze uit een heel diepe slaap wakker schrok. Wat was er gebeurd? Hoe had ze kunnen denken dat ze Daniël gezien had in…

Bill. Hij had haar om de tuin geleid. Ze trok haar hand uit de zijne, of misschien liet hij de hare wel vallen tijdens de lichtflits waarin hij in een grote pad vol wratten veranderde. Hij kwaakte twee keer, sprong toen naar de waterbron die langs de muur van de grot droop. Zijn tong schoot naar buiten, het water in.

Luce ademde moeizaam en probeerde niet te laten merken hoe ellendig ze zich voelde. ‘Hou op,’ zei ze bits. ‘Word maar gewoon weer die gargouille. Alsjeblieft.’

‘Je zegt het maar.’

Flits.

Daar was Bill weer, op zijn hurken, met zijn armen over zijn knieën geslagen. Roerloos.

‘Ik dacht dat je wel zou bijdraaien,’ zei hij.

Luce wendde haar blik af. Ze geneerde zich dat hij haar kwaad had gekregen, boos dat hij ervan genoten leek te hebben.

‘Goed, dat is dan geregeld,’ zei hij, terwijl hij net zo lang ronddribbelde totdat hij daar stond waar ze hem weer kon zien. ‘En wat wil je als eerste leren?’

‘Van jou? Niets. Ik heb zelfs geen flauw idee wat je hier doet.’

‘Ik heb je boos gemaakt,’ zei Bill, en hij knipte met zijn stenen vingers. ‘Het spijt me. Ik wilde er alleen achter zien te komen waar je zoal van houdt. Je weet wel… Houdt van: Daniël Grigori en schattige kleine gargouilles.’ Hij somde het op zijn vingers op. ‘Houdt niet van: padden. Ik geloof dat ik het nu wel weet. Van mij heb je geen grappen meer te verwachten.’ Hij spreidde zijn vleugels en schoot omhoog om op haar schouder te gaan zitten. Hij was zwaar. ‘Ik leer je de kneepjes van het vak,’ fluisterde hij.

‘Ik hoef geen kneepjes te kennen.’

‘Kom op, zeg. Je weet niet eens hoe je een Verkondiger op slot moet doen om slechteriken buiten te houden. Wil je dat dan niet op z’n minst weten?’

Luce trok een wenkbrauw naar hem op. ‘Waarom zou jij mij willen helpen?’

‘Je bent niet de eerste die in het verleden rondneust, hoor, en iedereen heeft een gids nodig. Heb jij even mazzel dat je mij tegen het lijf bent gelopen. Je had ook Vergilius kunnen…’

‘Vergilius?’ vroeg Luce, die een flashback kreeg naar haar eerste jaar Engels. ‘Bedoel je die gast die Dante door de negen cirkels van de Hel heeft geleid?’

‘Ja, die. Die is zo recht in de leer, echt slaapverwekkend. Maar goed, jij en ik reizen op dit moment niet samen door de Hel,’ legde hij met een schouderophalen uit. ‘Hoogseizoen.’

Luce dacht terug aan het moment waarop ze Luschka in Moskou in vlammen had zien opgaan, aan de scherpe pijn die ze had gevoeld toen Lucia haar had verteld dat Daniël uit het ziekenhuis in Milaan was verdwenen.

‘Het voelt soms wel als de Hel,’ zei ze.

‘Dat komt alleen maar doordat het zo lang heeft geduurd voordat wij ons aan elkaar hebben voorgesteld.’ Bill stak zijn stenen handje naar haar uit.

Luce rekte nog wat tijd. ‘En eh… aan welke kant sta jij?’

Bill floot. ‘Heeft nog nooit iemand je verteld dat het wel wat ingewikkelder ligt dan dat? Dat de grenzen tussen “goed” en “kwaad” door duizenden jaren vrije wil wat vervaagd zijn?’

‘Dat weet ik allemaal wel, maar…’

‘Oké, als je dat een beter gevoel geeft: heb je wel eens van de Weegschaal gehoord?’

Luce schudde haar hoofd.

‘Dat is een soort studentenbegeleider in de Verkondiger die ervoor zorgt dat de reiziger ook de juiste bestemming bereikt. Leden van de Weegschaal zijn onpartijdig, dus die kiezen geen partij voor de Hemel of de Hel. Oké?’

‘Óké.’ Luce knikte. ‘Dus jij zit bij de Schaal?’

Bill knipoogde. ‘Goed, we zijn er bijna, dus…’

‘Waar zijn we bijna?’

‘Bij het volgende leven waarnaartoe je op weg bent, bij het leven dat de schaduw werpt waar wij in zitten.’

Luce ging met haar hand door het water dat langs de wand stroomde. ‘Deze schaduw – deze Verkondiger – is anders.’

‘Als dat zo is, komt dat alleen maar omdat jij dat zelf wilt. Als jij een rustplaatsgrot in een Verkondiger wilt, dan krijg je die.’

‘Ik wilde helemaal geen rustplaats.’

‘Nee, maar je had er wel een nodig. Dat vangen Verkondigers ook op. Bovendien was ik hier een handje aan het helpen en wilde ik het namens jou.’ De kleine gargouille haalde zijn schouders op en Luce hoorde een geluid als van grote keien die tegen elkaar sloegen. ‘De binnenkant van een Verkondiger is helemaal geen plek. Het is een nergensnooit, de donkere echo van iets uit het verleden. Elke Verkondiger is anders en past zich aan de behoefte van zijn reizigers aan, zolang die erin zitten.’

Het idee van deze echo van Luce’ verleden die beter dan zijzelf wist wat ze wilde of nodig had, had wel iets spannends. ‘En hoe lang blijven mensen erin?’ vroeg ze. ‘Dagen? Weken?’

‘Geen tijd. Niet zoals jij denkt. In de Verkondigers verstrijkt helemaal geen echte tijd. Toch wil je er niet te lang in blijven rondhangen. Dan zou je namelijk kunnen vergeten waarnaartoe je op weg bent en zou je voor altijd verdwaald kunnen raken. Dan zou je een zwever kunnen worden. En dat is foute boel. Het zijn portalen, dat moet je niet vergeten, geen bestemmingen.’

Luce liet haar hoofd tegen de vochtige stenen muur rusten. Ze wist niet wat ze van Bill moest denken. ‘Dus dit is jouw werk. Jij werkt als gids voor eh… reizigers als ik?’

‘Precies.’ Bill knipte met zijn vingers, en door de wrijving ontstond een vonk. ‘De spijker op zijn kop.’

‘Hoe raakt een gargouille als jij hier verzeild?’

‘Tuttut, ik ben trots op mijn werk, hoor.’

‘Ik bedoel: voor wie werk je?’

Bill dacht even na en zijn marmeren ogen rolden heen en weer in hun kassen. ‘Beschouw het maar als vrijwilligerswerk. Ik ben goed in Verkondigersreizen, meer niet. Dus waarom zou ik mijn kennis niet met anderen delen?’ Hij draaide zich naar haar om met zijn hand om zijn stenen kin geslagen. ‘Naar wanneer gaan we trouwens toe?’

‘Naar wanneer…?’ Luce keek hem niet-begrijpend aan.

‘Je hebt echt geen idee, hè?’ Hij sloeg tegen zijn voorhoofd. ‘Wil je mij nou vertellen dat je het heden uit bent gedoken zonder ook maar enige basiskennis te hebben over het doorstappen? Dat het een volslagen mysterie voor je is hoe je waar terechtkomt?’

‘Hoe had ik daarachter moeten komen?’ vroeg Luce. ‘Niemand heeft me ooit iets verteld!’

Bill fladderde van haar schouder naar omlaag en beende over de richel. ‘Je hebt gelijk. We beginnen gewoon bij de basis.’ Hij bleef voor Luce staan, met zijn kleine handjes in zijn dikke zij. ‘Goed. Daar gaat-ie: wat wil je?’

‘Ik wil… bij Daniël zijn,’ zei ze langzaam. Er was wel meer wat ze wilde, maar ze wist niet goed hoe ze dat moest uitleggen.

‘Huh!’ Bill keek nog bedenkelijker dan hij er van nature met zijn lage voorhoofd, stenen lippen en haakneus uitzag. ‘Een beetje vreemd aan je argumentatie, raadsvrouw, is dat Daniël vlak naast je stond toen je uit je eigen tijd sprong. Waar of niet?’

Luce gleed langs de muur naar omlaag, ging zitten en voelde weer een golf enorme spijt. ‘Ik moest wel weg. Hij wilde me niets over ons verleden vertellen, dus ik moest weg om er zelf achter te komen.’

Ze verwachtte dat Bill weer tegen haar in zou gaan, maar hij zei alleen maar: ‘Dus je wilt me eigenlijk vertellen dat je met een queeste bezig bent?’

Luce voelde een flauwe glimlach om haar lippen spelen. Een queeste. Dat klonk goed.

‘Dus je wilt wel degelijk iets. Snap je?’ Bill klapte in zijn handen. ‘Oké, om te beginnen moet je weten dat de Verkondigers naar jou toe zijn gestuurd op basis van wat zich hier afspeelt.’ Hij bonkte met zijn stenen vuist tegen zijn borst. ‘Het zijn een soort haaitjes, die door je diepste verlangens worden aangetrokken.’

‘Aha.’ Luce moest denken aan de schaduwen op de Kustschool; het was toen bijna alsof de specifieke Verkondigers háár hadden uitgekozen, en niet andersom.

‘Dus als je doorstapt, smeken de Verkondigers die voor je neus lijken te sidderen jou om ze op te pakken, snap je? Ze loodsen je naar de plek waar je ziel het liefst wil zijn.’

‘Dus ik wilde eigenlijk naar het meisje toe dat ik in Moskou was, en in Milaan – en in alle andere levens waarvan ik een glimp heb opgevangen voordat ik wist hoe ik moest doorstappen?’

‘Precies,’ zei Bill. ‘Je wist het alleen niet. De Verkondigers wisten het voor jou. Jij wordt hier ook nog wel beter in. Binnenkort zou je moeten gaan voelen dat je hun kennis deelt. Het lijkt misschien vreemd, maar ze maken deel van jou uit.’

Al die koude donkere schaduwen, maakten die deel van haar uit? Plotseling werd haar, geheel onverwacht, veel duidelijk. Dat verklaarde waarom Luce van begin af aan, zelfs toen ze het heel eng had gevonden, niet in staat was geweest zich ervan te weerhouden om erdoor te stappen. Zelfs toen Roland haar waarschuwde dat ze gevaarlijk waren. Zelfs toen Daniël haar met open mond had aangekeken alsof ze een of andere verschrikkelijke misdaad had begaan. De Verkondigers leken altijd een deur voor haar open te houden. Zou dat ook echt zo zijn?

Haar verleden, dat ooit zo onkenbaar voor haar was geweest, bevond zich daar ergens, en het enige wat zij hoefde te doen was door de juiste deuren stappen? Dan kon ze zien wie ze was geweest, wat Daniël tot haar aangetrokken had, waarom hun liefde verdoemd was geweest en hoe die in de loop der tijd was gegroeid en veranderd. En, het allerbelangrijkst: wat ze in de toekomst konden zijn.

‘We zijn al een eind op weg ergens naartoe,’ zei Bill, ‘maar nu je weet waar je Verkondigers en jij toe in staat zijn, moet je de volgende keer dat je gaat doorstappen goed nadenken over wat je wilt. Dus niet aan een tijd of een plaats denken, maar aan een algehele queeste.’

‘Oké.’ Luce deed haar best om haar warboel van emoties om te zetten in woorden die hardop uitgesproken ergens op sloegen.

‘Waarom probeer je het niet nu meteen?’ vroeg Bill. ‘Gewoon bij wijze van oefening. Dan weten we misschien beter waar we zo terechtkomen. Denk maar aan waar je naar op zoek bent.’

‘Naar inzicht,’ zei ze langzaam.

‘Prima,’ zei Bill. ‘En verder?’

Er stroomde een gespannen energie door haar heen, alsof ze elk moment iets belangrijks kon gaan meemaken. ‘Ik wil erachter zien te komen waarom Daniël en ik vervloekt zijn. En ik wil die vloek verbreken. Ik wil dat ik niet meer doodga van de liefde, zodat we eindelijk samen kunnen zijn… voor altijd.’

‘Ho, ho!’ Bill begon met zijn handen te zwaaien als iemand die in het donker langs de kant van de weg is gestrand. ‘Laten we niet overdrijven. Je hebt wel met een verdoeming te maken die al heel lang bestaat. Daniël en jij, dat is als… Ik weet niet, hoor, maar je kunt niet zomaar met je mooie vingertjes knippen en die vloek verbreken. Je moet klein beginnen.’

‘Oké,’ zei Luce. ‘Oké. Dan moet ik om te beginnen maar een van mijn vorige ikken leren kennen. Dichtbij zien te komen en kijken hoe haar relatie met Daniël zich ontwikkelt. Kijken of ze dezelfde dingen voelt als ik.’

Bill knikte en er trok een gestoord glimlachje over zijn volle lippen. Hij leidde haar naar de rand van de richel. ‘Volgens mij ben je er klaar voor. We gaan.’

We gaan? Ging de gargouille dan met haar mee? De Verkondiger uit en een ander verleden in? Ja, Luce kon wel wat gezelschap gebruiken, maar ze kende deze knul amper.

‘Je vraagt je natuurlijk af waarom je mij zou moeten vertrouwen, hè?’ vroeg Bill.

‘Nee, ik…’

‘Ik snap het wel,’ zei hij, terwijl hij voor haar in de lucht zweefde. ‘Je moet ervan houden, van zo’n type als ik. Vooral vergeleken met het gezelschap waarin je normaal gesproken verkeerde. Ik ben bepaald geen engel.’ Hij snoof. ‘Maak ik kan je wel helpen deze reis de moeite waard te maken. We kunnen wel een deal sluiten, als je dat wilt. Als je genoeg van me krijgt, zeg je het gewoon. Dan ga ik ervandoor.’ Hij stak haar zijn lange klauwhand toe.

Luce huiverde. Bills hand was helemaal korstig van steengroeisels en mosplakkaten, als die van een gehavend standbeeld. Als ze ergens geen zin in had was het die met haar eigen hand vastpakken. Maar als ze dat niet deed, als ze hem nu al wegbonjourde…

Ze was met hem misschien wel beter af dan zonder hem.

Ze keek omlaag naar haar voeten. De korte natte richel eronder eindigde daar waar ze stond, met daarvoor een peilloze diepte. Haar blik viel op iets tussen haar schoenen, een glinstering in het steen waardoor ze met haar ogen moest knipperen. De grond bewoog… werd zachter… wiegde onder haar voeten heen en weer.

Luce keek achter zich. De rotsplaat brokkelde af, helemaal tot aan de grotwand. Ze struikelde en stond op de rand te wankelen. Onder haar schokte de richel – nog harder nu – toen de deeltjes die de rots bijeenhielden zich van elkaar los begonnen te maken. Om haar heen verdween de richel, steeds sneller en sneller, tot er frisse lucht langs haar hielen streek en ze opsprong…

…en haar rechterhand in Bills uitgestoken klauw legde. Ze vlogen schuddend de lucht in.

‘Hoe komen we hieruit?’ riep ze, en ze greep hem nu stevig beet, want ze was bang om in de kloof te vallen die ze niet kon zien.

‘Volg je hart.’ Bill keek stralend en was kalm. ‘Ik zal je niet misleiden.’

Luce deed haar ogen dicht en dacht aan Daniël. Ze kreeg een gevoel van gewichtloosheid over zich en ze kwam weer op adem. Toen ze haar ogen opendeed, vloog ze op de een of andere manier hoog door de met ruis gevulde duisternis. De stenen grot bewoog en kromp in elkaar tot een kleine goudkleurige bol van licht, die nog kleiner werd en toen verdween.

Luce keek om en zag dat Bill vlak naast haar was.

‘Wat heb ik nou als eerste tegen je gezegd?’ vroeg hij.

Luce dacht eraan dat het net was geweest alsof zijn stem helemaal tot diep binnen in haar had gereikt.

‘Je zei dat ik het rustiger aan moest doen. Dat ik nooit iets zou leren als ik zo als een gek door mijn verleden schoot.’

‘En?’

‘Dat was precies wat ik ook wilde. Ik wist het alleen niet.’

‘Misschien is dat wel de reden waarom je mij op dat moment gevonden hebt,’ riep Bill boven de wind uit. Terwijl ze doorvlogen gingen zijn grijze vleugels overeind staan. ‘En misschien is dat ook wel de reden waarom we… hier… terecht… zijn gekomen.’

De wind ging liggen. Het krakende geruis stierf weg. Het was stil.

Luce kwam met een klap met haar voeten op de grond – net zo’n gevoel als wanneer je van een schommel springt en op het gazon landt. Ze was uit de Verkondiger gekomen en bevond zich nu ergens anders. Het was warm en de lucht was een beetje vochtig. Aan het licht rond haar voeten zag ze dat het schemerig was.

Haar voeten waren diep weggezonken in een veld dik, zacht felgroen gras, dat wel tot aan haar kuiten reikte. Hier en daar zag ze piepkleine knalrode vruchten in het gras – wilde aardbeien. Voor haar gaf een dunne rij zilverberken de rand van het goed onderhouden gazon van een landgoed aan. Een eindje daarachter stond een reusachtig huis.

Vanwaar ze stond zag ze een witstenen trap die naar de achteringang van het grote landhuis in tudorstijl leidde. Het gazon werd aan de noordkant omzoomd door een groot stuk gesnoeide gele rozenstruiken en aan de oostkant bevond zich, bij het ijzeren hek, een miniatuurdoolhof van hagen. In het midden lag een rijke moestuin, waar de bonenplanten hoog langs hun stokken omhoogklommen. De tuin werd door een kiezelpaadje in tweeën gedeeld, dat naar een witgepleisterd prieeltje voerde.

Luce kreeg meteen kippenvel. Hier moest ze zijn. Ze had onmiskenbaar het gevoel dat ze hier al eens eerder was geweest. Dit was niet zomaar een déjà vu. Ze keek naar een plek die voor Daniël en haar belangrijk was geweest. Ze verwachtte eigenlijk min of meer dat ze hen tweeën nu ook meteen zou zien, in elkaars armen.

Maar het prieel was leeg; erbinnen was alleen het oranje licht van de ondergaande zon.

Er floot iemand, en ze schrok op.

Bill.

Ze was helemaal vergeten dat hij er ook nog was. Hij zweefde in de lucht, zodat hun hoofden zich op gelijke hoogte bevonden. Buiten de Verkondiger was hij nog iets afstotelijker dan hij op het eerste gezicht had geleken. Bij daglicht was zijn vlees droog en schilferig, en hij rook vrij sterk naar schimmel. Om zijn hoofd zoemden vliegen. Luce ging voorzichtig wat verder van hem af staan en wilde bijna dat hij weer onzichtbaar zou worden.

‘Da’s een stuk beter dan een oorlogsgebied,’ zei hij, terwijl hij het terrein in zich opnam.

‘Hoe weet jij waar ik vroeger ben geweest?’

‘Ik ben… Bill.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik weet die dingen.’

‘Oké. Waar zijn we nu dan?’

‘In Helston, Engeland.’ Hij wees met de punt van een klauw naar zijn hoofd en sloot zijn ogen. ‘In wat jij 1854 zou noemen.’ Toen vouwde hij zijn stenen klauwen voor zijn borst samen als een soort gnoomachtige schooljongen die een geschiedenislesje opzegt. ‘Een slaperig stadje in het zuidelijke graafschap Cornwall, dat van koning John in eigen persoon stadsrechten heeft gekregen. Het mais staat een paar meter hoog, dus waarschijnlijk is het hoogzomer. Jammer dat we de maand mei hebben gemist; ze hebben hier een festival ter ere van Flora-dag, dat geloof je gewoonweg niet! Of misschien jij juist wel. Je vorige ik was twee jaar op rij de belle van het bal. Haar vader is heel rijk, moet je weten. Hij is heel vroeg in de koperhandel gestapt…’

‘Klinkt geweldig.’ Luce onderbrak hem en maakte aanstalten om het gazon over te steken. ‘Ik ga naar binnen. Ik wil met haar praten.’

‘Wacht even.’ Bill vloog achter haar langs, maakte toen een bocht en ging een paar centimeter voor haar gezicht zweven. ‘Zo? Dat kan echt niet, hoor.’

Hij zwaaide in het rond met zijn vinger en Luce begreep dat hij het over haar kleren had. Ze had nog steeds het uniform aan van de Italiaanse verpleegster dat ze tijdens de Eerste Wereldoorlog had gedragen.

Hij vloog omlaag, pakte de zoom van haar lange witte rok beet en tilde die op tot haar enkels. ‘Wat heb je daaronder aan? Zijn dat Converse-gympen? Dat meen je niet!’ Hij klakte met zijn tong. ‘Hoe heb je in hemelsnaam al die andere levens zonder mij overleefd?’

‘Ik kan me prima redden, dank je.’

‘Met “redden” alleen kom je er niet, als je hier wilt blijven.’ Bill vloog weer terug omhoog, zodat hij zich weer op ooghoogte van Luce bevond, en vloog toen snel drie keer om haar heen. Toen ze zich omdraaide om te kijken waar hij gebleven was, zag ze hem nergens meer.

Maar even later hoorde ze toch zijn stem – hoewel het klonk alsof die van heel ver kwam. ‘Ja! Geweldig, Bill!’

In de lucht vlak bij het huis verscheen een grijze stip die steeds groter en groter werd, totdat de stenen rimpels van Bill zichtbaar werden. Hij vloog nu naar haar toe, met een donker bundeltje in zijn armen.

Toen hij bij haar aankwam, trok hij alleen maar even aan de zijkant van haar kleren en het wijde witte verpleegstersuniform spleet over de naad los en gleed zo van haar lichaam af. Luce sloeg haar armen zedig om haar blote lichaam, maar amper een seconde later werden er al een hele reeks onderrokken en een lange zwarte jurk over haar hoofd heen getrokken.

Bill redderde als een driftig naaistertje om haar heen en snoerde haar taille in een strak korset in tot de scherpe baleinen op allerlei onprettige plekken in haar huid staken. Haar onderrokken bestonden uit zo veel tafzijde dat ze, zelfs als ze in een lichte bries stilstond, een beetje ruiste.

Ze dacht dat ze er voor dit tijdperk wel mooi uitzag – tot ze het witte schort zag dat om haar middel gebonden zat. Ze ging met haar hand naar haar haar en trok een wit dienstmeisjeskapje af.

‘Ben ik een dienstmeid?’ vroeg ze.

‘Ja, Einstein, je bent een dienstmeid.’

Luce wist dat het dom was, maar ze voelde zich een beetje teleurgesteld. Het landgoed was voornaam, de tuinen waren prachtig en ze wist wel dat ze met een queeste bezig was en zo, maar had ze hier nou niet als een echte victoriaanse dame rond kunnen wandelen?

‘Ik dacht dat je net zei dat ik uit een rijke familie kwam.’

‘De familie van je vorige ik was rijk, ja. Stinkend rijk. Dat merk je straks wel als je haar ontmoet. Ze wordt Lucinda genoemd en ze vindt jouw koosnaam overigens echt stuitend.’ Bill kneep zijn neus dicht en stak die omhoog – een aardige, geestige imitatie van een snob. ‘Zíj is rijk, ja, maar jíj, liefje, bent een tijdreizende indringer die de gewoonten en gebruiken van deze deftige kringen niet kent. Dus moet je undercover gaan, tenzij je wilt dat ze meteen doorhebben dat je een naaister uit Manchester bent en ze je de deur wijzen nog voor je de kans hebt gekregen om met Lucinda te praten. Je bent keukenhulp. Je bent dienstmeisje. Je maakt de beddenpannen schoon. Kies zelf maar. Ik blijf uit de buurt, maak je daar maar geen zorgen om. Ik ben binnen een oogwenk verdwenen.’

Luce kreunde. ‘Dus ik ga gewoon naar binnen en doe net of ik hier werk?’

‘Nee.’ Bill rolde met zijn vuursteenachtige ogen. ‘Je gaat naar boven en stelt jezelf voor aan de vrouw des huizes, mevrouw Constance. Je vertelt haar dat je vorige mevrouw naar het vasteland is verhuisd en dat je een nieuwe betrekking zoekt. Het is een gemene oude tang en ze hecht overdreven belang aan referenties. Je hebt mazzel, want ik ben haar voor geweest. Je vindt je referentie in je schortzak.’

Luce stak haar hand in de zak van haar witlinnen schort en haalde er een dikke envelop uit. De achterkant was met een zegel van rode was dichtgeplakt, en toen ze de envelop omdraaide, zag ze dat er met zwarte inkt MEVROUW MELVILLE CONSTANCE op geschreven stond. ‘Jij bent echt een soort alwetend ventje, hè?’

‘Dank je wel.’ Bill boog hoffelijk, maar toen hij doorkreeg dat Luce al op weg was naar het huis, vloog hij vooruit en sloeg daarbij zo snel met zijn vleugels dat het twee staalgrijze vegen aan weerskanten van zijn lichaam werden.

Ze waren inmiddels de zilverberken gepasseerd en staken het keurig onderhouden gazon over. Luce wilde net het kiezelpad naar het huis op lopen, maar bleef staan toen ze mensen uit het prieel zag komen. Het waren een man en een vrouw, die naar het huis toe liepen. Naar Luce toe.

‘Omlaag jij,’ fluisterde ze. Ze was er nog niet aan toe om al door iemand in Helston gezien te worden, en al helemaal niet als Bill als een of ander overdreven groot insect om haar heen zoemde.

‘Nee, jíj omlaag,’ zei hij. ‘Dat ik voor jou bij wijze van uitzondering niet onzichtbaar ben, betekent nog niet dat zomaar elke sterveling me kan zien. Waar ik nu ben vorm ik geen enkel gevaar. De enige ogen die ik in de gaten moet houden zijn die van… Wauw, hé.’ Bills stenen wenkbrauwen vlogen plotseling omhoog, wat een zwaar slepend geluid maakte. ‘Ik ben weg,’ zei hij, en hij dook weg achter de tomatenplanten.

Engelen, vulde Luce in. Dat waren vast de enige andere zielen die Bill in deze vorm konden zien. Dat vermoeden kreeg ze doordat ze eindelijk de man en de vrouw kon zien, de mensen die Bill ertoe hadden aangezet om dekking te zoeken. Luce gluurde door de dikke stekelige bladeren van de tomatenplanten en kon haar ogen niet van hen afhouden.

Niet van Daniël af, eigenlijk.

In de rest van de tuin werd het heel stil. De vogels staakten hun avondzang en het enige wat ze nog hoorde waren twee paar voeten die langzaam het kiezelpad op liepen. De laatste zonnestralen leken allemaal op Daniël te vallen en wierpen een gouden aureool om hem heen. Hij hield zijn hoofd schuin naar de vrouw en knikte haar onder het lopen toe. De vrouw die Luce niet was.

Ze was ouder dan Lucinda geweest kon zijn – vermoedelijk in de twintig – en heel mooi, met donkere, zijdezachte krullen onder een brede strohoed. Haar lange luchtige jurk was zo geel als een paardenbloem en was zo te zien erg duur geweest.

‘Bevalt het u inmiddels al een beetje in ons dorpje, meneer Grigori?’ zei de vrouw. Haar stem was hoog en helder en blaakte van een natuurlijk zelfvertrouwen.

‘Misschien wel te goed, Margaret.’ Luce’ maag balde zich tot een jaloerse knoop samen toen ze zag hoe Daniël naar de vrouw glimlachte. ‘Ik kan bijna niet geloven dat ik pas een week geleden in Helston ben aangekomen. Ik zou best langer willen blijven dan aanvankelijk mijn bedoeling was.’ Hij zweeg even. ‘Iedereen is erg aardig voor me geweest.’

Margaret bloosde, en Luce kookte vanbinnen. Zelfs Margarets blos was aantrekkelijk. ‘We hopen dat dat in uw werk tot uitdrukking zal komen,’ zei ze. ‘Mijn moeder vindt het uiteraard geweldig dat er een kunstenaar bij ons logeert. Iedereen trouwens.’

Het stel liep verder en Luce sloop achter hen aan. Voorbij de moestuin ging ze achter de overwoekerde rozenstruiken op haar hurken zitten, zette haar handen op de grond en boog zich naar voren om de twee binnen gehoorsafstand te houden.

Toen slaakte Luce een kreetje. Ze had haar duim aan een doorn geprikt. Hij bloedde.

Ze zoog aan het wondje en schudde met haar hand om het bloed vooral niet op haar schort te krijgen, maar tegen de tijd dat het bloeden was opgehouden, realiseerde ze zich dat ze een deel van het gesprek had gemist. Margaret keek verwachtingsvol naar Daniël op.

‘Ik vroeg of u later in de week bij de feestelijkheden ter ere van de zonnewende aanwezig zult zijn.’ Haar toon klonk enigszins smekend. ‘Mijn moeder maakt er altijd veel werk van.’

Daniël mompelde iets in de trant van: ‘Ja, dat wil ik niet missen,’ maar het was duidelijk dat hij was afgeleid. Hij keek de hele tijd van de vrouw weg. Zijn ogen schoten het gazon langs, alsof hij vóélde dat Luce achter de rozen zat.

Toen zijn blik over de struiken ging waarachter zij op haar hurken zat, kleurden ze heel diep paarsblauw op.