3 – BLINDE LIEFDE
Milaan, Italië
25 mei 1918
Luce strompelde de Verkondiger uit en kwam in het geluid van explosies terecht. Ze dook in elkaar en legde haar handen tegen haar oren.
Hevige uitbarstingen deden de grond schudden. De ene zware dreun na de andere, de een nog spectaculairder en verlammender dan die daarvoor, totdat het geluid en de trillingen zo bleven galmen dat het leek of er geen pauze in de aanval kwam. Het was onmogelijk om aan het kabaal te ontsnappen en er kwam geen eind aan.
Luce liep wankel de oorverdovende duisternis in, helemaal in elkaar gedoken in een poging haar lichaam af te schermen. De knallen dreunden door in haar borst en spogen aarde in haar ogen en mond.
En nog steeds had ze niet de kans gehad om te kijken waar ze was beland. Bij elke oplaaiende explosie ving ze een glimp op van golvende velden, doorkruist met rioolbuizen en omgevallen hekken. Maar dan was de flits weer voorbij en zag ze geen hand voor ogen.
Bommen. Ze ontploften nog steeds.
Er klopte iets niet. Het was Luce’ bedoeling geweest om door de tijd te stappen, om weg te komen uit Moskou en de oorlog. Maar zo te merken was ze precies daar beland waar ze begonnen was. Roland had haar hiervoor gewaarschuwd – voor de gevaren van reizen met behulp van een Verkondiger. Maar ze was te koppig geweest om naar hem te luisteren.
In het pikkedonker struikelde Luce over iets en ze viel hard op de grond, met haar gezicht in de modder.
Iemand kreunde. Iemand op wie Luce terecht was gekomen.
Ze slaakte een kreet en wurmde zich van hem af, maar ze voelde een scherpe steek in haar heup, waarop ze gevallen was. Toen ze de man op de grond zag liggen, vergat ze haar eigen pijn echter.
Hij was jong, ongeveer van haar leeftijd. Klein, met verfijnde gelaatstrekken en verlegen bruine ogen. Zijn gezicht was bleek. Hij ademde met oppervlakkige teugen. De hand die hij tegen zijn maag gedrukt hield zat onder het zwarte roet. En onder die hand was zijn uniform doordrenkt van donkerrood bloed.
Luce kon haar ogen niet van de wond afhouden. ‘Ik hoor hier niet te zijn,’ fluisterde ze tegen zichzelf.
De lippen van de jongen trilden. Hij sloeg een kruisteken boven zijn borst, en zijn bebloede hand beefde. ‘O, ik ben dood,’ zei hij, en hij keek haar met grote ogen aan. ‘Jij bent een engel. Ik ben dood en ik ben naar de… Ben ik in de hemel?’
Hij stak zijn bevende hand naar haar uit. Ze wilde het uitschreeuwen of overgeven, maar het enige wat ze kon doen was haar handen over de zijne leggen en die weer tegen het gapende gat in zijn buik drukken. De grond en de jongen die erop lag werden weer door een dreun aan het schudden gebracht. Er sijpelde vers bloed door Luce’ gespreide vingers.
‘Ik ben Giovanni,’ fluisterde hij, en hij sloot zijn ogen. ‘Help me, alsjeblieft. Alsjeblieft.’
Op dat moment drong pas tot Luce door dat ze niet meer in Moskou was. De grond onder haar was warmer. Niet met sneeuw bedekt, maar een grasvlakte die hier en daar opengescheurd was, zodat er volle zwarte aarde te zien was. De lucht was droog en stoffig. Deze jongen had Italiaans tegen haar gesproken, en net zoals in Moskou had ze de taal verstaan.
Haar ogen raakten gewend aan het donker. Ze zag zoeklichten in de verte die de paarsgetinte heuvels afzochten. En voorbij de heuvel zag ze de avondlucht, bespikkeld met heldere witte sterren. Luce draaide zich om. Ze kon geen sterren zien zonder aan Daniël te denken, en ze wilde op dit moment niet aan Daniël denken. Niet nu ze haar handen tegen de buik van deze jongen gedrukt hield, niet nu hij stervende was.
Maar hij was in elk geval nog niet gestorven.
Dat dacht hij alleen maar.
Ze kon het hem niet kwalijk nemen. Nadat hij was getroffen, was hij vermoedelijk in shock geraakt. En misschien had hij haar toen door de Verkondiger naar buiten zien komen, als uit een zwarte tunnel die zomaar uit het niets was opgedoemd. Hij moest wel doodsbang geweest zijn.
‘Alles komt goed,’ zei ze in het perfecte Italiaans dat ze altijd al graag had willen leren. Het voelde verbazingwekkend normaal op haar tong. Haar stem klonk ook zachter en soepeler dan ze verwacht had; ze vroeg zich daardoor meteen af hoe ze in dit leven was geweest.
Er klonk een salvo van oorverdovende schoten en ze sprong op. Geweerschoten. De ene na de andere helle, snerpende lichtkogel trok een spoor door de lucht en brandde witte lijnen in haar gezichtsveld, gevolgd door een heleboel geschreeuw in het Italiaans. Toen dreunende voetstappen in de aarde. Die dichterbij kwamen.
‘We trekken ons terug,’ mompelde de jongen. ‘Dat is een slecht teken.’
Luce keek in de richting van het geluid van soldaten die hun kant op gerend kwamen en merkte nu pas dat de gewonde soldaat en zij niet alleen waren. Er lagen minstens nog tien gewonde mannen om hen heen te kreunen en te trillen, terwijl hun bloed in de zwarte aarde vloeide. Hun kleren waren verschroeid en aan flarden gescheurd door de landmijn die hun blijkbaar had verrast. Alles raakte doordrongen van de volle stank van verderf, zweet en bloed. Het was werkelijk gruwelijk – Luce moest op haar lip bijten om het niet uit te schreeuwen.
Een man in officiersuniform rende langs haar heen, maar bleef toen staan. ‘Wat doet zíj hier? Dit is oorlogsgebied, geen plek voor verpleegsters. De doden hebben toch niets aan je, meisje. Maak jezelf in hemelsnaam nuttig. De gewonden moeten ingeladen worden.’
Nog voor Luce iets kon zeggen stormde de man alweer weg. De oogleden van de jongen op de grond begonnen te hangen. Hij beefde over zijn hele lichaam. Ze keek radeloos om zich heen of er ergens hulp was.
Ongeveer een kilometer verderop lag een smal landweggetje met twee heel oud uitziende trucks en twee kleine, lage ambulances erlangs geparkeerd.
‘Ik ben zo terug,’ zei Luce tegen de jongen, en ze drukte zijn handen nog harder tegen zijn buik om het bloeden te stelpen. Toen ze losliet, jammerde hij.
Ze rende naar de trucks toe en toen er achter haar nog een granaat neerkwam die de aarde omhoog deed komen, struikelde ze over haar voeten.
Bij de laadruimte van een van de trucks stond een groepje vrouwen in wit uniform. Verpleegsters. Zij wisten vast wel wat ze moest doen, zij konden vast wel helpen. Maar toen Luce zo dichtbij was gekomen dat ze hun gezichten kon zien, zonk de moed haar in de schoenen. Het waren meisjes. Sommigen waren vast niet ouder dan veertien. Hun uniformen leken wel verkleedkleren.
Ze keek snel hun gezichten langs, op zoek naar zichzelf als een van hen. Er moest toch een reden voor geweest zijn waarom ze in deze hel was beland. Maar geen van hen kwam haar bekend voor. De kalme, heldere gezichtsuitdrukkingen van de meisjes waren voor haar moeilijk te peilen. Niet een van hen gaf blijk van de doodsangst die volgens Luce wel op haar eigen gezicht te lezen stond. Misschien hadden ze al zoveel van de oorlog gezien dat ze gewend waren geraakt aan wat die teweeg kon brengen.
‘Water.’ Van binnen uit de truck klonk de stem van een oudere vrouw. ‘Verband. Gaas.’
Ze deelde spullen aan de meisjes uit, die hun armen vollaadden en toen aan de slag gingen om langs de kant van de weg een provisorisch hospitaal in te richten. Achter de truck was al een rij gewonde mannen neergezet die behandeld moesten worden. Er kwamen er nog meer aan. Luce sloot zich aan in de rij voor de benodigdheden. Het was donker en niemand zei een woord tegen haar. Ze voelde het nu wel – de stress van de jonge verpleegsters. Ze waren er vast op getraind om tegenover de soldaten een rustige, beheerste houding aan te nemen, maar toen het meisje voor Luce haar armen omhoogstak om haar rantsoen aan medische benodigdheden in ontvangst te nemen, zag ze dat haar handen trilden.
Om hen heen waren de soldaten druk bezig de gewonden te verplaatsen. Telkens droegen twee soldaten één gewonde, onder de armen en aan de voeten. Sommige mannen die gedragen werden stelden mompelend vragen over de strijd, vroegen hoe zwaar ze getroffen waren. En dan had je nog de mannen die ernstiger gewond waren, wier lippen geen vragen konden formuleren omdat ze alleen maar bezig waren hun gekerm te smoren, en soldaten die aan hun middel omhooggehesen moesten worden omdat een van hun benen, of allebei hun benen, er door een landmijn af geslagen was.
‘Water.’ Luce kreeg een kan in haar handen gedrukt. ‘Verband. Gaas.’ De hoofdverpleegster dumpte het rantsoen benodigdheden mechanisch in haar armen, klaar om met het volgende meisje verder te gaan, maar toen bedacht ze zich. Ze keek Luce recht aan. Haar blik ging naar omlaag, en Luce realiseerde zich dat ze nog steeds de dikke wollen jas van Luschka’s oma uit Moskou droeg. En dat was maar goed ook, want onder de jas had ze nog haar spijkerbroek en bloes uit haar huidige leven aan.
‘Uniform,’ zei de vrouw op een gegeven moment op dezelfde monotone toon, en ze gooide een witte jurk en een verpleegsterskapje naar omlaag, zoals de andere meisjes die ook droegen.
Luce knikte dankbaar en dook toen weg achter een truck om zich om te kleden. Het was een opbollende witte jurk die tot aan haar enkels kwam en die sterk naar bleek rook. Ze probeerde het bloed van de soldaat van haar handen te vegen met behulp van de wollen jas en gooide die toen achter een boom. Tegen de tijd dat ze het verpleegstersuniform had dichtgeknoopt, de mouwen had opgestroopt en de ceintuur om haar middel had vastgemaakt, zat het al helemaal onder de roestrode vegen.
Ze pakte snel haar spullen en rende terug naar de overkant van de weg. Het tafereel dat ze voor zich zag was werkelijk gruwelijk. De officier had niet gelogen. Er waren minstens honderd mannen die hulp nodig hadden. Ze keek naar het verbandmateriaal dat ze in haar armen hield en vroeg zich af wat ze moest doen.
‘Verpleegster!’ riep een man. Hij schoof net een brancard in een ambulance. ‘Verpleegster! Deze hier heeft een verpleegster nodig.’
Luce realiseerde zich dat hij het tegen haar had. ‘O,’ zei ze zwakjes. ‘Mij?’ Ze gluurde in de ambulance. Binnen was het krap en donker. Een ruimte die zo te zien bedoeld was voor twee gewonden, maar waar er nu zes in lagen. De gewonde soldaten lagen op brancards die aan weerskanten in drie houders boven elkaar waren geschoven. Alleen op de vloer was nog ruimte voor Luce.
Iemand duwde haar opzij: een man schoof nog een brancard naar binnen, op het stukje vloer dat nog leeg was. De soldaat die erop lag was bewusteloos, zijn zwarte haar zat over zijn gezicht geplakt.
‘Schiet nou maar op,’ zei de soldaat tegen Luce. ‘Hij vertrekt nu.’
Toen ze niet in beweging kwam, wees hij op een houten krukje dat met een kruislings gebonden touw aan de binnenkant van de achterklep van de ambulance was vastgemaakt. Hij bukte zich en maakte een stijgbeugel met zijn handen om Luce omhoog te helpen op het krukje. Er sloeg weer een granaat in, die de grond deed schudden, en Luce kon de schreeuw die aan haar lippen ontsnapte niet meer inhouden.
Ze keek verontschuldigend naar de soldaat, haalde diep adem en sprong erop.
Toen ze op het piepkleine krukje zat, reikte hij haar de kan water en de doos met gaas en verband aan. Toen wilde hij de klep al dichtdoen.
‘Wacht,’ fluisterde Luce. ‘Wat moet ik doen?’
De man bleef even staan. ‘Je weet hoe lang de rit naar Milaan duurt. Verzorg hun wonden en maak het ze een beetje gemakkelijk. Doe maar gewoon wat je kunt.’
De klep ging met een knal dicht, met Luce eraan vast. Ze moest het krukje stevig beetpakken om er niet af te vallen en boven op de soldaat terecht te komen die aan haar voeten lag. Het was snikheet in de ambulance. Het stonk er verschrikkelijk. Het enige licht was afkomstig van een kleine lantaarn die aan een spijker in de hoek hing. Het enige raam bevond zich recht achter haar hoofd in de klep. Ze wist niet wat er met Giovanni, de jongen met de kogel in zijn buik, was gebeurd. En of ze hem ooit nog zou zien. Of hij levend en wel de ochtend zou halen.
De motor startte. De ambulance kwam in beweging en schoot naar voren. De soldaat op een van de bovenste brancards begon te kreunen.
Toen ze eenmaal een gestage snelheid hadden aangenomen, hoorde Luce het kletterende geluid van een lek. Er drupte iets. Ze boog zich op het krukje naar voren en tuurde met half dichtgeknepen ogen in het schemerige licht van de lantaarn.
Het was het bloed van de soldaat op de bovenste brancard. Dat druppelde door de draagbanden heen op de soldaat die op de middelste brancard lag. De middelste soldaat had zijn ogen open. Hij keek hoe het bloed op zijn borst viel, maar hij was zo ernstig gewond dat hij niet opzij kon schuiven. Hij maakte geen geluid. Dat deed hij pas toen de druppeltjes bloed overgingen in een stroompje.
Luce kermde met de soldaat mee. Ze wilde opstaan van haar krukje, maar ze kon nergens staan, tenzij ze haar voeten aan weerskanten van de soldaat op de vloer zou neerzetten. Ze zette haar voet voorzichtig over zijn borst heen. Toen de ambulance hotsend over een hobbelige landweg reed, greep ze het strakke canvas van de bovenste brancard beet en drukte een handvol gaas tegen de onderkant. Het bloed trok er binnen een paar seconden in, tot op haar vingers.
‘Help!’ riep ze tegen de ambulancebestuurder. Ze wist niet eens of hij haar wel kon horen.
‘Wat is er?’ De bestuurder had een zwaar regionaal accent.
‘Deze man hier… hij bloedt. Ik denk dat hij doodgaat.’
‘We gaan allemaal dood, schoonheid,’ zei de bestuurder. Flirtte hij nou met haar? Uitgerekend op dit moment? Even later draaide hij zich om en keek door de opening achter de stoel van de bestuurder naar haar. ‘Hoor eens, het spijt me, maar ik kan niks doen. Ik moet die andere jongens in het ziekenhuis zien te krijgen.’
Hij had gelijk. Het was al te laat. Toen Luce haar hand onder de brancard vandaan haalde, begon het bloed meteen weer te gutsen. Zo hevig dat ze het bijna voor onmogelijk hield.
Luce had geen troostende woorden voor de jongen op de middelste brancard, die grote angstige ogen opzette en wiens lippen driftig een weesgegroetje fluisterden. De stroom bloed van de andere jongen droop langs zijn lichaam en vormde plasjes op de plek waar zijn heupen tegen het canvas kwamen.
Luce wilde haar ogen dichtdoen en verdwijnen. Ze wilde door de schaduwen tasten die de lantaarn wierp in de hoop een Verkondiger te vinden die haar ergens anders naartoe kon brengen. Het maakte niet uit waarnaartoe.
Bijvoorbeeld naar het strand bij de rotsen vlak bij de campus van de Kustschool. Waar Daniël haar mee naartoe had genomen om te dansen op de oceaan, onder de sterren. Of naar het maagdelijke zwemmeertje waar ze hen tweeën in had zien duiken – zij met die gele bikini aan. Ze zat nog liever op Zwaard & Kruis dan in deze ambulance, zelfs op de ergste momenten daar, zoals die avond dat ze met Cam had afgesproken in dat café. Zoals toen ze hem had gekust. Ze zat zelfs nog liever in Moskou. Dit was erger. Zoiets als dit had ze nog nooit meegemaakt.
Behalve dan…
Natuurlijk had ze zoiets al wel meegemaakt. Ze moest al eens eerder bijna precies zoiets als dit hebben meegemaakt. Dat was ook de reden waarom ze hier was beland. Ergens in deze door oorlog verscheurde wereld woonde het meisje dat doodging, weer tot leven kwam en vervolgens haar werd. Dat wist ze zeker. Zij moest wonden verzorgd hebben, water gebracht en de neiging om over te geven hebben onderdrukt. Door aan het meisje te denken dat dit al eerder had meegemaakt kreeg Luce weer kracht.
De stroom bloed begon te sijpelen en drupte toen nog maar heel langzaam. De jongen eronder was buiten bewustzijn geraakt, dus keek Luce heel lang stilletjes toe. Tot het gedrup helemaal ophield.
Toen pakte ze een handdoek en water en begon ze de soldaat op de middelste brancard te wassen. Het was al een hele tijd geleden dat hij gewassen was. Luce deed het voorzichtig en verschoonde daarna het verband om zijn hoofd. Toen hij bijkwam, gaf ze hem een paar slokjes water. Zijn ademhaling werd gelijkmatiger en hij staarde niet meer angstig naar de brancard boven hem. Hij leek zich wat prettiger te voelen.
Alle soldaten leken het fijn te vinden als ze hen verzorgde, zelfs de soldaat midden op de vloer, die geen een keer zijn ogen opendeed. Ze maakte het gezicht schoon van de jongen op de bovenste brancard, die was gestorven. Ze kon niet uitleggen waarom ze wilde dat hij er ook vrediger bij lag.
Ze kon met geen mogelijkheid zeggen hoeveel tijd er was verstreken. Luce wist alleen maar dat het donker was, dat het stonk, dat haar rug pijn deed, dat haar keel kurkdroog was en dat ze doodmoe was – en dat ze stukken beter af was dan de mannen om haar heen.
De soldaat op de onderste brancard links bewaarde ze voor het laatst. Hij had een ernstige wond in zijn hals opgelopen en Luce was bang dat hij nog meer bloed zou verliezen als zij de wond probeerde te verschonen. Ze deed haar best, ging op de rand van zijn brancard zitten, sponsde zijn vuile gezicht af en waste wat bloed uit zijn blonde haar. Onder al die modder was hij een knappe jongen. Heel knap. Maar ze werd afgeleid door zijn hals, die nog steeds door het gaas heen bloedde. Elke keer dat ze er in de buurt kwam, gilde hij het uit van de pijn.
‘Wees maar niet bang,’ fluisterde ze. ‘Je redt het wel.’
‘Dat weet ik.’ Zijn fluistering was zo zacht en klonk zo ongelooflijk verdrietig dat Luce niet wist of ze hem wel goed had verstaan. Ze had tot dan toe gedacht dat hij buiten bewustzijn was, maar iets in haar stem leek hem toch te hebben bereikt.
Zijn oogleden trilden. Toen gingen ze heel langzaam open.
Zijn ogen waren paarsblauw.
De waterkan viel uit haar handen.
Daniël.
Haar intuïtie zei haar naast hem te kruipen, zijn lippen met kussen te overdekken en net te doen alsof hij niet zo ernstig gewond was.
Toen Daniël haar zag, sperde hij zijn ogen wijd open en wilde hij rechtop gaan zitten. Maar toen begon het bloed uit zijn hals weer te stromen en trok alle kleur weg uit zijn gezicht. Luce moest hem tegenhouden, er zat niets anders op.
‘Sst.’ Ze drukte zijn schouders weer tegen de brancard en probeerde hem zo ver te krijgen dat hij zich ontspande.
Hij verzette zich tegen haar handen. Elke keer dat hij dat deed, wolkte er nieuw bloed door het verband heen.
‘Daniël, je moet ophouden met je te verzetten,’ smeekte ze. ‘Verzet je niet meer. Doe het voor mij.’
Ze keken elkaar even lang en doordringend aan – en toen hield de ambulance heel abrupt stil. De achterklep zwaaide open. Er stroomde een schrikbarende zucht frisse lucht naar binnen. Buiten was het stil op straat, maar je voelde wel dat het een grote stad was, zelfs zo midden in de nacht.
Milaan. Daar zouden ze naartoe gaan, had de soldaat gezegd toen hij haar deze ambulance had toegewezen. Ze waren dus vast bij een ziekenhuis in Milaan.
Twee mannen in militair uniform doken op bij de achterklep en schoven de brancards snel en nauwgezet naar buiten. Binnen een paar minuten waren de gewonden op rijdende karren gelegd en werden ze weggereden. De mannen duwden Luce opzij, zodat ze Daniëls brancard eruit konden halen. Zijn oogleden trilden weer, en ze had de indruk dat hij zijn hand naar haar uitstak. Ze keek vanuit de ambulance toe hoe hij uit het zicht verdween. Toen begon ze te beven.
‘Gaat het wel met je?’ Een meisje stak haar hoofd naar binnen. Het was een fris, knap ding, met een kleine rode mond en lang donker haar dat ze in een lage knot had gedraaid. Haar verpleegstersjurk zat strakker dan de jurk die Luce aanhad en was zo wit en schoon dat Luce zich er daardoor rekenschap van gaf hoe bebloed en modderig zij er zelf uitzag.
Luce sprong overeind. Ze voelde zich vreemd genoeg betrapt.
‘Ja hoor, prima,’ zei ze snel. ‘Ik was alleen…’
‘Je hoeft het niet uit te leggen,’ zei het meisje. Ze keek de ambulance rond en haar gezicht betrok. ‘Ik zie het zo wel; je hebt het zwaar gehad.’
Luce keek hoe het meisje een emmer water de ambulance in tilde en toen zichzelf naar binnen hees. Ze ging meteen aan de slag, boende de bebloede houders voor de brancards schoon, dweilde de vloer en liet hele golven roodgekleurd water via het achterportier naar buiten gutsen. Ze verving het vuile linnengoed in de kast door schoon en deed nog wat brandstof in de lantaarn. Ze was hooguit een jaar of dertien.
Luce stond op om haar te helpen, maar het meisje wuifde haar weg. ‘Ga jij maar zitten. Rust wat uit. Je bent net hiernaartoe overgeplaatst, zeker?’
Luce knikte aarzelend.
‘Ben je helemaal alleen van het front gekomen?’ Het meisje hield even op met schoonmaken en toen ze Luce aankeek, liepen haar lichtbruine ogen over van mededogen.
Luce wilde antwoord geven, maar haar mond was zo droog dat ze geen woord kon uitbrengen. Hoe kon het dat het zo lang had geduurd voordat ze doorhad dat ze naar zichzelf keek?
‘Ik was…’ wist ze fluisterend uit te brengen. ‘Ik was helemaal alleen.’
Het meisje glimlachte. ‘Nou, nu niet meer. We zijn hier met een hele groep in het ziekenhuis. Allemaal ontzettend leuke verpleegsters. En schatten van patiënten. Je vindt het hier vast leuk.’ Ze wilde haar hand uitsteken, maar keek toen omlaag en realiseerde zich dat die heel smerig was. Ze giechelde en pakte haar dweil weer. ‘Ik ben Lucia.’
Dat weet ik. Luce wist het nog net voor zich te houden. ‘Ik ben…’
Ze wist even helemaal niks meer. Ze probeerde een naam te verzinnen, het maakte niet uit welke, als die maar voldeed. ‘Ik ben Doree… Doria,’ zei ze toen maar. Bijna de naam van haar moeder. ‘Weet jij… waar ze de soldaten brengen die in de ambulance lagen?’
‘O-o. Je bent toch niet nu al op een van hen verliefd geworden, hè?’ plaagde Lucia haar. ‘Nieuwe patiënten worden naar de oostvleugel gebracht, waar ze helemaal goed worden onderzocht.’
‘De oostvleugel,’ zei Luce haar voor zichzelf na.
‘Maar je moet eerst naar juffrouw Fiero, op de verpleegsterspost. Zij doet de inschrijving en de planning.’ Lucia giechelde weer, liet haar stem dalen en boog zich naar Luce toe. ‘En je moet naar de dokter, op dinsdagmiddag!’
Het enige wat Luce kon doen was Lucia aanstaren. Van dichtbij was haar vorige ik heel echt, heel levend, precies het soort meisje met wie Luce ogenblikkelijk bevriend zou zijn geraakt als de omstandigheden ook maar in de verste verte een beetje normaal te noemen waren geweest. Ze wilde Lucia omhelzen, maar ze werd door een onbeschrijflijke angst overspoeld. Ze had de wonden van zeven halfdode soldaten schoongemaakt – onder wie haar grote liefde –, maar tegenover Lucia wist ze niet goed wat ze moest doen. Het meisje was volgens haar veel te jong om ook maar iets van de geheimen te weten waarnaar Luce op zoek was – over de vloed, over de Verschoppelingen. Luce was bang dat ze Lucia alleen maar angst zou aanjagen als ze over reïncarnatie en de Hemel begon te praten. Er was iets met Lucia’s ogen, iets met haar onschuld waardoor Luce zich realiseerde dat het meisje nog minder wist dan zijzelf.
Ze stapte uit de ambulance op de grond en liep achteruit.
‘Leuk om kennis met je te maken, Doria,’ riep Lucia.
Maar Luce was al weg.
Luce had er zes verkeerde kamers, drie geschrokken soldaten en één omgevallen medicijnkastje voor nodig voor ze hem gevonden had.
Daniël lag met twee andere soldaten in een kamer in de oostvleugel. Een van hen was een stille man wiens hele gezicht in het verband zat. De andere soldaat lag luidkeels te snurken, met een fles whisky niet erg goed onder zijn kussen verstopt en twee gebroken benen die omhoog in een steun lagen.
De kamer zelf was kaal en steriel, maar had wel een raam dat uitkeek op een brede stadslaan met sinaasappelbomen erlangs.
Toen Luce bij zijn bed naar de slapende Daniël stond te kijken, zag ze het. Hoe hun liefde hier zou zijn opgebloeid. Ze zag Lucia de kamer binnenkomen om Daniël zijn maaltijden te brengen, en hoe hij zich langzaam voor haar openstelde. Tegen de tijd dat Daniël was hersteld, waren die twee onafscheidelijk geworden. Ze werd er jaloers van, schuldbewust en verward, want ze wist op dat moment niet of hun liefde nu iets moois was of dat dit er het zoveelste voorbeeld van was dat hun liefde niet deugde.
Als ze zo jong was geweest toen ze elkaar leerden kennen, moesten ze in dit leven wel een lange relatie hebben gehad. Ze zou jaren met hem hebben kunnen doorbrengen voor het gebeurde. Voor ze doodging en volledig in een ander leven reïncarneerde. Ze moest gedacht hebben dat ze voor altijd bij elkaar zouden blijven – en ze had vast niet eens geweten hoe lang ‘voor altijd’ duurde.
Maar Daniël wist dat wel. Hij had het altijd geweten.
Luce zeeg op de rand van zijn bed neer, heel voorzichtig, om hem niet wakker te maken. Misschien was hij niet altijd zo gesloten en moeilijk te bereiken geweest. Ze had hem net nog gezien in hun leven in Moskou, en toen had hij op het kritieke moment, vlak voordat ze doodging, iets tegen haar gefluisterd. Als ze in dit leven met hem kon praten, zou hij haar misschien anders behandelen dan de Daniël deed die zij kende. Misschien dat hij dan niet zoveel voor haar verborgen hield. Misschien dat hij haar dan zou helpen om er meer van te begrijpen. Misschien dat hij haar voor de verandering de waarheid zou vertellen.
Dan kon ze terug naar het heden en dan hoefden er geen geheimen meer te zijn. Dat was het enige wat ze wilde: dat ze openlijk van elkaar konden houden. En dat zij niet dood hoefde te gaan.
Ze raakte voorzichtig zijn wang aan. Ze hield van zijn wang. Hij was geradbraakt, gewond en had waarschijnlijk een hersenschudding, maar zijn wang was warm en glad, en bovenal was het de wang van Daniël. Hij was net zo beeldschoon als altijd. Zijn gezicht zag er zo vredig uit in zijn slaap dat Luce wel uren vanuit allerlei verschillende hoeken naar hem had kunnen kijken zonder ook maar een moment verveeld te raken. In haar ogen was hij volmaakt. Zijn volmaakte lippen idem dito. Toen ze die met haar vinger aanraakte, voelden ze zo zacht aan dat ze zich wel voorover móést buigen voor een kus. Hij verroerde zich niet.
Ze ging met haar lippen langs zijn kaak, kuste de zijkant van zijn hals die geen blauwe plekken vertoonde en ging verder langs zijn sleutelbeen. Boven op zijn rechterschouder bleven haar lippen even dralen bij een wit littekentje.
Iemand anders was het waarschijnlijk niet opgevallen, maar Luce wist dat dit het plekje was waaruit Daniëls rechtervleugel ontsproot. Ze kuste het littekenweefsel. Ze vond het heel moeilijk om hem hulpeloos op dat ziekenhuisbed te zien liggen, terwijl ze wist waar hij allemaal toe in staat was. Als hij zijn vleugels om haar heen sloeg, was Luce altijd alles vergeten. Wat zou ze er niet voor overhebben om die zich nu te zien ontvouwen tot die reusachtige witte pracht die al het licht uit een vertrek leek weg te nemen! Ze legde haar hoofd op zijn schouder, en het litteken voelde warm aan tegen haar huid.
Haar hoofd vloog omhoog. Ze had zich niet gerealiseerd dat ze in slaap was gevallen; ze schrok wakker toen een brancard piepend over de onregelmatige houten vloer in de gang reed.
Hoe laat was het? De zon viel door het raam op de witte lakens die op de bedden lagen. Ze draaide haar schouder in een poging de stijfheid eruit te krijgen. Daniël sliep nog.
Het litteken op zijn schouder zag er in het ochtendlicht nog witter uit. Luce wilde de andere kant ook zien, het tweede litteken, maar daar zat gaas overheen. Zo te zien bloedde de wond niet meer.
De deur ging open en Luce schoot overeind.
In de deuropening stond Lucia met drie afgedekte dienbladen opgestapeld in haar armen. ‘O, ben je hier?’ Ze klonk verbaasd. ‘Dus ze hebben al ontbeten?’
Luce bloosde en schudde haar hoofd. ‘Ik… eh…’
‘Aha.’ Lucia’s ogen begonnen te stralen. ‘Die blik ken ik. Je hebt het van iemand te pakken.’ Ze zette de ontbijtbladen op een karretje en kwam naast Luce staan. ‘Wees maar niet bang, ik zal het niet verder vertellen… Zolang ik het er maar mee eens ben.’ Ze hield haar hoofd schuin om Daniël te kunnen zien en keek lang en aandachtig naar hem. Ze verroerde zich niet en hield haar adem in.
Luce merkte dat het meisje grote ogen opzette nu ze Daniël voor het eerst zag, en ze wist niet wat ze moest voelen. Medeleven. Afgunst. Verdriet. Het zat er allemaal.
‘Jeetje, hij is hémels.’ Lucia klonk alsof ze elk moment kon gaan huilen. ‘Hoe heet hij?’
‘Hij heet Daniël.’
‘Daniël,’ herhaalde het jongere meisje, en toen de naam van haar lippen rolde, kreeg die een heilige klank. ‘Ooit leer ik ook zo’n man kennen. Ooit breng ik ze allemaal het hoofd op hol. Net als jij, Doria.’
‘Hoe bedoel je?’ vroeg Luce.
‘Ken je die andere soldaat, twee deuren verderop?’ Lucia richtte zich tot Luce zonder ook maar een moment haar ogen van Daniël af te houden. ‘Giovanni, weet je wel?’
Luce schudde haar hoofd. Die kende ze niet.
‘De soldaat die elk moment geopereerd kan worden. Die vraagt de hele tijd naar je.’
‘Giovanni.’ De jongen die in zijn buik geraakt was. ‘Gaat alles goed met hem?’
‘Ja hoor.’ Lucia glimlachte. ‘Ik zal hem maar niet vertellen dat je een vriendje hebt.’ Ze knipoogde naar Luce en wees op de dienbladen met het ontbijt. ‘Doe jij de maaltijden maar,’ zei ze, terwijl ze naar buiten liep. ‘Kom je straks naar me toe? Ik wil alles over Daniël en jou horen. Het hele verhaal, oké?’
‘Goed hoor,’ jokte Luce, en de moed zonk haar in de schoenen.
Toen Luce weer alleen met Daniël was, werd ze zenuwachtig. In de achtertuin van haar ouders, na het gevecht met de Verschoppelingen, had Daniël dodelijk geschrokken gekeken toen hij haar door de Verkondiger zag stappen. In Moskou ook. Wie weet wat deze Daniël zou doen als hij zijn ogen opendeed en erachter kwam waar zij vandaan was gekomen?
Als hij al ooit zijn ogen opendeed.
Ze boog zich weer over zijn bed. Hij moest zijn ogen wel opendoen, toch? Engelen konden niet doodgaan. Logisch gezien dacht ze dat het onmogelijk was, maar stel nou dat zij, door terug te gaan in de tijd, iets in de war had gestuurd? Ze had Back to the Future-films gezien en ze had ooit bij natuurkunde een proefwerk over kwantumfysica gemaakt. Door hier te zijn stuurde ze vermoedelijk het continuüm van ruimte en tijd in de war. En Steven Filmore, de demon die op de Kustschool geesteswetenschappen gaf, had iets gezegd over de tijd veranderen.
Ze wist niet goed wat dat betekende, maar ze wist wel dat het héél erg kon zijn. Erg in die zin dat je daarmee je hele bestaan kon wegvagen. Of misschien erg in de zin dat je je engelenvriendje ermee kon doden.
Op dat moment raakte Luce in paniek. Ze pakte Daniëls schouders beet en begon aan hem te schudden. Heel licht, heel zacht – hij had immers een oorlog meegemaakt. Maar hard genoeg om hem te laten weten dat ze een teken nodig had. En wel meteen.
‘Daniël,’ fluisterde ze. ‘Daniël?’
Kijk. Zijn oogleden begonnen te trillen. Ze blies haar adem uit. Zijn ogen gingen langzaam open, net zoals de avond ervoor. En net zoals toen sperde hij ze wijd open, toen hij het meisje zag dat voor hem stond. Zijn lippen gingen uiteen. ‘Wat ben je… oud.’
Luce bloosde. ‘Niet waar,’ zei ze lachend. Er had nog nooit iemand tegen haar gezegd dat ze oud was.
‘Wel waar. Je bent heel oud.’ Hij keek bijna teleurgesteld. Hij wreef over zijn voorhoofd. ‘Ik bedoel… Hoe lang ben ik…?’
Toen wist ze het weer: Lucia was een paar jaar jonger. Maar Daniël had Lucia nog niet eens ontmoet. Hoe kon hij dan weten hoe oud ze was?
‘Maak je daar maar geen zorgen over,’ zei ze. ‘Ik moet je iets vertellen, Daniël. Ik ben… Ik ben niet wie je denkt. Ik bedoel, ik ben natuurlijk, denk ik, altijd mezelf, maar dit keer ben ik uit… eh…’
Daniël vertrok zijn gezicht. ‘Natuurlijk. Je bent doorgestapt om hier te komen.’
Ze knikte. ‘Ik moest wel.’
‘Ik was het vergeten,’ fluisterde hij, en toen begreep Luce er nog minder van. ‘Van hoe ver weg? Nee. Vertel maar niet.’ Hij wuifde haar weg en deinsde in zijn bed een stukje achteruit alsof ze een of andere ziekte had. ‘Hoe kán dat? Er waren geen vluchtwegen in de vloek. Jij zou hier helemaal niet moeten kunnen zijn.’
‘Vluchtwegen?’ vroeg Luce. ‘Wat voor soort vluchtwegen? Ik moet het weten!’
‘Ik kan je niet helpen,’ zei hij, en hij hoestte. ‘Je moet er zelf achter komen. Dat zijn de regels.’
‘Doria.’ In de deuropening stond een vrouw die Luce nog nooit had gezien. Ze was ouder, blond, zag er streng uit en had een gesteven kapje van het Rode Kruis schuin op haar hoofd gespeld. Luce had niet meteen door dat de vrouw het tegen haar had. ‘Jij bent toch Doria? De nieuwe?’
‘Ja,’ zei Luce.
‘We moeten deze ochtend je papieren in orde maken,’ zei de vrouw kortaf. ‘Ik heb helemaal geen gegevens van je. Maar eerst moet je iets voor me doen.’
Luce knikte. Ze snapte best dat er problemen waren, maar ze had wel iets belangrijkers aan haar hoofd dan deze vrouw en haar papieren.
‘Soldaat Bruno gaat naar de operatiekamer,’ zei de verpleegster.
‘Oké.’ Luce probeerde zich op de verpleegster te concentreren, maar ze wilde eigenlijk alleen maar haar gesprek met Daniël voortzetten. Ze had eindelijk iets te pakken, ze had eindelijk weer een puzzelstukje van haar levens gevonden!
‘Soldaat Giovanni Bruno? Hij heeft gevraagd of de verpleegster die dienst heeft kan worden vervangen. Hij zegt dat hij verliefd is op de verpleegster die zijn leven heeft gered. Zijn engel?’ De vrouw keek Luce doordringend aan. ‘Van de meisjes heb ik gehoord dat jij dat bent.’
‘Nee,’ zei Luce, ‘ik ben geen…’
‘Doet er niet toe. Hij denkt dat nu eenmaal.’ De verpleegster wees naar de deur. ‘Kom, we gaan.’
Luce stond op van Daniëls bed. Hij wendde zijn blik van haar af en keek naar buiten. Ze zuchtte. ‘Ik móét met je praten,’ fluisterde ze, hoewel hij haar niet aankeek. ‘Ik ben zo terug.’
De operatie viel haar mee. Luce hoefde alleen Giovanni’s kleine zachte hand vast te houden, dingen te fluisteren, de dokter een paar instrumenten aan te geven en vooral niet te kijken toen hij zijn hand in de donkerrode massa van Giovanni’s openliggende buik stak om er de bebloede granaatscherven uit te halen. Als de dokter zich al verbaasde over haar in het oog springende gebrek aan ervaring, zei hij er niets over. Ze was hooguit een uur weg.
Net lang genoeg om Daniëls bed leeg aan te treffen toen ze daar weer terugkwam.
Lucia was de lakens aan het verschonen. Ze rende naar Luce toe, en Luce dacht dat ze haar ging omhelzen. In plaats daarvan zeeg ze voor haar neus in elkaar.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Luce. ‘Waar is hij naartoe?’
‘Ik weet het niet.’ Het meisje begon te huilen. ‘Hij is weggegaan. Gewoon weggegaan. Ik weet niet waarnaartoe.’ Ze keek naar Luce op, met tranen in haar lichtbruine ogen. ‘Hij zei dat ik je de groeten moest doen.’
‘Hij kan niet weg zijn,’ zei Luce heel zacht. Ze hadden niet eens de kans gehad om met elkaar te praten…
Natuurlijk niet. Daniël had precies geweten wat hij deed toen hij wegging. Hij wilde haar niet de hele waarheid vertellen. Hij hield iets voor haar verborgen. Wat waren dat eigenlijk voor regels, waar hij het over had gehad? En wat was het voor vluchtweg?
Lucia’s gezicht was roodaangelopen. Haar woorden werden onderbroken door hikken. ‘Ik weet dat het nergens op slaat dat ik huil, maar ik kan het niet uitleggen… Het voelt voor mij alsof er iemand is doodgegaan.’
Dat gevoel herkende Luce wel. Dat hadden ze met elkaar gemeen: als Daniël weg was, waren allebei de meisjes ontroostbaar. Luce balde haar vuisten en voelde zich boos en wanhopig. ‘Doe niet zo kinderachtig.’
Luce knipperde met haar ogen en dacht aanvankelijk dat het meisje dat tegen háár zei, maar toen drong tot haar door dat Lucia zichzelf bestraffend toesprak. Lucia rechtte haar rug en hield haar schokkende schouders weer hoog alsof ze de kalme houding terug probeerde te krijgen die de verpleegsters aan den dag hadden gelegd.
‘Lucia.’ Luce liep naar het meisje toe om haar te omhelzen.
Maar het meisje deinsde achteruit en draaide zich om van Luce naar Daniëls lege bed. ‘Het gaat alweer.’ Ze ging verder met het bed afhalen. ‘Het enige waar we iets over te zeggen hebben is het werk dat we doen. Dat zegt verpleegster Fiero altijd. De rest ligt buiten onze macht.’
Nee. Lucia zag het verkeerd, maar Luce wist niet hoe ze haar moest corrigeren. Luce begreep niet veel, maar dát begreep ze wel, namelijk dat haar leven niet buiten haar macht hoefde te liggen. Ze kon haar eigen lotsbestemming vormgeven. Op de een of andere manier. Ze was er nog niet helemaal achter hoe, maar ze voelde dat de oplossing naderbij kwam. Hoe zou ze zichzelf anders hier teruggevonden hebben? Hoe zou ze anders geweten hebben dat nu het moment was om verder te gaan?
In het late-ochtendlicht strekte een schaduw zich uit vanaf de voorraadkast in de hoek. Hij zag er wel uit als een schaduw die ze kon gebruiken, maar ze was er niet helemaal zeker van dat ze ook echt in staat was hem op te roepen. Ze concentreerde zich er even op en wachtte tot ze de plek zag waar de schaduw onvast werd.
Daar. Ze zag hem trekkende bewegingen maken. Ze verzette zich tegen de walging die ze nog steeds voelde en greep hem beet.
Aan de andere kant van de kamer was Lucia geconcentreerd bezig een bundeltje van de lakens te maken en vooral niet te laten merken dat ze nog steeds huilde.
Luce ging snel te werk en trok de Verkondiger in een bolvorm. Vervolgens trok ze hem met haar vingers sneller uit elkaar dan ze ooit eerder had gedaan.
Ze hield haar adem in, deed een wens en verdween.