Hoofdstuk 16
Bruno wordt geschoren
Het was nu bijna een jaar geleden dat Bruno Maria zijn spullen had zien inpakken toen hij thuiskwam, en zijn herinneringen aan het leven in Berlijn waren bijna allemaal vervaagd. Als hij terugdacht kon hij zich herinneren dat Karl en Martin twee van zijn drie beste vrienden waren voor altijd, maar hoe hij ook probeerde, hij kon zich niet meer herinneren wie de derde was. En toen gebeurde er iets waardoor hij twee dagen lang uit Oudwis weg kon en terug kon keren naar zijn oude huis: grootmoeder was gestorven en het gezin moest naar huis voor de begrafenis.
Terwijl hij daar was, realiseerde Bruno zich dat hij niet meer zo klein was als toen hij vertrok want hij kon over dingen heen kijken waar hij daarvoor niet overheen had kunnen kijken, en toen ze in hun oude huis logeerden kon hij door het raam op de bovenste verdieping over Berlijn uit kijken zonder dat hij op zijn tenen hoefde te gaan staan.
Bruno had zijn grootmoeder sinds zijn vertrek uit Berlijn niet meer gezien maar hij had elke dag aan haar gedacht. Wat hij zich vooral van haar herinnerde waren de toneelstukken die zij en hij en Gretel opvoerden met Kerstmis en op verjaardagen en dat ze voor hem altijd precies het juiste kostuum had, welke rol hij ook speelde. Toen hij eraan dacht dat dit nu nooit meer zou kunnen werd hij wel heel verdrietig.
De twee dagen die ze in Berlijn doorbrachten waren ook heel verdrietige dagen. Er was een begrafenis, en Bruno en Gretel en vader en moeder en grootvader zaten op de eerste rij, vader in zijn indrukwekkendste uniform, het gesteven en geperste exemplaar met de onderscheidingen. Vader was vooral bedroefd, zei moeder tegen Bruno, omdat hij ruzie had gemaakt met grootmoeder en ze het niet hadden bijgelegd voor ze stierf.
Er werden veel kransen bij de kerk bezorgd en vader was er trots op dat een ervan van de Furie kwam, maar toen moeder dat hoorde zei ze dat grootmoeder zich in haar graf zou omdraaien als ze het wist.
Bruno was bijna blij toen ze weer naar Oudwis teruggingen. Het huis daar was nu zijn thuis geworden en hij zat er nu niet meer over in dat het maar drie verdiepingen had in plaats van vijf, en het kon hem niet meer zoveel schelen dat de soldaten kwamen en gingen alsof het hun huis was. Het begon hem langzaam te dagen dat het daar toch niet zo slecht was, vooral sinds hij Shmuel had ontmoet. Hij wist dat er veel dingen waren waar hij blij mee moest zijn, zoals het feit dat vader en moeder nu steeds opgewekt waren en dat moeder haar middagslaapjes en haar medicinale sherry niet meer zo nodig had. En Gretel zat in haar puberteit – moeders woorden – en liet hem voornamelijk met rust.
En dan was er nog het feit dat luitenant Kotler was overgeplaatst en niet in de buurt rondhing om Bruno steeds boos en overstuur te maken. (Hij was plotseling vertrokken en vader en moeder hadden er laat op de avond flink over staan schreeuwen, maar hij was weg, dat was zeker, en hij kwam niet terug; Gretel was ontroostbaar.) Dat was nog iets om blij om te zijn: niemand noemde hem meer ‘ventje’.
Maar het allerbeste was dat hij een vriend had die Shmuel heette.
Hij genoot ervan om elke middag langs het hek te wandelen en het deed hem plezier dat zijn vriend nu veel gelukkiger scheen en dat zijn ogen niet zo diep in hun kassen leken te liggen, ook al was zijn lijf nog belachelijk mager en zag zijn gezicht nog steeds grauw.
Op een dag, toen hij tegenover hem zat op hun vaste plek, merkte Bruno op: ‘Ik heb nog nooit zo’n vreemde vriendschap gehad.’
‘Hoezo?’ vroeg Shmuel.
‘Omdat ik met alle jongens kon spelen,’ antwoordde hij. ‘Wij spelen nooit samen. Het enige wat wij doen is zitten en praten.’
‘Ik zit graag met jou te praten,’ zei Shmuel.
‘Ja, ik ook natuurlijk,’ zei Bruno. ‘Maar het is jammer dat we niet af en toe iets spannends kunnen doen. Op ontdekkingsreis gaan, bijvoorbeeld. Of voetballen. We hebben elkaar zelfs nooit gezien zonder al dit gaas tussen ons.’
Bruno maakte vaak dat soort opmerkingen omdat hij net wilde doen alsof de gebeurtenis van een paar maanden geleden, toen hij zijn vriendschap met Shmuel had verloochend, nooit had plaatsgehad. Het zat hem nog steeds dwars en hij had er een slecht gevoel over, ook al leek Shmuel het helemaal vergeten te zijn, wat hem sierde.
‘Misschien gebeurt dat nog weleens,’ zei Shmuel. ‘Als ze ons er ooit uit laten.’
Bruno begon steeds meer na te denken over de twee kanten van het hek en over de vraag waarom het hek er eigenlijk was. Hij dacht eraan om het er met vader en moeder over te hebben maar hij vermoedde dat ze ofwel boos zouden worden als hij erover begon of dat ze hem iets onaangenaams over Shmuel en zijn familie zouden vertellen, dus deed hij iets heel onverwachts. Hij besloot met het hopeloze geval te gaan praten.
Gretels kamer was erg veranderd sinds de laatste keer dat hij daar was geweest. Er was bijvoorbeeld geen pop meer te bekennen. Op een middag ongeveer een maand geleden, rond de tijd dat luitenant Kotler uit Oudwis was vertrokken, had Gretel besloten dat ze niet meer van poppen hield en ze had ze allemaal in vier grote zakken gestopt en weggegooid. In hun plaats had ze nu kaarten van Europa opgehangen die ze van vader had gekregen, en elke dag stak ze er kleine spelden in en bewoog die voortdurend over de kaart heen en weer na het raadplegen van de krant. Bruno dacht dat ze misschien gek aan het worden was. Aan de andere kant plaagde en pestte ze hem veel minder dan daarvoor, dus dacht hij dat het geen kwaad kon om met haar te gaan praten.
‘Hallo,’ zei hij, terwijl hij beleefd op haar deur klopte omdat hij wist hoe kwaad ze altijd werd als hij zomaar binnenliep.
‘Wat moet je?’ vroeg Gretel, die achter haar kaptafel zat en iets nieuws probeerde met haar haren.
‘Niets,’ zei Bruno.
‘Ga dan maar weer weg.’
Bruno knikte maar stapte toch naar binnen en ging op de rand van het bed zitten. Gretel keek naar hem vanuit haar ooghoeken maar zei niets.
‘Gretel,’ zei hij ten slotte, ‘mag ik je iets vragen?’
‘Als je het snel doet,’ zei ze.
‘Alles hier in Oudwis...’ begon hij, maar ze onderbrak hem onmiddellijk.
‘Het heet geen Oudwis, Bruno,’ zei ze kwaad, alsof het de grootste fout ter wereld was die iemand ooit had gemaakt. ‘Waarom kun je dat nou niet goed uitspreken?’
‘Het héét Oudwis,’ protesteerde hij.
‘Niet,’ hield ze vol en sprak de naam van het kamp goed uit.
Bruno keek verwonderd en haalde tegelijkertijd zijn schouders op. ‘Dat zei ik toch?’ zei hij.
‘Nee, dat deed je niet. Trouwens, ik ga daar met jou geen discussie over voeren,’ zei Gretel, die haar geduld, waar ze toch al niet te veel van had, alweer kwijtraakte. ‘Wat is er, trouwens? Wat wil je weten?’
‘Ik wil iets vragen over het hek,’ zei hij flink, omdat dat het belangrijkste leek. ‘Ik wil weten waarom het er is.’
Gretel draaide zich om op haar stoel en keek hem nieuwsgierig aan. ‘Wil je zeggen dat je dat niet weet?’ vroeg ze.
‘Nee,’ zei Bruno. ‘Ik begrijp niet waarom wij niet aan de andere kant mogen komen. Wat is er zo verkeerd aan ons dat we er niet naartoe mogen om te spelen?’
Gretel staarde hem aan en barstte toen ineens in lachen uit, ze hield daar pas mee op toen ze zag dat Bruno het meende.
‘Bruno,’ zei ze alsof ze het tegen een klein kind had en alsof iedereen het allang wist, ‘het hek is er niet om te zorgen dat wij daar niet heen gaan. Het is er om te zorgen dat zij niet hier komen.’
Bruno dacht hierover na maar het werd er voor hem niet duidelijker op. ‘Maar waarom?’ vroeg hij.
‘Omdat zij bij elkaar moeten blijven,’ legde Gretel uit.
‘Bij hun familie, bedoel je?’
‘Nou, ja, bij hun familie. Maar ook bij hun eigen soort.’
‘Wat bedoel je, hun eigen soort?’
Gretel zuchtte en schudde haar hoofd. ‘Bij de andere Joden, Bruno. Wist je dat niet? Daarom moeten ze bij elkaar blijven. Ze mogen zich niet met ons mengen.’
‘Joden,’ zei Bruno, het woord uitproberend. Hij vond het wel aardig klinken. ‘Joden,’ herhaalde hij. ‘Alle mensen aan die kant van het hek zijn Joden.’
‘Ja, dat klopt,’ zei Gretel.
‘Zijn wij Joden?’
Gretel sperde haar mond wijd open alsof ze een klap in haar gezicht had gekregen. ‘Nee, Bruno,’ zei ze. ‘Nee, dat zijn we absoluut niet. Zoiets mag je niet eens zeggen.’
‘Maar waarom niet? Wat zijn wij dan?’
‘Wij zijn...’ begon Gretel, maar toen moest ze even nadenken. ‘Wij zijn...’ herhaalde ze, maar ze wist niet zeker wat het goede antwoord was op die vraag. ‘Nou, we zijn geen Joden,’ zei ze ten slotte.
‘Ja, dat weet ik nou wel,’ zei Bruno geërgerd. ‘Daarom vroeg ik, als wij geen Joden zijn, wat zijn we dan wel?’
‘Wij zijn het tegenovergestelde,’ zei Gretel snel en ze klonk een stuk tevredener met dit antwoord. ‘Ja, dat is het. Wij zijn het tegenovergestelde.’
‘Goed,’ zei Bruno, blij dat hij het eindelijk begon te begrijpen. ‘En de tegenovergestelden wonen aan deze kant van het hek en de Joden aan de andere kant.’
‘Juist, Bruno.’
‘Vinden de Joden de tegenovergestelden niet aardig dan?’
‘Nee, wij vinden hen niet aardig, stommerd.’
Bruno fronste zijn voorhoofd. Er was al zo vaak tegen Gretel gezegd dat ze hem niet stom mocht noemen maar ze ging er gewoon mee door.
‘Nou, waarom vinden wij hen niet aardig?’ vroeg hij.
‘Omdat het Joden zijn,’ zei Gretel.
‘Ik snap het. De tegenovergestelden en de Joden kunnen niet met elkaar opschieten.’
‘Nee, Bruno,’ zei Gretel, maar ze zei het langzaam, omdat ze iets in haar haren had zien zitten wat ze nu angstvallig onderzocht.
‘Nou, kan iemand ze dan niet gewoon bij elkaar brengen en...’
Bruno werd onderbroken door een snerpende gil van Gretel; een gil die moeder wekte uit haar middagslaapje en de kamer binnen deed rennen om te zien wie van haar kinderen de ander had vermoord.
Terwijl ze met haar haren bezig was had Gretel een eitje ontdekt, niet groter dan een speldenknop. Ze liet het aan moeder zien, die haar hoofd onderzocht, de haren hier en daar scheidend voor ze op Bruno afliep en bij hem hetzelfde deed.
‘O, ik wist het wel,’ zei moeder kwaad. ‘Zoiets kun je op een plek als dit verwachten.’
Gretel en Bruno bleken alle twee luizen te hebben, en Gretel moest met een speciale shampoo behandeld worden die afschuwelijk stonk en daarna zat ze uren in haar kamer de ogen uit haar hoofd te huilen.
Bruno kreeg die shampoo ook, maar toen besloot vader dat hij maar het beste helemaal opnieuw kon beginnen en hij pakte een scheerapparaat en schoor al Bruno’s haar eraf, waar Bruno van moest huilen. Het duurde niet lang en hij vond het vreselijk om zijn haar naar beneden te zien dwarrelen en op de vloer bij zijn voeten terecht te zien komen, maar vader zei dat het moest.
Daarna bekeek Buno zichzelf in de spiegel van de badkamer en voelde zich beroerd. Zijn hele hoofd zag er misvormd uit nu hij kaal was en zijn ogen leken te groot voor zijn gezicht. Hij werd bijna bang van zijn eigen spiegelbeeld.
‘Wees maar niet bang,’ stelde vader hem gerust. ‘Het groeit weer aan. Het duurt maar een paar weken.’
‘Het komt door al die smerigheid hier,’ zei moeder. ‘Ik wou dat sommige mensen eens inzagen wat deze plek met ons doet.’
Toen hij zichzelf in de spiegel zag moest Bruno onwillekeurig denken hoeveel hij nu op Shmuel leek, en hij vroeg zich af of alle mensen aan die kant van het hek ook luis hadden en of dat de reden was dat al hun hoofden waren geschoren.
Toen hij de volgende dag zijn vriend ontmoette begon Shmuel te lachen bij het zien van Bruno, wat niet goed was voor zijn gevoel van eigenwaarde, dat toch al een deuk had opgelopen.
‘Ik zie er nu hetzelfde uit als jij,’ zei Bruno treurig, alsof het heel erg was om dat toe te geven.
‘Alleen dikker,’ gaf Shmuel toe.