Hoofdstuk 13
De fles wijn
Naarmate de weken elkaar opvolgden begon het Bruno duidelijk te worden dat hij in de nabije toekomst niet terug naar Berlijn zou gaan en dat hij het kon vergeten om binnenkort in zijn gezellige huis van trapleuningen te glijden of Karl of Daniël of Martin te zien.
Desondanks begon hij er elke dag meer aan te wennen om in Oudwis te zijn en voelde hij zich niet meer zo ongelukkig met zijn nieuwe leven. Per slot van rekening was het niet meer zo dat hij niemand had om mee te praten. Elke middag na de les maakte Bruno de lange wandeling langs het hek en ging met zijn nieuwe vriend Shmuel zitten praten tot het tijd werd om naar huis te gaan, en dat begon op te wegen tegen alle keren dat hij Berlijn had gemist.
Op een middag stond hij wat brood en kaas uit de keukenkoelkast in zijn zakken te stoppen om mee te nemen, toen Maria binnenkwam; ze stond stil toen ze zag wat hij aan het doen was.
‘Hallo,’ zei Bruno en hij probeerde zo nonchalant mogelijk te klinken. ‘U liet me schrikken. Ik hoorde u niet aankomen.’
‘U bent toch niet weer aan het eten?’ vroeg Maria lachend. ‘U hebt vanmiddag toch gegeten? Hebt u nu weer honger?’
‘Een beetje,’ zei Bruno. ‘Ik ga wandelen en ik dacht dat ik onderweg misschien trek zou krijgen.’
Maria haalde haar schouders op en liep naar het fornuis waar ze een pan water opzette. Op het aanrecht daarnaast lag een hoop aardappelen en wortelen klaar om later op de middag door Pavel te worden schoongemaakt. Bruno stond op het punt om te vertrekken toen zijn oog erop viel en in zijn hoofd kwam een vraag op die hem al een tijdje dwarszat. Daarvoor had hij niemand geweten aan wie hij dat kon vragen, maar dit leek de juiste persoon op het juiste moment.
‘Maria,’ zei hij, ‘mag ik u iets vragen?’
Het dienstmeisje draaide zich om en keek hem verbaasd aan. ‘Natuurlijk jongeheer Bruno,’ zei ze.
‘En als ik u dat vraag, belooft u dan aan niemand te vertellen dat ik het gevraagd heb?’
Ze kneep achterdochtig haar ogen tot spleetjes maar knikte. ‘Goed,’ zei ze. ‘Wat wilt u weten?’
‘Het gaat over Pavel,’ zei Bruno. ‘U kent hem wel, denk ik? Dat is de man die de groente komt schoonmaken en ons daarna aan tafel bedient.’
‘Ja zeker,’ zei Maria lachend. Ze klonk opgelucht dat zijn vraag niet over iets ernstigers ging. ‘Ik ken Pavel. We hebben elkaar al meerdere keren gesproken. Wat wilt u over hem weten?’
‘Nou,’ zei Bruno, zijn woorden zorgvuldig kiezend voor het geval hij iets zei dat hij niet mocht zeggen, ‘weet u nog dat ik net nadat we hier kwamen een schommel in de eikenboom gemaakt heb en dat ik toen ben gevallen en mijn knie heb bezeerd?’
‘Ja,’ zei Maria. ‘Het doet toch niet weer pijn?’
‘Nee, daar gaat het niet om,’ zei Bruno. ‘Maar toen ik me bezeerde, was Pavel de enige volwassene in de buurt en hij droeg me naar binnen, maakte mijn knie schoon en deed er groen spul op, wat prikte, maar ik denk dat het spul het beter maakte, en toen deed hij er een pleister op.’
‘Dat zou iedereen doen als iemand zich had bezeerd,’ zei Maria.
‘Dat weet ik,’ ging hij door. ‘Alleen vertelde hij toen dat hij niet echt een bediende was.’
Maria’s gezicht verstrakte een beetje en ze zei een tijdje niets. In plaats daarvan wendde ze haar ogen af en ging met haar tong over haar lippen voor ze knikte. ‘Zo,’ zei ze. ‘En wat was hij dan wel?’
‘Hij zei dat hij dokter was,’ zei Bruno. ‘Wat volgens mij niet waar is. Hij is toch geen dokter?’
‘Nee,’ zei Maria en schudde haar hoofd. ‘Nee, hij is geen dokter. Hij is een bediende.’
‘Ik wist het wel,’ zei Bruno zelfvoldaan. ‘Waarom zou hij dan tegen me gelogen hebben? Dat was toch nergens voor nodig?’
‘Pavel is geen dokter meer, Bruno,’ zei Maria zacht. ‘Maar dat was hij wel. In een ander leven. Voordat hij hier kwam.’
Bruno fronste zijn voorhoofd en dacht erover na. ‘Ik snap het niet,’ zei hij.
‘Er zijn er maar weinig die het wel snappen,’ zei Maria.
‘Maar als hij dokter was, waarom is hij dat dan nu niet meer?’
Maria zuchtte en keek uit het raam om zeker te weten dat er niemand aankwam, toen knikte ze in de richting van de stoelen en Bruno en zij gingen zitten.
‘Als ik jou vertel wat Pavel mij over zijn leven heeft verteld,’ zei ze, ‘dan mag je dat aan niemand vertellen, begrijp je dat? Want anders komen we vreselijk in de problemen.’
‘Ik zal het aan niemand zeggen,’ zei Bruno die dol was op geheimen en ze bijna nooit doorvertelde, behalve wanneer het echt moest natuurlijk en hij er verder niets aan kon doen.
‘Goed,’ zei Maria. ‘Dit is wat ik ervan weet.’
Bruno kwam te laat bij de plek aan het hek waar hij Shmuel elke dag ontmoette, maar zijn nieuwe vriend zat zoals gewoonlijk in kleermakerszit op de grond op hem te wachten.
‘Neem me niet kwalijk dat ik te laat ben,’ zei hij terwijl hij wat van het brood en de kaas door de afrastering aangaf – het beetje dat hij onderweg nog niet had opgegeten toen hij toch trek had gekregen. ‘Ik was met Maria aan het praten.’
‘Wie is Maria?’ vroeg Shmuel die niet opkeek terwijl hij het eten hongerig naar binnen schrokte.
‘Dat is ons dienstmeisje,’ legde Bruno uit. ‘Ze is heel aardig ook al zegt vader dat ze te duur betaald is. Maar ze vertelde me over die man Pavel die onze groente klein snijdt en aan tafel bedient. Ik denk dat hij aan jouw kant van het hek woont.’
Shmuel keek even op en stopte met eten. ‘Aan mijn kant?’ vroeg hij.
‘Ja. Ken je hem? Hij is heel oud en heeft een wit jasje dat hij aandoet als hij het eten opdient. Je hebt hem waarschijnlijk weleens gezien.’
‘Nee,’ zei Shmuel en schudde zijn hoofd. ‘Ik ken hem niet.’
‘Maar dat moet,’ zei Bruno geïrriteerd, alsof Shmuel met opzet moeilijk deed. ‘Hij is niet zo groot als sommige andere volwassenen en hij heeft grijs haar en loopt een beetje gebogen.’
‘Ik denk dat jij niet beseft hoeveel mensen er aan deze kant van het hek wonen,’ zei Shmuel. ‘We zijn met duizenden.’
‘Maar deze heet Pavel,’ hield Bruno aan. ‘Toen ik van mijn schommel viel heeft hij mijn wond schoongemaakt zodat ik geen infectie kreeg en een pleister op mijn been gedaan. Maar ik wilde je over hem vertellen omdat hij uit Polen komt. Net als jij.’
‘De meesten van ons komen uit Polen,’ zei Shmuel. ‘Maar ook een paar ergens anders vandaan, uit Tsjechoslowakije bijvoorbeeld en...’
‘Ja, maar daarom dacht ik dat je hem misschien kende. Hoe dan ook, hij was dokter in de stad waar hij woonde voordat hij hier kwam maar hij mag geen dokter meer zijn en als vader had geweten dat hij mijn knie had schoongemaakt toen ik me pijn had gedaan dan had er wat gezwaaid.’
‘De soldaten zien mensen niet graag beter worden,’ zei Shmuel en slikte de laatste hap brood door. ‘Eerder het tegenovergestelde.’
Bruno knikte, ook al wist hij niet helemaal wat Shmuel bedoelde, en staarde naar de lucht. Na een tijdje keek hij door het gaas en stelde een andere vraag die hem dwars had gezeten.
‘Weet jij wat je wilt worden als je groot bent?’ vroeg hij.
‘Ja,’ zei Shmuel. ‘Ik wil in een dierentuin werken.’
‘Een dierentuin?’ vroeg Bruno.
‘Ik hou van dieren,’ zei Shmuel zachtjes.
‘Ik word soldaat,’ zei Bruno beslist. ‘Net als vader.’
‘Ik zou geen soldaat willen worden,’ zei Shmuel.
‘Niet zo een als luitenant Kotler,’ zei Bruno er snel achteraan. ‘Niet eentje die rondloopt alsof het allemaal van hem is en met je zus staat te lachen en met je moeder staat te fluisteren. Hij is volgens mij helemaal geen goede soldaat. Ik bedoel zoals vader. Een van de goede soldaten.’
‘Er zijn geen goede soldaten,’ zei Shmuel.
‘Natuurlijk wel,’ zei Bruno.
‘Wie dan?’
‘Nou, vader bijvoorbeeld,’ zei Bruno. ‘Daarom heeft hij zo’n prachtig uniform en noemt iedereen hem Herr Kommandant en doen ze alles wat hij zegt. De Furie heeft grote plannen met hem omdat hij zo’n goede soldaat is.’
‘Er zijn geen goede soldaten,’ herhaalde Shmuel.
‘Behalve vader,’ herhaalde Bruno, die hoopte dat Shmuel dat niet nog een keer zou zeggen want hij wilde geen ruzie met hem krijgen. Per slot van rekening was hij de enige vriend die hij hier in Oudwis had. Maar vader was vader, en Bruno vond het niet juist dat iemand iets slechts over hem zei.
Beide jongens hielden zich een paar minuten stil, geen van beiden wilde iets zeggen waar hij spijt van zou krijgen.
‘Je weet niet hoe het hier is,’ zei Shmuel ten slotte zachtjes, nauwelijks verstaanbaar voor Bruno.
‘Jij hebt zeker geen zussen?’ vroeg Bruno snel en deed net of hij het niet had gehoord omdat hij dan geen antwoord hoefde te geven.
‘Nee,’ zei Shmuel hoofdschuddend.
‘Dan heb je geluk,’ zei Bruno. ‘Gretel is nog maar twaalf en ze denkt dat ze alles al weet maar eigenlijk is ze een hopeloos geval. Ze zit uit haar raam te kijken en als ze luitenant Kotler aan ziet komen rent ze naar beneden de gang in en doet ze net alsof ze daar al was. Een paar dagen geleden heb ik haar betrapt toen ze dat deed en toen hij binnenkwam schrok ze en zei: “Jeetje, luitenant Kotler, ik wist niet dat u hier was,” en ik weet zeker dat ze op hem stond te wachten.’
Bruno had Shmuel niet aangekeken toen hij dat allemaal vertelde, maar toen hij weer keek zag hij dat zijn vriend nog bleker was geworden dan anders.
‘Wat is er?’ vroeg hij. ‘Je ziet eruit alsof je moet over- geven.’
‘Ik praat liever niet over hem,’ zei Shmuel.
‘Over wie?’ vroeg Bruno.
‘Luitenant Kotler. Ik ben bang voor hem.’
‘Ik ben ook een beetje bang voor hem,’ gaf Bruno toe. ‘Het is een pestkop. En hij ruikt raar. Dat komt door al dat reukwater dat hij opdoet.’ En toen begon Shmuel zachtjes te beven en Bruno keek om zich heen, alsof hij eerder kon zien dan voelen of het koud was of niet. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij. ‘Zo koud is het toch niet? Je had ook een trui mee moeten nemen. Het wordt al koud ’s avonds.’
Later die avond merkte Bruno tot zijn teleurstelling dat luitenant Kotler met hem, vader en moeder en Gretel mee aan tafel schoof. Pavel droeg zoals gewoonlijk zijn witte jasje en bediende hen onder het eten.
Bruno keek naar Pavel die de tafel rondging en merkte dat hij een treurig gevoel kreeg als hij naar hem keek. Hij vroeg zich af of het witte jasje dat hij als bediende droeg hetzelfde was als het witte jasje dat hij vroeger als dokter had gedragen. Toen hij de borden binnen bracht en voor iedereen neerzette, ging hij terwijl zij aten en praatten, achter tegen de muur staan en hield zich doodstil, hij keek niet voor zich maar ook weer wel. Het was alsof zijn lichaam staande met open ogen in slaap was gevallen.
Wanneer iemand ook maar iets nodig had, bracht Pavel het meteen, maar hoe langer Bruno naar hem keek hoe zekerder hij wist dat er een ramp ging gebeuren. Hij leek elke week steeds kleiner te worden, voor zover dat mogelijk was, en de kleur die op zijn wangen had moeten zitten was bijna helemaal weggetrokken. Zijn ogen leken vol tranen en Bruno dacht dat even flink knipperen weleens een stortvloed op gang zou kunnen brengen.
Toen Pavel binnenkwam met de borden, zag Bruno zonder het te willen dat zijn handen licht beefden omdat ze te zwaar voor hem waren. En toen hij achteruit stapte naar waar hij altijd stond leek hij te wankelen op zijn benen en moest hij een hand tegen de muur houden om houvast te krijgen. Moeder moest twee keer om nog wat soep vragen voor hij haar hoorde, en hij liet de lege fles wijn staan zonder op tijd een andere open te trekken om vaders glas te vullen.
‘We mogen van meneer Liszt geen poëzie of toneelstukken lezen,’ klaagde Bruno tijdens het hoofdgerecht. Omdat ze een gast aan tafel hadden was het gezin formeel gekleed: vader in zijn uniform, moeder in een groene jurk die haar ogen goed liet uitkomen, en Gretel en Bruno in de kleren die ze in Berlijn naar de kerk droegen. ‘Ik vroeg hem of we ze dan tenminste één dag per week mochten lezen maar hij zei nee, niet zolang hij verantwoordelijk was voor onze opvoeding.’
‘Daar zal hij zijn redenen wel voor hebben,’ zei vader, die in de weer was met de lamsbout.
‘Hij wil dat we alleen geschiedenis en aardrijkskunde leren,’ zei Bruno. ‘En ik begin geschiedenis en aardrijkskunde te haten.’
‘Geen woorden als haten gebruiken, Bruno, alsjeblieft,’ zei moeder.
‘Waarom heb je een hekel aan geschiedenis?’ vroeg vader, die even zijn vork neerlegde en over de tafel naar zijn zoon keek, die zijn schouders ophaalde, een slechte gewoonte van hem.
‘Omdat het saai is,’ zei hij.
‘Saai?’ zei vader. ‘Een zoon van mij die het bestuderen van de geschiedenis saai noemt? Ik zal je eens wat vertellen, Bruno,’ vervolgde hij terwijl hij naar voren leunde en met zijn mes naar de jongen wees, ‘dankzij de geschiedenis zijn we nu waar we zijn. Zonder geschiedenis zouden we nu niet om deze tafel zitten. Dan zouden we veilig om de tafel in ons huis in Berlijn zitten. We zijn hier om de geschiedenis recht te zetten.’
‘Ik vind het toch saai,’ herhaalde Bruno, die niet echt luisterde.
‘U moet het mijn broer maar niet kwalijk nemen, luitenant Kotler,’ zei Gretel en legde even haar hand op zijn arm, waardoor moeder haar aanstaarde en haar ogen dichtkneep. ‘Hij is een heel dom jongetje.’
‘Ik ben niet dom,’ snauwde Bruno, die genoeg had van haar beledigende opmerkingen. ‘U moet het mijn zus maar niet kwalijk nemen, luitenant Kotler,’ voegde hij er beleefd aan toe, ‘maar ze is een hopeloos geval. We kunnen weinig voor haar doen. De dokters zeggen dat er niets meer aan te doen is.’
‘Hou je mond,’ zei Gretel die knalrood werd.
‘Hou zelf je mond,’ zei Bruno met een brede glimlach.
‘Kinderen, alsjeblieft,’ zei moeder.
Vader tikte met zijn mes op tafel en iedereen was stil. Bruno gluurde even in zijn richting. Hij keek niet echt boos, maar wel alsof hij geen verdere discussie meer zou dulden.
‘Ik vond geschiedenis heerlijk toen ik klein was,’ zei luitenant Kotler nadat het een tijdje stil was geweest. ‘En hoewel mijn vader hoogleraar literatuur was aan de universiteit, hield ik meer van de sociale wetenschappen dan van de letteren.’
‘Dat wist ik niet, Kurt,’ zei moeder en draaide zich even naar hem toe om hem aan te kijken. ‘Geeft hij nog steeds les?’
‘Ik neem aan van wel,’ zei luitenant Kotler. ‘Ik weet het eigenlijk niet.’
‘Hoezo niet?’ vroeg ze met een verwonderde blik. ‘Heb je geen contact met hem?’
De jonge luitenant kauwde op een stuk lamsvlees en kreeg daardoor de gelegenheid om over zijn antwoord na te denken. Hij keek naar Bruno alsof hij er al spijt van had dat hij het onderwerp ter sprake had gebracht.
‘Kurt,’ herhaalde moeder, ‘heb je geen contact met je vader?’
‘Niet echt,’ antwoordde hij laatdunkend zijn schouders ophalend en hij vermeed haar aan te kijken. ‘Hij is een paar jaar geleden uit Duitsland vertrokken. In negentien achtendertig als ik me niet vergis. Sinds die tijd heb ik hem niet meer gezien.’
Vader hield even op met eten en keek een beetje bedenkelijk naar luitenant Kotler. ‘En waar is hij naartoe gegaan?’ vroeg hij.
‘Wat zegt u, Herr Kommandant?’ vroeg luitenant Kotler, ook al had vader heel duidelijk gesproken.
‘Ik vroeg u waar hij naartoe is gegaan,’ herhaalde die. ‘Uw vader. De hoogleraar in literatuur. Waar is hij naartoe gegaan toen hij uit Duitsland vertrok?’
Luitenant Kotler kreeg een kleur en hij hakkelde een beetje toen hij zijn mond opendeed. ‘Ik geloof... Ik geloof dat hij op het ogenblik in Zwitserland zit,’ zei hij uiteindelijk. ‘Het laatste wat ik heb gehoord is dat hij lesgeeft aan een universiteit in Bern.’
‘O, maar Zwitserland is een prachtig land,’ zei moeder snel. ‘Niet dat ik er ooit geweest ben, maar naar wat ik hoor...’
‘Hij kan niet erg oud zijn, uw vader,’ zei vader en zijn krachtige stem legde iedereen het zwijgen op. ‘Ik bedoel, u bent nog maar... hoe oud? Zeventien? Achttien jaar?’
‘Ik ben net negentien geworden, Herr Kommandant.’
‘Dus dan is uw vader... in de veertig, neem ik aan?’
Luitenant Kotler zei niets maar ging door met eten ook al leek hij het niet erg lekker te vinden.
‘Vreemd dat hij er niet voor heeft gekozen om in het vaderland te blijven,’ zei vader.
‘Mijn vader en ik kunnen niet goed met elkaar opschieten,’ zei luitenant Kotler snel en keek de tafel rond alsof hij iedereen uitleg was verschuldigd. ‘Echt, we hebben elkaar in jaren niet gesproken.’
‘En wat voor reden gaf hij, als ik vragen mag,’ ging vader door, ‘om Duitsland op het toppunt van ’s lands roem te verlaten, het moment waarop de nood het hoogst was, en het ieders plicht was om een bijdrage te leveren aan de wederopbouw van het Rijk? Leed hij aan tuberculose?’
Luitenant Kotler staarde vader verward aan. ‘Pardon, wat zei u?’ vroeg hij.
‘Ging hij naar Zwitserland voor de frisse lucht?’ legde vader uit. ‘Of had hij een speciale reden om Duitsland te verlaten. In negentien achtendertig,’ voegde hij er even later aan toe.
‘Ik ben bang dat ik dat niet weet, Herr Kommandant,’ zei luitenant Kotler. ‘Dat zou u aan hem moeten vragen.’
‘Nou, dat wordt een beetje moeilijk. Als hij zo ver weg zit, bedoel ik. Maar misschien was dat de reden. Misschien was hij ziek.’ Vader weifelde voordat hij zijn mes en vork weer oppakte en door at. ‘Of misschien... had hij bezwaar.’
‘Bezwaar, Herr Kommandant?’
‘Tegen het regeringsbeleid. Je hoort zo nu en dan verhalen over zulke mensen. Eigenaardige kerels, stel ik me zo voor. Sommigen gestoord. Anderen verraders. En lafaards. U hebt uw superieuren natuurlijk op de hoogte gesteld van uw vaders denkbeelden, Herr Kotler?’
De jonge luitenant opende zijn mond en slikte, hoewel hij geen hap had genomen.
‘Doet er niet toe,’ zei vader opgewekt. ‘Misschien is het geen geschikt onderwerp voor aan tafel. We kunnen het later verder bespreken.’
‘Herr Kommandant,’ zei luitenant Kotler, en hij leunde angstig naar voren, ‘ik kan u verzekeren...’
‘Het is géén geschikt onderwerp voor aan tafel,’ herhaalde vader op scherpe toon, hem meteen het zwijgen opleggend, en Bruno keek van de een naar de ander, hij genoot, maar was tegelijkertijd ook een beetje bang geworden van de sfeer aan tafel.
‘Ik zou het heerlijk vinden om naar Zwitserland gaan,’ zei Gretel na een ellenlange stilte.
‘Eet je bord leeg, Gretel,’ zei moeder.
‘Ik zei alleen maar wat!’
‘Eet je bord leeg,’ herhaalde moeder en ze wilde nog meer zeggen maar werd onderbroken door vader die Pavel weer riep.
‘Wat heb jij vanavond?’ vroeg hij terwijl Pavel nog een fles ontkurkte. ‘Dit is de vierde keer dat ik om meer wijn moet vragen.’
Bruno keek naar Pavel, bang dat het niet goed met hem ging, maar gelukkig kreeg hij de kurk er zonder problemen uit. Maar nadat hij vaders glas had gevuld en zich omdraaide om dat luitenant Kotler in te schenken, liet hij op de een of andere manier de fles uit zijn vingers glippen waarbij de inhoud precies in de schoot van de jongeman klokte.
Wat er toen gebeurde was zowel onverwacht als uitermate onaangenaam. Luitenant Kotler werd heel kwaad op Pavel en niemand – Bruno niet, Gretel niet, moeder niet en zelfs vader niet – kwam tussenbeide om te verhinderen wat hij toen deed, ook al kon geen van hen het aanzien. Zelfs al moest Bruno ervan huilen en werd Gretel bleek.
Later op die avond, toen Bruno naar bed ging, dacht hij aan alles wat er tijdens het eten was voorgevallen. Hij herinnerde zich hoe aardig Pavel voor hem was geweest op de middag dat hij de schommel had gemaakt, en hoe hij het bloeden van zijn knie had gestelpt en heel voorzichtig het groene spul erop had gedaan. En terwijl Bruno besefte dat vader over het algemeen een heel aardige en zorgzame man was, was het toch niet erg eerlijk of juist geweest dat niemand luitenant Kotler had tegengehouden toen hij zo kwaad werd op Pavel, en als dat het soort dingen was wat in Oudwis gebeurde dan kon hij maar beter met niemand ergens meer ruzie over maken; eigenlijk deed hij er beter aan om zijn mond stijf dicht te houden en geen trammelant te maken. Sommige mensen hielden daar misschien niet van.
Zijn vroegere leven in Berlijn leek nu een verre herinnering en hij wist zelfs bijna niet meer hoe Karl, Daniël of Martin eruitzagen, behalve dat een van hen rood haar had.