Hoofdstuk 3
Het hopeloze geval
Bruno wist zeker dat ze Gretel beter in Berlijn hadden kunnen laten om op het huis te passen omdat ze alleen maar lastig was. Bovendien had hij haar meer dan eens horen omschrijven als een Lastpak Eerste Klas Vanaf Het Begin.
Gretel was drie jaar ouder dan Bruno en al zolang hij zich kon herinneren had ze er geen twijfel over laten bestaan dat als het op wereldse zaken aankwam, vooral de zaken die hen tweeën betroffen, zij de baas was. Bruno gaf niet graag toe dat hij een beetje bang was voor haar, maar als hij eerlijk was – wat hij altijd probeerde te zijn – moest hij toegeven dat hij dat wel was.
Ze had een paar nare gewoonten, zoals je van zusters kon verwachten. Om te beginnen bleef ze ’s morgens veel te lang in de badkamer. Het kon haar blijkbaar niet schelen dat Bruno voor de deur van de ene voet op de andere stond te wippen omdat hij zo nodig moest.
Ze had een grote verzameling poppen in haar kamer op planken uitgestald die Bruno aanstaarden als hij daar binnenging en die hem de hele kamer door volgden bij alles wat hij deed. Hij wist zeker dat de poppen, als hij wanneer ze niet thuis was in haar kamer op ontdekkingsreis ging, haar over alles wat hij deed verslag zouden uitbrengen. Ze had ook een paar heel vervelende vriendinnen, die er lol in schenen te hebben om hem voor gek te zetten, iets wat hij nooit zou doen als hij drie jaar ouder was geweest. Alle vervelende vriendinnen van Gretel leken niets leuker te vinden dan hem te sarren en nare dingen tegen hem te zeggen en altijd op momenten dat moeder of Maria nergens te bekennen was.
‘Bruno is geen negen, hij is nog maar zes,’ zei een van de ergsten steeds op nare toon tegen hem, terwijl ze om hem heen danste en in zijn zij porde.
‘Ik ben geen zes, ik ben negen,’ protesteerde hij dan, en probeerde ondertussen te ontsnappen.
‘Waarom ben je dan zo klein?’ vroeg het monster. ‘Alle andere kinderen van negen zijn groter dan jij.’
Dat was waar, en een bijzonder teer punt voor Bruno. Het was een bron van voortdurende teleurstelling voor hem dat hij niet zo groot was als om het even welke andere jongen in zijn klas. Hij kwam zelfs niet tot hun schouders. Als hij met Karl, Daniël en Martin over straat liep, dachten mensen soms dat hij het kleine broertje van een van hen was terwijl hij in werkelijkheid de op een na de oudste was.
‘Dus kun je nog maar zes zijn,’ hield het monster aan, en dan rende Bruno weg om zijn rekoefeningen te doen in de hoop dat hij op een ochtend wakker zou worden en een halve meter gegroeid zou zijn.
Dus één goed ding aan niet meer in Berlijn zijn was dat er geen van die vriendinnen meer zou zijn om hem te sarren. Als hij een tijd in het nieuwe huis moest blijven, bijvoorbeeld wel een maand, dan was hij tegen de tijd dat ze thuis kwamen misschien gegroeid en dan konden ze niet meer gemeen tegen hem doen. Het was in elk geval iets om in gedachten te houden als hij van plan was te doen wat moeder had voorgesteld en dat was er het beste van zien te maken.
Hij rende zonder te kloppen Gretels kamer in en zag dat ze bezig was om haar poppengemeenschap op verschillende planken in haar kamer uit te stallen.
‘Wat kom je hier doen?’ schreeuwde ze terwijl ze zich pijlsnel omdraaide. ‘Weet je niet dat je de kamer van een dame nooit binnen mag zonder te kloppen?’
‘Je hebt toch zeker niet al je poppen meegebracht?’ vroeg Bruno, die zich de gewoonte had eigen gemaakt om de meeste vragen van zijn zus te negeren door er zelf een paar te stellen.
‘Natuurlijk wel,’ antwoordde ze. ‘Je dacht toch niet dat ik ze thuis zou laten? Het kan wel weken duren voor we daar weer terug zijn.’
‘Weken?’ Bruno’s stem klonk teleurgesteld maar heimelijk was hij opgelucht omdat hij zich al had neergelegd bij het idee van een maand. ‘Denk je dat echt?’
‘Nou, toen ik het aan vader vroeg, zei hij dat we hier bleven voor de nabije toekomst.’
‘Wat betekent dat eigenlijk, de nabije toekomst?’ vroeg Bruno, terwijl hij op de rand van haar bed ging zitten.
‘Het betekent weken,’ zei Gretel met een wijs hoofdknikje. ‘Misschien wel drie.’
‘O, gelukkig,’ zei Bruno. ‘Zolang het alleen maar voor de nabije toekomst is en niet voor een maand. Ik vind het hier vreselijk.’
Gretel keek naar haar broertje en was het deze keer met hem eens. ‘Ik snap wat je bedoelt,’ zei ze. ‘Het is hier niet echt leuk, hè?’
‘Het is afschuwelijk,’ zei Bruno.
‘Mmm, ja,’ erkende Gretel. ‘Nu is het nog afschuwelijk. Maar als het huis eenmaal een beetje is opgeknapt ziet het er misschien niet meer zo erg uit. Ik hoorde vader zeggen dat de mensen die hier voor ons in Oudwis woonden dit werk al heel snel niet meer mochten doen en geen tijd hebben gehad om het huis gezellig voor ons te maken.’
‘Oudwis?’ vroeg Bruno. ‘Wat is een Oudwis?’
‘Niet een Oudwis, Bruno,’ zei Gretel met een zucht. ‘Gewoon Oudwis.’
‘Wat is dat dan?’ herhaalde hij.
‘Dat is de naam van het huis,’ legde Gretel uit. ‘Oudwis.’
Bruno dacht na. Hij had aan de buitenkant geen bord gezien waarop stond dat het zo heette, hij had ook niets op de voordeur zien staan. Zijn eigen huis in Berlijn had niet eens een naam; dat heette gewoon nummer vier.
‘Maar waar slaat het dan op?’ vroeg hij geïrriteerd. ‘Wat is Oudwis?’
‘Misschien komt het van oud en wissen,’ zei Gretel. ‘Het zal wel te maken hebben met de mensen die hier voor ons woonden, denk ik. Dat die man oud was en zijn werk niet meer zo goed deed en dat iemand toen zei wissen, weg ermee, laten we iemand nemen die het wel goed doet.’
‘Vader, bedoel je.’
‘Ja, allicht,’ zei Gretel die altijd over vader sprak alsof die nooit iets fout kon doen en nooit kwaad werd en haar altijd een nachtzoen kwam geven voor ze ging slapen wat, zoals Bruno toegegeven zou hebben als hij heel eerlijk was en niet alleen maar verdrietig over de verhuizing, vader ook bij hem deed.
‘Dus wij zijn hier in Oudwis omdat iemand zei weg met die oude mensen die hier voor ons waren?’
‘Heel goed, Bruno,’ zei Gretel. ‘En ga nu van mijn sprei af. Hij kreukelt helemaal.’
Bruno sprong van het bed af en kwam met een bons op het vloerkleed terecht. Dat geluid beviel hem helemaal niet. Het klonk heel hol en hij besloot onmiddellijk dat hij in dit huis maar beter niet te vaak op en neer moest springen want dat het dan weleens in zou kunnen storten.
‘Ik vind het hier vreselijk,’ zei hij voor de honderdduizendste keer.
‘Dat weet ik,’ zei Gretel. ‘Maar er is niets aan te doen.’
‘Ik mis Karl en Daniël en Martin,’ zei Bruno.
‘En ik mis Hilda en Isobel en Louise,’ zei Gretel en Bruno probeerde zich voor de geest te halen wie van de drie ook weer het monster was.
‘Ik vind dat de andere kinderen er helemaal niet vriendelijk uitzien,’ zei Bruno, en Gretel die net een van haar ergste poppen op de plank wou zetten stopte, draaide zich om en staarde hem aan.
‘Wat zei je?’ vroeg ze.
‘Ik zei dat de andere kinderen er helemaal niet vriendelijk uitzien,’ zei hij nog een keer.
‘De andere kinderen?’ vroeg Gretel beduusd. ‘Welke andere kinderen? Ik heb geen andere kinderen gezien.’
Bruno keek de kamer rond. Er was hier wel een raam maar Gretels kamer lag aan de andere kant van de gang, tegenover zijn kamer, en zij keek dus een heel andere richting op. Zo onopvallend mogelijk slenterde hij die kant uit. Hij stak zijn handen in de zakken van zijn korte broek en probeerde een bekend wijsje te fluiten terwijl hij vermeed zijn zus aan te kijken.
‘Bruno?’ vroeg Gretel. ‘Wat doe je in hemelsnaam? Is het je in je bol geslagen?’
Hij bleef lopen en fluiten en haar niet aankijken tot hij bij het raam was, dat gelukkig laag genoeg was om naar buiten te kunnen kijken. Hij keek en zag de auto waarmee ze waren gekomen en drie of vier auto’s van de soldaten die voor vader werkten; enkelen van hen stonden sigaretten te roken en te lachen terwijl ze zenuwachtig omhoog keken naar het huis. Daarachter was de oprit en verderop een bos dat beslist ontdekt moest worden.
‘Bruno, wil je me alsjeblieft vertellen wat je met die laatste opmerking bedoelde?’ vroeg Gretel.
‘Daar is een bos,’ zei Bruno die haar negeerde.
‘Bruno!’ snauwde Gretel en ze kwam zo snel op hem af dat hij bij het raam weg sprong en tegen de muur aan kwam.
‘Wat?’ vroeg hij, net doend of hij niet wist waar ze het over had.
‘De andere kinderen,’ zei Gretel. ‘Je zei dat ze er helemaal niet vriendelijk uitzagen.’
‘Nou, dat doen ze ook niet,’ zei Bruno die niet wilde oordelen voor hij ze echt had ontmoet maar toch op het uiterlijk afging, hoewel moeder hem keer op keer had gezegd dat niet te doen.
‘Maar wélke andere kinderen?’ vroeg Gretel. ‘Waar zijn die dan?’
Bruno glimlachte en liep naar de deur, Gretel wenkend hem te volgen. Ze slaakte een diepe zucht en liep achter hem aan, stopte even om de pop op haar bed te leggen maar veranderde toen van gedachten, pakte hem weer op en hield hem dicht tegen zich aan terwijl ze de kamer van haar broer in liep, waar ze bijna omver werd gelopen door Maria die naar buiten kwam stormen met iets in haar hand wat verdacht veel op een dode muis leek.
‘Ze zijn daarbuiten,’ zei Bruno, die weer naar zijn eigen raam was gelopen en naar buiten keek. Hij draaide zich niet om om te zien of Gretel in de kamer was; hij had het te druk met naar de kinderen kijken. Even vergat hij zelfs dat ze er was.
Gretel was nog een paar passen van het raam verwijderd en wilde vreselijk graag zelf kijken, maar de manier waarop hij het zei en iets in de manier waarop hij stond te kijken maakte haar zenuwachtig.
Het was Bruno nog nooit gelukt om haar voor de gek te houden en ze was er zo goed als zeker van dat hij dat nu ook niet deed, maar door de manier waarop hij daar stond wist ze ineens niet meer zeker of ze die kinderen wel wilde zien. Ze slikte zenuwachtig en bad in stilte dat ze echt in de nabije toekomst naar Berlijn zouden teruggaan en niet over een maand zoals Bruno dacht.
‘Nou?’ zei hij. Hij draaide zich om en zag zijn zus in de deuropening staan met de pop in haar armen geklemd, en met haar gouden vlechten, een op elke schouder, keurig in balans, waar je bijna wel aan moest trekken. ‘Wil je ze niet zien?’
‘Natuurlijk wel,’ antwoordde ze en liep aarzelend naar hem toe. ‘Ga daar weg dan,’ zei ze en duwde hem met haar elleboog opzij.
Het was een heldere, zonnige dag die eerste middag in Oudwis en de zon kwam juist weer vanachter een wolk tevoorschijn toen Gretel door het raam keek, maar al snel waren haar ogen aan het licht gewend en verdween de zon weer en toen zag ze precies wat Bruno had bedoeld.