Hoofdstuk 15

 

 

Iets wat hij niet had moeten doen 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gedurende enkele weken regende het af en aan en Bruno en Shmuel zagen elkaar niet zo vaak als ze wel zouden willen. De keren dat ze elkaar wel zagen begon Bruno zich zorgen te maken over zijn vriend omdat die met de dag nog magerder leek te worden en zijn gezicht nog grauwer. Soms nam hij meer brood en kaas mee om aan Shmuel te geven, en zo nu en dan lukte het hem om een stuk chocoladecake in zijn zak te stoppen, maar de wandeling van het huis naar de plek bij het hek waar de twee jongens elkaar ontmoetten was lang en soms kreeg Bruno onderweg honger en één hapje werd algauw twee hapjes, en die weer drie, en tegen de tijd dat er nog maar één stukje over was wist hij dat hij dat moeilijk aan Shmuel kon geven omdat het hem alleen maar naar meer zou doen verlangen en zijn honger niet zou stillen. 

   Vaders verjaardag kwam eraan, en ook al zei vader dat hij geen gedoe wilde, toch organiseerde moeder een feestje voor alle dienstdoende officieren in Oudwis en werd er veel drukte gemaakt van de voorbereiding. Elke keer als ze ging zitten om meer plannen te bedenken voor het feest, was luitenant Kotler in haar buurt om haar te helpen, en samen maakten ze meer lijstjes dan er ooit nodig konden zijn. 

   Bruno besloot om een lijst voor zichzelf te maken. Een lijst met redenen waarom hij luitenant Kotler niet mocht. 

   Hij lachte bijvoorbeeld nooit en keek altijd alsof hij op zoek was naar iemand om uit zijn testament te schrappen. 

   De zeldzame keren dat hij tegen Bruno praatte, sprak hij hem altijd met ‘ventje’ aan, wat ontzettend gemeen was omdat, zoals moeder zei, hij gewoon zijn groeispurt nog niet had gehad. 

   En dan had hij het bijvoorbeeld nog niet eens over het feit dat hij altijd met moeder in de huiskamer grapjes zat te maken, en moeder lachte meer om zijn grappen dan om die van vader. 

   Toen Bruno een keer vanuit zijn raam naar het kamp keek zag hij een hond naar het hek toe lopen die luid begon te blaffen, en toen luitenant Kotler dat hoorde stapte hij meteen op de hond af en schoot hem dood. En dan had je nog al die flauwekul die Gretel uitkraamde als hij in de buurt was. 

   En Bruno was de avond met Pavel nog niet vergeten, de bediende die eigenlijk een dokter was, en hoe kwaad de jonge luitenant toen was geweest. 

   Bovendien, wanneer vader ook maar werd weggeroepen naar Berlijn en daar een nacht overbleef hing de luitenant in het huis rond alsof hij nu verantwoordelijk was: hij was er als Bruno naar bed ging en de andere morgen was hij alweer terug nog voor Bruno wakker werd. 

   Er waren nog veel meer redenen waarom Bruno luitenant Kotler niet mocht, maar deze dingen kwamen als eerste bij hem op. 

   Op de middag voor het verjaarsfeest was Bruno in zijn kamer met de deur open toen hij luitenant Kotler het huis hoorde binnenkomen en tegen iemand hoorde praten, ook al hoorde hij niemand iets terug zeggen. Een paar minuten later, toen hij de trap afliep, hoorde hij moeder instructies geven over wat er gedaan moest worden en luitenant Kotler zeggen: ‘Maakt u zich maar geen zorgen, deze weet aan welke kant zijn boterham gesmeerd is,’ en toen vals lachen. 

   Bruno liep naar de huiskamer met een nieuw boek dat hij van vader had gekregen en dat Schateiland heette, met het plan daar een uur of twee te gaan zitten lezen, maar toen hij de gang overstak liep hij luitenant Kotler tegen het lijf, die net uit de keuken kwam. 

   ‘Dag ventje,’ zei de soldaat, met een spottende grijns zoals gewoonlijk. 

   ‘Hallo,’ zei Bruno geërgerd. 

   ‘Wat voer jij in je schild?’ 

   Bruno keek hem aan en bedacht nog zeven redenen om een hekel aan hem te hebben. ‘Ik ga daar mijn boek lezen,’ zei hij en wees naar de huiskamer. 

   Zonder iets te zeggen griste Kotler Bruno het boek uit handen en begon erdoorheen te bladeren. ‘Schateiland,’ zei hij. ‘Waar gaat het over?’ 

   ‘Nou, er is een eiland,’ zei Bruno langzaam zodat de soldaat het zeker kon volgen. ‘En daar is een schat.’ 

   ‘Dat had ik zelf kunnen bedenken,’ zei Kotler en keek hem aan met een blik die zei dat hij de jongen mores zou leren als het een zoon van hem was geweest en niet de zoon van de commandant. ‘Vertel er eens iets over dat ik niet zelf kan bedenken.’ 

   ‘Er komt een piraat in voor,’ zei Bruno. ‘En die heet Long John Silver. En een jongen die Jim Hawkins heet.’ 

   ‘Een Engelse jongen?’ vroeg Kotler. 

   ‘Ja,’ zei Bruno. 

   ‘Grom,’ gromde Kotler. 

   Bruno staarde hem aan en vroeg zich af hoe lang het zou duren voor hij zijn boek teruggaf. Het scheen hem niet bijzonder te interesseren, maar toen Bruno zijn hand ernaar uitstak trok de luitenant het weg. 

   ‘Pardon,’ zei hij en hield het Bruno weer voor, en toen Bruno zijn hand uitstak trok hij het voor de tweede keer weg. ‘O, neem me niet kwalijk,’ herhaalde hij en hield het Bruno weer voor, en deze keer graaide Bruno het sneller uit zijn hand dan hij het terug kon trekken. 

   ‘O, wat zijn we snel,’ mompelde luitenant Kotler tussen zijn tanden. 

   Bruno probeerde hem te passeren, maar om de een of andere reden scheen luitenant Kotler vandaag met hem te willen praten. 

   ‘Zijn we klaar voor het feest?’ vroeg hij. 

   ‘Nou, ík wel,’ zei Bruno, die onlangs wat meer tijd met Gretel had doorgebracht en een voorkeur voor sarcasme had ontwikkeld. ‘Ik kan niet namens u spreken.’ 

   ‘Er komen veel mensen,’ zei luitenant Kotler met een diepe zucht en keek om zich heen alsof het zijn huis was en niet dat van Bruno. ‘We zetten toch wel ons beste beentje voor, mag ik hopen?’ 

   ‘Ik wel,’ zei Bruno. ‘Ik kan niet namens u spreken.’ 

   ‘Je hebt aardig wat te melden voor zo’n klein kereltje,’ zei luitenant Kotler. 

   Bruno kneep zijn ogen half dicht en wilde dat hij groter, sterker en acht jaar ouder was. Vanbinnen ontplofte hij van woede en wenste hij dat hij de moed had om precies te zeggen wat hij wilde zeggen. Dat vader en moeder hem vertelden wat hij moest doen was één ding – dat was volstrekt redelijk en normaal – maar om zich door iemand anders de les te laten lezen was heel wat anders, besloot hij. Zelfs door zo’n belangrijk iemand als een ‘luitenant’. 

   ‘O, Kurt, schat, je bent er nog,’ zei moeder uit de keuken komend en op hen af lopend. ‘Ik heb nu even tijd als... O!’ zei ze, toen ze Bruno zag staan. ‘Bruno! Wat doe jij hier?’ 

   ‘Ik ging naar de huiskamer om mijn boek te lezen,’ zei Bruno. ‘Tenminste dat probeerde ik.’ 

   ‘Nou, loop dan nu even door naar de keuken,’ zei ze. ‘Ik moet iets met luitenant Kotler bespreken.’ 

   Samen stapten ze de huiskamer binnen en luitenant Kotler deed de deur voor Bruno’s neus dicht. 

   Kokend van woede liep Bruno naar de keuken en kreeg de verrassing van zijn leven. Daar aan de tafel, en helemaal van de andere kant van het hek, zat Shmuel. Bruno kon zijn ogen bijna niet geloven. 

   ‘Shmuel!’ zei hij. ‘Wat doe jij hier?’ 

   Shmuel keek op en zijn verschrikte gezicht begon te stralen toen hij zijn vriend zag staan. ‘Bruno!’ zei hij. 

   ‘Wat doe je hier?’ herhaalde Bruno, want ook al begreep hij nog steeds niet wat zich daar allemaal afspeelde aan de andere kant van het hek, er was iets met de mensen van daar waardoor hij dacht dat ze niet hier in zijn huis hoorden. 

   ‘Hij heeft me hier mee naartoe genomen,’ zei Shmuel. 

   ‘Hij?’ vroeg Bruno. ‘Je bedoelt toch niet luitenant Kotler?’ 

   ‘Ja, hij zei dat er hier werk voor mij was.’ 

   En toen Bruno omlaag keek zag hij vierenzestig glaasjes op de keukentafel staan, van die glaasjes die moeder gebruikte voor haar medicinale sherry, met daarnaast een teiltje warm sop en een heleboel papieren servetten. 

   ‘Wat ben je in vredesnaam aan het doen?’ vroeg Bruno. 

   ‘Ze vroegen me om de glazen te poetsen,’ zei Shmuel. ‘Ze zeiden dat ze iemand nodig hadden met dunne vingers.’ 

   Hij stak zijn hand uit alsof hij iets wilde bewijzen maar Bruno wist het allang, en moest denken aan de hand van het skelet dat meneer Liszt een keer voor een anatomieles had meegebracht. 

   ‘Dat was me niet eerder opgevallen,’ zei hij met een stem vol ongeloof, bijna tegen zichzelf. 

   ‘Wat niet?’ vroeg Shmuel. 

   Bij wijze van antwoord stak Bruno zijn eigen hand uit zodat de toppen van hun middelvingers elkaar bijna raakten. ‘Onze handen,’ zei hij. ‘Ze zijn zo verschillend. Moet je zien!’ 

   De twee jongens keken tegelijkertijd omlaag en het verschil was duidelijk te zien. Ook al was Bruno klein voor zijn leeftijd, en zeker niet dik, zijn hand was gezond en vol leven. Je kon de aderen niet zien lopen, en de vingers waren niet nauwelijks meer dan dode takjes. De hand van Shmuel was een heel ander verhaal. 

   ‘Hoe is dat zo gekomen?’ vroeg hij. 

   ‘Weet ik niet,’ zei Shmuel. ‘Vroeger leek mijn hand meer op die van jou, maar ik heb hem niet zien veranderen. Iedereen aan mijn kant van het hek ziet er nu zo uit.’ 

   Bruno fronste zijn voorhoofd. Hij dacht aan de mensen in hun gestreepte pyjama’s en vroeg zich af wat er aan de hand kon zijn in Oudwis en of het niet een heel slecht idee was als de mensen er zo ongezond door uit gingen zien. Hij snapte er niks van. Omdat hij niet langer naar Shmuels hand wilde kijken draaide Bruno zich om, deed de koelkast open en begon daar in te rommelen, op zoek naar iets te eten. Er was nog een halve gevulde kip over van het middageten, en Bruno’s ogen begonnen verlekkerd te glimmen, want er was weinig waar hij meer van hield dan koude kip gevuld met salie en ui. Hij pakte een mes uit de la, sneed voor zichzelf twee flinke stukken af en smeerde de vulling eroverheen voordat hij zich weer naar zijn vriend toe draaide. 

   ‘Ik ben heel blij dat jij hier bent,’ zei hij met zijn mond vol. ‘Ik wou dat je geen glazen hoefde te poetsen, dan kon ik je mijn kamer laten zien.’ 

   ‘Hij zei dat ik niet van mijn stoel af mocht komen anders zwaaide er wat.’ 

   ‘Ik zou me niks van hem aantrekken,’ zei Bruno en probeerde dapperder te klinken dan hij zich voelde. ‘Dit is zijn huis niet, het is mijn huis, en als vader weg is heb ik het voor het zeggen. Wist je dat hij niet eens Schateiland heeft gelezen?’ 

   Shmuel keek alsof hij niet echt luisterde; hij kon zijn ogen niet van de stukken kip met vulling af houden die Bruno achteloos in zijn mond wierp. Na een tijdje merkte Bruno waar hij naar keek en hij voelde zich meteen schuldig. 

   ‘Neem me niet kwalijk, Shmuel,’ zei hij snel. ‘Ik had jou ook wat kip moeten geven. Heb je honger?’ 

   ‘Hoe kun je het vragen,’ zei Shmuel die, al had hij Gretel nooit ontmoet, ook heel sarcastisch uit de hoek kon komen. 

   ‘Wacht, ik zal wat voor je pakken,’ zei Bruno, hij deed de koelkast open en sneed nog drie flinke stukken af. 

   ‘Nee, stel dat hij terugkomt...’ zei Shmuel terwijl hij snel zijn hoofd schudde en steeds naar de deur keek. 

   ‘Als wie terugkomt? Luitenant Kotler?’ 

   ‘Ik mag alleen maar de glazen poetsen,’ zei hij en keek wanhopig naar het teiltje met sop voor zijn neus en toen weer naar de stukken kip die Bruno hem voor hield. 

   ‘Het mag best,’ zei Bruno verward door Shmuels angst. ‘Het is maar eten.’ 

   ‘Ik mag het niet,’ zei Shmuel, en hij schudde zijn hoofd en leek te gaan huilen. ‘Hij komt terug, dat weet ik gewoon,’ ging hij door, over zijn woorden struikelend. ‘Ik had ze meteen moeten aannemen, nu is het te laat, als ik ze nu aanpak komt hij binnen en...’ 

   ‘Shmuel! Hier!’ zei Bruno, deed een stap naar voren en drukte de stukken kip in de hand van zijn vriend. ‘Eet nou gewoon. Er is nog genoeg over voor ons vanavond, maak je geen zorgen.’ 

   De jongen staarde even naar het voedsel in zijn hand en keek toen met grote, dankbare, maar verschrikte ogen naar Bruno. Hij wierp nog een blik in de richting van de deur en scheen toen een besluit te nemen, omdat hij alle drie de stukken kip in één keer in zijn mond propte en ze binnen twintig seconden naar binnen werkte. 

   ‘Je hoeft het niet zo snel te doen,’ zei Bruno. ‘Dat is niet goed voor je.’ 

   ‘Kan me niks schelen,’ zei Shmuel met een flauw lachje. ‘Dank je wel, Bruno.’ 

   Bruno lachte terug en wilde hem nog wat geven, maar juist op dat moment verscheen luitenant Kotler weer in de keuken en hield halt toen hij de twee jongens met elkaar zag praten. Bruno keek hem aan en voelde de stemming dreigend worden, hij voelde hoe Shmuels schouders naar beneden zakten toen hij het volgende glas pakte en het begon te poetsen. Luitenant Kotler negeerde Bruno, stapte op Shmuel af en keek hem dreigend aan. 

   ‘Waar ben jij mee bezig?’ schreeuwde hij. ‘Zei ik je niet dat je die glazen moest poetsen?’ 

   Shmuel knikte vlug en begon een beetje te beven toen hij een servet pakte en dat in het water doopte. 

   ‘Wie heeft jou gezegd dat je in dit huis je mond open mocht doen?’ ging Kotler door. ‘Heb jij het lef om mijn bevel niet op te volgen?’ 

   ‘Nee, meneer,’ zei Shmuel zacht. ‘Het spijt me, luitenant.’ 

   Hij keek omhoog naar luitenant Kotler, die dreigend een beetje vooroverboog en met zijn hoofd scheef onderzoe- kend het gezicht van de jongen opnam. ‘Heb jij iets gegeten?’ vroeg hij zachtjes, alsof hij het zelf nauwelijks kon geloven. 

   Shmuel schudde zijn hoofd. 

   ‘Wel waar,’ hield luitenant Kotler vol. ‘Heb jij iets uit die koelkast gestolen?’ 

   Shmuel opende en sloot zijn mond. Hij deed hem weer open en probeerde naar woorden te zoeken, maar hij kon ze niet vinden. Hij keek naar Bruno en zijn ogen smeekten om hulp. 

   ‘Geef antwoord!’ schreeuwde luitenant Kotler. ‘Heb jij iets uit die koelkast gestolen?’ 

   ‘Nee, meneer. Hij heeft het me gegeven,’ zei Shmuel en zijn ogen schoten vol tranen toen hij zijdelings naar Bruno keek. ‘Hij is mijn vriend,’ voegde hij eraan toe. 

   ‘Jouw...?’ begon luitenant Kotler en keek verward naar Bruno. Hij aarzelde. ‘Wat bedoel je daarmee?’ vroeg hij. ‘Ken jij deze jongen, Bruno?’ 

   Bruno’s mond viel open en hij probeerde zich te herinneren wat je met je mond moest doen als je ‘ja’ wilde zeggen. Hij had nog nooit iemand zo doodsbenauwd zien kijken als Shmuel op dat moment en hij wilde het verlossende woord spreken, maar besefte toen dat het niet ging; omdat hij zelf net zo bang was. 

   ‘Ken jij deze jongen?’ herhaalde Kotler op luidere toon. ‘Heb jij met de gevangenen gepraat?’ 

   ‘Ik... hij was hier toen ik binnenkwam,’ zei Bruno. ‘Hij was glazen aan het schoonmaken.’ 

   ‘Dat vroeg ik niet,’ zei Kotler. ‘Heb je hem eerder gezien? Heb je met hem gesproken? Waarom zegt hij dat hij je vriend is?’ 

   Bruno wilde dat hij weg kon rennen. Hij haatte luitenant Kotler, maar die kwam nu op hem af en het enige waar hij aan kon denken was aan de middag dat hij hem een hond had zien doodschieten en de avond toen hij zo kwaad op Pavel was geworden dat hij... 

   ‘Geef antwoord, Bruno!’ schreeuwde Kotler met een rood aanlopend hoofd. ‘Ik vraag het je niet voor een derde keer.’ 

   ‘Ik heb hem nooit gesproken,’ zei Bruno onmiddellijk. ‘Ik heb hem nog nooit van mijn leven gezien. Ik ken hem niet.’ 

   Luitenant Kotler knikte en scheen tevreden met het antwoord. Heel langzaam draaide hij zijn hoofd weer om om naar Shmuel te kijken, die niet meer huilde, maar alleen maar naar de vloer staarde alsof hij zijn ziel wilde overhalen om zijn magere lijf te verlaten, om weg te glippen, naar de deur te zweven en omhoog te vliegen, de lucht in, door de wolken te zweven tot hij heel ver weg was. 

   ‘Jij maakt het poetsen van die glazen af,’ zei luitenant Kotler nu op zachte toon, zo zacht dat Bruno hem bijna niet verstond. Het was alsof zijn woede in iets anders was omgeslagen. Niet in het tegenovergestelde, maar in iets onverwachts en afschuwelijks. ‘En daarna kom ik je halen om je terug naar het kamp te brengen, waar we het zullen hebben over wat er met jongens gebeurt die stelen. Begrepen?’ 

   Shmuel knikte, pakte een servet en begon een glas te poetsen; Bruno zag hoe zijn vingers beefden en wist dat hij doodsbang was om er een te breken. Hij kon het niet aanzien, maar hoe graag hij het ook wilde, hij kon er zijn ogen niet van afhouden. 

   ‘Kom, ventje,’ zei luitenant Kotler en hij liep naar Bruno toe en legde een onvriendelijke arm om zijn schouder. ‘Jij gaat naar de huiskamer je boek lezen en laat deze kleine... zijn werk afmaken.’ Hij zei hetzelfde woord als hij tegen Pavel had gebruikt toen hij hem erop uitstuurde om de autoband te zoeken. 

   Bruno knikte en draaide zich om en liep de keuken uit zonder om te kijken. Zijn maag speelde op en even dacht hij dat hij moest overgeven. Hij had zich van zijn leven niet zo geschaamd; hij had nooit gedacht dat hij zo wreed kon zijn. Hij vroeg zich af hoe een jongen die dacht dat hij een goede jongen was zich tegenover een vriend zo laf kon gedragen. Hij bleef urenlang in de huiskamer zitten maar kon zich niet op zijn boek concentreren en hij durfde niet terug te gaan naar de keuken tot later op die avond, toen luitenant Kotler al was teruggekomen om Shmuel op te halen en hem weer mee had genomen. 

 

Elke daaropvolgende middag ging Bruno terug naar de plek bij het hek waar ze elkaar ontmoetten, maar Shmuel was er nooit. Na bijna een week was hij ervan overtuigd dat het zo vreselijk was wat hij had gedaan dat het hem nooit vergeven zou worden, maar op de zevende dag was hij verrukt om te zien dat Shmuel hem zat op te wachten, in kleermakerszit op de grond zoals gewoonlijk en omlaag starend in het stof. 

   ‘Shmuel,’ zei hij en rende, zowat huilend van opluchting en spijt, naar hem toe en ging zitten. ‘Het spijt me zo, Shmuel. Ik snap niet waarom ik dat deed. Vergeef ’t me alsjeblieft.’ 

   ‘Het is al goed,’ zei Shmuel en keek hem aan. Zijn gezicht zat onder de blauwe plekken en Bruno’s gezicht vertrok. Hij vergat even dat hij zich aan het verontschuldigen was. 

   ‘Wat is er met jou gebeurd?’ vroeg hij en wachtte het antwoord niet af. ‘Ben je van je fiets gevallen? Dat is mij ook overkomen een paar jaar geleden in Berlijn. Ik viel eraf toen ik te hard reed en ik ben weken bont en blauw geweest. Doet het pijn?’ 

   ‘Ik voel het niet meer,’ zei Shmuel. 

   ‘Het ziet eruit alsof het pijn doet.’ 

   ‘Ik voel niets meer,’ zei Shmuel. 

   ‘Het spijt me in elk geval van vorige week,’ zei Bruno. ‘Ik haat die luitenant Kotler. Hij denkt dat hij de baas is maar dat is niet zo.’ Hij aarzelde, omdat hij niet van het onderwerp wilde afdwalen. Hij vond dat hij het nog één laatste keer moest zeggen en het ook echt menen. ‘Het spijt me heel erg, Shmuel,’ zei hij op duidelijke toon. ‘Ik kan niet geloven dat ik hem niet de waarheid heb gezegd. Ik heb nog nooit een vriend zo in de steek gelaten. Shmuel, ik schaam me.’ 

   En toen hij dat zei, lachte Shmuel en knikte en Bruno wist dat hij het hem vergeven had, en toen deed Shmuel iets dat hij nog nooit had gedaan. Hij lichtte de onderkant van het gaas op zoals hij altijd deed als Bruno hem iets te eten bracht, maar deze keer stak hij zijn hand uit en hield die daar, wachtend tot Bruno de zijne ook uitstak, en toen schudden de twee jongens elkaar de hand en lachten naar elkaar. 

   Het was de eerste keer dat ze elkaar aanraakten.