Hoofdstuk 6

 

 

Het duurbetaalde dienstmeisje 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een paar dagen later lag Bruno op zijn bed naar het plafond te staren. De witte verf was gebarsten en lelijk aan het afbladderen en leek totaal niet op de verf in het huis in Berlijn, die nooit afschilferde en jaarlijks werd bijgewerkt als moeder de schilders in huis haalde. Op deze middag lag hij te turen naar de barsten die op spinnenwebben leken en kneep hij zijn ogen tot spleetjes in een poging zich voor te stellen wat er achter die spinnenwebben zou kunnen zitten. Hij fantaseerde dat er in de ruimte tussen de verf en het plafond insecten leefden die net zo lang tegen de verflaag duwden tot die openbarstte en er dan een gat in maakten zodat ze zich naar buiten konden wurmen om te zien of daar een raam was waardoor ze konden ontsnappen. Niets, dacht Bruno, zelfs de insecten niet, zou ooit uit vrije wil in Oudwis blijven. 

   ‘Alles is hier even afschuwelijk,’ zei hij hardop, ook al was er niemand die hem kon horen, maar op de een of andere manier voelde hij zich prettiger als hij het toch nog eens hardop zei. ‘Ik haat dit huis, ik haat mijn kamer en ik haat de verf ook. Ik haat het allemaal. Alles en iedereen.’ 

   Hij had het nog niet gezegd of Maria kwam binnen met haar armen vol gewassen, gedroogde en gestreken kleren. Ze aarzelde even toen ze hem zag liggen maar boog toen haar hoofd een beetje en liep zwijgend naar de klerenkast. 

   ‘Hallo,’ zei Bruno, want al was praten met een dienstmeisje niet hetzelfde als vrienden hebben om mee te praten, er was verder niemand om een gesprek mee te voeren en het had meer zin dan tegen zichzelf praten. Gretel was nergens te bekennen en hij begon zich zorgen te maken dat hij gek zou worden van verveling. 

   ‘Jongeheer Bruno,’ zei Maria halfluid, terwijl ze zijn hemden, broeken en ondergoed sorteerde en ze in verschillende laden opborg en op verschillende planken legde. 

   ‘Ik neem aan dat u het allemaal net zo erg vindt als ik,’ zei Bruno. Ze draaide zich naar hem om met een uitdrukking waaruit viel op te maken dat ze niet begreep waar hij het over had. ‘Dit,’ legde hij uit, terwijl hij overeind ging zitten en om zich heen keek. ‘Alles hier. Het is toch vreselijk? Vindt u het niet vreselijk?’ 

   Maria deed haar mond open om wat te zeggen maar deed hem even snel weer dicht. Ze leek haar antwoord zorgvuldig te overwegen, de juiste woorden te kiezen, ze te gaan zeggen, en het toen toch maar beter te vinden van niet en er helemaal van af te zien. Bruno kende haar al bijna zijn hele leven – ze was bij hen komen werken toen hij nog maar drie was – en ze hadden het over het algemeen altijd goed samen kunnen vinden, maar tot nog toe had ze nooit iets van zichzelf laten zien. Ze deed gewoon haar werk, wreef de meubelen, waste kleren, hielp met de boodschappen en het koken, bracht hem soms naar school en haalde hem ook weer op, hoewel dat meer voorkwam toen Bruno acht was; toen hij negen werd vond hij zichzelf oud genoeg om alleen zijn weg naar school en terug naar huis te vinden. 

   ‘Vindt u het hier dan niet leuk?’ zei ze op het laatst. 

   ‘Leuk?’ antwoordde Bruno smalend. ‘Leuk?’ herhaalde hij, maar nu luider. ‘Natuurlijk vind ik het hier niet leuk! Het is vreselijk. Er is niets te doen, niemand om mee te praten, niemand om mee te spelen. U wilt me toch niet wijsmaken dat u blij bent dat we hiernaartoe verhuisd zijn?’ 

   ‘Ik vond de tuin van het huis in Berlijn altijd zo heerlijk,’ zei Maria, antwoord gevend op een heel andere vraag. ‘Op warme middagen mocht ik daar graag buiten in de zon mijn boterham opeten onder de lepelboom bij de vijver. Daar stonden van die mooie bloemen. De geuren. Hoe de bijen rond de bloemen zwermden en je niets deden als je ze gewoon met rust liet.’ 

   ‘Dus u vindt het hier niet leuk?’ vroeg Bruno. ‘Vindt u het hier net zo erg als ik?’ 

   Maria fronste haar voorhoofd. ‘Het doet er niet toe,’ zei ze. 

   ‘Wat niet?’ 

   ‘Wat ik vind.’ 

   ‘Natuurlijk wel,’ zei Bruno geïrriteerd, alsof ze met opzet moeilijk deed. ‘U hoort toch bij ons?’ 

   ‘Ik weet niet zeker of uw vader daar ook zo over denkt,’ zei Maria en haar gezicht schoot uit de plooi omdat ze geroerd was door wat hij net had gezegd. 

   ‘Nou, u bent hier tegen uw zin mee naartoe genomen, net als ik. Als u het mij vraagt zitten we allemaal in hetzelfde schuitje. En het schuitje lekt.’ 

   Even leek het voor Bruno of Maria hem echt ging vertellen wat ze dacht. Ze legde de rest van de kleren op zijn bed en balde haar handen tot vuisten, alsof ze heel erg kwaad was over iets. Haar mond ging open maar bleef hangen, alsof ze bang was van wat ze allemaal zou zeggen als ze eenmaal begon. 

   ‘Zeg het alsjeblieft, Maria,’ zei Bruno. ‘Want als we allemaal hetzelfde vinden kunnen we vader overhalen om ons weer mee naar huis te nemen.’ 

   Zwijgend wendde ze een tijdlang haar ogen af en schudde toen verdrietig haar hoofd voor ze zich weer naar hem omdraaide. ‘Uw vader weet wat het beste is,’ zei ze. ‘Daar moet u op vertrouwen.’ 

   ‘Maar ik weet niet zeker of ik wel op hem kan vertrouwen,’ zei Bruno. ‘Ik denk dat hij een vreselijke vergissing heeft gemaakt.’ 

   ‘Dan zullen we daarmee moeten leven.’ 

   ‘Als ik een vergissing maak krijg ik straf,’ hield Bruno aan, geïrriteerd door het feit dat de regels die altijd op kinderen van toepassing waren nooit voor volwassenen schenen te gelden (ondanks het feit dat zij ze oplegden). ‘Stomme vader,’ voegde hij er binnensmonds aan toe. 

   Maria’s ogen werden groot en ze deed een stap naar hem toe met haar handen in afgrijzen voor haar mond. Ze keek om zich heen om er zeker van te zijn dat ze niet werden afgeluisterd en dat niemand had gehoord wat Bruno zojuist had gezegd. ‘Dat mag u niet zeggen,’ zei ze. ‘Zoiets mag u nooit over uw vader zeggen.’ 

   ‘Ik zou niet weten waarom niet,’ zei Bruno; hij schaamde zich een beetje dat hij het gezegd had, maar hij wilde zich in geen geval de les laten lezen als er toch niemand was die zich iets scheen aan te trekken van wat hij vond. 

   ‘Omdat uw vader een goed mens is,’ zei Maria. ‘Een heel goed mens. Hij zorgt voor ons allemaal.’ 

   ‘Door ons hiernaartoe te brengen, naar een uithoek, bedoelt u? Noemt u dat voor ons zorgen?’ 

   ‘Uw vader heeft heel veel gedaan,’ zei ze. ‘Veel waar u trots op zou moeten zijn. Wat zou er van mij zijn geworden als uw vader er niet was geweest?’ 

   ‘Dan was u nu in Berlijn, denk ik,’ zei Bruno. ‘Aan het werk in een mooi huis en at u uw boterham onder de lepelboom en liet u de bijen met rust.’ 

   ‘U herinnert zich denk ik niet meer dat ik bij de familie kwam werken?’ vroeg ze zachtjes en ging op de rand van zijn bed zitten, iets wat ze nog nooit had gedaan. ‘Dat kan ook niet. U was nog maar drie. Uw vader heeft me in huis genomen en me geholpen toen ik hem nodig had. Hij gaf me werk, een thuis. Eten. U kunt zich niet voorstellen wat het is om niets te eten te hebben. U hebt nooit honger gehad, is het wel?’ 

   Bruno trok een rimpel in zijn voorhoofd. Hij wilde opmerken dat hij op dit moment wel wat zou lusten, maar in plaats daarvan ging zijn blik naar Maria en voor het eerst besefte hij dat hij haar nooit echt als een persoon met een eigen leven en een eigen geschiedenis had gezien. Per slot van rekening was ze (voor zover hij wist) nooit iets anders geweest dan hun dienstmeisje. Hij wist zelfs niet zeker of hij haar ooit in andere kleren had gezien dan in haar dienstmeisjesuniform. Maar als hij erover nadacht, wat hij nu deed, moest hij toegeven dat er meer in haar leven moest zijn dan alleen maar voor hem en zijn familie zorgen. Zij had ook ideeën, net als hij. Zij miste natuurlijk ook allerlei dingen, vrienden die ze graag weer zou willen zien, net als hij. En ze had zich vast sinds ze hier was elke nacht in slaap gehuild, net als jongens die nog niet zo groot en dapper waren als hij. Ze was eigenlijk ook best leuk om te zien, zag hij, en dat gaf hem een beetje een raar gevoel vanbinnen. 

   ‘Mijn moeder kende uw vader al toen hij nog maar een jongen van uw leeftijd was,’ zei Maria na een poosje. ‘Ze werkte voor uw grootmoeder. Ze was haar kleedster toen uw grootmoeder als jonge vrouw in heel Duitsland op tournee ging. Zij verzorgde alle kleding voor haar concerten en waste, streek en verstelde ze. Stuk voor stuk prachtige japonnen. En het naaiwerk, Bruno! Elk stuk was gelijk een kunstwerk. Zulke kleermakers vind je vandaag de dag niet meer.’ Ze schudde haar hoofd en glimlachte bij de herinnering terwijl Bruno geduldig luisterde. ‘Ze zorgde ervoor dat de japonnen klaarlagen als uw grootmoeder voor de uitvoering in haar kleedkamer kwam. En toen uw grootmoeder zich terugtrok, bleef mijn moeder natuurlijk met haar bevriend en kreeg ze een klein pensioentje, maar dat waren moeilijke tijden en uw vader bood mij een betrekking aan, de eerste van mijn leven. Een paar maanden later werd mijn moeder erg ziek. Ze moest vaak naar het ziekenhuis en uw vader regelde alles, ook al was hij daar niet toe verplicht. Hij betaalde het uit zijn eigen zak omdat zij een vriendin van zijn moeder was geweest. En om dezelfde reden nam hij me in dienst. En toen ze stierf betaalde hij ook alle begrafeniskosten. Dus noem uw vader nooit meer stom, jongeheer Bruno. Niet waar ik bij ben. Ik wil het niet hebben.’ 

   Bruno beet op zijn lip. Hij had gehoopt dat Maria zijn kant zou kiezen in de strijd om uit Oudwis weg te komen maar hij begreep nu voor wie ze uiteindelijk koos. En hij moest toegeven dat hij best trots was op zijn vader toen hij dat verhaal hoorde. 

   ‘Nou,’ zei hij, niet in staat om iets slims te bedenken om te zeggen, ‘dat was wel aardig van hem.’ 

   ‘Ja,’ zei Maria, terwijl ze opstond en naar het raam liep, het raam waardoor Bruno helemaal tot aan de barakken en de mensen in de verte kon kijken. ‘Toen heeft hij me heel goed behandeld,’ vervolgde ze zachtjes, terwijl ze nu zelf door het raam keek, naar de mensen en de soldaten die in de verte met hun eigen dingen bezig waren. ‘Hij heeft een goede inborst, dat is echt zo, waardoor ik me afvraag...’ Terwijl ze stond te kijken stierven haar woorden weg en opeens brak haar stem en klonk ze alsof ze zou gaan huilen. 

   ‘Wat vraagt u zich af?’ vroeg Bruno. 

   ‘Vraag ik me af wat hij... hoe hij kan...’ 

   ‘Hoe hij wat kan?’ hield Bruno aan. 

   Van beneden kwam het geluid van een deur die met een knal werd dichtgeslagen, een keiharde knal – het leek wel een kanonschot – die door het huis daverde. Bruno schrok en Maria gaf een gilletje. Bruno hoorde voetstappen die de trap op kwamen stampen naar hen toe, sneller en sneller, en hij kroop op bed en drukte zich tegen de muur, plotseling bang voor wat er komen ging. Hij hield zijn adem in en verwachtte iets ergs, maar het was Gretel maar, het hopeloze geval. Ze stak haar hoofd om de deur en leek verbaasd haar broer daar in gesprek met de dienstmeid aan te treffen. 

   ‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg Gretel. 

   ‘Niks,’ zei Bruno afwerend. ‘Wat is er? Ga weg.’ 

   ‘Ga zelf weg,’ antwoordde ze ook al was het zijn kamer, en toen wendde ze zich tot Maria en nam haar met achterdochtige ogen op. ‘Laat het bad vast voor me vollopen, Maria, wil je?’ vroeg ze. 

   ‘Waarom doe je dat zelf niet?’ snauwde Bruno. 

   ‘Omdat zij de dienstmeid is,’ zei Gretel en staarde hem aan. ‘Daar is ze voor.’ 

   ‘Daar is ze níét voor,’ schreeuwde Bruno terwijl hij opstond en op haar af liep. ‘Ze is hier niet alleen maar om altijd alles voor ons te doen, weet je dat wel. En vooral niet de dingen die we zelf ook kunnen doen.’ 

   Gretel staarde hem aan of hij gek was geworden en keek toen naar Maria die snel haar hoofd schudde. 

   ‘Zeker, juffrouw Gretel,’ zei Maria. ‘Ik ben bijna klaar met het opbergen van de kleren van uw broer en dan ben ik zo bij u.’ 

   ‘Ja, maar schiet een beetje op,’ zei Gretel onbeleefd – omdat zij er in tegenstelling tot Bruno nooit bij stilstond dat Maria iemand was met gevoelens net als zij – voordat ze terug naar haar kamer liep en de deur achter zich dichtdeed. Maria keek haar niet na maar er stond een blos op haar wangen. 

   ‘Ik vind nog steeds dat hij een vreselijke vergissing heeft gemaakt,’ zei Bruno zacht na een paar minuten toen hij het gevoel had dat hij zich moest verontschuldigen voor het gedrag van zijn zus maar niet wist of dat zo hoorde of niet. Zulke situaties gaven Bruno altijd een ongemakkelijk gevoel omdat hij in zijn hart wist dat er geen reden was om onbeleefd tegen mensen te zijn, ook al waren ze bij je in dienst. Per slot van rekening bestond er ook nog zoiets als manieren. 

   ‘Zelfs al vindt u dat, dan moet u het nog niet hardop zeggen,’ zei Maria vlug terwijl ze naar hem toe liep met een gezicht alsof ze hem door elkaar zou willen schudden. ‘Beloof me dat u dat niet meer zult doen.’ 

   ‘Waarom?’ vroeg hij met een frons in zijn voorhoofd. ‘Ik zeg alleen maar wat ik voel. Dat mag toch wel, of niet?’ 

   ‘Nee,’ zei ze. ‘Dat mag niet.’ 

   ‘Ik mag niet zeggen wat ik voel?’ herhaalde hij ongelovig. 

   ‘Nee,’ hield ze vol. Haar stem werd scherper toen ze er bij hem op aandrong. ‘Hou het voor je, Bruno. Weet je dan niet hoeveel ellende je kunt veroorzaken? Voor ons allemaal?’ 

   Bruno staarde haar aan. Uit haar ogen sprak een overdreven soort bezorgdheid, die hij daar nooit eerder had gezien en dat bracht hem van zijn stuk. ‘Nou,’ mompelde hij terwijl hij opstond en naar de deur liep, plotseling popelend om bij haar vandaan te komen, ‘ik zei alleen maar dat ik het hier niet leuk vond, meer niet. Ik zei gewoon maar wat terwijl u de kleren opborg. Ik ben toch niet van plan om weg te lopen of zo. Maar al was dat wel zo dan vind ik niet dat iemand me dat kwalijk zou kunnen nemen.’ 

   ‘En uw vader en moeder in doodsangst laten zitten?’ vroeg Maria. ‘Bruno, als je een beetje verstandig bent, hou je je mond, richt je je op je schoolwerk en doe je wat je vader zegt. We moeten hier heelhuids doorheen zien te komen tot het allemaal voorbij is. Dat ben ik in elk geval van plan. Meer kunnen we per slot van rekening niet doen. Wij kunnen er niets aan veranderen.’ 

   Plotseling, en zonder dat hij wist waarom, voelde Bruno hevige aandrang om te gaan huilen. Het overviel hem en hij knipperde een paar keer snel met zijn ogen zodat Maria het niet zou zien. Maar toen hij haar weer aankeek bedacht hij dat er die dag iets vreemds in de lucht moest zitten omdat het leek alsof haar ogen ook vol tranen schoten. Alles bij elkaar, begon hij zich heel opgelaten te voelen, dus draaide hij haar de rug toe en ging naar de deur. 

   ‘Waar gaat u naartoe?’ vroeg Maria. 

   ‘Naar buiten,’ zei Bruno kwaad. ‘Als u het per se wilt weten.’ 

   Hij had langzaam gelopen maar toen hij eenmaal de kamer uit was liep hij vlug naar de trap en rende toen met grote snelheid naar beneden; hij had ineens het gevoel dat als hij niet snel maakte dat hij het huis uit kwam, hij flauw zou vallen. Binnen een paar seconden stond hij buiten en begon heen en weer te rennen over de oprijlaan, hij moest zijn energie kwijt, iets doen, iets wat hem af zou matten, maakte niet uit wat. In de verte kon hij de poort zien die naar de weg voerde die naar het station voerde dat hem naar huis zou voeren, maar het idee om daarheen te gaan, het idee om weg te lopen en dan in zijn eentje over te blijven zonder verder ook maar iemand, sprak hem nog minder aan dan het idee om te blijven.