7
In de nacht nadat Haida het raadselachtige verhaal had verteld over de jazzpianist Midorikawa die zijn vader in diens jonge jaren had ontmoet in de onsen diep in de bergen van Kyushu, gebeurde er een aantal vreemde dingen.
In het holst van de nacht schrok Tsukuru Tazaki wakker. Hij was wakker gemaakt door een korte, droge tik – een geluid alsof er een steentje tegen zijn ruit werd gegooid. Misschien had hij het zich maar verbeeld. Hij durfde er geen eed op te doen. Maar toen hij een blik wilde werpen op het elektrische klokje naast zijn hoofdkussen kon hij zijn hoofd niet keren. En niet alleen zijn hoofd, zijn hele lichaam was als verlamd. Niet echt verlamd, maar als hij zijn spieren wilde bewegen, was hij daar niet toe in staat. De verbinding tussen zijn bewustzijn en zijn lichaam leek te zijn verbroken.
De hele kamer was in duisternis gehuld. Omdat Tsukuru slecht kon slapen als het licht was, trok hij het zware gordijn altijd stijf dicht als hij naar bed ging. Er viel dus geen licht van buiten de kamer binnen. Toch voelde hij gewoon dat er iemand anders in de kamer was. Iemand stond verscholen in het donker naar hem te kijken. Als een dier dat wil opgaan in zijn omgeving had hij zijn adem ingehouden, zijn lichaamsgeur uitgeschakeld, zijn kleur veranderd en zijn lichaam in de duisternis laten versmelten. Desondanks had Tsukuru wel door dat de indringer Haida was.
Mister Gray.
Grijs krijg je door wit en zwart met elkaar te vermengen. En door de dichtheid van het mengsel te veranderen, kan het makkelijk aan allerlei schakeringen duisternis worden aangepast.
Haida stond in een hoek van de donkere kamer en keek neer op Tsukuru, die op zijn rug in bed lag. Meer deed hij niet. Lange tijd bewoog hij geen spier, net als een pantomimespeler die doet of hij een standbeeld is. Het enige wat misschien een heel klein teken van leven vertoonde, waren zijn lange wimpers. Ze vormden een vreemd contrast: Haida die uit eigen vrije wil bijna volkomen roerloos was, en Tsukuru die niet in staat was zich te bewegen hoewel hij niets liever had gedaan. Ik moet iets zeggen, dacht Tsukuru. Ik moet de stilte verbreken om dit dubieuze evenwicht te kunnen verstoren. Maar hij kon zijn stem niet vinden. Hij was niet bij machte om zijn lippen of zijn tong te bewegen. Al wat zijn keel uit kwam, was zijn geluidloze, droge adem.
Wat deed Haida in deze kamer? Waarom stond hij zo aandachtig naar Tsukuru te staren?
Dit is geen droom, dacht Tsukuru. Voor een droom is dit veel te gedetailleerd. Hij had echter geen enkele manier waarop hij zich ervan kon verzekeren dat degene die daar stond de echte Haida was. Misschien lag de echte Haida – die van vlees en bloed – nu als een roos te slapen op de bank in de woonkamer en was degene die hier in de kamer stond een soort Doppelgänger die zich op de een of andere manier van Haida’s echte lichaam had afgescheiden. Dat vermoeden had hij ergens wel.
Toch ervoer hij deze aanwezigheid niet als dreigend of boosaardig. Wat er ook gebeurde, Haida zou hem geen kwaad doen; dat voelde hij met een aan zekerheid grenzende overtuiging. Die indruk had hij gehad vanaf het ogenblik dat hij hem ontmoette. Instinctief, zou je kunnen zeggen.
De Rooie was ook een heel knappe kop geweest, maar diens intelligentie was eerder praktisch van aard en leende zich op z’n tijd ook voor gebruik in de praktijk. Daarbij vergeleken was Haida’s intelligentie zuiverder en fundamenteler. Ze leek zelfs helemaal in zichzelf opgesloten. Het gebeurde vaak genoeg dat Tsukuru Haida niet kon volgen tijdens hun gesprekken. Dan leek iets in diens hoofd met razende vaart vooruit te stormen, al kon Tsukuru nooit precies bepalen wat voor iets dat was. Op zulke ogenblikken was hij natuurlijk wel een beetje in de war en had hij ook het gevoel dat hij in de steek werd gelaten. Maar zelfs dan baarde dit gedrag van zijn jongere vriend hem geen zorgen. Het irriteerde hem ook niet. Haida was vele malen vlugger van begrip; hij dacht gewoon een paar trapjes hoger en breder. Tsukuru had zich er dus bij neergelegd dat hij Haida nooit kon bijhouden.
Waarschijnlijk bevond zich in Haida’s hersenen een speciaal voor de snelheid van zijn denken aangelegd racecircuit, waarop hij af en toe voor een bepaalde tijd zijn gedachten op volle toeren moest laten draaien. Als hij dat niet deed – als hij in een lage versnelling door bleef sukkelen om klungels als Tsukuru gezelschap te houden –, zou zijn denksysteem misschien oververhit raken en beginnen te haperen. Zo’n indruk maakte het. Na een tijdje kwam Haida dan weer met een brede glimlach van het circuit af gereden om zich bij Tsukuru te voegen, en dan minderde hij vaart en paste hij zich weer aan Tsukuru’s denken aan.
Hoelang had Haida al met die felle blik naar hem staan staren? Tsukuru was alle besef van tijd verloren. Midden in de nacht, in het pikkedonker, zonder een vinger te verroeren, zonder een woord te zeggen, stond Haida naar hem te kijken. Hij leek hem iets te willen vertellen. Hij had een boodschap die hij hoe dan ook aan Tsukuru moest doorgeven. Maar om de een of andere reden zag hij geen kans om die in concrete woorden om te zetten. En daarvan was zijn briljante jongere vriend ongebruikelijk van slag geraakt.
Liggend op zijn bed moest Tsukuru opeens terugdenken aan het verhaal van Midorikawa, dat hij nog maar een paar uur eerder had gehoord. Toen Midorikawa vlak voor zijn dood – zoals hij tenminste aannam – de piano in het muzieklokaal van de middelbare school bespeelde, had hij een zakje op dat instrument gezet. Wat had daarin gezeten? Aan het eind van het verhaal was dat raadsel nog steeds niet opgelost. Die vraag liet Tsukuru niet met rust. Iemand had hem moeten vertellen wat dat zakje te betekenen had. Waarom had Midorikawa het op de piano gezet alsof het iets heel belangrijks bevatte? Je zou denken dat dit juist was waar het hele verhaal om ging.
Op die vraag zou hij echter geen antwoord krijgen. Aan het eind van de lange stilte verliet Haida – of zijn Doppelgänger – geluidloos de kamer. Tsukuru meende op het eind nog even zachtjes zijn ademhaling te kunnen horen, maar zeker was hij daar niet van. Haida’s aanwezigheid vervaagde en loste op zoals de geur van wierook opgaat in de buitenlucht, en voor hij het wist was hij weer alleen in het donker van zijn kamer. Hij kon zich nog steeds niet bewegen. De kabel die zijn bewustzijn met zijn lichaam verbond zat los. Op het punt waar hij de twee aan elkaar vast moest koppelen, was de bout uit de moer gevallen.
In hoeverre is dit werkelijkheid, dacht Tsukuru. Een droom is het niet. Een hallucinatie ook niet. Het is ontegenzeggelijk de werkelijkheid. Maar het heeft niet de zwaarte die je van de werkelijkheid zou verwachten.
Mister Gray.
Toen viel hij nog een keer in slaap. En even later werd hij wakker in een droom. Of nee, een droom kan dit niet echt worden genoemd. Het was de werkelijkheid, maar dan met alle typische kenmerken van een droom. Het was een ander soort werkelijkheid, zoals alleen een losgeslagen verbeelding die op bijzondere momenten, en op een bijzondere plaats, kan voortbrengen.
==
Ze lagen spiernaakt in zijn bed. Ze vlijden zich aan weerskanten tegen hem aan. Witje en Zwartje. Ze waren zestien of zeventien. Om de een of andere reden waren ze altijd zestien of zeventien. Hun borsten en dijen drukten tegen zijn lichaam. Hij kon hun warme, gladde huid niet alleen voelen, maar zelfs van elkaar onderscheiden. Ze zeiden geen woord, maar hun vingers betastten hem over zijn hele lijf en de punten van hun tongen gleden over hem heen alsof ze hem wilden verslinden. Ook hij was helemaal naakt.
Deze situatie had Tsukuru niet gewenst, en het was ook geen fantasie die hij vrijwillig opriep. Dit waren beelden waarvan je zou verwachten dat ze hem niet zomaar even voor de geest kwamen. Maar hoe meer hij zich ertegen verzette, hoe duidelijker ze werden, en hoe duidelijker ook de gewaarwording werd dat hij alles werkelijk voelde.
De meisjesvingers waren slank en teder en o zo behendig. Vier handen en twintig vingers. Als uit duisternis geboren blinde, gladde diertjes verkenden en prikkelden ze alle hoeken en gaten van Tsukuru’s lichaam. Dat greep hem aan op een manier die hij nooit eerder had meegemaakt. Hij voelde zich als iemand die te horen krijgt dat het huis waar hij al die tijd heeft gewoond een klein, geheim kamertje bezit. Zijn hart sloeg als een trommel, met korte droge tikken. Zijn armen en benen waren nog helemaal verlamd. Hij kon geen vinger verroeren.
De meisjeslichamen kronkelden zich soepel om het zijne. Zwartjes borsten waren vol en zacht. Die van Witje waren kleiner, maar haar tepels waren zo hard en rond als kiezelsteentjes. Bij allebei droop hun schaamhaar als een regenwoud. Hun ademhaling had zich vervlochten met de zijne tot ze één waren geworden, zoals van verre gekomen zeestromingen zich onbespied door mensenogen op de bodem van de donkere oceaan met elkaar verenigen.
Na lange, aanhoudende liefkozingen ging hij bij een van hen naar binnen. Het was Witje. Ze ging schrijlings op hem zitten, pakte zijn harde, rechte geslacht met haar hand en stak dat met een handig gebaar in haar vagina. Het verdween zonder enige weerstand, alsof het door een vacuüm werd opgezogen. Na het even tot rust te laten komen en na een keer diep ademhalen, begon ze langzaam met haar heupen te wiegen. Haar bovenlichaam wentelde en keerde alsof het bezig was ingewikkelde figuren in de lucht te tekenen. Haar lange, sluike zwarte haren zwiepten zachtjes over zijn hoofd. Zulk losbandig gedrag had hij nooit achter Witje gezocht.
Maar voor Witje, en voor Zwartje ook, leek deze gang van zaken de normaalste van de wereld – daar hoefde hij zich geen zorgen over te maken. Ze gaven niet het minste blijk van aarzeling. Strelen deden ze hem allebei, maar degene bij wie hij naar binnen was gegaan was Witje. Waarom Witje, kon Tsukuru ook terwijl hij ten prooi was aan de zwaarste verwarring niet nalaten te denken. Waarom moest het uitgerekend Witje zijn? De meisjes dienden allebei gelijk te zijn. Ze waren samen één bestaansvorm – of dat hadden ze móéten zijn!
Maar meer tijd om te denken had hij niet. Witjes bewegingen waren allengs sneller en heftiger geworden, en voor hij er erg in had kwam hij op een weergaloze manier in haar klaar. De tijd tussen penetratie en ejaculatie was kort geweest. Te kort, dacht Tsukuru. Veel te kort. Of zou hij zijn besef van tijd zijn kwijtgeraakt? De drang was in elk geval met geen mogelijkheid te bedwingen geweest. Hij was als een vloedgolf opeens over hem heen gestort.
Maar degene die zijn zaad ontving was niet Witje, maar Haida! Toen hij opkeek, waren de meisjes al verdwenen en had Haida hun plaats ingenomen. Zodra Tsukuru klaarkwam, boog Haida zich vliegensvlug voorover en nam zijn penis in zijn mond om het spuitende sperma op te vangen zodat de lakens niet vuil werden. De ejaculatie was bijzonder heftig, en de hoeveelheid zaad geweldig groot. Haida bleef geduldig wachten tot de spasmen voorbij waren en likte toen de laatste druppels zorgvuldig op met zijn tong. Hij leek zoiets niet voor het eerst te doen – dat idee had Tsukuru tenminste. Daarna stapte hij stilletjes het bed uit en liep naar de wastafel. Een tijdlang hoorde Tsukuru het geluid van een lopende kraan. Hij stond zeker zijn mond te spoelen.
Ook nadat hij was klaargekomen, bleef Tsukuru een erectie houden. Hij voelde Witjes natte, warme geslacht nog om het zijne, net alsof ze werkelijk seks hadden gehad. Hij kon nog niet goed uitmaken waar de droom ophield en de verbeelding begon, waar de verbeelding ophield en de werkelijkheid begon.
In het donker zocht Tsukuru naar woorden. Niet omdat hij iets tegen iemand in het bijzonder wilde zeggen. Maar hij moest op z’n minst één juist woord vinden om de woordeloze, naamloze leegte te vullen die daar was. Voordat Haida terugkwam van de wastafel. Hij vond dat woord echter niet. En al die tijd hoorde hij in zijn hoofd dezelfde eenvoudige melodie. Het was het hoofdthema van ‘Le mal du pays’ van Liszt, maar dat besefte hij pas later. Pelgrimsjaren, ‘Het eerste jaar: Zwitserland’. Melancholie zoals opgeroepen door de aanblik van een rustiek landschap.
Toen werd hij overvallen door een bijna gewelddadig diepe slaap.
==
Toen hij wakker werd, was het bijna acht uur de volgende ochtend.
Het eerste wat hij deed toen hij opstond, was zijn ondergoed inspecteren op spermavlekken. Na zo’n geile droom had hij die altijd. Hij kon echter niets vinden. Tsukuru snapte er niets van. In zijn droom – of op z’n minst op een plaats die niet in de werkelijke wereld bestond – had hij een zaadlozing gehad. Een heel intense maar liefst. Hij voelde het nu nog. Dan zou je verwachten dat hij een flinke portie werkelijk zaad had gespoten. Maar daar was niets van te bespeuren.
Toen herinnerde hij zich dat Haida zijn zaad in zijn mond had opgevangen.
Hij deed zijn ogen dicht en fronste licht. Zou dat echt gebeurd zijn? Nee, dat bestaat niet! Dat heeft allemaal plaatsgevonden in een donker hoekje van mijn onderbewustzijn. Dat kan niet anders! Nou, waar heb je je zaad dan gespoten? Ook in een hoekje van je onderbewustzijn soms?
In grote staat van verwarring stapte Tsukuru uit bed en ging in pyjama naar de keuken. Haida lag al met zijn kleren aan op de bank een dik boek te lezen. Hij was daar zo in verdiept dat hij in een andere wereld leek te verkeren, maar zodra Tsukuru zijn gezicht vertoonde, klapte hij het boek dicht en begon hij met een brede glimlach op zijn gezicht koffie, een omelet en toast klaar te maken. De heerlijke geur van verse koffie verspreidde zich door het keukentje – de geur die de ochtend van de middag scheidt. Ze gingen tegenover elkaar aan tafel zitten en begonnen aan hun ontbijt, met de muziek zachtjes aan. Haida at zoals altijd bruingeroosterd brood met een dun laagje honing erop.
Tijdens het ontbijt gaf Haida alleen zijn mening te kennen over de smaak van de koffiebonen, die hij laatst ergens in een nieuw winkeltje had gekocht, en over de manier waarop ze waren geroosterd, en verder dacht hij over iets na. Waarschijnlijk liet hij zijn gedachten gaan over de inhoud van het boek dat hij aan het lezen was. Dat kon je zien aan zijn pupillen, die strak op één punt in de ruimte waren gericht. Het waren mooie, doorzichtige pupillen, maar als je er diep in keek, viel er niets in te lezen. Dit waren de ogen waarmee hij keek als hij over iets abstracts nadacht. Ze deden Tsukuru altijd denken aan bronnen in de bergen, waarin je van tussen de bomen een blik werpt.
Haida gedroeg zich net als anders. Deze zondagochtend verschilde in geen enkel opzicht van andere. De lucht was lichtbewolkt en het zonlicht was mild. Terwijl ze met elkaar zaten te praten, keek Haida Tsukuru recht in de ogen, zonder dat hij met die blik iets speciaals leek te bedoelen. Waarschijnlijk was er dus in werkelijkheid niets gebeurd. Zie je wel, dacht Tsukuru, dit is een spook van mijn verbeelding. Het zit allemaal in mijn onderbewustzijn. Hij schaamde zich diep, maar tegelijkertijd voelde hij zich voor een raadsel geplaatst. Tot dan toe had hij vaak genoeg natte dromen gehad waarin Witje en Zwartje de hoofdrol speelden. Die kreeg hij op gezette tijden, of hij wilde of niet, en dan ejaculeerde hij altijd. Zo reëel en levensecht als deze keer had hij het echter nooit meegemaakt. Maar wat hem helemaal van de wijs bracht, was dat Haida er deze keer ook aan te pas was gekomen.
Tsukuru besloot echter om zich niet langer met dit probleem bezig te houden. Hoe diep hij er ook over nadacht, het antwoord kwam toch niet in zicht. Hij stopte het daarom in een laatje ‘Onopgeloste zaken’ en beloofde zichzelf dat hij er in de toekomst wel eens naar zou kijken. Hij droeg verscheidene van zulke laatjes met zich mee, en daar had hij behoorlijk wat problemen in weggemoffeld.
==
Daarna gingen Tsukuru en Haida naar het zwembad van de universiteit om samen een halfuur baantjes te trekken. Op zondagochtend waren er maar weinig mensen in het water, dus konden ze net zo hard of langzaam zwemmen als ze zelf wilden. Tsukuru lette erop dat hij alle spieren die nodig zijn bij het zwemmen op de juiste manier gebruikte. Rugspieren, lendenspieren, buikspieren... Over ademhalen en beenslagen hoefde hij niet speciaal na te denken. Als hij eenmaal zijn ritme te pakken had, ging dat allemaal onderbewust. Haida zwom altijd voor en Tsukuru zwom achter hem. Haida’s soepele beenbewegingen produceerden fijne witte belletjes die ritmisch in het water opdansten en Tsukuru als het ware biologeerden. Dat schouwspel bracht hem altijd in een lichte trance.
Toen ze een douche hadden genomen en zich weer hadden aangekleed, hadden Haida’s ogen de doorzichtige glans van eerder die ochtend verloren en bezaten ze weer dezelfde kalme, bedaarde blik als altijd. Dankzij de intensieve lichaamsbeweging was Tsukuru’s verwarring ook enigszins verdwenen. Ze verlieten de sporthal en liepen naast elkaar naar de bibliotheek. Onderweg zeiden ze nauwelijks een woord tegen elkaar, maar dat was niet ongewoon. Haida zei dat hij in de bibliotheek het een en ander wilde natrekken. Ook daar was niets ongewoons aan. Haida hield ervan om dingen na te trekken. ‘Ik wil een poosje alleen zijn’, betekende dat meestal.
‘Ik ga terug naar huis om de was te doen,’ zei Tsukuru.
Voor de bibliotheek zwaaiden ze elkaar gedag, en toen gingen ze elk hun eigen weg.
==
Daarna liet Haida een tijdlang niets van zich horen. Tsukuru zag hem niet in het zwembad en al evenmin op de campus. Net als in de tijd voor hij Haida leerde kennen, at hij zijn maaltijden stilletjes en alleen; hij ging in z’n eentje zwemmen; hij volgde college, maakte notities, stampte mechanisch buitenlands vocabulaire in zijn hoofd en schreef opstellen in vreemde talen. Het was een stil en eenzaam leven. De tijd vloeide prozaïsch en bijna zonder een spoor achter te laten om hem heen en stroomde verder. Af en toe legde hij Pelgrimsjaren op de draaitafel en luisterde ernaar.
Wil Haida me soms niet meer zien, vroeg Tsukuru zich af toen hij ongeveer een week lang niets van hem had gehoord. Dat was niet ondenkbaar. Haida had hem zonder enige waarschuwing en zonder hem te vertellen waarom in de steek gelaten. Net zoals die vier in zijn geboortestad dat jaren eerder hadden gedaan.
Misschien was zijn jongere vriend bij hem weggegaan vanwege die geile droom die hij had gehad, dacht Tsukuru. Misschien was Haida er op de een of andere manier achter gekomen wat zich van a tot z in zijn onderbewustzijn had afgespeeld en voelde hij zich nu niet op zijn gemak. Misschien was hij wel kwaad. Wie zal het zeggen?
Nee, zoiets bestond gewoon niet! Zulke dingen konden niet uit zijn onderbewustzijn naar buiten lekken. Er was geen enkele manier waarop Haida het te weten kon zijn gekomen. Toch had Tsukuru het onbehaaglijke gevoel dat de doordringende ogen van de jongerejaars diverse duistere hoekjes van zijn ziel hadden doorschouwd alsof ze felverlicht waren geweest. Bij de gedachte alleen al steeg het schaamrood hem naar de kaken.
Hoe het ook zij, nu Haida was verdwenen, besefte Tsukuru eens te meer hoe belangrijk diens vriendschap voor hem was en hoeveel kleur die elke dag aan zijn leven had gegeven. Hij verlangde terug naar de gesprekken die ze met elkaar hadden gevoerd, en naar Haida’s typische, opgeruimde lach – naar de muziek waarvan hij hield, de boeken waaruit hij nu en dan voorlas, zijn kijk op de gebeurtenissen in de wereld, zijn karakteristieke humor, zijn rake citaten, de maaltijden die hij klaarmaakte, de koffie die hij zette. Overal waar hij keek, bespeurde Tsukuru de leegte die Haida in zijn dagelijkse bestaan had achtergelaten.
Haida had hem zoveel gegeven, en wat had hij daartegenover kunnen stellen? Dat kon Tsukuru niet nalaten zich af te vragen. Wat heb ík mijn vriend gegeven? Héb ik hem wel iets gegeven?
Misschien ben ik wel voorbestemd om alleen te zijn. Ook dat kon hij niet nalaten te denken. Iedereen met wie hij ooit op goede voet had gestaan was uiteindelijk weer bij hem weggegaan. Ze hadden naar iets in hem gezocht, maar dat hadden ze niet kunnen vinden, of misschien hadden ze het wel gevonden maar was het hun tegengevallen, en toen hadden ze het maar opgegeven (of waren ze wanhopig geworden, of kwaad) en waren ze ervandoor gegaan. Op een dag verdwenen ze opeens – zonder een woord van uitleg, zonder zelfs behoorlijk afscheid te nemen. Alsof ze met een scherp, geluidloos kapmes een band waardoor een nog zacht kloppende, met warm bloed gevulde ader loopt met één klap doorhakten.
Diep in hem was er vast iets waar anderen op afknapten. ‘Tsukuru Tazaki, zonder kleur,’ zei hij hardop. Als puntje bij paaltje komt, heb ik helemaal niets wat ik aan anderen kan geven. Als het erop aankomt, heb ik mezelf misschien zelfs niets te geven!
==
Maar op de ochtend van de tiende dag nadat ze elkaar voor de bibliotheek gedag hadden gezegd, dook Haida op in het zwembad van de universiteit. Tsukuru wilde net weer eens keren toen hij een tikje op de rug van zijn rechterhand voelde, en toen hij opkeek, zag hij Haida, op zijn hurken in zijn zwembroek, met zijn zwarte zwembril omhooggeschoven tot op zijn voorhoofd en de oude, vertrouwde glimlach om zijn lippen. Hoewel ze elkaar een hele tijd niet hadden gezien, begroetten ze elkaar niet uitbundig maar knikten ze elkaar alleen even toe, en vervolgens zwommen ze in dezelfde baan samen een lange afstand. Hun soepele spierbewegingen en het kalme, regelmatige ritme van hun beenslag waren de enige vorm van communicatie die ze in het water gebruikten. Woorden waren overbodig.
‘Ik was een tijdje in Akita,’ zei Haida. Ze waren het bad uit en hij stond met een handdoek zijn haren af te drogen na de douche. ‘Het moest allemaal erg plotseling. Maar er was niets aan te doen. Dringende familieomstandigheden, je weet wel.’
Tsukuru knikte en mompelde iets vaags. Midden in het semester tien dagen lang niet op de campus verschijnen was niets voor Haida. Die was net als Tsukuru: hij verzuimde alleen college als het echt niet anders kon. Hij zou dus vast wel uiterst dringende redenen hebben gehad om naar zijn ouderlijk huis terug te gaan, maar welke, daar weidde hij niet over uit, en Tsukuru wilde ook niet doorvragen. In elk geval, nu zijn jongere vriend zonder kleerscheuren weer bij hem terug was, was hij zo blij dat hij de harde luchtbel die zich ergens in zijn borst leek te hebben genesteld veilig naar buiten kon werken. Het was of hij opeens weer vrijer kon ademhalen. Haida was niet verdwenen omdat hij besefte dat hij zich in Tsukuru had vergist.
Toch had Tsukuru af en toe het idee dat het die nacht niet aan Haida’s doordringende ogen was ontgaan wat er in zijn onderbewustzijn allemaal schuilging. Hij voelde die vorsende blik nog in zijn lichaam. Het was een zeurend soort pijn, zoiets als wat je krijgt bij een lichte brandwond. Haida had toen al de heimelijke fantasieën en begeertes doorzien waarmee Tsukuru behept was, hij had ze een voor een geïnspecteerd en ontleed, en ondanks de resultaten die hij zo had verkregen, had hij hun oude vriendschap voortgezet. Maar om die allerminst vredige situatie te accepteren en om zijn gevoelens wat te ordenen en tot rust te doen komen had hij een dag of wat bij Tsukuru vandaan gemoeten. Dat verklaarde waarom hij tien dagen lang alle contact had vermeden.
Dit was natuurlijk niet meer dan een vermoeden – een heel losse gedachte, waarvoor hij eigenlijk geen enkele basis had en die van bijna alle logica was gespeend. Misschien zou je het een waanidee moeten noemen. Maar het liet Tsukuru niet met rust en bezorgde hem menig onaangenaam ogenblik. Bij het idee dat Haida tot in het donkerste hoekje van zijn ziel had kunnen kijken, voelde hij zich als een pissebed die onder een slijmerig rotsblok woont.
Toch had Tsukuru Tazaki zijn jongere vriend nodig. Waarschijnlijk meer dan wie of wat ook ter wereld.