3

In de loop van het bijna halve jaar dat hij op de drempel van de dood vertoefde, viel Tsukuru zeven kilo af. Hij at niet behoorlijk, dus op zich was dat niet zo verwonderlijk. Het ronde, zelfs bolle gezicht dat hij van jongs af aan had gehad werd mager en spichtig. Hij kon zijn broek niet langer ophouden door zijn riem strakker te trekken, maar zag zich genoodzaakt een kleinere maat te kopen. Als hij zich helemaal uitkleedde was zijn ribbenkast net een goedkope vogelkooi, zo staken zijn botten door zijn vel. Zijn schouders zakten steeds verder naar voren, met als gevolg dat zijn houding ziender­ogen slechter werd. Zijn van hun vlees ontdane benen zagen eruit als de stelten van een watervogel. Dit is het lichaam van een oud mannetje, dacht hij toen hij zichzelf voor het eerst in lange tijd weer eens naakt in een passpiegel zag. Of van iemand die elk ogenblik de pijp uit kan gaan.

‘Maar misschien is het niet meer dan normaal dat ik eruitzie alsof ik op sterven na dood ben,’ zei hij tegen zichzelf terwijl hij voor de spiegel stond. ‘Want in zekere zin ben ik dat ook. Ik ben als de pophuid van een insect die met zijn lege pootjes aan de tak van een boom zit gekleefd. Er hoeft maar een rukwind te komen of ik word de eeuwigheid in geblazen. Zo weinig scheelt dat.’ Dit feit – dat hij eruitzag als iemand die met de dood in de schoenen liep – maakte diepe indruk op hem. Zoals iemand die gebiologeerd is door de tragische televisiebeelden van een reusachtige aardbeving of een enorme overstroming in een gebied ergens ver bij hem vandaan, kon hij zijn ogen niet van dat naakte beeld in de spiegel losrukken.

Misschien ben ik wel echt dood, ging het opeens als een flits door hem heen. Toen zijn vier vrienden vorig jaar zomer weigerden zijn bestaan nog langer te erkennen, had de jongen die Tsukuru Tazaki heette in feite zijn laatste adem uitgeblazen. Zijn uiterlijke verschijning leefde nog ternauwernood verder, maar ook die had in de loop van een halfjaar een drastische verandering ondergaan. Zijn lichaamsbouw en gezicht waren haast onherkenbaar, en de manier waarop hij de wereld ervoer was ook anders geworden. De wind over zijn huid, het ruisen van het water, het licht dat tussen de wolken door scheen, de kleuren van de bloemen in elk seizoen – alles kwam hem anders voor dan eerst; alles leek zelfs nieuw gemaakt. Degene die hier stond en in de spiegel werd gereflecteerd, leek op het eerste gezicht wel op Tsukuru Tazaki, maar was hem niet echt. Dit was niet meer dan een vorm waarvan de inhoud was omgewisseld, en die alleen gemakshalve nog steeds ‘Tsukuru Tazaki’ genoemd werd. Wat voor naam moest je het anders geven?

==

Die nacht had Tsukuru een vreemde droom. Hij droomde dat hij ten prooi was aan een verschrikkelijke jaloezie. Het was tijden geleden dat hij zo’n levensechte droom had gehad.

Om eerlijk te zijn had Tsukuru tot dan toe nooit echt begrepen wat het betekent om jaloers te zijn. Natuurlijk wist hij verstandelijk wel wat jaloezie is en hoe die ontstaat. Jaloers, dat ben je bijvoorbeeld als iemand anders zonder er (ogenschijnlijk) een vinger voor uit te hoeven steken de betrekking krijgt waar jij met jouw kwaliteiten en capaciteiten geen schijn van kans op maakt. Of als je erachter komt dat het meisje op wie jij smoorverliefd bent in de armen van een ander heeft gelegen. Jaloezie, afgunst, hartzeer, frustratie, machteloze woede.

In feite had Tsukuru deze emotie echter nog nooit persoonlijk ervaren. Hij had nooit serieus verlangd naar kwaliteiten en capaciteiten die hij zelf niet bezat, en hij was nooit smoorverliefd geweest. Omdat hij nooit van iemand had gehouden, was hij ook nooit jaloers op iemand geweest. Natuurlijk wilde dat niet zeggen dat hij helemaal met zichzelf tevreden was. Hij had best het idee dat hij in sommige opzichten tekortschoot, en als je hem daarnaar had gevraagd, had hij daar een heel rijtje van kunnen opnoemen. Het was misschien geen ellenlange lijst geworden, maar bij twee of drie punten was het beslist niet gebleven. Maar wat kocht je ervoor om met die ontevredenheid en dat besef van je eigen gebreken te koop te gaan lopen? Hij had ze dus altijd voor zich gehouden. Althans, tot die nacht.

Maar in die droom hield hij zielsveel van één bepaald meisje, al werd het nooit duidelijk wie ze precies was. Het meisje bestond alleen maar. En ze was in staat haar lichaam en haar hart van elkaar te scheiden. Dat bijzondere vermogen had ze. ‘Eén van de twee kan ik aan je geven,’ zei ze tegen Tsukuru. ‘Mijn lichaam, of mijn hart. Maar allebei kun je niet krijgen. Daarom wil ik dat je nu een van beide kiest. Wat je overlaat geef ik aan iemand anders,’ zei ze. Maar Tsukuru wilde haar helemaal. Zomaar een helft van haar aan een andere vent geven, daartoe was hij niet in staat. Dat idee kon hij eenvoudig niet verdragen. Dan maar helemaal niks, wilde hij het liefst zeggen. Maar dat kon hij ook weer niet. Hij kon niet voor- of achteruit.

Op dat ogenblik voelde Tsukuru een vlijmende pijn, alsof iemand met handen als kolenschoppen bezig was zijn hele lichaam uit elkaar te wringen. Zijn spieren scheurden, zijn botten schreeuwden het uit. Hij smachtte van dorst, alsof al zijn lichaamscellen waren uitgedroogd. Hij sidderde van woede, zo kwaad was hij dat hij één helft van haar aan iemand anders moest afstaan. Die razernij veranderde in een geconcentreerde, stroperige vloeistof die uit zijn beenmerg werd geperst. Zijn longen waren als een paar op hol geslagen blaasbalgen, zijn hart maakte net zoveel toeren als een automotor met het gaspedaal ingedrukt tot op de bodem, zijn onstuimig opgejaagde zwarte bloed werd naar alle uiteinden van zijn lichaam gestuwd.

Trillend over zijn hele lichaam werd hij wakker. Het duurde even voor hij besefte dat het een droom was. Hij lag te zweten als een otter. Hij rukte zijn kletsnatte pyjama van het lijf en greep een handdoek om zich af te drogen, maar hoe hij ook schrobde en veegde, hij raakte dat akelige slijmerige gevoel niet kwijt. Op dat ogenblik begreep hij het eindelijk. Op dat ogenblik begon zijn intuïtie eindelijk te werken. Dit is nu jaloezie: als er een vrouw is van wie je houdt, en iemand probeert je haar hart of haar lichaam, of misschien wel allebei, af te nemen.

Jaloezie – zo leerde Tsukuru in die droom – is de meest hopeloze gevangenis ter wereld. Dat komt doordat de gevangenen zichzelf erin opsluiten. Niemand wordt er met geweld in gestopt. Je stapt er zelf in, doet zelf vanbinnen de deur op slot en gooit zelf de sleutel door de tralies naar buiten. En er is op de hele wereld niemand die weet dat jij daar opgesloten zit. Natuurlijk kun je er best uit als je dat wilt. De gevangenis is immers in je eigen hart? Maar dat wil je niet. Je hart is zo hard geworden als een stenen muur. Dat is het kenmerk van echte jaloezie.

Tsukuru pakte een pak sinaasappelsap uit de koelkast en dronk verscheidene glazen achter elkaar. Hij had een brandende dorst. Toen ging hij aan tafel zitten, en terwijl hij door het raam zag hoe buiten het donker gaandeweg plaatsmaakte voor het licht, wachtte hij tot zijn lichaam en zijn geest waren bekomen van de emotionele vloedgolf die eroverheen was gespoeld. Wat had die droom in ’s hemelsnaam te betekenen, vroeg hij zich af. Was het een soort voorspelling? Een symbolische boodschap? Wat wilde hij me vertellen? Misschien was het mijn echte zelf wel, zoals ik mezelf nog niet ken, dat probeerde uit zijn pophuid te breken en naar buiten te kruipen, dacht Tsukuru – een gedrocht dat was uitgebroed en nu verwoede pogingen in het werk stelde om in contact te komen met de buitenlucht.

Later besefte hij het pas, maar dit was het ogenblik waarop Tsukuru Tazaki ophield serieus de dood te zoeken. Hij had naar zijn naakte lichaam in een spiegel gestaard en ingezien dat dit spiegelbeeld van zichzelf hemzelf niet was. Die nacht had hij in een droom voor het eerst ervaren wat het betekende om jaloers te zijn (als dit inderdaad jaloezie was geweest). En toen de nacht overging in de dag, had hij die vijf donkere maanden waarin hij oog in oog had gestaan met het Niets van de dood reeds achter zich gelaten.

Waarschijnlijk had de rauwe, schroeiende emotie die die nacht in de vorm van een droom door hem heen was gegaan het hardnekkige verlangen naar de dood dat hem tot dan toe in zijn macht had gehad geneutraliseerd en weggevaagd – zoals een strakke westenwind een dik wolkendek de hemel uit blaast. Dat vermoedde Tsukuru.

Wat achterbleef waren kalme gedachten die veel weg hadden van berusting. Deze gevoelens misten alle kleur; ze waren zo neutraal als een windstilte. Hij zat op de vloer van een groot, leeg oud huis en luisterde met gespitste oren naar een enorme antieke staande klok die met een hol geluid de tijd wegtikte. Met zijn mond stijf dicht en zonder zijn ogen af te wenden staarde hij naar de voortmarcherende wijzers. Hij wikkelde zijn gevoelens in verscheidene lagen dun vlies, hield zijn hart leeg, en zo werd hij elk uur onverbiddelijk ouder.

==

Tsukuru Tazaki begon langzaam maar zeker weer behoorlijk te eten. Hij sloeg verse levensmiddelen in en maakte eenvoudige maaltijden klaar. Toch kreeg hij maar een klein beetje terug van het gewicht dat hij was kwijtgeraakt. Het leek wel of zijn maag in die vijf maanden aanzienlijk was gekrompen. Als hij meer at dan een bepaalde hoeveelheid, werd hij misselijk. Hij ging ’s ochtends vroeg ook baantjes trekken in het zwembad van de universiteit. Omdat zijn spieren zo verzwakt waren, was hij elke keer dat hij een trap op liep al buiten adem, en hij wilde zijn oude conditie zo snel mogelijk terug hebben. Hij kocht een nieuwe zwembroek en zwembril en crawlde elke dag duizend tot vijftienhonderd meter. Als hij die erop had zitten, ging hij naar de sporthal om intensief gebruik te maken van de apparaten daar.

Na een aantal maanden van beter eten en regelmatige lichaamsbeweging had het leven van Tsukuru Tazaki zijn voormalige gezonde ritme zo’n beetje hervonden. De spieren die hij nodig had waren hersteld (hoewel ze op een heel andere manier aan zijn lichaam vastzaten dan voorheen), zijn rug was weer recht en zijn gezicht had weer een gezonde kleur. En als hij ’s ochtends wakker werd, mocht hij zich voor het eerst in lange tijd verheugen in een harde erectie.

Juist in die tijd bracht zijn moeder een van haar zeldzame bezoekjes aan Tokyo. Waarschijnlijk was het vreemde gedrag van haar zoon haar zorgen gaan baren. Tsukuru was met oud en nieuw ook al niet thuisgekomen. Dat was niet normaal, en nu wilde ze wel eens weten hoe hij het maakte. Toen ze zag hoe zijn uiterlijk was veranderd in de paar maanden dat ze hem niet had gezien, stond ze even naar adem te happen, maar toen hij haar vertelde dat dit ‘een heel natuurlijke verandering was die gewoon bij zijn leeftijd hoorde, en dat hij nu zo gauw mogelijk kleren wilde die bij zijn nieuwe lichaam pasten’, slikte ze dat zonder meer. Ze nam gewoon aan dat dit een stadium was waar alle jongens doorheen moesten. Zelf was ze opgegroeid in een gezin met alleen maar meisjes, en na haar trouwen had ze heel goed geweten hoe ze haar dochters moest opvoeden, maar van de manier waarop jongens groot worden wist ze hoegenaamd niets. Daarom knipperde ze niet eens met haar ogen, maar stapte ze blij verrast met haar zoon naar een warenhuis en kocht een hele garderobe voor hem. Ze hield erg van Brooks Brothers en van Polo Ralph Lauren. Tsukuru’s oude kleren werden weggegooid of weggegeven.

Zijn gezicht was ook veranderd. De jongen met het ronde gezicht en de regelmatige maar alledaagse gelaatstrekken die een centraal punt misten – die jongen was er niet meer. Het gezicht dat nu uit de spiegel naar hem terugstaarde was dat van een jonge man met een kin zo scherp als een troffel. In zijn ogen straalde een nieuw licht – een licht dat hij zelf ook niet herkende. Een eenzaam licht, dat uitsluitend schijnt op één bepaalde plaats en het liefst niet gestoord wil worden. Zijn baard was opeens zwaarder geworden, zodat hij elke ochtend even aan zijn gezicht moest voelen. Hij besloot om zijn haar langer te dragen dan hij vroeger had gedaan.

Niet dat Tsukuru bijzonder ingenomen was met zijn nieuw verworven gezicht. Dat was hij namelijk niet, al had hij er ook geen uitgesproken hekel aan. Het was voor hem niet meer dan een masker waarvan hij toevallig goed gebruik kon maken. Maar het was niet het gezicht van zijn oude zelf, en daar was hij voorlopig dankbaar voor.

In elk geval, de jongen die vroeger de naam ‘Tsukuru Tazaki’ had gedragen was dood. Die was opgegaan in de woeste duisternis en begraven op een open plekje ergens in een bos – stiekem, voor dag en dauw, terwijl iedereen nog in diepe slaap was gedompeld, zonder zelfs maar een steen met een naam op zijn graf. En degene die hier adem stond te halen was de nieuwe ‘Tsukuru Tazaki’, met een inhoud die grotendeels was vervangen. Maar behalve hijzelf was er nog niemand die dat wist. En hij was niet van plan om het verder te vertellen.

Tsukuru Tazaki bezocht nog steeds allerlei stations om schetsen te maken van het interieur ervan en liep plichtsgetrouw college. ’s Ochtends nam hij een douche en waste hij zijn haar, en na het eten poetste hij altijd zijn tanden. Hij maakte elke ochtend zijn bed op, en hij streek zelf zijn overhemden. Hij deed zijn best om geen vrije tijd over te houden. ’s Avonds las hij ongeveer twee uur lang boeken, meestal geschiedkundige werken en biografieën. Die gewoonte had hij nog van vroeger overgehouden. Zijn dagelijkse leven dreef op de macht der gewoonte. Maar in een perfecte broederschap geloofde hij niet meer, en de warmte van chemistry voelde hij ook niet langer.

Elke ochtend nam hij de tijd om zijn gezicht te bestuderen in de spiegel boven zijn wastafel. Zo wende hij zichzelf stukje bij beetje aan het bestaan (inclusief veranderingen) van de nieuwe ‘hij’, net alsof hij een nieuwe taal moest leren en bezig was idiomatische uitdrukkingen in het hoofd te stampen.

==

Uiteindelijk maakte Tsukuru een nieuwe vriend. Dat was in juni, ongeveer een jaar nadat zijn vier vrienden in Nagoya hem uit de groep hadden getrapt. Het was een eerstejaars aan dezelfde universiteit als hij. Hij leerde hem kennen in het zwembad.

==