8. De Kluis der Lotsbestemmingen

Het was verbazingwekkend, bedacht James de volgende dag, hoe het leven op Zweinstein en Alma Aleron op elkaar leken, en aan de andere kant zo verschilden.
Hij en Ralph hadden het grootste deel van de vorige middag doorgebracht in de kelder van het Hermes Landhuis, hun belachelijke propeller trechters dragend, en doorgezaagd werden door de oude leden van de Zombies over waarom zij hen zouden moeten toelaten, terwijl zij al die tijd over de rafelige tapijten kropen van de kelder, en purden in de stoffige spanten, op zoek naar spinnen, die ze, volgens hun opdracht, moesten verzamelen en bewaren in een flinke fles. James had zich half half zorgen gemaakt dat tot een deel van de inwijding het eten van de spinnen zou behoren waarmee ze nu bezig waren deze te verzamelen, en had opzettelijk vermeden een aantal van de grote te vangen. Om tien uur was Daan er ook geweest, kauwend op popcorn uit een grote bak, met zijn voeten op een voetenbank, bedekt met een geel, beduimelt, tapijt. Warrington, die inmiddels had besloten om aangesproken te willen worden met “Hoge Sultan Warrington, Meester van de Vechtende Delvers van de Tweede Etage Gedeelde Bank” had kritisch de fles met spinnen van Ralph en James geïnspecteerd. Tientallen spinnen kropen op de bodem van de fles over elkaar heen, hun klein pootjes maakten bijna gekmakende krasgeluiden op het glas.
‘Niet slecht feuten,’ had Warrington met tegenzin verkondigd. ‘Jullie hebben er zestien meer Daan hier had op zijn eerste nacht.
‘Niet eerlijk!’ dan Daan gebriest, rechtopzittend in een oude leunstoel bij de trap. ‘Zij zijn met z’n tweeën!’
‘Jep,’ had Warrington gegrinnikt, de dop van de fles draaiend. ‘Maar jij speelde vals, Wilstra. Jij transfigureerde de helft van je spinnen uit mieren, duizendpoten, en zelfs een paar oude chippies. De meesten hadden niet eens het juiste aantal poten.’
Daan zakte weer terug in de stoel. ‘Dat is waarom jullie gek op mij waren, als ik me goed herinner. Creatief valsspelen is een kernwaarde van een Zombie. Dat vertelde je me zelf.’
‘Inderdaad dat deed ik,’ had Warrington geknikt, de fles legend over het vuile tapijt. De spinnen waren eruit gestroomd en waren naar allerlei richtingen weggerend, en verscholen zich onder het meubilair, en in donkere hoeken.
‘Waarom deed je dat?’ had Ralph uitgeroepen, met uitpuilende ogen. Het viel James op dat de propeller op Ralph’s hoofd sneller rond draaide als hij zich opwond. Het had hem bijna van de grond getild toen jij een nest Zwarte Weduwen had ontdekt in de schaduw van de trap.
‘Sorry feuten,’ had Warrington eenvoudig verklaard. ‘Het is zuiver vang-en-verlos op de Zombie Afdeling. Waar kunnen de volgende lading feuten dan anders op jagen? Trouwens, sommige die spinnen zijn nu bijna familie.’
‘Ik herinner me de grote oranje en paarse, op mijn eerste nacht hier,’ had Daan smachtend gezegd. ‘Ik vond hem op mijn kussen, met een paar plastic tanden in.’ De kamer was ontploft in een stroom waarderend gelach, en Warrington had toegefelijk gegrijnsd naar Daan.
Kort daarop konden James en Ralph gaan, vergezeld door alle goeds en aanmoedigingen van Daan, die hen verteld had dat hij dacht dat de avond uitstekend verlopen was.
‘Jullie zijn twee blijvers,’ had hij gezegd, toen ze op het pad voor het Hermes landhuis samen op liepen. ‘Echt, Warrington mag jullie, ander had hij jullie de opdracht geven om iedere spin persoonlijk naar zijn nest terug te brengen. Zo lang jullie morgen in staat zijn de feut uitdaging aan te gaan, zijn jullie helemaal binnen.’
James had Daan gevraagd wat de uitdaging zou zijn, maar Daan had zijn hoofd geschud. ‘Als ik het wist, zou ik het zeggen, maar ik weet het niet. Maar omdat jullie hier zijn gekomen aan het eind van de laatste feut week, zal het waarschijnlijk iets groots zijn. Maar jullie kunnen het aan. Maak je geen zorgen.’
James probeerde er niet aan te denken toen hij en Ralph op weg gingen over het donkere terrein.
De gemeenschappelijke slaapzaal was een stenen vierkante constructie dat eruit zag als een gigantisch praalgraf in de schaduw van het de gastvertrekken, zonder lantarens om het te verlichten, en vrijwel ieder venster was donker. In de kleine ingang vonden James en Ralph hun hutkoffers, en Nobby’s gehavende kooi, waarin de grote uil James onheilspellend aankeek.
‘Sorry Nobby,’ suste James, knielend voor de kooi en de deur openend. ‘Ik was je bijna vergeten. Ga naar buiten en zoek iets te eten, maar ga niet te ver. Ik zoek morgen wel uit waar ze de uilen hier huizen.’
De uil hipte uit de kooi en schudde zijn veren uit. Met een ontevreden roep, spreidde hij zijn vleugels en verdween door de geopende voordeur.
‘Hier is een brief van je moeder,’ zei Ralph, een brief pakkend van de bovenkant van zijn hutkoffer. ‘Hij is aan ons allemaal gericht. Jou, mij, Lucy en Albus.’ James plofte op zijn koffer en trok de trechter van zijn hoofd. ‘Ga je gang en lees hem,’zei hij, flauw met zijn hand wuivend.
Ralph trok de brief uit de open enveloppe en vouwde hem open. ‘Lieve kinderen,’ begon hij, en keek naar James. ‘Kinderen?’
‘Ga maar door,’ drong James aan, zijn hoofd vermoeid schuddend.
‘Ik hoop dat jullie je plek gevonden hebt met je lessen en huistaken. We missen jullie nu al, hoewel we er zeker van zijn jullie morgen avond te zien bij professor Lubbermans’ lezing. Jullie nieuwe school uniformen zitten in je hutkoffer. Braaf zijn en we zien jullie morgen. Liefs,’ bla bla bla, ze heeft iedereen’s naam hier gezet, zelfs die van Merlijn.’
‘Da’s mijn moeder,’ glimlachte James scheef.
‘Er is ook nog iets geschreven op de achterkant,’ zei Ralph, de brief omkerend. ‘Het is van Lucy. Ze schrijft… dat ze de nacht doorbrengt op de Vampier Afdeling, met haar nieuwe vrienden, en ze schrijft, “Ik zie jullie drie bij de les morgen als je je niet verslaapt, of het overslaat, of vergeet dat we nu op Amerikaanse tijd leven”. Donders, ze kan wel zeuren niet?’
James schouderschokte. ‘Dat is de manier waarop de vrouwen in mijn familie laten merken dat ze van je houden, denk ik.’
‘Denk je dat Albus inmiddels hier al ergens is,’ vroeg Ralph, grommend terwijl hij zijn hutkoffer sleurde naar een gammele boekenlift, gemaakt in de muur naast de trap. Een erg verweerd koperen standbeeld van een aap in een piccolo uniform stond op een plank naast de deur van de boekenlift.
‘Weet ik niet,’ zuchtte James, opstaand om zijn eigen hutkoffer te verslepen. ‘Misschien heeft hij mazzel, net als Lucy, en slaap hij op zijn nieuwe afdeling.’
Ralph perste zijn hutkoffer in het ruimte vak van de boekenlift, en James gebruikte zijn toverstok om de zijne boven op die van Ralph te leviteren. De koperen aap kwam schokkend tot leven, piepend alsof hij dingend behoefte had aan olie. Hij klom in de boekenlift, schoof naast de opgestapelde hutkoffers, en trok de deur dicht. Een moment later maakte het ratelende geluid van de lift duidelijk dat hij opsteeg naar de verdiepingen erboven.
‘Hoe weet hij waar hij heen moet?’ vroeg James starend naar de dichte deur. Ralph schouderschokte en getweeën liepen ze weg, op zoek naar de badkamers. De gezamenlijke slaapzaal bleek niet meer te zijn dat de vochtige, schimmelige en ongelofelijke oubollige ruimte die Daan had aangegeven. Toen Ralph aan de kranen draaide van de wastafel, werd er een mix van roestig oranje water, vuil en een enkele worm uitgespuwd, wat verschillende minuten doorging terwijl de jongens wachtten. Uiteindelijk hielpen ze zichzelf, door weer naar buiten te gaan en hun gezicht onder te pletsen met water uit een fontein. In het midden van de fontein leek een monsterlijk vogelbad hen ijzig aan te kijken door de ogen van een zestal stenen waterspuwers.
‘Buitenlanders,’ mompelde een ervan met rollende ogen.
Ralph en James gooiden gedurende enige minuten dennenappels naar de standbeelden, maar hadden snel door dat niets zo ondoordringbaar is als een stenen waterspuwer. Tenslotte, uitgeput, stommelde de jongens terug naar binnen, en vonden, na een korte zoektocht, hun hutkoffers neergesmeten op het tapijt van de hal van de bovenste verdieping. Daar vonden ze ook een lege slaapzaal en vielen direct in slaap op de antieke, doorgezakte bedden.

 

De volgende dag was de eerste les van James en Ralph, Tovenaar Huis Economie, wat werd gegeven in de kelder van de Administratie Zaal, in iets wat voor alle doeleinden gebruikt kon worden, leek op een omgebouwde kerker. Laag gebogen plafonds werden ondersteund door plompe zuilen, en James kreeg het onprettige gevoel dat hij het gewicht van het gebouw boven hen kon voelen, neerdrukkend op de ruimte. Alles bij elkaar vond hij het leslokaal bijna niets verschillen van sommige van de meer bespinnewebte leslokalen op Zweinstein.
De Tovenaar Huis Economie leerkracht was een dikke oude heks met roze wangen, krullend wit haar, dat een zeer rijk eigen leven leek te leiden, en sprankelende zwarte ogen die ondeugend door het klaslokaal schoten, alsof ze er niet zeker van was of ze de kinderen iets zou leren, of voor hen een enorme taart te bakken. Haar naam, maar bleek, was Professor Betsie Bovendonder Riekenwiek Newton, echter, ze besloot dat haar leerlingen haar zouden aanspreken met, Moeder Newt. Glimlachend, op een grootmoederachtige manier, begon ze ketels, potten en pannen op haar kostbare bureau op te stapelen, beginnend met een onderrichtende uitleg van de lessen. Daan, die tussen James en Ralph inzat, aan een tafel achter in het lokaal, boog zich naar James.
‘Ze ziet er misschien uit als een kaneelcakeje van de vorige eeuw, ‘ fluisterde hij achter zijn hand, maar haal geen grappen uit met ouwe Ma Newt. Ze is zo taai als een Bigfoots eeltige hiel, en twee keer zo geniepig als je haar op stang jaagt.’
Ralph zakte achteruit op zijn stoel en rommelde met zijn veer. ‘Is Huis Economie niet meer een meidenles?’ fluisterde hij somber, maar Daan onderbrak hem, dringend sissend en een vinger tegen zijn lippen drukkend.
‘Wat was dat?’ vroeg Moeder Newt opeens, zichzelf onderbrekend aan de voorkant van het leslokaal. Ze hief haar kin en tuurde over de hoofden van de leerlingen. Haar zwarte blik vond Daan en ze bood hem een nogal charmante glimlach. ‘Een vraag, meneer Wilstra?’
‘Nee nee,’ reageerde Daan, maniakaal grijnzend. ‘Het is niets.’
‘Iemand daar achter suggereert dat Tovenaar Huis Economie een… het spijt me,’ zei ze lichtelijk fronsend. ‘Mijn slechte gehoor is niet meer wat het geweest is. Hoe noemde uw vriend het?’
‘Euh…’ mompelde Ralph met een donker rood wordend gezicht. ‘Euh, eh… ik vroeg het alleen maar. Ik ben nieuw hier.’
Moeder Newt knikte warm, haar ogen sluitend. ‘Ja, ja. Meneer Deeter, van onze tovenaar buren over zee. Ik heb veel over u, en uw vrienden gehoord. Wat vroeg u zich af jonge man? Wees niet verlegen bij je oude Moeder Newt.’
Aangemoedigd, ging Ralph wat meer rechtop zitten. ‘Nou,’ zei hij rond kijkend. De ogen van de klas hadden zich naar hem gewend, velen wijd en nieuwsgierig. Een of twee leerlingen schudden hun hoofden, erg flauwtjes, waarschuwend. Ralph slikte en ging door. ‘Ik, euh… ik dacht altijd… neem me niet kwalijk dat ik het zeg… dat huis economie meisjesles was.’
‘O, nee,’ antwoordde Moeder Newt sussend, weer glimlachend. ‘Een veel gemaakte misvatting beste jongen, verzeker ik je. Nee, zie je, de waarheid is…’ hier stapte de professor weg van haar bureau, terug in de schaduwen van de hoge keukenkasten die vooraan langs de kerker muur stonden, ‘de waarheid is dat Huis Economie niet eenmeisjesstudie is… feitelijk is het, eenvrouwenstudie.’
In de schaduwen, hief Moeder Newt snel haar handen, de mouwen van haar gewaad vielen terug, en onthulden verrassend slanke sterke armen. ‘Huis Economie is meer dan enkel een les. Het is een levenslange achtervolging van alleen de meest bijzondere en krachtige vrouw. Een felle, slimme vrouw, een heks wiens logica bodemloos is, wiens motieven oneindig ondoorgrondelijk zijn, en wiens grenzenloze mogelijkheden onder contrôle gehouden worden, slechts door haar zelfopgelegde discipline…’
Bliksem kraakte van ma Newt’s toverstok en haar vinger toppen, likkend langs de voorkanten de kasten. Haar stem was eerst zacht, maar werd luider, galmend. ‘Het soort heks wiens volgelingen alleen bestaan door haar toegefelijkheid, enkel om haar onbekende grillen te dienen, aangespoord door angst voor haar, of liefde voor haar, voor altijd bedrogen en betovert, of ze het weten…of niet!’
Donder dreunde plotseling door de afgesloten ruimte van de kerker en een koude windvlaag draaide door het lokaal, slaand met de deuren van de kasten en kaarsen doofden in de houders. Aan hun tafels hielden de leerlingen hun perkament en veren stevig vast toen de wind over hen joeg, glijdend door de haren van de meisjes, en deed de dassen van de jongens klapperen. Een skelet aan een metalen standaard in de hoek, rammelde en zwaaide. De kaak klapte, alsof hij lachte. Direct daarna, zo snel als het begonnen was, stokte de wind. Het licht in de ruimte werd weer normaal. Met een serie korte plopjes ontstaken de kaarsen zichzelf.
‘Beantwoord dit je vraag liefje?’zei Moeder Newt zoetjes, glimlachend weer voor haar bureau, alsof ze geen centimeter verplaatst was.
‘J-ja m’vrouw,’ zei Ralph snel, stokstijf rechtovereind op zijn stoel. ‘Glas helder.’
‘Goed,’ antwoordde Moeder Newt warm met pretoogjes. ‘Dus, waar waren we? O ja, de basis benodigdheden van een magische keuken, beginnend met de dames. Let goed op leerlingen. Er kan een toets over komen.’
Veertig minuten later, toen de klas door de lage gang schuifelde, ieder met een miniatuur gifbramen cakeje die Moeder Newt had geholpen te bereiden in de koboldvuren oven, legde Daan uit. ‘Ma Newt is de President van de Pixie Afdeling. Die van hun, is dat grote, gemberbroodachtige landhuis, Aphrodite Hoogte, op de heuvel achter het theater. Ze is een goed voorbeeld van waarom je een Pixie niet moet onderschatten zelfsals ze er eruit zien als een lading besuikerde citroen koekjes.’
‘Ik heb een paar Pixies ontmoet,’ zei Lucy zich voegend bij de drie jongens. ‘Ik denk dat de meeste van hen niet zijn zoals Moeder Newt.Zijheeft problemen.’ Daan lachte. ‘O, je hebt geen idee. Geloof me.’
James bekeek het miniatuur cakeje in zijn hand. ‘Kun je deze veilig eten? Ik bedoel… gifbramen?’
‘Dat is maar een naam,’ verzekerde Daan, zijn rugzak aanpassend. ‘Zoals pestpaddo’s of doodsdropjes. Die zijn verrukkelijk. Aan de andere kant, als iemand probeert je een kreunkaakje te laten eten… pas op.’
‘Heeft iemand Albus gezien?’ vroeg Lucy, de stenen treden opklimmend naar het Administratie Zaal’s lange voorportaal.
Daan knikte. ‘Ik zag hem vanmorgen in het restaurant, in het kielzog van een groep oudere Weerwolven. Ze lieten hem al hun dienbladen dragen, hij balanceerde ermee alsof het een soort circus truuk was. Het was behoorlijk indrukwekkend. Hij hield de laatste zwevend met zijn toverstok tussen zijn tanden.’
‘Hij komt er wel bij,’ zei Lucy zelfverzekerd. ‘Albus is volhoudend als hij dat wil.’ ‘Volhoudend is een manier om het te zeggen,’ merkte James hoofdschuddend op.
Bij de Administratie Zaal trap, zei Lucy de jongens gedag en ging naar de Toren van Kunst voor haar Tover Literatuur les. Terwijl de drie over het terrein op weg naar het Toegepast Magische Kennis Gebouw gingen, draafde een figuur naar hen van een grasveld iets verderop. James keek opzij en zag dat het Warrington was.
‘Hee Wilstra,’ riep hij. ‘Feuten. Wacht even.’
James en Ralph stopten en begonnen te mompelen, ‘Ja, oh Sultan Warrington, Leider van de —‘
‘Hou op,’ onderbrak Warrington. ‘Luister. Jullie feuten uitdaging is helmaal klaar, en vannacht is het zover. Alles wat jullie nodig hebben zit in de vuilnisbak achter de gemeenschappelijke slaapzaal. Zoek degene met de grote gele “Z”, behekst aan de zijkant. Wilstra, jij helpt ze op weg, OK? Je weet wat te doen. Maar help ze niet!’
‘Aye aye, kapitein,’ zei Daan slaand met de rug van zijn hand tegen zijn voorhoofd.
‘Maar vanavond is professor Lubbermans’ lezing,’ zei James, zich wendend naar Daan toen Warrington weg draafde. ‘Dat kunnen we niet missen!’
‘Dat is vanavond,’ zei Daan hoofdschuddend. ‘Als een zombie zegt “vannacht”, dan bedoeld hij eigenlijk, oh, ergens in de kleine uurtjes van de volgende ochtend. Snap je het?’
‘Ah,’ antwoordde James, een beetje fronsend.
Ralph keek bezorgt. ‘Nou, wat is de uitdaging dan?’
‘Dat zullen we weten als we in de vuilnisbak kijken achter de gemeenschappelijke slaapzaal,’ antwoordde Daan eenvoudig. ‘Nu geen tijd voor echter. We hebben nu Mageografie, en professor Wraekbel staat bekent om zijn aftrekken van punten voor traagheid. Hij is zo strak opgewonden dat het piept als hij loopt. Kom op.’
Mageografie werd gehouden in een hoge ronde kamer aan de voet van het Toegepaste Magische Kennis gewelf. De grond was aangelegd als een amfitheater, met tafels en stoelen in rijen. Enorme kaarten omgaven de bovenste delen van de kamer, zwevend in dikke vergulde lijsten. James was niet verrast te zien dat de afbeeldingen, waarvan vele oeroud, hand getekend waren in uitgebleekte bruine, rode en groene kleuren, langzaam bewogen. Ze waren betoverd natuurlijk, en lieten de bewegingen van rivieren en oceanen zien, en zelfs het mierachige kruipen van schepen en magische voortuigen.
‘Ik hoorde dat als je een speciaal vergroot glas gebruikt,’ fluisterde Daan op weg naar een stoel in het midden van het terras, ‘dat je kleine mensen kan zien bewegen in de steden en zo. Je kunt waarschijnlijk mogelijk ook jezelf zien als je goed genoeg zoekt.’
‘Dat is wat mijn pa bedoeld moet hebben,’ reageerde Ralph bedachtzaam. ‘Hij vertelde me dat een van de doelen van de school was, jezelf te vinden.’ James kreunde, en Daan trok een gezicht. Ralph keek beledigd.
Toen de drie plaatsnamen op hun stoelen, en hun perkament en veren pakten, zag James, Albus de ingang binnen slenteren aan de andere kant van de ruimte. Hij herkende James, Ralph en Daan, en zwaaide. Achter hem gaf een lange jongen in een lei grijs uniform hem een klein duwtje. Albus slingerde overdreven, en ging op weg naar een stoel aan de voorste rij, gevolgd door drie ernstig kijkende Weerwolf Afdelingsleerlingen. Een van hen was het donkere meisje die ze buiten de Administratie Zaal hadden ontmoet de dag ervoor.
‘Zo te zien gaat het best met Al,’ mompelde Daan.
James keek naar zijn broer beneden. ‘Hoe weet je dat?’
Daan haalde kort zijn schouders op. ‘Geen beurse plekken die ik kan zien. Altijd een goed teken bij de Weerwolf Afdeling.’
Professor Wraekbel kwam de ruimte binnen door een deur naast zijn bureau. Hij was erg oud, krom, en droeg een bril me een dik zwart montuur, wat zijn ogen zó veel vergrote, dat hij nogal constant verrast keek. Hij legde zijn leren map netjes op het bureau en zonder enige inleiding verkondigde hij met luide stem. ‘Nummer vier scherpte veren alstublieft, en een enkel vel veertig gram perkament. Vandaag: de Nijl Delta en omliggende laaglanden.’
De professor verplaatste zijn bril zorgvuldig toen een van de kaarten naar beneden dreef van de bovenste rekken van de ruimte, een plaats innemend achter het bureau.
‘Voor nieuwe leerlingen zeg ik dit maar een keer: ik sta niet toe dat er Snel-Citaat Veren of opname bezweringen in deze klas worden gebruikt. Jullie moeten opletten, en maken graag jullie eigen notities en tekenen jullie eigen kaarten. Zoals de rest van jullie weten, het heeft geen zin om jullie te vertellen dat voor je beurt spreken verboden is in mijn klas. Als het jullie bedoeling is om een voldoende te krijgen, zullen jullie zo druk zijn om mij bij te houden, dat er geen tijd zal zijn om je mond te openen. Vragen zullen ingediend worden bij mijn secretaris, waar ze beantwoordt zullen worden tijdens de officiële kantoor uren. En nu…’
Wraekbel tilde zijn toverstok op, die uitschoof tot een lange aanwijsstok. Hij mepte de top op de kaart zonder te kijken. ‘De rivier de Nijl wordt over het algemeen beschouwd als de langste rivier in de wereld,’ zei hij luid en monotoon, ‘en het huis voor enige van de toverwereld’s meest exotische en interessantste wezens en vissen, waarover verder niet verteld wordt. De stroomsnelheid van de rivier is ongeveer twaaf-duizend vierkante meter per seconde, wat resulteert in een geografische delta verschuiving van globaal vijftien graden ieder jaar, wat op zijn beurt resulteert in een hydromagisch inschalingmeter van twee punt nul zeven gigapokuses, iedere acht jaar. Zoals je je kunt voorstellen leidt dit tot een terrein hexologie cijfer van, kan iemand mij dit zeggen? Iemand?’
Niemand in de ruimte leek gretig om een antwoord te proberen te geven, en de professor leek hier totaal niet verrast over. Hij beantwoordde zijn eigen vraag en ramde door, zijn eigen stem galmde langs de hoge koepel boven hem. James krabbelde verwoed notities, en probeerde bij te blijven.
Zuchttend besefte hij voor het eerst hoezeer hij Roos zou gaan missen, en haar geweldige notities tijdens dit schooljaar.

 

De rest van de dag ging in een waas voorbij. James, Ralph en Daan gebruikten hun middagmaal in de eetzaal van de school, die zich bevond op het hoogste deel van de kelder van de Administratie Zaal. De mintgroene stenen muren, kleine ramen bij het plafond, de lange rijen leerlingen met metalen dienbladen, en de overweldigende geur van melk en goulash, gaven James het gevoel te zijn getransporteerd naar de eetzaal van Azkaban. Het lawaai van de babbelende leerlingen klonk als een zwem eksters, weerkaatsend tegen de lage begrenzing van de eetzaal.
‘Dus de originele bouwers van de Administratie Zaal waren dwergen,’ zei Daan met stem verheffing boven de lawaaierige stroom. ‘Geweldige gasten om te hebben voor ieder bouwproject, maar met bijzondere ideeën over het gebruik van ruimte. Ik heb over ze geleerd in Magi-Amerikaan Geschiedenis. Volgens de dwergen is het Dreuzel bouwmodel als een kruid, veel ervan is boven de grond en maar een heel klein beetje wortels. Het tovenaargebouw is als een schildpad, laag en geheimzinnig, met een brede fundering. Dwergen gebouwen echter, zijn als een ijsberg.’
‘Negentig procent onder het oppervlak?’ verduidelijkte Ralph met een mond vol goulash.
Daan knikte. ‘Er zijn meer onderkelders, kelders en kerkers hier, dan iemand kan tellen. Ik heb verhalen gehoord over leerlingen die op onderzoek uitgingen in de lagere trappengangen, en niets vonden dan hele stammen reuzen ratten, toegangen naar enorme ondergrondse rivieren, zelfs verboden kamers met deuren zo groot als dinosaurussen en magisch gloeiende sloten die niemand kan openen.’
James was onder de indruk. ‘Heb jij die dingen ook gezien?’
‘Nee,’ zei Daan verdrietig. ‘ Alles onder de bovenste kerkers zijn taboe en worden bewaakt door een of andere stokoude heks, die niemand van ons ooit gezien heeft. Ze noemen haar Ouwe Laosa. Kennelijk, is zij het spul waar nachtmerries van gemaakt worden. Gruwelijk sprookje, als je begrijpt wat ik bedoel.’
Ralph keek opzij naar Daan. ‘Zoiets als dat als ze je vangt je in een kikker veranderd totdat een prinses je kust?’
Daan vernauwde zijn ogen bedachtzaam. ‘Zoiets als dat ze je vangt, en je in een kakkerlak verandert, totdat een serveerster je verplettert onder haar hiel.’ ‘Snap ik,’ knikte Ralph wijs. ‘Dus blijf uit de lagere gebieden.’
Terwijl James de dag doorkwam in zijn gewone zwarte colbert en das, kon hij het niet helpen dat hij zich er opvallend kleurlozer uitzag tussen al de andere leerlingen in uniform. Hij hoopte dat de feut uitdaging vannacht goed zou uitpakken, zodat hij de volgende dag Zombie geel zou kunnen gaan dragen en er eindelijk bij zou horen.
Toen hij die middag een periode vrij was, merkte James dat hij op een leuke manier werd afgeleid tijdens zijn wandeling naar de bibliotheek door de aanblik van zijn vader die in het zonlicht liep, vergezeld door Merlijn en Denniston Dolohov, James gooide zijn rugzak over zijn schouder en rende om de groep in te halen die stapten langs de gebouwen, vooraf gegaan door kanselier Franklin.
‘Natuurlijk, met het door de tijd bewegen van het terrein, als het doet,’ was professor Franklin aan het vertellen, ‘ bezet Alma Aleron een tijdelijke stroom die anders gebruikt zou worden voor het opslaan van onze chronologische geschiedenis…’
James ging naast zijn vader lopen, die naar hem keek, verrast knipperend, en dan glimlachend. Zonder iets te zeggen legde hij zijn hand op de schouder van zijn zoon, terwijl ze samen verder liepen.
‘Samenvattend,’ ging professor Franklin door, James aankomst niet opgemerkt te hebben, ‘met onze geschiedenis misplaatst door het eigenaardige gebruik van tijd, zijn we genoodzaakt geweest om onze chronologische tijdslijn in een andere, meer gebruikelijke ruimte op te slaan. Het resultaat is hier voor ons, in vermomd als de Officiële Alma Aleron Zaal van Historisch Archief.’
Professor Franklin stopte en keek op naar een imposant stenen gebouw dat voor hen oprees. Het had de vorm van een plompe cilinder, met pilaren die de omtrek omcirkelden en een aantal indrukwekkende, ijzeren deuren, geplaatst in een diep portaal.
‘Ah, is zie dat de jonge meneer Potter zich bij ons heeft gevoegd,’ zei professor Franklin, James opmerkend en toegefelijk glimlachend. ‘U komt met ons naar binnen natuurlijk, hoewel u het een klein beetje fris zult vinden. Het Archief vereist een strenge temperatuur beheersing, om de meer delicate oude materialen te beschermen. Zullen we?’ Hij gebaarde naar de brede trap, en volgde toen de groep het gebouw in de schaduw binnen klom.
‘Hoe gaat het tot op heden op school James?’ vroeg Merlijn terwijl ze de trap opliepen.
‘Goed, meestal,’ antwoordde James.
‘Ik heb nog iets voor je voordat ik morgenavond weer vertrek,’ verkondigde Merlijn, ietwat abrupt, met een zachte stem. ‘Ik verwacht dat het je aanpassing in je nieuwe omgeving zal vergemakkelijken. Kom, en zoek me op, morgen voor zonsondergang.’
James keek nieuwsgierig op naar de grote tovenaar, en knikte.
Professor Franklin naderde een kleinere deur geplaatst in een van de enorme ijzerbeslagen deuren, en zwaaide met zijn toverstok. Er klonk een klik, en de deur zwaaide langzaam, uit zich zelf, open.
‘Natuurlijk is het hoofdonderzoeksgebied altijd open voor alle leerlingen en leerkrachten,’ melde professor Franklin, de anderen voorgaand door de donkere opening. ‘Men hoeft alleen zijn toverstok voor de deur te zwaaien, om zich te identificeren. Eenmaal binnen, kunnen de gehele geschiedenis van de school, en, helaas, de Verenigde Staten zelf, verlicht en tot in groot detail bestudeerd worden. Als echter, men in staat is het juiste oude materiaal te pakken. Het Archief kan nogal ontmoedigend en onuitnodigend zijn.’
Na een korte donkere hal, kwam James aan in een kamer met spierwitte stenen muren. Het gebogen hoge plafond was bedekt met tientallen kleine ramen, wazig door de jaren, die het licht dempte wat de kamer instroomde in een dof melkachtige gloed, vrijwel schaduwloos. Professor Franklin’s stem galmde terwijl hij door het licht liep, in de richting van het enige dominerende object in de ruimte.
‘Dit is het brein van het Archief,’ zei hij, het stenen voetstuk aanrakend dat in het midden van de ruimte stond. ‘De Weerweergever. Met zijn hulp, mogen we alle willekeurige gebeurtenissen bezoeken die aanwezig zijn in de fenomenale collectie oude materialen van het Archief. Erg eenvoudig, werkelijk, en elegant effectief.’
‘De Weerweergever,’ zei Denniston Dolohov, als proefde hij het woord. ‘Is dat iets wat een opname van enig soort onthuld? Mag in informeren hoe het werkt?’
‘Dat mag u wel zeker,’ antwoordde professor Franklin glimlachend. ‘Vele hebben dat. Interessant genoeg, weet niemand dat echt. De Weerweergever is een van de twee van het Archief’s oeroude materialen, die tot ons gekomen zijn door de mist van de eeuwen, met een onbekende afkomst. Theodor Jackson, die de meesten van jullie al ontmoet hebben, heeft het fenomeen uitvoerig onderzocht, en zijn eigen theorie erover ontwikkeld, hoewel ik moet toegeven dat mijn begrip erover op zijn best gebrekkig is. Om eerlijk te zijn, hoopte ik datuin staat zou zijn om enig inzicht in het mysterie te geven, Directeur Ambrosius.’
James keek naar professor Franklin, en dan naar Merlijn, die opzij stond, met zijn armen over elkaar op zijn borst. Het was logisch eigenlijk dat Merlijn iets over het oude object zou kunnen weten, als je bedacht dat Merlijn zelf, technisch meer dan duizend jaar oud was.
‘Ik herinner mij verhalen over degelijke dingen van de tijd waaruit ik kom,’ bekende Merlijn. ‘Deruwid Magie, werd het genoemd, en het spijt me te moeten zeggen dat dit uitgevoerd werd door de meest geheime en verknipte magische gemeenschappen. Lelijk en walgelijk waren hun zwarte harten, bloeddorstig tot op het bot, en toch machtig. De Deruwid beoefenaars besloten dat alles – van het geluid van de golven, tot uitademen, tot magische nagloed – kleine luttele merktekens maakten op het oppervlak van de aarde, een code, wachtend om ontcijfert te worden. In mijn vroege jaren, bezocht ik deze duisteren, en observeerde hen. Tegen die tijd, zochten ze middelen om deze merktekens te observeren en te lezen – dezeweergaven, zoals zij er tegen aan keken,’ zei Merlijn, knikkend naar Harry. ‘Want zij geloofden dat als alle geschiedenis kon worden gelezen en onttrokken, dan alle toekomsten precies konden worden voorspeld. Dit waren tovenaren die meer naar macht verlangden dan wat ook, en ze waren overtuigd van een ding; dat wie de toekomst beheerst, de aarde en allen erop kon beheersen. Ik heb geleerd feitelijk, dat dit een idee is dat is blijven hangen tot de dag van vandaag.’
James realiseerde dat Merlijn direct naar professor Franklin keek. De professor merkte dit ook.
‘Inderdaad,’zei hij een beetje zwak. ‘Zoals alle slechte ideeën, die in iedere eeuw naar boven komen, alleen met andere namen. Gelukkig is het idee waarover u spreekt, uit de gratie gevallen, en wordt in deze eeuw net zo effectief afgekeurd als het in uw eeuw met Deruwids was.’
‘Uit de gratie kan het zijn,’ zei Merlijn langzaam. ‘Maar afgekeurd?’
‘Ik denk dat ik hier al eens over gehoord heb,’ merkte Harry op, langzaam fronsend. ‘Het staat bekent als de Tovenaar Groot Eenwording Theorie, ja? Ongeveer een eeuw geleden populair, als ik mij niet vergis.’
‘Ja, ja,’ beaamde professor Franklin met een handgebaar. ‘Net als schedelleer, vivisectie, en de Fontein van Frisse Adem. En alle gelijkheid onthult in het moderne tijdperk. Maar ik dank u voor uw, verheldering, Directeur.’
‘Hoe, mag ik vragen,’ zei Denniston Dolohov, zijn bril opzettend, ‘werd deze theorie onthult?’
‘Ah,’ antwoordde professor Franklin meer op zijn gemak. ‘Het is eigenlijk nogal vanzelfsprekend. De Weerweergever, als het werkelijk een overblijfsel is van de tijd van de Deruwids, faalt vrij duidelijk als het een gewoon object krijgt aangeboden. Aanschouw.’
Daarmee, diepte professor Franklin twee munten uit zijn vestzak die hij de aanwezigen voorhield.
‘Deze munt hier,’ verkondigde hij, de eerste gouden vorm in zijn vingers aanschouwend, ‘is een standaard Amerikaanse Drummel. Iets minder waard dan vijf knoeten, ter verduidelijking. Ik zal het nu plaatsen in de bokaal van de Weerweergever. Mogelijk ontdekken we in wiens zakken het heeft gereisd voor het in het mijne terecht kwam, ja?’
Met een klink, liet professor Franklin de munt vallen in de uitholling van het stenen voetstuk. James keek geïnteresseerd toe. Er heerste stilte die enige seconden aanhield terwijl iedereen wachtte.
‘Hmm,’ fronste professor Franklin. ‘Niets. En dat was te verwachten. Ziet u, de Weerweergever ontcijfert alleen afdrukken van materialen die op een bijzondere manier betoverd zijn om indrukken van zijn omgeving te ontvangen. Dat brengt ons, zogezegd, bij Bewijsstuk B.’
Professor Franklin stopte de gebruikte munt weg, en hield de andere, die duidelijk groter was, op. Hij glinsterde flauw zilver op ondanks een laag van donkere verkleuring.
Dezemunt, die twee keer zoveel waard is om het maar even te melden, ging mee in de beurs van Sir Percival Pepperpock, een van de originele oprichters van deze school, op de datum van de eerste spade in de grond. De munt werd speciaal betoverd op die dag, derhalve de details van dit evenement voor altijd voor ons bewarend. Aanschouw.’
Professor Franklin liet de munt vallen in de bokaal van de Weerweergever.
‘Heb je een spade?’ vroeg een stem hard in James’ oor. Hij draaide zich om en merkte dat hij in het gezicht staarde van een erg dikke man, met een vest aan en een korte mantel met een hoge boord. Hij glimlachte met een rood hoofd, zijn voorhoofd baadde in het zweet. Een man naast hem gaf hem een kleine spade. James keek met grote ogen, in de rondte. De muren en het plafond van de Archief kamer waren nog wel zichtbaar, maar slechts flauw. Harry, Denniston Dolohov, Merlijn, en Benjamin Franklin leken in een grassig veld te staan, glanzend in het zonlicht en voorzien van vlinders. Andere figuren stonden in een rommelige rij, glunderend en knijpend in het zonlicht. Sommige van hen, zag James oplettend, waren dwergen, Met hun hoekige hoofden, worstachtige lichamen, en vaag varkensachtige gezichten, James dacht dat ieder van hen er een beetje uitzag als een kruising tussen een kobold en hangbuikzwijn. Wind waaide, en James rook de frisse geur van een wilde, bossige lente.
Een korrelig, scheppend geluid kwam van achter James, en hij draaide zich opnieuw, opzij stappend, toen de dikke tovenaar, Sir Pepperpock zelf, de eerste spade vol aarde bijna op James’ schoenen wierp.
‘Hier zullen we onze school oprichten,’ verkondigde Sir Pepperpock vrolijk. ‘En hier zullen wij de tweedelige taak leren van, het beheersen van magie, en respect voor de mensen, zo er zeker van te zijn dat vermeldde beheersing nooit gebruikt wordt voor zelfzuchtige doelen, maar altijd voor het goede voor allen. Hier zullen wij onze school laten groeien, en eruit zullen we generaties van heksen en tovenaren laten groeien die het lichtend voorbeeld zullen zijn van de magische wereld. Wij zullen hen onze kinderen noemen, en we zullen onze school noemen… Alma Aleron, de Moeder Arend!’
De rij toeschouwende heksen en tovenaren applaudisseerden hartelijk. De dwergen applaudisseerden ook, maar iets minder vurigheid.
‘Ze kunnen ons natuurlijk niet zien,’ riep professor Franklin boven het geluid van het applaus, ‘maar het is nogal lastig om het te herinneren, dus met een weergave als deze scheelt het wel. Het materiaal heeft het opmerkelijk goed volgehouden, als je bedenkt dat het verborgen was in een munt. Niet alle materialen zij niet zo stevig, helaas, maar we doen wat we kunnen om hen zo goed mogelijk te onderhouden.’
James wendde zich op tijd naar de kanselier om te zien dat hij de munt uit de bokaal schepte van de Weerweergever. De grassige heuveltop en de vrolijke, eeuwen-oude heksen en tovenaren verdwenen onmiddellijk.
‘Nou,’ zei professor Franklin trots de munt wegstoppend, ‘simpel als maar zijn kan. Elke gebeurtenis kan opgenomen worden als toekomstige getuige, en studie materiaal, slechts door een willekeurig voorwerp om te vormen in een magische opnemer. Het voorwerp wordt dan een van de vele magische materialen die in de collectie van het Archief terecht komt.’
‘Net als Ted’s nieuwe Hangoren,’ zei James, denkend aan het pepermuntje die Ted had betoverd, om te dienen als zender voor de Oren. ‘Euh, soort van.’
‘Een toepasselijk vergelijk zou ik zeggen,’ knikte Merlijn met een zuinige glimlach. ‘Briljant!’ riep Denniston Dolohov vrolijk. ‘En waar is die collectie materialen?’
‘Nou, gewoon hier natuurlijk.’ antwoordde professor Franklin, zich draaiend en door de lege kamer lopend. ‘De kamer van de Weerweergever is slechts de bovenste deel van het Archief. De meeste ruimte wordt gebruikt voor de materiaalbibliotheek. Door deze deur achterin.’
Professor Franklin haalde een kleine gouden sleutel te voorschijn, die hij stopte in een sleutelgat in een onopvallende deur. In plaats van de sleutel om te draaien, raakte hij hem met zijn toverstok aan. De sleutel gloeide een ogenblik helder, en draaide toen uit zichzelf. De deur kraakte open en een koele bries ontsnapte, geheimzinnig sissend. Professor Franklin greep de knop, en trok de deur open.
James volgde zijn vader in de geopende ruimte en huiverde. Het was inderdaad, behoorlijk koud. De temperatuur werd onmiddellijk vergeten toen James de eerste glimp opving van de ruimte. Het was gigantisch, veel groter dan de buitenkant van het Archief kon doen vermoeden. Lange houten planken lagen door de ruimte langs gebogen wanden die elkaar ontmoetten in de verre afstand, zo’n dertig meter over een uitgestrekte, diepe kloof. Duizenden voorwerpen lagen op de planken, in de vorm van boeken, flessen, servies, schoenen, brillen, toverstokken, pluche dieren, gereedschap, hoeden, en onnoemelijke veel andere voorwerpen. Grotere planken bevatte stoelen, bedden en zelfs een heel oude auto die James herkende als een Ford T model. Ieder voorwerp droeg een klein wit kaartje, kennelijk om de inhoud weer te geven van de opgeslagen gebeurtenis die erin zat.
Langzaam liep de groep naar een lage koperen reling die voor een grote opening zat in de grond. Bij het naderen hiervan, zag James een trap die naar de ruimte leidde, gebogen langs de opening. De trappen leken te leiden naar een andere, lagere verdieping, op dezelfde wijze gevuld met planken en materialen. Toen James uiteindelijk de reling bereikte en naar beneden keek, zag hij dat er nog meer verdiepingen waren, die afdaalden in de buik van de aarde, in een duizelingwekkende spiraal. Aan de andere kant van de opening hing een rijk versierde, in koper gevatte lift, zijn schacht daalde diep af naar de lager gelegen verdiepingen.
‘Er moeten miljoenen voorwerpen hier zijn,’ hijgde Harry. ‘Het is overweldigend.’
Professor Franklin knikte. ‘Inderdaad. We hebben een groep leerlingen wier enige baan is om het catalogiseren te onderhouden, bijwerken en de materialen schoonhouden. Onze Archief beheerder meneer Han Honselaar, verblijft hier het hele jaar, de materialen bewakend, en houd toezicht op de conditie.’
‘Wat, kanselier, is dat voorwerp helemaal op de bodem?’ vroeg Merlijn, lichtjes over de reling buigend met vernauwde ogen.
‘Ah, dat.’ knikte kanselier Franklin. Hij tuurde nu zelf over de reling, en James volgde zijn voorbeeld. In het duister van de bodem van de opening, flitste een groot voorwerp en glom van paars licht. Het leek te draaien, maar dan op een ingewikkelde onvoorspelbare manier, als was het gemaakt van tientallen gouden bladeren en prisma’s, allen onafhankelijk rondtollend om een verblindend heldere kern.
‘Als de Weerweergever het brein van het Archief wordt genoemd,’ zei professor Franklin eenvoudig, ‘dan is dat daar beneden… zijn hart en ziel.’
Denniston Dolohov zette zijn bril recht en knipperde naar beneden, naar de verre gouden en paarse waas. ‘Is dat ook van dat oude materiaal?’
‘Niet precies,’ antwoordde professor Franklin. ‘Het is in feite, een zeer oude vorm van specifiek Amerikaanse magie. Niemand van ons weet hoe het werkt, of zelfs waarom het werkt. We weten alleen dat het het doet, en dat het vreselijk, verpletterend belangrijk is.’
‘Amerikaanse magie,’ zei Harry, opzij kijkend naar de professor. ‘Dan kan het niet zo erg oud zijn nietwaar?’
‘Je begrijpt me verkeerd,’ zei professor Franklin ernstig. ‘Amerika is inderdaad een oud, heel oud land. Veel ouder dan de bestuurders die het nu bezetten. Het was hier, voor de eerste kolonisten arriveerden bij Plymouth Rock. Het was hier toen de originele inwoners zwierven over de grasvlakten en de bossen, levend in tipi’s en jagend op de bizon, die in kuddes die kilometers lang waren over het land zwierven. Amerika is een vreemde en oeroude plaats hoewel het niet altijd bekent was onder die naam. We noemen het een grote smeltkroes, maar haar aantrekkingskracht is altijd duidelijk geweest sinds lang voor wij hier aankwamen.’
‘Vele andere mensen en culturen hebben dit land bezocht in de eeuwen dat het bestaat, vele van hen magisch, vele van hen lang vergeten door de eon’s sindsdien. Dat voorwerp daar, dat is omhult door onze best magische bescherming en bewaking spreuken… was achtergelaten door een van de bezoekende magische mensen. Onze beste gok, verteld ons dat het de oude Perzische of Babylonische moet zijn geweest, die tot de eerste magische gemeenschappen behoorden die zich richten naar de oceanen. Misschien is het hier achter gelaten, op de grasvlakte van het ruime open land, vermoedelijk bij toeval. Maar dan, misschien is het hier opzettelijk achtergelaten, of omdat ze het niet meer nodig hadden, of, waarschijnlijker, omdat ze er bang voor waren, bang voor de gevaren van dit ding, die hun immense magische kunsten hadden bekonkeld. Wij ontdekten het, en stelden het veilig, maar wij maakten het niet. En we hebben er zeker geen contrôle over.’
‘Iedere magische gemeenschap heeft haar mysterieuze schatten,’ merkte Harry op. ‘Ik ben in het Departement van Mystificatie en het Ministerie van Toverkunst geweest, dus ik heb er veel van de onze gezien. Dit voorwerp van jullie, ik denk dat ik erover gehoord heb, hoewel ik begreep dat zijn bestaan geheim gehouden wordt voor het gewone volk. Is dat zo?’
‘Voor hun eigen bescherming, zowel als de onze,’ knikte professor Franklin.
‘Dus, wat is het?’ vroeg Merlijn opnieuw. James keek naar hem op, en zag de paarse flitsen van het voorwerp zelfs hier, spelend op de taaie trekken van de Directeur.
‘Het is de ultieme opslag van alle dingen,’ zei professor Franklin eenvoudig. ‘Het is onze geschiedenis, en daarmee bedoel ik niet de geschiedenis van Alma Aleron of de stad Philadelphia of zelfs de gehele Verenigde Staten. Het is een opname van alle dingen die er ooit geweest zijn in dit universum, van het begin der tijden. Het is Geschiedenis, opgeslagen in zijn totaliteit, precies zoals het gebeurde, met magie zo oeroud en kwetsbaar, dat niemand het durft aan te raken. Maar zeer weinig van ons hebben het ooit met het blote oog gezien, en dat gebeurd maar eens per eeuw, wanneer we contrôleren of het nog steeds werkt.’
Denniston Dolohov schraapte zijn keel. Met een dunne stem vroeg hij, ‘Hoe ziet het eruit?’
Professor Franklin tuurde omlaag naar de flikkerende gloed en glimlachte een beetje. Hij schudde langzaam zijn hoofd toen hij zei. ‘Vrienden, ik denk niet dat jullie mij zouden geloven als ik het jullie vertelde. Het is zo eenvoudig, zo basaal, dat jullie het dwaas zouden vinden. En toch denk ik dat het alles behalve dat is.’
‘Maar wat gebeurt er,’ vroeg Harry ernstig, ‘als het stopt met werken?’
‘Wel, niemand van ons weet dat zeker, mijn beste meneer Potter,’ reageerde professor Franklin, iets verschikt opkijkend. ‘Maar we hebben het sterke vermoeden dat het leven – dat is, alles wat we kennen en ooit zullen kennen, het totale bestaan – onverbrekelijk verbonden is met het voorwerp opgeslagen in de buik van juist dit archief. Ik denk dat alshet zou stoppen met werken… dan ook al het andere dat doet.’
Merlijn fronste vertwijfeld. ‘Ik heb heel wat erg krachtige magische voorwerpen gekend,’ zei hij zacht. ‘En ze lieten allen hun indruk achter op de stof van het bestaan. Ik heb nog nooit horen vertellen over één enkel magisch voorwerp dat de stof draagt van het bestaan zelf. Bent u volledig zeker van uw theorieën over dit voorwerp kanselier?’
‘Helaas,’ antwoordde professor Franklin vermoeid grinnikend. ‘Nee. We weten maar zo weinig eigenlijk. Theorieën zijn zo oneindig als onbewijsbaar. We weten enkel wat het voorwerp doet. We weten niet waarom, of hoe, of, in feite, wat er zou gebeuren als het stopte.’
‘In dat geval,’ glimlachte Merlijn naar de professor, ‘ is uw voorzichtigheid de meest voor de hand liggende en respectabele keuze. Ik ben blij te weten dat zo’n mysterieuze magie in handen is van hen die zo ze bewust zijn van diens aanwezige gewicht. Hoe noemen jullie het?’
Professor Franklin zuchtte en keek weer naar beneden, door de diepte van de met voorwerpen beladen verdiepingen, tot de paars met gouden gloed ver daar onder. Met een betrekkelijk ontzenuwende snik, antwoordde hij. ‘We noemen het, de Kluis der Lotsbestemmingen.’

 

Na het avondeten van die avond renden James, Daan en Ralph over de gazons terug naar de gemeenschappelijke slaapzaal, en schoten door de schaduwen van de hoge iepen en kastanjes. Binnen trokken ze hun colberts uit en legden ze in de bovenste kamer, waar de hutkoffers van de jongens nog altijd stonden. Toen ze uiteindelijk op weg waren naar beneden en uit de achterdeur van de gemeenschappelijke slaapzaal liepen, verfde de zakkende zon de lucht fel oranje, uitzwaaiend naar marine blauw, aan de sterrenhemel.
‘Daar,’ knikte Daan wijzend.
De jongens bogen af naar en rij gehavende metalen vuilnisbakken langs de achter muur. Een hoop iepen bladeren lag als sneeuw rond de vuilnisbakken, hun deksels bedekkend, maar de gele “Z” in het midden was direct zichtbaar. James haalde diep adem, hield deze in, en tilde het deksel van de gemarkeerde bak.
‘Wat is het?’ fronste Ralph, erin turend.
‘O, man,’ grinnikte Daan. ‘O makker. Je hebt de opa van alle feut uitdagingen. Of Warrington denkt dat jullie oprechte Zombies zijn, of hij heeft een bloedhekel aan jullie.’
James strekte in de bak en pakte een handvol stof. Het was dik, en bestond uit zwart met gele stof, in een net patroon aan elkaar gestikt. Er leken meters van te zijn. ‘’t Is een vlag,’ zei Ralph, een handvol grijpend, en James helpend om het uit de bak te halen.
‘Het is de Hermes Afdelingsvlag,’ zei Daan devoot. ‘Zie je? Het wapen van de Zombie staat erop, het gele en zwarte schild met de schedel die scheel kijkt erop. Snap je wat dit betekent?’
James keek van de enorme vlag in zijn handen, van Ralph naar Daan. Hij schudde zijn hoofd, niet echt leuk vindend waar dit heen ging.
‘’t Is een oude uitdaging, maar een die het meest gerespecteerd wordt. De legendarische vlag wissel. Ik hoorde dat het al jaren niet meer gedaan wordt door elke willekeurig afdeling. Dat betekend dat de school’s administratie waarschijnlijk er voor op de uitkijk staat. Er kunnen grens bezweringen zijn James, bewaak vloeken en zelfs uitkijkposten. O, man het gaat zo’n knal geven! Ik kan niet geloven dat ik niet mee mag gaan!’
James wilde de blonde jongen wurgen, maar zijn handen waren vol vlag. ‘Wat is het, dubbeldooier? Zeg het nou!’
Daan grijnsde, en hielp met het halen van de vlag uit de vuilnisbak. Hij bundelde de massa stof, propte het in de armen van James en Ralph, en leidde hen toen rond het gebouw. Toen ze er voor stonden, uitkijkend over de fontein met het vogelbad van waterspuwers, deed hij zijn arm om James’ schouder. Met zijn vrije hand wees hij over het terrein. ‘Zie je dat? Daar boven de bomen, aan de top van de Administratie Zaal?’
‘Wat?’ vroeg Ralph, knijpend tegen het zonlicht. ‘De klokkentoren?’ ‘Hoger,’ porde Daan, nog breder grijnzend.
James ging op zijn tenen staan om over de bomen te kijken. ‘Euh, de klokkenstoel?’
‘Hoger,’ moedigde Daan aan.
James keek hoger. Zijn ogen sperden zich open en hij begon langzaam zijn hoofd te schudden. ‘Nee, o nee, nooit.’
‘De vlag?’ zei Ralph, zich wendend om Daan aan te kijken. ‘Helemaal daar boven?’ dat is minstens zestig meter hoog! Dat meen je niet!’
‘Drie-en-zestig meter tot de punt. Maak je geen zorgen,’ suste Daan, maar zijn gretige grijns had het tegenovergestelde effect. ‘Er is een brandtrap aan de achterkant van de Zaal die je helemaal naar de klokkentoren voert. Vanaf daar, is er een wenteltrap naar de klokkenstoel en een trap naar het dak van de klokken stoel. Appeltje eitje! Met uitzondering van de vleermuizen natuurlijk, maar die zijn geen partij voor een toegewijde Zombie.’
‘Je wilt dat wij de vlag verwisselen,’zei James de stapel dikke stof optillend met zijn armen, ‘met de vlag helemaal daarboven?’
‘Nou, verwisselen van de vlag is maar de helft van de uitdaging. Die vlag daarboven is de originele universiteit stars en stripes, ‘Ouwe Betsy”. Je kunt haar niet gewoon onder je bed verstoppen in de gemeenschappelijke slaapzaal of zoiets, tenzij je wilt dat een knokploeg van de Weerwolf Afdeling je opjaagt, en je er zo flink van langs geeft, dat je vandaag niet weet dat je gisteren geleefd hebt. Je moet Ouwe Betsy ophijsen aan de Zombie Afdeling vlaggenmast. Wat het opwindend maakt, is dat er geen enkele magie gebruikt mag worden voor de uitdaging , geen Levitatie, Viavia of bezem of zoiets. Later morgenmiddag, brengen we Ouwe Betsy terug naar de Administratie Zaal en krijgen een eerbiedwaardige straf. Jullie worden waarschijnlijk een dag geschorst.’
‘Wacht,’ zei Ralph fronsend. ‘Als deze uitdaging slaagt, komen we in de problemen met school?’
‘Zo moet je dat niet zien,’ zei Daan, Ralph op de schouder kloppend. ‘Het is een feut uitdaging. Een dag schorsing is als een medaille van eer. Zie het als een betaalde vakantie.’
James zuchtte. ‘Nou goed dan. We doen het. Maar na dit, is het voorbij, ja? Dan zijn we officiële Zombies?’
‘Zorg ervoor dat dit lukt,’ zei Daan hartelijk, ‘en we maken jullie beiden Afdelingspresident voor een dag.’
James knikte grimmig. Een minuut later droegen ze gedrieën de Zombie vlag naar de slaapkamer en verborgen hem in de kast. Elkaar achterna zittend, renden ze over het terrein, op weg naar het theater en professor Lubbermans’ lezing.