HOOFDSTUK 8
Thomasina was blij dat de kinderen er waren, de volgende morgen, anders zouden zij en Paul vast en zeker heel stijfjes hebben gedaan tegen elkaar.
De mannen werkten de hele dag buiten, omdat Pauls hand beter scheen te zijn. Peggy's vrolijke gebabbel leidde Thomasina wat af.
‘Ik vind het fijn dat je alles aanpakt, hoor. Maar je hoeft niet te denken dat jij nu ook moet wassen en schrobben, omdat er nu meer mensen in huis zijn. Je ziet er een beetje pips uit.’
Onder het eten ging de telefoon. Toen Ebenezer terugkwam zei hij: ‘We zijn door de familie Martensen uitgenodigd om morgen te komen. Josh kan het vast wel een dag zonder ons af. Ik ben er een hele tijd niet geweest. Hoe minder ik die Ilena zag, hoe beter het me leek, en Conrad Martensen had zo genoeg van haar dat hij zijn hart hij mij uitstortte. Ruth vroeg hem wel zijn mond te houden, maar hij kon het niet velen dat Ilena zijn vrouw zo op de kop zat. Het is een mispunt. Ilena’s moeder was een achternicht van Ruth, en Ruth vond het heerlijk dat haar dochter een poosje kwam logeren. Maar ze is hier al zo lang. Nou ja, daar had ze natuurlijk haar redenen voor. Misschien stapt ze nu wel gauw op.’
Thomasina vond het afschuwelijk voor Paul Hij fronste zijn wenkbrauwen, maar zei niets.
‘Maar ik vind het een goed teken dat ze zolang in Queenstown blijft. Waarschijnlijk wil ze nog zoveel mogelijk van het land zien voor ze teruggaat. Nu ze haar verdiende loon heeft, en weet dat Paul niet zoveel te verwachten heeft als ze dacht, zal ze er wel vandoor gaan. Want daar was het haar natuurlijk om begonnen. Ze heeft Paul bezocht in Surrey, toen hij in Engeland was. Dat was net voor we jou hadden ontdekt, Thomasina, en zes weken nadat hij thuis was gekomen stond ze hier al op de stoep. Ze is hier al veel te lang.’
Thomasina kon wel gillen. Ze wist niet wat ze zeggen moest.
‘Dus morgen gaan we er heen. dan is het weer net zo gezellig als vroeger. Misschien dat Conrad iets loslaat over wat haar plannen zijn. Ik kan hem trouwens wel op de man af vragen of ze nog niet teruggaat.’
‘Dat doet u niet, oom,’ zei Paul plotseling. ‘Daar komt niets van in. U denkt dat u tegen de familie Martensen alles maar kunt zeggen. Laat nu maar.’
‘O ja?’ zei Ebenezer verontwaardigd. ‘Hoe eerder die onruststookster vertrekt, hoe beter het is, voor hen en voor ons.’
Thomasina moest toegeven dat Paul wel erg veel geduld had met zijn oom. ‘Vooruit, ouwe ijzervreter, dan gaan we de schapen langs,’ zei hij. ‘Hard werken maar, dan drijft de bui wel over. Ik heb de paarden laten zadelen. Ik kan mijn vingertoppen weer aardig gebruiken.’ Voor ze samen verdwenen, keerde hij zich nog een keer om.
‘Thomasina, zullen wij er morgen samen naartoe rijden? Je hebt nog wel niet zo lang achter elkaar te paard gezeten, maar ik denk dat je het wel redt. Goede oefening.’
Thomasina zag zichzelf al afgaan in de ogen van de familie Martensen. Dan moest ze natuurlijk na het eten ook met hen te paard de schapen langs. Haastig zei ze: ‘Liever niet.'
Ze vond dat Paul teleurgesteld keek en niet voor de eerste keer ergerde ze zich aan het feit dat zij zo’n klungel was met paarden, terwijl hij zo graag reed.
‘Nou ja, een andere keer beter. We gaan wel met de wagen. En als Conrad ons per se te paard de boel wil laten zien, heeft hij wel een paar rijpaarden voor ons.’
Ja, dacht Thomasina, en nog wel van die vurige, mij niet gezien. Ze nam zich heilig voor de volgende dag een jurk aan te trekken en niet in lange broek te gaan. Dan zou niemand van haar kunnen vergen dat ze op een paard zou klimmen.
Ze verheugde zich wel op het uitje. Ook al was ze dol op Corrieside, ze wilde nu wel eens even weg. Ze koos haar kleren heel zorgvuldig voor de gelegenheid wat eigenlijk belachelijk was, want Ilena was er immers toch niet? De jurk die ze droeg was oranje, met een dessin in bruin en groen. Haar ogen leken daarbij eerder groen dan blauw en de dikke groene kralenketting die ze er bij droeg, stond haar uitstekend.
Toen ze op de veranda kwam, stonden de mannen al op haar te wachten. De stationcar stond al klaar. Peggy kwam ook naar buiten.
‘Thomasina, je ziet er schitterend uit. Ik wou dat ik jouw haar had. Zou Romola mijn haar niet een beetje kunnen bijkleuren, kastanjebruin?’
‘Vast wel,’ zei Thomasina. ‘Maak dan een afspraak, het staat je vast goed. Maar overdrijf het niet, hoor. Je haar glanst zo mooi. O, en Peggy, pas je op dat de kinderen niet alleen naar het strand gaan?’
‘Nee hoor. Maar als ze thuiskomen ga ik er met de mijne naar toe, dan neem ik hen wel mee. Dan vind je toch goed, hè, als ik erbij ben? Ga nu maar, je maakt je veel te veel zorgen over hen.’
De boerderij van de Martensens leek veel op Corrieside, maar was wat kleiner. Er was ook een prachtige tuin bij.
Ze reden naar de voordeur. Die vloog meteen open en Ruth Martensen kwam hen tegemoet hollen. Hoewel ze de vijftig al gepasseerd was, maakte ze een vrolijke, jeugdige indruk, die Thomasina meteen voor haar innam.
Ze kuste Ebenezer en Paul hartelijk. Nog voor ze de kans hadden gekregen haar voor te stellen, kuste ze Thomasina ook. ‘Ik heb het gevoel dat ik je allang ken. Ik was zo benieuwd naar je, maar ik had geen tijd om eens langs te komen. De hele dag niets anders dan lammetjes voeden en mannen te eten geven. En nu Ilena weg is, kon ik mooi het een en ander inhalen. Ik moest altijd de hele boel achter haar opruimen. Ze is geweldig in de stallen, maar thuis . .. Lieve hemel, ik heb me gisteravond nog zo voorgenomen haar niet te kritiseren, en nu begin ik er al mee. Ik weet me gewoon geen raad met haar! Ze lijkt totaal niet op haar moeder. Maar kom toch binnen. De jongens zijn weg met Conrad, maar ze zullen zo wel thuiskomen.’
Binnen zag het er net zo uit als op Corrieside, veel hout en alleen die moderne meubelen, die zich goed met de oude lieten combineren. De tafel was mooi gedekt, maar toch maakte het geheel geen stijve indruk. Het eten was voortreffelijk.
Ze dronken op de veranda koffie. Conrad vertelde hoe zijn familie hier had moeten aanpakken om in leven te blijven en hoe ze tenslotte begonnen waren het huis te bouwen, eerst twee kamers, later telkens een stuk erbij.
Conrad vertelde dat lang geleden zijn oom de oudste zuster van Ebenezer, Janet Temple Swainson, in deze tuin het hof had gemaakt. ‘Dat was een echte romance, en het heeft standgehouden ook. Thomasina, Eb vertelde me dat je schrijft. Ik zou zo graag willen dat hun levensverhaal nog eens wordt opgeschreven, zou jij dat willen doen?’
Thomasina bloosde van plezier. ‘Graag ... als jullie denken dat ik het kan.’
Ze drongen er allemaal bij haar op aan dat ze het zou proberen. Thomasina was dolgelukkig. Ze had het gevoel dat al haar zorgen langzamerhand verdwenen. De Martensens waren erg aardig voor haar en kennelijk dachten zij ook dat Ilena binnenkort wel naar Engeland zou terugkeren.
Ze hadden Ilena hartelijk genoeg ontvangen. Maar die had totaal geen gevoel voor het soort leven dat deze mensen leidden. Ze begreep niet waarom ze de oude boerderij niet lieten afbreken om er een moderne voor in de plaats te zetten.
Ruth Martensen had van een meisje uit Surrey wel iets anders verwacht, maar Ilena had te kennen gegeven dat ze veel liever moderne huizen zag. En toen Ruth zei dat die ouderwetse boerderij goed genoeg voor haar was. had Ilena geantwoord: ‘Ja, maar als Finlay trouwt, dan denkt zijn vrouw er misschien heel anders over.’
Ruth was nogal geschrokken. Haar zoon Finlay had iets geërfd van een tante, en een tijd lang had Ilena meer belangstelling getoond voor Finlay dan voor Paul. Maar Finlay had haar door en greep zijn kans toen hij een beurs kon krijgen om in Australië de schapenfokkerij te gaan bestuderen. Toen bleef alleen Paul over.
Maar vandaag wilden ze niet meer aan Ilena denken. Conrad vertelde verhalen over vroeger, bijvoorbeeld hoe zijn vrouw eenmaal twee kinderen van een zandbank had gered door er onmiddellijk te paard op af te gaan, nadat ze door haar kijker had gezien dat hun roeibootje was omgeslagen.
‘Wat moet dat heerlijk zijn, om zo goed te kunnen rijden,’ zei Thomasina verlangend. Ze schoten allemaal in de lach.
‘Ze was doodsbenauwd voor paarden. Dat was juist het heldhaftige van de hele zaak,’ zei Conrad.
Thomasina keek naar Ruth Martensen. ‘En nu dan? Bent u nu nog steeds bang?’
‘Nee hoor,’ zei Ruth, ‘nooit meer geweest ook.’
Thomasina knikte. ‘Dat lijkt me heerlijk. Maar ik ben er nooit zeker van dat zo’n groot dier ook werkelijk zal doen wat ik wil. En dan zit ik daar bovenop en sta doodsangsten uit over wat er allemaal zou kunnen gebeuren.’
Paul keek haar verbaasd aan. ‘Meen je dat? Ben je werkelijk zo bang als je paardrijdt?’
Ze knikte beschaamd.
Bedaard zei hij: ‘Dan neem ik mijn petje voor je af. Dat heb ik nooit geweten. Ik dacht dat je het gewoon niet zo erg goed kon en dat je het wel zou leren. Maar het is nergens voor nodig dat jij paardrijdt, alleen om ons een plezier te doen, hoor. Met de Landrover kun je tegenwoordig bijna overal komen.’
‘Dat vind ik aardig van je, maar ik wil het toch liever onder de knie krijgen. Nu ik weet hoe Mrs. Martensen er vroeger over dacht, denk ik dat ik het ook wel zal leren. Ik dacht aldoor dat ik de enige hier in de buurt was die zo bang was uitgevallen.’
‘Welnee,’ zei Paul, ‘je bent heus de enige niet.’
Hij glimlachte tegen haar op een manier die haar hart sneller deed kloppen.
Conrad hief zijn hoofd op. ‘Ik dacht dat ik een auto hoorde.’
Even later hoorden ze er een wegrijden. Er klonken voetstappen. Ze keken allemaal naar de tuindeuren achter hen. Ilena kwam de veranda op in een crèmekleurig broekpak. Haar donkere haren golfden om haar knappe gezichtje.
Thomasina was blij dat Ruth haar zo vriendelijk verwelkomde.
‘Hoe ben je in vredesnaam hier gekomen?’ vroeg ze. ‘Om deze tijd rijdt er toch geen bus?’
‘Ik had morgen met het vliegtuig willen komen, dan had ik willen vragen of Paul me afhaalde. Maar er was een grote (conferentie in het hotel. Het ging over de landbouw. Voornamelijk mannen. Ze waren erg aardig en hebben me meegenomen op een paar excursies. Een van hen bood aan me hier af te zetten.’
‘Je had hem mee moeten brengen, dan had hij hier kunnen eten,’ zei Ruth.
‘Nee hoor,’ zei Ilena, ‘we hebben in de Sickle gegeten.’
‘Dit is Thomasina Meade,’ zei Ruth. ‘Ze kwam hier aan, kort nadat jij...’
‘Dat weet ik. Paul heeft me geschreven. En, Thomasina, heb je het hier naar je zin?’
‘Ja hoor,’ zei Thomasina zo achteloos mogelijk. ‘Het lijkt wel wat op het dorp waar ik vandaan kom, Greenchester, in het dal van de Tyne.’
Tot haar verbazing knikte Ilena en zei peinzend: ‘Ja, sommige delen van Engeland zijn ook heel mooi. Surrey bijvoorbeeld, waar ik vandaan kom. Ben je daar wel eens geweest?’
‘Nou en of,’ zei Thomasina enthousiast. ‘Mijn vader wilde een boek schrijven over Guildford Castle, toen ben ik met hem mee geweest. Die beukenbossen vergeet ik nooit meer.’
‘Daar woon ik vlakbij,’ zei Ilena. ‘Hazelmere. Je kunt er heerlijk paardrijden.’
Thomasina vond dat Ilena bij nader inzien best meeviel. Ze had haar één keer gezien, toen ze boos was. Onder die omstandigheden was niemand op zijn best.
Conrad vroeg of Ilena koffie wilde. Vervolgens ontspon er zich een tamelijk ongedwongen gesprek. Ondanks haar uiterlijk van vrouw van de wereld bleek Ilena het een en ander te hebben opgestoken van de conferentie over landbouwzaken. Dat onderwerp had haar belang ingeboezemd en ze bleek er heel verstandig over te kunnen praten. De gesprekken met de deelnemers hadden haar het een en ander geleerd. Conrad zei: ‘We hebben er op de televisie het een en ander over gehoord, maar ik vind het leuk dat jij er zoveel van hebt opgestoken, ook van de financiële aspecten.’
‘O, maar Ilena heeft meer verstand van financiële aangelegenheden dan de meeste vrouwen,’ zei Paul droog. Ilena ging er niet op in.
De mannen wilden te paard een paar duikers gaan inspecteren. Ilena sprong op. ‘Wacht even tot ik me heb omgekleed, dan ga ik mee. Jij ook, Thomasina? Je kunt wel een broek van mij lenen.’
‘Ik kan het nog niet zo goed. Ik zit te paard als een zoutzak. Ik ga wel in de tuin wandelen met Mrs. Martensen.’
Van die wandeling zou Thomasina meer hebben genoten als ze niet met haar gedachten bij de ruiters was geweest.
Laat op de middag kwamen ze terug, Paul en Ilena op hun gemak achteraan.
Toen ze vertrokken zei Paul achteloos: ‘Rijd jij maar, Tom.’
Verbaasd zei Ilena: ‘Lieve hemel, wat ben jij veranderd! Vroeger mocht er nooit iemand aan die auto komen. Of is je hand nog niet genezen?’
Paul grinnikte. ‘Het hangt er van af wie er aan die auto komt. Ze mag dan zelf beweren dat ze als een zoutzak te paard zit, maar als chauffeur is ze niet te overtreffen. Ze is secretaresse geweest op een boerderij in Northumberland en heeft haar baas, Sir Guy Crowsey, ook wel rondgereden. Ze rijdt feilloos.’
‘Zeg dat toch niet,’ kreunde Thomasina. ‘Zo meteen rijd ik nog te dicht langs het hek. Ik kan het niet uitstaan als mensen zulke dingen zeggen.’
Maar ze gloeide van voldoening. Ilena kondigde op de valreep aan dat ze van plan was de volgende ochtend tegen elven langs te komen. ‘Thomasina vindt het vast niet erg dat er nog iemand mee eet, hè? Paul zegt dat je heel huiselijk bent, Thomasina.’ Zoals zij het zei leek het nogal een saai soort deugd.
Maar Paul was Thomasina voor. ‘Morgen maakt ze voor niemand eten klaar. Als je wilt komen, kom dan overmorgen maar. Morgen hebben we een vrije dag.’
Daar hoorde Thomasina van op. Ze wilde juist aan Ebenezer vragen waar ze dan wel naar toe gingen, toen Paul zei: ‘Ik neem Thomasina mee naar Akaroa. Het wordt tijd dat ze de Franse nederzetting eens ziet.’
Thomasina schoof achter het stuur, Paul naast haar en Ebenezer aan de buitenkant. Ilena kwam naar het open raampje, boog zich voorover en zei: ‘O, Thomasina, ik zou het bijna vergeten. Ik moest je de groeten doen van Derwent Ford. Hij komt ook naar Christchurch.’
‘Lieve hemel, wat een naam,’ zei Paul. ‘Derwent Ford. Is dat soms een of andere ome uit de kennissenkring van je vroegere baas?’
‘Nee,’ zei Ilena vlug. ‘Aardige knul, maar rijk is hij niet.’
‘Derwent Ford?’ zei Thomasina. ‘Ik wist niet dat die ook in Nieuw-Zeeland was.’
‘Dat wist je toch wel?’ zei Ilena verbaasd.
Thomasina raakte in verwarring, ze wist zelf niet waarom. ‘Ik had er geen idee van,’ zei ze. ‘Je hebt zeker de verkeerde voor.’
Verbaasd zei Ilena: 'Ik had er op durven zweren dat je het wist. Hij zei nog... Maar als jij zegt dat je het niet wist, dan zal dat wel zo zijn. In elk geval heb ik de boodschap overgebracht.’
Thomasina was blij toen ze goed en wel reden. Ebenezer grinnikte. ‘Handige zet, Paul, nu blijft ons die visite voorlopig bespaard. En Akaroa zul je wel mooi vinden, Thomasina.’
‘Ik keek er nogal van op,’ zei Thomasina. ‘Heb je daar werkelijk tijd voor, Paul?’
‘Anders had ik het toch niet gezegd?’
Ebenezer vond het een goede grap, maar Thomasina veronderstelde dat hij het deed om Ilena te ontlopen, die misschien nog steeds aantrekkingskracht op hem uitoefende.
Dat Derry in de buurt was zinde haar helemaal niet. Ilena had er zo geheimzinnig over gedaan. Het was te gek om los te lopen, want ze had Derry niet meer gezien sedert zijn vertrek naar het zuiden, kort na de dood van Maddy. Alleen zijn moeder was haar nog een keer komen opzoeken.
Maar de volgende dag, toen ze op pad gingen, voelde ze zich voor het eerst sinds maanden jong en zorgeloos en dat zei ze ook.
Paul klopte haar goedmoedig op de knie. ‘Mooi zo. Ik ben ook wel toe aan een vrije dag.’
Paul werd lyrisch toen hij haar de schoonheid van Akaroa Harbour beschreef. Maar plotseling begon hij verlegen te lachen. ‘Als het je begint te vervelen dan leg je me het zwijgen maar op. Maar ik ben nu eenmaal dol op Akaroa.’
‘Het kan nauwelijks mooier zijn dan Harvest Moon Bay,’ zei ze. Hij wierp haar even een zijdelingse blik toe. ‘Dat meen ik echt, hoor, je hoeft me niet zo achterdochtig aan te kijken.’
Even legde hij geruststellend zijn hand op haar arm. ‘Tom, wat ben je toch lichtgeraakt. Wil je weten waarom ik naar je keek? Ik hou van enthousiaste mensen. Maar tegenwoordig zijn veel mensen bang naïef te lijken als ze er blijk van geven dat ze genieten van eenvoudige dingen. Ze willen liever cynisch en wereldwijs worden gevonden.’ ‘Dat vind ik aardig van je, Paul. Je zegt precies waar het op staat.’ ‘Zeg eens,’ zei hij, ‘heb je aan de andere kant ook een kuiltje in je wang? Dat kan ik van hieruit niet zien.‘
‘Jammer genoeg niet,’ zei ze. ‘Ik heb nu niet bepaald wat je noemt regelmatige gelaatstrekken.’
‘Gelukkig niet,’ zei Paul, ‘dat geeft je juist iets persoonlijks.’
‘O Paul, wat een uitzicht!’
Onder het praten hadden ze het punt bereikt waar je vanaf het Hilltop Hotel de hele haven van Akaroa beneden je zag liggen.
Paul stopte en ze stapten uit. ‘Het water ziet er hier helemaal heel anders uit dan in Lyttelton Harbour,’ zei Thomasina. ‘Hoe kan dat nu? Je zei dat dit ook de krater van een uitgedoofde vulkaan is.’
‘Ik weet het niet. Ik zal er eens naar informeren,’ zei hij. ‘Het was me nog nooit opgevallen.’
‘Wat zou vader dat mooi hebben gevonden,’ zei Thomasina. ‘Hij wilde zo graag dat ik ook ging schrijven. Hij liet me altijd losse woorden of zinnetjes opschrijven, die bij me opkwamen als ik iets zag wat ik nog nooit eerder had gezien. Als ik er dan later over wilde schrijven, had ik de kersverse indrukken bij de hand om van uit te gaan.’
Paul draaide zich om, liep naar de auto en kwam terug met een notitieboekje en een potlood. ‘Schrijf op,’ commandeerde hij.
Ze schreef een paar woorden op en hij knikte goedkeurend.
Het werd een dag die ze nooit meer zouden vergeten. Hoe Paul er ook toe gekomen mocht zijn haar mee te nemen, in elk geval ontdekten ze tijdens die tocht dat ze over heel veel dingen hetzelfde dachten.
Ze reden het slaperige Franse stadje door en picknickten onder een boom in het heuvellandschap.
‘Het lijkt hier wel een beetje op Devon,’ zei Paul. ‘Ken je dat? Ik ben er voor het eerst geweest toen ik terugging naar Engeland. Anderhalf jaar geleden was dat, in het voorjaar.’
Ze keek hem verbaasd aan. ‘Toen was ik er ook! In april van het vorig jaar. Met Pasen hebben we in Lynmouth gelogeerd, vader en ik.’
‘Werkelijk? Toen was ik ook in Lynmouth! Hoe bestaat het! We zijn elkaar misschien wel tegengekomen op straat, of misschien hebben we op hetzelfde moment over de brugleuning gehangen.’
‘Ik wil hier graag over schrijven voor de luchtvaartmaatschappij,’ zei Thomasina.
‘Dan moeten we zoveel mogelijk proberen te zien. Maar als er geen haast bij is, kunnen we hier een andere keer nog eens naar toe gaan.’
‘Dat kan ook wel, maar ik wilde proberen de stemming van vandaag vast te leggen.’
Je wist maar nooit. Er waren dagen die nu eenmaal niet voor herhaling vatbaar waren.
Op een bank op het kerkhof maakte Thomasina aantekeningen van de opgedane indrukken. Toen ze Paul zijn notitieboekje teruggaf vroeg hij: ‘Heb je al veel gepubliceerd?’
‘Een paar gedichten, in een tijdschrift. Sommige ervan zijn opgenomen in een bloemlezing, daar was ik erg blij om. Maar geld brengt het niet op. Ik heb ook artikelen geschreven, over het dal van de Tyne en de Romeinse bezetting. En dan zijn er nog een stuk of zes korte verhalen van me opgenomen. Dat betaald wel goed. Niet zoveel, alles bij elkaar, maar toch wel leuk.’
‘Dat klinkt allemaal nogal veelbelovend. Maar op Corrieside heb je er niet veel tijd voor, hè? Vind je dat niet jammer?’
‘Nee hoor. Toen vader en Maddy allebei nog leefden werkte ik al hele dagen. Toen had ik alleen tijdens het weekeinde en ’s avonds tijd om te
‘Dus je vindt het niet erg je tijd te besteden aan oom Eb en het huis?’
‘Of ik het erg vind? Ik vind het heerlijk! Ik ben stapel op Ebenezer, en de kinderen ook. En op jou zijn ze ook dol, Paul, je hebt ze echt op hun gemak gesteld. De kinderen zijn veel belangrijker voor me dan een eventuele carrière. Ik kan het schrijven niet helemaal opgeven, maar voorlopig vind ik het best als ik af en toe een verhaal of artikel kan schrijven. Als ik in Engeland was gebleven had ik er waarschijnlijk nog minder tijd voor gehad, en ik elk geval zou ik in een flatje nauwelijks inspiratie hebben opgedaan.’
Hij stond op en trok haar overeind. ‘Maar je moet ook voor jezelf opkomen. Oom Eb en ik vinden het helemaal niet erg als je minder tijd aan de huishouding besteedt. Ik zal Peggy wel vragen of die niet nog een dag extra kan komen, zodat jij meer tijd krijgt om te schrijven.’ Thomasina voelde zich dolgelukkig. Ze voelde zich niet langer een koekoeksjong, ze hoorde op Corrieside thuis.
Toen ze het stadje uitreden was het al bijna donker, en tegen de tijd dat ze Harvest Moon Bay bereikten, kwam de maan al boven de horizon uit.
Paul reed de auto de garage in en zei: ‘Ik haal de mand straks wel op. Ik zal jou eerst naar het huis brengen.’
‘Waarom, ik kan je toch best helpen dragen?'
‘O, Tom, bederf toch niet alles. Daar heb ik mijn redenen voor,’ zei hij lachend.
Hij pakte haar bij de arm, nam haar mee de smalle trap op die in de hoge wal was aangebracht en bleef staan, precies op de plek waar hij haar had ontmoet op de dag dat ze zo’n hevige ruzie hadden gemaakt. Hij begon te lachen. ‘Ik moet mijn handen toch vrij hebben, uilskuiken,’ zei hij. ‘Ik wilde dat we elkaar voor het eerst zouden kussen op de plek waar we elkaar onder zulke dramatische omstandigheden hadden ontmoet.’
Het werd geen ruwe, veeleisende kus. Hij kuste haar teder en Thomasina herinnerde zich de eerste keer dat Derry haar had gekust. Ze was toen nogal teleurgesteld geweest. Maakten ze daar nu zo’n drukte over? Nu wist ze dat er een heel verschil was tussen de ene kus en de andere.
Ze lieten elkaar los en Thomasina zei verlegen: ‘Laat me nu helpen dragen. We hebben zoveel gekocht, het staat zo raar als jij straks alles in je eentje binnen brengt.’
‘Vooruit dan maar,’ zei hij. Ze gingen de spullen halen. Op de kamers van de kinderen brandde nog licht, die lagen zeker te lezen. Maar zo te horen had oom Eb bezoek. Ze lieten de hele zaak in de hal liggen en gingen naar de eetkamer.
De bezoeker was een vreemde voor Paul, maar niet voor Thomasina. Met grote inspanning slaagde ze er in tamelijk vriendelijk te zeggen: ‘Hallo, Derry, lang niet gezien.’