HOOFDSTUK 3
Corrieside lag in een halfcirkelvormige inham van de heuvels. Rotsblokken en inheems geboomte beschutten de tuin tegen de oostenwind.
Honderd tien jaar tevoren was het eerste huisje daar gebouwd en sinds die tijd was er een mooie tuin ontstaan met de fraaiste Europese bomen. De narcissen en hyacinten geurden en het gezoem van de bijen in de fruitbomen klonk Thomasina als muziek in de oren.
Maar het huis was het mooist. Het had hoge puntgevels en hier en daar een paar dakkapellen. Er waren grappige afdakjes boven de deuren. De ramen aan de noordkant, waar de meeste zon kwam, waren voorzien van overstekende kappen, ondersteund door zware pilaren.
Ze gingen door een zij-ingang het huis binnen. Thomasina zag in één oogopslag dat de bewoners van dit huis er altijd van hadden gehouden. De meubelen waren van verschillende makelij, maar in de loop der jaren was alles tot een harmonieus geheel tezamen gegroeid. Wat jammer dat Ebenezer en Georgiana Swainson zelf geen kinderen hadden die dit zouden erven. Dan hoefde er niet gebekvecht te worden over wie het later zou krijgen, en dan had zij hier kunnen komen als welkome gast, en niet meer dan dat.
Maar veel tijd om te peinzen had ze niet. Er werd van haar verwacht dat ze een omelet zou bakken. ‘Ik wil dolgraag het huis zien, maar dan op mijn gemak. Zullen we dan maar eerst eten? Wilt u me wijzen waar alles staat?’
Paul zei: ‘Dat doe ik wel. Ik weet veel meer van koken af dan mijn oom.’
Ze kwamen in een grote, modern ingerichte keuken, vanwaaruit je een prachtig uitzicht had op de baai. Het was allemaal in geel en zwart-wit gehouden. Voor het raam stond een tafel en Thomasina zei vlug: ‘Kunnen we daar niet eten? Voor mij hoeft het allemaal niet zo formeel.’
‘Natuurlijk niet,’ zei Paul. ‘U bent immers familie?’
‘Ja, maar wel heel in de verte,’ zei ze effen. ‘En ik vind het best zoals het is. Nu wil ik graag een jasschort als het kan. Dit broekpak is gloednieuw en ik wil er liever geen vlekken op hebben.’
‘Een jasschort! Lieve hemel, u lijkt nicht Louisa wel. Ik dacht dat moderne meisjes geen jasschorten meer droegen, maar alleen van die kleine schortjes.’
‘Dat is ook best.’
Grinnikend liep hij weg en nam een enorme boezelaar van een haak. ‘Nicht Louisa is ... eh ... nogal mollig. Ik zou me best kunnen voorstellen dat zo iets je eer te’na is.’
‘Ach, geef toch maar hier,’ zei ze ongeduldig. ‘Wat kan mij dat nu schelen. Ik heb een schort nodig en ik heb wel wat anders aan mijn hoofd dan de hele dag aan mijn uiterlijk te denken.’
Ze stak haar hoofd door de bovenste lus, sloeg de bandjes twee maal om haar middel en bond ze van voren vast. ‘Zo, nu de eieren alstublieft, en wat melk en boter, peper en zout en als het kan wat gedroogde kruiden, maar dat hoeft niet per se.’
Ze keek in het aanrechtkastje. ‘Zou nicht Louisa een speciale pan voor omeletten hebben? Anders gebruik ik wel een koekepannetje.’ Paul ging hem lachend halen. ‘Toen ze naar het ziekenhuis ging, heeft ze me gezworen dat ik hem alleen voor omeletten mocht gebruiken. Maar ik heb gezegd dat ik hem niet zou aanraken.’
Oom Eb kwam binnendrentelen. ‘O, ik zie dat je haar een handje helpt, Paul. Ik ben handiger met tafel dekken. Waar liggen de tafelkleden?’
‘Ze wil hier eten,’ zei Paul. ‘Ze zegt dat we immers toch allemaal familie zijn.’
Zijn oom keek hem argwanend aan, maar zei niets. Thomasina besloot er niet op in te gaan. Oom Eb wierp een blauw met wit geruit tafellaken over de tafel en haalde kopjes en schoteltjes uit een oud buffet. Hij liep naar buiten, kwam terug met een paar takjes amandelbloesem en zette die in een glas midden op de tafel. ‘Zo, nu kan ik tegen Louisa zeggen dat we je keurig hebben ontvangen.’
Thomasina begon zich wat meer op haar gemak te voelen. Paul sneed bruin brood, zette boter klaar, abrikozenjam, en een pot honing. Thomasina concentreerde zich op de omelet. Ze verwarmde de borden, sneed een tomaat in plakjes en hakte peterselie. De omelet ging eerst iets te hard, maar ze draaide het vuur lager en zag dat het toch een fraai baksel zou worden.
Ze gingen zitten en de oude Ebenezer sprak een gebed uit. Thomasina had plotseling lust het uit te schateren. Als iemand haar drie kwartier geleden had gezegd dat ze hier nu zo vredig naast Paul Richmond zou zitten, had ze hem beslist niet geloofd.
Ze boog het hoofd, prikte in haar omelet en hoestte, om niet in lachen uit te barsten. Tot haar grote verbazing legde Paul Richmond zijn vork neer en schoot in de lach. ‘Hou je maar niet in. Het is ook bespottelijk.’ Thomasina bloosde hevig en zei vlug: ‘Ik lach niet omdat jullie bidden. Dat deden we thuis ook altijd. Ik lachte alleen omdat...’
‘Omdat je gevoel voor humor hebt. Het is ook idioot. Eerst word je toegebruld door een vreemde kerel, en dan moet je bedanken voor de zegeningen van deze dag! Wees toch niet zo lichtgeraakt, kind, dat is toch ook grappig. Kijk maar naar oom Eb.’
Die grinnikte nog na. ‘Hou op, Paul. Als ik lach kan ik niet van deze uitstekende omelet genieten. En plaag Thomasina alsjeblieft niet. Ze is een schat en de meeste vreemden zouden na die draai om je oren meteen de stal zijn uitgerend en terug zijn gegaan naar Christchurch in plaats van eten voor je klaar te maken.’
‘En nog wel zulk lekker eten,’ zei Paul.
Thomasina zei: ‘De hemel zij geprezen, de vijandelijkheden schijnen te zijn gestaakt.’ Ze legde haar hand op haar middenrif. ‘Hier van binnen was het allemaal hard en stijf. En dan kun je twee dingen doen, je mond houden en gaan zitten pruilen, of aan één stuk door kletsen van de zenuwen.’
Paul wierp haar een eigenaardige blik toe. Betekende dat misschien dat de vijandelijkheden niet ten einde waren en dat ze niet te veel praatjes moest hebben?
Ze waste af, Paul hanteerde de theedoek en Ebenezer borg het serviesgoed op. Dat ging hem zo handig af dat ze besefte dat hij tevoren de zaak alleen aan Paul had overgelaten, met de bedoeling hen samen aan het werk te zetten. Hij beschouwde hen als kinderen die hadden gekibbeld en het wel snel weer zouden vergeten. Maar Thomasina wist wel beter. Ze zou goed moeten uitkijken met die man. Gelukkig zou het maar van korte duur zijn. Over drie weken waren ze al weer weg. Met enige spijt bedacht ze dat ze nog wel had overwogen in Nieuw-Zeeland te blijven. Maar het was waarschijnlijk beter van niet. Als de mensen twijfelden aan je motieven, kon je maar beter teruggaan naar je vrienden en je buren die je kenden en vertrouwden.
Ze wou dat Paul niet was meegegaan toen ze het huis gingen bekijken, en dat ze nooit geschreven had hoe krap ze zaten. Ze durfde bijna niet te zeggen hoe mooi ze alles vond, uit angst dat hij er iets achter zou zoeken. En dat terwijl ze er geen flauw idee van had gehad dat Ebenezer er zo warmpjes bij zat en nooit op het idee was gekomen dat zij en Matthew en Edwina er misschien hun voordeel mee konden doen.
Terwijl ze hun rondgang maakten door het huis, besefte Thomasina dat ze blijkbaar geld genoeg hadden gehad om het schitterend te moderniseren. De ramen waren iets groter dan vroeger, maar aan het oorspronkelijke ontwerp was niets veranderd. De grote slaapkamer vond ze het mooist. Ebenezer Was daar geboren. Hij was ruim en gezellig ingericht en vandaar had je een fantastisch uitzicht over de haven. De andere kamers waren soms nog precies zo ingericht als dertig jaar tevoren.
Ebenezer zei: ‘Het is natuurlijk wel sentimenteel om die kamers zo te laten. Maar elk jaar komen de kleinkinderen van mijn zusters en broers — steeds weer nieuwe generaties - hier logeren. Telkens denk ik dat nu wel iemand zal voorstellen die oude boel maar eens weg te gooien, maar de kinderen schijnen het iedere keer weer prachtig te vinden.’
‘Ik denk dat dat komt,’ zei Thomasina zacht, ‘doordat het hun een rustpunt geeft in de wereld die voortdurend verandert.’
Paul keek haar met gefronste wenkbrauwen aan.
‘Je denkt natuurlijk dat ik vreselijk sentimenteel ben, Paul Richmond,’ voegde ze eraan toe. ‘Dat kan me niets schelen. Ik zeg het omdat er op dit moment misschien al bulldozers aankomen om het huisje weg te vagen waar mijn vader en mijn stiefmoeder zo dol op waren. Er komt een nieuwe weg. Je kunt je niet voorstellen wat het wil zeggen een deur voor het laatst af te sluiten en met een sleutel in je hand te staan die je nergens meer voor zult kunnen gebruiken.’
‘Was er dan niets tegen te doen?’ vroeg Paul een beetje bars, waarschijnlijk om niet te laten merken dat haar verhaal hem aan het hart ging. ‘Viel daar niet tegen te protesteren?’
‘Eerst zag het er naar uit dat het hele dorp afgebroken moest worden,’ zei ze. ‘Toen is er natuurlijk geprotesteerd. Bij de oplossing waarmee ze toen op de proppen kwamen, kon het dorp gespaard blijven maar moest ons huis verdwijnen. Daarom viel er weinig tegen te doen.’
Na een tijdje zei Ebenezer: ‘ Kop op, meid, je weet niet wat er nog voor je in het vat zit. Er staat altijd wel weer iets tegenover, net als bij mij. Bijvoorbeeld dat jij en je vader in mijn leven kwamen. Paul weet nog wel dat ik nergens meer aardigheid in had toen Georgiana plotseling was overleden. Omdat we zelf geen kinderen hadden, kwam de klap nog harder aan. Gelukkig heb ik Paul, dat is de zoon van Georgiana’s jongste zuster. Zijn ouders wonen in Christchurch. Geen van mijn eigen neven of nichten wil deze boerderij. Ze hebben allemaal hun eigen boerderij of zaak. En toen begon ik in het verleden te grasduinen, vanwege die serie artikelen in de Argus. Er was geen foto van Elizabeth, maar mijn vader heeft een beschrijving van haar nagelaten, en al had ze dan een andere teint en ander haar, volgens mij moet je veel op haar lijken.’
Thomasina kreeg een brok in de keel. Ze begon bang te worden. De oude man had er kennelijk zijn zinnen op gezet haar hier te houden. Ze wilde hem niet teleurstellen, maar Paul Richmond liet haar geen ogenblik met rust en verwachtte natuurlijk niet anders dan dat ze misbruik zou maken van de situatie. Maar dit soort dingen moest ze niet zo overhaast bespreken. Niet zolang ze er zeker van kon zijn dat de zwartharige Ilena haar het leven ongetwijfeld tot een hel zou maken, omdat ze bang was dat ze aan Pauls erfenis kwamen.
Daarom begon ze over iets anders. ‘U had geen foto van haar, zei u, maar er bestaat er wel een, hoor. Er zijn er trouwens een paar. Eentje waar ze met Edwin en hun dochters opstaat. Maar de foto die ik bedoel moet gemaakt zijn tijdens die zomer dat ze verliefd op elkaar werden. Ik heb hem pas ontdekt, hij zat onder een andere foto. Ik heb hem bij me. Hij ligt op de tafel in de hal, bij mijn tas.’ Tegen Paul zei ze: ‘Ik denk niet dat het jou veel zal interesseren, en misschien zit je op hete kolen om weer aan het werk te gaan.’
‘O, Josh is bij de schapen. Die geeft wel een schreeuw als hij hulp nodig heeft. En je hebt het mis, het interesseert me juist heel erg.’
Wat had dat nu weer te betekenen? Had hij nu belangstelling voor de geliefde van de vader van zijn oom of voor haar techniek om in de gunst te komen bij een rijk familielid?
Die gedachte maakte haar een beetje nerveus, maar ze deed Ebenezer inderdaad een geweldig plezier met de oude foto.
Die kon er zijn ogen niet van afhouden en zag er uit als een man wiens droom zojuist in vervulling is gegaan. Als die cynische Paul Richmond nu maar wegging. Maar hij was zeker bang dat Ebenezer haar een ondoordacht aanbod zou doen als hij haar alleen liet met de oude man.
Toen Ebenezer haar de foto teruggaf, zei ze: ‘Hij is voor u, neef Ebenezer. Ik wil graag dat u hem aan de muur hangt. Ik zou graag het gevoel hebben dat Bessie eindelijk toch is terechtgekomen op de plek waar Thomas de rest van zijn leven heeft gewoond.’
‘O, maar dat kan ik niet aannemen,’ zei Ebenezer. ‘Het is je eigen overgrootmoeder. Van mij is het enkel een aangetrouwde tante.’ ‘Neemt u de foto alstublieft aan. Ik heb niet zoveel waardevols om weg te geven en ik wist dat u er blij mee zou zijn.’
Hij keek er naar en ze wist dat hij de foto dolgraag wilde hebben. Plotseling glimlachte hij ondeugend en zei: ‘Op één voorwaarde... als jij en de andere achterkleinkinderen van Bessie Swainson de rest van jullie vakantie hier komen doorbrengen.’
Ze trok een bedenkelijk gezicht. ‘Het zijn bepaald geen engeltjes. Edwina ziet er wel zo uit, die lijkt precies op de oude Edwin, maar het is een verschrikkelijke ondeugd. Matthew is gemakkelijker, maar die heeft het ene ongelukje na het andere. Ze kibbelen vaak, hoewel ze eigenlijk best goed met elkaar kunnen opschieten. Ik denk dat u doodmoe van ze zult worden.’
‘Als al die andere kinderen hier zijn is het een compleet gekkenhuis, en er is hier trouwens zoveel ruimte dat ze ons echt niet de hele dag voor de voeten lopen. Ik neem de foto aan als jullie komen.’
Thomasina zwichtte. Onzeker keek ze naar Paul. Die keek naar zijn oom en zei: ‘Heel slim!’ Maar Thomasina had zo het idee dat die woorden voor haar bestemd waren.
Ebenezer peinsde er niet over haar met de bus terug te laten gaan. ‘Als we je nu eens naar de stad brachten en je vanavond mee terugnamen? Anders gaat er een hele dag verloren. Heb je veel tijd nodig om te pakken?’
‘Nee, dat niet, maar, eh ...’ Ze keek naar zijn neef.
Paul haalde de schouders op. ‘Mij maakt het niets uit. Ik doe gewoon wat oom zegt, hij is de baas hier.’
Thomasina zei: ‘Onze hospita zei dat ze pas rond zeven uur terug kon zijn met de kinderen. Misschien is het toch beter dat ik morgen met ze hier naar toe kom.’
Maar daar wilde Ebenezer niet van horen. ‘Nee hoor, we nemen de Landrover, we eten in de Sickle en dan gaan we de kinderen halen.’ ‘Dan ga ik nu maar,’ zei Paul. ‘Ik heb nog het een en ander te doen. Tot over een uur, oom.’
Plotseling zei Thomasina: ‘Wacht even!’ Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘U hebt nogal een... eh... drukke ochtend gehad. Ik denk dat ik beter morgen pas hier kan komen logeren.’
Koel nam hij haar op. ‘Als u die ruzie van vanmorgen bedoelt, daar trek ik me niets van aan. Mij schikt het beter als u vanavond hier naar toe komt, anders moet ik morgen weer uit mijn werk. Ik vind het allemaal heel interessant. Ik ben benieuwd hoe dat afloopt.’
'Dat kan ik u wel zeggen. We logeren hier gewoon een poosje. Maak u geen zorgen, Mr. Richmond, over drie weken ben ik terug waar ik thuis hoor, aan de andere kant van de wereld, en schrijf ik uw oom alleen af en toe een brief. Daar hebt u toch geen bezwaar tegen?’
‘Helemaal niet. Als het daar maar bij blijft.’ Zijn woorden hadden precies de uitwerking op Thomasina waarop hij kennelijk had gehoopt. Ze nam zich heilig voor liever te sterven dan hier voorgoed te blijven. Ze draaide zich om, maar werd bij het zien van de prachtige omgeving opnieuw overvallen door dat eigenaardige gevoel van heimwee.
Toen Paul weg was wreef Ebenezer zich vergenoegd in de handen. ‘Prachtig, prachtig! Ik geloof dat ik de knuppel in het hoenderhok heb gegooid, toen ik die Ilena ronduit vertelde wat ik jou voor aanbod zou doen.’
Thomasina keek hem verbaasd aan. Hij zag er uit als een heilige, maar dat was hij allerminst. ‘Paul zei al dat u het expres had gedaan.’ ‘Dat is ook zo,’ zei hij lachend. ‘Ik kan niet uitstaan dat ouders kinderen hun gang maar laten gaan, alleen omdat ze er zich niet mee durven te bemoeien. Zelf heb ik jammer genoeg geen kinderen, maar ik bemoei me wel met die van een ander, als het moet. Paul is voor mij een zoon. Ik was doodsbenauwd dat hij met dat meisje zou trouwen. Hij maakte er niet ernstig werk van, maar zij wel. En het enige waar zij belangstelling voor heeft is geld. Paul is niet de goede man voor haar, die is te goedig.’
Thomasina zette grote ogen op. ‘Te goedig? Nou ...’
‘Ja, ik weet het wel, als hij een grote mond opzet, zoeken we allemaal dekking. Je moest hem eens horen als een van de knechts te ruw is met de dieren. Maar deze keer was ik bang dat hij niet gauw genoeg zou schreeuwen en er plotseling achter zou komen dat hij al met die meid verloofd was.’
‘Ik wou dat u mij erbuiten had gelaten,’ zei Thomasina. ‘Het plaatst me in een vervelende positie. Nu denkt iedereen natuurlijk dat ik hier mijn kans kom waarnemen. U nam trouwens wel een erg groot risico. Geen wonder dat Paul woedend was. Stel u voor dat ik uw voorstel serieus had genomen?’
‘Dat was de bedoeling juist. Ik heb het niet alleen gedaan om Ilena een spaak in het wiel te steken. Ik zag er de hand van de voorzienigheid in dat jij, als nakomeling van Bessie, een dak boven het hoofd nodig had voor jou en de kleintjes. Het leven is hier goed. Denk er maar eens over na.’
Thomasina slaakte een diepe zucht. ‘Dat kan ik niet doen. Nee. Ik ben gesteld op mijn onafhankelijkheid. Ik kan er niet tegen dat iemand anders het over mij voor het zeggen heeft. Daar ben ik veel te vrijgevochten voor. Wel bedankt voor het aanbod, maar ik kan zoiets onmogelijk aannemen. Ik denk dat ik van vaders royalty’s wel een jaar of twee de huur kan betalen, en voor het huis krijg ik ook nog iets terug. Dank zij die prijsvraag zitten we allemaal goed in de kleren en een sekretaresse verdient een behoorlijk salaris. Bovendien kan ik er wat bijverdienen door af en toe een artikel te schrijven. Me dunkt dat we ons op die manier wel kunnen redden.’
‘We zullen wel eens zien,’ luidde zijn commentaar.
De tijd vloog voorbij. Ebenezer zei dat ze maar kamers moest uitzoeken, en Thomasina koos een kleine zijvleugel van het huis. Hij vertelde haar dat dat eigenlijk het oorspronkelijke huisje was, gebouwd lang voordat Thomas op deze kust was aangeland. Thomasina zag dat het het verst verwijderd was van de slaapkamer van Paul Richmond ... Zo zouden de kinderen hem niet storen. Er zat zelfs een aparte trap in, en er was een zitkamertje bij en een keuken.
Ebenezer zocht lakens voor haar en hielp haar de bedden opmaken. Langzamerhand begon Thomasina zich wat minder gespannen te voelen. Voor de kinderen zou het heerlijk zijn om hier twee, drie weken te logeren. Reizen was geweldig, maar je begon er op den duur wel naar te verlangen ergens langer dan één of twee dagen te blijven.
Oom Ebenezer moest de Landrover maar rijden, zei Paul toen hij binnenkwam; zelf ging hij te paard Thomasina hoorde het met gemengde gevoelens aan. Dit was het soort van leven waar ze van hield, en de kinderen ook. Maar het zou geen onverdeeld genoegen zijn, zelfs niet voor nog geen drie weken.
De schapen hadden bijna allemaal gelammerd. Maar toen Ebenezer en Thomasina zich bij Paul voegden, zagen ze dat hij en Josh moeilijkheden hadden met een schaap, dat tussen een paar wilgenstammen was gevallen en in die nauwe ruimte bezig was lammetjes te krijgen.
‘Kom mee, Thomasina,’ zei Ebenezer. ‘Je moet me even helpen. Het ene lammetje wil niet drinken. Het moederschaap doet niets, houd jij het even vast, zodat ik de kleine net zo lang op de plaats kan houden tot ze wel moet drinken.’
Het was maar goed dat Ebenezer haar een van zijn eigen oude werkbroeken had gegeven om over haar eigen kleren heen aan te trekken, want tegen de tijd dat Ebenezer een van de spenen net zo lang had bewerkt tot er rijkelijk melk uit vloeide, had hij haar inmiddels ook volgespoten, om nog maar niet te spreken van het lammetje, dat ze liever vast had willen houden dan het schaap en dat zich voortdurend tegen haar aandrukte. Anders zou ze in haar broekpak niet in de Sickle hebben kunnen dineren.
Plotseling had het lam door wat er van hem werd verwacht en begon krachtig te zuigen, met een verbaasde uitdrukking op zijn snoetje.
‘Dat heb je vast wel vaker gedaan,’ zei Ebenezer.
Ze knikte. ‘Ja, op het landgoed waar ik heb gewerkt. Maar ik heb Mr.
Bruce, onze buurman, al geholpen zo lang ik me kan herinneren.’ Ze keek hem met stralende ogen aan. ‘Gek hè, het is een smerig karwei, maar ik vind het heerlijk om te doen.’
Ebenezer knikte. ‘Ja, je kunt niet altijd op een mooi paard rondrijden en je kunsten vertonen.’
Natuurlijk doelde hij op Ilena. Thomasina schoot in de lach. ‘O, met paarden ben ik geen cent waard. Ik ben er doodsbenauwd voor.’ Ebenezer mocht er dan als een heer uitzien, hij was taai genoeg. Hij redde zich uitstekend met de zware schapen. Paul en Josh waren nog met het schaap bezig, dat was gevallen.
Thomasina hielp Ebenezer met een ander schaap. Ze voelde de kleine voorpootjes en een ogenblik later lag het glibberige schepseltje naast haar in het gras. Ze verwijderde juist het slijm uit zijn neusgaatjes toen Ebenezer bij haar kwam. ‘Grote meid,’ zei hij. ‘Zo iemand kunnen we hier goed gebruiken.’
‘Er was niets aan,’ zei ze lachend.
Paul en Josh hadden het ongelukkige schaap nu op de kant, met het lam. Ze kwamen kijken en zeiden tegen Ebenezer: ‘U hebt het druk gehad. Twee lammeren, en wij maar één.’
‘Die ene heeft Thomasina geholpen,’ zei hij.
Thomasina genoot van de uitdrukking op Pauls gezicht. Josh zei: ‘Gossie, Paul zei dat u uit Newcastle-upon-Tyne kwam. Ik dacht dat u ...’
Thomasina stak haar onbeschrijfelijk vuile handen omhoog. ‘Niet uit Newcastle. Uit de Tyne-vallei. We woonden naast een boerderij, waar we altijd in en uit mochten lopen.’
Ze werden alsnog aan elkaar voorgesteld. Paul zei: ‘Josh kan het verder wel alleen af. Goed dat u de Landrover hier hebt, oom. Rijd hem even hierheen, dan brengen we deze twee naar de stal. Het is beter dat ze daar een nachtje blijven.’
Ebenezer had van tevoren de Sickle opgebeld of ze er vroeg konden eten in een apart zaaltje. Thomasina was blij dat hij overal aan dacht. Hij was bang dat de kinderen ongerust zouden worden als ze later thuiskwam dan ze hadden gedacht. Thomasina had zo lang voor zichzelf moeten opkomen, dat ze genoot van zijn liefdevolle zorgen.
Het eten was heerlijk. Drusilla Babbington bediende hen zelf. Thomasina was er inmiddels achter gekomen dat Drusilla en Jacob het die morgen over Ebenezer hadden gehad en dat ze hem groot gelijk gaven dat hij zich met Pauls zaken had bemoeid. Ze zag dat Drusilla en Ebenezer een blik van verstandhouding wisselden en dat kon Paul onmogelijk zijn ontgaan. Haar ging het in elk geval niet aan. Drie weken hooguit, dan was ze weer weg.
Het werd al schemerig toen ze de top van de heuvel bij de haven hadden bereikt. Christchurch lag in de vlakte voor hen en de zon stond op het punt te verdwijnen achter een smalle bergketen, waarvan de toppen met sneeuw bedekt waren.
‘Het ziet er heel bedrieglijk uit,’ zei Paul. ‘Het lijkt maar een smalle strook, maar als je over het Tasmangebergte vliegt, van Sydney naar Christchurch, dan zie je dat het een enorme afstand is. Ik ben hier nu twaalf jaar en ik verbaas me er steeds weer over.’
Thomasina was blij dat ze een onderwerp van gesprek hadden gevonden waarover ze geen ruzie hoefden te maken. ‘Uit welk deel van Engeland kom je eigenlijk?’
‘Uit County Durham, dus ik ken dat Northumberland van jou best. Mijn ouders woonden aan de kust, in Whitburn. Mijn vader was technicus, nog trouwens. Mijn moeder had een zuster die veel ouder was dan zij, dat was de vrouw van oom Eb. Oom Eb en zijn broer Ned brachten in de jaren dertig een bezoek aan Engeland, toen zijn vader al overleden was. Ze hebben toen geprobeerd de Swainsons op te sporen, maar dat lukte natuurlijk niet omdat er geen zoons waren. Dat heb jij ons nu verteld. Bij die gelegenheid ontmoette hij mijn tante.’
‘Vertelt u eens hoe dat ging?’ vroeg Thomasina aan de oude man.
Zacht zei hij: ‘Mijn vader had een schilderij van de muur van Hadrianus in de eetkamer hangen. Ik wilde zo graag weten welk deel het was. Ik had er geen idee van hoe lang die muur is, tot we daar waren natuurlijk. Maar we hebben het toch gevonden. Het was in de buurt van Newcastle, dus misschien was het een plek waar hij de vrouw van zijn broer en haar kindje mee naar toe nam om te picknicken. Maar het was een heel gezoek, hoor - gelukkig maar, want op die manier heb ik Georgiana ontmoet. Zij was daar ook op onderzoek uitgegaan met haar vriendin, Elmira. We hoorden ze gillen! Ze dachten dat er een stier achter hen aan zat, maar in werkelijkheid was het een dolle koe die net had gekalfd. Dat is nog veel gevaarlijker. Zij stonden precies tussen haar en haar kalf in. Wij waren gewend met dieren om te gaan en leidden de koe af, en de meisjes klommen vliegensvlug tegen de muur op. Wij natuurlijk ook, toen ze eenmaal in veiligheid waren. Het ging er allemaal heel hoffelijk toe. Mijn broer Ned trouwde met Elmira.’ ‘Ned?’ vroeg Thomasina. ‘Hoe heette hij dan voluit?’
‘Edwin natuurlijk. Bij de nakomelingen van Thomas is er altijd wel één geweest die Edwin heette. Hij hield niet alleen van de vrouw van zijn broer, moet je weten, maar ook van zijn broer zelf. Hij was stapel op hem. En ik heb een zuster gehad die Adelaide heette. Vreselijk, hè, dat ze zo veel van elkaar hielden en toch zo ver van elkaar af woonden? Mijn vader had er geen flauw idee van waar Adelaide in Canada woonde. Vertel me eens, Thomasina, hoe leefden Edwin en Elizabeth eigenlijk? Ging het hun voor de wind?’
‘Ja, een paar jaar wel. Mijn oma heeft me dat verteld. Die had het natuurlijk ook maar van horen zeggen, want ze was nog maar drie toen haar vader overleed. Maar toen hun grootouders nog leefden, waren ze in goeden doen. Edwin verwende zijn vrouw. Elke zaterdagavond ging ze met de grotere meisjes naar de schouwburg, want daar was ze dol op, en dan stopte hij de kleintjes in bad en vertelde ze verhaaltjes.’ Ebenezer genoot van wat Thomasina hem allemaal vertelde. ‘Edwin had veel last van astma,’ vervolgde Thomasina. ‘Hij en Bessie waren op een rustige manier heel gelukkig samen. Maar rond 1880 begon het bergafwaarts te gaan met de economie, en dat is bij hen hard aangekomen. In 1893 kreeg Elizabeth ten slotte een zoon, maar die stierf al na een paar dagen. Edwin had zich zorgen gemaakt over de bevalling, zijn astma werd steeds erger en een paar weken daarna overleed hij zelf ook.
‘Mijn oma heeft nooit een nieuwe jurk gehad, die kreeg altijd afdankertjes van een van de vijf oudere zusjes. Jane was al tweeëntwintig, die nam de hele verantwoordelijkheid op zich.
‘Ze hingen allemaal erg aan elkaar en hielpen hun moeder waar ze maar konden. Ze kochten ook regelmatig een bosje muurbloemen voor haar. Daar was ze dol op. Onze hele familie heeft altijd muurbloemen in de tuin gehad.’
Het bleef een hele tijd stil. Toen zei Ebenezer schor: ‘Dank je wel, Thomasina. Dat was wat ik altijd zo graag had willen weten. Jammer dat onze tak van de familie nooit méér voor hen heeft kunnen doen. Het was hard werken hier om een renderend boerenbedrijf op te bouwen. Die depressie is hier ook hard aangekomen, maar dat was natuurlijk niet te vergelijken met het leven in een industriestad in het Engeland van Koningin Victoria. Ik ben maar blij dat ze zulke lieve dochters had. ’
Pauls gezicht stond strak. Misschien kwam dat doordat hij nu goed op het drukke verkeer moest letten. Maar ze vroeg zich toch af of hij soms vond dat ze de zaak een beetje had overdreven om de oude man op zijp gemoed te werken ...