HOOFDSTUK 6
Ebenezer vond dat het gevierd moest worden. ‘Ik was er nog steeds niet helemaal gerust op, maar nu sta je bij mij op de loonlijst en hoef je niet langer krom te liggen. Nu heb ik pas het gevoel dat die hele geschiedenis van vroeger werkelijk afgerond is. Morgenavond gaan we in de Sickle eten. Ik wil Jeremy en Elizabeth er ook graag bij hebben. Het idee om met die serie te beginnen kwam van Jeremy, dus hij heeft ons eigenlijk bij elkaar gebracht.’
Ebenezer was zo opgetogen als een kleine jongen. Dokter Andrew Carmichael en zijn vrouw Innis zouden ook komen. Thomasina voelde zich opgelucht. Na al de twijfels en de harde woorden was het heerlijk om zo iets feestelijks in het verschiet te hebben. Toen Thomasina die ochtend wakker werd scheen de zon in de kamer waar ze zoveel van was gaan houden. Ze nam zich voor al de zorgen van het afgelopen jaar van zich af te schudden en vanavond weer eens echt jong en luchthartig te zijn.
Paul kwam pas tegen de avond thuis van een bezoek aan Purau Bay. Thomasina had Edwina al aangekleed en gezorgd dat Matthew er ook keurig uitzag. Ze was juist bezig zichzelf te verkleden, en ze verbaasde er zich over dat ze zo opgelucht was toen ze Paul hoorde aankomen.
Hij riep naar zijn oom: ‘Ik was al bang dat ik het diner moest missen. Er was een ongeluk gebeurd bij Charteris Bay. Een auto over de kop. Er was niemand ernstig gewond, maar ze konden niet uit de auto komen. Tegen de tijd dat dat gelukt was, was het al te laat om jullie te bellen. Ik heb hard gereden. Nu ga ik gauw onder de douche. Ik ben zo klaar.’
Hij stond al in de hal met Ebenezer, toen Thomasina en Edwina naar beneden kwamen. Paul floot bewonderend toen hij Thomasina zag. Ze kleurde hevig, wat Ebenezer wel leuk scheen te vinden. Ze duwde Edwina voor zich uit toen ze beneden waren. ‘ Ziet die robbedoes er niet lief uit?’
Dat was ook zo. Ze had een jurk aan die ze hadden mogen kopen voor de grote reis, en leek in geen enkel opzicht op de rakker in spijkerbroek die regelmatig de stal uitmestte.
Thomasina had haar haren geborsteld tot ze glansden als goud. Haar paardestaart was hoog opgebonden met een stijve strik.
‘Ik vind mezelf ook best mooi zo,’ zei Edwina naïef. ‘Ik zou het vreselijk vinden als ik altijd zulke kleren aan moest, maar voor een keertje kan het wel/
‘Je zuster ziet er anders ook mooi uit,’ zei Paul.
Thomasina droeg een jurk van blauw met wit gebloemde katoen met een hoge taille en een vierkant decolleté, afgezet met witte kant. Haar haren had ze naar achteren gekamd. Ze reikte Ebenezer iets aan. ‘Ik kan niet met die sluiting overweg. Hij is al zo oud.’
Hij keek ernaar. Het was een metalen ketting met een hanger er aan met een iriserend oppervlak, met blauw, purper en groen. Er waren vreemde oosterse motieven in gesneden. Hij keek haar aan. ‘Dat is Indisch. Was het...’
Ze knikte. ‘Van Bessie, ja. Oma zei dat Thomas hem tijdens zijn verlof voor zijn schoonzusje had gekocht in een bazaar.’
‘Dat dacht ik al. Vader had een doosje van precies hetzelfde materiaal. Zeg, laat Paul dat maar doen. Het is een heel ingewikkeld slot.’
Paul kreeg het voor elkaar, hoewel hij er de tijd voor nam. Thomasina was zich tot haar eigen verbazing scherp bewust van zijn vingers in haar nek. Hij draaide haar om, hing de hanger van voren recht en vroeg: ‘Waren haar ogen ook blauw-groen, net als de jouwe? Dan heeft hij goed gestaan ...’
‘Het spijt me voor jou, maar volgens oma had haar moeder pikzwarte ogen. Ik ben bang dat ik helemaal niet op haar lijk. Dat zou wel leuk zijn geweest voor Ebenezer.’
‘Ik betwijfel of hij je anders zou willen hebben dan je bent,’ zei Paul, en even ontmoetten hun blikken elkaar.
‘Dat heb je mooi gezegd,’ vond Ebenezer voldaan.
‘Ik voel me niet erg op mijn gemak in deze jurk,’ zei Thomasina. ‘Het was de enige die niet vloekt met die van Edwina, maar hij past eigenlijk niet bij me. Nou ja, misschien gedraag ik me dan meteen wat rustiger en sla ik niet meteen iedereen op zijn gezicht.’
‘Tom!’ zei Matthew geschokt, ‘zoiets doe je toch nooit!’
Paul schoot in de lach. ‘Ze bedoelt alleen dat ze daar wel eens zin in heeft als de mensen haar op de kast jagen. Tom, je moet niet net doen of je een soort barbaar bent.’
Tom had hij gezegd. Hij begon kennelijk te ontdooien.
Ze stopten bij de brievenbus en haalden het avondblad er uit. Ebenezer spreidde de krant uit.
SPROOKJESACHTIG EINDE VAN WARE GEBEURTENIS. ARGUS SPEELT VOOR TOVERFEE EN BRENGT NA GENERATIES LEDEN VAN FAMILIE BIJ ELKAAR.
Jeremy en Elizabeth hadden zichzelf overtroffen. Foto’s van Corrieside, van Thomas en Bessie en Edwin. En natuurlijk van Ebenezer en de kinderen. Dan was er ook nog één waar Thomasina van op keek. Er was toch geen foto gemaakt alleen van haar en Paul? Maar Ebenezer zei: ‘Ik ben blij dat ze daar nog iets van hebben weten te maken. Wij stonden er allemaal zo raar op, bewogen en zo. Behalve Paul en jij. Het is een mooie foto.’
Dat was het ook. Paul had geen erg gehad in de fotograaf. Hij keek neer op Thomasina, die achteloos op de leuning van de veranda zat en naar hem opblikte. Ze leken precies een stel jonge gelieven die elkaar innig in de ogen staren, maar het had niets te betekenen. Toen die foto genomen werd stonden ze juist op gespannen voet. Ilena zou het zich vast aantrekken, dacht Thomasina.
Ze kwamen allemaal tegelijk op de binnenplaats van de herberg aan. Dokter Carmichael zei plompverloren: ‘Laten we niet te lang over de aperitieven doen, anders word ik natuurlijk weg geroepenen dan mis ik straks dat heerlijke dessert waar Drusilla mee bezig is.’
Zijn vrouw Innis vroeg argwanend: ‘Hoe weet jij dat?’
‘Ik liep even naar binnen om te horen hoe haar dochter het maakt in het ziekenhuis, toen heb ik het gezien.’
Beschuldigend zei Innis: ‘Andrew Carmichael! Daarom wilde je dus niets bij de thee vanmiddag. Ik denk dat je overal van hebt geproefd.’ Maar hij toonde geen berouw. ‘Het zou toch zonde zijn als je iets bestelt met een dure naam en merkt dat je een soort veredelde rijstpudding krijgt voorgeschoteld?’
‘Laat Drusilla het maar niet horen,’ zei Elizabeth. ‘Anders doet ze nog arsenicum in je eten.’
‘Ik ben blij dat je die jurk aan hebt, Elizabeth,’ zei Ebenezer. ‘Die vind ik juist zo mooi.’
Ze schoot in de lach en zei tegen Jeremy: ‘Wat heb ik je gezegd?’ Tegen de anderen zei ze: ‘Jeremy vond die oude fluwelen jurk ook altijd zo mooi. Hij stond erop dat ik er precies zo een zou laten maken. Stel je voor, deze was twee keer zo duur als de oude.’
‘Ik vind dat je een uitstekende smaak hebt, Jeremy,’ zei Thomasina.
‘Je ziet er prachtig uit, Elizabeth, met dat witte bont langs de hals en de manchetten.’
‘Dat vind ik ook,’ zei Jeremy en hij bewonderde zijn vrouw met een blik die Thomasina jaloers maakte. Het moest heerlijk zijn voor een vrouw als haar man zo dol op haar was.
‘Blijven we hier over kleren staan praten?’ vroeg Andrew. ‘Kunnen we niet vast gaan eten? Ik ben uitgehongerd, en ik ben vast niet de enige.’
Lachend gingen ze naar binnen. Het interieur van de Harvest Sickle was een geslaagde combinatie van oud en nieuw en er hing een behaaglijke sfeer.
Drusilla was op haar best. ‘We hebben hier een groepje buitenlandse zakenlieden, die een conferentie in Christchurch bijwonen. Ik kon het niet laten hun te vertellen wat jullie hier vanavond te vieren hebben.’ Ze hadden veel plezier samen. Alleen piekerde Thomasina nog steeds over die foto. ‘Ik wou dat ze die foto niet opgenomen hadden waar wij met zijn tweeën op staan.’
‘Waarom niet?’ vroeg Paul met een frons.
‘Ik vind het een beetje te.’
‘Te wat?’
‘Te romantisch.’
‘Wat doet dat er nu toe?’
‘Nou, ik denk dat Ilena het niet zo leuk zal vinden.’
‘Je maakt me dol met je gezeur over Ilena,’ siste Paul. ‘Wat kan ons dat nu schelen? Ze zal die foto trouwens wel niet onder ogen krijgen, want na die ruzie is ze naar Queenstown vertrokken.’
Ernstig zei Thomasina: ‘Misschien vond ze dat verandering van omgeving haar goed zou doen. Hoe weet je dat trouwens, dat ze weg is?’ ‘Ik heb opgebeld. Bij de Martensens vertelden ze het me.’
Hij had opgebeld. Dus hij had het wel degelijk weer goed willen maken. Maar ze maakten deel uit van een vrolijk gezelschap en konden niet blijven praten over dat vervelende onderwerp.
Er werd die avond gedanst tijdens het diner. Matthew zei vol afschuw: ‘Hadden we niet beter op een andere avond kunnen gaan? Wie danst er nu onder het eten?’
Rod schaterde het uit. ‘Dat vind ik ook, Matt. Zeg, pap,’ zei hij, toen Jeremy opstond om met Elizabeth te dansen, ‘kunt u niet aan Drusilla vragen of wij drieën door mogen eten? Tegen de tijd dat jullie terugkomen zijn we uitgehongerd.’
‘Je doet maar,’ zei Jeremy. ‘Ik denk dat ik op jouw leeftijd ook niet zou hebben gedanst tijdens een diner.’
Andrew gromde vergenoegd en keek Innis aan. ‘Schat, vind je het erg als ik dat ook doe? Ik zal aan één stuk door met je dansen als ik mijn eten op heb. Als ze me tenminste niet oproepen. Je weet dat er nog een stel baby’s op komst zijn.’
‘Bof ik even,’ zei Innis plagend. ‘Er is niemand hier die zo goed kan dansen als Ebenezer.’
Die kwam haastig overeind. Hij zag er tien jaar jonger uit dan zijn leeftijd en het complimentje deed hem zichtbaar genoegen.
Paul kwam ook overeind. ‘Elizabeth en Innis vinden dat er niemand zo goed kan dansen als mijn oom, maar ik hoop dat je met mij genoegen wilt nemen.’ Hij bleek uitstekend te kunnen dansen. Thomasina genoot er van.
Paul fluisterde in haar oor: ‘Vond je het erg, wat ik thuis zei?’
Wat bedoel je?’
‘Dat ik je Tom noemde?’
'Nee hoor. Ik vond het juist leuk.’
‘Bedankt, Tom. Je hebt veel gedaan voor oom Eb. Sinds de dood van tante Georgie voelde hij zich zo eenzaam. We hebben altijd uitstekend met elkaar overweg gekund. Ik was nog zo’n broekje toen ik hier kwam. Ik weet wel dat hij al oud is, maar ik hoop toch dat we hem nog een paar jaar mogen houden.’
Het was een betoverende avond. Buiten was het inmiddels donker geworden en aan de overkant van de baai scheen er licht uit de ramen van alle huizen. Vroeger hadden de mensen daar lantaarns neergezet om de mannen de weg naar huis te wijzen. Het was niet een kwestie van heden en verleden, dacht Thomasina, maar er was sprake van continuïteit.
De muziek hield op toen ze net bij een venster waren. Ze keek uit over de baai en bracht tegenover Paul haar gedachten onder woorden.
‘Daarom is het ook zo jammer dat mijn oom en tante geen kinderen hadden. Ze bleven hopen tot het te laat was er een paar te adopteren. Er had weer een Swainson moeten komen om hem kleinkinderen te bezorgen.’
‘Jij bent er toch?’ zei Thomasina.
‘Dat is niet hetzelfde. Ik ben alleen maar de zoon van de zuster van zijn vrouw.’
‘Maar Paul, zo denkt hij er toch niet over? Hij beschouwt je als zijn zoon. Anders zou hij vast zijn eigen neven wel onder druk hebben gezet om Corrieside over te nemen.’
‘O nee, zo is hij niet. Voor hen betekent Corrieside ook niet zoveel, want die zijn bijna allemaal opgegroeid op eigen boerderijen. Voor mij was het anders. In Whitburn hadden we zelfs een huurhuis. Ik geloof dat ik hier wortel heb geschoten toen ik voor het eerst op Corrieside kwam. Maar ik heb het gevoel dat het voor oom Eb toch maar een soort surrogaat is. De banden tussen hem en mij zijn ontstaan door liefde en huwelijk, het zijn niet wat je noemt de banden des bloeds.’
Ze keken naar de tafel waar Innis en Ebenezer inmiddels weer waren teruggekeerd. Ebenezer keek op en zijn ogen straalden. Thomasina en Paul wisten zich niet goed raad met hun houding en liepen naar de tafel terug.
Later dansten ze nog een paar keer, hoewel niet aldoor met elkaar. De zakenlieden kwamen vragen om exemplaren van de krant om ze thuis te laten zien. Thomasina werd vaak ten dans gevraagd, evenals Innis en Elizabeth. Andrew kon op die manier rustig door eten.
Het bandje begon weer te spelen en Paul was er als de kippen bij om Thomasina ten dans te vragen. Ze voelde zich zielsgelukkig in deze omgeving. Toen ze terugdacht aan die afschuwelijke tijd toen ze net had gehoord dat hun huis moest worden afgebroken, huiverde ze.
Paul trok haar wat dichter tegen zich aan. ‘Loopt er iemand over je graf?’
‘Ik besefte plotseling hoe gelukkig ik me voel met al die schatten van mensen om me heen, en hoe eenzaam ik vorig jaar was kort na de dood van vader en Maddy, toen ik hoorde dat ons huis moest worden afgebroken. Zo zie je maar weer, je weet nooit wat er allemaal kan gebeuren.’
Hij fronste zijn wenkbrauwen, maar niet omdat hij boos was. ‘Toen kwam je hier en trof mij aan midden in die ruzie met Ilena. Van de weeromstuit ging ik tegen jou ook nog tekeer. Dat was vreselijk onrechtvaardig van me, maar op dat ogenblik dacht ik dat alle vrouwen één pot nat waren. Je had er wel een complex aan over kunnen houden.’
Thomasina schaterde het uit. Hij loodste haar haastig naar een venster. ‘Waar lach je nu om?’
‘Complexen krijgt een mens pas als hij zijn gevoelens verdringt, suffie! Dat kun je van mij niet zeggen, ik heb je nog wel een draai om de oren gegeven, weet je nog?’
Hij lachte en wreef zich over de wang. ‘En of ik dat nog weet.’
‘Maar nu zijn we toch quite, hè?’
‘Nou en of, Tom.’
Toen kwam Ebenezer haar halen om te dansen. Hij keek neer op haar stralende gezichtje en zei: ‘Je hebt het wel naar je zin, hè? Hebben jij en Paul nu eindelijk vrede gesloten?’
Ze knikte opgetogen. ‘Dat zou Georgiana fijn hebben gevonden,’ zei hij zacht.
Thomasina schrok. Als hij er maar niet te veel achter zocht, daar was het nog veel te vroeg voor. Maar dat durfde ze niet te zeggen.
Ebenezer zei, alsof hij haar gedachten kon lezen: ‘Op Corrieside hebben we altijd in harmonie met elkaar samengeleefd.’
‘Ja, tot ik hier kwam,’ zei ze berouwvol.
Ebenezer schudde het hoofd. ‘Tot Ilena kwam. Ik hield mijn hart vast voor Paul. En Drusilla en Elizabeth en Innis ook. We zijn allemaal opgelucht dat het zo is gelopen.’