HOOFDSTUK 4

 

 

 

Matthew en Edwina kwamen naar buiten hollen zodra ze de auto hoorden. Je kon aan hun blozende wangen en hun stralende ogen wel zien dat ze een heerlijke dag hadden gehad. Thomasina stelde hen aan Ebenezer en Paul voor en vertelde dat ze nu naar de baai gingen.

Toen gingen ze naar binnen om Mrs. Fairweather te bedanken en te vertellen dat ze weggingen.

Ebenezer was heel aardig. Hij bedankte de hospita dat ze zo vriendelijk was geweest voor zijn jeugdige familieleden, zei dat hij ze nu onder zijn hoede nam en stond erop haar schadeloos te stellen voor het feit dat ze haar gasten nu al kwijtraakte. Hij vroeg haar hen nog eens te komen opzoeken. Hij zou haar opbellen en haar persoonlijk uitnodigen.

‘Dat zal ik graag eens doen,’ zei ze. ‘Het is zo mooi aan de baai en ik ben erg gesteld geraakt op de kinderen. Mijn dochter vond ze trouwens ook erg aardig. Brengt u hen nog eens hier?’

Edwina stond aan haar blonde paardenstaart te peuteren. Ze keek Ebenezer doordringend aan. ‘Wanneer dan? Bedoelt u dat we blijven? U zei dat we uw beschermelingen waren, maar...’

Vlug zei Thomasina: ‘Oom Ebenezer beschouwt zich in zekere zin als onze voogd, maar dat is hij natuurlijk niet echt. We mogen geen misbruik maken van zijn vriendelijkheid, Edwina. We gaan gewoon een poosje met vakantie naar Corrieside. Maar we komen u in elk geval nog eens opzoeken, Mrs. Fairweather. U hebt ons een echt thuis bezorgd, niet enkel maar een pension.’

Ze holden weg op te gaan pakken. Ebenezer volgde hen samen met Mrs. Fairweather. Thomasina wilde ook gaan, maar Paul legde zijn hand op haar arm. ‘Je onderschat mijn oom. Het is niet zo’n engel van goedheid als jij denkt. Het is een sluwe vos.’

Thomasina verbeeldde zich dat hij er bij glimlachte, maar ze wist niet wat ze ervan moest denken.

Tegen de tijd dat ze thee hadden gedronken, koffers hadden gepakt en weer de heuvels in reden, stonden de sterren aan de hemel en hing de maan hoog boven de haven. De kinderen zaten voorin naast Paul. Edwina schoof dicht tegen hem aan, legde haar hand op zijn knie en zei:' ‘Het is net een sprookjesland, hè? Al die lichtjes langs het water. Ik vind het zo leuk dat de wegen hier aldoor omhoog en omlaag gaan, jij ook? Is één van die verlichte baaien in de verte die van ons?’

Die van ons! Thomasina kromp ineen. De kinderen waren straks natuurlijk niet meer weg te slaan uit Harvest Moon Bay. En dan Corrieside, met de gezellige kamers, de schapen, de paarden, de ezel, de hagen en velden. Ze zouden het gevoel hebben dat het hun eigen dierbare Greenchester was. Nu zouden ze helemaal niet meer naar een flat in Newcastle willen. In elk geval zou Paul geen druk op haar uitoefenen om hier te blijven. Niemand vond het toch leuk de helft van zijn erfenis kwijt te raken?

Paul gaf Edwina antwoord. ‘Nee, die van ons kun je nog niet zien.

Straks wel, als we bovenop de volgende heuvel zijn. Corrieside ligt halverwege de baai, de zon schijnt er bijna de hele dag en de heuvel achter het huis biedt beschutting tegen de zuidwesterstormen. Daar komt bij ons het koude weer vandaan, natuurlijk, van de zuidpool.’

Thomasina wist dat ze hem wel dankbaar mocht zijn omdat hij zo aardig was voor de kinderen. Alleen haar en haar motieven wantrouwde hij. Het zou dus niet gaan. Maar vanavond zou ze er nog niet met de kinderen over praten. Die hadden een geweldige dag gehad en waren nu toch niet meer voor rede vatbaar.

Plotseling lag Ebenezers grote, eeltige hand over de hare. ‘Ontspan je toch eens wat, meisje.’ Hij zei het zachtjes, daar was ze blij om. ‘Verzet je toch niet zo hevig tegen die gedachte. Je bent in je wiek geschoten, dat weet ik wel, omdat Paul je zo’n grote mond heeft gegeven. Maar die wist niet beter. Die accepteert je over een poosje heus wel.’

Op de voorbank werd honderduit gepraat, daarom zei ze zachtjes: ‘Maar ik voel me net een koekoeksjong. Ik ben een ongelooflijke vrijbuiter, hoor.’

‘Ja, maar je hebt ook de verantwoordelijkheid voor twee kinderen. Dat is me nogal wat. Je kunt niet alleen aan jezelf denken en aan je gevoel van eigenwaarde. Als je naaste familie - want ik ben tenslotte de neef van je eigen grootmoeder - klaar staat om de zaak van je over te nemen, is dat dan wel eerlijk? En vergeet één ding niet, nu kun je je nog wél helemaal aan hen wijden, maar er komt misschien een tijd dat je dat niet meer kunt.’

‘U bedoelt dat mij ook plotseling iets kan overkomen, net als mijn ouders .. . Dat weet ik wel, maar Ebenezers hand omklemde de hare. ‘Meisje, dat bedoel ik helemaal niet. Ik bedoel dat je misschien wilt trouwen. Dan zou het wel wat veel gevraagd zijn van zo’n jongeman, dat hij de verzorging van het zusje en broertje van zijn vrouw op zich neemt. Als hij midden twintig is, heeft hij nog niet zoveel geld. En jij bent er echt een type voor om ongetrouwd te blijven, enkel om voor hen te kunnen zorgen. Maar als zo’n knul weet dat er iemand voor hun opvoeding betaalt, maakt dat een enorm verschil.’

Ze zweeg. Dat was nu precies wat haar was overkomen. Och, ze had er geen gebroken hard aan overgehouden. Derry was een plezierige metgezel geweest, maar meer ook niet. Hij had op hetzelfde landgoed gewerkt. Maar hij had meer ervaring willen opdoen en was naar elders vertrokken. Hij was van plan om voor zichzelf een boerenbedrijf te beginnen, maar zijn ouders waren niet rijk genoeg om hem daarbij te steunen. Voor haar waren ze erg lief geweest.

Hij had het ernstig gemeend, dat had ze wel gemerkt, maar toen Maddy ook was overleden was zijn liefde wat bekoeld. Ze kon het hem niet kwalijk nemen. Van haar kant was het trouwens niet veel meer geweest dan vriendschap. Maar de mogelijkheid bestond natuurlijk dat ze werkelijk verliefd werd en wilde trouwen. En nooit zou ze de kinderen laten gaan.

Ze kneep Ebenezer even in zijn hand en zei schor: ‘Ik weet het. Het is al een keer gebeurd dat iemand opeens bekoelde. Dat kon ik hem niet kwalijk nemen. Luister eens, Ebenezer, ik moet er eens rustig over nadenken. Er zitten allerlei haken en ogen aan de zaak.’

‘Denk er maar een paar dagen over na.’ Plotseling grinnikte hij. ‘Ik heb je, geloof ik, gevraagd me ook oom Ebenezer te noemen, maar ik denk dat je daar niets voor voelt, omdat je bang bent dat Paul je er dan van zal verdenken dat je je hier indringt. Noem me maar Ebenezer dan, als jij het doet voel ik me vijftig jaar jonger.’

Op de voorbank werd nog steeds druk gepraat. Paul kreeg het hele verhaal te horen over Greenchester en hun vriendjes en de school, over de muur van Hadrianus en de potscherven die ze in hun eigen tuin hadden opgegraven.

Paul was erg aardig tegen ze. Misschien zouden de komende weken toch wel meevallen.

‘Dat vind ik nu zo fantastisch van Nieuw-Zeeland,’ zei Paul. ‘Als jullie zo iets opgraven in Engeland, dan weet je dat als het Romeins is, het van het begin van de jaartelling dateert. Maar het is nog maar zo kort geleden dat de eerste Europeanen zich hier vestigden. Oom herinnert zich nog een heleboel van die mensen. Dan besef je hoe kort een mensenleven eigenlijk is'. Maar jullie zijn waarschijnlijk nog te jong om dat te beseffen.’

Ebenezer grinnikte. ‘Grootvader vertelt!’

‘Geen commentaar van de achterbank,’ zei Paul. ‘We hebben ons ook niet met jullie gesprek bemoeid. Dat moet zeker een geheim blijven, hè? Jullie zaten zo te fluisteren!’

Zou hij soms denken dat ze met zijn oom onder één hoedje speelde? Als ze zou besluiten op Corrieside te blijven, zou ze eerst eens openhartig met Paul moeten praten.

Ze daalden af naar Harvest Moon Bay en Paul wees de kinderen alles aan. Die waren opgetogen over wat ze in het donker van Corrieside konden zien. ‘Daar kun je mooi verstoppertje spelen,’ vond Edwina. Hun nieuwe familielid noemden ze om de haverklap ‘oom Ebenezer’. Het deed Thomasina wel pijn. Ze hadden het kennelijk te lang zonder familie moeten stellen.

‘Ja, al die trapjes en hoekjes zijn heerlijk als je met slecht weer binnen moet spelen. We hadden een groot gezin en er waren altijd logees. Het huis komt pas weer tot leven als mijn achterneefjes en nichtjes hier komen logeren. Nu Louisa weg is, was het de laatste tijd zo stil. Ze zingt altijd onder werk. Daar houd ik wel van.’

Louisa. Nog iemand om rekening mee te houden als ze mocht besluiten hier te blijven. Als... Twee vrouwen in één keuken, dat was er altijd één te veel. En misschien was Louisa wel iemand die de kinderen voortdurend liep te verbieden, of ze juist te veel verwende.

Tegen de tijd dat de kinderen hun eigen vleugel van het oude huis hadden bekeken en eindelijk klaar waren met wassen en tanden poetsen, was Thomasina bekaf. Ze viel onmiddellijk in slaap toen ze eenmaal in bed lag.

 

Toen ze wakker werd van het gekakel van de kippen en het fluiten van de andere vogels, wist ze eerst nauwelijks waar ze was. Er viel een schuine streep zonlicht over het bed en door het openstaande raam kwam een ziltige lucht naar binnen.

Juist toen ze bedacht dat ze maar eens een ontbijt moest gaan klaarmaken, kwamen de kinderen binnenstormen. ‘Ben je wakker? Oom Eb zei dat we je moesten laten uitslapen. We moesten gisteravond stiekem je wekker uitschakelen. Hij zei dat je wel eens een keer ontbijt op bed had verdiend. Wij zijn al uren aangekleed. Vooruit, in bed, Tom, daar komt hij aan.’

Ze keek op de wekker en zag tot haar schrik dat het al na achten was. Ze had de wekker nog wel op kwart voor zeven gezet. Wat zou Paul wel denken?

Ze hoorde Ebenezer al roepen: ‘Mag ik binnenkomen?’

Thomasina greep een blauwe peignoir van de stoel en schoot die aan. Ebenezer kwam stralend binnen met een groot dienblad.

‘Ben je al op?’ zei hij teleurgesteld. ‘Vooruit, meteen weer in bed.’ Luid en duidelijk, zodat Paul het ook kon horen als hij toevallig in de buurt was, zei Thomasina: ‘Wat verschrikkelijk dat ik me nu verslapen heb. Dat zal niet weer gebeuren, dat u me ontbijt op bed brengt.’ ‘Schei toch uit,’ zei Ebenezer. ‘Ik neem aan dat het in geen maanden gebeurd is dat iemand jou bediende. Paul en ik zorgen al voor ons eigen ontbijt zolang Louisa in het ziekenhuis ligt. Hij doet juist de afwas.’ Thomasina zei geschrokken: ‘Dat mag niet. Dat zouden wij doen! Edwina, ga naar hem toe en zeg dat hij er onmiddellijk mee ophoudt.’ ‘Kalm aan, kind, ontspan je toch eens.’ Hij stopte haar een kussen in de rug en joeg de kinderen de kamer uit.

Door een waas van tranen staarde Thomasina naar het dienblad. Aan alles was gedacht, er lag zelfs een geborduurd kleedje op. Niet te geloven, en dat in een mannenhuishouding. Ze begon zich een beetje overbodig te voelen.

Gekleed in een lange broek en een truitje kwam ze even later aandraven, klaar om aan de slag te gaan. Paul moest niet denken dat ze van plan was hier maar wat rond te lummelen.

Maar hij was nergens te zien en de kinderen ook niet. Ebenezer zei: ‘Ze zijn met Paul mee de schapen langs. Ik help je hier vanmorgen wel een handje. Morgen komt Peggy Bancroft weer, dan doet ze de was en stofzuigt het hele huis.’

‘Ik vind het aardig van u om de kinderen weg te sturen,’ zei Thomasina, ‘maar denkt u niet dat Paul liever alleen is? Kinderen houden je soms zo van het werk. ’

‘Hij heeft het zelf voorgesteld. Hij is er wel aan gewend, de kinderen van zijn zuster komen hier ook altijd in de vakantie.’

‘Dan denkt hij zeker dat ik meer werk kan verzetten en me hier nuttig kan maken.’

Ebenezer grinnikte. ‘Kind, trek je van Paul toch niets aan. Het kwam wat ongelukkig uit gisteren, dat jij er net aankwam toen hij ruzie maakte met Ilena. Ik bedoel, het was vervelend voor jou. Ik ben blij dat hij nu van Ilena af is.’

Thomasina keek ernstig. ‘Ebenezer, voor jou doet het er niet toe, want niemand verdenkt jou van hebzucht of zo iets. Ik heb die brief niet gekregen, maar ik neem aan dat je ons aanbood hier te komen wonen en ons een deel van de nalatenschap hebt beloofd, is dat zo? Neem me niet kwalijk dat ik het zo op de man af zeg, maar ik moet wel. Dan weet ik tenminste waar Paul eigenlijk denkt dat ik op uit ben.’

‘Ja, dat was het wel. Dat geeft toch niet? Je bent toch familie van me?’ ‘Ja, maar dat is niet eerlijk tegenover de andere familieleden, die staan je immers veel nader? Dat zijn rechtstreekse afstammelingen van Thomas. Die zullen het mij en de kinderen vast kwalijk nemen. Voor Matthew en Edwina zou ik het ook verschrikkelijk vinden. Ze verwachten natuurlijk allemaal iets te zullen erven. Er wordt zo vaak ruzie gemaakt over een erfenis, ik wil niet dat er ruzie ontstaat over ons.’ Ebenezer nam haar goedkeurend op. ‘Kind, ik heb mensenkennis genoeg. Je hebt alle mogelijke moeite gedaan het me uit mijn hoofd te praten. Genoeg om me ervan te overtuigen dat je hier niet met boze bedoelingen bent gekomen.’

‘Maar zullen de anderen er ook zo over denken?’

‘Ja, als ze je leren kennen wel. We hebben binnenkort een familiereünie.’

Ze beet op haar lip. ‘U ziet het allemaal door een roze bril. U denkt er alleen maar aan dat ik afstam van de geliefde van Thomas, dat ik naar hem genoemd ben en op zwart zaad zit. Maar zo krap heb ik het nu ook weer niet. We redden ons best. Ik heb het gevoel dat we gewoon in Northumberland horen en op eigen benen moeten staan. Het is fijn voor de kinderen dat we deze reis hebben kunnen maken, dan weten ze dat het leven niet enkel bestaat uit verdriet en narigheid en dat er ook nog wonderen kunnen gebeuren.’

Plotseling stond Ebenezer op, pakte haar bij de arm en nam haar mee, de zitkamer door naar de veranda, vanwaar ze een schitterend uitzicht hadden op de baai.

‘Wonderen hoeven niet van voorbijgaande aard te zijn. Zou je je broertje en zusje dit willen ontzeggen, alleen vanwege je eigen trots en onafhankelijkheid. Dit alles en bovendien de veilige haven van een familie. Zou je het om hunnentwil niet willen proberen?’ Nuchter liet hij erop volgen: ‘Dus jij denkt dat ze allemaal op een deel van de erfenis rekenen?’

Ze knikte. ‘Er zou een heleboel narigheid uit voort kunnen komen.’

‘Kijk daar eens ...’ Hij wees in de richting van de weg aan de overzijde van de haven. ‘Zie je dat groepje bomen daar op die heuvel? Die schoorstenen die je daar ziet, dat is de boerderij van de jonge Ned, de zoon van mijn broer Ned. Toen zijn vader trouwde, waren mijn ouders er nog niet aan toe dit huis te verlaten. Dat hebben ze ook nooit gedaan. Mijn vader betaalde hem zijn kindsdeel uit. Zijn zoons hebben boerderij en er vlakbij, groter en welvarender dan deze. De meisjes kregen hun deel toen ze trouwden. Het lijkt misschien net of ik het meest heb gekregen, maar dat is niet waar. Ik kreeg een zeker aandeel in de boerderij en moest over de rest een hypotheek opnemen. Op die manier was mijn vader in staat de anderen hun deel in geld uit te betalen. Jij zult ook wel weten dat de waarde van een boerenbedrijf voornamelijk is gelegen in de grond. O, ik was nog goed af, hoor, en toen ik met Georgiana trouwde zijn wij in de vleugel getrokken waar jij nu logeert. Moeder zei dat zij daar zouden gaan wonen als we kinderen kregen, maar die kwamen niet.’

‘Toen Georgiana’s jongere zuster met haar man hier twaalf jaar geleden naar toekwam, kwam Paul bij ons in huis. Toen ik zag hoe hij zich ontwikkelde, besloot ik een deel aan hem over te dragen. Georgiana stond erop dat ik elk van mijn eigen nichten en neven een bedrag aan geld gaf zodat ze nooit afgunstig op hem zouden hoeven te zijn.

Natuurlijk hadden ze ook al geprofiteerd van het geld dat mijn vader hun ouders had gegeven. Ik ben niet van plan te wachten met het weggeven van mijn eigendommen tot ik de pijp aan Maarten geef. Ze waren er dolblij mee. Dus je hoeft niet bang te zijn dat zij je iets kwalijk zullen nemen. Hun kan het niets schelen. Ze hebben meer dan hun portie gehad.’

‘Dan blijft dus alleen Paul nog over om zich tekort gedaan te voelen,’ zei Thomasina.

Ebenezer zei eerst niets, blijkbaar zat hij er zelf ook een beetje mee in. Toen zei hij: ‘Ik weet zeker dat hij er niet lang over zal blijven tobben. Hij zal je waarschijnlijk nog dankbaar zijn ook, omdat jij er indirect de oorzaak van bent dat hij op tijd achter Ilena’s hebzucht is gekomen.’

‘Wie is er nu dankbaar omdat iemand per ongeluk zijn illusies verstoort?’ zei Thomasina. ‘Ik zou juist denken dat hij extra redenen heeft om wrok jegens mij te koesteren. Ilena heeft natuurlijk gedacht dat Paul de enige erfgenaam zou zijn. Ik snap best dat ze het dan geen leuk idee vindt dat er van de andere kant van de aardbol een onbekende nicht komt opdraven die in de erfenis moet delen. Ik denk dat het allemaal wel weer goed komt tussen die twee.’

‘De hemel sta me bij,’ zei Ebenezer.

Thomasina probeerde het nog een keer, hoewel ze zelf niet begreep waarom ze zich zo druk maakte over Pauls liefdesleven. ‘Ebenezer, ook al mag jij Ilena blijkbaar niet, daarom kan ze voor Paul nog wel een goede vrouw zijn.’

‘Je bent een beste meid,’ zei Ebenezer. ‘Niet iedereen is zo verdraagzaam op die leeftijd. Ze had je het leven behoorlijk zuur kunnen maken, maar nu niet meer. Ze is te hard van stapel gelopen en nu heeft Paul genoeg van haar. Net goed. Ze is niet verliefd op hem, alleen op zijn vooruitzichten. Ik weet zeker dat ze me onmiddellijk de deur uit zou gooien als ze met Paul trouwde. Ze zou wel zorgen dat de grond me te heet onder de voeten werd. Sedert ze bij de Martensens in huis woont, heeft ze hen geringeloord. Het is een akelig mens. Ik zou niet graag willen dat een man als Paul trouwde met iemand die zo onbeschaafd is. ’

Verbaasd zei Thomasina: ‘Ik kwam haar op straat tegen, toen ze Paul achterna reed. Ze leek me helemaal niet onbeschaafd. Ik zou juist zeggen dat ze er uitzag als iemand van goede komaf.’

Hij knikte. ‘Dat dachten wij eerst ook. Aardige stem als ze niet kwaad is, een prachtige amazone. En knap is ze zeker. Maar ze heeft absoluut geen gevoel. Er zijn nog andere manieren waarop een mens onbeschaafd kan zijn dan alleen door ordinaire praatjes of een harde stem.’ ‘Ik moet eens aan het werk,’ zei Thomasina. ‘Zeg eens, wil je liever tussen de middag warm eten, of ’s avonds?’

‘Warm eten doe ik liever ’s avonds. Dat is prettiger als je ’s middags nog moet werken. Ik zal je wijzen waar alles staat. We wonen wel dicht bij het dorp maar we kopen altijd in het groot in. Er zit genoeg in de diepvrieskist, daar heeft Louisa wel voor gezorgd voor ze naar het ziekenhuis ging. Er zitten ook van die broodjes en zo in, die je maar hoeft te laten ontdooien en dan zo in de oven kunt zetten.’

‘O, ik bak zelf wel wat, dan laat ik die dingen liggen voor als ze het zelf weer overneemt, tegen de tijd dat wij weggaan.’ Haastig liet ze er op volgen: ‘Nee, Ebenezer, daar praten we niet meer over. Ik heb beloofd dat ik er over na zou denken, en voorlopig wil ik niet dat iemand er van uitgaat dat we blijven, zeker niet als Paul er bij is.’ Ebenezer had er blijkbaar nooit van gehoord dat een vrouw de keuken graag voor zichzelf heeft en dat ze liever niet heeft dat er iemand tegen haar praat als ze uitrekent hoeveel ze nodig heeft voor een maaltijd, maar Thomasina besefte dat hij zijn vrouw en Louisa miste. Wonder boven wonder zag ze kans al zijn vragen over Bessie en Edwin te beantwoorden en toch aan alle ingrediënten te denken. De broodjes kwamen bruin en geurig uit de oven.

‘Ik heb tegen Paul gezegd dat hij de kinderen op de gevaarlijke plekken moet wijzen. Het zijn er wel niet zoveel, want de beekjes zijn bijvoorbeeld allemaal heel ondiep. Ze mogen ook niet alleen naar het strand gaan om te zwemmen. Ik zal het hen zeggen, hoewel het er nu toch nog te koud voor is. Zwemmen kun je hier pas in november.’ Thomasina had binnenpret. Ze doorzag hem volkomen. Hij probeerde haar door dat soort opmerkingen te laten wennen aan het idee dat ze hier zou blijven. Ze mocht wel oppassen dat ze niet net zo ging praten. Stel je voor dat ze, waar Paul bij was, zou zeggen dat ze zich er al op verheugde te gaan zwemmen of de rozen te zien bloeien!

Ze hoorden de stemmen van de kinderen en toen die van Paul die brulde: ‘Ga eruit! Je hebt al genoeg schade aangericht! Vort! Ik stop je straks wel in de tobbe.’

Ze holden naar de veranda aan de achterkant en zagen tot hun stomme verbazing dat Paul en de kinderen van top tot teen waren bedekt met zwarte modder! Ze kwamen de tuin in en waren blijkbaar op weg naar het schuurtje in de hoek.

Thomasina kreunde: ‘Wat heb ik je gezegd: Matthew natuurlijk. Maar hoe kan het nu dat ze alle drie vuil zijn?’

Ze draaiden zich alle drie tegelijk om en zagen er van voren nog afschuwelijker uit dan van achteren. Matthew zei verontwaardigd: ‘Dat was ik niet. Hij heeft het gedaan.’ Hij gaf Paul een por.

Ebenezer brulde van het lachen. ‘Paul wat heb je in vredesnaam uitgespookt? Ik dacht dat je zou zorgen dat hun niets overkwam.’

De modder liep Paul over het gezicht. Hij wrong zijn haar uit. ‘Ik heb ze pardoes in de modder geduwd,’ zei hij, ‘en daarna viel ik er zelf ook nog in.'

‘Wat bedoel je in vredesnaam?’

‘Ach, die stomme Shep duwde mij van achteren. We stonden op de springplank. Er staat praktisch geen water meer in de poel. Ik wou het ze laten zien. Ik had het poortje achter me dichtgedaan, maar Shep sprong over het hek en kwam iets te ver op de springplank terecht. Hij kwam van achteren tegen mijn benen aan, dus ik verloor mijn evenwicht, de kinderen vielen erin en ik boven op hen. We vielen er voorover in en dat ellendige beest viel over ons heen. Hij vond het best leuk, hij sprong op en neer van pret. Wat was ik nijdig! Ik ben bang dat de kinderen wel een paar nieuwe woorden hebben geleerd.’

Edwina zei vol bewondering: ‘O, al die woorden kennen we al, maar wij mogen ze niet gebruiken. We vonden het anders best leuk Paul zo bezig te horen.'

‘Zo is het wel genoeg,’ zei Paul. ‘Je zuster zal wel niet zo best over me te spreken zijn. We durfden niet in de Landrover te klimmen. Maar goed dat het dicht bij huis was, We gaan wel douchen in de schuur met de kleren aan, en als de ergste rommel er af is doen we het om de beurt nog een keer over.’

‘Waag het niet,’ zei Ebenezer, die amper kon praten van het lachen. ‘Dan raakt de afvoer verstopt. Blijf staan waar je nu staat, dan zet ik de tuinslang er wel op.’ Hij liep op een holletje naar de groene plastic slang die aan een buitenkraan was bevestigd. ‘Blijf daar maar op de klinkers staan. Dan loopt het water mooi achter jullie de trap af.’ Thomasina moest zich aan een van de palen van de waslijn vasthouden van het lachen.

‘Ik denk dat Edwina’s haar nooit meer helemaal dezelfde kleur krijgt als vroeger,’ zei ze.

Ebenezer trok een gezicht als een ondeugende schooljongen en genoot ervan dat hij Paul eens de volle laag kon geven. Met de kinderen was hij veel voorzichtiger, vooral met Edwina. Zij en Matthew rolden bijna om van de pret. Achter hen klepte een poortje en er klonken voetstappen. Ze draaiden zich om. Er kwam een elegante verschijning aan in een blauw broekpak.

Thomasina dankte de hemel dat het Ilena niet was. Deze vrouw moest iets ouder zijn. Ze had nogal geprononceerde jukbeenderen en een gevoelige mond. Ze schoot meteen in de lach. Paul holde naar de kraan en draaide die dicht.

De onbekende zei: ‘O, was het soms niet voor de grap? Ik heb nog nooit zo iets meegemaakt. Hoe bestaat het dat iemand in de droogste september sinds jaren zo’n nat pak oploopt?’

Er was geen tijd voor een officiële kennismaking. Paul begon mokkend de zaak uit te leggen, maar zijn oom zei: ‘Je kunt het geloven of niet, Elizabeth, maar Shep heeft hen alle drie in het zwembad geduwd, of wat er dan nog van over is. Van de springplank af. Paul wees de kinderen de plaatsen waar ze goed moesten uitkijken. Moet je ze nu eens zien! Elizabeth, als ik met ze klaar ben moet jij maar zien hoe je ze in de douche krijgt.’

Ze zwaaide met een potlood en een bloknoot. ‘Doe maar kalm aan, ik heb tijd genoeg. Ik heb de kinderen bij Innis achtergelaten. Drusilla vertelde ons dat je verloren gewaande familieleden waren gearriveerd, en Jeremy zei dat ik vanmorgen maar naar jullie toe moest en dat hij zou proberen vanmiddag een fotograaf te sturen.’

Thomasina staarde haar geschrokken aan. Stel je voor dat Ilena dan opnieuw begon!

Elizabeth zag het niet of begreep het niet. Ze zei: ‘Mijn man, Jeremy Foulkes, is redacteur van de krant waar dat artikel in stond dat je hebt gelezen. Ik deed vroeger de vrouwenpagina. Maar we zijn hier gaan wonen vanwege de kinderen. Het is vlakbij Christchurch.’ Ze lag dubbel toen ze weer naar Paul keek. ‘Was die fotograaf maar vast hier, het zou de foto van het jaar worden!’

Dreigend zei Paul: ‘Als je ook maar een woord hierover loslaat in dat artikel, dan breng ik je om. Oom Eb, schiet in vredesnaam op met die tuinslang.’

Tegen Thomasina zei Elizabeth: ‘Wat geweldig! Kijk Ebenezer toch eens, hij ziet er als herboren uit. Dus jij bent Thomasina, die genoemd is naar Ebs vader. Wat jammer dat Jeremy er niet bij is.’

De meeste blubber was inmiddels verdwenen, maar ze zagen er alle drie afschuwelijk uit, met druipnatte haren en plakkende kleren. Paul zei: ‘Dames gaan voor. Hup, Edwina, en schiet een beetje op.’ Maar Thomasina liep vlug naar het kind toe. ‘Niks hoor, dat wordt daar nog een enorme smeerboel. Draai je maar om en kleed je uit. Matt, als zij klaar is doe jij hetzelfde.’

‘Maar ik niet,’ zei Paul vlug. ‘Er zijn grenzen.’

‘Zijn er handdoeken in de schuur?’ vroeg Thomasina.

‘Ja, van die harde legerhanddoeken. Daar ga je zo lekker van gloeien!’

‘Ebenezer,’ zei ze, ‘zou jij even naar Edwina's kamer willen gaan en een paar kleren pakken? Het doet er niet toe wat. Ondergoed en een bloesje en een broek. En voor Matt ook. Anders moet Paul zo lang wachten. Hij staat er toch al bij als een verzopen kat.’

‘Dat vind ik niet aardig,’ zei Paul, ‘en ik heb het toch al zo moeilijk. Matt, we doen wat oefeningen om warm te blijven. Dat water was ijskoud.’

Thomasina verdween met een blote Edwina, die er wel voor zorgde dat ze haar alleen van achteren konden zien. Even later genoot ze van haar warme douche. Toen er geen spoor van modder meer in het goudblonde haar te bekennen viel, wikkelde Thomasina haar in een handdoek, droeg haar naar het aangrenzende vertrek en riep Matthew. Elizabeth bracht de kleren van het kind. Paul kwam aanlopen en riep tegen Matt dat hij moest opschieten. Hij begon alvast zijn druipnatte overhemd uit te trekken. Toen Thomasina met het meisje vertrok, riep ze over haar schouder: ‘De warme broodjes staan klaar en ik ga meteen thee zetten.’

Elizabeth zei: ‘Het lijkt warempel nu al of jullie een gelukkig gezinnetje vormen.’

Thomasina ving Pauls blik op. Hij trok een verbaasd gezicht. ‘Misschien,’ zei hij, ‘maar verdwijnen jullie nou maar. Ik doe mijn broek uit. Kom eruit, Matt!’

Plotseling had Thomasina het gevoel dat Paul Richmond helemaal niet zo vijandig tegenover hun verblijf hier stond als ze had gedacht. Hij had in elk geval gevoel voor humor.

Onder dergelijke omstandigheden was er geen plaats voor formaliteiten. Thomasina had het gevoel dat ze Elizabeth Foulkes al jaren kende, vooral omdat ze in Engeland al twee romans van haar had gelezen en de avond tevoren begonnen was aan de derde, voordat de slaap haar overmande.

Tegen de tijd dat ze thee had gezet en Elizabeth frambozenjam op de broodjes had gesmeerd, zei Thomasina plotseling: ‘Je bent natuurlijk jonger, maar je doet me erg denken aan Madeline, mijn stiefmoeder. Ik mis haar erg. We waren bijna zusje voor elkaar. Ze was maar tien jaar ouder dan ik.’

Elizabeth lachte. ‘Ik ben ook een stiefmoeder, dat is dan zeker aan me te zien. Ik heb een stiefzoon van achttien, Roddy. We kunnen geweldig met elkaar opschieten. Hij houdt van dezelfde dingen als ik, naar vogels kijken, wandelen, planten verzamelen, dat soort dingen. Hij wordt vast nog eens een beroemd botanicus. En Jeremy en ik hebben een tweeling, een jongen en een meisje. Dat moest ook wel, want Jeremy wilde dolgraag een dochter en ik wilde een jongen voor Rod. Ze zijn pas zes, maar ze zijn dikke vriendjes met hun halfbroer. Ik snap niet waar Rod het geduld vandaan haalt, want in de vakanties lopen ze hem overal achterna. Het zijn rakkers. Rosamund loopt altijd in een broek rond, net als Tony.’

‘Ik dacht dat het hier de gewoonte was de kinderen Bijbelse namen te geven.’

‘Als tweede naam hebben ze dan ook een naam uit de bijbel. Rosamund Mary en Anthony Daniël. Maar onze familie komt hier oorspronkelijk niet vandaan. Een oude Engelse vriend van mij erfde Cherrington Lodge van Miss Janet Cherrington. Rebecca Janet, zo heette ze voluit. Mijn vriend ging met zijn dochter in Engeland wonen en liet de Lodge aan mij over, op voorwaarde dat ik mijn werk bij de Argus eraan gaf en me wijdde aan het schrijven van romans. Jeremy was weduwnaar en ik heb Rod voor hem verpleegd toen die iets aan zijn been had. Toen we trouwden zijn we hier blijven wonen. Als je eenmaal in Harvest Moon Bay hebt gewoond, wil je nooit meer weg. Met nicht Louisa ging het net zo.’

‘Nicht Louisa is eigenlijk geen familie van ons,’ zei Ebenezer. ‘Het is een aangetrouwde nicht van Elizabeth. Ze heeft een poosje de huishouding gedaan voor Elizabeth, is toen naar de stad teruggegaan maar kon er haar draai niet vinden. Na de dood van Georgiana is ze hier gekomen.’

Elizabeth ving Thomasina’s belangstellende blik op en zei: ‘Ze kan goed met kinderen opschieten. Erg oud is ze ook nog niet. Onze Rod was een erg teruggetrokken kind, met hem heeft ze wonderen verricht. Ze gaan nog vaak samen wandelen in de vakantie.’

De anderen kwamen uitgehongerd binnen. Elizabeth maakte maar weinig aantekeningen.

‘Ik ben hier in gedachten al wekenlang mee bezig, omdat Ebenezer had verteld dat hij je liet overkomen. Drusilla zei dat je een prijsvraag had gewonnen, en dat je hier totaal onverwacht kwam binnenvallen. Vertel eens, hoe ging dat eigenlijk?’

Matthew zei verbaasd: ‘Ja zeg, dat heb je ons eigenlijk nooit verteld.

Hoe ging dat? Wist oom Eb meteen wie je was? Of... Maar waarom kijk je nu zo vreemd?’

Ze keken haar allemaal aan en Thomasina voelde dat ze vuurrood werd. Gelukkig nam Paul het van haar over. ‘Ze kwam binnendoor en ze was al halverwege de trap toen ik haar in de gaten kreeg. Ik was in de stal. Natuurlijk ging ik er meteen op af, toen ik die onbekende schone zag. Ik wist niet wat ik hoorde, toen ze zei dat ze mijn aangetrouwde nicht in de tweede graad was. Of is het de derde? Ik nam haar mee terug naar de stal, waar oom Eb op zolder op zoek was naar eieren van Sukey. Hij had genoeg gehoord om wel te kunnen nagaan wie ze was. We hebben meteen de rode loper uitgelegd.’

Zijn bruine ogen keken haar ondeugend aan. Thomasina moest zich inhouden om niet in lachen uit te barsten.

‘Dat zullen ze bij de Argus geweldig vinden,’ zei Elizabeth, ‘dat hun serie tot gevolg heeft gehad dat jij nu hier bent. We plaatsen er een paar foto’s bij en kunnen besluiten met de mededeling dat de drie verweesde nakomelingen van de heldin van het verhaal nu op de boerderij wonen.’ ‘Niet wonen, logeren,’ verbeterde Thomasina. ‘We gaan weer terug.’ Diep teleurgesteld zei Elizabeth: ‘En ik dacht dat jullie huis in Greenchester moest worden afgebroken. Dit leek me zo’n mooie oplossing. Ebenezer kwam met je brief naar me toe. Nou ja, het is mijn zaak niet, maar als journaliste houd ik van een verhaal met een mooie afloop. Maar natuurlijk, jullie bezoek hier is ook al heel mooi.’

Thomasina keek naar Paul. Zijn blik was ondoorgrondelijk. De kinderen waren opeens erg stil en hun gezichten stonden strak.

Matthew stond op. ‘Wij mogen wel weg, hè? Kom, Edwina, we gaan naar buiten.’ Neerslachtig sjokten ze achter elkaar aan de keuken uit.

Thomasina kreeg het even te kwaad. Boos was ze ook, want als die man met die zware wenkbrauwen er niet was geweest, zou ze dolgraag hier zijn gebleven.

Ze zag Elizabeth Foulkes en Paul een hele tijd met elkaar staan praten bij de stallen. Misschien vertelde hij haar nu wel dat het allemaal niet zo idyllisch was als het eruitzag, deze logeerpartij.