HOOFDSTUK 5

 

 

 

Een uur later belde Elizabeth op dat de fotograaf voorlopig niet kon komen. Thomasina vond het best dat het artikel wat later zou verschijnen. Ze had genoeg te doen.

Het viel niet mee plotseling een vreemde huishouding te moeten drijven, zonder precies te weten waar iedereen van hield. Paul had vermoedelijk gedacht dat ze thuis haastig een hap aten met hun bordje op schoot en de hele tafel vol naslagwerken en papieren. Maar haar vader had thuis altijd kantooruren aangehouden en Maddy was ook gesteld geweest op regelmaat. Thomasina had het gevoel dat ze voor Paul een soort proeftijd doormaakte.

Peggy Bancroft was een juweel. Ze praatte aan één stuk door, maar pakte ondertussen flink aan. Ze verdiende graag wat bij. ‘Naaien kan ik niet, dus dan ga ik uit werken en koop mijn kleren kant en klaar.’ Haar man, Josh, vond het niet erg dat ze niet kon naaien, vertelde ze. ‘Zijn moeder en zijn vier zusters konden het erg goed, maar Josh vond het vreselijk dat de kamer altijd vol rommel lag. Je kon er nooit eens op je blote voeten lopen en die ellendige machine stoorde bovendien de televisie. Ik vind het leuk mijn eigen geld te verdienen, en ik kom hier trouwens graag.’

‘Wat vind je hier dan het leukst, Peggy? Het huis zelf, of de portretten?’

‘Ja, die ook, maar vooral de boeken. Die zien er zo beduimeld uit, je kunt zien dat er veel in gelezen is. Daar hou ik van. Ebenezer vindt het best dat ik na mijn werk een uurtje blijf zitten lezen. Hij heeft ook boeken voor mij gekocht, en ik leg elke maand wat van mijn geld opzij om er nog meer te kunnen kopen. Ik vraag wel eens, wie er bepaalde passages heeft onderstreept. Maar dat weet Eb ook niet altijd, want er zijn ook tweedehands boeken bij. Moet je zien, Anna heeft vroeger een gedicht onderstreept dat ik ook zo mooi vindt.’

Ze zocht het op en liet het Thomasina lezen. Die zei met een stralend gezicht: ‘Wat doe je me daar een plezier mee. Over dat soort dingen kon ik vroeger altijd met vader en Maddy praten. Dat heb ik daarna vreselijk gemist.’

‘Dan ben je hier aan het goede adres,’ zei Peggy. ‘Mr. Eb en zijn neef houden er ook van hardop te lezen. Als ik zoiets lees, wat mensen vroeger mooi hebben gevonden, dan krijg ik het gevoel alsof ze niet zo erg dood zijn. Alsof ik ze ken. Heb jij dat gevoel ook wel eens, Thomasina? Alsof je mensen kent die lang voor jou hebben geleefd?’

‘Nou en of. Vooral sinds ik hier ben.’

Peggy nam nog een stukje cake en zei: ‘Vraag je je ooit af hoe het gegaan zou zijn als Elizabeth Temple Watson Thomas eerder had ontmoet en mee hier naar toe was gekomen?’

‘Nee, eigenlijk niet,’ zei Thomasina. ‘Als ik naar het portret van Anna Swainson kijk, denk ik: die vrouw was veel sterker dan mijn eigen overgrootmoeder. Toch is ze even knap. Ik denk dat zij wel mee was gegaan naar Canada. Dan zou Edwin misschien niet al op zijn vierenveertigste aan astma zijn overleden. Ik hoop maar dat Anna nooit het gevoel heeft gehad dat ze maar tweede keus was.’

‘Anna moet een flink mens zijn geweest. Lichamelijk ook. Ik heb de karn gezien die zij altijd gebruikt heeft. Daar was wel spierkracht voor nodig, vooral als het heet was. En dan al die kleden die ze heeft gemaakt en de dekens, en de bomen die ze heeft geplant. Ze pekelde vlees en ze witte en plakte behang op de muren. Ik hoop maar dat Thomas het op prijs heeft gesteld.’

In de deuropening zei iemand: ‘Maak je daar maar geen zorgen over, Thomasina. Hij stelde het wel degelijk op prijs.’ Paul!

Ze keken hem allebei verbaasd aan. ‘Hoe weet jij dat?’ vroeg Peggy.

Paul keek Thomasina aan. ‘Omdat het je zo interesseert zal ik oom Eb vragen je haar dagboeken te laten lezen. Dan kun je zelf zien hoe gelukkig ze waren samen. Oom Eb heeft zeker gedacht dat het verhaal minder romantisch zou lijken, als bleek dat Thomas later zo gelukkig getrouwd was geweest. Anna Cherrington, daar liepen alle jongens hier in de buurt achteraan. Thomas bofte dat ze hem nam. En ze was een Cherrington, dat waren allemaal vrolijke mensen. Thomas vond dat hij te oud was voor haar, maar zij had juist liever een oudere man, zei ze.’

Peggy zuchtte voldaan. ‘Dus een happy ending vind je niet alleen in boeken. Maar nu moet ik weg, anders krijg ik ruzie met mijn man. Tot overmorgen, Thomasina, en laat in vredesnaam ook wat werk voor mij over. Mr. Eb vindt dat je vakantie hebt.’

Toen was Thomasina alleen met Paul. Ze schonk hem thee in. Toen hij haar vanonder zijn ruige wenkbrauwen zat aan te staren zei ze: ‘Wat is er, Paul? Je ziet eruit als iemand die wat wil zeggen en niet weet hoe hij moet beginnen.’

Hij glimlachte. ‘Ik ... eh ... ik vond het leuk dat je je zorgen maakte over Anna. Dat vond ik nu echt sympathiek.’

Thomasina knipperde met haar ogen. Het kwam ook zo onverwachts. Ze begon te blozen en wist zich even geen houding te geven. Toen begon ze te lachen: ‘Nu weet ik niet wat ik zeggen moet. Ruzie maken gaat ons zeker beter af. Maar het spreekt toch vanzelf dat ik aan Anna denk? Dat andere was niet meer dan een kortstondige idylle. Maar Thomas en Anna hebben vijftig jaar samengeleefd en het moeten bijzonder aardige mensen zijn geweest, dat ze een zoon als Ebenezer hebben grootgebracht en een kleinzoon als Ned. De rest heb ik nog niet ontmoet, maar ze schijnen allemaal erg aan elkaar te hangen. En Ebenezer zegt dat de jongste generatie precies zo is, nooit jaloers op elkaar of zo.’

Ze zweeg geschrokken.

Scherp zei Paul: ‘Waarom zouden ze dan jaloers moeten zijn? Wat bedoel je eigenlijk precies?’

‘Ik bedoel de neven en nichten van Ebenezer en hun kinderen. Die komen hier immers ook altijd in de vakantie?’

‘Je bedoelt iets heel anders,’ zei hij met gefronste wenkbrauwen. ‘Je zei ‘jaloers’. Wat bedoel je eigenlijk? En hoe weet je dat?’

Ze zocht naar woorden en dat maakte hem argwanend. ‘Ebenezer zei dat ze helemaal niet zaten te wachten op hun deel van de erfenis. Dat dacht ik namelijk. Ik bedoel, Thomas was tenslotte hun voorvader Hij stond op. ‘Hou maar op. Ik weet precies wat je bedoelt. Je hebt hem uitgehoord. Ik ben blij dat ik met je heb gepraat. Nu weet ik tenminste waar ik aan toe ben. Ik begon je net een beetje aardig te vinden. Wat een sentimentele sufferd ben ik toch! Je bent geen haar beter dan Ilena, je weet het alleen beter te verbergen. En maar lekkere ouderwetse hapjes klaarmaken voor oom Eb!’ Hij stiet een soort gegrom uit, liep de kamer uit en gooide de deur met een klap achter zich in het slot.

Deftig sekonden duurde het eer Thomasina hem achterna kwam. Ze vloog de gang door, de trap op en kwam net de hoek om toen hij de deur van zijn eigen kamer ook met een klap dichtgooide.

Ze aarzelde geen ogenblik. Ze smeet de deur open met zoveel kracht dat er een stoel omviel. Ze zette de handen in de zij. Haar ogen fonkelden, haar mond was vertrokken tot een smalle streep.

Hij draaide zich om. ‘Waag je het mijn kamer binnen te komen? Waar haal je in vredesnaam het lef vandaan?’

Natuurlijk zei ze toen weer dingen die ze niet had willen zeggen. ‘Doe niet zo idioot! Je lijkt wel een ouwe vrijster uit de Victoriaanse tijd! Je lijkt je oudtante Tabitha wel!’

‘Waar heb je het in vredesnaam over? Ik heb geen oudtante Tabitha! ’ ‘O nee? Nou, als je een oudtante had, moet ze zo geheten hebben. Zo eentje met een korset aan en een stijf kraagje. Ik zal je zeggen waarom ik het waag in je kamer te komen! Omdat het geen pas geeft mensen ergens van te beschuldigen en ze dan niet de kans te geven zich te verdedigen. Zo iets neem ik niet!’

Hij keek haar beteuterd aan. ‘Heb je er dan iets tegen in te brengen?’ ‘Ja, natuurlijk. En als je nu niet naar me luistert, zeg ik tegen Ebenezer dat ik geen dag langer hier in huis blijf! En als ik uitgepraat ben, neem ik geen genoegen met zo’n halfzachte verontschuldiging als de vorige keer. Dan verwacht ik van je dat je voor me in het stof zult kruipen! Heb je dat gehoord? In het stof!’

‘Dat haalt je de koekoek! Tegen mij zeggen dat ze niet jaloers op me zijn, hoewel ik maar een aangetrouwde neef ben. Daar kwam het toch op neer?’

‘Daar kwam het niet op neer. En nu hou je je mond en laat mij uitpraten. En denk er om dat ik dat niet met stemverheffing wens te doen!’

‘Dus je wilt niet langer schreeuwen? Dat is een hele opluchting.’

‘Wees blij dat ik begon te schreeuwen,’ siste ze hem toe, vuurrood van drift. ‘Anders had ik van opgekropte woede nog een beroerte gekregen. Als iemand me krenkt zoals jij hebt gedaan, dan moet ik stoom afblazen. En nou stil!’

Ze wierp haar haren naar achteren en zei: ‘Ik heb niet gevraagd of Ebenezers neven en nichten jaloers waren op jou! Ebenezer wil me hier houden. Toen heb ik gezegd dat ik het niet eerlijk vond tegenover zijn andere familieleden als ik dat deed en als Ebenezer de andere helft van zijn eigendommen aan mij vermaakte. Ik vond dat die andere helft onder de anderen verdeeld hoorde te worden en dat mij die niet toekwam. Je moet me geloven. Jij schijnt te denken dat iedereen die zo’n aanbod krijgt, het onmiddellijk met beide handen aangrijpt. Maar dat is niets voor mij. Ik wil hier niet blijven met de gedachte aan een nalatenschap. Je oom praat er heel nuchter over en hij weet niet dat ik daar niet goed tegen kan. Ik wil helemaal niets erven, van wie dan ook. Ik ben veel te veel gesteld op mijn onafhankelijkheid.

‘Ik zou heel veel van Ebenezer kunnen houden, als een soort grootvaderfiguur. Maar ik wens hem niet te beschouwen als mijn weldoener. O, als Louisa niet meer terug had kunnen komen, had ik best de huishouding op me willen nemen. Maar ik wens niet opgenomen te worden in de familie en te teren op de overvloed hier. Ik wens niet verplicht te zijn tot dankbaarheid. Ik neem de kinderen weer mee naar Engeland. Daar horen we thuis, ook al moeten we in het vervolg in de stad leven en nog zuiniger zijn dan in Greenchester. Dat is voor de kinderen uiteindelijk beter dan dat jij ze voortdurend laat merken dat je vindt dat hun zuster bezig is haar bedje te spreiden. Omdat Ebenezer zo aanhield heb ik gezegd dat de anderen jaloers zouden zijn. Ik stel hem niet graag teleur, maar wat ik in dat geval van jou te verduren krijg, kan ik niet verdragen. Daarom gaan we weg. Ben je nu tevreden, Paul Richmond?’

Ergens in het huis ging een deur open en dicht. Ze verstrakten allebei. Toen kwam er iemand de trap op. Ze hoorden Ebenezer roepen: ‘Thomasina, waar ben je?’,

Ze kon zich niet meer uit de voeten maken. Pauls kamer was te dicht bij de trap. Ze bleven als aan de grond genageld staan. Toen riep Paul.

‘We zijn in mijn kamer, oom Eb.’

Ze waren allebei blij dat de deur wijd open stond, maar toch keek Ebenezer vreemd op. Hij begreep niet goed waarom ze daar zo tegenover elkaar stonden.

‘Hoe gaat het met Louisa?’ vroeg Thomasina.

‘O, best,’ zei Ebenezer, ‘maar...’

‘Ze heeft toch geen inzinking gehad?’ vroeg Paul bezorgd. Thomasina wist dat hij dol was op Mrs. Stirling, hoewel dat misschien ook wel te maken had met het feit dat Thomasina weer zou opstappen als Louisa terugkwam. Maar hij hoefde zich over haar geen zorgen te maken. Ze hadden tickets voor de terugreis en ze zou er wel voor zorgen dat die reis doorging. Hoe mooi het hier ook was, in het persoonlijke vlak was het leven hier bepaald geen rozegeur en maneschijn.

‘Nee, dat niet, maar haar dochter is overgekomen uit Auckland en die wil niet dat ze zo vlug weer aan het werk gaat hier. Die wil haar meenemen naar Auckland. Lousia wil eigenlijk niet, die wil weer hier naar toe. Maar haar dochter vindt dat ze zeker drie maanden niet mag werken. Louisa kan helemaal niet tegen die hitte daar. Maar de zuster van Elizabeth kwam later ook nog en die zei dat ze wel bij hen in huis kan komen. Evengoed zitten wij er maar mee.’

Thomasina zweeg. Dit ging alleen de beide mannen aan. Toen begon Paul te grinniken en keek Thomasina aan. ‘Ik weet een uitstekende oplossing voor u, oom. Ik vond dat u de zaak verkeerd had aangepakt, dus ik ben zelf in actie gekomen. Thomasina heeft me net beloofd dat ze niet teruggaat naar Engeland. Ze wil hier op Corrieside blijven wonen.’

Het was maar goed dat Ebenezer Paul zo strak aankeek, want Thomasina had het gevoel of iemand haar een stoot onder de gordel had toegediend. Toen Ebenezer zich omdraaide kon ze nog net haar gezicht in de plooi trekken.

Hij kwam met uitgestoken armen naar haar toe, legde zijn handen behoedzaam rond haar gezichtje en kuste haar. ‘Verstandig kind . ..’ Toen keek hij weer om naar zijn neef. ‘Slim van je, Paul. Ik had nooit gedacht dat je zoveel overredingskracht had. Ik sta perplex. Ik dacht dat je altijd onmiddellijk klaar stond om een grote mond te geven.’

‘Dat heb ik nu ook gedaan,’ zei zijn neef bescheiden. ‘Ik heb haar om zo te zeggen het mes op de keel gezet. U ziet zelf dat ze er nog beduusd van is. Sommige vrouwen moet je nu eenmaal flink aanpakken.’

Zijn oom knikte goedkeurend. ‘Als je het maar niet overdrijft, jongen. Als Thomasina net zo’n driftkop was als Ilena, zou je nog eens wat beleven.’ Ze moesten alle drie opeens weer denken aan hun eerste ontmoeting en schaterden het uit.

Thomasina werd het eerst weer ernstig. ‘Ik weet precies wat u nu denkt. Dat wordt me natuurlijk steeds opnieuw voorgehouden. Maar ik zal u één ding zeggen. Ik wil geen deel van de erfenis. Nu niet en nooit! Ik wil wel loon, maar dan minder dan Louisa kreeg, omdat wij met zijn drieën zijn. En ik blijf ook niet voorgoed. Ik blijf tot Louisa zich helemaal goed voelt. Dat moet u ook tegen haar zeggen, anders denkt ze dat ik haar van haar plaats wil verdringen. Tegen de tijd dat ze terugkomt zullen ze in Engeland wel hebben uitgemaakt hoeveel vergoeding ik krijg voor het huis. Als de kinderen in Nieuw-Zeeland willen blijven, zoek ik een baan in Christchurch en een flat. Mrs. Fairweather heeft gezegd dat ze haar huis in appartementen wil verdelen, als ze er genoeg van heeft nog langer pensiongasten te houden. Misschien kan ik daar gaan wonen. Dan kunnen we hier vaak op bezoek komen en blijf ik toch onafhankelijk. En dan kan ook niemand van me zeggen dat ik op mijn eigen voordeel uit ben.’

Vol bewondering zei Paul: ‘Ik heb altijd van onafhankelijke vrouwen gehouden. Ik wilde dat mijn oudtante Tabitha je nog had kunnen meemaken. Je zou een vrouw naar haar hart zijn geweest.’

Ebenezer staarde hem verbluft aan. ‘Je oudtante Tabitha? Daar heb ik nog nooit van gehoord.’

‘O,’ zei Paul, ‘die is ook al lang dood, God hebbe haar ziel. Merkwaardige vrouw. Het was een meisje Richmond, dus geen familie van tante Georgie.’

Thomasina hield met moeite haar lachen in. Ebenezer zei: ‘Ik ga het de kinderen vertellen. Dat mag ik wel doen, hè? Ze zijn zo lief geweest. Ik heb ze in het museum achtergelaten toen ik naar het ziekenhuis ging. Ze spelen nu buiten.’

Juist toen hij zich omdraaide om het vertrek te verlaten zei Paul langs zijn neus weg: ‘O, je kwam zeker dat jasje van mij halen waar die knoop af was, hè, Thomasina? Ik pak het even voor je. Ik mag er trouwens wel eens aan denken dat ik de deur achter me dicht doe als ik wegga. Dat is al de tweede keer dat die stoel is omgevallen.’

Toen Ebenezer ver genoeg weg was zei hij plagend: ‘Ik ben niet het type om in het stof te kruipen. Maar was het zo ook goed?’

Thomasina pakte zijn jasje aan en keek hem recht aan. Peinzend zei ze: ‘Ach, ik denk het wel. Ik denk namelijk dat je me nu gelooft. Anders bleef ik hier niet. Nog één opmerking van jou dat ik me hier indring, en ik ben vertrokken! Dus als je prijs stelt op een huishoudster de komende weken, dan gedraag je je behoorlijk. Ik blijf alleen maar als ik hier nodig ben, anders niet. Denk er om, Paul Richmond, pas op je tellen!’

Hij mocht vooral niet weten hoe opgelucht ze was bij de gedachte dat ze hier voorlopig niet weg hoefde.

Alleen vanwege de kinderen natuurlijk.

 

Toch had Thomasina het er moeilijk mee. Geld had nooit een grote rol gespeeld in haar leven. Je had het natuurlijk nodig en het was heerlijk om iets te kunnen kopen voor de kinderen. Thuis hadden ze nooit gedroomd van dure kleren of vakantie in het buitenland. Ze waren al blij als ze de tweedehandsauto konden vervangen door een betere, en als ze boeken konden kopen zonder het gevoel te hebben dat ze het geld eigenlijk beter aan de huishouding hadden kunnen besteden.

Maar nu had Thomasina toch wel graag gewild dat ze geld genoeg had gehad om een nieuw huis in Greenchester te laten bouwen. Ook al gaf je niet om geld, het was toch wel heerlijk om onafhankelijk te zijn.

Hier op Corrieside zou ze altijd het gevoel houden dat Paul en Ilena en anderen haar zouden beschouwen als een armlastig familielid. Maar mocht ze de kinderen het heerlijke leven hier afnemen? Thomasina begreep best dat je je niet al te veel gevoelens van trots kunt veroorloven als je platzak bent.

Toen het op haar salaris aankwam, hield ze voet bij stuk. Ebenezer was heel slim. Hij sprak er met haar over op kantoor, zeker om haar het gevoel te geven dat het een zakelijke kwestie was.

Toen hij vertelde wat hij Louisa betaalde, keek Thomasina hem argwanend aan. ‘Ebenezer, toe nou! Zo onnozel ben ik heus niet. Dat zeg je alleen omdat je me meer wilt betalen dan ik wil aannemen. Ik wil gewoon een huishoudsterloon, en daar moeten de kosten van levensonderhoud van de kinderen dan van worden afgetrokken.’

Hij schoot in de lach en schoof haar zijn chequeboekje toe. ‘Kijk dan zelf, meisje. Zie je wel, overgemaakt aan Louisa Stirling.’

‘Zijn de salarissen hier dan zo hoog?’ vroeg ze ongelovig.

‘Lieve kind, huishoudsters moet je met een lantaarntje zoeken. Daar moet je voor betalen. Maar Louisa is wel twee keer zoveel waard en jij ook. Jullie zijn meer dan huishoudsters, jullie bezorgen ons een thuis. Dat is een groot verschil.’

‘Maar het gaat niet alleen om u,’ zei Thomasina verdrietig. ‘We moeten ook rekening houden met Paul en Ilena. Ik was er de oorzaak van dat ze ruzie kregen.’

Achter zich hoorde ze iemand zeggen: ‘Ilena kun je vergeten. Die telt niet mee. Dat is allemaal voorbij.’

Ebenezer was niet half zo verbaasd als zij, maar die zat dan ook met zijn gezicht naar de deur gekeerd. Paul zei: ‘De veekoper is er voor de lammeren. Kunnen jullie tweeën deze interessante discussie op een ander tijdstip voortzetten, of moet dat nu uitgevochten worden? Matthew en Edwina nemen de honneurs waar.’

‘Je hebt het vast mis,’ zei Thomasina. ‘Jij denkt misschien dat alles uit is tussen jou en Ilena, maar ze draait vast wel bij.’

Er kwam een kille blik in Pauls ogen. ‘Natuurlijk draait Ilena weer bij. Ze wacht alleen tot ik toenadering zoek. Nou, dan kan ze lang wachten.’

‘Dan komt ze wel naar jou toe,’ zei Thomasina.

‘Vast wel,’ zei Paul sarcastisch. ‘Maar voor een verzoening zijn er altijd nog twee nodig. Ik wil niets meer met haar te doen hebben. En daar ben ik je dankbaar voor, Thomasina. Ze zag in jou een bedreiging, en daardoor kreeg ik in de gaten wat het voor soort vrouw is.’

‘Maar als ze toch weet dat ik niet in de erfenis wens te delen ‘Thomasina, hou er nu eindelijk eens over op. Je doet net of ik met haar verloofd was en dat was helemaal niet waar.’

Thomasina zuchtte. ‘Denk je dan eens in mijn positie in. Ik kom pardoes uit Engeland en maak een einde aan jouw romance met Ilena. Natuurlijk neemt iedereen hier het me kwalijk dat ik alles bedorven heb voor een Nieuwzeelands meisje.’

De beide mannen barstten in lachen uit. ‘Het is helemaal geen Nieuwzeelandse, uilskuiken,’ zei Paul. ‘Ze komt uit Engeland en het is een nichtje van de Martensens. Mrs. Martensen vroeg of ik haar zuster in Surrey eens wilde opzoeken. Toen heb ik zeker te veel opgeschept over het leven hier. Ilena werkte daar in de stallen. Ze is hier met vakantie naar toe gekomen en blijven plakken.’

Thomasina voelde onmiddellijk dat het niet het leven was dat Ilena zo had aangetrokken. Surrey was een van de mooiste Engelse graafschappen. Ilena was hier alleen naar toe gekomen omdat ze Paul wilde. Ze kreeg medelijden met het meisje.

‘Ik snap niet dat je dat niet meteen aan haar accent hebt gehoord,’ zei Paul. ‘In elk geval zal niemand hier je als een indringster beschouwen. Ik heb gehoord wat je tegen oom Eb zei. Het siert je dat je zo gesteld bent op je onafhankelijkheid, maar dat weten we nu wel. Ik vind dat je nu ook eens aan de gevoelens van anderen moet denken.’

Thomasina werd witheet van woede. ‘Paul Richmond, je legt mijn bedoelingen altijd verkeerd uit. Eerst denk je dat ik hier kom omdat ik op geld uit ben, en als ik laat merken dat ik onafhankelijk wil zijn, beschuldig je me nota bene van egoïsme. Daar kan ik met de pet niet bij!’

‘Denk nou toch aan oom Eb,’ zei Paul kalm. ‘Hij wil het zo graag. Hij wil jou en de kinderen dolgraag helpen. Dat plezier ontzeg jij hem. Dat vind ik niet aardig. Accepteer toch hetzelfde salaris dat Louisa krijgt. Jij werkt waarschijnlijk veel harder, want zij kon buiten niet meer helpen en jij wel. Ga maar na hoe goed je ons hielp toen dat lam geboren werd. Maar neem oom Eb in vredesnaam de kinderen niet af.’

Thomasina was sprakeloos. Ze sloeg haar ogen neer, maar wierp hem toen weer snel een blik toe. Wat keek hij haar nu eigenaardig aan, waarom was dat? Maakte hij zich zorgen om zijn oom?

Plotseling gleed de spanning van haar af. ‘Goed, Paul, nu jij me niet langer schijnt te verdenken van hebzucht, zal ik dat salaris accepteren. Als ik dan ook buiten mag helpen heb ik het gevoel dat ik er tenminste iets tegenover stel. In Engeland heb ik me ook bemoeid met de rekeningen en zo, misschien kan ik dat hier ook doen. En als Louisa terugkomt, zou ik misschien de tuin kunnen verzorgen en meer buiten kunnen helpen.’

Paul keek haar vol waardering aan. ‘Dat is redelijk, hè, oom Eb?’ zei hij.

Ebenezer knikte. ‘Dat zou ideaal zijn. Louisa’s familie vindt altijd dat ze te hard werkt. Ik zie geen kans het haar te beletten, maar na de operatie is ze waarschijnlijk blij dat ze het een beetje kalmer aan kan doen. En ik heb een hekel aan de boekhouding. Paul doet het niet gek, maar die heeft zo weinig tijd. Dus dat is dan afgesproken. Jij blijft hier. Nu bel je als de weerga die luchtvaartmaatschappij op om de vliegreis naar Engeland af te zeggen. De oude vleugel van het huis is voor jou, doe ermee wat je wilt.